CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2022-176D Bestemmingsplan Gatwickstraat 1

RAAD 14 september 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Gatwickstraat 1VN2022-01970128.506 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Dit betekent dus dat functies uit categorie 3.1 alleen zijn toegestaan als zij op grond van geluid in categorie 3.1 vallen. Aanvullende voorwaarden zijn daarbij dat de activiteiten niet tijdens de nachtperiode plaatsvinden (in de Staat van Inrichtingen zijn deze functies indicatief aangegeven met een 'C'), dat het hoofdzakelijk inpandige activiteiten moet betreffen en dat de betreffende functie niet direct mag grenzen aan (lees: een gedeeld plafond of een gedeelde muur hebben met) een geluidsgevoelige functie. Met deze extra voorwaarden hoeft binnen een gemengd gebied ook voor deze categorie geen fysieke scheiding te Gemeente Amsterdam

blz. 92

worden aangehouden ten opzichte van milieugevoelige functies. Functies die ten aanzien van het aspect gevaar categorie 2 scoren worden overigens, anders dan in de VNG-methodiek waar ten aanzien van gevaar het maximum op categorie 1 is gesteld, ook aanvaardbaar geacht. Het gaat dan bijvoorbeeld om bedrijven die in beperkte mate olie of verf hebben opgeslagen. Deze bedrijven, niet vallend onder het BEVI of het Vuurwerkbesluit, vormen geen onaanvaardbaar risico voor de milieugevoelige functies en zijn goed inpasbaar in een gemengd gebied. De toetsing van de hinder van een zich in het bestemmingsplangebied nieuw te vestigen functie zal in eerste instantie door middel van een indicatieve toets aan de "Staat van inrichtingen plaatsvinden". Daarbij is de toetsing uit te breiden naar de actuele hinder, met name indien sprake is van een van elders verplaatste functie. Bezien kan dan worden of aanvullende eisen moeten worden gesteld en eventueel de wijzigingsregels kunnen worden toegepast op grond waarvan een functie voor wat betreft de milieuhindercategorie lager kan worden ingeschaald dan indicatief aangegeven.

10.3

Richtafstanden en milieucategorie: bedrijven buiten het plangebied

Dit bestemmingsplan maakt de vestiging van gevoelige functies in de nabijheid van het industriegebied Westpoort mogelijk. In het industriegebied zijn bedrijven toegestaan met milieucategorie 3.2 tot 5.3 (bestemmingsplanen Westhaven en Sloterdijk II, d.d. 3 juli 2013). De afstand van een gevoelige functie in relatie tot milieucategorie is gebaseerd op de richtafstanden zoals weergegeven in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes is weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel richtafstanden bij verschillende bedrijfstypes De in bovenstaande tabel weergegeven afstanden zijn gebaseerd op de grootste afstand voor wat betreft de milieucomponenten geur, stof, geluid en gevaar. Voorbeeld: een bedrijf heeft een richtafstand van 100 meter voor geluid, 30 meter voor stof en 50 meter voor geur. De grootste afstand is 100 meter. Voor Sloterdijk is sprake van het omgevingstype: gemengd gebied. Dit houdt in dat de richtafstanden voor bijvoorbeeld milieucategorie 3.2 met één afstandsstap, van 50 naar 30 meter, verlaagd mag worden.

bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)

blz. 93

Figuur 10.1: overzicht bestemmingen omgeving plangebied Ten westen en noordwesten van het plangebied ligt het plangebied van de bestemmingsplannen 'Sloterdijk II' en 'Westhaven'. Ten oosten van het plangebied ligt het bestemmingsplan Sloterdijk l. Het plangebied van het perceel Gatwickstraat 1 ligt op een kortste afstand van circa 280 meter van de bedrijfskavels van het plangebied Sloterdijk II. De maximale milieucategorie die in Sloterdijk II voorkomt is milieucategorie 4.1. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 100 meter. Deze bedrijven bevinden zich op voldoende afstand van het plangebied. Het plangebied van het perceel Gatwickstraat 1 ligt op een kortste afstand van circa 470 meter van de bedrijfskavels van het plangebied Westhaven. Ter plaatse geldt de maximale milieucategorie 5.1. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 300 meter. Deze bedrijven bevinden zich op voldoende afstand van het plangebied. Het plangebied van het perceel Gatwickstraat 1 ligt op een afstand van circa 330 meter van de bedrijfskavels van het plangebied Sloterdijk l. Op grond van het bestemmingsplan zijn op deze kavels bedrijven t/m categorie 3.2 toegestaan. De richtafstand tot bedrijven van milieucategorie 3.2 is 50 meter in een gemengd gebied.

Gezien de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' en de afstanden van het plangebied Gatwickstraat 1 tot bedrijventerrein Sloterdijk II, Westhaven en Sloterdijk l is een acceptabel leefklimaat gewaarborgd. Gelet op de afstanden kan met een aan zekerheid

Gemeente Amsterdam

blz. 94

grenzende waarschijnlijkheid vastgesteld worden dat de huidige of toekomstige stand van techniek goed aan nadere milieueisen kan worden voldaan door de betrokken bedrijven.

bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)

blz. 95

Hoofdstuk 11 11.1

Geur

Geur

Het rijksbeleid met betrekking tot geur heeft als uitgangspunt het voorkomen van (nieuwe) hinder. Wanneer er geen lokaal beleid is (zoals in Amsterdam het geval is), wordt de geursituatie getoetst aan het rijksbeleid. Het bevoegd gezag moet de geursituatie in kaart brengen en vervolgens bepalen wat het aanvaardbare hinderniveau is. In het algemeen is het zo dat wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand van bedrijven worden gepland, het woon- en verblijfklimaat als goed wordt aangemerkt en niemand onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Bij het afwegen welke afstand voldoende is, wordt rekening gehouden met de milieucategorie (plus bijbehorende richtafstand) van de bedrijven in of nabij het bestemmingsplan en de geursituatie vastgelegd in de omgevingsvergunning voor vergunningplichtige bedrijven. Als de ontwikkeling buiten de richtafstand / geurcontour plaatsvindt, is er in principe vanuit geur geen belemmering voor de ontwikkeling. Voor de milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden wordt verwezen naar hoofdstuk 10. In sommige gevallen is het ook mogelijk binnen de contour nieuwe geurgevoelige objecten te realiseren. De afwegingscriteria voor wat aanvaardbaar is, zijn gelijk aan die voor vergunningverlening, maar kunnen voor een ruimtelijk plan tot andere conclusies leiden.

Deze criteria zijn: zijn er klachten, hoeveel hinder is er, wat is de historische situatie, welke toekomstige ontwikkelingen zijn er, passen de bedrijven Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe, et cetera.

11.2

Onderzoek

In het kader van het MER Haven-Stad is een inventarisatie gedaan van de aanwezige geurrelevante bedrijven in het gebied. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) heeft daartoe de 'Inventarisatie geur en stof MER Haven-Stad' opgesteld (zie Bijlage 3, bijlage 6 bij het MER, Achtergrondrapport Geur en Stof 13 oktober 2017). De ODNZKG heeft naar aanleiding van de inventarisatie richtafstanden bepaald die minimaal in acht moeten worden genomen bij de vestiging van geurgevoelige objecten (zijnde aaneengesloten woonbebouwing, scholen en soortgelijke objecten). Het bestemmingsplan Gatwickstraat 1 ligt op ruim 1,7 kilometer afstand van Bunge Nederland B.V. (voorheen Cargill). Bunge is een geurrelevant bedrijf dat een relatief grote geurcontour heeft (1.000 meter). De ontwikkeling van het perceel Gatwickstraat 1 ligt niet binnen deze geurcontour. Het is dus niet nodig is om beperkingen te stellen aan de vestiging van geurgevoelige objecten in het plangebied.

11.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan dat de vestiging van geurgevoelige objecten mogelijk maakt.

Gemeente Amsterdam

blz. 96

bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)

blz. 97

Hoofdstuk 12 12.1

Trillingen door spoor

Algemeen

Trillingen langs het spoor ontstaan als een trein over de rails rijdt. Dan zorgt de wrijving van de wielen op de rails voor de trilling. Die worden via de grond doorgegeven. Ook kan de beweging van treinen op het spoor zorgen voor (laagfrequente) trillingen in de bodem. Dit is vooral het geval bij goederentreinen. Voorliggend bestemmingsplan maakt op enige afstand van het spoor gevoelige objecten mogelijk.

12.2

Regelgeving en beleid

Er bestaan geen wettelijke normen voor trillingshinder als gevolg van het treinverkeer over het spoor. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstraat heeft in mei 2019 de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen uitgebracht. Voor de mate van trillinghinder wordt aangesloten bij de streefwaarden uit de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: Deel A, Schade aan gebouwen Deel B, Hinder voor personen in gebouwen Deel C, Storing aan apparatuur Van belang is dat de handreiking alleen ziet op nieuwbouw en dus niet van toepassing is op bestaand gebruik.

12.3

Onderzoeken

In het kader van MER Haven-Stad is aandacht besteed aan het aspect trillingshinder. Het aspect trillingen is van belang in het kader van een goed woon- en leefklimaat (deel B van de richtlijn). Door eventuele aanpassingen in de constructie is trillingshinder goed op te lossen. In de huidige situatie zijn geen klachten van bestaande gebruikers langs het spoor bekend. Conform de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen kan middels een zone van 100 meter rondom het spoor worden opgenomen. Binnen deze zone moet naar mogelijke trillinghinder voor nieuwe gevoelige functies (zoals wonen) worden gekeken. Nu onderhavige ontwikkeling zich buiten de zone van 100 meter rondom het spoor bevindt en er geen klachten van bestaande gebruikers langs het spoor bekend zijn, is nader onderzoek naar trillingshinder niet benodigd.

12.4

Conclusie

Het aspect trillingen door spoor vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 98

bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)

blz. 99

Hoofdstuk 13 13.1

Bodem

Algemeen

Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijk ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. Het bestemmingsplan maakt geen nieuw gebruik mogelijk. Het geldende bestemmingsplan 'Sloterdijk' maakt op de locatie Gatwickstraat 1 reeds de kantoorfunctie met diverse overige functies mogelijk. De afweging over de kwaliteit van de bodem voor een gemengde heeft derhalve al plaatsgevonden in het kader van het geldende bestemmingsplan 'Sloterdijk', waardoor bodemonderzoek strikt genomen niet noodzakelijk is voor onderhavige planologische wijziging. Bij eventuele toekomstige uitbreidingen of herontwikkelingen van bestaande functies zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek moeten worden overlegd, tenzij middels onderzoek is aangetoond dat geen sprake is van een verdacht gebied.

De Bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment. Voor de volledigheid wordt in de volgende paragrafen achtereenvolgens ingegaan op de regelgeving op het gebied van bodemverontreiniging (paragraaf 13.2), de resultaten van onderzoek naar de bodemkwaliteit (paragraaf 13.3) en de gevolgen hiervan voor voorliggend bestemmingsplan (paragraaf 13.4).

13.2

Regelgeving en beleid

13.2.1 Wet bodembescherming Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb kent nieuwe gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan na 1 januari 1986) waarbij er sprake is van een saneringsplicht die direct van kracht is. Voor oude gevallen van bodemverontreiniging is de start van de sanering met de nieuwe Wbb afhankelijk van de ontoelaatbare risico's voor de mens, verspreiding of het milieu nu en in de toekomst. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht. 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land.

Gemeente Amsterdam

blz. 100

13.2.2 Nota Bodembeheer Gemeente Amsterdam Het 'Besluit bodemkwaliteit' geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedspecifieke beleid. Deze normen zijn voor Amsterdam opgenomen in de Nota Bodembeheer die op 4 april 2012 door de gemeenteraad is vastgesteld. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedspecifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico's en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders.

13.3

Onderzoeken

13.3.1 Bodemkwaliteit Bij het opstellen van een bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk, waarbij vaak met een literatuuronderzoek kan worden volstaan. Bodemkwaliteitskaart Amsterdam Voor de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam zijn 6 zones gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Binnen een zone liggen soms meerdere bodemfuncties, die elk een ander beschermingsniveau en dus een eigen Lokale Maximale Waarde vragen. Er zijn aparte kaarten opgesteld voor de toplaag (0-0,5 m beneden maaiveld), voor de diepere bodemlaag (0,5-2,0 m beneden maaiveld) en voor het oorspronkelijk maaiveld (de laag onder de ophooglaag, in de regel vanaf 2,0 m beneden maaiveld en dieper). Is het gebied niet opgehoogd, of is de ophooglaag dikker dan 2 meter, dan geldt het dieptetraject “oorspronkelijk maaiveld” vanaf 2,0 m beneden maaiveld en dieper. Over het algemeen is deze laag schoner dan de ophooglaag. Voor Amsterdam zijn diverse bodemkwaliteitskaarten opgesteld die behoren bij de Nota Bodembeheer. Op één van deze kaarten is het plangebied aangewezen als zone 1 gebied (op onderstaande afbeelding in het lichtblauw).

De grond in dit gebied is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken.

bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11837431/1