CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2022-138B Bijlage 2 - Toelichting Bp Cluster 7

RAAD 22 juni 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan “Cluster 7”VN2022-01332226.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 63

gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Gemeente Amsterdam

blz. 64

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 65

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Duurzaamheid

Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint al bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden. Kader Duurzaamheid staat ook hoog op de Amsterdamse agenda. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. De inhaalslag wordt behaald door in goede samenwerking met partners uit de stad (de bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen). Niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook door de energie en doorzettingskracht die al aanwezig is in de samenleving te versterken. In de Structuurvisie Amsterdam 2040 heeft de gemeente ook ingezet op een meer klimaatbestendige stad: het stedelijk gebied moet in de toekomst beter bestand zijn tegen wateroverlast door extreme regenval en overstromingen en tegen een toename van langere perioden van hitte en droogte. In 2020 moet klimaatadaptie in het gemeentelijk beleid zijn verankerd.

Op 11 maart 2015 heeft de Gemeenteraad de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad vastgesteld (Agenda Duurzaamheid). De Agenda Duurzaamheid is uitgerust met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen. Bij de vertaling van de thema's in ambities en doelen is de onderlinge samenhang en de samenhang met andere beleidsdoelen betrokken. In de Agenda Duurzaamheid is beschreven hoe met een integrale aanpak de doelen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door in te gaan op de financiering van de transitie naar een duurzaam Amsterdam en door het monitoren van het proces voor te stellen. De agenda besluit met een uitvoeringsprogramma samengevat op doelen, richting en maatregelen. Op 7 november 2016 is de strategie vastgesteld voor het verduurzamen van de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving (Naar een stad zonder aardgas). In de Agenda Duurzaam is het doel gesteld om 102.000 woningequivalenten in 2020 op stadswarmte aangesloten te hebben. Het college heeft de ambitie geuit dat de huidige energietransitie geen uitstel mag krijgen. Nieuwe woningen dienen aardgasloos te worden gebouwd en ook de bestaande stad moet worden aangepast. De strategienota "Naar een stad zonder aardgas" beschrijft hoe dit realiseerbaar is. Aardgas moet vervangen worden door duurzame(re) energiebronnen.

Grosso modo zijn de alternatieven voor aardgas gebaseerd op elektriciteit (all-electric) en/of warmtenetten (o.a. stadswarmte) waarbij de kansen om op gebiedsniveau gebruik te maken van duurzaam opgewekte warmte maximaal benut worden. Voor voorliggend plangebied betekent de strategienota dat bij nieuwbouw gasloos wordt gebouwd. De gemeente onderzoekt diverse varianten voor een open, duurzaam en betaalbaar warmtesysteem. Bij de ontwikkeling van het gebied zal in samenspraak met ontwikkelende partijen onderzocht worden hoe invulling kan worden gegeven aan de ambities. Toetsing

Gemeente Amsterdam

blz. 66

In het voorliggende plan zijn de ambities voor duurzaamheid hoog. In de bouwenvelop die opgesteld is voor dit plan zijn randvoorwaarden en ambities opgenomen voor diverse duurzaamheidsthema's.

5.2

Archeologie en cultuurhistorie

Kader Wet op de archeologische monumentenzorg In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getredeng op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet to behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaalbelang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Volgens de Erfgoedwet moeten (toevals)vondsten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld, zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (d.d. 17 juni 2011, stbl 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 67

Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) In de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) zijn in de artikelen 20-22 regels opgenomen ten aanzien van enkele UNESCO werelderfgoederen, waaronder De Stelling van Amsterdam. Het gebiedVuurtoreneiland bij de IJdoornpolder in bij Durgerdam maakt deel uit van deze Stelling. Dit vloeit voort uit de verplichting in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), artikel 2.13.4, ten aanzien van enkele Unesco Werelderfgoederen. De PRV bepaalt dat in het bestemmingsplan regels dienen te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van deze erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De Verordening geeft daarnaast regels voor mogelijke ontwikkelingen aan in deze gebieden. De PRV geldt niet ten aanzien van het UNESCO-werelderfgoed De Grachtengordel van Amsterdam. De bescherming van de Amsterdamse Grachtengordel is namelijk al geregeld op basis van de Erfgoedwet en de Monumentenwet. Structuurvisie Noord-Holland 2040 De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is op 21 juni 2010 als onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland vastgesteld en in 2018 vernieuwd.

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 10 april 2018) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad geeft aan welke kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. Daarbij is aangegeven welke kernkwaliteiten van het landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn zodat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze kunnen worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen. De Leidraad 2018 is in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) verankerd in artikel 15 (ruimtelijke kwaliteitseis). De laatste wijziging van de Verordening (vastgesteld 23 april 2018 door Provinciale Staten) en daarmee ook de Leidraad 2018 is op 2 mei 2018 in werking getreden. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam.

Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten. In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen.

Gemeente Amsterdam

blz. 68

Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal.

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor.

Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016). Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever.

Toetsing Het vigerende bestemmingsplan maakt gebruik van archeologische verwachtingswaarde, waaraan grenzen zijn gekoppeld tot waar voorgenomen bodemingrepen worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Volgens het vigerende plan geldt er voor het plangebied geen verwachting voor het aantreffen van archeologische resten. In het plangebied geldt derhalve geen onderzoeksplicht. bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 69

5.3

Water

Kader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Amstel, Gooi & Vecht, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Omgevingsvisie Verordening Ruimte

Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Amstel, Gooi en Vecht beschrijft in haar 'Waterbeheerplan 2016-2021' met betrekking tot stedelijk waterbeheer het volgende: ''In stedelijk gebied pakt het waterschap samen met gemeenten de geïntegreerde wateropgave aan. Zo combineert het waterschap bijvoorbeeld de water-op-straat-problematiek met de kwaliteit van het stedelijk oppervlaktewater. Klimaatbestendigheid betekent: veiligheid tegen overstromingen, wateroverlast beperken door voldoende capaciteit om regenwater te bergen, vast te houden of af te voeren, én een stedelijke omgeving die niet extreem opwarmt tijdens een hittegolf. Daarvoor is het nodig om woningen, gebouwen en terreinen zoveel mogelijk water te laten opvangen, opslaan en infiltreren binnen hun eigen gebied en zo min mogelijk te laten lozen op riool, straat, sloot of omliggende terreinen.'' Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 De gemeente Amsterdam heeft de wettelijke verantwoordelijkheid voor een aantal watertaken. Deze betreffen onder andere: inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater, inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied. In het

Gemeente Amsterdam

blz. 70

rioleringsplan zijn het beleid en doelstellingen genoemd. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Stedelijk afvalwater zoveel mogelijk scheiding aan de bron van de componenten van stedelijk afvalwater waar mogelijk decentrale zuivering in plaats van de huidige centrale, zolang dit duidelijk aanwijsbare voordelen biedt Hemelwater de perceelseigenaar is in principe zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op eigen terrein de verwerking van hemelwater is een inspannings- en geen resultaatverplichting voor de gemeente uitgangspunt is om verontreinigd hemelwater gescheiden te houden van het overige hemelwater gebruik heeft de voorkeur boven direct lozen gemeente houdt bij de inrichting van de openbare ruimte rekening met het tijdelijk opvangen van extreme buien Grondwater Duurzaam functionerend grondwatersysteem: Nieuwe hinder voorkomen Bestaand hinder wegnemen De perceeleigenaar is in principe zelf verantwoordelijk voor het grondwater op eigen terrein

Huidige situatie Het plangebied is gelegen in de Amsterdamse Poort ten zuidoosten van Amsterdam. Het plangebied omvat in totaal circa 26.929 m2 en bestaat in de huidige situatie uit een gebied met woningen, bedrijfsruimtes, detailhandel en een parkeergarage. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Flierbosdreef en aan de zuidzijde door de Hoogoorddreef. Het gebied is geheel verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. In de omgeving van het plangebied bestaat de grond uit kleidek op veen. Met betrekking tot grondwater is in de nabijheid van het plangebied sprake van grondwater II. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen de 50 en 80 centimeter onder maaiveld. Waterkwantiteit Conform de Legger van Waterschap Amstel, Gooi & Vecht zijn in het plangebied geen watergangen aanwezig. Het plangebied bevindt zich ook niet in een beschermingszone van een watergang, zie figuur 5.1.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 71

Figuur 5.1 Uitsnede Legger Waterschap Amstel, Gooi & Vecht plangebied (rood omkaderd) (Bron: Waterschap Amstel, Gooi & Vecht)

Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een regionale waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen woningen en o.a. detailhandel, horeca, cultuur, parkeerplaatsen en commerciële ruimtes toegevoegd worden. In de huidige situatie is het gebied geheel verhard waardoor in de nieuwe situatie geen toename zal zijn.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Conform de Keur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, artikel 4.20, dient bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 1.000 m2 (in stedelijk gebied) een watervergunning te worden aangevraagd en zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Met de realisatie van de beoogde ontwikkeling zal de toename van verharding onder de grens van 1.000 m2 blijven aangezien de locatie momenteel al geheel verhard is. Er hoeft niet gecompenseerd te worden. Waterveiligheid De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Amsterdam Rainproof In het rioleringsplan van Amsterdam is de nadruk gelegd op de rainproofopgave van de stad. Het streven is om wateroverlast en schade door een hevige bui te voorkomen. Omdat het niet wenselijk is om de capaciteit van de riolering te vergroten, worden de daken, daktuinen, woonerven en openbare ruimte ingericht om water vast te houden en afvoer te vertragen.

Er zijn twee richtlijnen die de basis vormen voor waterneutraal ontwikkelen: De capaciteit voor hemelwater berging is minimaal 60 mm per uur. Hemelwater wordt in minimaal 24 uur afgevoerd met een constant debiet (ca. 2,5 mm/uur). Dit wordt bij voorkeur hergebruikt of verwerkt op eigen kavel. Het hemelwater kan ook worden afgevoerd door het in de bodem te infiltreren of via het oppervlaktewater (wanneer kavel gelegen aan oppervlaktewater). Als dit niet mogelijk is, mag hemelwater worden afgevoerd via het riool. Kelderverordening Op 20 januari 2021 heeft gemeente Amsterdam nieuwe regels vastgesteld ten aanzien van het realiseren van nieuwe kelders. Op een aantal plekken in de stad leidt onderkelderen van (onder meer) woningen tot problemen met het grondwaterpeil. Het regent vaker en er valt per bui meer water uit de lucht. Dat hemelwater komt uiteindelijk in het grondwater terecht. Bij aanleg van (meerdere) nieuwe kelders kan het grondwater niet normaal stromen. Dit kan tot overlast en schade leiden doordat op sommige plekken het grondwater te hoog en op andere plekken te laag komt te staan. In bepaalde gebieden leidt dit tot mogelijke schade bij omliggende percelen Het nieuwe afwegingskader is opgenomen in een paraplubestemmingsplan, dat betekent dat de nieuwe regels straks gelden voor alle aanvragen voor het aanleggen van kelders onder woningen en andere gebouwen in Amsterdam.

Het ontwerp voor dit paraplubestemmingsplan 'Grondwaterneutrale kelders' is op 2 juni 2021 gepubliceerd. Omdat het paraplubestemmingsplan 'Grondwaterneutrale kelders' naar verwachting eerder in werking treedt dan het bestemmingsplan 'Cluster 7' zijn de regels uit het paraplubestemmingsplan eveneens bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 73

opgenomen in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan 'Cluster 7'. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat het plan voldoet aan de regels met betrekking tot het realiseren van nieuwe kelders.

Grondwaternorm De natuurlijke afwatering via de bodem en het oppervlaktewater moet zodanig zijn dat geen aanvullende voorzieningen voor grondwater nodig zijn en dat er geen problemen gaan ontstaan. Inrichting en gebruik van het gebied moet daarvoor afgestemd worden op het grondwatersysteem. Ook is de grondwaternorm van toepassing om grondwateroverlast te voorkomen. Het plangebied is momenteel al volledig verhard. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van verbetering van infiltratie van hemelwater door de aanleg van binnentuinen en groene daken. Hiermee wordt grondwateroverlast voorkomen. Duurzaamheid Maatregelen met betrekking tot duurzaamheid worden in paragraaf 5.1 nader toegelicht. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Ter bevordering van het vasthouden van hemelwater zullen gedeeltelijk groene daken aangelegd worden.

Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Hieruit blijkt dat er geen compensatie voor verharding nodig is. Ook ligt het plangebied niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Hierdoor kunnen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten worden.

5.4

Flora en fauna en ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.

Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 75

inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat.

Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Botshol ligt op circa 5,7 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 1,8 kilometer (figuur 5.2).

Gemeente Amsterdam

blz. 76

Figuur 5.2 Ligging plangebied (rood gemarkeerd) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Noord-Holland) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Botshol voor de sloop-, aanleg- en gebruiksfases zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. De memo is te vinden in bijlage 8, de berekeningen van de vier faseringen zijn te vinden in bijlagen 9, 10, 11 en 12 en de berekening van de gebruiksfase in bijlage 13. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (2021) blijkt dat uit de verschilberekeningen voor de vier faseringen van de aanlegfase en voor de gebruiksfase, geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Voor de aanlegfase zou dit tevens niet het geval zijn wanneer de gehele beoogde ontwikkeling in één jaar uitgevoerd zou worden. Dit is echter niet realistisch gezien de grote van de ontwikkeling. Soortenbescherming Er is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten ter plaatse van het plangebied. Dit onderzoek, een quickscan, is opgenomen in Bijlage 14.

In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het op grond van waarnemingen uit het verleden van huismussen het mogelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel leefgebied en essentieel foerageergebied, worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde huismus. Nader onderzoek naar, of en zo ja hoeveel, huismussen in het plangebied verblijven is noodzakelijk. Als uit dit onderzoek blijkt dat er huismussen in het plangebied broeden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 77

Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het mogelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde vleermuizen. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk. Voor andere beschermde soorten is het plangebied ongeschikt biotoop. Nadelige effecten van de werkzaamheden op deze soorten zijn uit te sluiten. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Zoals geconcludeerd in de quick scan is vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de huismus én vervolgonderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Dit onderzoek is in het voorjaar van 2021 opgestart. Voor verblijfplaatsfuncties van vleermuizen zijn er globaal twee onderzoeksperioden, namelijk het voorjaar en het najaar. De resultaten van het voorjaarsonderzoek zijn inmiddels bekend; met de batdectector zijn meerdere zomerverblijfplaatsen vastgesteld, namelijk minimaal twee stuks. Dit betekent dat nu nog onbekend is of er in het najaar verblijfplaatsen aangetroffen worden of niet. Vleermuizen gebruiken door het jaar heen namelijk een netwerk aan verschillende verblijfplaatsen. De kans op paarverblijfplaatsen is wel groter als er reeds zomerverblijfplaatsen zijn aangetroffen.

Op basis van de aangetroffen verblijfplaatsen is het in ieder geval noodzakelijk om compenserende maatregelen te treffen, zoals het plaatsen van vleermuiskasten in de directe omgeving. Deze compenserende maatregelen dienen in ieder geval voor 15 februari 2022 te zijn genomen. Daarnaast dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Voor het aanvragen van deze ontheffing dient het vervolgonderzoek vleermuizen te zijn afgerond (voorjaars- en najaarsronde). Het eindrapport wordt in het najaar van 2021 afgerond. De resultaten hiervan zullen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, voorafgaand aan de ter visie legging. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve gevolgen op nabijgelegen NNN- en Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van soortenbescherming zijn er in het voorjaar enkele verblijfplaatsen van vleermuizen gevonden. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk om compenserende maatregelen te treffen en een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen. Met het in acht nemen van de compenserende maatrgelen mag ervan worden uit gegaan dat deze ontheffing wordt verkregen.

5.5

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf worden de eventuele beleidsstukken of besluiten genoemd, die direct aan de inrichting van het gebied ten behoeve van het verkeer ten grondslag liggen (Verkeerscirculatieplan e.d.). In deze paragraaf wordt verder de bereikbaarheid / ontsluiting van het gebied als gevolg van het plan globaal beschreven, voor: de auto, OV, fiets en voetganger. Ook het auto- en fiets parkeren wordt kort in beeld gebracht. Er wordt ook omschreven hoe aangesloten wordt op de grotere verkeersnetwerken buiten het plangebied. Bij grotere projecten, waarvan de realisatie over meerdere jaren verspreid is, verdient het aanbeveling om ook de ontsluiting van het bouwverkeer te beschrijven. Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied is gelegen op de hoek van de Flierbosdreef en Hoogoorddreef. Beide zijn gebiedsontsluitingswegen (2x2) waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. Het hoofdwegennet van Amsterdam kan worden bereikt door in noordoostelijke richting via de Bijlmerdreef de S112 (Gooiseweg) aan te doen. In westelijke richting leidt de Burgemeester Stramanweg naar de N522 en

Gemeente Amsterdam

blz. 78

aansluiting op de rijksweg A2. Zodoende is het plangebied goed bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer. Openbaar vervoer Het plangebied is goed bereikbaar per openbaar vervoer. Langs de Bijlmerdreef ligt op loopafstand (minder dan 500 m) van het plangebied de bushalte Anton de Komplein. Hier halteren o.a. bussen met als bestemming Station Bijlmer Arena en Muiderpoortstation. Treinstation Bijlmer Arena ligt in de nabijheid (circa 1 km) van het plangebied. Vanaf dit Intercitystation vertrekken treinen in de richting van Schiphol Airport, Venlo en Rotterdam Centraal. Langzaam verkeer Het bestaande winkelcentrum Amsterdamse Poort bestaat uit een voetgangersgebied. Langs de Flierbosdreef en Hoogoorddreef zijn geen voorzieningen voor fietsers anwezig. In de toekomstige situatie krijgt de voetganger een meer prominente plek. Het winkelgebied wordt net als in de huidige situatie alleen toegankelijk voor voetgangers. Fietsers komen tot aan de rand van het winkelgebied. De vernieuwde dreven bieden plek aan zowel auto's als voetgangers, niet voor fietsers. Het nieuwe woonerf is alleen toegankelijk voor voetgangers. Verkeersgeneratie en -afwikkeling Door de gemeente Amsterdam 'Team Onderzoek & Kennis' is onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten van de ontwikkeling Cluster 7, zie Bijlage 16.

Daarbij is onderzocht of het gewijzigde programma leidt tot verkeerskundige knelpunten rond het plangebied. Het plangebied kent een relatief grote verkeersgeneratie, door het hoge aandeel arbeidsplaatsen in de detailhandel. Met de realisatie van het plan wordt de verkeersgeneratie nog groter. De verkeersstromen verspreiden zich echter snel over het omliggend wegennet waardoor de toenames worden uitgesmeerd. De toenames ten opzichte van de autonome situatie, de planeffecten, zijn het grootst op de kruisingen op de Flierbosdreef tussen Karspeldreef en Bijlmerdreef. Op basis van het verkeersonderzoek zijn hier geen knelpunten te verwachten. Uitgaande van de zwaarste richting in de avondspits geeft het verkeersmodel een indicatie van stagnatie bij de op- en afritten naar de Gooiseweg. De planeffecten zijn hier in de spits echter verwaarloosbaar waardoor er geen significant effect op de doorstroming is. Al met al kan geconcludeerd worden dat het plan Cluster 7 niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling leidt. Parkeren Toetsingskader De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 8 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld en op 29 november 2017 is het parkeerbeleid opnieuw vastgesteld na verwerking van de in juni 2017 aangenomen amendementen en moties.

Uitgangspunt bij een transformatie op grond van de Nota is maatwerk, omdat het om bestaande gebouwen gaat waarvoor de normen zich minder goed lenen. Dit geldt ook voor de onderhavige transformatie van Cluster 7 waarbij het huidige winkelcentrum wordt herontwikkeld tot woon-, werk-,

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 79

winkel- en leisuregebied. Voor de nieuw te realiseren woningen zullen geen parkeervergunningen worden verleend. Er is een parkeerbalans opgesteld voor de gehele gebiedsontwikkeling van Amsterdamse Poort (Parkeerbalans Amsterdamse Poort, 17 februari 2022), zie Bijlage 15. In deze balans is uiteengezet: wat de huidige openbare parkeercapaciteit is binnen de Amsterdamse Poort; wat de huidige gemiddelde piekbezetting is van deze parkeercapaciteit; wat de mutaties zijn in aanwezige functies en welke aanvullende functies gerealiseerd worden in en om de Amsterdamse Poort (incl. het programma voor Cluster 7); hoe het dubbelgebruik en parkeerpiekmomenten van deze functies zich verhouden; hoeveel aanvullende openbare parkeercapaciteit beoogd wordt in de komende jaren binnen de Amsterdams Poort. Uitgangspunten parkeerbalans In de huidige situatie zijn er 1.697 openbare parkeerplaatsen (pp) beschikbaar in het gebied van de Amsterdamse Poort. Deze zijn ondergebracht in de volgende parkeergarages: a. b. c. d.

P21 heeft 244 pp P22 heeft 465 pp P23 heeft 395 pp P24 heeft 593 pp

De gemiddelde piekbezetting voor de parkeervraag in de huidige situatie is 1.087 pp. Voor het bepalen van de parkeervraag van de in de toekomst aanwezige functies in de Poort (incl. Cluster 7) zal zijn is berekend op basis van minimale en maximale gemeentelijke normen voor kantoren en wonen (“Nota Parkeernormen Auto 2017”). Hoewel in het Parkeerbeleid is aangegeven dat de minimum parkeernorm voor woningen 0 is, is in de parkeerbalans Amsterdamse Poort gekozen om een gemiddelde te nemen van deze minimale en maximale norm, waarbij voor de functie wonen een norm gehanteerd van 0,1 pp per sociale woning, 0,5 pp per middendure / dure woning en 0,1 pp per woning voor bezoekers. De parkeernormen voor de overige functies is zijn gebaseerd op de actuele kencijfers van het CROW (“Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”, oktober 2012, publicatie 317). Voor de parkeerbalansberekening is voor de overige functies c.q. voorzieningen de minimale parkeernorm toegepast. Voor alle functies geldt dat er geen aanspraak kan worden gemaakt op een gemeentelijke parkeervergunning. Eindconclusie Parkeerbalans Amsterdamse Poort Met bovenstaande uitgangspunten onstaat een maatgevende moment voor de parkeerbezetting. Dit is de koopavond wanneer gelijktijdige aanwezigheid van de doelgroepen maximaal is.

Het maatgevende moment is doorgerekend om te bepalen hoeveel parkeercapaciteit er nodig is in de toekomstige situatie binnen de Poort. In dit maatgevende moment zal de benodigde parkeercapaciteit 1.948 pp zijn. De toekomstige parkeercapaciteit van de alle garages voorziet in 1.964 pp, zie onderstaande tabel. Hierin is de mogelijke uitbreiding van P23, waarvan het zeer aannemelijk is om uit te breiden aangezien deze garage al grotendeels is aangelegd, nog niet in meegenomen.

Gemeente Amsterdam

blz. 80

Tabel 5.1. Parkeerontwikkeling Amsterdamse Poort

Conclusies parkeerbalans voor Cluster 7 In de genoemde parkeerbalans in de bijlage is rekening gehouden met de toevoeging van functies en openbare parkeercapaciteit gedurende de komende jaren. Het voorliggend maximale programma van 815 woningen en max. 21.000 m2 commercieel programma van Cluster 7 is onderdeel van deze toekomstige functies binnen de Poort. De openbare parkeergarage van Cluster 7 P24 is meegenomen in bovenstaande tabel. De aanvullende 250 stallingsplaatsen die in voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, tellen hierin niet mee aangezien ze niet openbaar zijn. In de parkeerbalans wordt aangetoond dat de mutatie van P24 van 593 openbare parkeerplaatsen naar 450 openbare parkeerplaatsen in de eindsituatie verantwoord is. Het voorliggende bestemmingsplan staat in totaal maximaal 600 parkeerplaatsen toe. Dit betreffen zowel openbare parkeerplaatsen als parkeerplekken voor bewoners. Fiets- en scooterparkeren Toetsingskader In het gemeentelijke fietsparkeerbeleid (Nota Parkeernormen Fiets en Scooter, gemeente Amsterdam) zijn voor commerciële functies normen ten aanzien het benodigd aantal stallingsplaatsen opgenomen. Voor woonfuncties wordt de voorkeur voor gezamenlijke stallingsruimte bij woning uitgesproken.

Het Bouwbesluit 2012 verplicht ontwikkelaars om bij nieuwe woningen een individuele (fietsen)berging te realiseren, maar biedt ook ruimte voor gelijkwaardige alternatieven. De gemeente Amsterdam heeft als gelijkwaardig alternatief een voorkeur voor een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. Zo wordt voorkomen dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten. Tabel 5.2

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 81

5.6

Luchthavenindelingbesluit (LIB)

In verband met de belangen van Schiphol, is rondom de luchthaven het Luchthavenindelingbesluit (LIB) van kracht. Het luchthavenverkeersbesluit is gericht op de beheersing van de milieubelasting door het luchthavenluchtverkeer rondom Schiphol. In het besluit zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van luchtverkeerswegen, vlieghoogtes rondom de luchthaven, regels ten aanzien uitstoot van stoffen, maximale risicogewicht van vliegtuigen, maximale geluidbelasting gedurende de nacht en etmaal. Met dit besluit zijn zones aangewezen waar onder andere beperkingen gelden. Het plangebied valt binnen een aantal van deze zones. Hieronder wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante zoneringskaarten uit het LIB. Bijlage 3 (Beperking bebouwing) Het plangebied ligt net buiten de 'gronden 5' van het beperkingsgebied voor bebouwing. Dit gebied ligt op circa 200 meter ten noorden vanaf het plangebied (vanaf de Claus van Ambergstraat). Omdat het plangebied buiten de aanduidingen op deze kaart ligt, zijn er geen extra beperkingen voor de bebouwing. De ontwikkeling is dan ook niet in strijd met deze zoneringskaart Bijlage 4 (Maatgevende kaart toetshoogtes) Met het oog op het luchtvaartverkeer worden er hoogtebeperkingen gesteld aan bebouwing en begroeiing. Het plangebied ligt binnen een zone waar hoogtes tot 146 meter boven NAP zijn toegestaan.

De maximale bouwhoogte binnen het plangebied is 52,5 meter boven NAP (55 m boven peil). Daarmee blijft het ruimschoots onder de hoogtemaat van 146 meter. De ontwikkeling is niet in strijd met deze zoneringskaart. Bijlage 4a (Toetshoogte i.v.m. radar) Met het oog op het radarbereik worden er hoogtebeperkingen gesteld aan bebouwing en begroeiing. Het plangebied ligt binnen een zone waar hoogtes tot 65 meter boven NAP zijn toegestaan. De maximale bouwhoogte binnen het plangebied is 52,5 meter boven NAP. Daarmee blijft het onder de hoogtemaat van 65 meter. De ontwikkeling is niet in strijd met deze zoneringskaart. Conclusie In deze toetsing wordt geconcludeerd dat de bepalingen en beperkingen die volgen vanuit het LIB, geen Gemeente Amsterdam

blz. 82

belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Hoogbouwaspecten

5.7.1

Bezonning

Het realiseren van (hoge) nieuwbouw kan een negatief effect hebben op de bezonning van bestaande woongebouwen in de omgeving. Voor de bezonning van woningen bestaan geen wettelijke normen; in het Bouwbesluit 2012 wordt voor daglicht in de woning alleen gekeken naar de te bouwen woningen. In het kader van dit bestemmingsplan dient wel het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woonen leefklimaat te worden betrokken. Ten behoeve van de ontwikkeling in cluster 7 is daarom een bezonningsstudie uitgevoerd. Voor bestemmingsplan Cluster 7 wordt de zogenaamde Amsterdamse Norm voor bezonning tot uitgangspunt genomen, omdat hier sprake is van een hoogstedelijk gebied. De Amsterdamse Poort en omgeving kenmerkt zich door een zeer hoge mate van verdichting en verstedelijking en bestaande hoogbouw. In de "Ontwikkelstrategie ArenAPoort 2030" wordt ook nadrukkelijk gekozen voor verdere verstedelijking en uitbreiding, inclusief hoogbouw. De Amsterdamse Norm houdt in dat wordt uitgegaan van 21 maart (of 21 september) als maatgevende datum om te beoordelen wat de effecten zijn op de bestaande woonbebouwing. Deze gaat uit van het criterium dat ten minste sprake is van 2 mogelijke bezonningsuren per dag voor woonkamers en 1 bezonningsuur per dag voor slaapkamers.

Door DWA is een bezonningsstudie opgesteld om de schaduwwerking als gevolg van het bestemmingsplan in beeld te brengen, waarbij rekening is gehouden met de relevante data en tijden en de bestaande en nieuwe situatie tegen elkaar zij afgezet. Hierbij zijn ook reeds vergunde projecten in de omgeving, zoals Framebuilding in cluster 5, bij de bestaande situatie worden betrokken. De bezonningsstudie maakt als bijlage onderdeel uit van deze plantoelichting (bijlage 21). Uit het onderzoek blijkt dat de bezonning op de omliggende blokken niet significant afneemt, met uitzondering van enkele woningen aan de westzijde van Cluster 7. Voor het grootste deel van de bestaande woningen binnen het bestemmingsplan geldt dat zonder meer aan de Amsterdamse Norm wordt voldaan. Voor een beperkt aantal woningen geldt dat deze met een zodanige verslechtering te maken krijgen, dat niet wordt voldaan aan de Amsterdamse Norm. De Amsterdamse Poort betreft echter een hoogstedelijk gebied, waarin andere eisen worden gesteld aan lichtinval en bezonning dan in een minder bebouwde omgeving. Dat een deel van de woningen (meer) schaduwhinder zal ondervinden, is ook niet ongebruikelijk in een dergelijke zeer stedelijke omgeving. Het is niet zo dat de afname van zonlicht ook betekent dat er niet voldoende daglicht in de bestaande woningen is. Dit staat los van elkaar.

Verder is van belang dat de huidige parkeerplaatsen op het parkeerdek (binnenterrein) ten behoeve van de bewoners van het gebied getransformeerd worden naar binnentuinen. Hier wordt voor hen - in tegenstelling tot de huidige situatie - een buitenverblijf gerecreëerd, dat niet openbaar toegankelijk is. Met deze verbetering wordt ook zorggedragen voor compensatie van verminderde zontoetreding in de woning. De afname van het directe zonlicht voor de betreffende woningen is overigens voor een groot deel het gevolg van de ontwikkelingen van Framebuilding (Hogedreef 28-40) waarvoor op 11 november 2020 een (inmiddels onherroepelijke) omgevingsvergunning is verleend. Alleen deze ontwikkeling heeft gevolgen voor de zonlichttoetreding op de westgevel tegenover cluster 5, waar voor de meeste woningen de woonkamers zijn gelegen. De beoogde bebouwing voor cluster 7 heeft hierop geen invloed. Er wordt in dit verband verder op gewezen dat het huidige bestemmingsplan Amsterdamse Poort, voor zover hier bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 83

van belang, al bebouwing toestaat tot een hoogte van 26 meter. Ten opzichte van de nu al conform deze bouwhoogte toegestane bebouwing, ligt het in de verwachting dat de beoogde bouwhoogte (max 45,5 meter) slechts in beperkte mate tot verslechtering zal leiden. Met de herontwikkeling van de Amsterdamse Poort is een groot maatschappelijk belang gediend en deze herontwikkeling zal tot een aanzienlijke kwaliteitsimpuls leiden, ook voor het woon- en leefklimaat. Daarbij bestaat de noodzaak en behoefte om de bebouwings-dichtheid te vergroten en het aantal winkels en woningen te bevorderen. Deze noodzaak en behoefte zijn recent bekrachtigd in het de "Ontwikkelstrategie ArenAPoort 2030". Gelet reeds op de aanzienlijke maatschappelijke belangen die zijn betrokken bij de uitvoering van de ruimtelijke ontwikkelingen en het feit dat in de betreffende woningen nog enig zonlicht met voldoende daglichttoetreding zal kunnen toetreden, wordt geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat voor een beperkt aantal woningen niet wordt voldaan aan bedoelde Amsterdamse Norm.

Daarbij wordt ook betrokken dat, zoals gesteld, sprake zal zijn van een aanzienlijke kwaliteitsimpuls en dat het woon- en leefklimaat in cluster 7 zal verbeteren door onder meer de aanleg van binnentuinen in plaats van het huidige parkeerdek (hetgeen bijvoorbeeld ook tot een vermindering van geluidhinder zal leiden). Er wordt verder fors geïnvesteerd in dit blok door nieuwe afgesloten hoofdentrees te maken voor de bestaande en de nieuwe woningen, waardoor de loopdekken in Cluster 7 niet meer openbaar toegankelijk zullen zijn en waardoor een einde zal worden gemaakt aan de huidige drugs- en geluidsoverlast op de loopdekken. Daarnaast zullen bewoners aan de voorzijde (dus aan de winkelstraatzijde) vergroening van de gevel en een verbetering van de balkons aan die zijde ervaren. De investeringen voor Cluster 7 zullen een impuls geven aan het hele gebied van de Amsterdamse Poort; er wordt aanzienlijk geïnvesteerd in een beter winkelgebied, betere aanvullende stedelijke functies en meer woningen. Dit alles zal het gebied 'stedelijker' weliswaar maken, maar zal het ook een enorme kwaliteitsimpuls geven. Er wordt kortom een groot belang toegekend aan de voorgenomen transformatie van de Amsterdamse Poort, met een hoge bebouwingsdichtheid en de bevordering van het aantal woningen en winkels.

Dit belang wordt zwaarwegender geacht dan het belang van bezonning voor enkele woningen in het plangebied. Om die reden wordt daarom geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de Amsterdamse Norm voor bezonning. Op basis van voorgaande overwegingen is de conclusie dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

5.7.2

Windhinder

Onderzoek Voor het plangebied is een onderzoek naar het toekomstige windklimaat uitgevoerd (Bijlage 17). Voor de analyse is de Nederlandse norm “NEN 8100:2006: Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving” gebruikt. Hierbij is een geometrisch model van het gebouw en zijn omgeving opgesteld. Een rekengrid met hoge resolutie is rond deze geometrie opgetrokken als basis voor Computational Fluid Dynamics (CFD)-simulaties van de windstroming. In totaal zijn 24 simulaties uitgevoerd voor twee situaties met elk 12 windrichtingen. De resultaten laten zien dat het windklimaat op de verhoogde dreef en in de lager gelegen straten een niveau kent dat overeenkomt met het niveau dat in de ruime omgeving wordt gevonden. Hierbij is de verhoogde dreef relatief windrijk en kunnen de lager gelegen straten als luw worden beschouwd. De overgang tussen beide delen kent een gevarieerd windklimaat.

Gemeente Amsterdam

blz. 84

Het luwe windklimaat aan de oost, noord en deels westelijke kant nabij de nieuwbouw biedt ruime mogelijkheid tot comfortabel verblijf en het plaatsen van entreegebieden. Aan de westkant van de nieuwbouw in de winkelstraat wordt er vooral windhinderklasse C en D gevonden. In deze worst-case analyse is er op deze locatie geen vegetatie meegenomen. Het meenemen van deze vegetatie alsmede de verruwing van gevel, door middels van balkons, kan het windklimaat in deze zone verbeteren. Aan de zuidkant van de nieuwbouw, aan de Hoogoordreef is er voornamelijk sprake van windhinderklasse C en D. Als doorloopgebied is dit geeft dit een matige kwaliteit. Daar waar er entrees zullen worden geplaatst kan het windklimaat verbeterd worden met verruwing van de gevel, vegetatie (bomen, hagen en struiken) en overige inrichtingselementen (bankjes e.d.). Op de zuidoostelijke hoek van de nieuwbouw bevinden zich entrees en een zone met windhinderklasse D en E. Ook is er op deze locatie sprake van een zone met beperkt windgevaar. Door de entreegebieden verdiept aan te leggen of af te schermen middels een luifel of verticaal element kan het windklimaat zich hier verbeteren. Conclusie Met inachtneming van voorgaande opmerkingen en aanbevelingen kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een acceptabel windklimaat na realisatie van de nieuwbouw, welke niet veel verschilt met de huidige situatie.

Wel dient er rekening gehouden te worden met de functies in de verschillende windhinderklasse zones. Aanbevolen wordt om het resultaat van eventuele aanpassingen en oplossingen om het windklimaat te verbeteren in een aanvullend onderzoek te toetsen. Een dergelijk aanvullend onderzoek omgevingsvergunning (bouwen) opgesteld.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

(detailstudie)

wordt

voorafgaand

aan

de

aanvraag

blz. 85

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding vormt de visualisering van het juridisch bindende gedeelte van het bestemminsplan. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

6.2

De bestemmingen

Hoofdstuk1 - Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen dat in de regels wordt gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. De gehanteerde omschrijving van de begrippen komt overeen met de wijze waarop deze in andere actuele Amsterdamse (grootstedelijke) bestemmingsplannen wordt omschreven. Artikel 2 Wijze van meten

Gemeente Amsterdam

blz. 86

Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die in de overige regels worden aangegeven. Hoofdstuk2 - Bestemmingen Gemengd De meeste gronden in plangebied zijn bestemd voor 'Gemengd'. Binnen deze bestemming mogen maximaal 815 woningen worden gebouwd en mogen (afhankelijk van de functie) in de eerste vier bouwlagen verschillende commerciële functies worden gevestigd, zoals zakelijke- en publieke dienstverlening, detailhandel en horeca. Verkeer Wegen en voet- en fietspaden zijn bestemd als 'Verkeer - 1'. Deze gronden hebben een ontsluitingsfunctie voor het gebied en de buurten. Voetgangersgebied waar geen autoverkeer is toegestaan behoudens hulpdiensten en laden en lossen is bestemd als 'Verkeer - 3'. In de laatstgenoemde bestemming zijn tevens evenementen van categorie 1 en 2 toegestaan.

bestemmingsplan_Cluster 7 (vastgesteld)

blz. 87

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Er wordt met de initiatiefnemer een anterieure/ samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin een en ander met betrekking tot het kostenverhaal is geregeld en anderszins in het wettelijke kostenverhaal is voorzien.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie In het kader van participatie zijn omwonenden en ondernemers geïnformeerd worden over het plan. Bewoners Ymere en CBRE GI/3W trekken nauw samen op in het informeren van de bewoners. Dit gebeurt in eerste instantie door de bewonerscommissie te informeren waarbij de Amsterdamse Kaderafspraken worden gevolgd. De eerste afspraak over Cluster 7 heeft in februari 2021 plaatsgevonden. Hierna wordt de Kerngroep bewoners Amsterdamse Poort geïnformeerd. Dit gebeurt door regelmatig aan te sluiten bij hun wekelijkse bijeenkomst. Het contact met de bewoners van Cluster 7 wordt persoonlijk gelegd. Overige bewoners uit de Poort worden geïnformeerd via brieven, digitale sessies en 1-op-1 gesprekken, door de omgevingsmanagers en het team van CBRE GI. Aan bewoners wordt uiteraard goedkeuring gevraagd op de plannen als gevolg van wijziging van het gehuurde. Bewoners kunnen bijvoorbeeld ook meedenken over de inrichting van de binnentuinen, de oplossing voor entrees, afvalinzameling etc. Ook worden bewoners uitgenodigd om mee te doen met placemakingprojecten en bijvoorbeeld kunstprojecten voor de bouwschuttingen. Ondernemers Gedurende het afgelopen jaar is er veel individueel contact met de huurders van de Amsterdamse Poort tussen beheerder CBRE samen met eigenaar CBRE GI over hun huurcontracten en ontwikkelingen in het centrum.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11630859/1