Raadsbesluit 2022-004A Bijlage ArenAPoort Ruimtelijk Kwaliteitskader 2021
Tekst van het document
Dit betekent voor heesters en bomen een grondlaag (exclusief dakopbouw) van minimaal 80 centimeter. Een intensief
50
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
N
■
C
■
T
hoogwaardig groen dak heeft geen sedumbegroeiing, want dit is extensieve begroeiing. Technische voorzieningen op het dak vormen een integraal onderdeel van het daklandschap. Ze sluiten in verschijningsvorm aan bij de architectuur van het gebouw en worden zodoende aan het zicht onttrokken. Tot de hoogte van 30 meter worden de daken bij nieuwbouw (en bij transformatieprojecten) voor zover het technisch mogelijk is zoveel mogelijk met hoogwaardig groen (bomen en struiken) voorzien. Dit betekent dat er wordt gezorgd voor een substraatlaag die goede beworteling mogelijk maakt. Het regenwater wordt bij voorkeur gebruikt voor de bevloeiing van het groen.
E
P
Zie ook 6.1.3 : klimaatadaptatie en 6.1.4: natuurinclusief bouwen
C
Afbeelding 38:
O
N
Schematische weergave groen en natuurinclusief
C Afbeelding 39:
E
P
T
Referenties groene daken, gevels, binnentuinen en gevel elementen die natuurinclusiviteit bevorderen Vertaling ambities naar bebouwing
51
4.8
Parkeergarages, logistiek en stallingen
De gemeente werkt toe naar een modaliteitsverandering door de focus te verleggen van autoverkeer naar meer ruimte voor langzaam verkeer en betere openbaar vervoersverbindingen. Uitgangspunt voor de parkeernorm ArenAPoort is het geldende beleid ten aanzien van autoparkeren zoals opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Auto’ uit juni 2017. Voor het fiets- en scooterparkeren van (toekomstige) bewoners en bezoekers in ArenAPoort wordt de voorkeur gegeven om deze inpandig op te lossen. Deze normen zijn terug te vinden in de ‘Nota Parkeernormen Fiets en Scooter’ uit augustus 2018. 4.8.1 Autoparkeren en logistiek ■ Alle parkeergarages en logistiek worden zoveel mogelijk ontsloten vanaf de dreven rondom het gebied; ■ Op kavelniveau gebeurt parkeren van auto’s van zowel bewoners, bezoekers als bedrijven altijd inpandig en op eigen terrein – bij voorkeur onder het gebouw of binnen in het bouwblok. Wordt de parkeergarage binnen het bouwblok gesitueerd, dan wordt deze omzoomd met publieke - of woonfuncties om blinde gevels te voorkomen; ■ Waar mogelijk kunnen meerdere kavels worden samengevoegd om gezamenlijk een inpandige, verdiepte parkeergarage te realiseren; ■ Bij sloop/nieuwbouw wordt het autoparkeren buiten het zicht vanaf de straat ontworpen. Dit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit en levendigheid van de plint van het gebouw. Eis is om
52
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
N
C Afbeelding 40:
E
P
Schematische weergave voor de positie van parkeergarages, logistiek en stallingen
T
■
zo slim en efficiënt mogelijk met parkeer- en logistieke entrees om te gaan, met een minimale onderbreking in de gevelwand en een minimale impact op de openbare ruimte. In de architectonische uitwerking vormt het een samenhangend geheel; Voorzieningen die toegang geven tot het parkeren, maar ook poortjes, kaartautomaten en de mogelijkheid tot het laden en lossen, liggen inpandig. Deze worden altijd bescheiden, maar wel in hoogwaardige materialen uitgevoerd. Ook deze maken op vanzelfsprekende wijze deel uit van het gebouw – en dus afgestemd op de architectuur.
4.8.2 Fiets- en scooterparkeren ■ De gemeente ziet bij voorkeur dat er een inpandige gemeenschappelijke stalling – daar vallen ook scooters, bakfietsen en e-bikes onder – gerealiseerd wordt voor woon- en nietwoonfuncties; ■ Entrees van de stalling zijn goed zichtbaar en makkelijk bereikbaar is vanaf de openbare ruimte; ■ Entrees bevinden zich uitsluitend op begane grond, binnen de bouwgrens; ■ Entrees worden altijd zo dicht mogelijk bij bestaande (hoofd) fietspaden gesitueerd; ■ Bestaande parkeergarages kunnen ook deels ruimte bieden aan fiets- en scooterparkeren.
C
O
N
C Afbeelding 41:
E
P
T
Referenties inrichting stallingen Vertaling ambities naar bebouwing
53
4.9
Nutsvoorzieningen en technische ruimtes
Technische installaties sluiten in verschijningsvorm aan bij de detaillering, materiaal- en kleurgebruik van het gebouw; ze worden altijd meeontworpen door de ontwerper. Op straatniveau vormen ze geen beperking voor het functioneren van de plint. Technische voorzieningen op het dak (zoals wasinstallaties en lift- opbouwen) zijn integraal onderdeel van het daklandschap en zijn aan het zicht onttrokken. Eisen ■ Bovengrondse technische infrastructuur (zoals schakelstations, traforuimten, Liander-stations en grootverbruik klantstations) worden inpandig gerealiseerd. Voorzieningen als trafo’s, CAIkasten, nutskasten, brandkranen, straatkasten KPN en wijkkasten Ziggo worden geïntegreerd in de bebouwing. De voorzieningen zijn goed bereikbaar voor onderhoud. Als de aanvrager kan aantonen dat plaatsing in de openbare ruimte onontkoombaar is, worden de voorzieningen zoveel mogelijk aan het beeld onttrokken; ■ Toegangen tot de logistieke en technische voorzieningen zijn onopvallend geïntegreerd in het architectonische beeld en vormen minimale onderbreking in de gevelwand; ■ Grote vrijstaande nutsvoorzieningen zoals WOS, KV-stations en ketelhuizen zoeken qua architectuur aansluiting bij bestaande sculpturale ketelhuizen in ArenAPoort;
54
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
N
■
T
De ambities ten aanzien van duurzaamheid en toekomstbestendig bouwen betekenen onvermijdelijk een uitbreiding van de benodigde ruimtes voor (elektrische) installaties en opslag (van afval). In het kader van de beeldkwaliteit is het van belang dat een dergelijke ruimtereservering vroegtijdig in het ontwerpproces wordt meegenomen. In de bouwenvelop wordt dit concreet gemaakt.
C Afbeelding 42:
E
P
Technische installaties sluiten aan bij de detaillering, materiaal- en kleurgebruik van het gebouw
C
O
N
C
E
P
T
Vertaling ambities naar bebouwing
55
Architectonische principes – Beeldkwaliteit
56
Ruimtelijk Kwaliteitskader
C
O
N
C
E
P
T
Vertaling ambities naar bebouwing
57
4.10
Gevelexpressie
De onderbouw vormt een stevige basis en zorgt voor een goede aansluiting op de openbare ruimte. De bovenbouw vormt samen met de onderbouw een architectonische eenheid, maar kan een andere architectonische expressie hebben. Elementen van architectuur van de bovenbouw kunnen opgenomen worden in de gevel van de onderbouw, bijvoorbeeld om een entree te accentueren. De gebouwen mogen een bijzondere beëindiging hebben van één of meerdere lagen. Dit kunnen teruggelegen verdiepingen zijn of een afzonderlijk vormgegeven beëindiging (bijvoorbeeld een zonnekroon). In een kroon kun je veel zonnepanelen kwijt en het levert extra speelruimte op voor bijvoorbeeld groen of recreatie. Bij het optoppen van bestaande gebouwen is onderscheid tussen de optopping en onderbouw gewenst. Wel kunnen elementen van het bestaande gebouw worden opgenomen in de optopping.
N
ArenAPoort kent een relatief hoge geluidsbelasting. Van alle kanten wordt de wijk belast door geluid: er is geluid van de weg, het spoor en de industrie. Met het toepassen van innovatieve wetgeving zoals de Stad- en Milieubenadering, is het mogelijk om af te zien van dove gevels, mits bij het betreffende bouwplan door de marktpartij compenserende maatregelen worden getroffen. Denk bijvoorbeeld aan extra isolatie om geluid van buren tegen te gaan.
C
O
■ ■
■
C
■
E
P
4.10.1 Samenhang en contrast Nieuwe ontwikkelingen moeten aansluiten bij de identiteit van het betreffende kwartier, maar kunnen wel een herkenbare nieuwe laag toevoegen. Binnen een bouwblok of een kwartier is er samenhang qua gevelopbouw. Wel mag elk gebouw zijn eigen karakter en architectonische expressie tonen.
Eisen ■ Alle architectonische eenheden zijn als zodanig herkenbaar: plint, onderbouw, bovenbouw. ■ Balkons en loggia’s zijn op zodanige manier ontworpen, dat ze
58
Ruimtelijk Kwaliteitskader
T
deel uitmaken van de architectuur van de gebouwen. Bij het gebruik van balkons moeten de setbacks altijd zichtbaar blijven. Onderkanten (ofwel de zesde gevel) van balkons worden altijd meeontworpen met de gevel. De functie is duidelijk afleesbaar aan de architectonische expressie. Op die manier is de gewenste stedelijkheid en menging van functies nog meer zichtbaar. Gebouwen worden alzijdig ontworpen, zonder blinde gevels of galerijen aan de openbare ruimte. Dit geldt voor zowel de onderbouw als de bovenbouw. Duurzaamheidsmaatregelen worden als vanzelfsprekend onderdeel in de architectuur geïntegreerd.
Afbeelding 43:
Referenties samenhang en contrast
4.11
Plinten
Aantrekkelijke plinten met een gevarieerd programma, afgestemd op de omgeving waaraan zij grenzen, zijn essentieel voor een goed functioneren van het gebied. Plinten sluiten qua uitstraling en programmering goed aan bij de gedefinieerde sferen van de straten (zie 4.1.1). Ze zijn multifunctioneel in gebruik en hebben een uitnodigend karakter. Algemene principes ■ De plint op de begane grond is netto minimaal 4 meter hoog. ■ Minimaal driekwart van de gevel moet open en transparant zijn als deze grenst aan een openbaar toegankelijke ruimte. ■ Toegangen tot woningen moeten in de plint bij voorkeur aan de straat worden gesitueerd. De woonentrees moeten transparant worden vormgegeven en openheid uitstralen. Ze vormen een verbijzondering en herkenbaar element in de gevel. ■ Op de belangrijkste publieksgerichte hoek wordt de onderbouw transparant gemaakt. Dit kan de entree van het gebouw zijn of een publiekgerichte functie. ■ Wanneer het de interactie met de openbare ruimte versterkt, is specifieke differentiatie van de plint – zoals arcades of luifels – mogelijk en wenselijk. ■ Luifels worden bij voorkeur alleen gebruikt als betekenisdragers. Luifels zijn zorgvuldig geïntegreerd in het ontwerp van zowel het gebouw als van de openbare ruimte. ■ Nutsvoorzieningen en logistiek zijn tot een minimum beperkt. Ze zijn ingepast en ondergeschikt aan het gevelbeeld.
C
O
N
T
4.11.1 Typologie en richtlijnen Onderverdeling van type plinten is gemaakt op basis van de omgeving (soort openbare ruimte) en hoe de plint een intermediair vormt van het gebouw (één laag of groter gedeelte van het gebouw). Plinttypen staan op de afbeelding 38 aangegeven. Voor elk type kunnen een aantal elementen worden toegewezen die specifiek voor dat type gelden. De elementen zijn echter grotendeels inwisselbaar en worden gebruikt om de kwaliteit van de plint verder te duiden.
C
E
Plinten zijn te verdelen in: ■ Lifeline-plinten ■ Plinten stedelijke wegen ■ Straatplinten ■ Interne straatplinten ■ Paviljoenplinten
P
Vertaling ambities naar bebouwing
59
ArenAPoort-West
C
Afbeelding 44:
60
O
Plintenkaart
Ruimtelijk Kwaliteitskader
N
C Stationsgebied
E
Cumulus Park
Amsterdamse Poort
P
T
4.11.2 Lifeline-plinten Deze plinten zijn te vinden langs de Lifeline in Amsterdamse Poort en langs de Johan Cruijff Boulevard. Het streven is om kleinere korrel, meer woonentrees en een niet-winkelprogramma aan deze plinten toe te voegen. Dit zorgt voor meer diversiteit en levendigheid buiten de kantoor- en winkeltijden. Kleinere winkeleenheden en meer entrees hebben een positieve bijdrage aan de beleving van de plint. Er zijn verschillende overgangen mogelijk tussen de straat en de plint in de vorm van arcades, portalen, erkers en luifels. Daar waar andere functies dan winkels in de plint landen, mag er architectonisch iets bijzonders gebeuren, zoals een inspringing, een luifel of een afwijkende materialisatie in de gevel. In de uitstraling wordt bij Lifeline-plinten gestuurd op een goede balans tussen de samenhang in heel ArenAPoort en de diversiteit per deelgebied of blok. Voor de samenhang in heel ArenAPoort zorgen de volgende algemene principes. Voor de diversiteit kan per straat of blok gestuurd worden op een vergelijkbare kleurstelling of materiaal, zodat een soort ‘familie’ ontstaat.
C
O
N
T
Algemene principes ■ Binnen de basisstructuur (frame) zijn deze plinten in te delen in kleinere units. Deze verdeling wordt subtiel uitgevoerd en ■ domineert niet, om zo het “dichtlopen” van gevels te voorkomen – zo blijft de transparantie van de plint gewaarborgd. ■ Grote winkels moeten in kleinere eenheden onderverdeeld kunnen worden, om zo een afwisselender plint te krijgen. ■ Hoeken die grenzen aan Lifeline-pleinen, zijn tot één of twee stramienen ook onderdeel van dit type. ■ De luifels worden geïntegreerd in de constructie van de winkelpui of in de gevel op de begane grond. De winkelpui moet zichtbaar blijven, wat gevolgen kan hebben voor de positie van de luifel. ■ Luifels binnen een cluster hebben eenduidige uitstraling. ■ Luifels mogen niet voorbij het aangewezen zitgedeelte op het terras komen en er moet rekening gehouden worden met windbelasting. Daarnaast mogen luifels de openbare verlichting niet hinderen.
C
E
P
Voor plinten aan de Lifeline bestaan drie varianten. De variant van de plint is afhankelijk van de soort openbare ruimte waar ze aan grenzen: een winkelstraat, een plein of een grote publieke ruimte aan de Johan Cruijff Boulevard.
Vertaling ambities naar bebouwing
61
4.11.3 Lifeline-pleinplinten Deze plinten worden gebruikt om de ruimte van een plein te definiëren. Eisen ■ Deze plinten bestaan uit minimaal twee lagen. ■ De hoeken aangrenzend aan het plein, zijn tot één of twee stramienen onderdeel van dit type en markeren de overgang tussen straat en pleinruimte.
C
Afbeelding 45:
62
O
N
Schematische weergave Lifeline-pleinplinten
Ruimtelijk Kwaliteitskader
C
E
T
P OP
SH
GA
ME
4.11.4 Lifeline-superplint Deze plinten liggen aan de grote publieke ruimte van de Johan Cruijff Boulevard. De functies achter deze plinten zijn speciaal (winkels, leisuregerelateerd, lobby’s) en grote publiekstrekkers. Het streven bij dit plinttype is een meer menselijke schaal te introduceren en kleinere units. Dit moet de levendigheid en variatie aan de boulevard verbeteren. In de superplint kunnen verschillende publieksgerichte functies boven elkaar komen. Uitgangspunt is een architectonische samenhang in de gevel, met veel glas. Eisen ■ Deze plinten beslaan de hele onderbouw van het gebouw tot ongeveer 25 meter. Tot deze hoogte is interactie tussen binnen en buiten mogelijk en gewenst.
C
Afbeelding 46:
O
N
C
E
T
P OP
SH
GA
ME
Schematische weergave Lifeline-superplint Vertaling ambities naar bebouwing
63
4.11.5 Lifeline-(winkel)straten Plinten aan een (winkel)straat zijn in principe één laag hoog. Bij de transformatiekavels in Amsterdamse Poort krijgen deze plinten een (optische) verhoging aan de voorzijde van de gevel. Waar mogelijk (in ArenAPoort West) kunnen ze twee verdiepingen hoog zijn. Daardoor zijn er meerdere opties mogelijk wat betreft programmeren. Om te zorgen voor de gewenste diversiteit in uitstraling en in programmatische invulling, én om te voorkomen dat er een te uniform beeld ontstaat, is er binnen het basisframe een “catalogus” van puien mogelijk. Hierop wordt per cluster gestuurd. Het is belangrijk dat diverse functies naast elkaar "landen". Diversiteit van functies op straat draagt bij aan een levendige en sociaal veilige Amsterdamse Poort Eisen ■ Structurele architectonische elementen (kolommen) strekken zich uit tot op straatniveau. ■ Binnen hetzelfde cluster krijgen alle (winkel)plinten dezelfde hoogte en basisgrid-breedte.
C
Afbeelding 48:
64
O
N
Schematische weergave Lifeline-(winkel)straten
Ruimtelijk Kwaliteitskader
C
E
T
P HA
ME
4.11.6 Plinten stedelijke wegen Deze plinten liggen aan een dreef, ofwel aan stedelijke wegen. Bij deze plinten is de ambitie om meer woonentrees en voorzieningen aan de plinten toe te voegen. Het ligt voor de hand om hier de entrees voor autoparkeren en logistiek te situeren, zodat het aantal verkeersbewegingen in het gebied afneemt. Uitgangspunt is echter om zo slim en efficiënt mogelijk met parkeer- en logistieke entrees om te gaan, zodat er minimale onderbreking in de gevelwand ontstaat en er een minimale impact is op de openbare ruimte. Deze plinten zijn één laag hoog, met een hoekverhoging (minimaal twee lagen) of hoekverbijzondering. Eisen ■ Hoeken die grenzen aan deze plinten, zijn tot één of twee stramienen ook onderdeel van dit type. ■ Bij overgang tussen dreef en maaiveld niveau vormt zich een dubbelhoge plint met de stijgpunten aan de binnen- en buitenzijde.
C
Afbeelding 49:
O
N
C
T
P
E HA
ME
OP
SH
GA
ME
Schematische weergave Plinten stedelijke wegen Vertaling ambities naar bebouwing
65
4.11.7 Straatplinten Deze plinten zijn te vinden langs alle straten in ArenAPoort. Het streven is om meer woonentrees en een niet-winkelprogramma aan deze plinten toe te voegen. Dit zorgt voor meer diversiteit en levendigheid buiten de kantoor- en winkeltijden. De gezamenlijke entrees naar bovengelegen woningen kunnen de hoekpunten van het bouwblok markeren. Deze plinten zijn één tot twee lagen hoog. Bij de transformatiekavels (Amsterdamse Poort) krijgen deze plinten een (optische) verhoging aan de voorzijde van de gevel. Eisen ■ De straatplinten rondom de onderdoorgangen moeten extra verlicht worden. Dit om sociaal onveilige situaties te vermijden.
C
Afbeelding 50:
66
O
N
Schematische weergave Straatplinten
Ruimtelijk Kwaliteitskader
C
E
T
P HA
ME
4.11.8 Specials-paviljoenplinten Paviljoens staan los in de ruimte. Plinten beslaan de gevels van het hele gebouw. Paviljoens hebben een alzijdig toegankelijke, transparante gevel.
C
Afbeelding 51:
O
N
C
E
T
P OP
SH
GA
ME
Schematische weergave Specials-paviljoenplinten Vertaling ambities naar bebouwing
67
4.12
Detaillering, materiaal en kleur
4.12.1 Detaillering De gevels van de onderbouw worden van dichtbij ervaren: ze zijn zorgvuldig, weldoordacht en rijk gedetailleerd met een verticale opbouw en ritmiek. Het toepassen van neggen zorgt voor de gewenste schaduwwerking en plasticiteit van de gevel. ■
■
■
■
■
Luifels, hekken, verlichting, reclame-uitingen en andere architectonische elementen vormen een integraal onderdeel van de architectuur. Hemelwaterafvoeren zijn mooi geïntegreerd in de gevel zodat ze niet zichtbaar zijn, ook niet ter plaatse van de woningscheidende wanden. Oplossingen voor te hoge geluidswaarden zijn geïntegreerd in het totaalbeeld van het gebouw. Oplossingen voor grote windhinder op straat en toegankelijke daken worden mede beperkt door plastiek en detaillering in de gevels. Alle bij het gebouw behorende logistieke en technische zaken dienen inpandig te worden gesitueerd. Ze vormen geen beperking voor het functioneren van een levendige plint. Beveiligingspoortjes moeten worden ingebed of verborgen in de interieurelementen achter de voorgevel.
C
O
N
P
4.12.3 Kleurenpalet De materialen en kleuren van de nieuwbouw sluiten goed aan op de omliggende bebouwing. Overal waar dat kan, contrasteert de bovenbouw met de onderbouw door gebruik van een iets lichter kleurpalet, waarbij de onderbouw altijd in een 'warmere' tint is uitgevoerd dan de bovenbouw. Het gebruik van materialen in een overwegend licht kleurenpalet, die daarmee lichtstralen reflecteren, is
C
E
4.12.2 Materiaal Materialen worden zorgvuldig gekozen, bij voorkeur die bestand zijn tegen intensief gebruik, maar ook een duurzame uitstraling hebben en mooi verouderen. Gebruik van houtbouw wordt sterk gestimuleerd. Een lange levensduur of hergebruik van de
68
Ruimtelijk Kwaliteitskader
T
gekozen materialen draagt bij aan de ambities ten aanzien van circulair bouwen. Hergebruik van bouwmateriaal en gebruik van materialen van de bouwhub wordt, waar mogelijk, zeer gestimuleerd
Afbeelding 52:
Referenties detaillering, materiaal
bij het bouwen in hoge dichtheden gewenst. Zo verminderen deze lichte kleuren de impact van de hoogbouw op de omgeving en hebben deze een belangrijke rol in het tegengaan van hittestress in de openbare ruimte. Eisen ■ Het toepassen van materialen die bestand zijn tegen intensief gebruik, een duurzame uitstraling hebben en mooi verouderen verdient de voorkeur, uitgevoerd in een warm (maar ook zacht en licht) kleurpalet; ■ In de onderbouw is het gebruik van materiaal met hoge kwaliteit en veel transparantie aanbevolen. Glas – vooral in de plint – moet zoveel mogelijk transparant zijn en niet sterk reflecterend. Dit leidt tot een betere interactie tussen 'binnen' en 'buiten'; ■ Het toepassen van spiegelglas is niet toegestaan; ■ Op- of aanbouwen zijn, indien goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte, in kleur en materiaal afgestemd op de architectuur van het gebouw; ■ Er is een verwantschap tussen het kleur- en materiaalgebruik van het gebouw en die van de dakopbouwen. ■ De bovenbouw is altijd alzijdig ontworpen. Er wordt in de materialisatie geen onderscheid gemaakt tussen voor- en zijgevels. ■ Bij bijzondere (publieke) gebouwen, hoogteaccenten en ‘landmarks’ is er ruimte voor meer expressie in kleur en de toepassing van afwijkende materialen.
C
O
N
E
P
T
Afbeelding 53:
C
Referenties kleurpalet
Afbeelding 54:
Schematische weergave detaillering, materiaal en kleur Vertaling ambities naar bebouwing
69
4.13
Reclame-uitingen
ArenAPoort is het grootste uitgaansgebied van Nederland. Daarnaast zijn er grootschalige detailhandel- en horecafuncties. Reclame-uitingen en een bepaalde mate van feestelijkheid horen bij een gebied met de maat en schaal zoals ArenAPoort. De huidige reclame-uitingen passen echter nog niet bij de gewenste uitstraling van het gebied. Met name de Johan Cruijff Boulevard kenmerkt zich door gesloten gevels die op sommige plekken worden overstemd door grote reclameschermen. Veel reclameschermen zijn niet goed geïntegreerd in de bebouwing en ook niet op elkaar afgestemd. Tegelijkertijd komen er de komende jaren veel woningen bij. Dit vergt een goede afstemming tussen verlichting op, aan en van de gevel, verlichting in de openbare ruimte, reclame, sociale veiligheid en oriëntatie in de openbare ruimte. Ook moet een goede afstemming gemaakt worden met de verlichting in de openbare ruimte. Het aanlichten van gebouwen kan de sfeer en de sociale veiligheid op straat verbeteren. Om specifiek op de behoeftes
C
Afbeelding 55:
70
O
N
■ ■ ■
C
■
P
Reclame-uitingen zijn integraal onderdeel van de gevel. Ze ondersteunen de visuele identiteit en maken de winkelpui herkenbaar. De reclame-uitingen mogen het gevelbeeld in de plint niet overheersen. Interactie en zichtbaarheid tussen het programma binnen en publieke ruimte moet gewaarborgd blijven.
E
Algemene principes ■ Reclame is hoogwaardig van ontwerp en uitvoering. ■ Reclame-uitingen hebben altijd een programmatische relatie met het gebouw. ■ Verlichting van reclame-uitingen hebben een ingetogen chique uitstraling en zijn terughoudend in omvang, kleur en lichtniveau.
Schematische weergave voor de positie van reclame-uitingen, ledverlichting en bewegwijzering
Ruimtelijk Kwaliteitskader
T
van een gemengd gebied zoals ArenAPoort te kunnen sturen, zijn onderstaande eisen opgesteld. Deze eisen betreffen een uitbreiding van de eisen uit de Welstandsnota.
4.13.1 Reclame uitingen bij éénlaagse plint ■ Langs de Lifeline is in de winkelstraten een goede integratie van reclame-uitingen, zowel langs als haaks op de gevel. Hier is ook de techniek – denk aan geluid en verlichting – goed geïntegreerd. ■ Op plaatsen waar winkelpuien primair onder een hoek worden benaderd, zoals in een smalle straat, worden haakse reclameuitingen aangebracht. ■ Haakse reclame-uitingen tonen een uitgesproken karakter van het merk; de omlijsting van de reclame voldoet aan een enkelvoudig ontwerpframe (per cluster) om te voldoen aan het kwaliteitskader. ■ eclame-uitingen kunnen verlichting en achtergrondverlichting bevatten. Binnen een blok echter moeten alle lamelborden dezelfde verlichtingskenmerken hebben.
C
Afbeelding 57:
O
Referenties éénlaagse plint
N
T
4.13.2 Reclame-uitingen bij meerlaagse plinten ■ Reclame-uitingen bij meerlaagse plinten zijn mogelijk langs de Lifeline. Zeker op de plekken waar de afstand tot aan de gevel groot genoeg is om de gehele plint te overzien. De reclameuitingen passen qua hoogte in de middelste delen van de plint (zie schema). ■ De schaal en afmetingen moeten in verhouding ontworpen worden met de naastgelegen publieke ruimte. ■ Reclame-uitingen worden beoordeeld als onderdeel van de architectuur van het gebouw.
C
Afbeelding 56:
E
P
Referenties meerlaagse plint Vertaling ambities naar bebouwing
71
4.13.3 Reclame-uitingen bij de dakrand Bij de daken zijn er twee mogelijke locaties voor de reclame-uitingen (zie schema). Is de locatie op het dak, dan moet de reclame-uiting of naamgeving het hele gebouw vertegenwoordigen. Vertegenwoordigt de reclame de specifieke huurders, dan is de uiting onderdeel van de gevel en zit het net onder de dakrand.
C
Afbeelding 58:
72
O
N
Referenties reclame-uitingen bij de dakrand
Ruimtelijk Kwaliteitskader
T
4.13.4 Aanlichten van gebouwen Aanlichten van gebouwen wordt meeontworpen in samenhang met de architectuur. ‘s Avonds verrijkt het de beleving van de openbare ruimte, maar is niet storend voor omwonenden.
C Afbeelding 59:
E
P
Referenties aanlichten van gebouwen
4.14
Ledschermen en lichtniveau
De ledschermen op de Lifeline zijn alleen inzetbaar voor de programmering van de Johan Cruijff ArenA en culturele instellingen zoals AFAS Live, Ziggo Dome, Pathé ArenA en het toekomstige theater in het UID. Bij de paviljoens op de Johan Cruijff Boulevard mogen de ledschermen ook worden toegepast, mits deze schermen geschikt zijn om gebruikt te worden voor crowdmanagement. Bij evenementen dienen die schermen aanwijzingen te bevatten voor looprichtingen, drukte, tijden openbaar vervoer en dergelijke. Ontwerpers worden uitgedaagd om ledschermen als een kans te zien
C
Afbeelding 60:
O
N
T
voor het toevoegen van extra (beeld)kwaliteit aan hun gebouw. De lichtintensiteit van de schermen dient in overleg met de gemeente en de omgevingsdienst in de bouwvergunning te worden vastgelegd.
P
Het lichtniveau op de ledschermen is altijd afgestemd en in balans gebracht met (toekomstige) woongebouwen en woonfuncties in het gebied. Mogelijke lichthinder op omliggende woongebouwen en bezoekers van het gebied dienen vooraf onderzocht te worden. Dat kan leiden tot aanpassing van de plannen.
C
E
Referenties ledschermen op en achter de gevel Vertaling ambities naar bebouwing
73
4.14.1 Eisen ■ Ledschermen vormen een integraal onderdeel van het gebouw. ■ Ledschermen worden niet als billboards uitgevoerd, blinde gevels door ledschermen moeten worden voorkomen. ■ Maximale afmetingen zijn gerelateerd aan de afmetingen van het gebouw en ondergeschikt aan het totale gevelbeeld. ■ Schermen zijn transparant en doorzichtig van binnen naar buiten. Doorzichtig van buiten naar binnen is mogelijk; ■ Schermen moeten dimbaar zijn in de avonduren en buiten de (openings)tijden voor van winkels en evenementen; ■ De helderheid van de ledverlichting wordt automatisch geregeld middels een lichtsensor; ■ Getoonde beelden op de ledschermen hebben een directe relatie met de huurders van het gebouw. ■ Schermen op de paviljoens op de Johan Cruijff Boulevard moeten gebruikt worden voor crowdmanagement; ■ De beelden voldoen aan de Nederlandse Reclame Code van de Stichting Reclame Code; ■ Reclame-uitingen zijn toelaatbaar mits wordt aangesloten bij de 'Algemene richtlijn betreffende lichthinder' van de Nederlandse Stichting voor Verlichtings-kunde (NSVV), waarbij wordt uitgegaan van omgevingszone E4 (stadscentrum); ■ De schermen zijn niet zichtbaar vanaf wegen waar meer dan 50 kilometer per uur gereden mag worden; ■ De schermen onderbreken geen belangrijke zichtlijnen voor het verkeer.
74
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
N
4.15
Bewegwijzering
T
De bewegwijzering op gebouwniveau wordt op een eenduidige manier voor heel ArenAPoort ontworpen. Het doel is een uniforme manier van wayfinding die goed aansluit bij de openbare ruimte inrichting. Algemene principes zijn: herkenbaarheid (bijvoorbeeld dezelfde lettertype- Amsterdamse stijl en font), gastvrijheid, aantrekkelijkheid, overzichtelijkheid en een duidelijke routing. De bewegwijzering voor de openbaar toegankelijke fietsenstallingen is universeel, herkenbaar en onderscheidend vormgegeven.
C
■
■
E
P
Bewegwijzering is altijd een integraal onderdeel van het ontwerp; de maximale afmetingen zijn gerelateerd aan de afmetingen van het gebouw. Een gedetailleerde beschrijving ten aanzien van de eisen voor bewegwijzering is te vinden het beleidsdocument 'Richtlijn Bewegwijzering Amsterdam' uit december 2015.
Afbeelding 61:
Bewegwijzering in de parkeergarages van ArenAPoort
C
O
N
C
E
P
T
Vertaling ambities naar bebouwing
75
5 Ontwerpprincipes per deelgebied De deelgebieden en de kwartieren in elk deelgebied hebben architectonisch een eigen identiteit. In dit hoofdstuk wordt die identiteit besproken en welke architectuur en stedenbouw daarbij hoort.
5.1
ArenAPoort West: van grote schaal naar menselijke maat
5.1.1 Kleinere korrel De bestaande infrastructuur van wegen vormt het vertrekpunt voor het definiëren van een zestal kwartieren en het raamwerk openbare ruimte. ArenAPoort West wordt verdicht, waarbij een kleinere korrel wordt geïntroduceerd en de straten en pleinen worden gevormd. Dit komt vooral door het toevoegen van interne straten die het binnengebied doorkruisen. Hierdoor ontstaan kleinere bouwblokken en een duidelijke, interne fijnmazige structuur die het gebied doorloopbaar maakt. De nieuw te ontwikkelen kwartieren krijgen een menselijke maat.
O
N
5.1.2 Diversiteit en samenhang ‘kwartieren’ hebben ieder specifieke kenmerken en een interne samenhang qua beeld. Het regisseren van ruimtelijke samenhang op blok- en gebouwniveau is er vooral op gericht om afstemming tussen de verschillende ontwikkelingen te waarborgen.
76
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
C
E
P
T
5
4
2
1 3 1. UID Urban interactive district 2. Dreefkwartier 3. Stationskwartier 4. Villa Arena 5. Johan Cruijff Arena
C
Afbeelding 62:
O
N
C
E
P
T
Vogevlucht illustratie planprincipes ArenAPoort West Ontwerpprincipes per deelgebied
77
5.1.3 Urban Interactive District Het Urban Interactive District (UID) wordt het bruisende hart van ArenAPoort West. Er worden vier stedelijke podiumblokken (onderbouw) gemaakt. Elk blok krijgt een eigen identiteit en is gericht op interactie met de omliggende openbare ruimte. Op deze podiumblokken komen torens te staan die gedraaid zijn ten opzichte van het podiumblok. Tussen de blokken ontstaat een intiemere, maar publiek toegankelijke openbare ruimte met een plein in het midden.
C
Afbeelding 63:
78
O
N
Planprincipe Urban Interactive District.
Ruimtelijk Kwaliteitskader
T
5.1.4 Dreefkwartier, Stationskwartier en Villa ArenA Deze kwartieren worden op termijn ontwikkeld op basis van dit kwaliteitskader. Het raamwerk van straten, interne straten en pleinen, definieert de bouwvelden. De bestaande losse gebouwen worden opgenomen in de nieuw te bouwen bouwblokken. Een bouwblok bestaat uit een samenhangend ensemble van onderling herkenbare gebouwen.
E
P
De huidige en toekomstige hoogbouw staat met een setback in het podiumblok. De hoogbouw (torens boven 30m) wordt uitgewerkt in samenhang met de bestaande torens en de nieuw te bouwen volumes in lagere zones. Bovenbouw reageert op de omgeving door zijn oriëntatie. Deze kan rechthoekig of gedraaid worden geplaatst, zodat het goed qua karakter aansluit binnen de huidige bebouwing.
C
Afbeelding 64:
Schematische weergave ArenAPoort West.
Om goed gedefinieerde straten en pleinen te maken, wordt minimaal (75%) van de onderbouw gebouwd tot aan de rooilijn. Interne straten hebben een minimale profielbreedte van 12 meter. De maat is gebaseerd op: ■ ■
4 meter loopruimte / 4 meter brandweer/middenzone met wadi / 4 meter loopruimte/brandweer. 4 meter groen tegen de gevel / 4 meter loopruimte/brandweer/ middenzone / 4 meter groen tegen de gevel.
C
Afbeelding 65:
O
N
Planprincipe nieuwe bebouwing en park aan de noordzijde van de Johan Cruijff ArenA.
T
5.1.5 Johan Cruijff ArenA De randen van de Johan Cruijff ArenA worden aan de noordkant gevuld door een laag nieuwbouw. Daardoor wordt de grote schaal van het stadion op straatniveau verzacht en worden duidelijkere clusterranden gecreëerd, zoals in de rest van ArenAPoort. Het stadiongebouw wordt veel beter ingebed tussen andere functies en er wordt een betere pleinwand gecreëerd aan de noordkant. Elke rand van het cluster krijgt een eigen karakter dat gerelateerd is aan het type openbare ruimte. In de bebouwing rondom het stadion wordt een samenhangende plint geïntroduceerd.
C
Afbeelding 66:
E
P
Schetsontwerp bebouwing noordzijde Johan Cruijff ArenA door KAAN Architecten. Ontwerpprincipes per deelgebied
79
5.1.6 ArenAPoort West: principes opbouw volume ■ Bouwblokken hebben een basishoogte die ligt tussen de 15 en 25 meter. Dit zijn soms lagere volumes of een podium (onderbouw). ■ Torens zijn zorgvuldig gepositioneerd op basis van de algemene randvoorwaarden, zie 4.1. ■ De minimale setback tussen de onder- en bovenbouw voor torens is 3 meter. ■ Bovenbouw bij torens blijft leesbaar als een rechthoekige vorm, maar kan binnen de rechthoekige “envelop” een meer expressieve vorm krijgen.
80
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
N
■
■
T
De hoogteaccenten hebben een korrelgrootte die past bij de schaal van de blokken/ensembles in ArenAPoort West. Ze zijn slank en alzijdig ontworpen met aandacht voor de verblijfskwaliteit in de omgeving. Woontorens boven de 70 meter hebben een maximale footprint tot 500 m², bij uitzondering tot 600 m², mits extra kwaliteit wordt gerealiseerd, zoals: hogere plafonds, een extra lift voor een publieke functie op hoogte of bijzondere woonplattegronden. Kantoortorens hebben een maximale footprint van 1200 m².
C
E
Zie ook algemene criteria.
Afbeelding 67:
P
Schematische weergave opbouw en positie torens in ArenAPoort West
C
Afbeelding 68:
O
N
C
E
P
T
Referenties bebouwing ArenAPoort West-sokkel, setbacks, ruimte voor groen, "draaiende"torens om meer zon binnen te laten. Ontwerpprincipes per deelgebied
81
5.2
Amsterdamse Poort: van lokaal winkelcentrum naar een bestemming
In Amsterdamse Poort groeit het winkelcentrum door naar een verdichtend samenhangend ensemble van clusters, voortbordurend op de bestaande, ruimtelijke structuur. De basisopgave in Amsterdamse Poort ligt in de transformatie en upgrade van de bestaande gebouwen, en het verdichten en diversifiëren van het gebied. Bestaande bebouwing in de Poort wordt enerzijds verbeterd door een (gedeeltelijke) programmatische transformatie en anderzijds door een fysieke aanpak van de gevels, plinten en winkelpuien. 5.2.1 Stedenbouwkundige principes Clusterstructuur leidend De huidige, herkenbare stedenbouwkundige structuur van gesloten en semigesloten bouwblokken (clusters) in Amsterdamse Poort, blijft in de basis behouden. Binnen deze structuur vindt transformatie en sloop/nieuwbouw plaats. Grotere blokken kunnen eventueel verdeeld worden in meerdere eenheden, mits dat voor meer kwaliteit en betere routes in het gebied zorgt.
O
N
C
E
P
Goede straat- en pleinwanden, activatie van de winkelstraten Om betere straat- en pleinwanden te definiëren, kunnen op bepaalde plekken rooilijnen worden rechtgezet; dit leidt tot een overzichtelijke stedenbouwkundige structuur met minder donkere hoeken, en dat zorgt weer voor een sterker gevoel van veiligheid. Alle bouwvolumes worden ontsloten vanaf de buitenranden en soms ook vanaf de binnentuin. Dat zorgt voor het creëren van meer (gewenste) levendigheid op de straat.
82
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
Afbeelding 69:
Schematische opzet van Amsterdam Poort nu
T
Ruime binnentuinen Een ambitie is om de bestaande binnentuinen te vergroenen voor de bewoners en de werknemers van de kantoorlocaties. Sport en spel kunnen ook worden toegevoegd. Er wordt in ieder geval een duidelijke scheiding gemaakt tussen privé en openbaar gebied. Dit zorgt voor meer sociale veiligheid en goede balans tussen rust en reuring voor de bewoners. Het is mogelijk om de blokken af te sluiten met (transparante) hekken. Men kan er ook voor kiezen (bijvoorbeeld overdag) om deze hekken open te laten. Betere verbinding dreef en maaiveldniveau Elk blok/cluster krijgt aan beide hoeken een brede (minimale breedte is 3 meter) en – waar mogelijk een met groen omlijste, publieke trap. Zo ontstaat een betere verbinding tussen maaiveld en dreefniveau. Belangrijk aandachtspunt bij elke nieuwe ontwikkeling is de relatie met de bestaande viaducten en verhoogde dreven.
C
Afbeelding 70:
xxx
O
N
C Afbeelding 71:
E
P
T
Schematische opzet van Amsterdam Poort in de toekomst Ontwerpprincipes per deelgebied
83
ZONE 1 Groene rand
55 m
HOOGOORDDREEF
45 m
C
Afbeelding 72:
84
O BASIS
BASIS
Principedoorsnede Amsterdamse Poort
Ruimtelijk Kwaliteitskader
P
Per kavel wordt gekeken wat de maximale hoogte en de positie van de toe te voegen bouwvolumes is op basis van de randvoorwaarden opgenomen in 4.2. en ook in relatie tot de naast- en tegenovergelegen De ontwerpprincipes en de bouwhoogtes worden op elkaar afgestemd.
C
ZONE 2 Winkelcentrum / Binnenwereld
N
T
van de maximale bouwhoogte is er een onderscheid te vinden tussen de bebouwing aan de randen en de bebouwing in het winkelgebied.
E
ZONE 3 Stedelijke rand
45 m
BASIS
BASIS
BIJLMERDREEF
5.2.2 Volume opbouw Belangrijkste uitgangspunt voor alle nieuwe bebouwing in Amsterdamse Poort is het goede verblijfsklimaat in de openbare ruimte (voldoende zon en een goed slenterklimaat). Alle nieuwbouw en transformatieprojecten moeten zich verhouden tot bestaande typologische kenmerken en bouwhoogtes. Nieuwe bebouwing zorgt voor meer diversiteit in de architectuur en een verbetering van de oriëntatie binnen het gebied. Daarnaast zorgt nieuwe bebouwing voor betere straat- en pleinwanden. In de massa opbouw en het bepalen
Randbebouwing ■ De bebouwing volgt strikt de rooilijn, zodat een goed gedefinieerde rand ontstaat. Het monumentale Zandkasteel met zijn speelse rooilijn vormt een uitzondering in het gebied. ■ Hoogte van het basisvolume zit ergens tussen 20-25 meter en wordt per kavel bepaald, gerelateerd aan de omgeving. ■ Hoogte-accenten bevinden zich op de markante plekken (entrees of de hoeken van het ensemble) en zijn maximaal 45 meter ■ hoog, incidenteel 55 meter. Hoogteaccenten mogen zich niet manifesteren als solitair. ■ De minimale setback is 2 meter. ■ Gebruik van (optrappende) verdiepingen of volumes met terrassen en groene daken is gewenst.
C
Afbeelding 73:
O
Planprincipe ArenAPoort West, gezien vanaf de Anton de Komplein
N
T
Winkelgebied (clusters 2-7) ■ Hoogte van het basisvolume is gerelateerd aan de omgeving. ■ In het winkelgebied kan de bestaande bebouwing opgetopt worden met maximaal één laag. Op een aantal strategische plekken kunnen incidenteel iets hogere volumes (optoppingen) worden toegevoegd (voor de randvoorwaarden zie paragraaf 4.1). ■ De minimale setback tussen de onder- en bovenbouw is tussen 0,8 meter en 1 meter. Cluster 8 ■ Cluster 8 is een special in het gebied door zijn centrale ligging. Zie kaart materiaal voor de algemene randvoorwarden.
E
C
55m
P
45m
20-25m
Afbeelding 74:
xxx Ontwerpprincipes per deelgebied
85
5.2.3 Beeldkwaliteit De architectuur van het podiumblok sluit aan bij de omgeving. De architectuur van de optopping contrasteert met het podiumblok door meer te refereren aan de lucht en de openheid. Ambitie is om bij de transformatie de bestaande gevels ook aan te pakken en daar een kwaliteitsslag te maken. Bij de transformatieprojecten kunnen kleine wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking worden afgestemd op de bestaande bouw. Grote wijzigingen worden beschouwd als een vernieuwing van het geheel. Bij het optoppen van de bestaande objecten is gewenst om onderscheid te creëren tussen de optopping en het bestaande gebouw. Elementen van het bestaande gebouw kunnen opgenomen worden in de optopping. Zie ook algemene criteria.
86
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
N
C Afbeelding 75:
E
P
T
Referenties beeldkwaliteit Amsterdamse Poort
Beeldkwaliteit plinten Met betrekking tot de architectuur en vormgeving van elk cluster wordt gestreefd naar een bepaalde mate van diversiteit, zonder dat er een onrustig beeld ontstaat. Er wordt gekeken naar de opbouw van het betreffende (bestaande) gebouw en de overzijde van de plinten in dat cluster. Er ontstaat een herkenbare "familie" van de winkelpuien door vergelijkbare kleurstelling en materialisatie. Verlichting van de winkels moet goed afgestemd worden met de straatverlichting. Het vergroenen is zeer wenselijk, het beheer is hier een zeer belangrijk aspect. De luifels worden afgestemd met de openbare ruimte masterplan zodat er een aangenaam verblijfsklimaat ontstaat met voldoende plekken om te schuilen tegen regen en zon. Vaste architectonische elementen zijn: ■ Overal een langssigning boven de winkel unit; ■ Overal een haakse signing bij de winkel units; ■ Zoveel mogelijk optische hoogte creëren; ■ Zoveel mogelijk diepte in de pui zodat deze speelser wordt.
O
Variabele elementen: ■ Mate en type vergroening; ■ Type materialisering; ■ Luifels.
C
N
C Afbeelding 76:
E
P
T
Referenties beeldkwaliteit plinten. Ontwerpprincipes per deelgebied
87
5.3
Cumulus Park: van monofunctioneel gebied naar divers district
Nieuwe ontwikkelingen spelen een belangrijke rol in het activeren van Cumulus Park. Er wordt gezocht naar een meer ruimtelijke en programmatische interactie tussen Cumulus Park en het omliggende gebied, en ook tussen de verschillende gebouwen binnen Cumulus Park. Er worden betere routes gemaakt tussen Cumulus Park, het station en de woongebieden eromheen. Daarnaast is ook het toevoegen van groen en sport belangrijk voor gebruikers en bewoners. 5.3.1 Stedenbouwkundige principes De openbare ruimte speelt een verbindende rol tussen de gebouwen, gebouwen staan als losse elementen in het landschap. Het gebied blijft doorloopbaar door het maken van interne routes die het gebied doorkruisen (zie spelregelkaart). Hierdoor ontstaat een duidelijke interne structuur. Verblijfskwaliteit van het plein naast de HvA wordt verbeterd met toegankelijke wateroevers en zitplekken langs het water.
88
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
N
C Afbeelding 77:
E
P
Planprincipe Cumulus Park, gezien vanaf de Amsterdamse Poort.
T
Volume opbouw ■ Bij lagere volumes (tot 30 meter) zijn setbacks niet verplicht. ■ Hogere volumes hebben een basis en een optopping. ■ Basishoogte is gerelateerd aan de context en is maximaal 22 meter hoog. ■ Optopping is maximaal 65 meter hoog. ■ Minimale setback is 3,5 meter. Beeldkwaliteit ■ Gebouwen vormen een architectonisch ensemble. ■ Nieuwe gebouwen worden zodanig ontworpen dat ze openheid en transparantie naar buiten toe uitstralen. Gevels zijn bij voorkeur van staal in combinatie met glas. ■ Gebouwen worden alzijdig ontworpen. Er wordt gezocht naar een goede interactie met de openbare ruimte door het maken van transparante plinten, een kleinere korrel en een goede invulling van de plintlaag, met veel interactie tussen binnen en buiten (entrees). ■ Gebouwen sluiten goed aan bij de openbare ruimte, die als drager fungeert en alle ontwikkelingen met elkaar verbindt. Zie ook algemene criteria.
C
O
N
C Afbeelding 78:
E
P
T
Referenties bebouwing Cumulus Park Ontwerpprincipes per deelgebied
89
5.4
Stationsgebied: van anoniem verkeersgebied naar aangenaam verblijfsgebied
Het stationsgebied rondom Bijlmer-ArenA vormt het hart van het gebied. De komende jaren zal door de transformatie en verdichting in Zuidoost de druk op het stationsgebied sterk toenemen. Hierdoor zal de vervoercapaciteit van het openbaar vervoer groeien. Ook de bereikbaarheid van het stationsgebied dient verbeterd te worden. De gebiedsontwikkeling dicht op het station wordt in samenhang hiermee verder uitgewerkt. Hiervoor worden de komende jaren planstudies uitgewerkt.
C
Afbeelding 79:
90
O
N
C
Planprincipe Stationsgebieds, gezien vanaf Hoekenrodeplein
Ruimtelijk Kwaliteitskader
T
Doorontwikkeling naar een alzijdig station vindt plaats door betere verbindingen met de Bijlmerdreef en Hoogoorddreef. Deze dreven transformeren van door auto’s gedomineerde verkeersstraten naar stadsstraten. Er wordt meer relatie gecreëerd met de omgeving door betere routes te maken. Nu is vooral de oost-westrichting benadrukt, maar er worden ook noord-zuidverbindingen gemaakt. De voorkant van de functies en de woningen is naar deze stadsstraten gericht en er is meer ruimte voor fietsers en voetgangers.
E
P
De capaciteit van het station zal worden vergroot door extra stijgpunten naar de perrons voor onder andere de metro. Onderzocht gaat worden hoe de stationshal kan worden vergroot. Bij evenementen is deze nu al niet toereikend. Het voor- en natransport rondom het station wordt verbeterd en vergroot in capaciteit. Een van de opgaven hier is het vergroten van het busstation. Het afgelopen jaar zijn hier verschillende ontwerpstudies voor gemaakt. Deze worden komend jaar verder uitgewerkt. 5.4.1 Stedenbouwkundige principes ■ Meer ruimte voor- en natransport (bus, kiss & ride, taxi, fietsenstalling). ■ Toevoegen van meer verblijfskwaliteit in en rondom het station. ■ Stationsgerelateerde functies prevaleren boven nietstationsgerelateerde functies. ■ Beter inpassen van de vele logistieke ruimtes in en rondom het station. ■ Vergroten van de stationscapaciteit. Dit zit vooral in de onderbouw van het station en de directe omgeving. ■ Verbeteren van de route tussen station en het winkelcentrum, tussen station en Bijlmerdreef en tussen station en de Corridor. ■ Verbeteren van de bereikbaarheid van het station voor fietsers en voetgangers.
C
Zie ook algemene criteria.
O
N
C Afbeelding 80:
E
P
T
Schematische weergave werking station en aansluiting op de omgeving Ontwerpprincipes per deelgebied
91
6 Bijlagen
Bijlagen
6.1
Duurzaamheid
De gemeente Amsterdam wil koploper zijn op het gebied van duurzaamheid. Het Amsterdamse duurzaamheidsbeleid voor gebiedsontwikkeling bestaat uit de volgende pijlers: duurzame energie, klimaatbestendige stad, circulaire economie en schone lucht. Deze pijlers, welke verankerd zijn in de Omgevingsvisie 2050, zijn meegenomen in de ontwikkelstrategie ArenAPoort. In de Ontwikkelstrategie ArenAPoort is daarnaast de focus gelegd op thema’s die kansrijk zijn, specifiek voor dit gebied: ■ ■ ■ ■
94
Energiebesparing en CO2-neutraal Betere benutting van afval en materialen Biodiversiteit in een duurzaam ecosysteem Ruimte maken voor duurzame mobiliteit
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
■
■ ■
E
P
Gebouwen zijn aardgasvrij, zeer goed geïsoleerd, geschikt voor lage temperatuurwarmte en worden op duurzame wijze voorzien van lage temperatuurwarmte en -koude in samenwerking met lokale bronnen. Ambitie is om energieneutraal of zelfs energieleverend te bouwen voor alle gebruiksfuncties (BENG 2 ≤ 0,00). Technische voorzieningen moeten in principe op de kavel worden ingevuld. Lokale biomassa-stookinstallaties (zoals pallet-of houtkachels) zijn niet toegestaan vanwege negatieve effecten op de luchtkwaliteit en daarmee de gezondheid.
C
■
N
T
6.1.1 Energie en klimaat Nieuwbouw voldoet aan de landelijke eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Deze eisen gelden tot de inwerkingtreding van de aangescherpte BENG-eisen voor nieuwbouwwoningen in Amsterdam.
6.1.2 Uitstootvrije mobiliteit en schone lucht ■ Autogebruik wordt ontmoedigd via parkeernormering. ■ Fietsgebruik wordt gestimuleerd. ■ Voor de te realiseren parkeervakken wordt een minimumaantal van 10-30% (slimme) laadpunten gerealiseerd, waarbij alle laadplekken worden benoemd als wisselplek. ■ In totaal worden 50% tot maximaal 70% van de parkeerplaatsen voorbereid op laden door middel van kabelgoten en een technische ruimte die groot genoeg is voor alle aansluitingen. ■ Gebruik slimme bouwlogistiek en schone werktuigen.
■
■
Deelmobiliteit wordt gestimuleerd. Een verlaging van de parkeernorm voor reguliere autoparkeerplaatsen kan aangevraagd worden als er gekozen wordt voor een deelauto-concept. De ontwikkelaar wordt uitgedaagd om aan te tonen hoe er geanticipeerd wordt op verdere innovaties in het energiesysteem en gebruik. Gedacht kan worden aan: een toenemend gebruik van buurt batterijen, slim- en bidirectioneel laden (geschiktheid installaties); een andere, groeiende of afnemende vraag naar laden; en aan andere energiedragers, zoals waterstof.
6.1.3 Klimaatadaptie In lijn met de hemelwaterverordening zijn ontwikkelingen zelfvoorzienend in hemelwaterberging (rainproof). Dat wil zeggen dat ze 60 liter per m2 kunnen vasthouden en vervolgens vertraagd (maximaal 1 liter/ m2/ uur en na 60 uur leeg) bij voorkeur door bodeminfiltratie en anders in het riool/ oppervlaktewater afvoeren. Tevens wordt er rekening gehouden met de komst van het ‘Omgevingsprogramma riolering’ met ingang van 1 juli 2022: dan gaat de norm voor berging van 60 naar 70 mm. ■
■
O
N
Overmatige opwarming van de gebouwen wordt voorkomen, door het toepassen van maatregelen op gebouwniveau, zoals een duurzame koudevoorziening (TO-juli < 1,2), groen en materialen die warmte minder goed absorberen, buitenzonwering en overstekken, variatie van open/dichte gevels en gebouworiëntatie. Gebouwen worden waterrobuust gebouwd. Hierbij kan gedacht worden om kwetsbare installaties en infrastructuur hoger dan begane grondniveau of overstromingsbestendig te realiseren;
C
■
T
toegangen tot ondergrondse ruimten robuust in te richten (afsluitbaar of hooggelegen toegang) en/of een waterkerende plint. Integrale oplossingen om het dak te gebruiken voor energie, groen, wateropslag en -benutting (bijvoorbeeld bevloeiing groenvoorzieningen of toiletspoeling) hebben de voorkeur.
E
P
6.1.4 Natuurinclusief bouwen Groen draagt in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid (daarmee aan het welzijn van de bewoners en bezoekers), de benodigde biodiversiteit en het klimaatbestendig maken van de stad. In een stenig, hoogstedelijk gebied als ArenAPoort vraagt dit om extra aandacht.
C
ArenAPoort is door de ligging en hoge dichtheid een potentieel kansrijke luchtbiotoop. Dit betekent dat bij elke nieuwe ontwikkeling of transformatie op kavelniveau wordt ingezet om de flora en fauna, die bij deze biotoop horen, te versterken. ■ ■
■ ■
25% van het ecosysteemgroen moet op eigen kavel worden gerealiseerd. Pas maximaal hoogwaardig groen toe en bouw natuurinclusief. Gebruik hierbij het Handboek Natuurinclusief Bouwen voor inspiratie en voor het vormgeven. Belangrijk is de benodigde samenhang tussen groen en diersoort, tussen nestkast en de juiste plantensoorten voor voer- en leefruimte. Voor de toepassing van natuurinclusief bouwen wordt overlegd met een stadsecoloog. Bij elk ontwerp moet een groenplan aangeleverd worden waarin
Bijlagen
95
■
■ ■
(in ieder geval) is uitgewerkt op welke wijze, met welk doel en met welke beplanting groen (natuurinclusief) wordt gerealiseerd op de kavel. Dit kan in de vorm van tuinen, groene binnenterreinen, groene gevels en daken. Ook voor de fauna dient aangegeven te worden welke (natuurinclusieve) maatregelen worden toegepast. Het groenplan dient een beheerplan te omvatten waarin het beheer van alle beplanting binnen de kavel wordt omschreven en wordt toegewezen aan een verantwoordelijke partij voor een periode over 10 jaar na oplevering van het gebouw. Ook voor de fauna dient aangegeven te worden welke beheersmaatregelen worden toegepast. Vraag advies van stadsecoloog, zie ook https://issuu.com/ gemeenteamsterdam/docs/toe-brochure-nib-2018-v4/26. Maak maximaal gebruik van de daken voor waterretentie, groen, zonnepanelen en eventuele collectieve groene buitenruimtes. Benut verticaal groen en gevelbeplanting.
N
6.1.5 Circulair gebouwde omgeving ■ Gebouwen worden met een zo laag mogelijke milieubelasting gerealiseerd, uitgedrukt in de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG). Het streven voor ArenAPoort is een MPG lager dan de landelijke eis van 0,8. ■ Zorg voor digitale vastlegging materialen in ontwerp en bouw (materiaalpaspoort), en draag deze over aan eigenaar voor circulair onderhoud. ■ Bouw toekomstbestendig door een demontabel en flexibel ontwerp toe te passen.
96
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
■
T
Uitlogende materialen als zink en koper worden zoveel mogelijk vermeden en toegepast hout dient een FSC-keurmerk te hebben. Dit moet aangetoond kunnen worden.
P
6.1.6 Ruimte maken voor duurzame mobiliteit De gemeente Amsterdam wil het vrachtwagenverkeer in de stad verminderen, onder meer door te werken met regionale hubs. Dit is zeker van toepassing voor ArenAPoort, dat als hoogstedelijk centrum met een grote mix aan functies veel logistiek verkeer aantrekt. Om dit in goede banen te leiden, worden de ontwikkelaars geadviseerd om op strategische plekken microhubs (laad- en losdokken) te maken. Deze microhubs bedienen verschillende kantoorfuncties, winkels en het vrijetijdsprogramma. Om de impact voor de openbare ruimte en het lawaai op straat zoveel mogelijk te beperken, worden de dokken inpandig gemaakt. Deze spelen een ondergeschikte rol in het totale gevelbeeld.
C
E
6.1.7 Luchtcondities In de hoge dichtheid en de functiemenging waarmee ArenAPoort wordt ontwikkeld, is luchtkwaliteit een aandachtspunt. De inzet is om het huidige autogebruik zoveel mogelijk te beperken en elektrisch vervoer te stimuleren. Volgens het beleid van Amsterdam mogen direct naast drukke wegen geen nieuwe voorzieningen worden gerealiseerd voor ouderen, mensen met een kwetsbare gezondheid, onderwijs of voor de opvang van minderjarigen.
6.1.8 Afval Concrete kavelgerelateerde randvoorwaarden voor alle vier deelgebieden van ArenAPoort worden in afstemming met de directie Afval en Grondstoffen nog nader bepaald en in de bouwenveloppen opgenomen. Duurzaamheid- aanvullende bronnen: ■ Document Plan Duurzaamheid bevat beleids- en ambitiestukken geldend voor ArenAPoort. ■ De hand-out: ‘Duurzaam bouwen in Amsterdam” zie website https:// duurzaamontwikkelen.amsterdam/
C
O
N
C
E
P
T
Bijlagen
97
6.2
Context en geschiedenis
6.2.1 Geschiedenis ArenAPoort ArenAPoort is apart ontwikkeld, met een hoofdwinkelcentrum enerzijds en kantoren voor zakelijke dienstverlening anderzijds. De Bijlmer(meer) werd ontworpen om te wonen, met enkele voorzieningen in de buurt. Werken moest Beeldkwaliteitsplan vooral gebeuren in de Historische laag (binnen)stad. De woongebouwen zijn zorgvuldig ontworpen volgens De Bijlmermeer het principe ‘licht, lucht en ruimte’ en om saamhorigheid te creëren. Een veranderende samenleving leidde tot andere Concentraties van voorzieningen waren bedacht op plekken langs de behoeften en inzichten voor de Bijlmer. Het concept van stedelijke functiescheiding werd op advies van Rem steeds meeren losgelaten. dreven, met het hoofdwinkelcentrum tussen deKoolhaaas Bijlmerdreef het Hij vond dat de lange lijnen meer aandacht verdiende dan compartimentering. Langs de Gooiseweg en de Bijlmerdreef moesten niet-woonfuncties verrijzen, waar je met de Gulden Kruispad.
C
auto direct bij kon parkeren. Veel van die bedachte functies zijn later in Arenapoort West gekomen.
Aan de westzijde van het spoor werden plannen gemaakt voor een enorm ‘werkterrein’ (Bullewijk, later Amstel III), waarvan de oostelijke helft later zakelijke dienstverlening zou worden.
N
Jaren ’80: Oplevering Amsterdamse Poort en Atlas ArenA De ooit beoogde strikte functiescheiding in de Bijlmer maakte het mogelijk in ArenAPoort Oost bovenlokale functies te huisvesten. Eind jaren ‘80 is de Amsterdamse Poort in één keer gebouwd en sindsdien zijn er geen grootschalige aanpassingen gedaan. Ondanks het gebrek aan architectonische variëteit, is het gebied in de loop der jaren steeds meer geliefd geworden dankzij de kleinschalige (lokale) functies met inachtneming van menselijke schaal. Het winkelcentrum heeft gaandeweg de functie van stadsdeelcentrum verkregen.
98
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader
O
Plan Rem Koolhaas voor de Bijlmermeer, 1987
E
P
T
geordend systeem van openbare ruimtes met accenten, die nadrukkelijk worden vormgegeven: composities van bebouwing en openbare ruimtes voor belangrijke plandelen) B1 - businesspark. Gmeenschappelijke kwaliteit, niet de indivuele 1987 - Plan Koolhaas voor de Bijlmermeer Een veranderende huizenmarkt en samenleving leidde tot andere behoeften en inzichten voor de Bijlmer. Het concept van stedelijke functiescheiding werd op advies van onder andere Rem Koolhaas steeds meer losgelaten. Hij vond dat de lange lijnen door de stad meer aandacht verdienden dan compartimentering. Langs de Gooiseweg en de Bijlmerdreef moesten niet-woonfuncties verrijzen, waar je met de auto direct bij kon parkeren. Veel van die bedachte functies zijn later in ArenAPoort West gekomen. Jaren 90 - Eerste plannen voor centrumvorming Begin jaren ‘90 is de ambitie opgenomen om ‘het centrum van Amstel III’ functioneel en in beeld meer bij de stad te laten horen. Doelstellingen waarmee dit bereikt kan worden, waren vergaande functiemenging, opwaardering van openbaar gebied, benutten openbaar vervoersknooppunten en hogere kwaliteit van gebruikers, van het stadsbeeld en de architectonische verschijningsvorm. Urhahn stelde vier scenario’s op hoe dit gebied zich zou kunnen ontwikkelen.
Ontwikkelingen in ArenAPoort West zullen volgens het gekozen scenario ‘Open grid met een stedelijke mix van wonen, werken en voorzieningen’ geen strikte, architectonische regels opgelegd krijgen. Het wordt eerder een raamwerk, met meer mogelijkheden voor de gebruikers om zich te uiten. Ook de Bruijn (Architekten Cie) maakte zich sterk voor het toevoegen van wonen in ArenAPoort West.
C
O
N
C
een eigen gezicht en het water als verbinder.
B2 - wonen wordt rondom de drie clusters geaccenteerd. Totaalcompositie met zeer hoogwaardige kwaliteit à Edinburgh Craig New Town.
E
P
T
Bijlagen
99
1992 – Programma van Eisen stadion en transferium Het stadion werd verplaatst ten opzichte van de oorspronkelijke situering om binnen de gemeentegrens te blijven. Het werd gecombineerd met een transferium en boven op een weg gebouwd. Het gebouw moest daarom ook functioneren als brug. De sterke publieksfunctie van het complex moest verwerkt worden in de lay-out van de omgeving: feitelijk kwam het te staan in een grote pleinruimte, terwijl bezoekers van het stadion via traverses naar binnen werden geloodst. De verplaatsing van het stadion heeft meer grootschalige voorzieningen naar het gebied getrokken. De grootschaligheid stond in contrast met de kleinere korrel die was bedacht door Urhahn. Er werd meer geredeneerd vanuit de regionale transferiumgedachte en ook de spoorverdubbeling Utrecht-Amsterdam heeft een belangrijke rol gespeeld. De barrièrevorming van het spoor tussen ArenAPoort Oost en West moest beslecht worden.
O
N
C
1995 - Inrichtingsplan ArenA Boulevard en stedenbouwkundig plan In het stedenbouwkundig plan van 1995 werd concreter handen Dro PVE Stadionzijn Transferium Amsterdam Zuidoost 1992 en voeten gegeven aan nieuwe ontwikkelingen. Interessant de eigenzinnige vormen van de gebouwen. De komst van de Arenaboulevard (nu: Johan Cruijff Boulevard) en later het nieuwe station waren de eerste stappen tot samensmelting van Amsterdamse Poort en West:
100
C
Ruimtelijk Kwaliteitskader Dro PVE Stadion Transferium Amsterdam Zuidoost 1992
E
P
T