CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2021-269A Bekendmakingsbesluit Verordening op stadsdelen en stadsgebied 2022 met Amendementen

RAAD 10 november 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de Verordening stadsdelen en stadsgebied Amsterdam 2022 VN2021-02648622.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De voorzitter wordt op dezelfde wijze benoemd en ontslagen. Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan het voorschrift in artikel 83 van de Gemeentewet dat het instellend orgaan de inrichting en samenstelling van de bestuurscommissie moet regelen. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat het dagelijks bestuur namens het college besluiten van de raad uitvoert. Om die reden benoemt de raad op voordracht van het college de leden van het dagelijks bestuur. Daarbij wordt, op basis van het tweede en derde lid van dit artikel de volgende procedure gehanteerd. Het college maakt een raadsvoordracht met daarin het besluit waarin de raad de dagelijks bestuurders benoemt. Het college maakt per stadsdeel een adviesaanvraag waarin een positief advies gevraagd wordt aan de stadsdeelcommissie over de voorgedragen kandidaten. Voorafgaand aan behandeling in de raad organiseren de stadsdeelcommissies een hoorzitting waar de voorgedragen kandidaten aanwezig zijn en gehoord kunnen worden. Daarna stemt de stadsdeelcommissie over de adviesaanvraag van het college, dit gaat individueel en anoniem per kandidaat. Als de adviesaanvraag over een of meerdere

24

kandidaten geen meerderheid behaalt, krijgen de leden van de stadsdeelcommissie de gelegenheid om deze keuze te motiveren in de commissie waar in de portefeuille Bestuurlijk stelsel valt. Hierna stemt de raad over de voordracht van het college. Als er geen meerderheid is, zal het college een nieuwe voordracht doen. Verder volgt uit dit artikel dat de raad op voordracht van het college niet alleen over de benoeming van de leden van het dagelijks bestuur gaat maar ook een oordeel kan uitspreken over het functioneren van die leden. Daarbij worden moties en adviezen van de stadsdeelcommissie over het functioneren van die leden betrokken.. In het uiterste geval kan de raad op voordracht van het college een lid van het dagelijks bestuur ontslaan. In beginsel is het ook in geval van ontslag aan het college om het initiatief te nemen om een voordracht te doen, aangezien het college het orgaan is dat de bestuurscommissie instelt en daaraan bevoegdheden overdraagt. Mocht de situatie zich voordoen dat de raad zou willen overgaan tot ontslag, maar het college geen voordracht tot ontslag doet, dan kan de raad via een motie het college bewegen om toch een voordracht tot ontslag te doen. Artikel 3: onverenigbare betrekkingen, verboden handelingen en nevenfuncties In de Gemeentewet is voor leden van de gemeenteraad en het college een lijst met onverenigbare betrekkingen opgenomen.

Zij kunnen bijvoorbeeld geen minister, lid van de Raad van State, gedeputeerde of lid van de rekenkamer zijn (artikel 13 en artikel 36a en 36b van de Gemeentewet). Verder is bepaald dat zij hun nevenfuncties openbaar moeten maken en is een aantal verboden handelingen opgenomen (artikel 12, artikel 15, eerste en tweede lid en artikel 41b van de Gemeentewet). In dit artikel wordt een aantal van deze artikelen voor het dagelijks bestuur van overeenkomstige toepassing verklaard. Verder geldt, net als voor collegeleden, voor de leden van het dagelijks bestuur dat zij ingezetene van de gemeente Amsterdam moeten zijn. De leden van het dagelijks bestuur hoeven niet per se in het stadsdeel te wonen waar zij in het dagelijks bestuur zitting nemen. Dat er affiniteit met het stadsdeel is kan ook op andere wijze blijken, bijvoorbeeld als zij een onderneming hebben in het stadsdeel. Bij het voordragen van dagelijks bestuurders wordt door het college breed gekeken en neemt bij de selectie de betrokkenheid bij de opgaven in het te besturen stadsdeel als belangrijk criterium mee. Voor de onverenigbare betrekkingen is nog van belang dat, in aanvulling op hetgeen in de verordening is bepaald, in de Gemeentewet staat dat in een door het college ingesteld dagelijks bestuur geen leden van de gemeenteraad zitting kunnen hebben (artikel 83, tweede lid, van de Gemeentewet).

Dat is hier ook van toepassing. Tot slot is bepaald dat de gemeenteraad voor de leden van het dagelijks bestuur een gedragscode vaststelt. Artikel 4: eed of verklaring en belofte De leden van het dagelijks bestuur leggen een eed of verklaring en belofte af. Hiervoor zijn twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat zij de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad na installatie van de leden van het college worden geinstalleerd. De tweede mogelijkheid is dat zij in dezelfde vergadering als de leden van het college worden geinstalleerd, vanuit de gedachte dat de dagelijks bestuurders dan sneller kunnen beginnen.

25

Dat is mogelijk als de benoeming van de dagelijks besturen al onderdeel van de coalitieonderhandelingen vormt. Het zittende college kan dan al de voordracht voor de dagelijks bestuurders doen en de adviesprocedure bij de stadsdelen in gang zetten, waarna de raad op basis van de voordracht en de adviezen van de stadsdeelcommissies de dagelijks bestuurders in dezelfde vergadering als de collegeleden zou kunnen benoemen. Bij een tussentijdse benoeming wordt de eed of verklaring en belofte ten overstaan van de voorzitter van het dagelijks bestuur afgelegd of diens plaatsvervanger (tweede lid). Voor de inhoud van de eed of verklaring en belofte wordt verwezen naar artikel 4ia van de Gemeentewet. Artikel 5: reglement van orde en adviescommissies In dit artikel is geregeld dat het dagelijks bestuur zelf een reglement van orde voor de vergaderingen vaststelt. Het college zal een format opstellen voor een reglement zodat in de zeven stadsdelen niet zeven keer het wiel uitgevonden hoeft te worden terwijl het dagelijks bestuur wel de ruimte kan nemen die het nodig acht om invulling te geven aan een wijze van overleg die past bij de lokale cultuur. Daarnaast is in dit artikel geregeld dat het dagelijks bestuur ook adviescommissies kan instellen om zich ook door andere organisaties van advies te laten dienen.

De stadsdeelcommissies kunnen deze adviezen desgewenst ook bij hun adviezen betrekken. Artikel 6: vergaderingen Op grond van deze bepaling zijn op de vergaderingen van het dagelijks bestuur de bepalingen inzake de vergaderingen van het college van overeenkomstige toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat de vergaderingen besloten zijn (artikel 54 van de Gemeentewet) en dat het vergaderquorum gelijk is (artikel 56 van de Gemeentewet). Voor de stemmingen binnen het dagelijks bestuur gelden eveneens dezelfde bepalingen als die op de stemmingen binnen het college van toepassing zijn. Op grond van artikel 86 van de Gemeentewet kan het dagelijks bestuur geheimhouding opleggen. In het tweede lid is, in aanvulling op wat er in artikel 86 van de Gemeentewet is bepaald, geregeld dat de door het dagelijks bestuur of de voorzitter van het dagelijks bestuur opgelegde geheimhouding niet geldt voor de gemeenteraad, het college en de burgemeester. Zij hebben, ook als er geheimhouding is opgelegd, wel recht op inzage in de stukken. Dit om te zorgen dat er een goede verantwoording richting de gemeenteraad, het college en de burgemeester mogelijk is. Artikel 7: bestuurssecretaris In het eerste lid is bepaald dat elk dagelijks bestuur over een bestuurssecretaris beschikt. Deze wordt door het college aangesteld.

Aangezien de bestuurssecretaris een ambtenaar is en dus ondergeschikt is aan de gemeentesecretaris, maar wel tot taak heeft het dagelijks bestuur bij te staan, is bepaald dat de aanstelling op voordracht van de gemeentesecretaris en in overeenstemming met het dagelijks bestuur plaatsvindt. Verder is bepaald dat de bestuurssecretaris de voorzitter en het dagelijks bestuur bij de uitoefening van hun taak terzijde staat. Dit betreft dus feitelijk de stadsdeelsecretaris. Naar analogie is dan ook in het tweede lid bepaald dat het eerste en het tweede lid van artikel 15

26

van de Gemeentewet inzake de verboden handelingen van overeenkomstige toepassing zijn (zie artikel ioi van de Gemeentewet). Tot slot is in het vierde lid geregeld dat het college ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de secretaris nadere regels kan stellen. Artikel 8:beeindiging lidmaatschap en tijdelijke vervanging Voor wat betreft de beeindiging van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur zijn de bepalingen inzake de beeindiging van het lidmaatschap van het college van overeenkomstige toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat een lid van het dagelijks bestuur te allen tijde zelf ontslag kan nemen maar ook dat hij vanwege politieke redenen kan worden ontslagen (eerste lid). Daarnaast kan een lid van het dagelijks bestuur op grond van het tweede lid bij zwangerschap en bevalling of ziekte verlof opnemen en gedurende die periode door een ander lid worden vervangen. Zo worden mogelijke belemmeringen voor vrouwen bij het aanvaarden van een functie binnen het dagelijks bestuur weggenomen en worden de leden van het dagelijks bestuur bij ziekte in de gelegenheid te stellen prioriteit te geven aan hun gezondheid. Voor de inhoud van de regeling wordt aangesloten bij water in de Gemeentewet voor de tijdelijke vervanging van wethouders geregeld is.

Artikel 9: taken en bevoegdheden dagelijks bestuur In dit artikel is verwoord wat de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur zijn. Geregeld is dat het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse bestuur- en beheerstaken en alle taken uitvoert en bevoegdheden uitoefent die door het college aan hem zijn opgedragen. Voor de concrete invulling van de taken en bevoegdheden wordt verwezen naar twee bijlagen. Daar staan de taken (bijlage 2) en bevoegdheden (bijlage 3) in die door het college en de burgemeester aan het dagelijks bestuur en de voorzitter worden gemandateerd of gedelegeerd. Deze bijlagen kunnen worden gewijzigd door middel van een besluit van het orgaan dat de taak of bevoegdheid heeft gemandateerd of gedelegeerd. De takenlijst en het bevoegdhedenregister bevatten een limitatieve opsomming van hetgeen het dagelijks bestuur in formele zin mag doen. Artikel 10: taken en bevoegdheden voorzitter In dit artikel is vastgelegd wat de taken van de voorzitter van het dagelijks bestuur zijn. Hij leidt de vergaderingen van het dagelijks bestuur en oefent de taken en bevoegdheden uit die door de burgemeester aan hem zijn gemandateerd. Verder is aangesloten bij de bepalingen die voor wat betreft de taken en bevoegdheden van de burgemeester in artikel 170 van de Gemeentewet zijn opgenomen.

Denk aan de tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het beleid en de daaruit voortvloeiende besluiten en de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten. Tenslotte is geregeld dat de voorzitter kan worden vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, in geval van verhindering of ontstentenis. Artikel

bekendmaking besluiten dagelijks bestuur

Bepaald is dat de besluiten van het dagelijks bestuur op dezelfde wijze bekend worden gemaakt als de besluiten van het gemeentebestuur. 27

Artikel 12: advies dagelijks bestuur In de artikelen 12 tot en met 17 van de verordening zijn voorschriften opgenomen die van toepassing zijn op de verhouding tussen het dagelijks bestuur enerzijds en het college en de burgemeester anderzijds. In dat kader wordt in het eerste lid van artikel 12 geregeld dat het college en de burgemeester het dagelijks bestuur bij de voorbereiding van stedelijke kaders betrekt als deze kaders betrekking hebben op de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur, of als het dagelijks bestuur een rol krijgt in de uitvoering van die kaders. Daarnaast staat in het tweede lid dat het college en de burgemeester advies moeten vragen aan het dagelijks bestuur als zij voornemens zijn de genoemde stedelijke kaders vast te stellen of anderszins voornemens is een besluit te nemen dat het stadsdeel raakt. Daar is voor wat betreft de bestemmingsplannen die door het dagelijks zijn voorbereid wel de uitzondering aan toegevoegd dat het dagelijks bestuur in de vaststellingsfase alleen nog om advies wordt gevraagd als ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan wijzigingen worden voorgesteld welke zijn aan te merken als wijzigingen van wezenlijke onderdelen of aard. Het dagelijks bestuur legt alle van het college en de burgemeester ontvangen adviesaanvragen op grond van artikel 19 ook aan de stadsdeelcommissie voor.

De stadsdeelcommissie beslist vervolgens of zij de adviesaanvraag wil agenderen en desgewenst wil adviseren. In het derde lid staat dat het college en de burgemeester bij het inwinnen van het advies alle informatie dienen te verstrekken die nodig is om op een goede manier te kunnen adviseren. Daarbij kunnen het college en de burgemeester het dagelijks bestuur ook toegang geven tot documenten waarvoor geheimhouding is opgelegd. Het college en de burgemeester stellen op grond van het vierde lid voor het advies een termijn vast. Die bedraagt, uitzonderlijke gevallen daargelaten, in elk geval zes weken. Bij uitzonderlijke gevallen, waarin een kortere termijn gesteld kan worden, kan gedacht worden aan de situatie waarin een besluit op zeer korte termijn genomen moet worden. Tot slot staat in het vijfde lid dat het college en de burgemeester de volledige adviezen van het dagelijks bestuur -met daarbij het advies van de stadsdeelcommissie aan het dagelijks bestuur- samen met het voorstel aan de raad of het college voorleggen en dus steeds inzichtelijk maken wat er precies geadviseerd is. Met een beslispunt in de voordrachten wordt het betreffende advies, en hoe dit in de besluitvorming is meegenomen, onder de aandacht van college en raad gebracht.

De structurele terugkoppeling aan de stadsdeelcommissies zal via de nota van beantwoording lopen, die standaard door de directies bij deze trajecten wordt opgesteld. Daarnaast moet het college of de burgemeester, als er van het advies wordt afgeweken, in de stukken duidelijk uitleggen waarom er van het advies afgeweken is.

Artikel 13: toelichting dagelijks bestuur Als een onderwerp aan de belangen van een of meerdere stadsdelen raakt, dan kan het dagelijks bestuur niet alleen om advies worden gevraagd. De verordening biedt het college of de burgemeester in dat geval ook de mogelijkheid een of meer leden van het dagelijks bestuur bij de collegevergadering aanwezig te laten zijn om het standpunt van het dagelijks bestuur toe te lichten. Het zou hier om grootstedelijke projecten kunnen gaan die formeel niet onder het stadsdeel vallen maar waarbij de inbreng van het stadsdeel vanwege de lokale expertise belangrijk is. Voorbeelden zijn grote ingrepen in de sfeer van verkeer en openbare ruimte of 28

ruimtelijke ordeningskwesties die lokaal van bovengemiddeld belang zijn en veel aandacht trekken, maar ook projecten in het sociaal domein. Voorbespreking in het college van een komende cornmissie- of raadsbehandeling van een dergelijk stadsdeelspecifiek onderwerp kan ook een aanleiding zijn om het dagelijks bestuur aanwezig te laten zijn. Het is overigens altijd aan college en het betreffende stadsdeel om in goede samenwerking te bepalen wanneer toepassing wordt gegeven aan het artikel. Overigens is ook denkbaar dat een van de leden van het college een of meer leden van het dagelijks bestuur uitnodigt voor zijn of haar staf. Dit is ter beoordeling van de individuele leden van het college, waarbij ook het uitgangspunt van goede samenwerking met de stadsdelen geldt.

Artikel 14: inlichtingen dagelijks bestuur Op grond van het eerste lid kan het college en de burgemeester inlichtingen vragen aan het dagelijks bestuur of hun secretaris. De inlichtingen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden gevraagd en dienen op grond van het tweede lid binnen vier weken te worden verstrekt, tenzij dit om bepaalde redenen niet mogelijk is. Bij technische of juridische redenen kan gedacht worden aan de situatie dat problemen met de server of bijvoorbeeld geheimhouding verspreiding van informatie belet. Tot slot biedt het derde lid het college en de burgemeester de bevoegdheid om het dagelijks bestuur op te dragen periodiek informatie te verstrekken.

Artikel 15: terugnemen bevoegdheden In de verordening is voorzien in correctiemechanismen tussen het college en de burgemeester enerzijds en het dagelijks bestuur anderzijds. Aan het dagelijks bestuur zijn voornamelijk taken en bevoegdheden gemandateerd. Het dagelijks bestuur voert dus bevoegdheden uit namens het college. Het college blijft verantwoordelijk. Bovendien geldt voor een bestuurscommissie dat die altijd verantwoording of moet leggen aan het orgaan dat hem heeft ingesteld. Een enkele bevoegdheid wordt gedelegeerd. Daar is dit artikel op van toepassing. In de verordening is bepaald dat de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur kunnen worden teruggenomen, ingeval deze gedelegeerd zijn. Dit kan incidenteel of structureel worden besloten. Op grond van het tweede lid moet in het besluit tot intrekking van de delegatie aandacht worden besteed aan de taken en bevoegdheden waar het besluit op ziet, voor welke periode het besluit geldt, welk dagelijks bestuur het betreft, op welke ambtelijke capaciteit het besluit ziet en hoe daarbij de kosten worden verdeeld. In het derde lid is bepaald dat over het terugnemen van de taken en bevoegdheden vooraf overleg met het betrokken dagelijks bestuur plaatsvindt.

Artikel i6: indeplaatsstelling De verordening biedt ook de mogelijkheid om in de plaats te stellen. Voor de invulling van deze mogelijkheid is aansluiting gezocht bij de bepalingen die op dit punt in de Gemeentewet opgenomen zijn. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat er, anders dan bij hetgeen in de Gemeentewet geregeld is, in dit geval niet op de beslissingsbevoegdheid van een andere

29

zelfstandige bestuurslaag wordt ingegrepen. Dit veronderstelt dat in beginsel minder terughoudend met het middel kan worden omgegaan. Kort gezegd kan het college tot indeplaatsstelling overgaan indien een dagelijks bestuur een gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt, een gevorderde handeling niet of niet naar behoren verricht of een andere gevorderd resultaat niet, niet tijdig of niet naar behoren tot stand brengt. Het college voorziet daar dan namens en ten laste van het dagelijks bestuur in. In het tweede, derde en vierde lid zijn in dat verband wel een aantal procedurele voorschriften opgenomen. Bijvoorbeeld over de termijn die het dagelijks bestuur moet worden gegund om een verzuim te herstellen. Artikel 17: schorsing en vernietiging In aanvulling op de mogelijkheid om bevoegdheden terug te nemen voorziet de verordening in de mogelijkheid om de besluiten van het dagelijks bestuur te vernietigen wegens strijd met het recht of met het algemeen stedelijk belang. Bij de invulling van dit correctiemechanisme is aansluiting gezocht bij hetgeen op dit punt in de Gemeentewet geregeld is. Van belang is echter wel dat er in dit geval geen sprake is van het ingrijpen op de bevoegdheden van een andere bestuurslaag.

Er is sprake van verlengd lokaal bestuur en er is dus geen verhouding die vergelijkbaar is met de verhouding die er bijvoorbeeld tussen de gemeenten en het Rijk en de provincies is. Het middel kan dus in beginsel breder worden ingezet dan binnen het reguliere interbestuurlijk toezicht het geval is. Voor de vernietiging zijn verschillende procedurele voorschriften opgenomen. Daarbij is met name van belang dat een besluit op grond van het tweede lid, hangende het onderzoek naar de vernietiging, kan worden geschorst en dat het dagelijks bestuur, op grond van het vierde lid, voorafgaand aan de vernietiging de gelegenheid tot overleg moet worden geboden. Artikel 18: toelichting dagelijks bestuur In de artikelen i8 en 19 van de verordening zijn voorschriften opgenomen die betrekking hebben op de verhouding tussen het dagelijks bestuur enerzijds en de raad en de stadsdeelcommissie anderzijds. Het dagelijks bestuur kent een directe verantwoordingsrelatie tot het college omdat dat het orgaan van wie het taken en bevoegdheden uitoefent. Tegelijkertijd kent de stadsdeelcommissie enkele instrumenten om de wijze van besturen door het dagelijks bestuur te controleren, zoals het indienen van moties en doen van voorstellen (artikel 30). Hoe de verschillende spelers in de stad zich tot elkaar verhouden, komt tot uitdrukking in de artikelen 18 en 19.

Zo kunnen een of meer leden van het dagelijks bestuur een vergadering van de raadscommissies van de gemeenteraad bijwonen waar een onderwerp wordt behandeld waarbij de belangen van het dagelijks bestuur betrokken zijn. Daar kunnen zij hun standpunt toelichten. Dit gaat op verzoek van het college of de burgemeester. De raad kan het college verzoeken om aanwezigheid van een of meer leden van het dagelijks bestuur. Een lid van het dagelijks bestuur vervangt het betrokken lid van het college niet. Het lid van het dagelijks bestuur neemt naast het desbetreffende lid van het college plaats en licht toe welke afwegingen er door het dagelijks bestuur zijn gemaakt.

30

Er is een belangrijk verschil tussen de toelichting die een lid van het dagelijks bestuur op grond van artikel 18 in de vergadering van een raadscommissie van de gemeenteraad kan geven en de toelichting die een lid van het dagelijks bestuur op grond van artikel 13 in een vergadering van het college kan geven. Voor het college geldt dat het dagelijks bestuur het eerste aanspreekpunt is als het gaat over zaken die in een stadsdeel spelen. Een lid van het dagelijks bestuur kan dus voor de vergaderingen van het college worden uitgenodigd en het woord voeren als het gaat om een onderwerp dat het stadsdeel raakt. Voor de raadscommissie van de gemeenteraad is echter de stadsdeelcommissie primair de gesprekspartner als het om de belangen van het stadsdeel gaat. Een lid van het dagelijks bestuur kan in de vergaderingen van de raadscommissie van de gemeenteraad daarom alleen het standpunt van het dagelijks bestuur toelichten indien het om de belangen van het dagelijks bestuur gaat. Bijvoorbeeld als een door het dagelijks bestuur genomen besluit aan de orde komt. Artikel 19: Verhouding dagelijks bestuur tot de stadsdeelcommissie De stadsdeelcommissie is een bestuurscommissie die een adviserende en controlerende taak heeft op stadsdeelniveau en daarnaast een aantal eigen taken en bevoegdheden van de raad. De stadsdeelcommissie voorziet het dagelijks bestuur gevraagd van advies.

In het eerste lid van artikel 19 is in dat verband bepaald dat het dagelijks bestuur alle adviesaanvragen die het van het college ontvangt, voorlegt aan de stadsdeelcommissie. Het gaat er om dat de stadsdeelcommissie zo snel mogelijk na binnenkomst van de aanvragen op de hoogte wordt gesteld van de adviesaanvragen van het college. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door een zogeheten dagmail of een ander soort aankondiging. De stadsdeelcommissie kan vervolgens besluiten om advies uit te brengen aan het dagelijks bestuur over het stadsdeeladvies richting college. De stadsdeelcommissie bepaalt zelf waar zij haar tijd voor wil inzetten. Zij is niet verplicht om alle adviesaanvragen van het college die het dagelijks bestuur voorlegt te beoordelen, maar besluit zelf om advies uit te brengen over de adviesaanvragen zij het meest belangrijk en relevant vindt voor het stadsdeel. In het tweede lid is bepaald dat het dagelijks bestuur in elk geval advies vraagt aan de stadsdeelcommissie als het voornemens is een taak of bevoegdheid uit te oefenen waarbij een uniforme openbare voorbereidingsprocedure in de zin van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht of inspraak in de zin van de Algemene inspraakverordening aan de orde is. Dat geldt ook als er producten voor de gebiedscyclus worden opgesteld.

Als er advies moet worden gevraagd, dan bespreekt het dagelijks bestuur met de stadsdeelcommissie op welke wijze inwoners en ondernemers bij de besluitvorming worden betrokken en stelt het dagelijks bestuur de stadsdeelcommissie in de gelegenheid advies uit te brengen.. Het dagelijks bestuur is in de gevallen genoemd in het tweede lid dus verplicht om advies te vragen. Dit neemt niet weg dat het dagelijks bestuur ook in andere gevallen om advies kan vragen. Het is aan het dagelijks bestuur om te bepalen welke adviezen er verder nog aan de stadsdeelcommissie worden gevraagd en in welke gevallen er afspraken worden gemaakt over de wijze waarop inwoners en ondernemers bij de voorbereiding van de besluitvorming worden betrokken. Dit kan ook in hele concrete gevallen zijn. Verder is van belang dat de 31

stadsdeelcommissie ook ongevraagd adviezen kan uitbrengen over ontwikkelingen in de buurten en wijken en over stedelijke kaders. Een signaal of advies kan dus ook op initiatief van de stadsdeelcommissie op de agenda komen. Voor wat betreft het voorgenomen besluit is bepaald dat het om voorgenomen besluit moet gaan dat op initiatief van het dagelijks bestuur wordt genomen. Dit is anders als het dagelijks bestuur voornemens is een besluit te nemen op grond van een door een inwoner of ondernemer aangevraagde vergunning of ontheffing. In de gevallen waarin een inwoner of ondernemer namelijk een vergunning of ontheffing aanvraagt en de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wettelijk voorgeschreven is, is er geen tijd en ruimte om de stadsdeelcommissie om advies te vragen. Bij het inwinnen van het advies moet het dagelijks bestuur op grond van het derde en vierde lid alle informatie verstrekken die voor het geven van advies nodig is en ook een termijn voor het geven van het advies stellen. De adviestermijn dient daarbij in de regel een periode te zijn waarbinnen twee overlegvergaderingen vallen.. Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat de stukken bij het publiceren van de agenda beschikbaar zijn. In het geval de stadsdeelcommissie slechts een overlegvergadering heeft per maand, bedraagt de termijn minimaal vier weken.

Aileen in uitzonderlijke gevallen kan het dagelijks bestuur gemotiveerd een kortere termijn vaststellen. Te denken vast aan een besluit dat vanwege onvoorziene omstandigheden op korte termijn genomen moet worden. Gelet op het belang dat aan het lokale geluid wordt gehecht, maakt het dagelijks bestuur in de besluitvorming steeds inzichtelijk wat de inhoud van een advies, een motie of een voorstel is geweest en hoe het in de definitieve besluitvorming een plaats heeft gekregen. Het dagelijks bestuur neemt een advies of voorstel in beginsel over als de stadsdeelcommissie dat met een meerderheid van stemmen heeft vastgesteld en het niet strijdig is met stedelijke of budgettaire kaders. Als het dagelijks bestuur in het uiteindelijke besluit van het advies of voorstel van de stadsdeelcommissie afwijkt, ligt er een zware motiveringsplicht op het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur kan uitsluitend met zeer zwaarwegende redenen afwijken van zo'n meerderheidsadvies of—voorstel, zoals strijdigheid met stedelijke of budgettaire kaders. Artikel 2o: budget voor het dagelijks bestuur Er is breed bestuurlijk draagvlak voor een lokaal bestuur met meer zeggenschap (inclusief budget), duidelijke bevoegdheden (inclusief een adequate ambtelijke ondersteuning), goede sturingsmogelijkheden, democratische controle en tegenspraak op stadsdeelniveau en invloed van de bewoners.

De dagelijks besturen ontvangen jaarlijks een budget. De hoogte van het budget wordt bepaald in de begroting die de gemeenteraad vaststelt In artikel 31 is de rol van de stadscommissie bij de besteding van het budget vastgelegd. Artikel 21: gebiedscyclus Het dagelijks bestuur stelt elke nieuwe bestuursperiode van vier jaar voor alle gebieden in het stadsdeel een gebiedsagenda op. Deze agenda komt tot stand op basis van een

32

gebiedsanalyse en de inbreng van bewoners, ondernemers, de Resultaat Verantwoordelijke Eenheid van de gemeente en verdere partners in het gebied. De leden van de stadsdeelcommissie zijn bij totstandkoming van alle producten voor de gebiedscyclus een belangrijke raadgever. De gebiedsagenda benoemt de belangrijkste prioriteiten voor de bestuursperiode in de gebieden. De gemeenteraad stelt deze vast. Het meerjarig programmeren en prioriteren van de inzet in de gebieden maakt het dagelijks bestuur inzichtelijk in het gebiedsplan dat elk jaar wordt vastgesteld. In het gebiedsplan staat vermeld welke zaken worden aangepakt in het komende kalenderjaar. Ook wordt opgenomen welke zaken om agendering vragen in de aanloop naar de voorjaarsnota, met het oog op uitvoering in een volgend kalenderjaar. De gebiedsplannen worden vastgesteld door het dagelijks bestuur in december opdat de uitvoering in januari van start kan gaan. Parallel aan het opstellen van de gebiedsplannen voor het komende jaar stelt het dagelijks bestuur, geadviseerd door stadsdeelcommissie, jaarlijks een verantwoordingsdocument op. Daarin wordt gemotiveerd inzicht geboden in de realisatie van de gebiedsplannen in het afgelopen jaar. Dit document wordt in het eerste kwartaal van elk kalenderjaar aangeboden aan het college zodat het onderdeel kan uitmaken van de gemeentelijke jaarrekening.

De gebiedscyclus loopt daarmee gelijk op met de planning- en controlcyclus van de gemeente. Het dagelijks bestuur levert deze producten voor een door het college te bepalen datum en ook verder overeenkomstig de door het college vastgestelde voorschriften aan. Artikel 22: verordening ex artikel 212 Gemeentewet Met de Financiele verordening gemeente Amsterdam wordt de verordening bedoeld die iedere gemeente op grond van artikel 212 van de Gemeentewet verplicht is vast te stellen. Op basis van dit artikel worden beleidsnota's en uitvoeringsbesluiten vastgesteld die onder andere verplichtingen bevatten waaraan alle gemeentelijke organisatieonderdelen moeten voldoen. Deze gelden ook voor de dagelijks besturen.

Hoofdstuk 3 - Inrichting en samenstelling stadsdeelcommissie stadsdelen De stadsdeelcommissie is net als het dagelijks bestuur een bestuurscommissie in de zin van artikel 83 van de Gemeentewet. Het dagelijks bestuur en de stadsdeelcommissie zijn op basis van hun juridische grondslag gelijkwaardige spelers in het stadsdeel. Hun wijze van oprichting verschilt echter, evenals hun rol. De stadsdeelcommissie wordt direct gekozen in plaats van benoemd. Waar het dagelijks bestuur als taak heeft een flink aantal taken en bevoegdheden van het college uit te oefenen op lokaal niveau, is de rol van de stadsdeelcommissie breder. De taak van de stadsdeelcommissie kent drie elementen. Ten eerste, de stadsdeelcommissies worden ingesteld door de raad en oefenen een beperkt aantal taken en bevoegdheden uit die de raad aan de stadsdeelcommissie overdraagt. Daarnaast hebben de stadsdeelcommissies een adviserende en controlerende taak ten opzichte van de dagelijks besturen. Hiertoe wordt de stadsdeelcommissie een aantal instrumenten toegekend waardoor het in de dagelijkse praktijk vorm kan geven aan die 33

controlerende taak. Tot slot onderhoudt en versterkt de stadsdeelcommissie netwerken van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Zij benut, faciliteert en stimuleert verschillende vormen van burgerparticipatie. Artikel 23: leden en voorzitter stadsdeelcommissie De stadsdeelcommissie in de zin van artikel 83 van de Gemeentewet wordt direct gekozen. Voor de samenstelling van die commissie worden verkiezingen per stadsdeel gehouden. De verkiezingen worden gelijktijdig met de gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Het aantal stadsdeelcommissieleden wordt vastgesteld aan de hand van het aantal inwoners van het stadsdeel met een minimum van ii leden per stadsdeelcommissie. Het inwonertal van het stadsdeel wordt vastgesteld op basis van de van gemeentewege openbaar gemaakte bevolkingscijfers. Dit betreft de bevolkingscijfers per ijanuari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de verkiezingen voor de stadsdeelcommissie. Wanneer op dat moment een grote inwonersgroei wordt verwacht, wordt dit betrokken bij de vaststelling van het aantal leden van de stadsdeelcommissie. De stadsdeelcommissie heeft altijd een oneven aantal leden. Het aantal leden van de stadsdeelcommissies dat in het tweede lid is vastgesteld, is als volgt berekend. Er is uitgegaan van 93 leden in totaal, die op basis van het inwonertal van de stadsdelen zijn verdeeld over de stadsdelen.

Voor de stadsdelen die op basis hiervan minder dan ii leden hadden, is dit aantal verhoogd naar ii. Ingeval sprake was van een even aantal leden is het aantal verminderd met een. De stadsdeelcommissie kiest op grond van het derde lid uit haar midden een voorzitter. Die heeft tot taak de vergaderingen van de stadsdeelcommissie to leiden. Dit kan per vergadering ook een andere voorzitter zijn. Artikel 24: verkiezingen stadsdeelcommissie In het eerste lid is geregeld dat op de verkiezingen voor de stadsdeelcommissie de bepalingen van de Kieswet inzake de verkiezing van de leden van de gemeenteraad van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent dat bij de verkiezingen een lijstenstelsel wordt gehanteerd. De kandidaten worden dus in lijsten gerangschikt zoals bij de verkiezing van volksvertegenwoordigers in Nederland inmiddels gebruik is. Een lijst kan ook uit een persoon bestaan. In het tweede lid wordt een uitzondering op de Kieswet gemaakt. De kring van kiesgerechtigden wordt namelijk uitgebreid. In tegenstelling tot de Kieswet kan een i6-jarige Amsterdammer al stemmen. Daarnaast geldt dat een ingezetene, die afkomstig is uit een land dat geen lid is van de Europese Unie en rechtmatig in Nederland verblijft, al kan stemmen indien hij gedurende een onafgebroken periode van twee jaar in Nederland woont. In de Kieswet wordt daarentegen uitgegaan van een periode van vijfjaar.

Deze eis van ingezetenschap geldt alleen voor hen die geen onderdaan van een EU-lidstaat zijn. Voor ingezetenen die uit EU-lidstaten afkomstig zijn gelden deze eisen niet omdat zij onmiddellijk stemrecht hebben.

34

Verder is in het derde lid in afwijking van de Kieswet geregeld dat het hoofdstembureau en het centraal stembureau per stadsdeel worden ingesteld. In het vierde lid staat dat de lijsten met een stemcijfer van 25% of meer ook in aanmerking kunnen komen voor een restzetel. Dit zodat partijen bij de restzetelverdeling al een zetel kunnen verwerven als zij 25% van de kiesdeler hebben gehaald en niet pas bij 75% zoals de Kieswet voorschrijft. Daarmee wordt de kiesdrempel aanmerkelijk lager. Bij de verdeling van de restzetels wordt op grond van de Kieswet het stelsel van de grootste overschotten gehanteerd. Bij het systeem van de grootste overschotten wordt gekeken naar het aantal stemmen dat over is van het totale aantal stemmen na verdeling van de voile zetels. De partij met het grootste overschot krijgt bij dit systeem de eerste restzetel, de partij met het op een na grootste overschot de tweede, tot alle zetels verdeeld zijn. Deze methode werkt in het algemeen in het voordeel van kleinere partijen. Hiermee wordt dus geprobeerd te bevorderen dat ook kleine lokale (politieke) groeperingen een zetel kunnen verwerven. Op grond van het vijfde lid kunnen niet alleen politieke partijen aan de verkiezingen meedoen, maar ook andere groeperingen zoals bewonersverenigingen en buurtcomites.

In aanvulling op de bepaling in de Kieswet dat een politieke groepering die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is zich voor de verkiezingen kan laten registreren, is bepaald dat ook nietpolitieke groeperingen en stichtingen zich voor de verkiezingen voor de stadsdeelcommissies kunnen laten registreren. Zij kunnen dan eveneens onder een bepaalde naam aan de verkiezingen meedoen zonder dat zij aan de formele vereisten uit Kieswet hoeven te voldoen zoals het overleggen van een notariele akte en een bewijs van inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Verder hoeven zij ook geen waarborgsom te betalen. Ook niet voor de kandidaatstelling (zesde lid). Groeperingen hoeven zich overigens niet te laten registreren. Zij nemen dan aan de verkiezingen deel zonder een aanduiding (specifieke naam) boven de kandidatenlijst, een zogenaamde "blanco lijst". Op grond van het zevende lid kan het college nadere regels voor de verkiezingen vaststellen. Dit betreft technische voorschriften zoals bepalingen over het nummeren van kandidatenlijsten en een bepaling dat groeperingen die al voor de gemeenteraadsverkiezingen zijn geregistreerd zich niet apart voor de verkiezingen voor de stadsdeelcommissies hoeven te registreren.

Ook kan het college voorschriften stellen die ertoe strekken dat de bestuurscommissies verantwoordelijk zijn voor de registratie, de kandidaatstelling en de verwerking van de verkiezingsuitslagen. In het achtste lid is de regeling uit de Kieswet voor de vervulling van een opengevallen plaats van overeenkomstige toepassing verklaard. In aanvulling daarop wordt het eerste lid van artikel W4 van de Kieswet van overeenkomstige toepassing verklaard (negende lid). Als er in een gemeenteraad met minder dan dertien leden bij de opvolging van een lid geen kandidaat meer voor benoeming in aanmerking komt op de lijst waartoe degene die moet worden opgevolgd behoort, dan geldt het volgende. Met toepassing van artikel P io van de Kieswet wordt dan beslist aan welke van de andere lijsten de plaats zal worden toegekend. Deze plaats valt dan toe aan de lijst die op grond van het aantal uitgebrachte stemmen als eerste in aanmerking komt voor de nog niet toegedeelde restzetel.

35

Door te bepalen dat dat artikel W 4 van de Kieswet van overeenkomstige toepassing is als zich een vergelijkbare situatie voordoet als omschreven in dat artikel, wordt deze regeling op alle stadsdeelcommissies van toepassing, ook als de commissie uit dertien leden of meer bestaat. In het tiende lid is bepaald dat in afwijking van de Kieswet er een dag extra geldt voor het voorbereiden van de openbare zitting na de stemming. Dit betekent dat deze drie werkdagen na de stemming plaatsvindt. Dit geeft de Amsterdamse organisatie de ruimte om — naast de gemeenteraadsverkiezingen — ook de verkiezingen van de stadsdeelcommissies in de stadsdelen zorgvuldig af te ronden. Artikel 25: passief kiesrecht stadsdeelcommissie Om als lid van de stadsdeelcommissie te kunnen worden gekozen moet op grond van deze bepaling worden voldaan aan de vereisten voor het lidmaatschap van de gemeenteraad. Deze zijn opgenomen in artikel io van de Gemeentewet. In afwijking van dat artikel is bepaald dat een Amsterdammer als i6-jarige al lid kan worden van een stadsdeelcommissie, in plaats van i8jaar. In aanvulling op artikel io van de Gemeentewet moet een kandidaat ingezetene van het desbetreffende stadsdeel zijn.

In uitzondering op artikel io, tweede lid, onder b van de Gemeentewet is bepaald dat een ingezetene, die afkomstig is uit een land dat geen lid is van de Europese Unie, zich al na twee jaar verkiesbaar kan stellen. Voor de verkiezingen voor de gemeenteraad wordt uitgegaan van vijf jaar. Dit betekent dat de periode voor de stadsdeelcommissie met drie jaar wordt verkort en een ingezetene van buiten de Europese Unie dus eerder voor de stadsdeelcommissie verkiesbaar is. Deze eis geldt alleen voor hen die geen onderdaan van een EU-lidstaat zijn. Voor de ingezetenen uit EU-lidstaten is geen periode van onafgebroken verblijf vereist. Zij bezitten onmiddellijk passief kiesrecht. Artikel 26: vereisten lidmaatschap stadsdeelcommissie, onverenigbare betrekkingen, verboden handelingen en nevenfuncties In de Gemeentewet is voor leden van de gemeenteraad een lijst met onverenigbare betrekkingen opgenomen. Zij kunnen bijvoorbeeld geen minister, lid van de Raad van State, gedeputeerde of lid van de rekenkamer zijn (artikel 13 van de Gemeentewet). Verder is bepaald dat zij hun nevenfuncties openbaar moeten maken en is een aantal verboden handelingen opgenomen (artikel 12 en 15, eerste en tweede lid van de Gemeentewet). Deze bepalingen worden in dit artikel op de leden van de stadsdeelcommissie van overeenkomstige toepassing verklaard.

Verder wordt toegevoegd dat artikel 11 van de Gemeentewet van toepassing is. Zo wordt voorkomen dat een lid waarvan het lidmaatschap sinds de verkiezingen vervallen is verklaard, op grond van de Kieswet wordt benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats. Daarbij is van belang dat het lidmaatschap van de stadsdeelcommissie op grond van artikel 13 van de Gemeentewet onverenigbaar is met de functie van ambtenaar van de gemeente Amsterdam. Vanuit het oogpunt van dualisme is het onwenselijk dat een ambtenaar die ondergeschikt is aan het college zitting heeft in een commissie die door de raad is ingesteld.

36

Dat deze functies onverenigbaar zijn betekent echter niet dat ambtenaren van de gemeente Amsterdam al bij hun kandidaatstelling ontslag moeten nemen. Het moment van installatie is voor artikel 13 van de Gemeentewet beslissend. Ambtenaren kunnen zich dus eerst kandidaat stellen en aan de verkiezingen deelnemen en pas als zij gekozen zijn en ook daadwerkelijk zitting in de stadsdeelcommissie willen nemen, dienen zij ontslag te nemen. In het tweede lid is vervolgens bepaald dat de gemeenteraad de gedragscode voor de leden van de stadsdeelcommissies vaststelt. Hierdoor gelden voor alle stadsdeelcommissies dezelfde voorschriften. Artikel 27: eed of verklaring en belofte De leden van de stadsdeelcommissie leggen een eed of verklaring en belofte af. Dit doen zij op grond van het eerste lid na de verkiezingen tegelijkertijd met de leden van de nieuwe gemeenteraad ten overstaan van de burgemeester. Bij tussentijdse benoemingen wordt de eed of verklaring en belofte ten overstaan van de voorzitter afgelegd (tweede lid). Voor de inhoud van de eed of verklaring en belofte wordt verwezen naar artikel 14 van de Gemeentewet. Artikel 28: beeindiging Iidmaatschap en tijdelijke vervanging Voor de beeindiging van het Iidmaatschap van de stadsdeelcommissie gelden dezelfde voorschriften als er voor de beeindiging van het Iidmaatschap van de gemeenteraad.

Om ervoor te zorgen dat de belemmeringen voor vrouwen worden weggenomen om ten aanzien van de stadsdeelcommissie hun passief kiesrecht uit te oefenen en de leden van de stadsdeelcommissie bij ziekte in de gelegenheid te stellen prioriteit te geven aan hun gezondheid is daarnaast, in lijn met hetgeen voor raadsleden geregeld is, voorzien in tijdelijke vervanging bij zwangerschap en bevalling of ziekte. Artikel 29: reglement van orde In dit artikel is geregeld dat de stadsdeelcommissie een reglement van orde voor de vergaderingen en de andere werkzaamheden vast stelt. Er zal een format worden opgesteld voor een reglement zodat in de zeven stadsdelen niet zeven keer het wiel uitgevonden hoeft te worden terwijl de stadsdeelcommissie wel de ruimte kan nemen die het nodig acht om invulling te geven aan een wijze van overleg die past bij de lokale cultuur. Onder andere werkzaamheden wordt bijvoorbeeld het bekendmaken van besluiten verstaan waarin niet op andere wijze is voorzien. Artikel 3o: taken en bevoegdheden en instrumenten De stadsdeelcommissie heeft een aantal taken die in dit artikel zijn opgesomd. Ook vermeldt het artikel welke instrumenten de stadsdeelcommissie heeft om het dagelijks bestuur te controleren. Ten eerste oefent de stadsdeelcommissie als bestuurscommissie de taken en bevoegdheden uit die de raad aan haar heeft overgedragen.

Deze zijn net als voor het dagelijks bestuur 37

opgenomen in de bijlagen twee en drie. Het betreft een limitatieve opsomming. Het stadsdeelcommissie legt zo nodig aan de raad verantwoording af over de uitoefening van deze taken en bevoegdheden. Ten tweede brengt de stadsdeelcommissie gevraagd en ongevraagd advies uit aan het dagelijks bestuur over aangelegenheden die het stadsdeel betreffen. Als de stadsdeelcommissie een advies heeft gegeven dat met een meerderheid van stemmen tot stand is gekomen, en het advies niet strijdig is met stedelijke of budgettaire kaders, neemt het dagelijks bestuur het advies in beginsel over, op grond van artikel 19, vijfde lid. Het dagelijks bestuur kan daar alleen met zwaarwegende argumenten gemotiveerd en schriftelijk van afwijken. In alle gevallen licht het dagelijks bestuur bij het uiteindelijke besluit toe op welke wijze van adviezen en voorstellen is omgegaan. In het derde lid worden de stadsdeelcommissie instrumenten toegekend op basis waarvan zij de wijze waarop het dagelijks bestuur de taken en bevoegdheden van het college uitvoert, kan controleren. De controlerende taak van de stadsdeelcommissies richt zich op de uitvoering van de door het college aan het dagelijks bestuur overgedragen taken en bevoegdheden. De stadsdeelcommissie kan vragen aan het dagelijks bestuur stellen over de uitvoering van die taken en bevoegdheden, en kan moties en voorstellen indienen.

Vragen aan het dagelijks bestuur kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden gesteld en worden zo snel mogelijk mondeling of schriftelijk beantwoord. Welke termijn redelijk is hangt af van de complexiteit van de vragen. Technische vragen kunnen rechtstreeks door ambtenaren worden beantwoord. Net als bij de adviezen van de stadsdeelcommissie maakt het dagelijks bestuur in zijn besluitvorming gemotiveerd inzichtelijk hoe het is omgegaan met de voorstellen en moties (zie artikel 19, vijfde lid). Ook worden ingediende moties en voorstellen standaard op de agenda opgenomen (vierde lid. Ingeval het dagelijks bestuur naar mening van de stadsdeelcommissie niet of onvoldoende rekening houdt met adviezen, voorstellen of moties, en op lokaal niveau het overleg tussen de bestuurscommissies onverhoopt stokt, dan is het aan de stadsdeelcommissie om te escaleren bij de raad. De raad kan op zijn beurt het college ter verantwoording roepen voor het handelen van het dagelijks bestuur. In het vierde lid is het agenderingsrecht van de stadsdeelcommissie geregeld: de commissie kan onderwerpen voor de overlegvergaderingen met het dagelijks bestuur agenderen die naar het oordeel van de stadsdeelcommissie noodzakelijk zijn. De stadsdeelcommissie is vrij in de onderwerpen die zij wenst te agenderen.

Onderwerp van agendering kan ook de taken en bevoegdheden van het college en de raad betreffen; de twee organen aan wie de commissie niet direct adviseert. Gedachte hierbij is dat de stadsdeelcommissie steeds uitlegt welke signalen er van inwoners en ondernemers zijn ontvangen, hoe zij bij de uitwerking van een specifiek advies of onderwerp zijn betrokken en wat de uitkomst daarvan was. In het vijfde lid is vervolgens benadrukt dat de stadsdeelcommissie niet tot een advies dat met meerderheid van stemmen zal worden vastgesteld, hoeft te komen. In een advies of bij de agendering van een onderwerp kunnen ook verschillende standpunten van de stadsdeelcommissie worden weergegeven. Het is volledig aan de stadsdeelcommissie om 38

daar vorm en inhoud aan te geven. Het dagelijks bestuur zal dan aan de hand van die verschillende standpunten een afweging maken. Artikel 31: financier) De stadsdeelcommissie kan ook invloed uitoefenen op de manier waarop het dagelijks bestuur het budget besteedt dat aan de stadsdelen is toegekend. In dit artikel wordt de procedure daarvoor beschreven. Het doel van deze procedure is ten eerste dat inzichtelijk is voor de stadsdeelcommissie welke budgetten beschikbaar zijn voor de stadsdelen en hoe het dagelijks bestuur deze budgetten wil inzetten. De stadsdeelcommissie kan vervolgens adviseren en voorstellen doen over deze voorgenomen inzet van middelen. Het dagelijks bestuur neemt deze adviezen en voorstellen over, behalve als er zwaarwegende redenen zijn om dit niet te doen. Om de controlerende taak van de stadsdeelcommissie te waarborgen is het dagelijks bestuur tenslotte verplicht om inzicht te geven in de daadwerkelijke inzet van de middelen en eventuele afwijkingen van de voorstellen en adviezen van de stadsdeelcommissie. Artikel 32: overlegvergaderingen tussen stadsdeelcommissie en dagelijks bestuur De stadsdeelcommissie kent twee typen vergaderingen, beschreven in de artikelen 32 en 33. Dit betreft in de eerste plaats de overlegvergaderingen tussen de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur, die door de stadsdeelcommissie worden uitgeschreven (artikel 32).

Daarnaast kan de stadsdeelcommissie ook zelf vergaderingen uitschrijven (artikel 33). De eerste vorm is in deze verordening enigszins ingekaderd. Het tweede type vergadering is vormvrij. Het is aan de stadsdeelcommissie om daar vorm en inhoud aan te geven en te bepalen hoe en in welke samenstelling die vergaderingen plaatsvinden. De stadsdeelcommissie schrijft, buiten de recesperiodes van de raad, elke maand een of twee overlegvergaderingen met het dagelijks bestuur uit. Onder de verordening op het lokaal bestuur in Amsterdam schreef het dagelijks bestuur de vergaderingen uit. Deze taak ligt nu bij de stadsdeelcommissie zelf, zodat zij kan bepalen wanneer zij een vergadering met het dagelijks bestuur nodig acht. Doel van deze vergaderingen is het vaststellen van de adviezen die gereed zijn, het bespreken van adviezen die in voorbereiding zijn en het bespreken van de onderwerpen die de stadsdeelcommissie heeft geagendeerd, waaronder cooties en voorstellen. De invulling van deze vergaderingen is aan de stadsdeelcommissie . De voorzitter van de stadsdeelcommissie zit de vergaderingen voor. In het tweede lid is aangegeven dat de leden van het dagelijks bestuur die bij de vergadering aanwezig zijn aan de beraadslaging deelnemen. Tijdens de vergaderingen worden in de eerste plaats de adviezen van de stadsdeelcommissie vastgesteld (derde lid).

Uit het vierde lid volgt, zoals hiervoor opgemerkt, dat tijdens de overlegvergaderingen tussen de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur verder de adviezen worden besproken die de stadsdeelcommissie in voorbereiding heeft, de adviezen die door het college aan het dagelijks bestuur zijn gevraagd en die onderwerpen die op initiatief van de stadsdeelcommissie op de agenda zijn geplaatst. De adviezen die door het college aan het dagelijks bestuur zijn

39

gevraagd worden geagendeerd zodat kan worden besproken of er aanleiding is de stadsdeelcommissie bij die adviesaanvraag te betrekken. De vergaderingen zijn openbaar en vinden op het stadsdeelkantoor of een andere plek binnen het stadsdeel plaats (vijfde lid), waarbij een hybride vergadering (deels fysiek, deels digitaal) ook als openbaar geldt. Op grond van het zesde lid zijn de artikelen 19 en 20 van de Gemeentewet zijn op de vergaderingen van overeenkomstige toepassing. Artikel 33: overige vergaderingen stadsdeelcommissie De stadsdeelcommissies zijn vrij om, naast de plenaire vergaderingen en de overlegvergaderingen tussen de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur, andere vergaderingen te beleggen. Voor die vergaderingen geldt op grond van het eerste lid dat die door de voorzitter van de stadsdeelcommissie worden uitgeschreven. Deze vergaderingen zijn, zoals gezegd, vormvrij. Het is aan de stadsdeelcommissie om te bepalen welke onderwerpen worden geagendeerd en in welke samenstelling er wordt vergaderd. Ook voor deze vergaderingen geldt dat ze openbaar zijn en plaatsvinden op het stadsdeelkantoor of een andere plek binnen het stadsdeel (tweede lid) en op grond van het derde lid zijn de artikelen 17 tot en met zo van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34: commissiesecretaris In dit artikel is bepaald dat voor elke stadsdeelcommissie een ambtelijk secretaris wordt aangewezen. Deze commissiesecretaris heeft tot taak de voorzitter en de stadsdeelcommissie bij de uitoefening van hun taak terzijde te staan. Gezien de gewijzigde rol van de stadsdeelcommissie ligt het voor de hand dat de rol van commissiesecretaris en de rol van bestuurssecretaris (artikel 7) niet door dezelfde persoon worden vervuld, anders dan in de huidige situatie het geval is. Voor meer toelichting op dit punt wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 66. Artikel 35: informatie dagelijks bestuur In dit artikel is geregeld dat het dagelijks bestuur de stadsdeelcommissie van alle benodigde informatie voorziet voor die gevallen waarin onderwerpen op initiatief van de stadsdeelcommissie voor de overlegvergaderingen tussen de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur worden geagendeerd. Als het onderwerp in de overlegvergadering is besproken, maakt het dagelijks bestuur inzichtelijk wat met de uitkomst van die bespreking is gedaan. Artikel 36: toelichting en agendering raadscommissie Dit artikel voorziet in de mogelijkheid voor een of meer leden van de stadsdeelcommissie om een toelichting te geven in een vergadering van een raadscommissie van de gemeenteraad.

Dit kan als een onderwerp wordt besproken waarover de stadsdeelcommissie advies heeft uitgebracht, het dagelijks bestuur ten onrechte geen advies heeft gevraagd of als er een 40

onderwerp, zoals moties of voorstellen, wordt besproken dat op initiatief van de stadsdeelcommissie is geagendeerd. In die gevallen dat een onderwerp niet in de vergadering van een raadscommissie aan de orde komt, kan de stadsdeelcommissie het alsnog voor de agenda van de raad aandragen. Bijvoorbeeld als een onderwerp naar het oordeel van de stadsdeelcommissie ten onrechte niet door het dagelijks bestuur is geagendeerd of als de commissie meent dat er door het dagelijks bestuur in verband met een adviesaanvraag of een initiatief van de stadsdeelcommissie te weinig informatie is verstrekt. De stadsdeelcommissie kan onderwerpen uitsluitend aandragen voor bespreking in de vergadering van de raadscommissie. De gemeenteraad bepaalt vervolgens zelf of het onderwerp op de agenda komt. Als het onderwerp in de raadscommissie wordt besproken, kunnen een of meer leden van de stadsdeelcommissie tijdens die vergadering een toelichting geven. De toelichting kan zowel op verzoek van de raadscommissie als op verzoek van de stadsdeelcommissie worden gegeven. Artikel 37: Bekendmaking besluiten De besluiten van de stadsdeelcommissie worden op dezelfde wijze bekendgemaakt als de besluiten van het dagelijks bestuur. Artikel 38: Stadsdeelpanels Als participatieve verrijking van het bestuurlijk stelsel worden in alle stadsdeel via loting Stadsdeelpanels ingericht.

De zittingsperiode van het stadsdeelpanel loopt parallel aan de zittingsperiode van de bestuurscommissie (in principe vier jaar). Elke stadsdeel heeft jaarlijks een bedrag beschikbaar voor vacatie van de leden van het stadsdeelpanel van 50.000 euro per. jaar. Dit bedrag is gebaseerd op 2 bijeenkomsten X Eloo,X 250 leden. Bij het instellen van de eerste bijeenkomst/sessie burgerpanel zal in goed overleg met het panel en de stadsdeelcommissie afspraken gemaakt worden hoe met deze verdeling van de vacatie gelden op de begroting om te gaan, waarbij een maximaal bedrag van Eioo,voor vacatie vergoeding geldt. Het minimale bedrag wordt in overleg met stadsdeelcommissie en stadsdeelpanels bepaald. Het stadsdeelpanel kan bevraagd worden over kwesties door de stadsdeelcommissie, door de gemeenteraad en door burgers woonachtig in het stadsdeel. Een agenda commissie bestaande uit leden van het stadsdeelpanel en stadsdeelcommissie is verantwoordelijk voor agendering in tijd en werkdruk van het panel. Het stadsdeelpanel wordt ondersteunt door een professional op het gebied van participate, die kan helpen vorm geven aan goede bespreekagenda voor het panel, gespreksleiding het regelen van uitnodiging, locatie, verslaglegging en opstellen eind advies.

Hoofdstuk 4 — Inrichting en samenstelling stadsgebied Weesp Algemeen 41

Per 24 maart 2022 fuseert de gemeente Weesp met de gemeente Amsterdam. Vanaf dat moment vormt Weesp een stadsgebied van de gemeente Amsterdam. Amsterdam kent dan zeven stadsdelen en het stadsgebied Weesp. Het stadsgebied Weesp wordt gevormd door de gebieden Weesp en Driemond. Met de vervanging van de verordening op het lokaal bestuur in Amsterdam wordt mogelijk gemaakt dat het stadsgebied een eigen, lokaal bestuur kent. De wijze van besturen van het stadsgebied wijkt of van de bestuursvorm van de zeven stadsdelen. Stadsgebied Weesp wordt lokaal bestuurd door een ii-koppige bestuurscommissie. Deze bestuurscommissie handelt, net als de stadsdelen, binnen de stedelijke kaders die de centrale stad (college en raad) vaststellen. De dagelijkse leiding komt ten overstaan van een dagelijks bestuur van drie leden. Naast de drie dagelijks bestuurders, vormen de overige acht leden van de bestuurscommissie de oren en ogen van het stadsgebied en zorgen zij voor de naleving van de 14 kernwaarden. Zij halen op wat er leeft in het gebied, lossen problemen op de schaal van pleinen, straten en buurten op en betrekken de inwoners van het stadsgebied actief op verschillende manieren bij plannen voor het gebied. De participatieve democratie en het experimenteren met vernieuwende vormen van participatie zal een grote rol spelen bij het handelen van de bestuurscommissie.

Daarnaast zal aandacht uit gaan naar adequate omgang met de samenwerkingspartners voor Weesp en de uit te voeren evaluatie in 2025. De bestuurscommissie heeft een vitale functie voor het stadsgebied. De taken en bevoegdheden komen overeen met de taken en bevoegdheden die de zeven stadsdelen hebben. Zo wordt lokaal opgelost wat lokaal kan. Gezamenlijk zijn de lokale bestuurders permanent in overleg met het stadsbestuur. De bestuurscommissie maakt zo nodig de vertaalslag naar het stadsbestuur van Amsterdam. Het lokale bestuur is zo continue nabij de inwoners van Weesp en Driemond. Artikel 39: bestuurscommissie Met dit artikel stelt het college voor het stadsgebied Weesp een bestuurscommissie in die bestaat uit elf leden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het voorschrift in artikel 83 van de Gemeentewet dat het instellend orgaan de inrichting en samenstelling van de bestuurscommissie moet regelen. De bestuurscommissie vormt de schakel tussen de inwoners van het stadsgebied Weesp en de centrale stad. De elf leden zorgen er gezamenlijk voor dat lokaal wordt besloten en geregeld wat lokaal kan op basis van de aan hen opgedragen taken en bevoegdheden. De stedelijke kaders vormen daarbij het uitgangspunt, wat tot uitdrukking komt door 'verlengd lokaal bestuur. De inwoners van het stadsgebied worden op verschillende wijzen betrokken bij plannen en besluitvormingsprocessen.

De participatieve democratie vormt een van de pijlers op basis waarvan de bestuurscommissie te werk gaat. De leden van de bestuurscommissie worden gekozen door de inwoners van Weesp en Driemond, gelijktijdig met de verkiezingen voor de gemeenteraad. Artikel 40: verkiezingen bestuurscommissie 42

In het eerste lid is geregeld dat op de verkiezingen voor de bestuurscommissie de bepalingen van de Kieswet inzake de verkiezing van de leden van de gemeenteraad van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent dat bij de verkiezingen een lijstenstelsel wordt gehanteerd. De kandidaten worden dus in lijsten gerangschikt zoals bij de verkiezing van volksvertegenwoordigers in Nederland inmiddels gebruik is. Een lijst kan ook uit een persoon bestaan. In het tweede lid worden twee uitzonderingen op de Kieswet gemaakt. De kring van kiesgerechtigden wordt namelijk uitgebreid. In plaats van 18-jarigen kunnen i6-jarigen inwoners van het stadsgebied hun stem uitbrengen. Een ingezetene, die afkomstig is uit een land dat geen lid is van de Europese Unie en rechtmatig in Nederland verblijft, kan al stemmen indien hij gedurende een onafgebroken periode van twee jaar in Nederland woont. In de Kieswet wordt daarentegen uitgegaan van een periode van vijf jaar. Deze eis van ingezetenschap geldt alleen voor hen die geen onderdaan van een EU-lidstaat zijn. Voor ingezetenen die uit EU-lidstaten afkomstig zijn gelden deze eisen niet omdat zij onmiddellijk stemrecht hebben. In het derde lid is bepaald dat de lijsten met een stemcijfer van 25% of meer ook in aanmerking kunnen komen voor een restzetel.

Hierdoor kunnen partijen bij de restzetelverdeling al een zetel verwerven als zij 25% van de kiesdeler hebben gehaald en niet pas bij 75% zoals de Kieswet voorschrijft. Daarmee wordt de kiesdrempel aanmerkelijk lager. Bij de verdeling van de restzetels wordt op grond van de Kieswet het stelsel van de grootste overschotten gehanteerd. Bij het systeem van de grootste overschotten wordt gekeken naar het aantal stemmen dat over is van het totale aantal stemmen na verdeling van de voile zetels. De partij met het grootste overschot krijgt bij dit systeem de eerste restzetel, de partij met het op een na grootste overschot de tweede, tot alle zetels verdeeld zijn. Deze methode werkt in het algemeen in het voordeel van kleinere partijen. Hiermee wordt dus geprobeerd te bevorderen dat ook kleine lokale (politieke) groeperingen een zetel kunnen verwerven. Op grond van het vierde lid kunnen niet alleen politieke partijen aan de verkiezingen meedoen, maar ook andere groeperingen zoals bewonersverenigingen en buurtcomites. In aanvulling op de bepaling in de Kieswet dat een politieke groepering die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is zich voor de verkiezingen kan laten registreren, is bepaald dat ook niet-politieke groeperingen en stichtingen zich voor de verkiezingen voor de bestuurscommissies kunnen laten registreren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10793381/1