Raadsbesluit 105A Bekendmakingsbesluit Vaststellen Participatieverordening gemeente Amsterdam
Tekst van het document
4.
Welke vorm de samenwerking heeft, dit kan verschillen per onderwerp in de buurt. Een
buurtplatform contact onderhoudt met het dagelijks bestuur van het stadsdeel. bespreken. Dit verschilt per buurt en buurtplatform. buurtplatform kan bijvoorbeeld in co-creatie meehelpen om een oplossing te vinden voor een probleem in de buurt, actief deelnemer zijn in een activiteit van de gemeente of als klankbord dienen voor een project in de buurt. 5.
Hoe de gemeente en het platform richting de buurt communiceren over de samenwerking en de resultaten daarvan. Goede afspraken hierover hebben als doel om te voorkomen dat de gemeente en het buurtplatform elkaar verrassen in berichten naar de buurt, bijvoorbeeld wanneer zij het niet eens zijn met elkaar.
6.
Ondersteuning van het buurtplatform door middel van geld of hulp en kennis. Elk buurtplatform heeft een budget nodig om te kunnen bestaan. Bijvoorbeeld om ruimtes te huren in het buurthuis voor vergaderingen, communicatiemiddelen te maken en te drukken, activiteiten te organiseren om te ontmoeten en te verbinden en voor administratie en verslaglegging. Allereerst hebben buurtplatformen eigen middelen, vanuit buurtgemeenschappen zelf. Dit geeft de beste onafhankelijke positie. Maar sours is daarnaast nog iets extra's nodig. Dit kan ook ondersteuning in andere vormen zijn en zich bijvoorbeeld richten op de ontwikkeling van kennis en vaardigheden, of bijvoorbeeld hulp bij administratieve verplichtingen.
7.
Hoe we met elkaar omgaan als het buurtplatform en de gemeente het niet eens zijn met elkaar; Bij wie het geschil dan wordt neergelegd; en wie er dan zorgt voor een oplossing; En wanneer de samenwerking ontbonden wordt wanneer platform en gemeente er niet uitkomen;
Een succesvolle samenwerking hangt altijd of van de inzet van zowel gemeente als platform om samen aan goede en passende samenwerkingsafspraken te werken. De gemeente zal zich hiervoor inzetten, en verwacht dit ook van de platformen. In het uiterste geval kan de gemeente de erkenning intrekken. Het platform krijgt altijd eerst de kans om verbeteringen door te voeren. Artike117 Evaluatie en monitoring
20
Er wordt steeds meer geleerd over participatie. Daarom is het ook van belang om de werking van deze verordening in de praktijk goed bij te houden en de verordening periodiek te evalueren. Zo kan er geleerd worden van de praktijk en kan de verordening worden aangepast als dat nodig blijkt te zijn. Artikel 18 Overgangsrecht In artikel 3 van de verordening staat dat een participatieplan moet worden vastgesteld bij de start van nieuw beleid of een project. Het overgangsrecht in dit artikel regelt dat het niet altijd verplicht is om alsnog een participatieplan te maken wanneer een proces al begonnen is als deze verordening in werking treedt. Dit is om te voorkomen dat het maken van een participatieplan een puur administratieve handeling is, die voor het project in kwestie weinig zin meer heeft omdat het project al in voile gang is. Deze uitzondering geldt alleen als het project al zo ver is, dat het maken van een participatieplan echt geen zin meer heeft of disproportioneel veel tijd kost of het project vertraagt. Als het beleid of project uit meerdere deelfasen bestaat, dan geldt artikel 3 wel als na de inwerkingtreding van de verordening een nieuwe fase begint. Artike119 Intrekking Algemene inspraakverordening De Algemene inspraakverordening gaat op in deze verordening.
Deze participatieverordening verbreedt de mogelijkheden om betrokkenen bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid te betrekken. Een aantal elementen uit de inspraakverordening is opgenomen in artikel 6. Artikel 20 Wijziging Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 Omdat de Algemene Inspraakverordening komt te vervallen, wordt de verwijzing naar deze verordening in de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 geschrapt. Er verandert niets aan de regel dat het dagelijks bestuur de stadsdeelcommissie om advies vraagt bij de uitoefening van een bevoegdheid waarbij afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast.
21