CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsadres rapport Evaluatie Bestuurlijk Stelsel

RAAD 10 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsadres van een burger inzake het rapport Evaluatie Bestuurlijk Stelsel. Nr. VN 2021-0064773.661 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

3 maart 2021 Raadsadres bij raadsvergadering 10-03-2021, agendapunt 11: rapport evaluatie bestuurlijk stelsel Geachte leden van de Amsterdamse gemeenteraad, Op uw raadsvergadering staat voor 10 maart 2021 als agendapunt 11 geagendeerd: Kennisnemen van het rapport Evaluatie Bestuurlijk Stelsel. Nr. VN2021-002848, met advies ter kennisname aan te nemen. Ik verzoek u daarentegen om als onze gemeenteraad nu zelf tot evaluatie en herziening over te gaan. De Verordening op het Lokaal Bestuur 2018 draait de machtsverhouding tussen gemeenteraad en College van B en W radicaal om. In strijd met ons constitutioneel bestel, Grondwet en Gemeentewet, werd B&W effectief hoogst gezag in de gemeente. De Dagelijkse Besturen in de stadsdelen, door B&W benoemde ambtenaren zijn verlengde arm van B&W, door de gemeenteraad nauwelijks gecontroleerd. Sinds 2018 ontberen de Dagelijkse Besturen van de stadsdelen in Amsterdam eigen democratische gezagslegitimatie, nu zij als beslissingsbevoegde ambtenaren niet langer worden benoemd uit de door burgers rechtstreeks gekozen decentrale volksvertegenwoordigers. Tegenover deze ambtenaren hebben de direct gekozen leden van de Stadsdeelcommissies nog slechts adviserende bevoegdheid zonder controlerende bevoegdheid. Dat is géén volksvertegenwoordiging. Inspraak, geen medezeggenschap.

Het bestuurlijke evaluatierapport noemt vijf alternatieven voor de toekomst, ontleend aan de discussie over de doelstellingen van het bestuurlijk stelsel in 2014. Maar tot 2014 hadden wij volwaardige stadsdeelraden, in macht vergelijkbaar met deelgemeenten. Het Rijk schafte deze mogelijkheid af, waarop Amsterdam koos voor bestuurscommissies per stadsdeel, met gekozen algemeen bestuur en door/uit hun midden gekozen aan hen verantwoordingsplichtig dagelijks bestuur. Dat pad is verlaten. Toch noemt u alternatief 1: het ‘basismodel’ voortzetten, met optimalisaties. Welk stelsel vormt nu het basismodel? De stadsdeelraden van vóór 2014, de gekozen bestuurscommissies van 2014-2018 met democratische legitimatie of het stelsel sinds 2018 daarzonder: Amsterdam als ambtelijk directoraat? Laat Amsterdam niet ‘voortmodderen’ met het huidige stelsel met onmondige volksvertegenwoordiging op stadsdeelniveau. Schaf de stadsdelen als decentrale bestuurslaag af. Laat de gemeenteraad zijn rol als volwaardige politieke volksvertegenwoordiging, met recht van amendement en initiatief, waarmaken. Het model Centraalplus houdt vast aan een decentraal ambtelijk apparaat, georganiseerd per stadsdeel.

Al wilt u dat deze onderling intensief overleggen, is centralisatie van het ambtelijk apparaat hard nodig om een op alle vlakken, juridisch, technisch, wetenschappelijk en economisch deskundige ambtenarij te kunnen stellen tegenover het op al deze vlakken sterk van deskundige afdelingen voorzien bedrijfsleven. Een versnipperd ambtelijk apparaat kan tegenover grote industriële en financiële multinationals geen vuist maken, deze niet het hoofd bieden. Dat leidt tot uitverkoop en gentrificatie van Amsterdam. Eén wethouder per stadsdeel direct verantwoordelijk aan de gemeenteraad is beter dan deelbesturen. Het huidige en andere decentrale bestuurlijke stelsels voor Amsterdam grijpen diep in de democratische verhoudingen in, tasten de democratische rechten van rond de 800.000 burgers en ingezetenen aan. Ik verzoek u tot opheffing van het huidige bestuurlijk stelsel, alle macht weer te hernemen, terug te

1

brengen bij raadscommissies en gemeenteraad als onze rechtsreeks gekozen volksvertegenwoordiging. Onze Grondwet (artikel 125) bepaalt, dat de Gemeenteraad aan het hoofd staat van de Gemeente. De raad is dus het hoogste bestuurlijk gezagsorgaan binnen de Gemeente, niet het College van B&W; De Grondwet (artikel 128 jo. artikel 124, eerste lid) attribueert de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun gemeentelijke huishouding aan de gemeentelijke besturen: primair de gemeenteraad, daarnaast maken B&W hier ‘ook’ deel van uit. Het woordje ‘ook’ stelt B&W op het tweede plan. De Gemeentewet legt het primaat bij de gemeenteraad. De gemeenteraad benoemt en ontslaat de wethouders. De rechter mengt zich niet in de reden van hun ontslag. De raad stelt verordeningen vast. De Gemeentewet verdeelt de bestuurlijke bevoegdheden tussen Gemeenteraad, College van B&W en de burgemeester, staat hen in de artikelen 82, 83 en 84 toe elk voor hun eigen bevoegdheden bestuurlijke commissies in te stellen, zoals de raadscommissies door de gemeenteraad (artikel 82). Maar volgens artikel 128 Grondwet krijgen slechts bij besluit van de gemeenteraad andere organen dan de in artikel 125 Gw. genoemde gemeenteraad, College van B&W en burgemeester bevoegdheid tot regeling en bestuur (art. 124 Gw.).

Eigenmachtige instelling door het College van B&W of de burgemeester van eigen bestuurscommissies vanuit artikel 83 of andere commissies vanuit artikel 84 onder delegatie van de hun onderscheidenlijk toegekende bevoegdheden staat op gespannen voet met de grondwet. Dat mag alleen de gemeenteraad doen bij verordening. Bij delegatie gaat de bestuursmacht over, bij mandaat blijft deze bij de mandaatgever berusten. De Dagelijkse Besturen van de stadsdelen, benoemd door B&W, handelen krachtens mandaat namens B&W. Aansturing van deze ambtelijke stadsdeelbesturen door B&W en hun taakuitoefening in de ‘voorbereiding’ van besluitvorming, die bij de gemeenteraad thuishoort en daar haar besluit vindt, die aldus zowel bevoegdheden van B&W als ook van de gemeenteraad uitoefenen, is buitenwettelijk, ongrondwettig. De gekozen stadsdeelcommissies zijn nog slechts machteloze adviseurs. De Gemeenteraad kan wethouders tussentijds ter verantwoording roepen, maar stadsdeelbesturen niet. Voormalig Minister van Binnenlandse Zaken, Ronald Plasterk schreef u op 26 september 2017 een brief, toen u de Verordening op het Lokaal Bestuur 2018 opstelde, met uw daarin vervat Mandaatsbesluit. Hij was kritisch over gebruik van mandaat als rechtsfiguur, zag meer in delegatie, maar achtte zich niet bevoegd om voorafgaand aan de gemeentelijke besluitvorming hierop bestuurlijk toezicht uit te oefenen.

Zijn antwoord kan daarom niet ter legitimatie van het huidige Amsterdamse bestuurlijk stelsel dienen. Ik vraag u het huidige bestuurlijk stelsel op te heffen, alle macht terug te geven aan de gemeenteraad als rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiging, gediend door een gecentraliseerd ambtelijk apparaat. Het is zinvol de Afdeling Advisering Wetgeving van de Raad van State om advies te vragen. Hoogachtend en met vriendelijke groet, Xxxxxxxx

2

Bijgevoegd: – brief dd 26-09-2017 van Minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk aan het College van B&W – brief dd 10-02-2017 van Minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk aan het College van B&W – brief dd 17-01-2017 van College van B&W van Amsterdam aan Minister van Binnenlandse Zaken Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken hield op 26-09-2017 een forse slag om de arm; ik citeer : “U schrijft nu dat er bij de vormgeving van het nieuwe bestuurlijk stelsel voor is gekozen om de vakinhoudelijke bevoegdheden aan de bestuurscommissies (waarvan de leden door het college worden benoemd) te mandateren en om met name algemene bevoegdheden te delegeren. U vraagt mij of hiermee wordt voldaan aan het kader en de bedoelingen van de Gemeentewet. Delegatie en mandaat Zoals ik in mijn brief van 10 februari heb geschreven, vormt delegatie van bevoegdheid een wezenskenmerk van een bestuurscommissie. Het bestaansrecht van de bestuurscommissies is met name gelegen in de aard en betekenis van de overgedragen bevoegdheden. Deze bevoegdheden oefenen de bestuurscommissies met een zekere zelfstandigheid en op eigen naam uit, hoewel zij verantwoording verschuldigd zijn aan de raad of het college als instellend orgaan en ook aan interbestuurlijk toezicht onderworpen zijn.

(mijn onderstrepingen, AJvdV) De Gemeentewet staat er niet aan in de weg dat daarnaast aan bestuurscommissies bevoegdheden worden gemandateerd. Gemandateerde bevoegdheden worden namens en onder directe verantwoordelijkheid van de mandaatgever uitgeoefend, welke ook algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven. Ik constateer dat in het huidige voorstel een aanzienlijk aantal – hoofdzakelijk uitvoerende – bevoegdheden wordt gemandateerd. Uw college kiest hiervoor gelet op – zoals u dat zelf noemt – het uitgangspunt van verlengd lokaal bestuur. Daarnaast is echter ook een aantal algemene bevoegdheden aan de bestuurscommissies gedelegeerd. Voor uw keuze heb ik begrip; het valt echter lastig te beoordelen waar precies de grens ligt in een toelaatbare verhouding tussen delegatie en mandaat. Op basis van de mij beschikbare informatie ga ik er van uit dat u nauwgezet heeft getracht het juiste evenwicht te vinden tussen gedelegeerde en gemandateerde bevoegdheden. Een evenwicht ook tussen enerzijds recht doen aan het kader van de Gemeentewet en de bedoeling van de wetgever, maar anderzijds ook de zorg voor een effectieve bestuurlijke inrichting binnen de complexiteit van een stad als Amsterdam. Daarbij merk ik op dat wel vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het delegeren van de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten aanzien van de uitvoering van de gemandateerde bevoegdheden.

De bestuurscommissies zouden dan op eigen naam nadere regels stellen ten aanzien van bevoegdheden die zij namens het college uitoefenen. Het zou logischer zijn als zij bevoegd waren om nadere regels te stellen ten aanzien van bevoegdheden die zij ook op eigen naam uitoefenen, welke dus zijn gedelegeerd in plaats van gemandateerd. (…) Het is in beginsel niet de verantwoordelijkheid van de minister van BZK Afdeling inrichting openbaar om op voorhand een oordeel te geven over de rechtmatigheid van gemeentelijke beleidsvoornemens. Ik moet 3

dan ook een slag om de arm houden bij de beoordeling van uw voornemens.” (mijn onderstreping AJvdV)

Grondwet Artikel 124, Grondwet (onderscheid tussen gemeentelijke autonomie in het eerste lid en medebewind in het tweede lid van dit artikel) : 1 Voor provinciens en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten. 2 Regeling en bestuur kunnen van de besturen van provincies en gemeenten worden gevorderd bij of krachtens de wet. Artikel 125, Grondwet: 1 Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen. 2 Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Artikel 127, Grondwet: Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast. Artikel 128, Grondwet Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden. Gemeentewet, Hoofdstuk V.

De commissies, Artikel 82, Gemeentewet: 1 De raad kan raadscommissies instellen die besluitvorming van de raad kunnen voorbereiden en met het college of de burgemeester kunnen overleggen. Artikel 83, Gemeentewet: 1. De raad, het college of de burgemeester kan bestuurscommissies instellen die bevoegdheden uitoefenen die hun door de raad, het college, onderscheidenlijk de burgemeester zijn overgedragen. Hij regelt daarbij de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze, daaronder begrepen de wijze waarop hij inzage heeft in de stukken waaromtrent door een bestuurscommissie geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd voor zover zij in strijd is met het openbaar belang. 2. De burgemeester en de wethouders zijn geen lid van een door de raad ingestelde bestuurscommissie. Leden van de raad zijn geen lid van een door het college of de burgemeester ingestelde bestuurscommissie. Artikel 84, Gemeentewet: 1. De raad, het college of de burgemeester kan andere commissies dan bedoeld in de artikelen 82, eerste lid, en 83, eerste lid, instellen.

2. Artikel 83, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing 3. De raad, het college onderscheidenlijk de burgemeester regelt ten aanzien van een door hem ingestelde andere commissie de openbaarheid van de vergaderingen. (...) Artikel 85, Gemeentewet

4

1. De raad, het college of de burgemeester regelt ten aanzien van een door hem ingestelde bestuurscommissie de verantwoording aan de raad, het college, onderscheidenlijk de burgemeester.

2. (…)

3. Voor zover zulks in verband met de aard en de omvang van de overgedragen bevoegdheden nodig is, regelt de raad, het college of de burgemeester het overige toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door een door hem ingestelde bestuurscommissie. Dit overige toezicht kan mede de goedkeuring omvatten van de beslissingen van een bestuurscommissie. (…) Nadere motivering t.a.v. van onwetmatigheid artikelen 43 en 44 Verordening op het Lokaal Bestuur in Amsterdam (2018)

De Verordening op het Lokaal Bestuur in Amsterdam (21-03-2018) hevelt taken en bevoegdheden, rechten en plichten van de direct gekozen 'algemene besturen' van de bestuurscommissies van de stadsdelen volgens de Verordening op de Bestuurscommissies, zoals deze gold van 2014 tot 2018, over naar de dagelijks besturen van stadsdelen, door B&W benoemde ambtenaren vanuit de Verordening op het Lokaal Bestuur in Amsterdam, in werking getreden sinds 21 maart 2018 (hierna: 'deze verordening'). De Dagelijkes Besturen van stadsdelen mogen volgens deze gemeentelijke verordening zelfs besluiten genomen door algemene besturen, ‘bestuurscommissies’, terugdraaien. Dit maakt zware inbreuk op de strikte scheiding, die de artikelen 83 en 84 Gemeentewet opleggen tussen bestuurscommissies, ingesteld door de gemeenteraad en bestuurscommissies, ingesteld door het College van B&W of burgemeester respectievelijk: taken en bevoegdheden, rechten, plichten. Ambtenaren van B&W (DB’s in stadsdelen) oefenen nu ook taken en bevoegdheden, rechten en plichten uit, die door de gemeenteraad eerder aan een eigen, afzonderlijke bestuurscommissie overgedragen zouden zijn.

Of hadden behoren te zijn? Wie controleert de adviezen van de Stadsdeelcommissies, die nu nog 'adviesraden' in de zin van artikel 84 zouden zijn? Namens wie adviseren zij dan aan u, de raad? Artikel 84 Gemeentewet kan hier de rechtsgrondslag niet zijn. Stadsdeelcommissies staan los van de gemeenteraad; zij adviseren de DB’s, die hun adviezen met het eigen advies via B&W aan de raad geven. De raad kan Stadsdeelcommissieadviezen – besluiten mogen ze niet – niet vernietigen, maar kan dit evenmin doen met besluiten door de dagelijks besturen van stadsdelen (artikel 85 Gemeentewet). De Verordening op het Lokaal Bestuur treedt de Gemeentewet met voeten, is daarom niet slechts vernietigbaar, maar in dit opzicht nietig vanaf het begin, ultra vires. Wilt u herziening overwegen? Verordening op het Lokaal Bestuur Amsterdam, artikel 43: regelgeving bestuurscommissies "De taken en bevoegdheden in de verordeningen, beleidsregels of overige voorschriften die door de gemeenteraad, het college, de burgemeester of de bestuurscommissies op grond van de verordening op de bestuurscommissies zijn vastgesteld en die zijn toegekend aan het algemeen of dagelijks bestuur van de bestuurscommissies die op grond van de verordening op de bestuurscommissies zijn ingesteld, worden vanaf 21 maart 2018 uitgeoefend door het dagelijks bestuur in dat stadsdeel.

Dit geldt voor zover deze taken en bevoegdheden op grond van de deze verordening ook aan het dagelijks bestuur zijn toegekend." [mijn arceringen, AJvdV] Verordening op het Lokaal Bestuur in Amsterdam (inw.tr.21-03- 2018), artikel 44: beheer van besluiten,

5

rechten en plichten van de gemeente, subsidies en procedures en rechtsgedingen 1. De besluiten die door een bestuurscommissie op grond van de verordening op de bestuurscommissies zijn genomen, kunnen met ingang van 21 maart 2018 worden gewijzigd of ingetrokken door het dagelijks bestuur. Dit voor zover die taken en bevoegdheden op grond van deze verordening ook aan het dagelijks bestuur zijn toegekend. [mijn arceringen, AJvdV] 2. De rechten en plichten die door een besluit van een bestuurscommissie op grond van de verordening op de bestuurscommissies op de gemeente rusten, gaan met ingang van 21 maart 2018 over op het dagelijks bestuur. Dit voor zover die taken en bevoegdheden op grond van deze verordening ook aan het dagelijks bestuur zijn toegekend. [mijn arceringen, AJvdV] 3. Een subsidie die door een bestuurscommissie op grond van de verordening op de bestuurscommissies is verleend, kan met ingang van 21 maart 2018 worden vastgesteld door het dagelijks bestuur. Dit voor zover de subsidie ziet op taken en bevoegdheden op grond van deze verordening ook aan het dagelijks bestuur zijn toegekend. 4. De wettelijke en bestuursrechtelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de gemeente op basis van de besluitvorming van een bestuurscommissie op grond van de verordening op de bestuurscommissies is betrokken, gaan met ingang van 21 maart 2018 over op het dagelijks bestuur.

Dit voor zover die taken en bevoegdheden op grond van deze verordening ook aan het dagelijks bestuur zijn toegekend. Op welke wijze is dit te rijmen met dwingendrechtelijke bepalingen, art. 83-85, in de Gemeentewet? Gemeentewet, artikel 85 1 De raad, het college of de burgemeester regelt ten aanzien van een door hem ingestelde bestuurscommissie de verantwoording aan de raad, het college, onderscheidenlijk de burgemeester. 2 De raad, het college of de burgemeester kan besluiten en andere, niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig rechtsgevolg van een door hem ingestelde bestuurscommissie vernietigen. De raad kan zijn bevoegdheid tot schorsing overdragen aan het college. Ten aanzien van de vernietiging van nietschriftelijke beslissingen gericht op enig rechtsgevolg zijn de afdelingen 10.2.2. en 10.2.3. van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. 3 Voor zover zulks in verband met de aard en de omvang van de overgedragen bevoegdheden nodig is, regelt de raad, het college of de burgemeester het overige toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door een door hem ingestelde bestuurscommissie. Dit overige toezicht kan mede de goedkeuring omvatten van de beslissingen van een bestuurscommissie. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Ten aanzien van de goedkeuring van andere beslissingen dan besluiten is afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

6

NB De raad, het College van B&W en de burgemeester kunnen bestuurscommissies instellen louter voor de aan hen zelf toegekende bevoegdheden, niet kruiselings (artikel 83,84). De dagelijkse besturen zijn een ongrondwettelijk en met de gemeentewet als formele wet strijdige hybride onder gezag van B&W.

Gemeentewet § 3. Bijzondere voorzieningen Artikel 123 1 Wanneer de raad of, indien aan een bestuurscommissie, een deelraad of het dagelijks bestuur van een deelgemeente bevoegdheden van de raad of van het college zijn overgedragen, deze commissie, die deelraad of dat dagelijks bestuur bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorziet het college daarin.[medebewind; onderstreping + arcering AJvdV] 2 Wanneer aan een bestuurscommissie of de voorzitter van het dagelijks bestuur van een deelgemeente bevoegdheden van de burgemeester zijn overgedragen en die commissie of die voorzitter bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorziet de burgemeester daarin. Artikel 124 1 Wanneer het college of de burgemeester bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorzien gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning daarin namens het college of de burgemeester en ten laste van de gemeente.

[medebewind; mijn onderstreping en arcering, AJvdV] 2 Spoedeisende gevallen uitgezonderd, vindt het eerste lid geen toepassing dan nadat het college, onderscheidenlijk de burgemeester in de gelegenheid is gesteld binnen een door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris gestelde termijn alsnog de bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen te nemen. Gemeentewet, artikel 169 1 Het college en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur. 2 Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 3 Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.

7

4 Zij geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad zijn wensen en bedenkingen terzake ter kennis van het college heeft kunnen brengen. 5 Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder f, geen uitstel kan leiden, geven zij in afwijking van het vierde lid de raad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit. Gemeentewet, artikel 160 1 Het college is in ieder geval bevoegd: a. het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet de raad of de burgemeester hiermee is belast; b. beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is belast; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente, met uitzondering van de organisatie van de griffie; d. ambtenaren, niet zijnde de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren, te benoemen, te schorsen en te ontslaan; e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten; f.

te besluiten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures namens de gemeente of het gemeentebestuur te voeren, of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; g. ten aanzien van de voorbereiding van de civiele verdediging; h. jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen. (...) Het besluit van een bestuursorgaan tot een privaatrechtelijke rechtshandeling, dus om deze te gaan verrichten staat niet gelijk aan de privaatrechtelijke rechtshandeling. Handelt het bestuursorgaan ter uitvoering van een bestuurlijke plicht in het algemeen belang, gefinancierd uit de algemene middelen of ten behoeve van het genereren van inkomsten voor de gemeente als democratische gemeenschap, dan is de beslissing daartoe over te gaan een besluit met rechtsgevolg, publiekrechtelijke rechtshandeling. De Memorie van Toelichting op de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) stelt duidelijk: “Van de privaatrechtelijke rechtshandeling moet echter worden onderscheiden de beslissing tot het aangaan van de rechtshandeling, zoals die op grond van publiekrechtelijke voorschriften moet worden genomen. Men denke aan de beslissing van de gemeenteraad tot het aangaan van een geldlening, die voorafgaat aan de door de burgemeester namens de gemeente te sluiten overeenkomst.

Die beslissing is een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht.” “De Algemene wet bestuursrecht volgt niet de «oplostheorie» van de Afdeling rechtspraak [t.t.v. de Wet 8

AROB, AJvdV], zodat onder het begrip «besluit» ook die rechtshandelingen van bestuursorganen vallen, die betrekking hebben op het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden, maar daarmee niet samenvallen. Voor dit wetsvoorstel heeft dat tot gevolg, dat beslissingen tot goedkeuring of tot vernietiging van een privaatrechtelijke rechtshandeling van andere bestuursorganen, of tot het vaststellen van een beleidsregel over dergelijke rechtshandelingen, besluiten in de zin van artikel 1:3 zijn.” De wet Administratieve Rechtspraak Overheids Beschikkingen (AROB) was de rechtsvoorganger van de AWB. De Algemene Wet Bestuursrecht is algemener, heeft op het gehele bestuurshandelen betrekking, ook op de mogelijkheid om een besluit van algemene strekking voor de bestuursrechter aan te vechten.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9856242/1