Raadsadres jeugdbescherming
Tekst van het document
Onderwerp:Onafhankelijk wetenschappelijk geïnformeerde politici en duur aanmodderen in diagnostisch-ònbevoegde jeugdzorg? Datum:Thu, 27 Jan 2022 11:00:04 +0100 Van:Xxxxxx Antwoord-naar:Xxxxxxx Organisatie:AZF Aan: Xxxxxxxx Geachte B&W, volksvertegenwoordigers, In de pers zijn redelijke opmerkelijke artikelen te vernemen over wat wringt bij de jeugdbescherming, ook door Defence for Children, èn de afleidende, goedpratende propaganda die de jeugdzorglobby daarop verspreidt. In De Hofbar (https://www.youtube.com/watch?v=ZqrberM5Jds) komt een voorgaande minister aan het woord.... En ja, ook een stukje van wetenschapper xxxxxx en juristen staan er in. De minister erkent dat hij zijn oor laat hangen naar wat de duurbetaalde doch gepolariseerde jeugdzorglobby influistert. Zo kom je nooit aan de onafhankelijke wetenschappelijke analyses, die hoger op de ladder der onderzoekshiërarchie staan. De jeugdzorgpropaganda veroorzaakt bij pers, politici en kinderrechters een cognitieve dissonantie. Uìt de confirmation bias stappen is dan lastig, en dan zou er niets verbeteren. Men moet de propaganda doorzien: Waar de jeugdbescherming tot 75%, naar woorden van prof. Jo Hermanns, minder kinderen binnen zou halen,en dan nog maar KORT, zijn er niet meer geld en meer pleeggezinnen nodig, doch minder.
Waar er aan terugplaatsing wordt gedaan door deskundigen, die wel therapeutisch bevoegd zijn, méér dan SKJ-geregistreerden, zullen er veel minder kinderen in de dure, aanmodderende drang- en dwangzorg zitten. Waar de gezinsvoogdij de juiste communicatietechniek zou gebruiken, zijn er minder ouders geëpateerd, wat de ondeskundigen zien als agressief. Opvallend was dat prof. Xxxxxxx jeugdzorgacademie bij bureau jeugdzorg heeft gehouden met uitleg hoe de gezinsvoogden wel en hoe niet zouden moeten communiceren, om effectief te zijn. Maar opvallend is dat het aantal klachten over bejegening daarna juist opliep. De jeugdzorgwerkers hebben het kennelijk averechts begrepen, en dat melden ouders ook, die afgedreigd worden, angst wordt aangejaagd, zonder voorlichting ter voorkoming van een dure maatregel. Waar de jeugdzorgwerkers hun geweten mogen volgen, geen 'productie-draaien' wordt opgedrongen, zal er minder verloop zijn van personeelsbezetting. De werkdruk zal verminderen wanneer er vòòr een ingrijpende maatregel een diagnostische nul-meting wordt gedaan: dan ligt er reeds een diagnostisch verantwoord plan van aanpak (PvA) wat werk bespaart, en effectiever zal zijn. Waar de jeugdzorg een indicatieve 'zorg' vermoedt, dient op een indicatie een diagnose
met preventieve, inhoudelijke voorlichting te volgen. Mèt een nul-meting kan er beter toezicht worden gehouden, èn de rechter kan naar lid 4 van BW1:255 veel concreter noteren waaraan gewerkt dient te worden zodat er wat meer rechtszekerheid komt voor ouders. Nu zijn de beweringen over ongedefinieerde 'onveiligheid' (dat niet in de wet staat) en vage 'zorgjes' te weinig concreet en aangetoond om ten gunste van het kind op niveau van kinderrecht IVRK art. 24 lid 1 en art. 25 bij verlengingen verweer te kunnen voeren, hetwelk oud-advocaat duidelijk omschreef in https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/meer-prinsen : "Jeugdzorg is niet weerlegbaar". Er gaan miljarden naar jeugdzorg in plaats van jeugdgezondheidszorg. De jeugdspecialisten (met hogere beroepsregistraties zoals NVO-orthopedagoog, of BIG-arts/-psychiater) lopen door de bureaucratie van decentralisatie weg, zodat die hoge kennis verdwijnt, en niet binnen een decennium terug te halen valt. Verwar dit niet met jeugdzorgprofessionals, die even diagnostisch bevoegd zijn als professionele slagers en monteurs. Ook volwassenen kiezen, indien een operatie zich aandient, voor een gespecialiseerd chirurg, en niet voor een 'professional' uit welk ander dan het medisch domein.
De politiek laat het al decennia over aan deze (niet-deskundige) 'professionals' in de jeugdzorg, waarover wetenschappelijk geschreven is: https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/wetenschap-tegen-jeugdzorg-1 (Proefschrift xxxxxx, 2018) of bijv. https://vechtscheidingen.jimdofree.com/wetenschap/mythen-bijjeugdzorgmeten/ (meerdere deskundigen). Er valt dus wat te bezuinigen wanneer de jeugdbescherming op 25% gaat zitten ten aanzien van wegplaatsingen van één of beide ouders. (https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/politiek-en-jeugdbescherming). En waar politie of de scheidingsrechter een signaal van scheiding herkent, is het niet veel goedkoper om die ouders dírèct de training van Villa Pinedo aan te bieden ( https://training.villapinedo.nl/ ); en daarna is het toch veel beter te meten welke mentale keuze elk der ouders heeft gemaakt?! Met de kennis uit die training kunnen ouders de tips volgen ten gunste van het geliefde kind, of aantonen dat hun psyche de wraak laat prevaleren op de uitstraling naar het ontvankelijke kind met voor hem nieuw twee huizen. € 90,~ voor een training van Villa Pinedo... of € 90.000 voor het eerste jaar OTS+UHP? Internist xxxxxx vond met meta-analyse (hoog op de ladder der onderzoekshiërarchie) dat het wegplaatsen van kinderen ernstig schadelijk ìs.
(https://www.youtube.com/watch?v=_88sGsV0sPk of https://jeugdzorgwetenschap.jimdosite.com/dwangzorg-schaadt/). Dit komt overeen met de zeer grote controlegroep-studies van Joseph J. Doyle (https://jeugdbescherming.jimdofree.com/kwaliteit/meer-doyle-wetenschap/) die ook hoog in de onderzoekshiërarchie staan. Ik hoop dat er interesse is voor de bijna 95.000 betroffen OTS-ouders, en dus voor al die kinderen (en vergeten we al hun familie en vrienden?).
Andere informatie om de lage kwaliteit van ook therapeutischònbevoegde jeugdzorg te scheiden van de effectieve en bevoegde (jeugd)gezondheidszorg: Het verwonderd ouders dat de hele keten van jeugdbescherming, kinderrechters en zelfs politici wel van o.a. de AZF (AdoptieZaken & Familierecht) recente onafhankelijke wetenschappelijke inzichten hebben ontvangen, met waar het in de jeugdzorg (dat geen jeugdgezondheidszorg is) te vaak mis gaat. Dit zouden rechters toch moeten willen weten om een goede afweging te maken? Het wegplaatsen van een kind, weg bij één of beide ouders (en vaak dan ook weg bij familie) blijkt uit divers opgezette wetenschappelijk onderzoek vaak schadelijker te zijn voor de ontwikkeling van de opgroeienden dan de beschermingsmaatregelen. Nergens in jeugdbeschermingsrapportages wordt deze afweging gemotiveerd. Vaak blijft het bij een vage bewering die als beschuldiging op de ouders wordt gelegd. Dat gaat ten koste van het kind. En ten koste van artikel 24 lid 1 IVRK. Beweringen zijn geen diagnoses. Rechtspreken op basis van beweringen is speculeren. Ook bij enkel OTS worden ouders vaak afgedreigd door de 'jeugdzorg'. "U moet ons gehoorzamen, anders wordt uw kind uithuisgeplaatst." Er wordt geen inhoudelijke uitleg verstrekt wat ouders inhoudelijk zouden moeten doen op de vermeende bedreiging voortvarend te doen oplossen. Mr.
Xxxxxxx schreef o.a.: https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/meer-prinsen over hoe de ouders geen inhoudelijk verweer kunnen voeren om hun kind te beschermen tegen de wetenschappelijk vastgestelde te grote kans op schade. Alle AMHK's, RvdK, en G.I.'s hebben reeds in 2018/2019 van de AZF een eerste brief verkregen om tot implementatie te komen. Dat zou zelfs als consequentie hebben dat de werkdruk verlaagd wordt, met minder kinderen in beschermingsmaatregelen. Ook vorig jaar kreeg de keten, maar ook enige rechtbanken t.a.v. kinderrechters, bijgaand rapport. Nu Joseph Doyle sinds 2007 in 2019 een definitief wetenschappelijk rapport heeft geschreven (https://jeugdbescherming.jimdofree.com/kwaliteit/meer-doylewetenschap/) dat hoog staat in de onderzoekshiërarchie, met een zeer representatief aantal (van tigduizenden) kinderen, die op de nominatie stonden uithuisgeplaatst te worden, en waarvan een deel random wel thuis mocht blijven met passende hulp, blijkt wel dat depressies, suïcide, tienerzwangerschappen, crimineel gedrag in deze valide controlegroep thuis veel minder voorkomt dan de wel uithuisgeplaatsten. Ook prof. xxxxxxx vond dit in Zeeland en sprak op TV dat het aantal UitHuisPlaatsingen wel naar maar 25% kon dalen en dan nog maar kòrt uithuisplaatsen (en werken aan terugplaatsen met specialisten).
Hoe komt het dat Nederlandse rechters dit niet willen weten? Hoe komt het dat zij hierover geen kennis nemen om goed af te wegen, ook volgens de uitspraak van de CRvB in LJN BD1113, als kinderrechter ook als bestuursrechter te controleren?! Het negeren van rechterlijke uitspraken die niet naar de zin zijn van 'jeugdzorg' herkennen veel OTS-ouders, lid van de sociale media, maar ook pedagogen en
advocaten heel goed. Het komt me voor dat bij jeugdbeschermingsrechtszaken er nog meer aan een beleidsstructuur wordt vastgehouden: dat de 'professional' het wel weet; maar ook de slager is professional..... (Slagers zijn ook niet goed in opereren). Vele rechters weten niet dat de gedragswetenschappers slechts met SKJ zijn geregistreerd, en zij onbekend blijven voor de gezinnen; naar de beroepscode die eigenlijk bij gedragsdeskundigen horen, dienen ze zèlf het cliëntsysteem te zíén en onderzoeken. Dat gebeurt zelden. Zij gaan af op wat een diagnostisch-ònbevoegde jeugdzorgwerker kàn en wìl doorgeven, en daarbij bedenken we wat xxxxxxx in haar proefschrift schreef over afgaan op eigen jeugdervaringen van de jeugdzorgwerker (die niet door niets die studierichting koos; https://vechtscheidingen.jimdofree.com/wetenschap/mythen-bijjeugdzorgmeten/). Hoe komt in die keten de attitude met cognitieve dissonantie (https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/berndsen-pedagogische-kennis) waar het om kinderen en niet om kindobjecten moet gaan? |
En een analyse n.a.v. een discussie tussen advocaten en orthopedagogen:
"Codificeren èn passend diagnosticeren bij
kinderbeschermingsmaatregelen": Het proefschrift van xxxxxx, “Leren van het verleden voor het heden”, een dossierstudie naar de rechtvaardiging van jeugdbescherming in de praktijk {van de jeugdbescherming zelf}, 23 november 2020, Utrecht, geeft gaten aan in hoe een beschermingsrapportage tot stand komt. De recente wetenschappen over het negeren en ‘niet-afwegen’ van de schadende kant van beschermingsmaatregelen voor het kind tegenover de vermeende bedreigingen (BW1:255 lid 1) die de hele jeugdbeschermingsketen bekend is geworden, zijn nog steeds niet geïmplementeerd. We mogen – om verdere schade te voorkomen – derhalve verwachten dat deze gaten voortvarend gedicht zouden moeten worden ter voorkoming van “institutionele kindermishandeling” die bij het negeren vaak veroorzaakt kan worden door de jeugdbescherming. Daarbij refereren we aan arresten inzake Strand Lobben en andere ouders versus Noorwegen, in gelijk handelen van de jeugdbescherming als in Nederland, vanuit het ervaren van het kind gedacht.
De wetgeving in BW1:255, 265b en 266, maar mogelijk ook Rv149 en Jw3.3, geven te weinig houvast aan ouders om op vage, niet-aantoonbare beweringen het belang van hun kind op het niveau van kinderrecht IVRK24 lid 1 te kunnen verdedigen. De jeugdbeschermingsketen verweert zich al te vaak tegen verzoeken van ouders om tot een hoogwaardig meten te komen. Punten die falen: -
In beschermingsverzoeken wordt zelden of niet bewezen dat ouders aantoonbaar en inhoudelijk brede preventieve voorlichting hebben verkregen; vaak wordt beweerd dat ‘alle hulp heeft gefaald’ zònder bewijs. Ouders mogen verwachten dat dit aantoonbaar is en op het niveau van ‘onbezwaarde toegang tot de gezondheidszorg die passend is bij de zorgen’ (naar de tweede volzin van IVRK24.1) om aan rechtszekerheid te mogen doen.
-
De ‘vooraf verkregen hulpverlening’ wordt niet gespecificeerd met de beroepsregistraties daarbij, zodat het niveau niet te meten valt voor een kinderrechter.
-
Evenmin wordt bewezen of die hulpverlening verband hield met de beweerde zorgen aangaande de ‘ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind’, waar de jeugdbescherming vaak volstaat met het beweren van “onveiligheid”; “onveiligheid” is niet eens gecodificeerd in genoemde wetsartikelen. Zo verwordt het cliché tot een vage bewering waaraan geen houvast voor verweer kan plaatsvinden.
-
De beweerde bedreigingen in de jeugdzorgrapportages dienen in mate van bedreiging afgewogen te worden tegen de wetenschappelijk feitelijk vastgestelde schadelijke contra-indicaties van een maatregel.
-
Evenmin wordt concreet gemaakt (met het oog op lid 4 van BW1:255) hoe die vermeende bedreiging moet worden afgewend. Ook hier blijven ouders in vage beweringen achter, te vaag om er iets zelf aan te kunnen doen. Zo heeft de G.I. alle ruimte om aan vertragingstactiek te doen, want ook het “voortvarend oplossen van de bedreiging” als taak bij een OTS schijnt zelden bewezen en aangetoond te moeten worden bij een rechter.
Hoe moet er gemeten worden om bewijs te kunnen leveren? Bij codificatie over wat als ‘ernstige bedreiging’ zou moeten worden gezien, kunnen de jeugdbeschermers van alles beweren. De diagnostisch-ònbevoegde rechter heeft geen houvast zonder een bij de ‘zorg’ passende specialist te raadplegen, ook om toe te zien dat er aan gewerkt is en wordt tijdens de OTS. Codificatie is nodig in de bewijslast van de jeugdbescherming. Anders kan er geen verweer komen door ouders waar dat nodig blijkt te zijn. Bij het beweren dat ouders hulp hebben verkregen dat niet werkte (BW1:255 lid 1) of de ouders wel preventief inhoudelijk en breed zijn voorgelicht en werkelijke werkende,
passende hulpverlening hebben verkregen (en niet een hele reeks niet passende hulpverleners), zou de jeugdbescherming bewijs dienen te leveren mèt de beroepsregistratie en specialisaties vermeld, en een diagnostisch rapport daarover. Wanneer een diagnose vereist is voor een machtiging jeugdbeschermingsmaatregel, dan zijn financieel van de jeugdbescherming afhankelijke ketenpartners uit den boze. De financiële ‘perverse prikkel’ waar kinderombudsman Marc Dullaert het in 2013 over had (Pagina 93 in “Is de zorg gegrond?”) is inhoudelijk nog steeds niet opgelost door de politiek. In de codificatie is dus nodig dat dit zo geregeld wordt dat de specialisten geen afhankelijkheid hebben aan de beschermingsketen. Onderzoeksvragen vanuit de keten mogen niet sturend of beperkend zijn opgesteld, en liefst aantoonbaar in overleg met de ouders (en specialist) zijn opgesteld. De onzin van ‘aanvaardbare termijnen’ moet verdwijnen. Met passende specialisten kan er ook aan derde opvoeders gehecht worden, en daartoe beoogd BW1:262 lid 3: “De gecertificeerde instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige.” Ook bij uithuisplaatsing. Daarbij is voor jonge kinderen een omgang nodig van drie dagdelen per week als minimum. Dat zijn allemaal punten om te codificeren, om de rechter houvast te geven, en daarmee de ouders.
Bij codificeren is ook nodig dat er een bij de ‘zorg’ passende specialist gevonden wordt. Bij hechting een hechtingsdeskundige en -therapeut. Bij twijfel over de opvoedvaardigheden is feitelijk vooraf reeds een video-interactiebegeleiding (VIB) met voorlichting en nabespreking met de ouders nodig door een orthopedagoog-generalist. Dus er kan een diagnostisch rapport zijn gemaakt, ook over de voortgang of weigerachtigheid bij één ouder. Bij verwaarlozing tevens een tijdelijke hulp in de huishouding om structuur aan te (laten) leren. Bij scheiding moet in zo vroeg mogelijk stadium, ver voor een maatregel, reeds de ouders de internettraining van Villa Pinedo zijn verstrekt mèt de voorlichting dat daarna beter gemeten kan worden welke keuze elk der ouders heeft gemaakt ten dienste van dat ontvankelijke kind. Enz. Er zijn dus feiten nodig, zwart op wit. En er moet aan voorwaarden van kwaliteit gedaan worden, aantoonbaar. De specialisten moeten naar hun beroepscode werken (en die ook vermelden), en zijn dan dus ook tuchtrechtelijk aan te spreken; nu zijn gedragswetenschappers buiten hun
code aan het adviseren zonder het cliëntsysteem zèlf te zien en te onderzoeken, uitgaande in advies op wat een diagnostisch-ònbevoegde kan en wil doorgeven in een MDO, met alle sturing die deze zich daarbij meent te mogen veroorloven. Ouders zien nu geen deskundigen. Ook moet gecodificeerd zijn dat de ouders alle stukken in dossier, ook de werkaantekeningen die gebruikt zijn in het MDO, en welke tot een besluit hebben geleid, alsmede het stuk uit AVG30 wat eens contactjournaal heette, regelmatig aangevuld, verkrijgen, vèr vòòr de rechtszittingen. Deze stukken dienen voldoende concreet te zijn, wars van vage termen of met volgbare uitleg in de voetnoten. Meten middels echte diagnostiek met voorlichting is onontkoombaar om onwaarheden buiten de rapportages te houden. Sfeertekeningen om ouders te demoniseren zijn geen waarheden en horen in de rechtsvinding niet thuis, ook al heeft het civiel te zijn. Het gaat te vaak om gijzeling van het kind zonder afweging van wat de recente wetenschappen zeggen over de werking van een beschermingsmaatregel. |
B&W: Alle B&W's hebben in 2013 al een waarschuwende brief verkregen over de ongebreidelde kosten door jeugdbescherming in te kopen: https://jeugdbescherming.jimdofree.com/ (brief). Inkoopcontracten moeten ook voorwaarden en ontbindingen kennen t.a.v. effectiviteitsonderzoek dat niet enkel geschiedt op het axioma dat de jeugdbescherming valide zou meten, want wetenschappelijk bewijs ligt er dat de jeugdbescherming niet valide meet en dan ook nog niet graag wenst terug te plaatsen en ouders preventief voor te lichten ter voorkoming van een dure aanmodderende beschermingsmaatregel, die vaak schadelijk blijkt en voor gevolgkosten zorgt. De propaganda vanuit de jeugdzorg overstijgt níét de diagnostieke wetenschappen! Conclusie: Jeugdzorg is geen zorg, en lijkt niet wat het schijnbaar lijkt. Het is geen maatschappelijke gezondheidszorg en zorg die uit diagnostiek voortvloeit. -Met vriendelijke groet, xxxxxxxx AdoptieZaken & Familierecht (AZF) xxxxxxxx - Bijlagen