Raadsadres inzake verdwijning voorzieningen buurtsupermarkt
Tekst van het document
Onderwerp: Verdwijning buurtsupermarkt Rapenburg 89 – aantasting van een inclusieve en leefbare stad door cumulatief beleid Geachte leden van de gemeenteraad, Met dit raadsadres vraag ik uw aandacht voor de sluiting van de SPAR-supermarkt aan Rapenburg 89, te Amsterdam, en de bredere vraag wat dit betekent voor de sociale en inclusieve stad waar Amsterdam voor zegt te staan. Deze ontwikkeling raakt niet alleen één winkel, maar de kern van de vraag: voor wie is de binnenstad nog toegankelijk en leefbaar in het dagelijks leven?
Een basisvoorziening verdwijnt uit de stad De supermarkt op Rapenburg 89 vervulde een belangrijke sociale functie in de buurt. Bewoners, studenten en werkenden uit omliggende kantoren maakten dagelijks gebruik van deze plek voor betaalbare boodschappen en eenvoudige lunchvoorzieningen. Voor veel mensen is dit precies wat een inclusieve stad moet bieden: voorzieningen op loopafstand, zonder drempels, zonder hoge prijzen en zonder afhankelijkheid van exclusieve horeca of bezorgplatforms. Het verdwijnen van deze supermarkt is daarmee geen neutrale marktontwikkeling, maar een verslechtering van de dagelijkse leefbaarheid in de binnenstad.
Ongelijkheid in de stad wordt concreet zichtbaar Het wegvallen van dit type voorziening raakt niet iedereen gelijk. Het treft vooral: ouderen die afhankelijk zijn van nabijheid mensen met een kleinere portemonnee werkenden zonder kantine of thuiswerkruimte bewoners van de binnenstad zonder auto of ruime keuken Juist deze groepen staan centraal in het stedelijke beleid van GroenLinks/PvdA-gericht Amsterdam: een stad die inclusief, sociaal en toegankelijk moet zijn.
Maar in de praktijk zien we een tegenovergestelde beweging: dagelijkse voorzieningen verdwijnen, terwijl de stad steeds meer ingericht raakt op hogere bestedingskracht, toeristische consumptie en kantoorfuncties.
Gemeentelijk beleid als versterkende factor Deze ontwikkeling kan niet los worden gezien van gemeentelijk beleid, met name binnen het omgevingsplan en het horecakader van de gemeente Amsterdam. In deze regelgeving wordt sterk gestuurd op het beperken van “directe consumptie” en “additionele horeca binnen detailhandel”, vooral in het centrum en gemengde gebieden. Hoewel deze regels bedoeld zijn om verrommeling en toeristische overbelasting tegen te gaan, hebben ze in de praktijk een onbedoeld effect: ze maken het voor buurtgerichte supermarkten moeilijker om zich economisch te onderscheiden en in te spelen op lokale vraag, zoals betaalbare, snelle lunchvoorzieningen. Hierdoor wordt een hybride buurtfunctie — supermarkt én sociale ontmoetingsplek in het dagelijks ritme van werkenden en bewoners — steeds moeilijker houdbaar.
Van buurtvoorziening naar kantoorfunctie Een extra zorgwekkend signaal is dat het pand Rapenburg 89 momenteel wordt aangeboden als kantoorruimte. Dit illustreert een bredere trend in de binnenstad: waar publieke of laagdrempelige voorzieningen verdwijnen, komt vaak een meer kapitaalintensieve functie terug die minder bijdraagt aan het dagelijkse leven in de buurt. Dit is precies de vorm van “stille verdringing” waar veel Amsterdammers zich zorgen over maken: de stad blijft fysiek hetzelfde, maar de sociale toegankelijkheid verschuift.
Spanningsveld: gereguleerde stad versus leefbare stad Het is begrijpelijk dat de gemeente wil sturen op balans in de binnenstad en overtoerisme wil beperken. Maar de huidige uitwerking van beleid lijkt onvoldoende onderscheid te maken tussen: toeristische consumptie-industrie
en essentiële buurtvoorzieningen Daardoor ontstaat een spanningsveld waarin beleid dat bedoeld is om de stad leefbaar te houden, juist bijdraagt aan het verdwijnen van die leefbaarheid in het dagelijks bestaan.
Verzoek aan de gemeenteraad Ik verzoek de gemeenteraad daarom om: 1. Een sociale effectentoets op het huidige omgevings- en horecabeleid, specifiek gericht op toegang tot dagelijkse voorzieningen. 2. Herijking van de regels rondom directe consumptie en additionele horeca binnen winkels, met ruimte voor buurtgerichte functies. 3. Expliciete borging van basisvoorzieningen als publieke stedelijke infrastructuur, vergelijkbaar met zorg, onderwijs en openbaar vervoer in hun maatschappelijke waarde. 4. Actief tegengaan van beleidsmatige prikkels die leiden tot verdringing van buurtfuncties door kantoor- en investeringsvastgoed. Amsterdam kan alleen een sociale en inclusieve stad blijven als niet alleen wordt gestuurd op grote beleidsdoelen, maar ook op de kleine dagelijkse infrastructuur die het leven van mensen mogelijk maakt. Een stad is pas echt inclusief als je er ook voor een betaalbare lunch of dagelijkse boodschappen nog gewoon terecht kunt — op loopafstand. Met vriendelijke groet, XXXXXXXXXXXXXXXXXXX Amsterdam