Raadsadres herziening Referendumverordening.pdf
Tekst van het document
Aan de Gemeenteraad van Amsterdam t.a.v. de Commissies AZ en SED per site-mail en email 25-5-2025 Betreft: herziening Referendumverordening
Geachte Raad, Met het referendum over de HoofdGroenStructuur HGS is het vorig jaar vreselijk mis gegaan, in de 1e plaats door de vraagstelling zoals die aan de bewoners / stemmers is voorgelegd. De initiatiefnemers en u wilden de vraagstelling toesnijden op de politiek-bestuurlijke afwegingen waar de Raad voor stond maar volgens de Referendumcommissie was dit niet mogelijk, de Referendumverordening verplicht tot de formeel-abstracte standaard-vraag Bent u voor of tegen het ontwerpraadsbesluit . . . . . . Zo krijgen de bewoners / stemmers niet goed voorgelegd waarover het gaat, weten de bewoners niet waartegen ze ja of nee zeggen en weet uw Raad niet hoe de bewoners denken over de afwegingen die u moet gaan maken. Kortom, nu juist op thema’s die blijkens een referendum-initiatief maatschappelijk en dus ook politiek-bestuurlijk omstreden zijn leidt de referendumverordening tot vastlopen van urgente politieke besluitvorming en verspelen van bewonersvertrouwen; hoe groot kan het falen van een referendumverordening zijn. De vraagstelling van een referendum en de referendumkrant zijn een soort van communicerende vaten: naarmate de vraagstelling voor een gemiddelde bewoner / stemmer niet goed is te begrijpen neemt het belang van een deugdelijke referendumkrant toe. Echter, ook op dit 2e cruciale punt schiet de ontwerp-verordening tekort.
In de Commissie AZ van 5-6-2025 en de Raad van 11-6-2025 behandelt u de voorstellen van Referendumcommissie, Griffie en Presidium om herhaling te voorkomen, nader toegelicht met hun brief dd. 19-5-2025. Helaas, de nieuwe verordening en de toelichting ondervangen of weerleggen de gebreken van de huidige verordening niet en op verschillende punten ontstaan nieuwe gebreken. Maar gelukkig, ook die zijn eenvoudig te verhelpen, met inspreek-bijdrage dd. 5-5-2025 heb ik concrete oplossingen aangedragen. Bijvoorbeeld de vraagstelling van de referendums kunt u al goed regelen door in artikel 14 een zinnetje toe te voegen: de vraagstelling van de referendums kan waar nodig worden toegesneden op de politiek-bestuurlijke afwegingen die uw Raad moet gaan maken. Als u de ontwerp-verordening wat betreft de vraagstelling en de referendumkrant niet amendeert koerst u aan op herhaling van het HGS-debacle en doet u er beter aan te stoppen met referendums en te volstaan met intrekking van de huidige verordening.
Aan de hand van de toelichting dd. 19-5-2025 hieronder de oplossingen 2 t/m 13 om herhaling van het HGS-drama te voorkomen en andere gebreken te herstellen; de vraagstelling van de referendums vindt u in paragraaf 3, de referendumkrant in paragraaf 5. In de besluitvorming over de nieuwe verordening valt nog iets anders op: B&W en Burgemeester zijn voor zo ver ik overzie niet betrokken bij de nieuwe verordening, ook niet in adviserende zin. Gezien het HGS-drama en het falen van ontwerp-verordening en te meer omdat de Burgemeester specifiek tot taak heeft om toe te zien op de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie ( Gemeentewet artikel 170 ) heb ik het Presidium in overweging gegeven om dan toch tenminste de Burgemeester om advies te vragen. Hierop kwam nog geen reactie, ook niet in de voordracht en de nadere toelichting dd. 19-5-2025 die nu op de AZ-agenda van 5-6-2025 staan. Sterker nog, die toelichting geeft juist extra reden tot advisering door de Burgemeester, behandeld in paragraaf 6. Omdat de benodigde amendering nauw luistert geef ik u graag in overweging om Presidium en College te vragen om schriftelijk preadvies vóór de Raad 11-6-2025, dan wel te vragen om een herziene ontwerp-verordening, in dat geval te behandelen in de Raad van 9-7-2025. Nadere toelichting geef ik desgewenst graag. Met vriendelijke groet,
Manco’s en oplossingen Hieronder is de nadere toelichting van het Presidium en de Griffie dd. 19-5-2025 in cursief overgenomen en voorzien van weerwoord. De kennelijk nodige amenderingen zijn gemarkeerd .
1. Samenhang tussen de was>wordt-lijst en de voorgestelde nieuwe verordening Presidium en Griffie: Deze omissie is hersteld zoals ook in de vergadering van 8 mei is aangegeven. Voor de goede orde wordt meegegeven was-wordt-lijsten geen onderdeel zijn van het dictum.
Weerwoord: Inderdaad, de was>wordt-lijst maakt geen deel uit van het dictum van de raadsvoordracht. Maar deze formaliteit maakt het grote materiële belang van de was>wordt-lijst niet minder: de raadsleden en ieder ander moeten er op kunnen vertrouwen dat Presidium en Griffie in de was>wordt-lijst de voorgestelde wijzigingen correct & volledig presenteren, Presidium en Griffie mogen er niet van uitgaan dat de raadsleden en ieder ander met de vigerende verordening en de voorgestelde nieuwe verordening een spelletje zoek de verschillen gaan zitten spelen. Dit te meer niet omdat Presidium en Griffie in hun onderbouwing van de voordracht de wijzigingen ten onrechte niet hebben gespecificeerd en nu juist uitdrukkelijk verwijzen naar de was>wordt-lijst. Of de herziene was>wordtlijst nu alsnog de voorgestelde wijzigingen correct & volledig presenteert heb ik niet gecheckt.
2. Raad-gevend en raad-plegend referendum Presidium en Griffie: Tijdens het referendum Hoofdgroenstructuur is meerdere malen door raadsleden en fractievertegenwoordigers de vraag gesteld of er gekeken kon worden naar het opnemen van regels voor het geval de raad initiatiefnemer is van een referendum. De opname van dit instrument komt dus (deels) tegemoet aan eerdere signalen vanuit de raad. Het presidium acht het verstandig om de opname ervan in de verordening te handhaven om zo ook van ervaringen te kunnen leren. Mocht een meerderheid van de raad dit instrument niet van toegevoegde waarde vinden, dan heeft het presidium geen bezwaartegen het schrappen ervan. Het instrument is zodanig in de verordening opgenomen dat het schrappen ervan niet leidt tot onoverkomelijke (uitvoerings)problemen. Het schrappen er van kan met een amendement. De griffie kan hier vanzelfsprekend bij helpen. Weerwoord: Inderdaad, prima idee om de mogelijkheid in te voeren dat de Raad zelf het initiatief tot een referendum neemt. Immers, ook de Raad zelf kan beoordelen welke informatie de Raad mist om tot deugdelijke besluitvorming te komen, zo nodig in aanvulling op een doorlopen participatie-traject. Daarom ronduit onbegrijpelijk op grond waarvan Presidium en Griffie in de brief dd. 19-5-2025 ineens beginnen over een amendement om dit nieuwe instrument van de Raad ongedaan te maken.
Dit nieuwe instrument als zodanig heb ik in de inspreek-bijdrage dd. 5-5-2025 nu juist van harte verwelkomt. Echter, het nieuwe referendum-instrument is in de ontwerp-verordening nog onvoldoende uitgewerkt, met het meest wezenlijke gebrek in artikel 44 lid 3: daarin is het
instrument ten onrechte beperkt tot de initiatief-voorstellen; voor de hand ligt dat de Raad ook een referendum moet kunnen houden over een voordracht van B&W. Presidium en Griffie hebben in de brief dd. 19-5-2025 terecht geen bezwaar gemaakt tegen de op 5-5-2025 aangedragen aanscherpingen a t/m f.
Om deze redenen geef ik u op dit punt graag de volgende amendering in overweging: a. conform artikel 2 lid 4 in artikel 1 de definitie raadplegend referendum toevoegen: raadplegend referendum: een referendum over een ontwerpraadsbesluit dat door de raad wordt ingesteld op voorstel van één of meer raadsleden b. artikel 2 lid 4 aldus wijzigen: Een referendum op initiatiefOp voorstel van één of meer raadsleden kan de raad besluiten tot een raadplegend referendum is mogelijk over een ontwerpraadsbesluit. c. conform artikel 2 lid 4 in artikel 1 de definitie initiatiefnemers als volgt wijzigen: initiatiefnemer(s): de kiesgerechtigden die het initiatief nemen voor een referendum, alternatief burgervoorstel of volksinitiatief, dan wel de raad als de raad heeft besloten tot een raadplegend referendum; d. conform artikel 2 lid 4, artikel 44 lid 3 aldus wijzigen: De Initiatief- en referendumcommissie toetst het initiatiefvoortstelvoorstel om een raadplegend referendum te houden aan de in artikel 3 gestelde uitzonderingen en adviseert of een raadplegend referendum kan worden gehouden. e. de titel van hoofdstuk 3 als volgt wijzigen: Raadgevend Rreferendum over een ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit f. artikel 44 lid 6 aldus wijzigen: De artikelen in hoofdstuk 2, 3 en 7 zijn, voor zo ver van toepassing, van overeenkomstige toepassing.
3. Primaat van de politiek, artikel 14 Presidium en Griffie: In toelichting bij de verordening is hier aandacht aan geschonken. Bij het referendumproces Hoofdgroenstructuur heeft de Initiatief- en referendumcommissie onder meer in de hoorzitting over de vraagstelling van het referendum Hoofdgroenstructuur maar ook in haar advies over de vraag stelling referendum Hoofdgroenstructuur het belang benadrukt van een neutrale vraagstelling om te voorkomen dat de vraagstelling politiek gestuurd/gekleurd wordt. De Initiatief- en referendum commissie heeft ook een aanbeveling gedaan rondom de vraagstelling in de evaluatie referendum Hoofdstructuur. Deze is in de verordening verwerkt door bij elke referendumvorm bij de vraag stelling 'in beginsel' op te nemen. De suggestie die wordt gedaan, is daarmee overbodig.
Weerwoord: Inderdaad, politieke kleuring en partijdigheid van de vraagstelling moet worden voorkomen, evenals politieke kleuring van de referendumkrant. Maar het HGS-referendum is vooral door de onwerkbare vraagstelling mislukt, zowel de initiatiefnemers als raadsleden wilden een vraagstelling die is toegesneden op de voorliggende politiek-bestuurlijk te maken afwegingen maar de vigerende verordening maakt dit onmogelijk. Referendumcommissie, Griffie en Presidium gaan hieraan ten onrechte voorbij, ook in de brief dd. 19-5-2025 bieden ze geen oplossing die herhaling van het HGS-debacle voorkomt. Amendering van artikel 14 is dus allerminst overbodig. Bovendien miskennen Presidium en Griffie dat het risico van politieke of partijdige kleuring in artikel 14 lid 1 is ondervangen door de verplichte en openbare advisering door de Referendumcommissie en doordat de Raad in openbaarheid zelf beslist over de naamgeving en de vraagstelling van het referendum. Om deze redenen geef ik u graag de volgende amendering van artikel 14 lid 3 in overweging: De vraagstelling dient kort en helder te zijn en luidt in beginsel: “ Bent u voor of tegen het ontwerpraadsbesluit respectievelijk voorgenomen collegebesluit (titel van het ontwerpraadsbesluit / voorgenomen collegebesluit) ? ” maar kan worden toegesneden op de politiek-bestuurlijke afwegingen die de raad moet gaan maken.
4. Overstappen tussen referendumvormen Presidium en Griffie: Het verwerken van de aanbevelingen en met name het overwegen van het veranderen / switchen tussen referendumvormen heeft geleid tot veel overdenkingen. Er zijn diverse scenario's doordacht en nagelopen op uitvoerbaarheid. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het mogelijk maken van het over stappen op een andere referendumvorm. Dit is alleen mogelijk van tussen de referendumvormen `referendum' en 'alternatief burgervoorstel'. Het middel om over te stappen is het indienen van een wijzigingsverzoek. Er is bewust gekozen voor de term wijzigingsverzoek omdat het overstappen op een andere referendumvorm betekent dat het inmiddels ingewilligde inleidende verzoek als het ware wordt gewijzigd. De term wijzigingsverzoek dekt daarmee de lading van het middel. De suggestie om de term overstapverzoek te gebruiken geeft wel weer dat er sprake is van overstappen op een andere referendumvorm maar niet dat er sprake is van een wijziging van het (oorspronkelijke) ingewilligde inleidende verzoek en daarom wordt het hanteren van deze term afgeraden omdat deze niet dekkend is.
Weerwoord: Het op 5-5-2025 voorgestelde begrip overstapverzoek is wel degelijk dekkend en waar het begrip wijzigings-verzoek ten onrechte suggereert dat de rit wordt voortgezet brengt overstap-verzoek nu juist wel tot uitdrukking dat de rit eindigt en een nieuwe rit begint. Bovendien is de overstap in de ontwerp-verordening onvoldoende gedefinieerd en geregeld, Presidium en Griffie maken dan ook geen bezwaar tegen de op 5-5-2025 aangedragen aanscherping. Om deze redenen geef ik u op dit punt graag de volgende amendering in overweging: a. overal in de verordening en de Toelichting daarvan de term “ wijzigingsverzoek “ vervangen door overstapverzoek . b. als artikel 28a toevoegen: 1. Indien het overstapverzoek wordt afgewezen kunnen de initiatiefnemers binnen 7 dagen na de afwijzing bij de voorzitter van de raad schriftelijk kenbaar maken of ze het oorspronkelijke referendum-verzoek handhaven dan wel intrekken. 2. Indien de voorzitter van de raad het bericht in de zin van lid 1 niet binnen 7 dagen na de afwijzing van het overstapverzoek heeft ontvangen vervalt het oorspronkelijke referendum-verzoek van rechtswege.
5. Referendumkrant Presidium en Griffie: De Initiatief- en referendumcommissie is geen partij in een referendum en heeft een adviserende taak en houdt toezicht op het proces. Wanneer de Initiatief- en referendumcommissie een melding ontvangt over het proces bijvoorbeeld wanneer een partij in de campagne zich niet juist of onterecht uitlaat, dan neemt de Initiatief- en referendumcommissie hierop vanzelfsprekend actie. Echter dan moet de Initiatief- en referendumcommissie wel meldingen ontvangen. Bij het referendum Hoofdgroenstructuur heeft de Initiatief- en referendumcommissie geen enkele melding ontvangen. Van wege het ontbreken ervan kan de Initiatief- en referendumcommissie niet in actie komen. Kortom de Initiatief- en referendumcommissie kan in actie komen maar pas wanneer er meldingen worden ontvangen hetgeen passend is bij hun toebedeelde taken.
Weerwoord: Helaas, hier geven Presidium en Griffie een onjuiste voorstelling van zaken en missen ze de clou: de Referendumcommissie is nu juist wel een partij, namelijk als externe, onafhankelijke en in het openbaar functionerende adviseur en waakhond / toezichthouder. En in tegenstelling tot wat Presidium en Griffie in de brief dd. 19-5-2025 willen doen voorkomen is over de krant van het HGS-referendum voorafgaand aan het referendum nu juist wel een klacht ingediend, met deze ontvangstbevestiging
“ De initiatief- en referendumcommissie neemt uw klacht in behandeling omdat de initiatiefen referendumcommissie de tekst van de referendumkrant voor verspreiding heeft gezien en dus (mede) verantwoordelijkheid hiervoor draagt. “
Niet goed valt in te zien waarom / waartoe dit in de nieuwe verordening anders zou moeten zijn. Naast deze klacht zijn ook vanuit uw Raad bedenkingen tegen de HGS-krant geuit. Bovendien is de Referendumcommissie nu juist helemaal niet afhankelijk van klachten of meldingen, de commissie kan en moet waar nodig ook op eigen initiatief in actie komen. Hoe één & ander ook zij, de krant is een cruciaal instrument om de bewoners bij de voorliggende politiek-bestuurlijke besluitvorming te betrekken. De vraagstelling van het referendum en de krant zijn hierbij een soort van communicerende vaten, naarmate het moeilijker is om de voorliggende politiek-bestuurlijke afwegingen in de vraagstelling te vatten neemt het belang van de krant toe. Dit alles maakt dat de krant aan de hoogste eisen moet voldoen en dat de rol van de Referendumcommissie daarbij klip & klaar moet zijn. Presidium en Griffie voeren dan ook geen enkele reden aan waarom ze in de taken van de Referendumcommissie een uitzondering willen maken voor de inhoud / redactie van de referendumkrant. Om deze redenen geef ik u op dit punt graag de volgende amendering in overweging: a. conform het vigerende artikel 5 lid 1-f artikel 6 lid 1 als volgt wijzigen: De Initiatief- en referendumcommissie heeft tot taak de raad en het college te adviseren over: (.......) i.
de referendumkrant als bedoeld in artikel 43, waaronder de vraag of de concept-krant is toegesneden op de door de raad te maken politiekbestuurlijke afwegingen; b. conform het vigerende artikel 5 lid 1-f de Toelichting op artikel 43 als volgt wijzigen: De Initiatief- en referendumcommissie houdt toezicht op het gehele referendumproces ter borging van de objectiviteit en onpartijdigheid van de informatie. De Initiatief- en referendumcommissie brengt dus geen advies uit over de redactie van de referendumkrant.
6. Uitzonderingen, besluiten waarover geen referendum kan worden gevraagd Presidium en Griffie: De betreffende woorden zijn toegevoegd omdat bij het referendum Hoofdgroenstructuur er vanuit de raad signalen zijn ontvangen om afhankelijk van de situatie de mogelijkheid te hebben om een nuance te kunnen aanbrengen. Door de toevoeging 'in ieder geval' wordt hieraan tegemoetgekomen. De Initiatief- en referendumcommissie zal in haar advisering de uitzonderingen betrekken. Het primaat van besluitvorming is te alien tijde aan de raad.
Weerwoord: Helaas, deze voorstelling van zaken klopt niet, de door Referendumcommissie, Griffie en Presidium voorgestelde wijziging is géén nuance maar de introductie van een open eind regeling, in die zin dat de Raad, volgens het Presidium “ afhankelijk van de situatie “ ineens nieuwe uitzonderingen kan invoeren waardoor een referendum situatie-gestuurd ineens onmogelijk wordt gemaakt. Kortom, het ontwerp-artikel 3 lid 2 is een soort van blanco cheque, een open deur naar bestuurlijke willekeur en gelegenheidspolitiek en inbreuk op de beginselen van kenbaarheid & zekerheid van het recht. In de vigerende verordening heeft uw Raad de uitzonderingen dan ook niet voor niks limitatief geformuleerd zodat voor een ieder bij voorbaat klip & klaar is waarover een referendum mogelijk of onmogelijk is. Wel kan de Raad via nieuwe wijziging van de verordening om welke reden dan ook nieuwe uitzonderingen toevoegen en de Referendumcommissie kan daartoe gevraagd of ongevraagd adviseren. Maar er is op dit punt ook nog iets anders aan de hand: naar aanleiding van het HGS-referendum zijn er mij onbekende stemmen opgegaan om in de nieuwe verordening een zogenaamde “ noodrem “ in te bouwen waarmee onwenselijk geachte referenduminitiatieven kunnen worden tegengehouden; door Presidium en Griffie is dit behandeld op blz. 3 van hun raadsvoordracht.
Daar geven Presidium en Griffie de geruststelling een dergelijk blokkerings-instrument niet te hebben opgenomen in de ontwerp-verordening. Echter, in hun toelichting dd. 19-5-2025 komt de aap alsnog uit de mouw: het voorgestelde artikel 3 lid 2 strekt er toe om “ afhankelijk van de situatie “ een referendum onmogelijk te maken. Kortom, op dit punt is de voordracht misleidend en de ontwerp-verordening een toonbeeld van willekeur en inbreuk op de beginselen van kenbaarheid & zekerheid van het recht. Naast dit alles stel ik met genoegen vast dat Referendumcommissie, Griffie en Presidium géén voorstel hebben gedaan tot introductie van een nieuwe uitzondering. Om deze redenen geef ik u graag in overweging om de voorgestelde wijziging niet over te nemen en de uitzonderings-bepaling te laten zoals die nu is in de vigerende verordening en artikel 3 lid 2 van de ontwerp-verordening als volgt te amenderen: Van referenda, alternatieve burgervoorstellen of volksinitiatieven zijn in ieder geval uitgezonderd: ( . . . . . . . ).
7. Vaststelling van de uitslag Presidium en Griffie: Het is juist dat met de voorliggende verordening de tekst van de huidige verordening wordt gewijzigd. Hierover heeft de Initiatief- en referendumcommissie in haar evaluatie referendum Hoofdgroenstructuur ook aandacht aan geschonken. De regels in de huidige verordening stuiten op uitvoeringsproblemen. Zo is namelijk niet beschreven wat onder absolute meerderheid moet worden verstaan. De Initiatief- en referendumcommissie is voorstander om voor alle referendumvormen dezelfde vaststelling van de uitslag te hanteren. Uiteraard met elk hun eigen mogelijkheden. Daarbij is enkel relevant hoeveel stemmen voor/tegen (bij een referendum) zijn uitgebracht. Het aantal blanco stemmen en ongeldige stemmen komen (uiteraard) in het proces-verbaal te staan maar is uiteindelijk niet relevant voor de raad bij de besluitvorming over het onderwerp van het referendum.
Weerwoord: Volgens Referendumcommissie, Griffie en Presidium zou voor de Raad bij de besluitvorming over het onderwerp van het referendum enkel relevant zijn hoeveel stemmen voor en tegen zijn uitgebracht, het aantal blanco stemmen en ongeldige stemmen zou voor uw Raad bij voorbaat niet relevant zijn. Echter, het aantal blanco stemmen en ongeldige stemmen kan voor uw Raad zeer wel relevant. Neem bijvoorbeeld de situatie dat bij een referendum een boycot-actie wordt gevoerd met oproep tot blanco of ongeldig stemmen, dan zijn die aantallen stemmen zelfs net zo relevant als de aantallen voor-stemmen en tegen-stemmen. Hierbij stel ik vast dat Presidium en Griffie géén bezwaar aanvoeren tegen de op 5-5-2025 aangedragen wijziging. Om deze redenen geef ik u graag in overweging om artikel 15 lid 1 als volgt te amenderen: Het centraal stembureau stelt vast hoeveel stemmen voor dan wel tegen het ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit zijn uitgebracht dan wel blanco of ongeldig zijn uitgebracht, alsmede het aantal bij volmacht uitgebrachte stemmen, waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
8. Subsidieverlening Presidium en Griffie: De subsidieregeling die in 2023 door de raad is vastgesteld had tot doel om enkel van kracht te zijn voor het referendum Hoofdgroenstructuur. Dit is ook letterlijk verwoord destijds en tot uiting gebracht in de naamgeving door het jaartal op te nemen. Dit is een bewuste keuze geweest namelijk om ervaring op te doen en lessen die hieruit te trekken zijn te verwerken in een aangepaste/nieuwe subsidieregeling. Met het herzien van deze subsidieregeling wordt pas begonnen wanneer deze verordening is vastgesteld. Dit omdat er mogelijk nog wijzigingen kunnen worden voorgesteld die van invloed kunnen zijn op de te maken subsidieregeling. De planning is om deze regeling in Q3/Q4 voor te bereiden en vervolgens het besluitvormingsproces in te gaan.
Weerwoord: Helaas, Presidium en Griffie zijn even vergeten dat ze in 2023 te laat waren met de subsidieregeling voor de activiteiten rond het HGS-referendum en dat dreigt nu weer te gebeuren nu er volgens het Presidium tenminste 2 referendum-initiatieven aanstaande zijn. Bovendien is de wens om ervaring te willen opdoen geen deugdelijke reden om een subsidieregeling slechts eenmalig in te voeren; immers, je kan een subsidieregeling zeer wel voor onbepaalde tijd invoeren en deze wijzigen zodra daartoe om welke reden dan aanleiding ontstaat, bijvoorbeeld opgedane ervaring zoals bij het HGS-referendum. Sterker nog, het HGS-referendum is geweest, niet goed valt in te zien waarom de ervaringen nog niet hebben geleid tot een voorstel van Referendumcommissie, Griffie en Presidium tot al dan niet gewijzigde voortzetting van de subsidieregeling van het HGS-referendum. Hoe dit ook zij, met 2 referendum-verzoeken in aantocht staat uw Raad op dit punt met lege handen en weten ook de initiatiefnemers niet waar ze aan toe zijn. Voorts gaan Presidium en Griffie in de brief dd. 19-5-2025 niet in op de attendering dat het voorstel in artikel 42 lid 4 om de Algemene Subsidie-verordening Amsterdam ASA 2023 niet van toepassing te verklaren op de subsidies voor referendum-activiteiten in strijd is met de term “ nadere regels “ in artikel 42 lid 3.
Bovendien is de subsidieregeling van het HGS-referendum nu juist nog niet geëvalueerd zodat het voorstel van Referendumcommissie, Griffie en Presidium in artikel 42 lid 4 om de ASA 2023 niet van toepassing te verklaren inconsistent, voorbarig en ongegrond is. Nadere regels worden gewoonlijk niet door de Raad maar door B&W vastgesteld. Echter, in dit geval van subsidieverlening voor referendum-activiteiten stellen Referendumcommissie Griffie en Presidium terecht voor om te bepalen dat niet B&W maar de Raad de nadere subsidieregels vaststelt.
Om deze redenen geef ik u graag in overweging om wel of niet toepassen van de ASA 2023 in afwachting van de evaluatie van de subsidieregeling van het HGS-referendum nu in het midden te laten en artikel 42 lid 3 en 4 als volgt te amenderen, met vernummering van lid 5 naar lid 4: 3. De raad stelt met inachtneming van een advies van de Initiatief- en referendumCommissie nadere regels vast voor met onder meer de specifieke voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een subsidie vanvoor campagneactiviteiten en over de uitbetaling ervan. 4. Op subsidies die verstrekt worden op basis van de nadere regels als bedoeld in het derde lid is de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023 niet van toepassing.
9. Afronding van de besluitvorming Presidium en Griffie: Bij het Centraal Stembureau (CSB) kunnen bezwaren worden ingediend en tegen het besluit van het CSB staat een rechtsgang open. In het proces-verbaal wordt melding gemaakt van eventuele bezwaren. Voorgaande is de reden voor het hanteren van de term onherroepelijk. Ter informatie wordt meegegeven dat bij het afgelopen referendum Hoofdgroenstructuur bezwaren waren ingediend bij het CSB en die heeft het CSB ter zitting ongegrond verklaart. Door bezwaarden zijn verder geen rechtsmiddelen ingezet en daarmee is er sprake van onherroepelijkheid. Verder is het aan de raad om te besluiten om al dan niet tot hertelling over te gaan. Logischerwijs zal dit besluit genomen worden naar aanleiding van de uitspraak of de stemming op wettige wijze is geschied maar volgens de wet (naar analogie aan gemeenteraadsverkiezingen) hoeft dit niet. Er is gekozen om zo dicht mogelijk bij de wet te blijven met deze bepaling. In de voorliggende verordening is er geen mogelijkheid opgenomen voor de raad om tot herstemming over te gaan. Dit is bij gemeenteraadsverkiezingen wel mogelijk maar dus niet mogelijk gemaakt bij referenda. Het zomerreces duurt in Amsterdam geen twee maanden. De laatste raadsvergadering voor het reces is in juli en de eerstvolgende weer in september.
Kortom de termijn van twee maanden is uitvoerbaar en komt ook niet uit de lucht vallen. Tijdens het referendum Hoofdgroenstructuur was een veel gehoorde klacht dat de huidige verordening veelal verwees naar procedures van de raad terwijl er geen duidelijke termijnen waren opgenomen. Hierdoor was het voor een leek vaak niet duidelijk wanneer iets in besluitvorming zou kunnen of moeten komen. De voorliggende verordening is er juist op gericht om termijnen te verduidelijken.
Weerwoord: De in artikel10 lid 1 voorgestelde term “ onherroepelijk vaststaan “ dat geen referendum wordt gehouden motiveren Presidium en Griffie met verwijzing naar de kieswet. Inderdaad, wat betreft de uitslag van het referendum moet de terminologie van de kieswet worden gevolgd. Echter, de uitslag
van een referendum en eventuele procedures tegen de uitslag zijn totaal iets anders dan een besluit van de Raad om wel of geen referendum te houden. Op dit punt overnemen van de terminologie van de kieswet is dus ronduit ongewenst. Over de beslistermijn na een referendum zeggen Presidium en Griffie in de brief dd. 19-5-2025 terecht dat die voor een ieder bij voorbaat klip & klaar moet zijn. Echter, deze evaluatie-conclusie dat de beslistermijn duidelijk moet zijn zegt niks over de lengte van de beslistermijn. Wel nu, afgezien van het zomerreces zal de beslistermijn die Presidium en Griffie voorstellen vast wel voldoende zijn maar niet altijd. Bijvoorbeeld niet als een referendum kort voor het zomerreces door de Raad wordt afgeblazen of een referendum kort voor het zomerreces wordt gehouden. Dit te meer niet omdat ook B&W en ambtelijk apparaat met zomerreces gaan en de Raad kan besluiten tot hertelling van de stemmen. Ook een besluit tot hertelling van de stemmen kan evident niet zonder beslistermijn; met genoegen stel ik vast dat Presidium en Griffie in de brief dd. 19-5-2025 geen bezwaar maken tegen de op 5-5-2025 in artikel 15 lid 4 aangedragen termijn.
Om deze redenen geef ik u graag de volgende amendering van artikel 10 lid 1 en artikel 15 de leden 3, 4 en 5 in overweging: a. artikel 10 lid 1: Wanneer een inleidend verzoek wordt ingewilligd, wordt de besluitvorming over het ontwerpraadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, dan wel het voorgenomen collegebesluit waarop het verzoek zich richt, aangehouden tot maximaal twee maanden nadat het referendum heeft plaatsgevonden dan wel tot onherroepelijk vaststaat dat geen referendum wordt gehoudenna de raadsvergadering waarin is besloten dat geen referendum wordt gehouden, dan wel tot maximaal twee maanden na de eerste raadsvergadering nadat de uitslag van het referendum onherroepelijk is komen vast te staan. b. artikel 15 lid 3: De raad doet op basis van het door het centraal stembureau vastgestelde proces-verbaal een uitspraak over of de stemming op wettige wijze is geschied. c. artikel 15 lid 4: De raad kan uiterlijk in de eerste raadsvergadering waarin de uitslag van het referendum als ingekomen stuk of agendapunt op de agenda staat besluiten tot een hertelling. d. artikel 15 lid 5: Zo mogelijk neemt de raad tegelijkertijd met de uitspraak van de raad als bedoeld in het derde lid, maar niet later dan twee maanden nadat het referendum is gehouden, een besluit over het onderwerp vanwaarover het referendum is gehouden.
Dit besluit wordt in ieder geval genomen binnen twee maanden na de eerste raadsvergadering nadat de uitslag van het referendum onherroepelijk is komen vast te staan.
10. Initiatiefnemers Presidium en Griffie: De voorgestelde suggestie sluit aan bij wat in de vorige verordening was opgenomen. De gemarkeerde toevoeging is juist geschrapt omdat het onduidelijk is hoe in praktijk bepaald/beoordeeld moet worden wie gerechtigd zijn het initiatief te vertegenwoordigen. Dit is zeker lastig omdat dit van directe invloed is op de vormvereisten waarover de huidige verordening niets zegt. Doordat de initiatiefnemers zich met naam, adres, woonplaats en geboortedatum zich kenbaar moeten maken bij hun verzoek, is het voldoende kenbaar dat zij met elkaar de vertegenwoordigers zijn van dat ver zoek en dat nadere eisen opleggen niet van toegevoegde waarde is maar mogelijk ook disproportioneel is.
Weerwoord: Inderdaad, als de initiatiefnemers zich met naam, adres, woonplaats en geboortedatum kenbaar moeten maken bij de indiening van hun verzoek, wordt het voldoende kenbaar dat zij met elkaar de vertegenwoordigers zijn van dat ver zoek. Op 5-5-2025 is dan ook niet aangedragen om volmachten of welke nadere eisen dan ook op te gaan leggen. De toevoeging die gerechtigd zijn het initiatief
te vertegenwoordigen dient er slechts toe om tot uitdrukking te brengen dat de Raad er van uitgaat dat er zeer wel meer dan 7 initiatiefnemers kunnen zijn maar de Raad aanneemt dat de maximaal 7 vertegenwoordigers die zich aandienen gerechtigd zijn om het initiatief te vertegenwoordigen. Bovendien is er geen enkele reden om te gaan te bepalen dat een referendum maximaal 7 initiatiefnemers mag tellen. Om deze redenen geef ik u graag in overweging om de indienings-vereisten te houden zoals de vigerende verordening nu voorschrijft en het ontwerp-artikel 7 lid 1-c als volgt te amenderen: 1. Een inleidend verzoek bevat: a. een aanduiding van het ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit waarop het betrekking heeft; b. een beknopte motivering voor de keuze van de gekozen referendumvorm; c. de naam, adres, woonplaats, geboortedatum en handtekening van minimaal drie en maximaal zeven initiatiefnemers die gerechtigd zijn het initiatief te vertegenwoordigen.
11. Indiening van verzoeken Presidium en Griffie: Het probleem dat diverse malen is gesignaleerd bij het proces referendum Hoofdgroenstructuur is dat heel vaak 'de raad' iets moest doen. Dat is in de praktijk lastig gebleken omdat de raad grofweg 1x per maand optreedt als raad. Daarmee is de raad als 'proces-begeleider/behandelaar' niet flexibel en toegankelijk wat een referendumproces wel nodig heeft. Daarom is ervoor gekozen dat het in dienen gebeurt aan de voorzitter van de raad. Daarmee is er een link naar de raad gelegd maar wordt tevens wel geborgd dat het proces soepeler en flexibeler kan verlopen. Het gaat hiermee echt om uitvoering en het gaat niet om inhoudelijke keuzes of besluiten op verzoeken. Dit is te allen tijde voorbehouden aan de raad zelf.
Weerwoord: Terecht signaleert het Presidium in de was>wordt-lijst dat de wijze van indiening van de verschillende soorten van verzoeken klip & klaar moet zijn. Echter, de voorstellen in hoofdstuk 3 van de ontwerp-verordening schieten tekort, navenant in hoofdstuk 4, 5 en 6. Voor de hand ligt dat de contactgegevens worden opgenomen in het site-bericht inzake referendums. Presidium en Griffie gaan er aan voorbij dat de op 5-5-2025 aangedragen wijziging nu juist volledig in stand laat dat de Voorzitter van de Raad het aanspreekpunt is. Echter, op geen enkele wijze mag onduidelijkheid ontstaan dat verzoeken en andere correspondentie moet worden gericht aan de Raad. Om deze redenen geef ik graag in overweging om hoofdstuk 3 en navenant hoofdstuk 4, 5 en 6 als volgt te amenderen: a. als nieuw artikel 6a invoegen: De verzoeken in het kader van dit hoofdstuk 3 dienen te zijn gericht aan de raad en schriftelijk te worden ingediend bij de voorzitter van de raad. b. artikel 11 lid 1 aanhef als volgt wijzigen: Een definitief verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de voorzitter van de raad en bevat:
12. .Geldigheid ondersteuningsverklaringen Presidium en Griffie: Als een verzoek niet wordt ingewilligd dan is er sprake van een afwijzing. In het geval van het niet inwilligen van een inleidend verzoek, kan een nieuw/aangepast inleidend verzoek worden ingediend. Deze wordt beoordeeld aan de hand van de eisen die neergelegd zijn in de verordening. Er is dan sprake van een nieuw verzoek en vanzelfsprekend kunnen ondersteuningsverklaringen die betrekking hebben op een oud (afgewezen) verzoek nooit en
te nimmer als geldige ondersteunings verklaring worden ingebracht. Temeer omdat de ondersteuningsverklaringen binnen de opengestelde termijn ingediend moeten worden. Het probleem wat geschetst wordt, wordt niet herkend.
Weerwoord: Inderdaad, bij het HGS-referendum heeft afwijzing van het inleidend verzoek niet gespeeld, verre van dat, overweldigend veel rechtsgeldige ondersteuningsverklaringen. Echter, Referendumcommissie, Presidium en Griffie miskennen dat zich zeer wel situaties kunnen voordoen dat het aantal rechtsgeldige ondersteuningsverklaringen tekort schiet. In dergelijke gevallen kunnen de initiatiefnemers natuurlijk overnieuw beginnen maar bij voorbaat moet klip & klaar zijn dat de reeds verzamelde ondersteuningsverklaringen daarbij niet meer meetellen. Presidium en Griffie gaan er ten onrechte van uit dat dit voor de initiatiefnemers vanzelf zal spreken. Erger nog, nu juist in de formulering die Referendumcommissie, Presidium en Griffie hebben voorgesteld kunnen initiatiefnemers lezen dat de reeds verzamelde ondersteuningsverklaringen geldig blijven bij een nieuwe poging.
Om deze redenen geef ik graag in overweging om hoofdstuk 3 en navenant hoofdstuk 4, 5 en 6 als volgt te amenderen: De voor een inleidend verzoek verzamelde ondersteuningsverklaringen vervallen bij het inwilligen of afwijzen van het inleidende verzoek.
13. Behandeling van klachten / meldingen Presidium en Griffie: Formeel gezien is klachtenbehandeling voorbehouden aan het orgaan dat het besluit heeft genomen. Dat is dus in dit geval aan de raad en dus niet de Initiatief- en referendumcommissie. Kortom, wat in de huidige verordening is opgenomen is juridisch gezien niet juist en is met de voorliggende verordening gewijzigd.
Weerwoord: Het voorstel van Referendumcommissie, Griffie en Presidium om met de nieuwe verordening onderscheid in te voeren tussen klachten en meldingen is als zodanig prima, daarmee stemt de inspreek-bijdrage dd. 5-5-2025 dan ook van harte in. Immers, het gaat niet alleen om het doen & laten van de gemeente maar ook om het doen & laten van de initiatiefnemers als niet de Raad zelf de initiatiefnemer is. En klachten over het doen & laten van een niet-gemeentelijke organisatie of persoon kan de gemeente evident niet in behandeling nemen; in die zin is de vigerende verordening inderdaad onjuist. Kortom, het nu in artikel 6 lid 5 ingevoerde instrument melding lost dit manco prima op, een melding kan betrekking hebben op het doen & laten van alle partijen in een referendum.
Wat betreft gemeentelijk doen & laten willen Referendumcommissie, Griffie en Presidium naast de nieuwe meldings-procedure ook de reguliere klachten-procedure laten openstaan, ook hiertegen heb ik geen bezwaar. Echter, in het ontwerp artikel 6 lid 5 zijn de meldings-procedure en de rol van de Referendumcommissie daarbij onvoldoende gedefinieerd. Presidium en Griffie hebben in de brief dd. 19-5-2025 dan ook terecht geen bezwaar gemaakt tegen de op 5-5-2025 aangedragen aanscherping. Om deze redenen geef ik u graag de volgende amendering van artikel 6 lid 5 in overweging: De Initiatief- en referendumcommissie is belast met de behandeling en na hoor & wederhoor afhandeling van of advisering over meldingen over incorrecte uitvoering van deze verordening, de voorlichting of informatievoorziening en de wijze waarop campagnes worden gevoerd. De Initiatief- en referendumcommissie kan haar oordeel openbaar maken.