Raadsadres concept Beleidskader Inclusie en Antidiscriminatie 2023-2026
Tekst van het document
> Retouradres Kanaalpark 140 2321 JV Leiden
Secretariaat Kanaalpark 140 2321 JV Leiden
Gemeente Amsterdam t.a.v. de gemeenteraad Postbus 202 1000 AE Amsterdam
Datum: Betre=:
T 06 34 00 22 22 E secretariaat@demver.nl
15 september 2023 Raadsadres inzake het concept Beleidskader Inclusie en AnFdiscriminaFe 2023-2026
Aan de gemeenteraad, De DemocraFsche VrijheidsparFj voor Eenheid en Recht hee= kennisgenomen van het concept Beleidskader Inclusie en AnFdiscriminaFe 2023-2026. De Algemene Vergadering wil hierover een standpunt formuleren en zodoende doe ik u toekomen de onderstaande vragen. Onze vragen 1. In het beleidskader wordt een aantal keer terloops verwezen naar de poliFe en het Openbaar Ministerie. Verder lijkt er geen significante inspanning te zijn om beter te handhaven op het gebied van inclusie en anFdiscriminaFe. a. In het Amsterdam, een stad uit duizenden - Visiedocument Inclusie en An5discrimina5ebeleid, 2023-2026 stelt ondernemer Jelger Bakker dat er weinig concrete consequenFes zijn voor het met de dood bedreigen van Amsterdammers. Waarom ligt er zo weinig nadruk op handhaven in het beleidskader? 2. De gemeente beschikt over legio instrumenten om inclusie en anFdiscriminaFe te handhaven, zoals de leerplichtambtenaar, de GGD, voorwaarden bij vergunningen, enzovoort. Waarom worden alleen de poliFe en het Openbaar Ministerie gezien als de beschikbare repressieve instrumenten? 3. Wat zijn de operaFonele, meetbare definiFes van “diversiteit” en “inclusiviteit”? Pagina 1 van 9
4. Het beleidskader spreekt meermaals over “gemeenschappen”, zoals de “zwarte gemeenschap” en “AziaFsche gemeenschap? a. Hoe krijgen deze gemeenschappen substanFe? b. Hoe wordt het bestaan van deze gemeenschappen vastgesteld? c. Behoort iemand met een Iraakse achtergrond tot de AziaFsche gemeenschap? Zo nee, waarom niet? d. Behoort iemand met een Somalische achtergrond tot de zwarte gemeenschap? Zo nee, waarom niet? e. Behoort iemand met een Polynesische achtergrond tot de zwarte gemeenschap? Zo nee, waarom niet? f.
Behoort iemand die lijdt aan viFligo tot de zwarte gemeenschap? Zo nee, waarom niet?
g. Behoort iemand waarvan diens genen herkomsFg zijn uit China, maar die is opgevoed door (bijvoorbeeld) wi_e Nederlanders, tot de AziaFsche gemeenschap? Zo nee, waarom niet? h. Behoort iemand die (in de ogen van het college) lid is van de AziaFsche gemeenschap, maar er in diens persoonlijke leven expliciet voor kiest om niet met mensen uit die (beweerdelijke) gemeenschap om te gaan, nog steeds tot de AziaFsche gemeenschap? Zo nee, waarom niet? i.
Behoort iemand die (in de ogen van het college) lid is van een bepaalde gemeenschap, maar zelf expliciet aangee= zich niet te willen associëren met die gemeenschap, in termen van beleid nog steeds tot die gemeenschap?
j.
Is het college bekend met de onnauwkeurigheden die er bestonden bij het indelen van mensen in rassen?
k. Kunnen er bij het indelen van mensen in (arbitraire) gemeenschappen dezelfde onnauwkeurigheden bestaan? l.
Is “gemeenschap” hierin een neologisme voor het begrip “ras”?
5. Er staat op pagina 1 “Diversiteit en inclusie bepalen het succes van Amsterdam. Maar helaas is de inclusieve stad nog geen werkelijkheid”. a. Hoe wordt gemeten of de “inclusieve stad” is gerealiseerd? b. Welke drempelwaarden gelden hierbij? c. Vindt het college dat een beleidskader zonder concreet meetbaar doel een verstandige besteding van publieke middelen is?
Pagina 2 van 9
6. Op dezelfde pagina wordt gesteld dat “veel Amsterdammers hebben te maken met discriminaFe en achterblijvende emancipaFe”. a. Hoeveel Amsterdammers? b. Hoe is het feitelijk voorkomen van deze discriminaFe vastgesteld? c. Hoe wordt de emancipaFe van Amsterdammers gemeten? d. Hoe wordt in het beleid een onderscheid gemaakt tussen ervaren discrimina5e en het feitelijk voorkomen van discriminaFe? 7. Er wordt op pagina 1 verwezen naar “groepen in de samenleving die structureel buiten zijn en worden gesloten of worden benadeeld op basis van gedeelde persoonskenmerken”. a. Welke groepen kwalificeren als zodanig? b. Hoe wordt het lidmaatschap van deze groepen vastgesteld? c. Op basis van welke meetbare criteria wordt dit vastgesteld? d. Wat zijn hierbij de drempelwaarden? 8. Er wordt op pagina 1 gesteld dat het strafrecht onmisbaar is in de opvolging na aangi=es van discriminaFe. a. Hoeveel aangi=es van discriminaFe of aan discriminaFe gerelateerde zaken worden er jaarlijks gedaan? b. Hoeveel krijgen daarvan daadwerkelijk strafrechtelijke consequenFes? 9. Er wordt op pagina 2 verwezen naar “groepen die bijzondere aandacht behoeven”. a. Op basis van welke meetbare criteria wordt dit vastgesteld? b. Wat zijn hierbij de drempelwaarden? 10. Er wordt op dezelfde pagina verwezen naar groepen die “structureel buiten zijn en worden gesloten”. Hierbij dezelfde vragen als bij (9). 11.
Er staat op dezelfde pagina dat er “oog [wordt gehouden] voor aandachtspunten bij andere gemeenschappen”. a. Welke gemeenschappen zijn dit? b. Welke aandachtspunten zijn dit? c. Wat houdt “oog houden voor” concreet in? Pagina 3 van 9
d. Waarom hebben deze gemeenschappen minder prioriteit? 12. Waarom wordt er op pagina 3 er een onderscheid gemaakt tussen “anF-zwart racisme” en “anFAziaFsch racisme”? a. Wat zijn de significante verschillen die dit onderscheid rechtvaardigen? b. Waarom wordt racisme op basis van andere kenmerken of in algemene zin niet benoemd? c. Wat is het beoordelingskader waarmee men vaststelt dat deze vormen van racisme ernsFger zijn dan de andere vormen van racisme (die niet worden benoemd)? d. Met welke organisaFes uit het maatschappelijk middenveld onderhoudt het college contacten in deze context? 13. Op pagina 4 wordt verwezen naar “safe spaces”. Wat is de concrete, beleidsmaFge definiFe van een “safe space”? 14. Wat betekent het creëren van een “safe space” voor een specifieke groep? 15. Is een “safe space” voor een specifieke groep toegankelijk voor mensen die niet tot die groep behoren? 16. Kwalificeert het Amsterdamse studentencorps A.S.C./A.V.S.V als “safe space” voor jonge wi_e mannen die woorden als “sperma emmers” gebruiken? a. Zo ja, valt deze onder het beleidskader? b. Zo nee, waarom niet? 17. Moet een “safe space” de grondrechten en vrijheden van onze samenleving, zoals omschreven de Grondwet, onderschrijven en uitdragen? 18. Hoe wordt beoordeeld of een specifieke groep een “safe space” nodig hee=? 19.
De bestuurlijke prioriteit 1.1.2 “Bevorderen van inlevingsvermogen en empathie bij groepen die een negaFeve houding hebben ten aanzien van groepen die discriminaFe ervaren” gaat over wat burgers voelen en vinden. a. Is het in de ogen van het college een overheidstaak om acFef gevoelens bij burgers te sFmuleren en/of te manipuleren? b. Is het in de ogen van het college een bevoegdheid of taak van de overheid om intervenFes te plegen in de belevingswereld en/of het geweten van burgers? 20. Er wordt gesteld dat “[o]prechte interesse in de ander en je verplaatsen in en meevoelen met de ander [bij dragen] aan het tegengaan van vooroordelen, en het tegengaan van discrimina5e.” a. Op basis van welke wetenschappelijke literatuur wordt deze stelling gemaakt? Pagina 4 van 9
b. Is deze stelling niet een self fulfilling prophecy, aangezien mensen die “oprechte interesse” hebben in de ander waarschijnlijk van nature minder geneigd zijn om te discrimineren? c. Zo geldt voor de voorgestelde intervenFes ook dat het aannemelijk is dat deze zullen worden bezocht door mensen die daar toch al in geïnteresseerd waren, bijvoorbeeld omdat ze zich ermee verbonden voelen, en zodoende waarschijnlijk (de groepen in kwesFe) minder geneigd zijn te discrimineren. Hoe denkt het college een oprechte interesse te kweken bij de burgers? d. Hoe wordt de oprechtheid van de interesse gemeten? e. Welke drempelwaarden gelden hierbij om vast te stellen dat er voldoende oprechtheid is? 21. Er wordt op pagina 6 gesteld “[m]et doorwerking van het slavernij- en koloniale verleden verwijzen we naar de nega5eve impact die beide tot de dag van vandaag hebben op de Nederlandse samenleving.” a. Over welke negaFeve impact gaat dit concreet? b. Hoe wordt deze negaFeve impact gemeten? c. Hoe wordt een feitelijk verband met het “slavernij- en koloniale verleden” aangetoond? 22. De beweerdelijke “doorwerking” wordt zonder enige onderbouwing als voldongen feit aangenomen en het beleidskader stelt: “[o]mdat niet iedereen hiervan overtuigd is, willen we kennis over doorwerking vergroten.” a.
Is het in de ogen van het college een overheidstaak om intervenFes te plegen in een actuele en lopende discussie onder academici? b. Is het in de ogen van het college een overheidstaak om intervenFes te plegen in een actuele en lopende maatschappelijke discussie? c. Deze doelstelling suggereert dat het vergroten van de kennis een specifiek doel hee= (overtuigen). Vind het college dat zij burgers hiermee het maken van een weloverwogen keuze in het innemen van een standpunt faciliteert of juist stuurt? d. Is het college zich ervan bewust dat er ook postkoloniale migranten zijn die het koloniale verleden juist willen afsluiten en zich niet noodzakelijk herkennen in de veronderstelling dat historische gebeurtenissen hun individuele omstandigheden hedendaags nog beïnvloeden? 23. De AcFviteitenagenda 2023-2024 mist concrete doelstellingen en succescriteria voor de acFviteiten. In dit beleidskader kan het succes of de effecFviteit van deze acFviteiten niet worden gemeten. a. Hoe beoogt het college de effecFviteit van deze acFviteiten te meten? b. Welke consequenFes zijn er indien de acFviteiten niet effecFef blijken te zijn? Pagina 5 van 9
24. Het beleidskader stelt op pagina 9 dat “[d]e gemeente ondersteunt en faciliteert emancipa5eprocessen, maar … hierin niet rich5nggevend [is]” en merkt daarover op dat “[i]edereen [diens eigen lot mag] bepalen”. a. Waarom is ervoor gekozen om hier niet richFnggevend te zijn, maar ten aanzien van de gedachten en gevoelens van burgers wél (bij AmbiFe 1, op pagina 4)? b. Geldt de stelling “[i]edereen mag diens eigen lot bepalen” voor het geweten van burgers die liever geen mannen hand in hand zien lopen (pagina 4)? c. Geldt de stelling “[i]edereen mag diens eigen lot bepalen” voor burgers die liever niet omgaan met iemand die niet duidelijk man of vrouw is (pagina 4)? d. Geldt de stelling “[i]edereen mag diens eigen lot bepalen” voor het geweten van burgers die een negaFeve percepFe hebben van moslims (pagina 4)? e. Zo ja, waarom kiest het beleidskader er in die gevallen dan wél voor om richFng te geven? f.
Zo nee, hoe wordt vastgesteld bij welke burgers de gemeente richFng gee= en bij welke niet?
25. Betekent het niet richFng geven dat de gemeente carte blanche iniFaFeven ondersteunt zolang deze iniFaFeven emanciperend van aard zouden zijn? 26. Op pagina 9, bij doelstelling 2.1, staat: “[e]mancipa5e is het streven naar en de ontwikkeling van gelijke rechten”. a. Welke groepen in Amsterdam hebben geen gelijke rechten? b. Waaruit blijkt dat zij geen gelijke rechten hebben? c. Waarom hebben zij geen gelijke rechten? d. Wordt hier wellicht mee bedoeld de facto gelijke rechten? 27. Op dezelfde pagina beoogt het beleidskader een “regierol voor maatschappelijke organisa3es
in emancipa3e-opgaven van de groepen die zij vertegenwoordigen”. a. Hoe wordt vastgesteld dat een organisa2e een bepaalde groep vertegenwoordigt? b. Zijn er bepaalde eisen aan deze organisa2es, bijvoorbeeld de rechtsvorm, om het
vertegenwoordigende karakter te waarborgen?
28. In de bestuurlijke prioriteit 2.1.1 Verbinden en faciliteren van emanciperende krachten, wordt niet meegenomen dat deze groepen elkaar onderling (mogelijk) ook discrimineren. a. Wat is hiervoor de reden? Pagina 6 van 9
b. Vindt het college dit geen belangrijk aandachtspunt in de bestrijding van discriminaFe, bijvoorbeeld seksueel diverse burgers in religieuze omgeving of geloofsveranderaars? 29. Hier stelt het beleidskader ook “[o]nze maatschappelijke partners vertegenwoordigen heel diverse gemeenschappen”. a. Hoe wordt hierin een gemeenschap gedefinieerd? b. Hoe wordt vastgesteld dat een organisaFe deze gemeenschap vertegenwoordigd? 30. Hoe wil het college in het kader van bestuurlijke prioriteit 2.3.1 “een representa5eve verdeling van invloedrijke posi5es” realiseren? 31. Op basis van welke criteria wordt de bij bestuurlijke prioriteit 2.3.1. de beoogde representaFeve verdeling vastgesteld? 32. Onder de kop “PosiFes van invloed bekleden” wordt gesteld dat bepaalde groepen meer “kans [hebben] op het beziMen van een invloedrijke posi5e”. a. Is het bekleden van een dergelijke posiFes zuiver een kwesFe van kans? b. Zo nee, welke factoren spelen hier nog meer bij een rol? c. Waarom worden deze factoren niet meegenomen in het beleidskader? d. Kunnen culturele voorkeuren hierbij een rol spelen? Zo ja, waarom worden deze niet meegenomen in het beleidskader? 33. De AcFviteitenagenda 2023-2024 van AmbiFe 2 mist concrete doelstellingen en succescriteria voor de acFviteiten. In dit beleidskader kan het succes of de effecFviteit van deze acFviteiten niet worden gemeten. a.
Hoe beoogt het college de effecFviteit van deze acFviteiten te meten? b. Welke consequenFes zijn er indien de acFviteiten niet effecFef blijken te zijn? 34. In het kader van agenderend wethouderschap: a. hoe worden “diversiteits- en inclusievraagstukken” gesignaleerd? b. hoe wordt er voorkomen dat hierin voorkeuren ten opzichte van bepaalde groepen ontstaan, bijvoorbeeld door een hogere aangi=ebereidheid bij die groepen? 35. Op pagina 14 wordt gesteld dat de gemeente Amsterdam de internaFonale samenwerking wil aangaan. a. Met welke parFjen beoogt het college concreet de samenwerking aan te gaan? b. Op welke beleidsterreinen? Pagina 7 van 9
c. Onder welke voorwaarden? d. Wat de criteria waarop een stad kwalificeert te vallen onder het begrip “postkoloniale steden”? 36. Ten aanzien van het monitoringsplan: a. Hoe beoogt het college de aangi=ebereidheid te vergroten? In het eigen visiedocument staat immers prominent het interview met Jelger Bakker, die aangee= dat er na een aangi=e vrijwel geen serieuze consequenFes zijn. Dit ondermijnt de aangi=ebereidheid. b. Hoe toont de beleidsmonitor Diversiteit concreet een verband aan tussen de maatregelen in het beleidskader en de waargenomen indicatoren? c. Hoe wordt uitgesloten dat landelijke of internaFonale fenomenen de beoordeling van de beleidseffecFviteit kleuren? 37. Ten aanzien van de begrippen “diversiteit” en “inclusie” op pagina 18, dezelfde vraag als bij 1. a. Wat betekent “mee doen” en hoe wordt dit gemeten? b. Hoe wordt het “gelijkwaardig ontwikkelen en ontplooien” gemeten? 38. Bij de definiFe van “Sociale normen” op pagina 18 staat: “Sociale normen geven aan welk gedrag als correct wordt beschouwd, maar staan niet in de wet. Zoals: je kijkt elkaar aan bij een kennismaking”. a. Het aankijken van een persoon wordt in sommige culturen als hoogst onbeleefd of zelfs agressief ervaren. Waarom is ervoor gekozen om in deze definiFe juist niet inclusief te zijn? 39.
In de definiFe van “IntersecFoneel denken” op pagina 19 wordt als voorbeeld genoemd een “Somalische moslimvrouw die een hoofddoek draagt”. a. Waarom staat er niet “Somalische lesbische moslimvrouw die een hoofddoek draagt”? b. Zijn er redenen waarom deze associaFe is vermeden? c. Kan er een inclusievere definiFe komen, bijvoorbeeld een “AuFsFsche Somalische funcFoneel beperkte lesbische ex-moslimtransvrouw die tegen haar wil een hoofddoek draagt”? 40. Waarom gebruikt het beleidskader op pagina 21 een eigen definiFe van “racisme” en niet gangbare (wetenschappelijke) definiFes die in Nederland gebruikelijk zijn, zoals bijvoorbeeld die van Philomena Essed in haar werk Alledaags Racisme? 41. In de definiFe van “racisme” wordt gesteld: “[t]egenwoordig denken helaas nog steeds veel mensen dat ‘ras’ bepaalt wat de intellectuele, fysieke of andere capaciteiten van mensen zijn”. a. Hoeveel mensen denken dit? Pagina 8 van 9
b. Hoe is dit vastgesteld? 42. In de definiFe van “racisme” wordt verder gesteld: “[d]at komt voort uit én zorgt voor structurele machtsverschillen in onze samenleving”. a. Machtsverschillen tussen wie? b. Hoe wordt de mate van macht gemeten? 43. Wat is de wetenschappelijke basis voor de stelling dat de “term ‘ras’ is bedacht om – op basis van huidskleur – onterecht een rangorde tussen groepen te maken, ten 5jde van de slavernij”? 44. Waarom wordt “moslimdiscriminaFe” onder “racisme” geschaard terwijl het conform de eigen definiFe niks met ras te maken hee=? 45. Waarom kwalificeert het geven van een “negaFeve betekenis” aan de islam als discriminaFe? 46. Kwalificeert het geven van een negaFeve betekenis aan andere religies dan niet ook als discriminaFe? Zo nee, waarom niet? 47. Kwalificeert het geven van een negaFeve betekenis aan religie in het algemeen als discriminaFe? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de vrijheid van meningsuiFng? 48. In de definiFe van “insFtuFoneel racisme” op pagina 24 staat het volgende: “Ins5tu5oneel racisme betekent dat de processen, het beleid en de (geschreven en ongeschreven) regels van ins5tuten leiden tot structurele ongelijkheid tussen mensen met verschillende achtergronden, huidskleuren of religies …. In de Nederlandse prak5jk kun je ins5tu5oneel racisme [onder meer] herkennen doordat … mensen met een religieuze achtergrond (m.u.v.
van de Christelijke achtergrond) worden benadeeld.” a. Waarom worden christenen hier expliciet van uitgesloten? b. Waar wordt dit op gebaseerd? c. Kan een christen wel of niet het slachtoffer worden van insFtuFoneel racisme? Omdat de DemocraFsche VrijheidsparFj voor Eenheid en Recht het gebruik van papier wil terugdringen, verzoeken wij u de reacFe in dezen te e-mailen naar secretariaat@demver.nl. Uw reacFe zien we tegemoet, waarvoor bij voorbaat onze dank. Met vriendelijke groet,
Izz ad-Din Ruhulessin Waarnemend Voorzi_er van de Algemene Vergadering DemocraFsche VrijheidsparFj voor Eenheid en Recht Pagina 9 van 9