Opdracht aan de kwartiermakers.pdf
Tekst van het document
Nationaal slavernijmuseum: opdrachtverlening aan kwartiermakers Met het verkenningsrapport Met de kracht van de voorouders, het advies van de Raad voor Cultuur en Amsterdamse Kunstraad Nationale voorziening slavernijverleden en consultaties met betrokkenen is de inhoudelijke verkenning naar het nationaal slavernijmuseum afgerond, en is het nu aan de gemeente om in afstemming met het Rijk vervolgstappen te zetten. Met het besluit van het college op 25 januari 2022 is de studie naar mogelijke locaties gepresenteerd en zijn de inhoudelijke hoofdlijnen bepaald, waaronder de scope van het museum. De kwartiermakers krijgen de opdracht om de trans-Atlantische slavernijgeschiedenis als vertrekpunt en kernverhaal van het museum te handhaven, en tegelijkertijd te bezien hoe vanaf de start het brede verhaal van het Nederlandse slavernijverleden verteld kan worden. In de komende fase wordt met een ondernemingsplan concreet uitgewerkt hoe het museum eruit moet gaan zien, inhoudelijk, fysiek en organisatorisch. Een exploitatieplan is onderdeel van dat ondernemingsplan. Deze uitwerkingen zullen de basis vormen voor een definitief besluit over zowel de bouw als de exploitatie van het museum en de financiering hiervan door gemeente en Rijk. In dit document wordt de opdracht aan de kwartiermakers museaal en maatschappelijk beschreven.
De opdracht aan de fysieke kwartiermaker wordt apart opgesteld. Rol gemeente en Rijksoverheid Voor het succesvol realiseren van het museum is het van belang dat de gemeente het opdrachtgeverschap – in afstemming met het Rijk – goed invult en de juiste voorwaarden schept voor de kwartiermakers om aan de slag te gaan. In de rol als initiatiefnemer en toekomstig eigenaar van het gebouw is de gemeente ervoor verantwoordelijk dat het museum zo goed mogelijk slaagt en dat de huisvesting zo goed mogelijk aansluit bij de verschillende museale functies die worden beoogd. Het kabinet hecht vanuit zijn verantwoordelijkheid voor ons gedeelde verleden waarde aan de komst van een nationaal slavernijmuseum. Dit blijkt ook uit het voornemen uit het landelijk Coalitieakkoord om een bijdrage te leveren aan dit museum. Het Rijk werkt daarom samen met de gemeente Amsterdam aan de ontwikkeling van het nationaal slavernijmuseum. Inhoudelijk willen gemeente en Rijk bereiken dat het museum een programma heeft dat lokaal, nationaal en ook internationaal tot de verbeelding spreekt, mensen leert over onze gedeelde geschiedenis en een aanvulling vormt op het bestaande aanbod. Vanuit die ambitie willen gemeente en Rijk het opdrachtgeverschap invullen. Eigenaarschap centraal Het college kiest ervoor de volgende fase door externe kwartiermakers uit te laten voeren.
Het is immers de ambitie te groeien naar een zelfstandige organisatie, gedragen door de samenleving. Daarom vindt het college het verstandig de planvorming en uitvoering buiten de muren van het stadhuis te beleggen. Tegelijkertijd blijft de gemeente regie voeren op dit proces en - als opdrachtgever - nauw betrokken. Opdracht Voor zowel programma als gebouw geldt dat de uitgangspunten al voor een groot deel bekend zijn vanuit het verkenningsrapport Met de kracht van de Voorouders. Daarnaast zijn er belangrijke aandachtspunten meegegeven in het advies van de Raad voor Cultuur en de Amsterdamse 1
Kunstraad en de met het Rijk afgestemde bestuurlijke reactie van het college van Amsterdam. In de komende periode moet er een nadere uitwerking komen van de inhoud van het programma, de financiële exploitatie en de organisatie van het museum. Daarnaast moet er verder gewerkt worden aan de realisatie van het museum (het gebouw). Er zal worden gewerkt op een drietal onderdelen. 1. Het opstellen van een museaal ondernemingsplan: een exploitatieplan en een ontwerp van de organisatie die benodigd zijn om het museum te laten functioneren. 2. Een verdere uitwerking van het inhoudelijk programma, ook vertaald naar een tijdelijke programmering die vooruit loopt op de opening van het museum. 3. Het voortzetten van het participatietraject gericht op het behouden en vergroten van het draagvlak voor het museum en de scope van het museum in het bijzonder. In de rol van opdrachtgever draagt de gemeente er zorg voor dat deze onderdelen tot aansprekend resultaat leiden. We gebruiken daarbij toetsingskaders om te beoordelen of dit in voldoende mate gebeurt. Voor het uitvoeren van de onderdelen wordt een beroep gedaan op de museale en maatschappelijke kwartiermakers. Hieronder gaan we nader in op de opdracht aan hen. Per opdracht schetsen we het vertrekpunt, het doel en het kader waarop we het resultaat van de werkzaamheden zullen beoordelen.
Voor de totstandkoming van het gebouw is er een rol met betrekking tot de locatie en het architectonisch en functioneel programma van eisen (en wensen). Hieraan wordt door de fysieke kwartiermaker gewerkt, in samenspraak met de museale en maatschappelijke kwartiermakers.
1. De opdracht voor het museale ondernemingsplan Vertrekpunt Voor het museale ondernemingsplan geldt dat deze een besluit over de bouw en exploitatie van het museum mede moet faciliteren. Hiervoor vormen de inhoud van het verkenningsrapport, de opgestelde adviesrapporten (van Raad voor Cultuur en Amsterdamse Kunstraad), de oogst van de consultaties, de met het Rijk afgestemde bestuurlijke reactie van het college van het uitgangspunt. Belangrijk is dat het plan comfort biedt aan de financiers en samenwerkingspartners (zowel van de bouw als van de exploitatie). Het gaat dan om de vraag of het museum op zakelijke basis inhoudelijk en organisatorisch met succes kan functioneren. Het doel Wij vragen aan de kwartiermakers: 1. Een exploitatieplan dat een meerjarenperspectief bevat van heden tot jaren na de opening. Zo nodig kan het plan een groeipad beschrijven of enkele varianten schetsen. Het exploitatieplan moet opgevat kunnen worden als een subsidie-aanvraag. Onderdeel van het museum en dus van het exploitatieplan is het beoogde kennis- en onderzoekscentrum. Dit concept kan ten dele al worden gerealiseerd vooruitlopend op de realisatie van het gebouw. 2. Een ontwerp voor de organisatievorm, in het bijzonder wat betreft rechtspersoon, bestuurlijk model, betrokken organisaties, wijze van opstarten e.d.
Kader Het museale ondernemingsplan moet tenminste de volgende elementen bevatten:1 1
De genoemde elementen zijn gedeeltelijk al een onderwerp in het verkenningsrapport, het gaat dan om een verdere uitwerking ervan.
2
Inleiding en ambitie Context en positie van het museum (i.r.t. het koninkrijk, het land en de stad) Missie en visie (incl. visie op ondernemerschap en langetermijnperspectief) Merk(waarden): profiel, profilering en lading Kerndoelen Doelgroepen en bereik Museale functies (waaronder onderzoek en kennisdeling) Onderzoeks- en kennisfunctie Structurele samenwerkingspartners Educatief programma Marketing en sales Organisatie-inrichting HRM (incl. vrijwilligersbeleid) Wijze van toepassing van gangbare gedragscodes2 Huisvesting en faciliteiten Meerjarenbegroting Realisatie (wijze van opbouw van de organisatie) Randvoorwaarden en risico’s
Wij zullen het museale ondernemingsplan op de volgende punten toetsen: Het museale ondernemingsplan bevat tenminste een visie op het functioneren van het museum, het nationale karakter en de wijze waarop doelgroepen worden bereikt, een aanduiding van de functies die het museum zal vervullen, een typering van de collectie en het collectiebeleid, een beschrijving van het presentatiebeleid (incl. het educatief beleid) en een indicatie van de toekomstige tentoonstellingen (zie ook opdracht 2 inhoudelijke programmering), een beschrijving van de beoogde ervaring(en) van de bezoekers, een concrete invulling van het museum als netwerkmuseum en het ‘participatief museum’. De plannen voor het kennis- en onderzoekscentrum vergroten de kennis over ons slavernijverleden (zowel van de trans-Atlantische slavernij als het Nederlandse Aziatische slavernijverleden), de samenhang en samenwerking van het museum met andere kennisinstellingen, de wisselwerking met partnerorganisaties en de wijze waarop de kennisdeling wordt georganiseerd.
2. De opdracht voor het inhoudelijk programma en tijdelijke programmering Vertrekpunt Het programma van het museum is onderdeel van het museaal ondernemingsplan. Hiervoor vormen de inhoud van het verkenningsrapport, de opgestelde adviesrapporten (van Raad voor Cultuur en Amsterdamse Kunstraad), de oogst van de consultaties en de met het Rijk afgestemde bestuurlijke reactie van het college van Amsterdam het uitgangspunt. Het doel Wij vragen aan de museale en maatschappelijke kwartiermakers (hierna: kwartiermakers) om te werken aan drie aspecten: 1. Het ontwikkelen van een museumconcept en een doorkijk naar de programmering die in het museum te zien zal zijn.
2 De Governance Code Cultuur, de Fair Practice Code en de Code Diversiteit & Inclusie.
3
2. Het ontwikkelen van een tijdelijke publieksprogrammering in de aanloop naar het museum toe. Het streven daarbij is om in 2023 in het Koninkrijk een eerste programma te realiseren dat – op één of meerdere tijdelijke locaties – vooruitloopt op het museum. Behalve als voorproefje voor het publiek moet het tijdelijk programma ook dienen als pilot. Ook het vinden van passende financiering en samenwerkingen met (museale) partners voor het tijdelijke programma behoort tot de opdracht. 3. Het voorbereiden van het beoogde kennis- en onderzoekscentrum als onderdeel van het museum. Ook hiervoor moet een inhoudelijk concept worden ontwikkeld. Dit concept kan ten dele al worden gerealiseerd vooruitlopend op de realisatie van het gebouw, bijvoorbeeld via een online strategie. Aspecten zijn: vergroten van de kennis over ons slavernijverleden, met name de trans-Atlantische slavernij en ook het Nederlandse Aziatische slavernijverleden , de samenhang en samenwerking van het museum met andere kennisinstellingen, de wisselwerking met partnerorganisaties en de wijze waarop de kennisdeling wordt georganiseerd. Kader De resultaten van de kwartiermakers zullen wij toetsen op de volgende punten: De aansluiting op de inhoudelijke uitgangspunten van het verkenningsrapport, de adviezen, de consultaties, de bestuurlijke reactie en het museaal ondernemingsplan.
Het tijdelijke programma dient ontwikkeld en uitgevoerd te worden in nauwe samenwerking met beoogde toekomstige partnerorganisaties. Het tijdelijke programma moet geëvalueerd worden zodat eventuele lessen kunnen worden meegenomen naar het toekomstige museum.
3. De opdracht voor de participatie Vertrekpunt Het is belangrijk dat iedereen die dat wil de mogelijkheid krijgt mee te denken over het museum (inhoud, locatie en gebouw). De bijeenkomsten voorafgaand aan de besluitvorming waren niet de laatste gesprekken. Het verkrijgen van input en het creëren van betrokkenheid blijft tot voorbij de opening van het museum van belang. De communicatie over het museumconcept, de kennis- en onderzoeksfunctie en het exploitatieplan zal door de kwartiermakers worden gevoed, maar daarbij is het van groot belang dat dit de juiste (participatieve) vorm krijgt. De gemeente vindt het daarbij belangrijk om in ieder geval zo snel mogelijk terug te gaan naar de grass roots-organisaties om het vervolg van het realisatie-traject te bespreken. Het doel Wij vragen aan de kwartiermakers om de plannen voor de programmering, de exploitatie, de kennisfunctie én (samen met de fysieke kwartiermaker) de locatie, programma van eisen en de bouwkundige plannen te bespreken en bij betrokkenen te toetsen met als uitgangspunten: 1. Verdere vergroting van het besef van gedeeld eigenaarschap van het museum, via: het organiseren van input van de betrokken personen en organisaties in het inhoudelijke, organisatorische en ruimtelijk-bouwkundige proces. in het bijzonder ook het organiseren van input met betrekking tot het kennis- en onderzoekscentrum.
het delen en bespreken van nieuws over de voortgang van het museum met diverse (doel)groepen en partners.
4
2. Het onderhouden van de contacten met grass roots-organisaties, samenwerkingspartners, musea en andere culturele spelers, geïnteresseerden en kritische denkers. Dit met inbegrip van andere plekken en steden binnen en buiten het Koninkrijk die een link hebben met het slavernijverleden. 3. Het opzetten en bestendigen van (toekomstige) samenwerkingsverbanden. 4. Het organiseren van dialoog over hoe het museum enerzijds de trans-Atlantische slavernijgeschiedenis tot vertrekpunt en kernverhaal kan nemen en anderzijds vanaf de start ook het brede verhaal van het Nederlandse slavernijverleden kan vertellen. 5. Het tussentijds toetsen van het succes en het leereffect van de tijdelijke programmering (bijv. middels impactmetingen). Kader De resultaten van de participatie zullen wij toetsen op de mate waarin belanghebbenden en betrokkenen aangeven zich gehoord te voelen en input hebben kunnen leveren.
Gebouw en locatie Vertrekpunt Voor het gebouw en de locatie is de fysieke kwartiermaker eindverantwoordelijk. Tegelijkertijd zijn vorm en inhoud van elkaar afhankelijk en zal er nauw samengewerkt moeten worden om te zorgen dat de locatie en het gebouw afgestemd zijn op de inhoud van het museum. Het doel Wij vragen de kwartiermakers mee te denken over: de invulling van de participatie rond om de selectie van de locatie; het definitieve programma van eisen voor het gebouw en het park; Kader n.v.t. Organisatorische inbedding van de kwartiermakers De gemeente Amsterdam treedt, mede namens het Rijk, op als opdrachtgever van de kwartiermakers. Als opdrachtgevers namens de gemeente Amsterdam zullen optreden het hoofd afdeling Diversiteit Diana Landveld en de ambtelijke opdrachtgever realisatie cultuurgebouwen Max van Engen. Zij vervullen de rol van verbindende schakel naar het bestuur en hebben de rol van aanspreekpunt. Daarbij zorgen ze voor een goede afstemming met het Rijk. De kwartiermakers leggen over de inhoud en voortgang van de werkzaamheden aan hen verantwoording af. Zakelijke afspraken komen in overleg met hen tot stand. De kwartiermakers zullen gezamenlijk kantoor kunnen houden. Hiervoor wordt een locatie in Amsterdam beschikbaar gesteld. Duur, omvang en tijdpad De opdracht kent een doorloop tot 1 juni 2023, met een eerste deadline voor een concept in december 2022.
In maart 2023 dient het ondernemingsplan gereed te zijn om onderdeel te worden van de besluitvorming. Daarbij zal geregeld overleg worden gevoerd met de opdrachtgever over planning en tijdpad. Een verlenging van de werkzaamheden nadien behoort tot de mogelijkheden. Wij ramen de inzet van de kwartiermakers op gemiddeld 24 uur per week. 5