CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwikkelperspectief NZKG def 231219

RAAD 24 januari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Uiten van wensen en bedenkingen ten aanzien van het 4e concept, versie 24 oktober van het Ontwikkelperspectief Noordzeekanaalgebied (VN2023-024421)27.014 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

48

Door de jaren heen groeiden steden in de richting van de havenen industriegebieden en zijn de Amsterdamse havens verplaatst naar de westkant van Amsterdam. De nabijheid tussen industrie en stedelijke omgeving vraagt om wederzijdse afstemming om zowel de leefbaarheid als economisch functioneren te waarborgen.

3.2 Opgaven

De kwaliteit van de stedelijk omgeving van het Noordzeekanaalgebied staat onder druk. Ook in deze regio is er een grote schaarste aan woningen. Eén van de opgaven is om in een korte periode veel nieuwe woningen te bouwen. Ook de kwaliteit van de leefomgeving staat onder druk en er is een opgave om bestaande wijken voor te bereiden op klimaatverandering. Er zijn wijken waar de achterblijvende sociale en fysieke kwaliteit verbeterd moet worden en in andere wijken is voor de verbetering van de gezondheid van de inwoners een verbetering van de luchten waterkwaliteit nodig. Wij willen de komende jaren vooruitgang boeken voor deze drie opgaven in de stedelijke omgeving van het Noordzeekanaalgebied. 3.2.1 Woningbouw Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht, wordt met het Programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. In het Verstedelijkingsconcept MRA hebben Rijk en regio de woningbouwopgave gezamenlijk uitgewerkt als onderdeel van de integrale verstedelijkingsopgave. Inzet van dit Verstedelijkingsconcept is het bouwen van 175.000 woningen in de MRA in de periode 2020 tot en met 2029, met aandacht voor de sociaal-maatschappelijke en economische ontwikkeling in de kernen van de MRA en voor

duurzame, toekomstbestendige steden en samenlevingen. Het gaat niet alleen om het bouwen van woningen, maar ook om de kwaliteit daarvan en om het versterken van de samenleving, rekening houdend met opgaven op het gebied van klimaat, werkgelegenheid, kansengelijkheid, bereikbaarheid, energieinfrastructuur, natuurinclusiviteit en voorzieningen. Kwantitatief is de woningbouwopgave in het Noordzeekanaalgebied, conform de Woondeal MRA (maart 2023), als volgt verdeeld over de gemeenten: Gemeente

Totale bouwopgave tot 2030 (provinciaal bod)34

Beverwijk

2.800

Heemskerk

950

Velsen

3.000

Haarlemmermeer

13.400

Amsterdam

67.500

Zaanstad

9.000

Totaal

93.850

Om de genoemde woningbouwopgave tijdig, tot en met 2030, te kunnen realiseren dient een aantal knelpunten te worden opgelost en moeten de juiste randvoorwaarden worden gecreëerd, zoals: stikstof, geluid, energie-infrastructuur, betaalbaarheid, mobiliteit, toekomstbestendigheid (inclusief klimaat(adaptatie), water, bodem en duurzaamheid) en uitvoeringscapaciteit. De randvoorwaarden van deze Woondeal zijn onderdeel van de bestuurlijke woningbouwafspraken tussen Rijk en provincies.

3.2.2 Kwaliteit van de Leefomgeving De woningbouwopgave is niet alleen maar kwantitatief. Er ligt ook een opgave om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Het RIVM-onderzoek ‘Blik op leefomgeving en gezondheid Verstedelijkingsstrategie MRA’ (2021)35 toont grote verschillen aan in leefbaarheid binnen de Metropoolregio Amsterdam. Het onderzoek signaleert dat in sommige wijken een ongezonde omgeving, sociaaleconomische kansenongelijkheid en een relatief kwetsbare bevolking samenkomen. In de IJmond, Zaanstad en Amsterdam geldt dit met name in buurten uit de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog. Er zijn toen in een korte periode veel kleine woningen gebouwd van relatief slechte kwaliteit, met weinig aandacht voor de inrichting van de openbare ruimte. Deze wijken zijn verouderd en vragen om verbetering en verduurzaming. De inwoners van deze wijken zijn relatief kwetsbaar, zowel in sociaaleconomische positie als gezondheid. In deze wijken is sprake van stapeling van sociaal-maatschappelijke achterstanden, een lage kwaliteit van de leefomgeving en een gebrek aan economische functies en kansen. De wijken in het Noordzeekanaalgebied waar deze problemen spelen worden zichtbaar op de kaart van de Leefbaarometer36 van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Deze kaart toont in geel en oranje dat met name in de naoorlogse wijken de leefbaarheid onder druk staat, zoals in Geuzenveld-Slotermeer (Amsterdam Nieuw-West), Poelenburg (Zaandam Oost), en in de naoorlogse wijken in de IJmond. Deze wijken scoren gemiddeld lager op indicatoren als kwaliteit van de woonvoorraad, nabijheid van voorzieningen, sociale samenhang en overlast en onveiligheid.

49

Indicator fysieke leefomgeving NZKG

Stedelijke vernieuwing en verdichting kan werken als een katalysator voor een integrale verbetering en verduurzaming van de bestaande woonomgeving, waarbij wijken ook voorbereid worden op klimaatverandering. Zo’n aanpak combineert renovatie en verduurzaming van woningen met verdichting (toevoegen van meer woningen op hetzelfde grondoppervlak) en een verruiming van het aanbod aan voorzieningen. Afgeschreven delen van de woningvoorraad worden vervangen voor nieuwbouw. Hierdoor ontstaan wijken met aantrekkelijke en toekomstbestendige openbare ruimte en met goede verbindingen naar het omliggende landschap, al naar gelang de kansen en behoeften in de wijk. Verduurzaming van de woningvoorraad in combinatie met verdichting resulteert in een kwaliteitsimpuls in wijken, meer diversiteit en meer economisch draagvlak, waardoor voorzieningen terug kunnen komen in wijken. Door investeringen in de fysieke leefomgeving van wijken te combineren met een sociale aanpak (op het gebied van werk en onderwijs) ontstaan economische kansen en perspectief. De nabijheid van havens en industrie slaat om in een voordeel als industriële restwarmte wordt benut om de woningen te verwarmen. Met de energietransitie en de omslag naar een circulaire industrie ontstaan nieuwe warmtebronnen die voor dit doel benut kunnen worden.

De grote ambitie om door middel van herstructurering/stedelijke vernieuwing de fysieke en sociale kwaliteit van de leefomgeving in wijken te verbeteren vraagt om samenwerking tussen verschillende overheidslagen. In het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid is aangekondigd dat er naast afspraken over woningbouw, ook afspraken over herstructurering worden gemaakt.

50

Inzetten op stedelijke vernieuwing van bestaande wijken is als ontwikkelrichting al ingeslagen in het Verstedelijkingsconcept van de Metropoolregio Amsterdam (2021). Maar deze richting is tot nu toe niet in alle gebieden doorgevoerd. Inzetten op stedelijke vernieuwing om de kwaliteit van bestaande wijken te verbeteren kan namelijk alleen als deze integraal en in samenhang wordt opgepakt. Dat vraagt inzet van Rijk en regio, omdat hiervoor ook investeringen nodig zijn in mobiliteit, groei van voorzieningen, verbindingen naar het groen, en aantrekkelijke recreatiegebieden voor een groeiende bevolking eromheen. 3.2.3 Gezondere leefomgeving Het RIVM-onderzoek ‘Blik op leefomgeving en gezondheid Verstedelijkingsstrategie MRA’ (2021)37 agendeert ook dat de milieudruk hoog is in delen van het Noordzeekanaalgebied. De milieudruk is hoog door (de combinatie van) externe veiligheidsrisico’s, luchtverontreiniging en geur- en geluidshinder, die afkomstig zijn van industrie, vliegverkeer en wegverkeer. Dat brengt gezondheidsrisico’s met zich mee. Hierin specifiek is de situatie in de IJmond waar de luchtkwaliteit onder druk staat.38 Er wordt sterk ingezet op een gezondere leefomgeving in het Noordzeekanaalgebied.

Verschillende soorten emissies in delen van het gebied (zeer zorgwekkende stoffen, geluid, geur, stikstofoxiden (NOx), fijnstof) en verontreinigd oppervlaktewater vragen een snelle en adequate aanpak van Rijk en regio, zodat de leefomgeving in gebieden die onder druk staan gezonder en beter wordt.

51

3.3 Ambitie

Voor de stedelijke omgeving in het Noordzeekanaalgebied staan wij voor de opgave om niet alleen meer woningen te bouwen, maar ook in wijken die nu op achterstand staan op het gebied van gezondheid en/of de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Onze gezamenlijke richting hierin is helder:

De omgevingsdiensten werken aan het optimaal benutten van het VTH-instrumentarium (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving) onder de huidige wetgeving. Daarnaast zijn zij in gesprek met het Rijk over verbeteringen in de wet- en regelgeving en normstellingen ten behoeve van een gezondere leefomgeving.

3.4.1 Verbetering van het instrumentarium voor gezonde leefomgeving In een dichtbevolkt land als Nederland, en in het Noordzeekanaalgebied in het bijzonder, is het een gegeven dat industrie zich in de nabijheid van dorpen en steden bevindt. Dit brengt een extra verantwoordelijkheid met zich mee voor zowel bedrijven als de overheid. Zij dienen ervoor te zorgen dat omwonenden worden beschermd tegen de (lange termijn) gezondheidsrisico’s van emissies van industrie en andere bronnen. Omwonenden moeten op deze bescherming kunnen vertrouwen. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft geconstateerd dat het stelsel om omwonenden te beschermen onvoldoende is. De Onderzoeksraad geeft aan ‘dat het niet vanzelfsprekend is dat de gezondheid van omwonenden voldoende wordt beschermd gezien de wijze waarop het stelsel in de praktijk vorm krijgt’.39Aanvullend constateert de Onderzoeksraad voor Nederland in zijn geheel: ‘Op dit moment voldoet de luchtkwaliteit in Nederland op de meeste plaatsen niet aan de advieswaarden (van de World Health Organization (WHO). De blootstelling aan die stoffen komt echter niet alleen door de industrie; om te voldoen aan de WHOadvieswaarden zal de emissie van schadelijke stoffen bij verschillende bronnen omlaag moeten’.40

Naast deze inspanningen is meer nodig voor het realiseren van een gezondere en veilige leefomgeving in het Noordzeekanaalgebied: • om bewoners in de toekomst beter te beschermen is een beter wettelijk instrumentarium nodig (3.4.1); • het bevorderen van de gezondheid en de leefkwaliteit vraagt

De huidige normstelling en regelgeving op Europees- en rijksniveau is onvoldoende voor complexe hoog blootgestelde gebieden, zoals bijvoorbeeld die in IJmond waar diverse emissiebronnen met uitstoot van (vele) verschillende stoffen samenkomen. In de normstelling wordt nu geen rekening gehouden met deze

‘Onze ambitie in het Noordzeekanaalgebied is een gezondere en veilige leefomgeving.’

3.4 Wat is nodig voor deze ambitie?

Veel partijen in het Noordzeekanaalgebied dragen al bij aan deze gemeenschappelijke ambitie van een gezondere en veilige leefomgeving. Zo werken Rijk en regio samen op basis van het Schone Lucht Akkoord (SLA) en werken partijen in de IJmond samen met Tata Steel om via het Programma Tata Steel 2020-2050 snel te komen tot verbeteringen. Samenwerking tussen bedrijfsleven en overheden kan bijdragen om schonere technieken snel toe te passen, waardoor de leefomgeving verbetert.

52

om een integrale aanpak en gebiedsontwikkeling gericht op leefbare steden met recreatieve uitloopgebieden in de nabijheid (3.4.2).

cumulatie-effecten. Werken aan een gezondere leefomgeving betekent dat wetten, normen en onze instrumenten daarop wel zijn toegerust. Hiertoe moet wet- en regelgeving worden verbeterd, met gezondheidskundige normen als uitgangpunt en waarbij rekening wordt gehouden met cumulatie van stoffen. Het Rijk wordt gevraagd hieraan bij te dragen door te kijken naar Europese en nationale regelgeving. Een gelijk Europees speelveld is hierbij belangrijk. 3.4.2 Werken aan leefbare wijken en steden Voor het realiseren van leefbare wijken en steden is er meer nodig dan alleen woningen bouwen. Het vraagt om integrale gebiedsontwikkeling, waarbij de bouw van woningen gecombineerd wordt met samenhangende investeringen voor groen in wijken, warmtenetten, nabijheid van voorzieningen en goede mobiliteitsverbindingen naar knooppunten en recreatieve gebieden. De Metropoolregio werkt conform haar Verstedelijkingconcept in de NOVEX-aanpak MRA aan haar ambitie om complete, aantrekkelijke woonmilieus te creëren met kwalitatief hoogwaardige groene uitloopgebieden in de nabijheid. Hierbij kan worden aangesloten bij de integrale gebiedsgerichte aanpak in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. De stedelijke focusgebieden Amsterdam Nieuw-West en Zaanstad Oost maken hiervan deel uit. De IJmond volgt nog niet een dergelijke integrale aanpak in de stedelijke vernieuwing.

Dat is een groot gemis, omdat juist in de IJmond meerdere opgaven samenkomen die om een integrale aanpak vragen, gericht op het verbeteren van de leefbaarheid en het bouwen van woningen. De benodigde randvoorwaarden komen nu onvoldoende in beeld en op de agenda van Rijk en regio. Deze randvoorwaarden moeten vanuit een groter schaalniveau worden onderzocht en geagendeerd (zie paragraaf 5.2.3).

Om de ambitie van een gezondere en leefbare omgeving in de IJmond waar te maken, is een gezamenlijke integrale aanpak nodig die het volgende in kaart brengt en agendeert: • Wat is er nodig voor een gezonde leefomgeving op het gebied van mobiliteit? Welke maatregelen zijn hierin wenselijk om de gezondheid van de leefomgeving te bevorderen? Voorbeeld: de snelweg A22 vormt een emissiebron in Beverwijk. • Welke bovenplanse investeringen zijn nodig voor woningbouw en stedelijke vernieuwing?41 Waarbij gekeken wordt naar OV-frequenties van trein en bus, maar ook naar de huidige bottlenecks vanaf snelwegen zoals de A208. • Waar is bij woningbouw en stedelijke vernieuwing behoefte aan verbetering van langzaam-verkeersverbindingen (fiets en lopen) naar werk en voorzieningen en naar het recreatieve groen en omliggend landschap? • Is er voldoende netwerkcapaciteit voor elektriciteit en warmte? • En waar in de omgeving is behoefte aan investeringen in aanleg en beheer van meer recreatief groen en versterking van identiteitsbepalende historische cultuurlandschappen? De situatie rond gezondheid en leefbaarheid in de IJmond vraagt om een gezamenlijke uitwerking van IJmondgemeenten, provincie en Rijk, van wat in de fysieke leefomgeving nodig is om de gezondheid te verbeteren, de kwaliteit van de stedelijke en landelijke omgeving te vergroten, én meer woningen te bouwen.

Een bijbehorende dialoog met de omgeving kan hierbij kansrijk zijn.

53

3.4.3 Verduurzaming van industrie / Tata Steel De inspanningen voor het realiseren van de energietransitie naar groene brandstoffen en de snelle verduurzaming van de industrie in het Noordzeekanaalgebied brengen de ambitie voor een gezondere leefomgeving dichterbij, omdat verbranding van groene (niet-fossiele) brandstoffen schoner voor de omgeving is. Rijk en regio werken samen om via het Programma Tata Steel 2020-2050 snel te komen tot verbetering.

Snelle transitie Tata Steel Tata Steel werkt via de Roadmap Plus aan een groot pakket van milieu- en omgevingsmaatregelen. Dit maatregelenpakket van 300 miljoen euro moet uiterlijk in 2025 zijn opgeleverd. Afgelopen jaren zijn reeds grote projecten uit deze Roadmap Plus opgeleverd, zoals de investering in de koudbandwals voor een reductie van Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAKs) en de hal tegen grafietuitstoot. Momenteel wordt gewerkt aan een zogenaamde ontstoffings- en DeNoX installatie (150 miljoen euro) op de pelletfabriek, die emissies van zware metalen zoals lood fors gaat reduceren. In 2025 moet deze installatie ook de uitstoot van stikstofoxiden op het hele terrein met ongeveer een derde gaan reduceren. Verder is momenteel de bouw van een groot windscherm van 18 meter hoog en 1,5 km lang in voorbereiding om zo de verwaaiing van kolen en ertsen verder tegen te gaan, bovenop de bestaande maatregelen zoals besproeiing.

54

In deze Roadmap Plus werkt Tata Steel Nederland op korte termijn aan verbetering van de leefomgeving, zoals afname van de geurbelasting, reductie van neerslag van stof en vermindering van de uitstoot van fijnstof, zware metalen en stikstofoxiden. Daarnaast is TSN in het kader van het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie in gesprek over reductie van de CO2, stikstofoxide en verdere verbetering van de leefomgeving (de zogenaamde maatwerkafspraken). Deze transitie van Tata Steel richting de reductie van ijzererts met aardgas en later met waterstof is een cruciale stap voor de verduurzaming van Nederland en ontlast de omgeving. Bedrijf en overheid willen hierin dezelfde kant op. Dit vraagt om gemeenschappelijke afspraken om deze ontwikkeling snel in te zetten en in de tijd door te voeren.

55

H4 Landschap en watersysteem

Een goed functioneren van het Noordzeekanaalgebied valt en staat met een goed functionerend toekomstbestendig watersysteem. Daarnaast moeten het hele gebied en alle gebruiksfuncties zich voorbereiden op klimaatverandering. De structurerende keuzes in de beleidsbrief ‘Water en bodem sturend’ van het Rijk42 zijn hierop gericht en deze vormen ook het uitgangspunt voor het Noordzeekanaalgebied. Tegelijk is voor het landelijke gebied een transitie nodig, gericht op klimaatbestendigheid, een sterk water- en bodemsysteem, biodiversiteit en sociaaleconomische vitaliteit.

4.1 Landschap en watersysteem

Het oorspronkelijke landschap in het Noordzeekanaalgebied is gevormd door natuurlijke processen, waarbij water, wind en bodemvormende processen een rol speelden. Vanaf de Middeleeuwen heeft de mens een steeds grotere stempel gedrukt op de vorming van het landschap en creëerden ze de typerende cultuurlandschappen. Achter de kustlijn met haar duinen en zandige binnenduinrand en haar lange bewoningsgeschiedenis ligt een laaggelegen land van klei en veen. Om de grond productief te maken moest het waterpeil in dit lage land worden beheerst en is het landschap deels opgedeeld in polders. Hier liggen vruchtbare landbouwgronden en grazige weiden. Met de aanleg van het Noordzeekanaal in 1870, en de inpoldering van de IJpolders, verdween het getijdenlandschap van het Oer-IJ, dat in open verbinding stond met de zee. Er ontstond een nieuwe, rechte oost-westlijn in het landschap. Enerzijds een drager van economische activiteiten, anderzijds een doorsnijding van historische structuren. Sindsdien voltrok zich een proces van industrialisatie en verstedelijking langs het kanaal.

58

Nieuwe infrastructuurlijnen dienden zich aan. Het westelijke polderlandschap kreeg een militaire functie met de aanleg van de Stelling van Amsterdam. Vanaf medio twintigste eeuw nam de fragmentatie in dit landschap toe. Delen van het landschap werden geoptimaliseerd voor de agrarische productie of voor recreatiedoeleinden. Natuur werd beschermd in een Nationaal Park in de duinstrook en andere natuurgebieden, maar stond en staat onder toenemende druk van verstedelijking, recreatie en agrarische optimalisatie.43

Landschappen NZKG

De huidige landschappen in het Noordzeekanaalgebied maken deel uit van een regionaal groenblauw netwerk van de Metropoolregio Amsterdam en zijn rijk aan archeologisch en cultureel erfgoed. Het landschap van het voormalige Oer-IJ verbindt de veenpolders en droogmakerijen aan weerszijden van het kanaal. Het overlapt deels met de Stelling van Amsterdam (onderdeel van het Unesco-werelderfgoed Hollandse Waterlinies), die zich met haar verdedigingswerken in het open landschap manifesteert als een groene ring rond de hoofdstad. Direct in en om het Noordzeekanaalgebied kent het landschap een aantal bijzondere kwaliteiten, zoals het recreatiegebied Spaarnwoude en het typisch Hollandse veenweidelandschap van Westzaan en Haarlemmerliede. In het westen bevinden zich het duinlandschap, de binnenduinrand en de landgoederenzone van Noorden Zuid-Kennemerland, met hun natuurlijke en cultuurhistorische rijkdom en hun functie voor de drinkwaterproductie en recreatie.44 Ook het water in het Noordzeekanaalgebied maakt deel uit van een groter systeem, namelijk dat van het Amsterdam-Rijnkanaal en Noordhollandsch Kanaal. Dit watersysteem is weer verbonden met en afhankelijk van omliggende watersystemen, zoals de regionale watersystemen, het IJsselmeergebied en het rivierengebied.

59

Al die watersystemen zijn met elkaar verbonden. Het AmsterdamRijnkanaal en het Noordzeekanaal vormen de blauwe levensader voor een gebied waar 4 miljoen mensen leven en dat deel uitmaakt van het economische hart van Nederland. We benaderen de vraagstukken in het Noordzeekanaalgebied vanuit dit brede perspectief. Daarom maakt dit hele gebied als deelregio CentraalHolland onderdeel uit van het Deltaprogramma. Dit watersysteem faciliteerde tot nu toe steeds het grondgebruik met een complex en nauw luisterend systeem van polders, sloten, riviertjes en kanalen, met elkaar verbonden door stuwen, sluizen en gemalen. Dit vroeg steeds verdergaande technische ingrepen in het systeem om alle verschillende gebruikers van voldoende zoetwater en drinkwater te voorzien en de waterpeilen af te stemmen op het grondgebruik. Aanpassingen aan het watersysteem maakten tal van functies mogelijk, voor haven en industrie, stad en landschap. Tegelijkertijd werd de ruimte voor het watersysteem steeds verder ingeperkt. Nu, in de 21e eeuw, zit het watersysteem aan zijn grenzen en is het niet langer in staat om alle functies te bedienen. Dit in combinatie met klimaatverandering maakt aanpassingen noodzakelijk, zowel van het watersysteem zelf, als van de druk op het systeem van verschillende gebruikers.

4.2 Opgaven 4.2.1 Opgaven voor een toekomstbestendig watersysteem De klimaatverandering heeft grote impact op stad en land. In het laaggelegen Nederland manifesteren de effecten zich vooral via het watersysteem. Dat geldt in het bijzonder in de delta van de grote rivieren, waar het Noordzeekanaalgebied deel van uitmaakt.

60

Er komt veel op het watersysteem af: • de zeespiegel stijgt, met risico’s op verzilting, overstroming en minder mogelijkheden om overtollig water kwijt te raken; • er is vaker te weinig water, met risico’s op droogte, zoetwatertekort en verzilting; • er is vaker te veel water, met risico’s op wateroverlast door hevige buien en overstromingen door dijkdoorbraken; • de waterkwaliteit voldoet niet aan de normen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) door vervuiling. Dat leidt tot risico’s voor de gezondheid en de natuurkwaliteit, en kan leiden tot ongewenste beperkingen aan toekomstige ontwikkelingen in het gebied. Deze vier effecten van de klimaatverandering en de daaraan verbonden risico’s maken het watersysteem en de daarmee samenhangende gebruiksfuncties zeer kwetsbaar. Een extra kwetsbaarheid is de afhankelijkheid van één afvoerpunt: het spui- en maalcomplex IJmuiden. Veel ruimtelijke ontwikkelingen en ambities die afgelopen decennia in het gebied hebben plaatsgevonden en nog in de planning staan, hebben de druk op het watersysteem verhoogd en de kwetsbaarheid vergroot. Dat is nadelig voor alle functies, bedrijven en inwoners van het gebied. Het watersysteem kan niet meer alle functies faciliteren die er gebruik van maken.

Een toekomstbestendig watersysteem vereist dat water en bodem sturend zijn bij alle ruimtelijke opgaven.45 Een toekomstbestendige regio vraagt om een aanpak van de volgende vijf opgaven: 1. anticiperen op de zeespiegelstijging, 2. anticiperen op verzilting, 3. keuzes maken in zoetwaterbeschikbaarheid, 4. verbeteren van de waterkwaliteit, 5. beperken van overstromingsrisico’s en wateroverlast.

1. Anticiperen op zeespiegelstijging Nederland heeft te maken met een versnelde stijging van de zeespiegel, veroorzaakt door de opwarming van de aarde. Die versnelde stijging zal zeker nog vele tientallen jaren blijven voortduren, maar het is nog onzeker met welk tempo. Het verschil tussen de ligging van het land en het zeeniveau neemt sneller toe dan door de zeespiegelstijging alleen, doordat in grote delen van Nederland, ook in het Noordzeekanaalgebied, de bodem daalt. De zeespiegelstijging werkt op verschillende manieren door in het watersysteem en het ruimtegebruik van het Noordzeekanaalgebied. Zo wordt het steeds moeilijker om water vanuit het Noordzeekanaal te spuien naar zee. Als het peil van het zeewater eenmaal hoger is dan het peil van het Noordzeekanaal is spuien bijna niet meer mogelijk. Dan kan het water uit het kanaal alleen nog naar zee worden gepompt. Dit is naar verwachting rond 2050 het geval. Om afwatering van het gebied te garanderen is extra maalcapaciteit nodig, bijvoorbeeld bij het complex in IJmuiden, maar om niet afhankelijk te zijn van één pompcomplex idealiter ook op andere locaties. Dit vraagt om afwegingen op een hoger schaalniveau dan dat van het Noordzeekanaalgebied. Voor investeringen met een lange looptijd (en dat zijn de meeste ruimtelijke investeringen) is het belangrijk om nu al te anticiperen op de zeespiegelstijging en de gevolgen daarvan.

We willen voorkomen dat we oplossingsrichtingen voor de toekomst onmogelijk maken en problemen afwentelen op de toekomst. Dat vraagt om scherpe locatiekeuzes, het reserveren van voldoende ruimte voor de versterkingsopgave van de primaire en regionale waterkeringen, het vrijhouden van gebieden voor waterberging en robuuste klimaatbestendige ontwikkelingen.

2. Anticiperen op verzilting Een van de effecten van de zeespiegelstijging is een toename van de verzilting. Via de sluizen bij IJmuiden stroomt zout zeewater in het Noordzeekanaal. Om de toegenomen zoutvracht door de komst van de nieuwe Zeesluis IJmuiden te mitigeren, wordt er bij de sluis een selectieve onttrekking (oftewel zoutdam) gebouwd. Door de zeespiegelstijging neemt de tegendruk van zoetwater uit de rivieren af, zeker in perioden van droogte die in de toekomst frequenter zullen optreden. Het risico ontstaat dat verzilt water doordringt naar het Amsterdam-Rijnkanaal, met gevolgen voor de natuur, landbouw en drinkwaterwinning, omdat die afhankelijk zijn van zoetwater uit het Amsterdam-Rijnkanaal. Het geldende landelijke beleid is de ‘verdringingsreeks’, die in tijden van (extreme) droogte prioriteiten stelt. In dergelijke periodes wordt scheepvaart als een van eerste functies ‘afgesloten’ van zoetwateraanvoer. Dit betekent dat er schutbeperkingen gaan gelden voor de Zeesluis IJmuiden. Gezien de gevolgen voor het economische functioneren van onze havengebieden vraagt deze problematiek van toenemende verzilting een uitwerking en agendering op een hoger schaalniveau dan het Noordzeekanaalgebied. 3. Keuzes maken in zoetwaterbeschikbaarheid Zoetwater is nodig voor de landbouw, de drinkwaterproductie en als koel- en proceswater in de industrie.

Door de frequentere perioden van droogte en de nog steeds stijgende vraag naar zoetwater, is niet langer vanzelfsprekend dat er voor al deze doeleinden zonder meer voldoende water beschikbaar is. Drinkwaterbedrijven trekken nu al aan de bel en geven aan dat niet bij alle ontwikkelingen extra drinkwatervoorziening gegarandeerd kan worden. In de beleidsbrief ‘Water en bodem sturend’ zet het Rijk in op een vermindering van het drinkwatergebruik van 20% bij zowel huishoudens als bedrijven.

61

Hoogteligging van het NZKG

Reductie van zoetwatergebruik wordt een opgave voor het hele Noordzeekanaalgebied, mede door verwachte komst van nieuwe watervragende industriële processen, zoals de productie van waterstof. Om afnemers een prikkel te geven om in de toekomst zoetwatergebruik te reduceren is het belangrijk om gebruik te meten en om marktprikkels voor reductie te ontwikkelen. Reductie kan deels worden beperkt door meer zoetwater te bergen, en zo beschikbaar te houden om tijdelijke tekorten op te kunnen vangen. Daarnaast wordt binnen Westpoort door Waternet gekeken naar het inrichten van een separaat watersysteem voor industriewater. 4. Verbeteren van de waterkwaliteit De waterkwaliteit wordt in Nederland een steeds nijpendere opgave. Bij alle ambities in het Noordzeekanaalgebied moeten ook de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (een Europese wetgevingslijn) gehaald worden. Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de waterkwaliteit met zich meebrengen. Speciale aandacht is daarbij nodig voor lozingen van koel- en afvalwater op het oppervlaktewater. Voor koelwaterlozingen is de ontvangstcapaciteit van het watersysteem in droge en warme periodes zeer beperkt. Het is niet langer gegarandeerd dat bedrijven hun koelwater altijd kwijt kunnen op het oppervlaktewater.

De hoge temperaturen van deze lozingen zorgen voor extra problemen voor de ecologische kwaliteit van het ontvangende water. Afvalwaterlozingen zijn vooral afkomstig van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) en de industrie. Hierdoor komen (mogelijk schadelijke) stoffen in het oppervlaktewater terecht. Zeker in periodes van watertekort, als de verontreiniging in het water minder wordt verdund, kunnen normen worden overschreden en beperkingen worden opgelegd.

5. Beperken van overstromingsrisico’s en wateroverlast Door zeespiegelstijging en extremer weer (analoog aan de clusterbuien in Limburg in 2021) zullen de overstromingsrisico’s toenemen en wordt ook de kans op wateroverlast groter. Dat betekent dat locatiekeuzes essentieel worden voor een toekomstbestendige regio. Waar bouw je en op welke manier, en waar juist niet? Met een inzet op gevolgbeperking van overstromingen voorkomen we dat we nu de kwetsbare gebieden van de toekomst ontwikkelen. Daarbij is speciale aandacht nodig voor de locaties van vitale en kwetsbare functies (bijvoorbeeld voor de energietransitie) en de manier waarop die worden ontwikkeld. Het is daarbij belangrijk om ook herstelmogelijkheden en de snelheid daarvan mee te nemen in de afweging, om bij een eventuele overstroming de duur van de maatschappelijke ontwrichting zo kort mogelijk te houden. Ook is bijzondere aandacht nodig voor de locaties waar kwetsbare, niet-zelfredzame groepen worden gehuisvest, en voor evacuatiemogelijkheden in het geval van een overstroming: ‘horizontaal’ om het gebied snel te kunnen verlaten of ‘verticaal’ om snel het dak of een veilige verdieping van het gebouw te kunnen bereiken. 4.2.2 Opgaven voor het landschap Het landschap is dynamisch. Door de jaren heen heeft het landschap in het Noordzeekanaalgebied meebewogen met veranderende maatschappelijke behoeften.

De komende decennia zal dat niet anders zijn. De maatschappelijke behoeften van nu hangen samen met de opgaven voor het watersysteem, hierboven beschreven, en de opgaven voor de haven- en industriegebieden en de stedelijke gebieden die omschreven zijn in de voorgaande hoofdstukken: 1. vergroten van het waterbergend vermogen, 2. herstellen van de biodiversiteit, versterken van het groenblauwe raamwerk. 3.

(LET OP: update beschikbaar)

62

63

Deze opgaven moeten in samenhang worden benaderd en leiden samen tot een transitie-opgave voor het landelijk gebied. Deze transitie vraagt om ontwikkeling van nieuwe perspectieven voor de landbouw en oog voor de consequenties voor het landschappelijke en archeologische erfgoed. 1. Vergroten van het waterbergend vermogen In het verlengde van de opgaven voor het watersysteem, heeft het landschap een belangrijke rol in het opslaan van water. Dat heeft twee kanten. Ten eerste kan bij hevige regenval niet al het water in één keer worden afgevoerd naar het Noordzeekanaal en verder naar zee. Ten tweede is waterberging noodzakelijk om schoon zoetwater beschikbaar te houden voor later gebruik, bijvoorbeeld bij langdurige droogte. In het algemeen geldt de voorkeursvolgorde vasthouden, hergebruiken, bergen en dan pas afvoeren. De voorkeur voor het vasthouden van water kan invulling krijgen door een vitale bodem te bewerkstelligen die als een spons het water opneemt. In veengebieden gaat een betere sponswerking samen met de ambitie om de bodemdaling tegen te gaan, met de daaraan verbonden reductie van CO2-uitstoot. Daarnaast is in de toekomst ruimte nodig voor waterberging in het landschap. Eerste schattingen gaan uit van een minimum van 10 miljoen m3 rond het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaal.

Dat staat gelijk aan 1000 hectare (ongeveer 1500 voetbalvelden) met een waterdiepte van één meter. Maar waarschijnlijk is er nog meer berging nodig op alle schaalniveaus, zowel in de haarvaten van het systeem als in grootschaligere waterbergingslocaties.46 Zo kan worden verkend of er een tussenboezem-systeem kan worden geïntroduceerd om meer ruimte voor water te bieden en tegelijk gebieden met elkaar te verbinden en een aantrekkelijk landschap te creëren.

64

2. Herstellen van de biodiversiteit Herstel van biodiversiteit is overal in Nederland, dus ook in het Noordzeekanaalgebied, een urgente opgave. Zowel in de Natura 2000-gebieden, in de gebieden en verbindingszones van het Natuurnetwerk Nederland, als daarbuiten, in agrarisch en stedelijk gebied. Een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van biodiversiteit is het verlies aan oppervlakte voor de natuur en een gebrek aan verbindingen tussen natuurgebieden. Daarom is het beschermen, behouden en versterken van een robuust natuurnetwerk van groot belang. Het gaat daarbij om het behoud van schaal en grootte van de natuurgebieden en het verbinden van de gebieden met elkaar. Ook het verminderen van externe belastende factoren, zoals de stikstofneerslag op de duinen, en het terugbrengen van een natuurlijke dynamiek, zijn onmisbaar voor een systeemherstel. In de provinciale omgevingsverordening wordt het Natuurnetwerk beschermd tegen ruimtelijke ontwikkelingen die natuurwaarden aantasten. 3. Versterken van het groenblauwe raamwerk Naast het vergroten van het waterbergend vermogen en het herstellen van de biodiversiteit spelen meer opgaven in het landelijk gebied. Een gemeenschappelijke noemer in het versnipperde landschap van het Noordzeekanaalgebied is de behoefte aan versterking van de samenhang.

Zoals hierboven beschreven, is het herstel van de biodiversiteit gebaat bij betere verbindingen tussen natuurgebieden. Voor de recreatie, een landschappelijke opgave die sterk verbonden is aan de stedelijke omgeving, geldt hetzelfde. De bevolkingsomvang groeit en daarmee ook de recreatiedruk. Dat vraagt om recreatief aantrekkelijke landschappen en routestructuren. De landschapsbeleving neemt over het algemeen toe als historische patronen en structuren nog herkenbaar zijn, of weer herkenbaar zijn gemaakt, in het landschap.

Het groenblauwe netwerk loopt door tot in stedelijk gebied. Wijken waar leefbaarheid om een aanpak vraagt, kunnen profiteren van een sterkere groenblauwe structuur als onderdeel van een gezondheidsbevorderende leefomgeving. Groen en water helpen tegelijk hittestress tegen te gaan, water vast te houden en de biodiversiteit in de stad te vergroten. Idealiter begint de groen- en waterstructuur bij de voordeur, en loopt die via groenzones in de stad naar stadsparken en via aantrekkelijke stad-landverbindingen naar het buitengebied. Een toegankelijk en aantrekkelijk uitloopgebied op korte afstand van de woning is een onlosmakelijke component van de kwaliteit van de leefomgeving. De Metropoolregio Amsterdam hanteert als maatstaf een fietstocht van een kwartier. Dat vraagt om goede, aantrekkelijke verbindingen. De sturende rol van water en bodem in de ruimtelijke ontwikkeling levert ook een vorm van landschappelijke samenhang op. Het water- en bodemsysteem draagt die samenhang: er ontstaat weer een direct verband tussen het ruimtegebruik aan de ene kant en de bodemsoort en de hoogteligging aan de andere kant. Het concept van kringlooplandbouw, onderdeel van de Startversie van het Provinciaal Programma Landelijk Gebied van de provincie Noord-Holland (PPLG, juli 2023), sluit hierop aan.

Ook de opgave om het waterbergend vermogen van het landschap te vergroten, met name in de relatief laaggelegen delen, hangt hiermee samen. Een sturende rol voor water en bodem kan verder betekenen dat natuur en landbouw zich op bepaalde plaatsen aanpassen aan verzilting van het grondwater. Door deze opgaven met elkaar in samenhang te benaderen, versterken we het karakter van het landschap als een aaneengesloten groenblauw raamwerk.

4.3 Ambitie

Voor het Noordzeekanaalgebied is aanpassen aan klimaatverandering een urgente opgave. Het landschap gaat hierdoor veranderen. Door opgaven vanuit klimaatverandering en het watersysteem te verbinden met opgaven voor ecologisch herstel en versterken van het landschap als groenblauw raamwerk, versterken we zowel het watersysteem als het landschap. Onze ambitie in het Noordzeekanaalgebied is: • om water en bodem sturend te maken voor alle ruimtelijke opgaven in het gebied, • om bij alle ontwikkelingen oog te houden voor de consequenties voor het erfgoed, • om de samenhang, klimaatadaptiviteit en identiteit van het landschap te versterken.

4.4 Wat is er nodig voor deze ambitie? 4.4.1 Water en bodem sturend De opgaven voor een toekomstbestendig watersysteem leiden tot de noodzaak om water en bodem een sturende rol te geven in de ruimtelijke ontwikkeling. Het is een voorwaarde voor een duurzaam functioneren van het Noordzeekanaalgebied als geheel, niet alleen het landschap maar ook de haven- en industriegebieden en de stedelijke omgeving. Te veel of juist te weinig water schaadt alle ruimtelijke functies en ontwikkelingen in het gebied, maar is een realistisch risico als de houding ten opzichte van het watersysteem niet verandert. Alle nieuwe ontwikkelingen in het Noordzeekanaalgebied moeten rekening houden met de beperkingen en mogelijkheden van het water- en bodemsysteem.

65

We sluiten hiermee aan op het beginsel ‘Water en bodem sturend’ in het nationale beleid, verwoord in de gelijknamige beleidsbrief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat (2022). ‘Door water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, kunnen we in Nederland ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken, in een veilige omgeving, met een gezonde bodem, voldoende en schoon water’, stelt de minister daarin. Tegelijk is duidelijk dat een consequente toepassing van dit beginsel ook leidt tot keuzevraagstukken op een hoger schaalniveau dan het Noordzeekanaalgebied. Zo is de hoeveelheid water in het Noordzeekanaal en de kwaliteit ervan afhankelijk van keuzes die worden gemaakt voor bovenstroomse gebieden (het hele rivierengebied tot in Zwitserland aan toe) en aangrenzende gebieden (met name het IJsselmeergebied). Ook de aanpak van de verzilting in het Noordzeekanaal vraagt om een benadering op hogere schaal. Om water en bodem sturend te maken voor de ruimtelijke ontwikkeling, is een viersporenbenadering nodig: 1. Ruimte voor water: we moeten het waterbeheer uit de te krappe jas halen waar het nu in zit. Er is meer ruimte nodig voor het watersysteem, nu en op lange termijn. 2.

Randvoorwaarden aan andere opgaven: potentiële locaties voor nieuwe ontwikkelingen of functiewijzigingen worden vooraf beoordeeld op de (on-)mogelijkheden die het water- en bodemsysteem biedt. 3. De watersector aan zet: we passen technische maatregelen in het watersysteem toe waar dat noodzakelijk is. 4. Elke ontwikkeling draagt bij aan de oplossing voor de lange termijn gericht op het herstel en ontwikkeling van een vitaal water- en bodemsysteem.

66

Deze vier sporen vormen bij elkaar een samenhangende aanpak. Om onze ambities waar te maken, hebben we alle vier sporen nodig. Ruimte voor water Onder de ‘opgaven’ is de voorkeursvolgorde genoemd in de omgang met water: vasthouden waar het valt, zo mogelijk hergebruiken, als dat niet lukt bergen in een daarvoor aangewezen gebied en pas als dat ook niet mogelijk is het af te voeren op het hoofdwatersysteem (via het Noordzeekanaal naar zee). Het vasthouden en bergen leiden tot een ruimtebehoefte voor water. In het Noordzeekanaal komt daar de ruimtebehoefte op lange termijn bij om water uit het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaal te kunnen bergen, op momenten dat de toevoer zo groot is dat opstuwing bij het spui- en maalcomplex van IJmuiden ontstaat. Water vasthouden waar het valt, betekent: • gebieden met een grote waterbergende capaciteit in de bodem daar beter voor te benutten (de zogenaamde sponswerking), • het grondgebruik in gebieden waar de bodem daalt en in lager gelegen gebieden transformeren naar een gebruik dat een hogere grondwaterstand en een verdere verzilting van de bodem toelaat, • in stedelijke gebieden en op bedrijventerreinen meer ruimte creëren voor infiltratie in de bodem en maatregelen te nemen om water zoveel mogelijk vast te houden op gebouwen en terreinen.

Meer water bergen betekent dat lager gelegen gebieden een rol gaan vervullen in het bufferen van water vanuit de regionale watersystemen en het hoofdwatersysteem. Gezien de voorlopig berekende behoefte op lange termijn van 10 miljoen m3 in het gebied van het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal, moeten we er rekening mee houden dat we dergelijke bergingsgebieden nodig zullen krijgen. De transitie naar een klimaatadaptief landschap dat een functie heeft in het vasthouden en bergen van water, vraagt om overleg en gesprek met de agrarische ondernemers die het land bewerken en beheren. Een andere vorm van ‘meer ruimte voor water’ is de benodigde ruimte langs de dijken. Daar bevinden zich beschermingszones waarin geboden en verboden gelden voor bepaalde activiteiten, werkzaamheden en beheer. Deze zijn bedoeld om de dijken sterk en veilig te houden. Daarnaast is er een ‘profiel van vrije ruimte’ langs de dijken. Dit is een ruimtereservering om extra dijkversterkingen in de toekomst mogelijk te maken. Alle ontwikkelingen in het Noordzeekanaalgebied moeten met deze voorschriften rekening houden. De klimaatverandering vraagt om extra reserveringzones om dijken in de toekomst mogelijk verder te kunnen versterken. Bij historische dijken zijn daarnaast restricties gesteld aan nieuwe ontwikkelingen vanwege de cultuurhistorische kwaliteit.

Randvoorwaarden aan andere opgaven Conform de structurerende keuzes uit de beleidsbrief ‘Water en bodem sturend’ van het kabinet zullen er randvoorwaarden gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid is nog niet af, maar de richting is duidelijk. We spreken af dat nieuwe projecten

in het Noordzeekanaalgebied ruimtelijk zodanig worden ingericht dat ze die richting zoveel mogelijk ondersteunen, ook als er nog geen harde juridische of beleidsmatige regels voor zijn gesteld. Dat betekent: • wateraanvoer en -afvoer oplossen in eigen gebied; • niet, of onder strikte voorwaarden, bouwen in kwetsbare gebieden; • klimaatadaptief en modulair ontwerpen van woningen, voorzieningen en bedrijven; • bij nieuwe ontwikkelingen anticiperen op overstromingen en wateroverlast; • sturen op combinaties van ruimtevragende functies; • voldoende goed drinkwater is niet langer vanzelfsprekend; • beperken van het lozen van koel- en proceswater in oppervlaktewater; • grootschalige elektrolyse op locaties waar voldoende (zoet) water beschikbaar is; • ingevolge de Kaderrichtlijn Water mogen ontwikkelingen in en rond het kanaal er niet toe leiden dat de chemische en/ of ecologische toestand van het Noordzeekanaal of andere waterlichamen in het gebied achteruitgaat. Deze voorwaarden kunnen leiden tot de conclusie dat een locatie ongeschikt blijkt te zijn om een ontwikkeling op een toekomstbestendige en maatschappelijk acceptabele manier uit te voeren. Er moeten dus scherpe keuzes gemaakt worden in de ruimtelijke ordening. We houden daarbij de lange termijn in beeld, we ontwikkelen niet nu de problemen van de toekomst.

Onder invloed van de principes in de beleidsbrief Water en Bodem Sturend van het kabinet en snel voortschrijdend inzicht, is de verwachting dat de randvoorwaarden voor water steeds nauwkeuriger geformuleerd kunnen worden.

67

De watersector aan zet Technische maatregelen zijn maatregelen in het watersysteem zelf, zoals pompen, stuwen en zuiveringsinstallaties. Deze bouwen in essentie voort op het huidige systeem en zorgen, mits slim uitgevoerd, voor een aanvulling op het huidige watersysteem, zodat het robuuster en minder kwetsbaar wordt. Technische maatregelen aan het watersysteem lijken de aangewezen weg om: • de afvoercapaciteit van het watersysteem te vergroten richting Markermeer, Lek of Noordzee, bijvoorbeeld via extra pompen; • de zoutindringing in het Noordzeekanaal te beperken; • de beschikbaarheid van zoetwater te vergroten; • overstromingsrisico’s te beperken via dijk- en kustversterkingen en regionale keringen, in aanvulling op maatregelen die meer ruimte geven aan het water. Werken aan een robuust en vitaal water- en bodemsysteem Elke nieuwe ontwikkeling in het Noordzeekanaalgebied draagt bij aan het herstel en ontwikkeling van een veerkrachtig water- en bodemsysteem. Er wordt ingezet op functies en gebruik die in overeenstemming zijn met bodem en water en bijdragen aan het herstel ervan. Ruimtelijke ontwikkelingen in het Noordzeekanaalgebied die het water- en bodemsysteem onomkeerbaar beschadigen worden niet toegelaten. Dit alles zal de leefbaarheid en de bedrijvigheid in het Noordzeekanaalgebied ten goede komen.

68

4.4.2 Erfgoedinclusief ontwikkelen Bij alle transitieopgaven die impact hebben op de leefomgeving, zowel in stedelijk als in landelijk gebied, worden erfgoedwaarden meegewogen. Erfgoed is een drager van identiteiten en kernkwaliteiten van de omgeving, en deel van de opgave om het groenblauwe raamwerk te versterken. Erfgoedinclusief ontwikkelen betekent dat erfgoed een leidende factor kan zijn bij beslissingen in het ruimtelijke domein. Erfgoed geeft dan sturing aan de oplossing voor landschappelijke opgaven of de inpassing van ingrepen in landschap, of is als erfgoedopgave bepalend voor de inrichting van het landschap. Dit geldt in het bijzonder voor het beschermde erfgoed (zoals Unesco-werelderfgoed), maar ook voor behoudenswaardig erfgoed zonder juridische status en archeologische terreinen. Het gaat om behoud van erfgoedwaarden maar ook om ontwikkeling van erfgoed, waarbij kwaliteit en herkenbaarheid wordt toegevoegd. Denk aan dijken, landgoederenzones, polders en historische waterwegen. Niet de bevriezing van het erfgoed in de tijd is van belang, maar ontwikkelingsgericht meebewegen op basis van erfgoedwaarden en het herkenbaar houden van de diverse tijdlagen in het landschap.

Om bij toekomstige inpassingen in het Noordzeekanaalgebied rekening te houden met cultuurhistorie en landschappelijke structuren heeft MOOI Noord-Holland voor de NOVEX-aanpak NZKG een Gebiedsbiografie voor het Noordzeekanaalgebied ontwikkeld47. Doel van dit product is om dit te betrekken bij toekomstige ruimtelijke inpassingen.

4.4.3 Een klimaatadaptief landschap met samenhang en identiteit Een klimaatadaptieve inrichting, een hoge natuurkwaliteit en een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving vragen allemaal om een samenhangend landschap. In al zijn diversiteit moet het landschap zich als een samenhangend geheel manifesteren en ook bestaande woon- en werkgebieden in zich opnemen. Dat vraagt om een landschapsstrategie die verbindingen legt: ecologische verbindingen, recreatieve verbindingen en verbindingen in het watersysteem. Die moeten zoveel mogelijk in samenhang met elkaar worden ontwikkeld. Door grootschalige infrastructuur die het landschap doorsnijdt (zoals het Noordzeekanaal) en verstedelijking is dit landelijk gebied nu sterk versnipperd. Er zijn nog weinig groene corridors aanwezig tussen de stedelijke gebieden die een verbinding kunnen vormen tussen de grote groengebieden, en waar ze wel aanwezig zijn, zijn ze smal. Om het landschap te versterken, kan aansluiting worden gezocht bij de historische landschapsstructuren van het Oer-IJ en de Stelling van Amsterdam. Een duidelijke profilering daarvan in het landschap kan tegenwicht bieden tegen de dominante, economisch georiënteerde oost-west-structuur van het kanaal. Vooral voor het Oer-IJ vraagt dat om investeringen.

De voormalige zeearm is nauwelijks meer herkenbaar in het landschap.48 De noord-zuid doorlopende structuur van grote landschappen en groengebieden achter de binnenduinrand vraagt om versterking. Deze bestaat uit open weidegebieden, afgewisseld met een reeks landgoederen en buitenplaatsen direct grenzend aan de verstedelijkte zone van Hoofddorp via de IJmond naar Uitgeest.

Aan weerszijden van het Noordzeekanaal liggen ook kansen om de oost-westverbindingen te versterken, in zowel landschappelijk, ecologisch als recreatief opzicht. Deze verbindingen zijn van essentieel belang voor verschillende functies van het landschap zoals recreatie, biodiversiteit, waterhuishouding, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Ten zuiden van het kanaal gaat dat om een groene verbindingszone tussen Zuid-Kennemerland en Spaarnwoude. Die is belangrijk voor het natuurherstel en de doorontwikkeling van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland tot een ‘Nationaal Park nieuwe stijl’, zoals in de ambitie van het ministerie van LNV wordt beschreven. Met een sterke ecologische buffer, grenzend aan het park, versterken we de natuur en kan toenemende recreatieve druk worden gespreid. Door schoon kwelwater in de binnenduinrand vast te houden blijft de strategische zoetwaterreserve in de duinen behouden. De sponswerking van de (agrarische) veengebieden aan de oostzijde hiervan moet vergroot worden. Dat is van belang om de verzilting tegen te gaan en om de zoetwaterbehoefte in droge tijden te faciliteren. Ten noorden van het kanaal liggen er kansen voor een groene verbinding tussen het Noord-Hollands Duinreservaat en het landschap van het voormalige Oer-IJ.

69

H5 Onze koers

Van ambities naar een integrale aanpak In de voorafgaande hoofdstukken zijn opgaven en ambities uitgewerkt, zoals die vanuit Rijksprogramma’s en regionale programma’s op het Noordzeekanaalgebied inwerken. In dit ontwikkelperspectief geven Rijk en regio hier richting aan vanuit ons integraal perspectief.

5.1 Een koers in twaalf punten

De opgaven en ambities komen samen in een koers in twaalf punten. Gezamenlijk vormen deze twaalf punten een integraal pakket. Het zijn de punten waarop we samenwerken aan een snelle economische transitie, een gezondere leefomgeving in onze stedelijke gebieden en waardevolle, klimaatadaptieve landschappen. Dit is onze koers voor de komende jaren: 1. Inpassen energiehoofdstructuur; 2. Verduurzamen economie en industrie (in het bijzonder van Tata Steel); 3. Voldoende milieuruimte, in het bijzonder additionele risicoruimte; 4. Ruimte intensiveren in haven- en industriegebieden; 5. Realiseren Energiehaven met ambitie voor doorgroei; 6. Afstemming over tempo van transformatie voor woningbouw; 7. Werken vanuit het Schone Lucht Akkoord; 8. Verbeteren van het instrumentarium voor een gezondere leefomgeving; 9. Sterker inzetten op stedelijke vernieuwing; 10. Het principe ‘water en bodem sturend’ als basis; 11. Strategische reserveringen voor waterberging; 12. Landschappen en ecologie versterken.

72

5.1.1 Inpassen energiehoofdstructuur De nieuwe groene energiehoofdstructuur wordt ontwikkeld als een nieuwe drager voor het Noordzeekanaalgebied. Deze drager brengt een aantal opgaven dichterbij, zoals het verduurzamen van de industrie, ambities voor een circulaire economie, het realiseren van een gezondere leefomgeving en draagt aan het tegengaan van klimaatverandering. Voor fysieke inpassing wordt in beginsel ingezet op Westpoort en liggen er, na de transitie van Tata Steel naar groen staal, kansen op het terrein van Tata Steel. Niet alle energie-infrastructuur kan op de huidige industrieterreinen worden gerealiseerd, omdat nabijheid tot verbindende netwerken (zoals het 380 kV-hoogspanningsnet) in sommige gevallen een vereiste is. Westpoort • Aan de westkant van Westpoort is fysieke ruimte beschikbaar die onder andere ingezet kan worden voor de energietransitie en onderdelen van de Cluster Energie Strategie. • Door uitbreiding van risicoruimte (zie paragraaf 5.2.2) en, indien nodig, geluidsruimte aan de westkant van Westpoort, kan beschikbare ruimte optimaal worden benut voor nieuwe installaties voor het produceren van waterstof en circulaire brandstoffen. • Richting 2030 vindt een transitie plaats van de huidige steenkoolopslag, waardoor meer ruimte vrijkomt die hiervoor ingezet kan worden.

• Aansluiting op het nationale en regionale waterstofnetwerk is nodig om deze installaties van voldoende waterstofmoleculen te voorzien. • Uitbreiding en versterking van het elektriciteitsnetwerk is voorwaardelijk voor bedrijven in Westpoort om de omslag te maken naar verduurzaming. Netbeheerders realiseren hiervoor een

•

aantal onderstations in Westpoort. De bestaande energiecentrale kan in de toekomst benut worden voor regelbaar vermogen voor momenten met te weinig zon- en windenergie. Tevens zijn aansluitingen op het bestaande warmte- en CO2netwerk noodzakelijk.

Terrein van Tata Steel • In de toekomst wordt Tata Steel één van de grote afnemers van duurzame brandstoffen. Bij het uitfaseren van steenkolen in de productieprocessen van Tata Steel komt ruimte vrij op het terrein. Deze ruimte kan betrokken worden bij de afweging waar de energie-infrastructuur wordt ingepast. Indien dit zich goed verhoudt tot de ambitie voor een gezondere leefomgeving kan daarbij gedacht worden aan: » De aansluiting op het waterstofnetwerk voor waterstofmoleculen;. » Aanlandlocaties Wind op Zee; » Productie van waterstof via elektrolyse; » Een importterminal van waterstof. Inpassingen van deze onderdelen in de toekomst op het terrein van Tata Steel kan alleen als deze zich goed verhouden tot de ambitie voor een gezondere leefomgeving in de IJmond. • De aanpalende centrale van Vattenfall blijft gereserveerd voor het ‘regelbaar vermogen’; de benodigde stroomproductie in windstille periodes waarin weinig elektriciteit van zee komt. Versterking elektriciteitsnet in landschap • Realisatie van nationale energieinfrastructuur buiten de industrieterreinen heeft niet de voorkeur. Indien dit toch noodzakelijk is, dan wordt dit ingepast vanuit het principe van water en bodem sturend en met behoud van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit.

•

•

•

Voor het versterken van het regionale elektriciteitsnet zijn veel nieuwe onderstations nodig, met name in en rond stedelijke gebieden. Tussen Beverwijk en Vijfhuizen wordt gezocht naar een locatie voor een nieuw 380 kV-transformatorstation mogelijk in combinatie met een aanlandingspunt Wind op Zee. Dit gaat om een perceel van 20 tot 25 hectare. Voor extra kabelaansluitingen vanuit wind op zee zal in het project VAWOZ ook onderzoek worden gedaan naar locaties in het Noordzeekanaalgebied. Dit gaat om ondergrondse kabelaansluitingen, die in verschillende landschappen ondergronds worden aangelegd.

5.1.2 Verduurzaming economie en industrie Het realiseren van de energiehoofdstructuur is een randvoorwaarde voor de verduurzaming van economie en industrie en wordt voor het overgrote deel door de overheid opgepakt. De inspanning voor de verduurzaming van de economie en industrie dient vervolgens voor een belangrijk deel plaats te vinden door de marktpartijen. De grote opgaven voor verduurzaming van de industrie waar het Noordzeekanaalgebied zich op richt, zijn: • Amsterdamse haven: Deze richt zich o.a. op verdienmodellen gebaseerd op duurzame energie in plaats van fossiele stromen. Vanaf 2030 vindt er geen kolenoverslag meer plaats. Amsterdam wordt omgevormd van benzinehaven naar een haven die plaats biedt aan de overslag en productie van waterstof en duurzame brandstoffen. • Schone scheepvaart: In 2030 wil de Amsterdamse haven een duurzame energiehaven zijn, die sterk is verbonden met de omgeving en bijdraagt aan een schoon leefklimaat. Schone scheepvaart speelt daarin een belangrijke rol.

73

De energietransitie in het NZKG

•

Daarom werken we toe naar emissievrije scheepvaart in het Noordzeekanaalgebied in 2050. Door middel van faciliteren, stimuleren, reguleren en beïnvloeden probeert de Amsterdamse haven de gewenste resultaten te bereiken. Door hier samen met de sector naartoe te werken, leveren we een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de luchtkwaliteit in de omgeving van het Noordzeekanaalgebied en aan de klimaatopgave van Parijs.49 Tata Steel: De ombouw van de productieprocessen van Tata Steel heeft als doel de CO2-uitstoot van Tata Steel in 2030 met 5 megaton per jaar te verminderen (25% van de doelstelling Nederlandse Industrie) en te komen tot een forse vermindering van emissie van onder meer fijnstof, zware metalen en PAK’s. Tata Steel heeft het initiatief genomen om voor de productie van staal over te stappen op Direct reduced iron (DRI)-technologie, die draait op aardgas en in een latere fase ook op waterstof. De eerste stap naar groen staal is het project Heracless-Groen Staal. Dit project moet vóór 2030 zijn gerealiseerd.

In de kamerbrief ‘Maatwerkaanpak verduurzaming industrie’50 is benadrukt dat inspanningen van de overheid in het faciliteren van de transitie van de industrie niet alleen afhankelijk zijn van de bijdrage die bedrijven doen aan de CO2-reductie, maar ook aan aanverwante beleidsdoelen. Dit betreft onder meer de verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden.

74

5.1.3 Voldoende milieuruimte Zoals is weergegeven in hoofdstuk 2 ligt er nog een opgave om voldoende milieuruimte te bieden aan de transities in het Noordzeekanaalgebied. Voor waterstof en productie van groene brandstoffen is met name additionele risicoruimte en soms geluidsruimte nodig. Meer emissies in de lucht worden niet verwacht. Om decarbonisatie, de bouw van een nieuwe energie-infrastructuur en circulaire economie in haven- en industriegebieden mogelijk te maken, zijn wij bereid om risicoruimte beschikbaar te maken op plekken waar deze verruiming verantwoord mogelijk gemaakt kan worden. Om installaties te bouwen voor energie- en circulaire transitie werken wij samen om tijdig voldoende tijdelijke geluidsruimte beschikbaar te maken. Deze stappen zijn nodig voor onze ambitie om te komen tot een snelle en ambitieuze transitie in onze haven- en industriegebieden. Westpoort • Provincie Noord-Holland, de gemeente Amsterdam, Zaanstad en Haarlemmermeer, Omgevingsdienst NZKG en Port of Amsterdam werken op dit moment aan de actualisatie van het omgevingsveiligheidsbeleid. De verwachting is dat met name aan de westzijde van Westpoort additionele ruimte nodig zal zijn op gebied van externe veiligheid. Deze verruiming voert over de gemeentegrens van Amsterdam, daarom vraagt de borging van deze verruiming medewerking51 van aangrenzende gemeenten Haarlemmermeer en Zaanstad.

• Naast de verwachte plaatsgebonden risico-contouren zijn de ligging en de acceptatie van aandachtsgebieden een aandachtspunt voor de gemeenten in het NZKG. Door deze verruiming kan vrij beschikbare ruimte aan de westkant van Westpoort intensiever worden benut en daarmee wordt ruimte

75

Additionele risicoruimte voor transitie

•

•

•

•

76

bespaard. Zonder toevoeging van additionele risicoruimte, heeft het haven- en industrieterrein minder fysieke ruimte beschikbaar voor transities. Daardoor zou de vraag naar uitbreiding van haven- en industriegebied opportuun kunnen worden. Om Westpoort optimaal bij te laten dragen aan deze energietransitie is het belangrijk om milieuruimte die vrijkomt, o.a. door investeringen in schonere technieken, in te zetten voor het inpassen van onderdelen van energietransitie. Dit vraagt om meer flexibiliteit van bestaande milieucontouren in het westelijk deel van het havengebied.52 De meest risicogevende ontwikkelingen op het gebied van hernieuwbare energie worden bij voorkeur geconcentreerd aan de westzijde van het havengebied (rond de Afrikahaven en Amerikahaven). Aan de oostkant vinden belangrijke ontwikkelingen plaats op het gebied van energietransitie bij de bestaande terminals die zich ontwikkelen op hun huidige positie. In dit deel moet er voldoende aandacht zijn voor een gezonde leefomgeving voor de gebruiksfuncties rondom Westpoort. Dit met het oog op de woningbouwontwikkelingen in de Achtersluispolder en Hembrugterrein-Zuid (Zaanstad), en voor de tweede fase van Haven-Stad (Amsterdam).

Om hier op termijn toe te komen wordt de A10 de toekomstige oostelijke grens van Westpoort.53 Port of Amsterdam houdt rekening met de ontwikkeling van Haven-Stad en tevens houden de ontwikkelingen in Zaanstad en Amsterdam rekening met de benodigde milieuruimte van de bedrijvigheid aan de westkant van de A10.54 Hierdoor ontstaat tussen haven en stad een proces van wederzijdse inspanningsverplichtingen waarmee gaandeweg condities voor een gezonde leefomgeving verbeteren aan de randen van het haven- en industriegebied. Voor geluidsruimte wordt in Westpoort gewerkt vanuit het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13729628/1