Onderzoeksrapportage O&S Maatschappelijke-vraagstukken
Tekst van het document
Maatschappelijke vraagstukken Onderzoek en Statistiek
In opdracht van: Projectnummer: Auteurs: E-mailadres: Bezoekadres: Post:
Directie Onderwijs 250305 Leyla Reches, Merel van der Wouden, Sara Rubingh en Eva Karaçay Met medewerking van Maikel Komen merel.van.der.wouden@amsterdam.nl
Telefoon: Website:
President Kennedylaan 923 Postbus 658 1000 AR Amsterdam 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl
Foto voorzijde:
Uitzicht Nieuwe Kerk, fotograaf Edwin van Eis (2025)
Amsterdam, november 2025 3
Inhoud
Inleiding
3
Samenvatting en conclusie
4
Methode en respons
6
1
Maatschappelijke vraagstukken
9
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
9 10 12 14 16 17
2
3
Bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken
19
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
19 21 22 24 25
Bekwaam om maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken Hulp om maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken Behoefte ondersteuning tegengaan uitsluiting Bekendheid gemeentelijke ondersteuning Gemis in ondersteuningsaanbod van de gemeente
Contact met ouders/verzorgers 3.1 3.2 3.3
4
Maatschappelijke vraagstukken op scholen Conflictgebieden wereldwijd Racisme en discriminatie Lhbtiqa+ discriminatie Vrouwenhaat (misogynie) Betwisten van democratische waarden
27
Mate van contact met ouders/verzorgers over maatschappelijke vraagstukken 27 Over welke vraagstukken is er contact met ouders/verzorgers 28 Behoefte aan hulp of ondersteuning bij contact met ouders/verzorgers 29
Maatschappelijke vraagstukken op het mbo
31
4.1 4.2 4.3
31 32 33
Maatschappelijke vraagstukken op het mbo Bekwaamheid om maatschappelijke vraagstukken te bespreken Gemeentelijke ondersteuning en behoeften
Literatuurlijst
36
Inleiding
Maatschappelijke vraagstukken zijn complexe kwesties en uitdagingen binnen de samenleving die van invloed zijn op het welzijn van individuen en de gemeenschap als geheel. Deze vraagstukken hebben invloed op politiek, economie, onderwijs, gezondheidszorg, sociale rechtvaardigheid en gelijkheid (SLO, 2025). De afgelopen tijd is er verschillende keren aandacht geweest voor maatschappelijke vraagstukken op scholen. Zo zijn er in 2024 twee onderzoeken gepubliceerd over discriminatie en racisme in het Amsterdams onderwijs, namelijk een onderzoek van de Vrije Universiteit (Crul et. al., 2024) en een onderzoek van de Kinderombudsman Metropool Amsterdam (2024). Ook zijn er verschillende moties over ondersteuning voor scholen rondom maatschappelijke vraagstukken ingediend. De directie Onderwijs van de Gemeente Amsterdam heeft aan Onderzoek en Statistiek (O&S) gevraagd om te onderzoeken in hoeverre er in het Amsterdamse primair onderwijs (inclusief sbo (po), (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so), voortgezet onderwijs (vo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) behoefte is aan ondersteuning bij het omgaan met maatschappelijke vraagstukken die spelen op de scholen. De gemeente wil daarbij ook weten hoe ze scholen vanuit het beleid “Amsterdammerschap” kunnen ondersteunen bij burgerschapsonderwijs vanuit een Amsterdamse invalshoek (gemeente Amsterdam, z.d.).
Dit onderzoek beoogd een antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen: 1. Welke maatschappelijke vraagstukken spelen er op Amsterdamse scholen? a. Wat zou de onderwijsprofessionals kunnen helpen bij het bespreken en aanpakken van deze maatschappelijke vraagstukken? 2. Welke behoeften leven er bij leraren en ondersteunend personeel in het Amsterdamse primair onderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs voor ondersteuning van de gemeente op het gebied van maatschappelijke vraagstukken? Leeswijzer In het volgende hoofdstuk gaan we eerst in op de methode van het onderzoek. In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op welke maatschappelijke vraagstukken er spelen op school en in de klas. Dit kan zich op verschillende manieren uitten, per maatschappelijk vraagstuk wordt er ingegaan op hoe dit zich uit volgens de respondenten. In het tweede hoofdstuk wordt beschreven hoe bekwaam respondenten zich voelen om maatschappelijke vraagstukken te bespreken, wat zou kunnen helpen hierbij en welke behoeften aan ondersteuning er is. In hoofdstuk 3 wordt er beschreven of respondenten contact met ouders hebben over maatschappelijke vraagstukken en welke behoeften er daarbij zijn. Tot slot worden de resultaten van de groepsgesprekken op het mbo beschreven.
3
Samenvatting en conclusie
Onderzoek en Statistiek (O&S) heeft op verzoek van de directie Onderwijs onderzocht welke maatschappelijke vraagstukken spelen op Amsterdamse scholen en in hoeverre er behoefte is aan ondersteuning rondom het bespreken van maatschappelijke vraagstukken. O&S heeft een enquête uitgezet onder leraren, ondersteunend personeel en schoolleiders binnen het Amsterdamse primair onderwijs (po), speciaal onderwijs (v)so en voortgezet onderwijs (vo). In totaal hebben 271 respondenten deelgenomen. Ook zijn er focusgroepen georganiseerd met mensen werkzaam in het Amsterdams middelbaar beroepsonderwijs (mbo). In totaal is er gesproken met twaalf deelnemers, van het ROC van Amsterdam en van het Hout- en Meubileringscollege. Gezien het verschil in methode zullen de resultaten voor het mbo apart worden beschreven in deze rapportage. Aan het begin van het onderzoek is er een voorgesprek geweest met zeven leraren die input hebben geleverd voor de enquête. Tot slot zijn de uitkomsten van het onderzoek voorgelegd aan twee leraren en een onderzoeker in een reflectiesessie. Conflictgebieden wereldwijd, discriminatie en racisme en LHBTIQA+-discriminatie spelen op school of in de klas Aan de respondenten is gevraagd wat voor maatschappelijke vraagstukken er bij hen op school spelen of in de lessen.
De respondenten werkzaam in zowel het po, vo als (v)so geven aan dat conflictgebieden wereldwijd, discriminatie en racisme en LHBTIQA+-discriminatie het meest spelen bij hen op school of in de klas. Bij alle onderwerpen geeft een groter deel van de respondenten werkzaam in het vo aan dat dit bij hen op school of in de klas speelt, vergeleken met het po. Er zijn verschillende manieren waarop dit kan spelen op school. Een vraagstuk kan worden besproken in de lessen, maar zich ook uiten in conflicten of discussies. Conflictgebieden wereldwijd vinden hun weg naar het klaslokaal onder andere doordat leerlingen hier vragen over stellen of doordat zij zelf een connectie hebben met het conflictgebied. Hierbij ontstaan er soms discussies en spanningen. Racisme en discriminatie worden besproken tijdens lessen, maar uiten zich ook op school doordat discriminatie plaatsvindt onder leerlingen. Respondenten geven ook aan dat zij soms beschuldigd worden van discriminatie door leerlingen of ouders. Ook LHBTIQA+-discriminatie wordt besproken op scholen, respondenten ervaren dat het een gevoelig onderwerp is onder de leerlingen. Leerlingen willen niet deelnemen aan activiteiten over dit thema en woorden als ‘homo’ en ‘gay’ worden onderling door leerlingen als scheldwoorden gebruikt.
63 procent respondenten voelt zich bekwaam om vraagstukken bespreekbaar te maken, gastlessen zouden helpen Twee derde (63%) van de respondenten voelt zich (zeer) bekwaam in het bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken. Zij geven aan dat dit komt door opgebouwde ervaring, zowel als leraar als persoonlijke ervaringen. Maar zij benoemen ook dat het onderdeel is van het lesgeven omdat zij maatschappijleer of burgerschapsonderwijs geven. Dertig procent van de respondenten geven aan dat ze zich niet bekwaam maar ook niet onbekwaam voelen om maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken. Daarnaast geeft zes procent van de respondenten aan zich (zeer) onbekwaam te voelen. Zij geven aan
4
dat zij hier niet voor opgeleid zijn en niet hebben geleerd hoe ze dit aan moeten pakken. De meeste respondenten geven aan dat gastlessen over specifieke thema’s zouden kunnen helpen bij het bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken. Ook lesbrieven over actuele maatschappelijke onderwerpen en hulp bij het werken aan sociale veiligheid en een positieve groepsdynamiek in de klas zouden kunnen helpen. Enigszins behoefte aan ondersteuning rondom maatschappelijke vraagstukken, tegengaan van uitsluiting en het contact met ouders/verzorgers De gemeente biedt verschillende vormen van ondersteuning bij het bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken op school. Respondenten werkzaam in het po zijn het vaakst bekend met debatlessen door Discussiëren Kun Je Leren en gratis museumbezoeken. Respondenten werkzaam in het vo zijn het vaakst bekend met jongerenrechtbanken, gratis museumbezoeken, debatlessen en gemeentelijke subsidies voor activiteiten rond Burgerschap, diversiteit en gedeelde geschiedenis. Respondenten werkzaam op het (v)so zijn het vaakst bekend met de verschillende gemeentelijke subsidies. De bekendheid van het ondersteuningsaanbod komt deels overeen met de doelgroepen van deze verschillende vormen van ondersteuning, Als respondenten iets missen, dan hebben ze het bijvoorbeeld over de vorm van het aanbod.
Zo hebben ze behoefte aan gastlessen maar dan wel van ervaringsdeskundigen en jongeren zelf. Ook missen zij verschillende onderwerpen in het aanbod zoals genderdiversiteit, seksuele oriëntatie, vrouwenrechten, de situatie in Palestina en islamofobie. Daarnaast noemt een aantal respondenten dat er gewerkt kan worden aan de bekendheid met het huidige aanbod. Discriminatie en racisme wordt door meer dan de helft van de respondenten als vraagstuk genoemd dat op een bepaalde manier speelt op school. Toch geeft een minderheid van de respondenten aan dat zij behoefte hebben aan ondersteuning bij het tegengaan van deze of andere vormen van uitsluiting op school. In het vo geven respondenten vaker aan dat zij behoefte hebben aan ondersteuning dan in het po. Meer dan de helft (54%) van de respondenten heeft vaak of soms contact met ouders/verzorgers van leerlingen over maatschappelijke vraagstukken. Van de respondenten die werkzaam zijn in het po geeft ook een groter deel aan dat ze vaak contact hebben met ouders/verzorgers van leerlingen dan respondenten in het vo. Een kwart heeft behoefte aan hulp of ondersteuning hierbij, zoals gastlessen, sprekers en voorlichting op school voor leerlingen, ouders en leraren.
Behoefte aan meer lesuren burgerschap op het mbo Uit de focusgroepen met respondenten werkzaam in het mbo komt naar voren dat ook binnen het mbo conflictgebieden wereldwijd spelen. Andere vraagstukken waar ze in het mbo mee te maken hebben zijn de digitale wereld, man-vrouw rolverdeling, huisvesting, seksualiteit/lhbtiqa+ en politiek. Respondenten geven aan dat het lastig kan zijn om te bepalen aan welk onderwerp de onderwijsinstelling aandacht moet geven en dat zij door studenten soms worden gewantrouwd. Er heerst namelijk soms het beeld bij studenten dat docenten hen een bepaald standpunt moeten aanleren vanuit de mbo-instelling. De mate waarin men zich bekwaam voelt om op een effectieve manier maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken verschilt. Respondenten geven onder andere aan behoefte te hebben aan meer lesuren voor burgerschap, met meer focus op het leren van vaardigheden. Daarnaast hebben ze behoefte aan een beter vindbaar ondersteuningsaanbod.
5
Methode en respons
Om te onderzoeken wat de behoeften zijn binnen het Amsterdamse onderwijs als het gaat om het bespreken van maatschappelijke vraagstukken is er een enquête uitgezet onder leraren, ondersteunend personeel en schoolleiders binnen het Amsterdamse primair onderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, en zijn er focusgroepen georganiseerd met mensen werkzaam in het Amsterdams middelbaar beroepsonderwijs. Ook is er een voorgesprek gehouden met leraren uit het po, vo en mbo om input te verkrijgen voor de enquête. Tot slot is er een reflectiesessie gehouden waarbij de uitkomsten van het onderzoek zijn besproken. Enquête Er is bij het uitzetten van de enquête gebruik gemaakt van een open link die de schoolbesturen hebben doorgestuurd naar hun personeel. De enquête is verspreid via de verschillende kanalen van de gemeente. De enquête is halverwege september uitgestuurd. Respondenten hebben drie weken de tijd gehad de vragenlijst in te vullen. In totaal hebben 271 respondenten de vragenlijst ingevuld. Net iets meer dan de helft van hen is werkzaam in het primair onderwijs (po, n=148), waarvan het grootste deel in het basisonderwijs (bo, n=141). 93 respondenten zijn werkzaam op het voortgezet onderwijs (vo) en dertig respondenten op het speciaal of voortgezet speciaal onderwijs ((v)so). Bij de analyses zullen we steeds kijken naar de verschillende onderwijssoorten.
Voor de analyses over het po en vo kijken we naar percentages. Voor de analyses over het (v)so kijken we naar aantallen, vanwege het relatieve lage aantal respondenten. Respons naar onderwijssoort (aantallen) 160 7
140 120 100 80 60
141 93
40 20 0
30 po bo
vo
(v)so
sbo
Uit alle stadsdelen hebben respondenten meegedaan. Er hebben relatief veel respondenten meegedaan die werkzaam zijn op een school in Nieuw-West en in iets minder mate in West en Zuid. Zuid en Nieuw-West zijn ook de stadsdelen waar de meeste scholen staan. Weinig respondenten zijn werkzaam op een school in Centrum of Weesp. De respondenten die in Centrum of Weesp werken, werken allemaal in het primair onderwijs. Voor 23 respondenten weten we niet op welke school zij werkzaam zijn.
6
Respons naar stadsdeel (aantallen) Nieuw-West
77
West
47
Zuid
45
Oost
29
onbekend
23
Weesp
22
Noord
15
Zuidoost
9
Centrum
4 20
0
40
60
80
100
Scholen in Amsterdam hebben wisselende populaties. Een van de kenmerken van een schoolpopulatie is het aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand van leerlingen. Dit risico berekent O&S op basis van opleidingsniveau van de ouders en het inkomen van de ouders. Drie op de tien leerlingen in het primair- en voortgezet onderwijs in Amsterdam had een risico op onderwijsachterstand in het schooljaar 2023/’24 (zie ook O&S, 2023). Als we kijken naar de respondenten van de vragenlijst zien we dat respondenten werkzaam in het po iets vaker werken op scholen met relatief weinig leerlingen met een risico op onderwijsachterstand. Ruim vier op de tien respondenten werkzaam in het po werkt op een school met relatief weinig (minder dan 24 procent) leerlingen met een risico op onderwijsachterstand. De respondenten werkzaam in het vo zitten vaker rond het gemiddelde van stad: 39 procent van hen is werkzaam op een school met een gemiddeld aantal (24 tot 46 procent) leerlingen met een risico op onderwijsachterstand. Twee derde van respondenten is werkzaam in een onderwijsgevende functie (n = 176), 37 respondenten werken in een onderwijsondersteunende functie en 56 respondenten als schoolleider. Van de respondenten werkzaam in het vo deden relatief veel onderwijsgevenden mee.
Van de respondenten werkzaam in het (v)so deden relatief veel onderwijsondersteunende werknemers mee (zes van de dertig respondenten). Respons naar functie (aantallen) onderwijsgevend
176
onderwijsondersteunend
37
schoolleider
56
onbekend
2 0
50
100
150
200
De respondenten werken relatief lang in het onderwijs en/of staan lang voor de klas. De onderwijsgevende respondenten staan gemiddeld 15,6 jaar voor de klas. Slechts 31 respondenten staan vijf jaar of korter voor de klas. Zij werken in het po of vo. De onderwijsondersteunende respondenten en schoolleiders werken gemiddeld 21,5 jaar in het onderwijs. Onderwijsondersteunende respondenten werkzaam in het vo en het vso werken gemiddeld langer in het onderwijs dan respondenten werkzaam in het po.
7
De lange werkduur van de respondenten zien we ook terug in de leeftijd van respondenten: de gemiddelde leeftijd is 47,4 jaar. Zeventien procent van de respondenten is 35 jaar of jonger. Veertig procent is 51 jaar of ouder. We zien daarbij weinig verschil tussen onderwijssoorten. De respondenten die onderwijs geven op het vo, geven verschillende vakken: van talen, economie, maatschappijleer, wiskunde tot gymnastiek. Groepsgesprekken mbo Er zijn drie groepsgesprekken met medewerkers van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) gevoerd. Aan de groepsgesprekken hebben in totaal twaalf respondenten werkzaam op het ROC van Amsterdam en het Hout- en Meubileringscollege deelgenomen. Van de derde mbo-instelling in Amsterdam: het Mediacollege waren er geen respondenten aanwezig. De respondenten hadden vooral een onderwijsgevende functie op de mbo’s, met name als docent burgerschap. De gesprekken vonden online plaats en duurden ongeveer een uur. De interviews waren semi gestructureerd en gingen in op welke maatschappelijke vraagstukken er spelen op het mbo; hoe bekwaam de respondenten zich voelden om daarmee om te gaan; welke behoeften ze nog hadden bij het bespreken van maatschappelijke vraagstukken en de gemeentelijke ondersteuning hierbij. Gezien het verschil in methode zullen de resultaten voor het mbo apart worden beschreven in deze rapportage.
Voorgesprek en reflectiesessie Bij de start van het onderzoek is er een voorgesprek gehouden met zeven leraren uit het po, vo en mbo. Deze groep heeft input geleverd voor de enquête. Tot slot zijn de uitkomsten van het onderzoek zijn voorgelegd aan twee leraren en één onderzoeker. De deelnemers aan het gesprek vonden de resultaten en de maatschappelijke vraagstukken die naar voren komen in het onderzoek herkenbaar.
8
1 Maatschappelijke vraagstukken In dit hoofdstuk wordt er gekeken wat voor maatschappelijke vraagstukken er volgens de respondenten bij hen op school of in de klas spelen. Verder is er per maatschappelijk vraagstuk gevraagd hoe deze vraagstukken zich uitten op school of in de klas.
1.1 Maatschappelijke vraagstukken op scholen Aan de respondenten is gevraagd wat voor maatschappelijke vraagstukken er bij hen op school of in de lessen spelen. Er werd aangegeven dat dit zowel fysiek op school kan zijn als in de online leefwereld van leerlingen. Er zijn verschillende manieren waarop dit kan spelen, deze worden verder uitgewerkt in de volgende paragrafen. Twee derde van de respondenten (67%) geeft aan dat het vraagstuk conflictgebieden wereldwijd speelt. Ook discriminatie is een vraagstuk wat door een groot deel (61%) van de respondenten wordt genoemd. Er is ook specifiek gevraagd naar racisme en lhbtiqa+ discriminatie. Ook dit wordt door meer dan de helft van de respondenten genoemd dat dit op hun school of in hun lessen op verschillende manieren speelt. In mindere mate wordt het betwisten van democratische waarden (25%) of vrouwenhaat (24%) genoemd. Kijken we naar de verschillende onderwijssectoren dan geven de respondenten werkzaam in het po met name aan dat het vraagstuk conflictgebieden wereldwijd (64%) bij hen op school speelt (figuur 1.1). Maar ook de vraagstukken discriminatie en racisme worden door bijna de helft van de respondenten in het po genoemd. Vrouwenhaat wordt door 12 procent van de respondenten in het po genoemd, dit aandeel ligt hiermee een stuk lager dan in het vo (42%).
Andere onderwerpen die de respondenten in het po benoemen zijn seksuele voorlichting, armoede, religie en klimaat. Figuur 1.1 Wat voor maatschappelijke vraagstukken spelen er bij u op school en/of in uw lessen, po en vo (procenten) 64
conflictgebieden wereldwijd 52
discriminatie
44
LHBTIQA+ discriminatie 24
betwisten van democratische waarden 12
vrouwenhaat (misogynie) anders, namelijk
0%
76
49
racisme
weet ik niet, geen antwoord
76
11 5
70 66
28 42
18 16 20%
40% po (n=148)
60%
80%
100%
vo (n=93)
9
Van de respondenten die werkzaam zijn in het vo geeft driekwart aan dat de vraagstukken conflictgebieden wereldwijd en discriminatie op verschillende manieren bij hen op school of in de klas spelen (figuur 1.1). Ook racisme (70%) en discriminatie met betrekking tot de lhbtiqa+ gemeenschap (66%) wordt door veel respondenten als een maatschappelijk vraagstuk genoemd dat ze in hun werk tegenkomen. In vergelijking met het po valt op dat bij alle onderwerpen een groter deel van de respondenten in het vo aangeeft dat dit op verschillende manieren bij hen op school of in de klas speelt. Andere onderwerpen die respondenten op het vo benoemen zijn sexting, mentale gezondheid, koloniaal verleden en de Holocaust. Een klein deel, namelijk dertig, van de respondenten is werkzaam in het (v)so. Op de vraag wat voor maatschappelijke vraagstukken er op school of in de lessen spelen, geven zeventien respondenten aan dat het vraagstuk conflictgebieden wereldwijd op verschillende manieren speelt. Ook geven zestien respondenten aan dat racisme en discriminatie vraagstukken zijn die bij hen op school op verschillende manieren spelen (figuur 1.2). Figuur 1.2 Wat voor maatschappelijke vraagstukken spelen er bij u op school en/of in uw lessen, (voortgezet) speciaal onderwjs (n=30, aantallen) conflictgebieden wereldwijd
17
racisme
16
discriminatie
16
LHBTIQA+ discriminatie
15
vrouwenhaat (misogynie)
7
betwisten van democratische waarden
6
anders, namelijk
5
weet ik niet, geen antwoord
3 0
5
10
15
20
25
30
1.2 Conflictgebieden wereldwijd Primair onderwijs Aan de respondenten is per maatschappelijk vraagstuk gevraagd hoe dit zich uit op school. Respondenten die werkzaam zijn in het po geven aan dat de conflictgebieden waar nu vooral over gesproken wordt Israël-Palestina en Oekraïne-Rusland zijn. Ze geven aan dat de leerlingen het Jeugdjournaal kijken en dat naar aanleiding daarvan vragen worden gesteld of dat dit wordt besproken aan het begin van de dag. Op sommige scholen wordt er ook gezamenlijk naar het Jeugdjournaal gekeken en dit besproken. Respondenten geven ook aan dat er bij vakken als burgerschap en wereldoriëntatie er specifieke aandacht wordt geschonken aan dit onderwerp. Bij deze gesprekken komt het ook weleens voor dat leerlingen aan elkaar of aan de docent vragen ‘aan welke kant’ van het conflict iemand staat, dit kan voor spanningen zorgen. “Er wordt in de bovenbouw vaak Jeugdjournaal gekeken, daar komen deze onderwerpen voorbij. De kinderen bespreken dit dan in de klassen met de leerkracht of onderling. Ze kunnen er vaak al veel over vertellen.” – respondent po
10
“Kinderen zijn hier veel mee bezig en stellen er vragen over. In de klas komt af en toe tot uiting dat leerlingen van huis uit een heel andere kant kiezen in conflicten, zoals Gaza-Israël. Dat leidt soms tot ruzies en verdeeldheid.” – respondent po Ook geven meerdere respondenten die werkzaam zijn in het po aan dat ze leerlingen in de klas hebben die zelf een connectie hebben met een conflictgebied. Dit zijn leerlingen die zelf uit een oorlogsgebied komen, die ouders hebben die daar vandaan komen of dat er een connectie met het gebied is op basis van religie. Dit zorgt volgens de respondenten dat het onderwerp erg leeft op school. Het kan er ook voor zorgen dat leerlingen niet met elkaar omgaan, leerlingen worden buitengesloten of dat er discussies ontstaan. “Ouders en kinderen met een achtergrond uit conflictgebieden maken de politieke spanningen voelbaar op school: kinderen mogen niet met elkaar spelen (Joods-Palestijns, Russisch-Oekraïens), ouders maken zich zorgen over gedrag/ meningen van andere ouders.” – respondent po “Zonder nuance uitspraken doen en vanuit deze zwart/wit redenering personen in een hokje plaatsen. Jij zegt A en dus hoor jij niet bij mij/ons.” – respondent po Bij zowel de leerlingen die een persoonlijke connectie hebben met een conflictgebied als bij leerlingen die dat niet hebben heerst er angst en onrust.
De respondenten geven aan dat leerlingen zich zorgen maken en het erg vinden wat er in de wereld gebeurt. Dit kan in bepaalde gevallen voor spanningen zorgen als leerlingen (vaak vanuit huis uit) een andere mening uiten. In andere gevallen zorgt het niet voor spanning maar merken de respondenten dat het de leerlingen bezighoudt. “Oorlogen leven erg, conflict in Gaza, Oekraïne. Kinderen hebben het erover, vinden het erg. Er is geen gedoe tussen leerlingen over maatschappelijke vraagstukken in mijn klas, Kinderen komen uit hoogopgeleide vooruitstrevende milieus en de groep is vrij homogeen.”- respondent po “Sommige kinderen krijgen van huis uit een standpunt mee wat ze op school verkondigen. Dit kan leiden tot spanning bij sommige kinderen.” - respondent po Leraren geven ook aan dat ouders soms een sterke mening uiten als het gaat om het wel of niet bespreken van deze wereldwijde conflicten in de klas. Sommige ouders vinden dat de school een standpunt in moet nemen over conflicten en andere ouders vinden dat bepaalde onderwerpen niet besproken moeten worden. Voortgezet onderwijs De respondenten die werkzaam zijn in het vo merken dat leerlingen veel bezig zijn met de conflicten in de wereld. Er ontstaan gesprekken en discussies over in de les en leerlingen stellen er veel vragen over.
Op sommige scholen wordt er ook in lessen zoals maatschappijleer specifiek aandacht besteed aan het onderwerp. De gesprekken en discussies zorgen soms ook voor spanningen en ruzies tussen de leerlingen. “Je merkt dat de leerlingen ermee bezig zijn en dat het soms tussen leerlingen onderling wrijving geeft.” – respondent vo
11
“Vooral Israël - Palestina is een groot conflict dat speelt bij ons op school. Leerlingen die familie hebben in een van de twee landen, en de discussie over wat er nou echt gebeurt.” – respondent vo Net als op het po geven leraren in het vo aan dat er leerlingen met verschillende achtergronden bij elkaar in de klas zitten. Als er dan een persoonlijke connectie is met een van de conflicten in de wereld dan kan dit zorgen voor spanningen tussen de leerlingen. Respondenten merken dat het tot polarisatie kan leiden waarbij leerlingen tegenover elkaar staan en steeds extremere standpunten innemen. In enkele gevallen benoemen respondenten ook dat er spanningen tussen docenten ontstaan, omdat zij ook verschillen in hun standpunt over het conflict. “De hyperdiverse leerlingpopulatie zorgt dat elk conflict in de wereld, ook het klaslokaal binnenkomt. Hier wordt aandacht in de lessen en mentoraat aan besteed.” – respondent vo “Bij jongeren met een joodse of islamitische achtergrond neemt radicalisering in hun standpunten jegens de ander toe, waardoor polarisatie toeneemt en een gedegen dialoog steeds moeilijker wordt.” – respondent vo Ook merken de respondenten in het vo dat er machteloosheid en angst heerst bij de leerlingen over de conflicten in de wereld. Ze zijn er veel mee bezig en krijgen veel beelden te zien via sociale media.
“Leerlingen worden geraakt over de genocide in Gaza en voelen een ernstige machteloosheid.” – respondent vo (voortgezet) speciaal onderwijs De ervaringen van respondenten werkzaam in het (v)so tonen gelijkenis met de ervaringen van de docenten uit het po en vo. Wel geven de respondenten werkzaam in het (v)so aan dat ze merken dat leerlingen snel een standpunt innemen over de conflicten. Deze standpunten lijken dan vooral gevoed door wat ze in hun eigen omgeving of online horen. “Leerlingen nemen snel stelling op basis van informatie van anderen. Er is geen kennis van het onderwerp zodat ze onderbouwd stelling nemen. Ze kunnen onvoldoende het perspectief van de ander begrijpen.” – respondent (v)so
1.3 Racisme en discriminatie Primair onderwijs De vraagstukken racisme en discriminatie uiten zich volgens de respondenten in het po op verschillende manieren op school. Zo worden de onderwerpen besproken in verschillende lessen zoals burgerschap en wereldoriëntatie. Maar is het ook een groot onderwerp bij de geschiedenislessen als het gaat om het koloniale verleden van Nederland. Ook naar aanleiding van items in het Jeugdjournaal zoals paarse vrijdag komt het onderwerp in de klas aan bod. “Dit komt tot uiting tijdens het samen kijken en bespreken van het Jeugdjournaal, lessen burgerschap, documentaires, wereldoriëntatie en klassengesprekken.” – respondent po
12
De respondenten geven aan dat discriminatie en racisme zich op school uiten doordat leerlingen worden gepest om bijvoorbeeld hun huidskleur, beperking of gender. Ook ontstaan er conflicten tussen leerlingen met verschillende achtergronden, waarbij er discriminerende opmerkingen worden gemaakt. Daarnaast geven de respondenten aan dat discriminatie en racisme een onderwerp is wat ‘leeft’ onder de leerlingen. Ze geven aan dat veel leerlingen wel eens zelf gediscrimineerd zijn of racistische opmerkingen hebben gehoord. “Kinderen verspreken zich wel eens en hanteren racistische uitlatingen. Hier wordt in de klas over gesproken.” – respondent po “Zwarte kinderen worden soms uitgescholden (buiten zicht van leerkracht).” – respondent po Een deel van de respondenten benoemt dat ze door ouders worden beschuldigd van discriminatie als ze iets zeggen over de leerlingen. Maar ook leerlingen zelf zeggen dat er sprake is van discriminatie als de docent ze aanspreekt op hun gedrag. Een deel van de respondenten vindt dat leerlingen nu snel iets bestempelen als discriminatie of racisme. Een mogelijke verklaring die ze daarvoor noemen is dat leerlingen met een bepaalde achtergrond vaak zijn gediscrimineerd waardoor ze defensief reageren als ze worden aangesproken.
“Kinderen die heel snel roepen: je discrimineert, ouders die dit zeggen als hun kind een slecht rapport heeft, dat wij als school discrimineren, of als een kind hele lage scores heeft.” – respondent po “Kinderen met een Turkse en Marokkaanse achtergrond voelen zich bij ieder conflict racistisch bejegend. Zij kennen al op jonge leeftijd dat er anders naar hen wordt gekeken op basis van huidskleur en naam. Hierdoor reageren zij erg defensief wanneer zij aangesproken worden op ongewenst gedrag.” – respondent po Voortgezet onderwijs De respondenten die werkzaam zijn in het vo geven aan dat de vraagstukken discriminatie en racisme zichtbaar zijn op school. Een deel van de leerlingen maakt het dagelijks mee waardoor het een onderwerp is wat erg leeft onder de leerlingen. Ook ervaren respondenten dat discriminatie op school plaatsvindt; leerlingen maken discriminerende opmerkingen naar elkaar toe. Deze opmerkingen worden dan vervolgens bestempeld als ‘grapje’ als de leerlingen erop worden aangesproken. Ook komt het voor dat leerlingen door andere leerlingen worden buitengesloten op basis van afkomst, beperking of gender. Dit zien de respondenten doordat leerlingen bijvoorbeeld niet mee mogen doen met een groepsproject. “Sommige leerlingen worden geweerd bij groepsprojecten door andere leerlingen, door onderliggende redenen die met discriminatie te maken kunnen hebben.
Dit is niet altijd zichtbaar voor de docent.” – respondent vo “Er worden grappen/opmerkingen naar elkaar gemaakt op basis van afkomst. De grens tussen 'leuk' en 'kwetsend' wordt daarbij soms overschreden.” – respondent vo Respondenten geven aan dat er veel aandacht aan discriminatie en racisme wordt besteed in de lessen. Bijvoorbeeld tijdens de lessen maatschappijleer of tijdens de mentor-les. Ook zijn
13
er respondenten die aangeven dat ze in gesprek gaan met de leerlingen als ze discriminerende opmerkingen horen in de klas. De leerlingen zijn bij deze gesprekken ook open over hun eigen ervaringen met discriminatie en racisme. Daarnaast komt het in persoonlijke gesprekken met de leerlingen naar voren dat leerlingen hier ervaring mee hebben. “In de lessen merken wij dat leerlingen regelmatig ervaringen delen van discriminatie of ongelijke behandeling, bijvoorbeeld bij het vinden van een bijbaan, tijdens stages of in de openbare ruimte. Dit leidt vaak tot gesprekken in de klas waarin emoties en persoonlijke verhalen een grote rol spelen. Soms zien we ook dat vooroordelen of stereotypen onder leerlingen zelf leiden tot spanningen of conflicten.” – respondent vo “Enkele leerlingen geven tijdens de lessen of in persoonlijke gesprekken aan zich niet gehoord te voelen, of dat mensen hen niet serieus nemen gezien hun taal. Tijdens de lessen Burgerschap zijn leerlingen hier heel open over, over alledaagse situaties en dialogen die plaatsvinden met mensen buiten school.” – respondent vo (voortgezet) speciaal onderwijs Vanuit de respondenten die werkzaam zijn in het (v)so is er veel gelijkenis met de ervaringen van de docenten in het po als het gaat om de vraagstukken racisme en discriminatie. Ze geven aan dat leerlingen discriminerende opmerkingen naar elkaar maken.
Maar ook dat leerlingen aangeven dat ze worden gediscrimineerd als ze worden aangesproken op hun gedrag. “Leerlingen uiten zich soms ongepast naar andere leerlingen omdat ze bv niet goed Nederlands spreken of omdat ze het geloof dat zij aanhangen niet goed belijden.” – respondent (v)so “Ze zien vooral zichzelf gediscrimineerd. Het perspectief van de ander wordt niet erkend/gekend.” – respondent (v)so
1.4 Lhbtiqa+ discriminatie Primair onderwijs Het vraagstuk lhbtiqa+ discriminatie uit zich volgens de respondenten in het primair onderwijs op verschillende manieren op school. Zo geven de respondenten aan dat het een lastig onderwerp is. Ze besteden er aandacht aan door het onderwerp te bespreken in de lessen. Ook als er een opmerking wordt gemaakt dan geven de respondenten aan dat ze hier met de leerlingen over in gesprek gaan. Op veel scholen hebben ze ook paarse vrijdag, maar de respondenten geven aan dat dit al langere tijd een punt van discussie is. “Als het speelt, benoemen en normaliseren bv. we hebben het over trouwen: "meestal trouwen mannen en vrouwen met elkaar, maar soms is het een man en een man of een vrouw en een vrouw.” – respondent po “Paarse vrijdag is al jaren een bespreekpunt. Wij kiezen er als school voor om hier wel aandacht aan te besteden.” – respondent po Ook ervaren de respondenten dat leerlingen elkaar veel uitschelden met woorden als ‘homo’. Leerlingen die tot de lhbtiqa+ gemeenschap behoren worden gepest of
14
buitengesloten. Maar ook naar andere leerlingen worden er opmerkingen gemaakt waarbij termen als ‘homo’ en ‘gay’ op een negatieve manier worden gebruikt. “Er wordt veel gescholden met het woord 'homo' of 'gay'. Deze woorden worden op een negatieve wijze geuit.” – respondent po De respondenten op het po geven aan dat lhbtiqa+ een gevoelig onderwerp is bij ouders. Zo willen ouders niet dat het onderwerp wordt besproken in de klas. Om dit vervolgens met de ouders te bespreken is erg lastig voor de respondenten. De leerlingen nemen deze overtuigingen mee naar school en willen vervolgens ook niet deelnemen aan lessen over het onderwerp. “Dit is niet bespreekbaar bij ons op school. Wij kunnen geen les hierin geven omdat ouders hun kinderen dan thuishouden. Wij kunnen daarom ook niet deelnemen aan de lentekriebels.” – respondent po “Kinderen blijven zeggen dat homo een scheldwoord en iets vies is. Alles wat met lhbtiqa+ te maken heeft is vies en ze willen niet luisteren in de lessen over deze onderwerpen.” – respondent po Tot slot geven ook een paar respondenten aan dat collega’s en leerlingen moeite hebben met lhbtiqa+ collega’s. Het onderwerp is dan binnen het eigen team nog lastiger om te bespreken.
“Zowel sommige collega's als ouders van leerlingen hebben moeite met het feit dat collega's van de lhbtiqa+ gemeenschap bij ons op school werken en dat dit onderwerp onderdeel is van ons curriculum.” – respondent po Voortgezet onderwijs De respondenten die werkzaam zijn in het vo geven aan dat het vraagstuk lhbtiqa+ discriminatie zichtbaar is op school. De respondenten geven aan dat niet alle leerlingen de lhbtiqa+ gemeenschap accepteren, hier worden dan uitspraken over gedaan in de klas. Ook worden begrippen als ‘homo’ als scheldwoord gebruikt. Ook worden leerlingen die tot de lhbtiqa+ gemeenschap behoren buitengesloten of gepest. “Dat de kinderen elkaar met bepaalde woorden spreken zoals "homo". Het begrip homo wordt in een negatieve context uitgesproken. Of de leerlingen die anders geaard zijn worden raar aangekeken.” – respondent vo Ook geven de respondenten aan dat leerlingen paarse vrijdag niet serieus nemen en ook niet aan willen deelnemen. Bij verschillende leerlingen is er geen acceptatie van de lhbtiqa+ gemeenschap en een dag waarin dat wordt gevierd daar willen ze niet aan deelnemen. “In veel culturen is dit nog onbespreekbaar/niet geaccepteerd, dit leidt tot aanpassing van bijvoorbeeld de activiteiten op paarse schooldag.” – respondent vo “De leerlingen vinden LHBTIQA+ belachelijk.
Er is een paarse vrijdag, maar te veel leerlingen doen hier lacherig over of niet aan mee.” – respondent vo
15
Verder geeft ook een deel van de respondenten aan dat er op hun school aandacht is voor het thema lhbtiqa+ en dat de leerlingen daar wel positief op reageren. Er worden veel gesprekken over gevoerd en vragen van leerlingen worden uitgebreid behandeld. “Er loopt hier op school van alles rond. LHBTIQA+ is actief in de school, en dat roept soms ook wat op. Het blijft vriendelijk en prettig van toon.” – respondent vo “Rondom Paarse Vrijdag nodigen we altijd vrijwilligers van het COC uit om gastlessen te geven. We bereiden de leerlingen hier goed op voor, waardoor ze hiervoor open staan.” – respondent vo (voortgezet) speciaal onderwijs De respondenten op het (v)so benoemen allemaal dat het vraagstuk lhbtiqa+ op een negatieve manier in de klas of op school zichtbaar is. Leerlingen die tot de lhbtiqa+ gemeenschap behoren worden uitgescholden of gepest en er worden negatieve opmerkingen over de gemeenschap gemaakt. Ook docenten op school die tot de lhbtiqa+ gemeenschap behoren worden gepest door de leerlingen en zonder respect behandeld. “Collega's worden uitgescholden/moeilijk geaccepteerd door leerlingen. Dit geldt overigens ook voor leerlingen binnen deze gemeenschap. Ook worden soms gebaren en geluiden gesignaleerd die op ander vormen van discriminatie duiden.” – respondent (v)so Leerlingen willen ook niet deelnemen aan activiteiten of lessen over het onderwerp.
De respondenten geven aan dat dit in bepaalde gevallen ook komt omdat de ouders dat niet willen. Zo geeft één respondent aan dat op de school waar die werkzaam is paarse vrijdag is afgeschaft omdat 75 procent van de kinderen zich ziekmelden omdat ze niet wilden deelnemen. “Het niet willen bijwonen door leerlingen (al dan niet ingegeven door ouders) van lessen waarin deze vraagstukken centraal staan.” – respondent (v)so
1.5 Vrouwenhaat (misogynie) Primair onderwijs Het vraagstuk vrouwenhaat (misogynie) uit zich volgens respondenten in het po op verschillende manieren op school. Zo komt het onderwerp veel ter sprake naar aanleiding van items in het Jeugdjournaal. Er worden dan in de klas gesprekken over gevoerd, en ook in de lessen burgerschap komt het aan bod. Daarnaast geven de respondenten aan dat leerlingen onderscheid maken tussen jongens en meisjes. Zo benoemen ze wat meisjes wel en niet mogen, de respondenten gaan daar dan het gesprek over aan. “Kinderen praten erover en willen erover praten. Het komt regelmatig aan bod, ook als we samen Jeugdjournaal kijken bijvoorbeeld. Meisjes horen er vaak niet bij met voetbal bijvoorbeeld en mogen niet meedoen.” – respondent po Verder benoemen een paar respondenten dat ze merken dat sommige leerlingen de vrouwelijke docenten anders behandelen dan de mannelijke docenten. Ze worden als ‘minder’ gezien en er wordt minder goed naar ze geluisterd door de leerlingen.
16
“Leerkrachten (vrouwelijk) worden niet als vol aangezien, duidelijke man/vrouw rolverdeling onder de kinderen.” – respondent po “Vanaf de hogere groepen, groep 7 en 8, maken jongens misogyne opmerkingen naar de meisjes.” – respondent po Voortgezet onderwijs Respondenten die werkzaam zijn in het vo geven aan dat het vraagstuk vrouwenhaat op school een grote rol speelt. Zij geven aan dat meisjes er veel vragen over hebben en dat ze het onderwerp ook vaak kiezen binnen opdrachten. Ze willen er meer over weten en erover praten. De respondenten geven aan dat de recente moord op Lisa in Amsterdam ervoor heeft gezorgd dat het nog meer onderwerp van gesprek op school is geworden. “Dit speelt m.n. onder leerlingen (meiden). Ze stellen er vragen over en gebruiken dit onderwerp in schoolopdrachten (profielwerkstuk, betogen, etc.)” – respondent vo Respondenten geven aan dat het onderwerp wordt besproken in de lessen, hierbij komt ook de invloed van influencer Andrew Tate op sommige jongens naar voren. De respondenten geven aan dat dit nog niet heel veel voorkomt. “Sommige jongens uiten misogyne meningen in de les. Deze meningen hebben ze vaak online opgedaan via mannelijke influencers zoals Andrew Tate.
Dit is over het algemeen een minderheid.” – respondent vo Daarnaast benoemen respondenten dat het niet per se gaat om vrouwenhaat maar dat er door jongens op school opmerkingen worden gemaakt over hoe meisjes zich kleden en moeten gedragen via bepaalde ‘traditionele’ regels. Dit horen ze in de lessen en door opmerkingen die leerlingen tegen elkaar maken. “Het is niet per se vrouwenhaat maar ik ervaar een gevoel van onveiligheid bij meiden. Er wordt geroddeld over hoe meiden zich zouden moeten gedragen en kleden. Als puber moeilijk om een beetje te kunnen experimenteren.” – respondent vo (voortgezet) speciaal onderwijs Respondenten die werkzaam zijn in het (v)so herkennen ook dat jongens opmerkingen maken over meisjes. Wat vooral door de respondenten wordt benoemd is dat ze zien dat leerlingen minder ontzag en respect hebben voor de vrouwelijke docenten. “Er zijn leerlingen in de bovenbouw die minder respect hebben voor de vrouwelijke collega's dan voor de mannelijke.” – respondent (v)so
1.6 Betwisten van democratische waarden Primair onderwijs Bijna een kwart van de respondenten werkzaam in het po benoemt dat het betwisten van democratische waarden speelt bij hen op school. Een aantal respondenten noemt dat dit speelt tijdens burgerschapslessen, wereldoriëntatie of na het kijken van het Jeugdjournaal. Een aantal respondenten noemt ook dat dit soms in contact met ouders speelt, bijvoorbeeld dat ouders het oneens zijn met keuzes van de school. Soms krijgen leerlingen ook andere denkbeelden mee vanuit huis dan die van de school.
17
Voortgezet onderwijs Ruim een kwart van de respondenten werkzaam in het vo geeft aan dat het betwisten van democratische waarden speelt bij hen op school. Bij een deel van de respondenten speelt dit tijdens discussies of als onderdeel van (maatschappijleer)lessen. Een waarde die vaker genoemd wordt door respondenten is vrijheid van meningsuiting. Sommige leerlingen zijn voor beperking van deze vrijheid. Een ander punt dat speelt op scholen is de beperkte ervaren invloed op beslissingen van de overheid en het idee dat stemmen geen zin heeft. Tot slot benoemen sommige respondenten dat leerlingen soms makkelijk beïnvloedbaar zijn bij het vormen van hun mening, bijvoorbeeld door nepnieuws. “Democratie is geen vanzelfsprekendheid. Niet iedereen is in Nederland opgegroeid met democratische waarden. Maar ook de leerlingen die wel in Nederland zijn opgegroeid kunnen soms de overtuiging hebben dat vrijheid van meningsuiting beperkt moet worden en dat het recht van de sterkste moet gelden.” – respondent vo “Op onze school merken we dat sommige leerlingen democratische waarden betwisten doordat zij weinig vertrouwen hebben in de politiek.
Regelmatig horen we in de klas opmerkingen als “stemmen heeft toch geen zin” of dat politici niet naar jongeren met hun achtergrond luisteren.” – respondent vo “We merken dat leerlingen het lastig vinden om fakenieuws te herkennen en door het algoritme bij social media krijgen ze steeds meer hun eigen mening bevestigd. Hierin wordt het betwisten van democratische waarden soms gevoed.” – respondent vo (voortgezet) speciaal onderwijs Zes van de dertig respondenten werkzaam in het (v)so benoemen dat het betwisten van democratische waarden speelt bij hen op school of in de klas. Een aantal van hen benoemt dat leerlingen soms andere waarden hebben dan de democratische waarden op school, bijvoorbeeld vanuit hun opvoeding of religie. Een respondent geeft aan dat die democratische waarden bespreekt naar aanleiding van boeken, omdat het leven in een democratische samenleving soms wat abstract is voor leerlingen. “Tijdens gesprekken en debatteren in de klas, waarbij leerlingen zich niet kunnen vinden in de regels/ afspraken binnen de school en de maatschappij waarbij leerlingen vast blijven houden aan de overtuiging/ aanname vanuit hun omgeving.” – respondenten (v)so
18
2 Bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken In dit hoofdstuk gaan we in op het bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken. Voelen respondenten zich bekwaam om vraagstukken bespreekbaar te maken? Ook gaan we in op mogelijke hulp en ondersteuning om maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken. Zijn ze bekend met ondersteuning van de gemeente? En waar hebben respondenten behoefte aan?
2.1 Bekwaam om maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken Bijna twee derde van de respondenten (63%) geeft aan zich (zeer) bekwaam te voelen om op een effectieve manier maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken in hun lessen of op hun school (zie figuur 2.1). Daarnaast voelt ruim een kwart (30%) zich niet bekwaam maar ook niet onbekwaam. Een klein aandeel (6%) van de respondenten voelt zich (zeer) onbekwaam. Het aandeel wat zich (zeer) onbekwaam voelt is groter in het vo dan in het po (8% en 5%). Figuur 2.1 Bekwaamheid om maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken, po en vo (procenten)
po
63
30
5 2
vo
65
27
8
0%
20%
40%
60%
80%
(zeer) bekwaam
niet bekwaam, niet onbekwaam
(zeer) onbekwaam
weet ik niet, geen antwoord
1 100%
Ook in het (v)so geeft de meerderheid van de respondenten aan zich (zeer) bekwaam te voelen om op een effectieve manier maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken in hun lessen of op hun school (zie figuur 2.2). Negen respondenten geven aan zich niet bekwaam maar ook niet onbekwaam te voelen en drie respondenten werkzaam in het (v)so geven aan zich (zeer) onbekwaam te voelen.
19
Figuur 2.2 Bekwaamheid om maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken, (v)so (aantallen) (v)so
18 0
5
9 10
15
20
3 25
(zeer) bekwaam
niet bekwaam, niet onbekwaam
(zeer) onbekwaam
weet ik niet, geen antwoord
30
Verschillen zien we met name wanneer we kijken naar de functie van de respondent. De meerderheid van de schoolleiders en leraren geeft aan zich bekwaam te voelen, terwijl het bij onderwijsondersteunend personeel om minder dan de helft gaat. Zij voelen zich ook vaker (zeer) onbekwaam. Schoolleiders voelen zich nooit onbekwaam. We zien dat respondenten die langer voor de klas staan zich minder vaak (zeer) bekwaam voelen. Onder de voortgezet onderwijs docenten maatschappijleer voelt niemand zich onbekwaam (n=14). Respondenten konden ook een toelichting geven over waarom zij zich wel of niet bekwaam voelen. Respondenten die zich wel bekwaam voelen om maatschappelijke vraagstukken te bespreken noemen een aantal dingen die zij doen, of die hen helpen. Een groot deel van de respondenten geeft aan dat ze ervaring hebben opgedaan met het bespreken van maatschappelijke vraagstukken en dat dit hen helpt. Dit kan doordat zij al langer voor de klas staan, maar sommigen noemen ook het volgen van een cursus/lessen bij Fawaka, op de pabo of op de hogeschool of universiteit. “Ik ben ervaren en voel goed aan waar de pijnpunten bij de leerlingen zitten.
Ik maak alles bespreekbaar en neem verschillende rollen aan en zoek de grenzen op.” – respondent vo “Ik heb de leergang Inclusiviteit en diversiteit van Fawaka gevolgd en hierdoor heb ik meer tools gekregen om deze vraagstukken te benaderen.” – respondent po Anderen geven aan dat het onderdeel is van het lesgeven, omdat zij maatschappijleer of burgerschapsonderwijs geven. Een deel van respondenten geeft aan dat ze eigen ervaringen delen in de klas, bijvoorbeeld over hun migratiegeschiedenis of seksuele oriëntatie. Het gesprek aangaan, en niet negeren wordt belangrijk gevonden. Sommige respondenten benoemen dat er een veilige sfeer is in de klas die het mogelijk maakt om gevoelige gesprekken te voeren. Anderen geven aan dat ze dit goed ‘durven’, ook met ouders van leerlingen. "Als burgerschapsdocente met een migratieachtergrond (derde generatie) kan ik hen inzichten geven in wat mijn opa heeft doorgemaakt om hier te komen, het idee waarmee hij kwam en wat hem hier uiteindelijk heeft laten blijven. Hoe zij het hier thuis eigen hebben gemaakt. Ook kan ik mij goed inleven in hun verhalen en hen helpen bij vraagstukken die zij hebben.” – respondent vo “Als leerlingen een maatschappelijk probleem in de les willen bespreken dan kan ik dat meestal wel in goede banen leiden. Negeren van het onderwerp is vaak geen goed idee, dan blijven leerlingen ermee rondlopen”.
– respondent vo Respondenten die zich niet bekwaam voelen, benoemen dat ze er niet voor opgeleid zijn of dat ze niet hebben geleerd hoe dit moet. Specifiek benoemen ze daarbij gevoelige
20
onderwerpen waarbij veel emoties en meningen loskomen. Dit in goede banen leiden is voor sommige respondenten moeilijk. “Ik mis kennis, kennis over de verschillende culturen. Daarnaast wil ik een open houding blijven houden en geen mening uiten zodat anderen deze zelfstandig kunnen vormen. Ik mis de skills en kennis om dat in volle vertrouwen te kunnen doen.” – respondent po Een aanzienlijk deel van de respondenten gaf aan dat ze zich niet bekwaam, maar ook niet onbekwaam voelen. Zij noemen bijvoorbeeld dat zij kennis missen, maar ook dat hun bekwaamheid verschilt per onderwerp. Over sommige onderwerpen weten zij bijvoorbeeld minder. Een respondent benoemt bijvoorbeeld dat politieke onderwerpen soms lastiger zijn. Een ander geeft aan dat die racisme een lastig onderwerp vindt. Bovendien zijn sommige onderwerpen zeer gevoelig. Ook maakt de context uit voor respondenten, bijvoorbeeld hoe open en veilig het in de klas is of in hoeverre onderwerpen spelen in de klas. Een aantal respondenten geeft les aan kleuters en daar speelt het bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken minder. “Ik ben docent maatschappijleer en heb dus geleerd om maatschappelijk gevoelige onderwerpen te bespreken in de klas, en ik doe dit ook. Toch kunnen sommige onderwerpen heel gevoelig zijn en is het soms verleidelijk om ze niet te bespreken om onrust te voorkomen.” – respondent vo
2.2 Hulp om maatschappelijke vraagstukken bespreekbaar te maken Respondenten is gevraagd of bepaalde hulp zou kunnen helpen bij het bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken op school (zie figuren 2.3 en 2.4). Onder respondenten van alle onderwijssoorten worden gastlessen op specifieke thema’s het vaakst genoemd. Hierna volgt lesbrieven over actuele maatschappelijke onderwerpen. Voor vrijwel elke vorm van hulp die is voorgelegd aan de respondenten, geven respondenten van het vo vaker dan respondenten van het po aan dat dit zou kunnen helpen. Figuur 2.3 Mogelijke hulp om maatschappelijk vraagstukken bespreekbaar te maken, po en vo (procenten) 59 gastlessen (intern of op locatie) op specifieke thema’s 72 lesbrieven over actuele maatschappelijke onderwerpen
30
hulp bij het werken aan sociale veiligheid en een positieve groepsdynamiek in de klas
28
hulp bij het voeren van ingewikkelde gesprekken over actuele maatschappelijke onderwerpen in de klas
20
samenwerken met onderwijsprofessionals van verschillende scholen
20
0%
45
25
leergang over eigen vooroordelen en hoe je daarmee omgaat
externe kennis/advies/vraagbaak
49
43 33 30
30 27 20%
40% po
60%
80%
vo
21
Figuur 2.4 Mogelijke hulp om maatschappelijk vraagstukken bespreekbaar te maken, (v)so (aantallen) gastlessen (intern of op locatie) op specifieke thema’s
21
lesbrieven over actuele maatschappelijke onderwerpen
13
externe kennis/advies/vraagbaak
12
samenwerken met onderwijsprofessionals van verschillende scholen
12
hulp bij het voeren van ingewikkelde gesprekken over actuele maatschappelijke onderwerpen in de klas
11
leergang over eigen vooroordelen en hoe je daarmee omgaat
10
hulp bij het werken aan sociale veiligheid en een positieve groepsdynamiek in de klas
9 0
10
20
30
Respondenten konden zelf ook andere vormen van hulp noemen die zouden kunnen helpen bij het bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken. Een aantal respondenten noemt dat zij vooral hulp willen om maatschappelijke onderwerpen bespreekbaar te maken met ouders of dat zij dit soort hulp zouden willen voor de ouders zelf, zodat ouders maatschappelijke onderwerpen bespreekbaar kunnen maken. Daarnaast wordt gepleit voor een breder gedeeld beleid of visie voor heel Amsterdam met concrete handvatten in plaats van ‘losse flodders’. Anderen benoemen dat ze meer tijd willen om deze lessen voor te bereiden. In voorgaande paragraaf was te zien dat onderwijsondersteunend personeel zich relatief minder vaak bekwaam voelt om maatschappelijke vraagstukken te bespreken. Daarbij zien we ook dat zij relatief vaak niet weten wat zou kunnen helpen om dit wel te kunnen doen (acht van de dertig respondenten). Respondenten die werkzaam zijn op scholen met een hoger aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand geven bij bijna elke vorm van hulp vaker aan dat dit zou kunnen helpen.
2.3 Behoefte ondersteuning tegengaan uitsluiting Uit verschillende onderzoeken blijkt dat racisme en discriminatie voorkomt op Amsterdamse scholen (Crul et. al., 2024; Kinderombudsman Metropool Amsterdam, 2024). In dit onderzoek is aan de respondenten gevraagd of ze behoefte hebben aan ondersteuning bij het tegengaan van discriminatie, racisme of andere vormen van uitsluiting op school. In paragraaf 1.1 komt naar voren dat discriminatie en racisme door meer dan de helft van de respondenten als vraagstuk wordt genoemd wat op een bepaalde manier speelt op school. Toch geeft een minderheid van de respondenten aan dat zij behoefte hebben aan ondersteuning bij het tegengaan van deze of andere vormen van uitsluiting op school. Wel is er een verschillen tussen respondenten in her po en vo, 39 procent van de respondenten in het vo geven aan dat zij behoefte hebben aan ondersteuning bij het tegengaan van discriminatie, racisme of andere vormen van uitsluiting. In het po ligt dit aandeel lager, daar
22
geeft 18 procent van de respondenten aan behoefte te hebben aan ondersteuning (zie figuur 2.5). In het (v)so geven zes van de 30 respondenten aan dat zij behoefte hebben aan ondersteuning om uitsluiting tegen te gaan op school. Figuur 2.5 Behoefte aan ondersteuning om uitsluiting tegen te gaan, po en vo (procenten)
vo
po
weet ik niet, geen antwoord 29%
ja 18%
nee 53%
weet ik niet, geen antwoord 28%
ja 39%
nee 33%
We zien dat respondenten die werkzaam zijn op een school met relatief veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand vaker behoefte hebben aan ondersteuning. Van de respondenten werkzaam op een po/vo school met meer dan 46% leerlingen met een risico op onderwijsachterstand, geeft 52 procent aan behoefte te hebben aan ondersteuning. Ook zien we dat jongere respondenten vaker behoefte hebben aan ondersteuning (47% van hen jonger dan 35 jaar). Schoolleiders hebben juist minder vaak behoefte aan ondersteuning (20% van hen). Daarnaast zien we dat zowel leraren die korter dan vijf jaar voor de klas staan, als leraren die langer dan 26 jaar voor de klas staan meer behoefte hebben aan ondersteuning (52% en 60%). Respondenten is ook gevraagd aan wat voor soort ondersteuning zij behoefte hebben. Respondenten werkzaam in het po, vo en (v)so noemen dat zij behoefte hebben aan kennis, bijvoorbeeld in de vorm van gastlessen. Respondenten in het vo noemen daarnaast specifiek voorlichting over bewustwording van de eigen vooroordelen en gevolgen van discriminatie voor slachtoffers. Respondenten in het po en (v)so benoemen kennis over hoe uitsluiting bespreekbaar te maken in de klas en hoe dit bespreekbaar te maken met ouders. Een aantal respondenten uit het po benoemt dat dit probleem groter is dan het onderwijs en dat dit iets is dat breed in de samenleving aandacht verdient.
“Met name bewustwording van eigen vooroordelen bij docenten en ontwikkeling culturele sensitiviteit bij (vooral oudere) docenten.” - respondent vo “Ik zou er meer aandacht aan willen besteden tijdens de lessen. Wellicht gastlessen.” – respondent (v)so
23
2.4 Bekendheid gemeentelijke ondersteuning De gemeente biedt scholen al verschillende vormen van ondersteuning bij het bespreekbaar maken van maatschappelijke vraagstukken. Hieronder is een tabel te zien met het ondersteuningsaanbod per onderwijssoort. Tabel 2.6 Gemeentelijke ondersteuning per onderwijssoort onderwijssoort po po
ondersteuning debatlessen door Discussiëren Kun Je Leren gemeentelijke subsidie voor activiteiten rond Burgerschap, diversiteit en gedeelde geschiedenis
vo
gratis museumbezoek Holocaustmuseum, Anne Frank Huis en Verzetsmuseum
vo
jongerenrechtbanken
vo
stadslab
po en vo
‘In mijn buurt’ – leren door ontmoeting
po, vo en mbo
fawaka Leergang voor leraren
po, vo en mbo
het Steunpunt Holocausteducatie sexmatters
po, vo en mbo
Respondenten is gevraagd met welke vormen zij bekend zijn (zie figuur 2.7 en 2.8). Respondenten werkzaam in het po zijn het vaakst bekend met debatlessen door Discussiëren Kun Je Leren en gratis museumbezoeken aan Holocaustmuseum, Anne Frank Huis en Verzetsmuseum. Meer dan de helft van hen is hiermee bekend. Zij zijn het minst bekend met sexmatters en stadslab. Respondenten werkzaam in het vo zijn het vaakst bekend met jongerenrechtbanken, gratis museumbezoeken, debatlessen en gemeentelijke subsidies voor activiteiten rond Burgerschap, diversiteit en gedeelde geschiedenis. Zij zijn het minst bekend met ‘In mijn buurt’ – leren door ontmoeting. Dit komt deels overeen met de doelgroepen van dezer verschillende vormen van ondersteuning, bijvoorbeeld Jongerenrechtbanken zijn voor leerlingen op het vo. Figuur 2.7 Bekendheid met gemeentelijke ondersteuning, po en vo (procenten) debatlessen door Discussiëren Kun Je Leren gratis museumbezoek Holocaustmuseum, Anne Frank Huis en Verzetsmuseum
42
gemeentelijke subsidie voor activiteiten rond Burgerschap, diversiteit en gedeelde geschiedenis
38 41
‘In mijn buurt’ – leren door ontmoeting
59
41
31
12
fawaka Leergang voor leraren
19
jongerenrechtbanken
12
het Steunpunt Holocausteducatie
11
stadslab
10
sexmatters
8
0%
31
46 17 20 31 20%
po
53
40%
60%
80%
vo
24
Respondenten werkzaam op het (v)so zijn het vaakst bekend met gemeentelijke subsidies, debatlessen en gratis museumbezoek. Acht van de dertig respondenten kennen deze vormen van ondersteuning. Het minst bekend bij hen zijn de jongerenrechtbanken en sexmatters. Figuur 2.8 Bekendheid met gemeentelijke ondersteuning, (v)so (aantallen) gemeentelijke subsidie voor activiteiten rond Burgerschap, diversiteit en gedeelde geschiedenis
8
debatlessen door Discussiëren Kun Je Leren
8
gratis museumbezoek Holocaustmuseum, Anne Frank Huis en Verzetsmuseum
8
fawaka Leergang voor leraren
5
stadslab
5
‘In mijn buurt’ – leren door ontmoeting
4
het Steunpunt Holocausteducatie
4
jongerenrechtbanken
3
sexmatters
3 0
10
20
30
2.5 Gemis in ondersteuningsaanbod van de gemeente Aan de respondenten die bekend waren met tenminste één vorm van ondersteuning vanuit de gemeente is gevraagd of zij nog iets misten in het ondersteuningsaanbod van de gemeente. Vierentwintig respondenten in het po konden daarbij iets noemen. Sommige respondenten noemen onderwerpen voor het ondersteuningsaanbod, zoals voorlichting over genderdiversiteit en seksuele oriëntatie. Een enkeling noemt bijvoorbeeld een gastles van het COC. Een ander onderwerp waar behoefte is aan ondersteuning is de situatie in Palestina. Andere respondenten noemen aanbod gericht op bepaalde doelgroep, zoals ondersteuning voor ouders of voor leraren van kleuterklassen. Een vorm die door een aantal respondenten wordt genoemd is ‘rolmodellen’ en jongeren die expert zijn van een bepaald onderwerp. Ook wordt door een aantal respondenten benoemd dat het huidige aanbod meer bekendheid zou moeten hebben. “Jongeren die komen vertellen.
Vaak zijn het experts, maar ik wil juist jonge mensen die op een basisschool tot de verbeelding spreken.” – respondent po “Scholen hebben op dit moment behoefte aan informatie, waarbij ze geen extra hulp krijgen voor activiteiten, maar hulp krijgen bij het beschrijven en formuleren wat er nu al op scholen gebeurt.” – respondent po Zesentwintig respondenten werkzaam in het vo konden iets noemen wat zij misten in het ondersteuningsaanbod van de gemeente. Een aantal respondenten noemt specifieke onderwerpen waarop zij meer ondersteuning zouden willen. Een van de onderwerpen is vrouwenrechten, verschillende vormen van discriminatie en agressie tegen vrouwen,