Onderzoek Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050.pdf
Tekst van het document
PBL | 92
Kader 4.1 De in deze studie onderscheiden types of soorten biogrondstofstromen Landbouw De primaire landbouwproductie in Nederland is momenteel vooral bestemd voor voedsel en veevoer. Bij de huidige primaire productie voor energie en feedstock gaat het met name om graan en bieten voor energieproductie, en zetmeelaardappelen voor industriële toepassingen. In de toekomst zal het ook gaan om andere (houtige) gewassen als grondstof voor de geavanceerde biobrandstofproductie. De gewasresten uit de landbouw zijn divers van oorsprong. Ze bestaan uit o.a. loofresten en stronken die vrijkomen bij de bestaande teelten van gewassen en stro als restproduct van de graanproductie. Daarnaast gaat het om groenbemesters (of vanggewassen zoals lupine), die geteeld worden tussen twee hoofdgewassen ter behoud van de bodemkwaliteit. Dierlijke mest is de grootste primaire reststroom uit de landbouw, waarvan momenteel maar een heel klein deel wordt gebruikt voor energetische toepassingen (verbranding en vergisting). Bij de voedings- en genotsmiddelenindustrie (VGI) komen secundaire reststromen vrij, zoals oliezadenschroot, paprikapunten, aardappelschillen en DDGS (eiwitrijk bijproduct van ethanolproductie uit granen). Bosbouw en houtsector De primaire houtproductie bestaat uit zaaghout bedoeld voor constructie- en meubelhout en daarnaast uit pulphout voor de papierindustrie.
Ook wordt een deel energetisch ingezet omdat het kwalitatief niet geschikt is voor andere toepassingen. Primaire houtige restromen komen vrij bij beheerwerkzaamheden aan en omvorming van houtige beplantingen in de stedelijke omgeving en het landschap (b.v. houtwallen, boomgaarden en lanen) en bij de primaire houtoogst (boomtoppen en dikke takken). Secundaire houtige reststromen komen uit de houtverwerkende industrie zoals zagerijen en spaanplaatindustrie en betreffen een stroom van bijvoorbeeld afkorthout, zaagsel en krullen. Tertiaire stromen Tertiaire biogrondstofstromen zijn afkomstig van producten die aan het eind van hun levenscyclus zijn of restmaterialen na de consumptiefase (CE Delft, 2020). Daarbij gaat het om sloop- en afvalhout, slib van riool- en waterzuiveringsinstallaties, organische materiaal in papierslib en residuen uit papier-recycling, gescheiden ingezameld GFT, de organische restfractie van overig afval van huishoudens en de kantooren dienstensector, en de niet-houtige reststromen die vrijkomen bij het beheer van de Nederlandse natuur en landschappen (bijvoorbeeld riet, bermgras en heidemaaisel).
PBL | 93
Wel en niet verhandelbare biogrondstoffen In dit rapport zijn de verschillende types biogrondstofstromen (zie kader 4.1) onderverdeeld in ‘verhandelbare’ en ‘niet-verhandelbare’ stromen. De eerste categorie betreft min of meer homogene stromen (of stromen die na voorbewerking zoals torrefactie of pyrolyse homogeen kunnen worden gemaakt) die als internationale ‘commodities’ kunnen worden verhandeld, bij de tweede gaat het om laagwaardige stromen die meestal lokaal worden toegepast. Daaronder vallen mest en de tertiaire stromen, uitgezonderd houtafval. Ook voor (delen van) andere stromen, zoals secundaire landbouwstromen, kan verhandelbaarheid problematisch zijn, maar dat is hier niet expliciet uitgewerkt. De commodities – vaak houtige biomassa of, in de toekomst, ook getorreficeerde reststromen uit met name de landbouw – lenen zich voor verschillende verwerkingsroutes waarmee in principe elke gewenste koolwaterstof te maken is (zie ook paragraaf 3.1 en (PBL, 2024e)). De directe toepassingsmogelijkheden van laagwaardige stromen zijn beperkter. Deze worden vaak vergist tot biogas en lokaal toegepast, en soms ook opgewerkt tot groengas. Verdere opwerking tot allerlei koolwaterstoffen is technisch wel mogelijk. Voor de import naar Nederland zijn met name de goed verhandelbare biogrondstoffen van belang.
Duurzaamheidseisen Tot slot: als we spreken van ‘duurzame biogrondstoffen’ dan bedoelen we daarmee biogrondstoffen die voldoen aan alle gestelde duurzaamheidseisen. We sluiten aan bij het SER-advies ‘Biomassa in Balans’ en het daarop gebaseerde beleid van de Rijksoverheid, zoals uiteengezet in het ‘duurzaamheidskader biogrondstoffen’ (EZK & I&W, 2020). De maatschappelijke en politieke discussies rond duurzame biogrondstoffen zijn in eerdere PBL-publicaties uitvoerig behandeld (met name (PBL, 2020a)), en zijn geen onderwerp van deze studie.
4.2.2 Beschikbaarheid binnen Nederland Het huidige (2020) gebruik en de minimale en maximale beschikbaarheid in 2050 van biogrondstoffen binnen Nederland voor energie en feedstocks is weergegeven in figuur 4.1. Deze tellen op tot 106 petajoule in 2020 en tot minimaal 125 petajoule en maximaal 230 petajoule in 2050. Het aandeel ‘verhandelbaar’ neemt daarbij licht toe van 62 procent naar ruim 68 procent. Er is daarmee in 2050 sprake van slechts een beperkte toename tot een mogelijke verdubbeling van de huidige hoeveelheid. Om het hoge potentieel te realiseren zal een flinke inspanning moeten worden verricht om arealen te vergroten en reststromen binnen de land- en bosbouw beter te benutten. De beschikbaarheden in 2030 hebben we geraamd op basis van een lineaire toename tussen 2020 en 2050. Dit is lager dan in een aantal eerdere studies is ingeschat (DNV GL, 2017; LNV & RVO, 2020). Dat komt doordat wij het onwaarschijnlijk achten dat de benodigde arealen en infrastructuur tijdig opgeschaald kunnen worden tot het niveau van die hoge ramingen. Hieronder volgen een aantal observaties met betrekking tot de potentiëlen van de in figuur 4.1 onderscheiden biogrondstofstromen. Meer details zijn te vinden in (PBL, 2024a).
Grootste toename potentieel biogrondstoffen uit de landbouw De grootste toename van de productie van biogrondstoffen in Nederland lijkt mogelijk in de landbouw. Bij de primaire productie kan die toename vooral worden gerealiseerd door het telen van houtige gewassen zoals olifantsgras of door het op grotere schaal telen van bestaande gewassen zoals bieten. Daarnaast kan een toename worden gerealiseerd door meer en ander gebruik van gras, en een (beperkte) productiviteitsstijging van bestaande teelten. Voor de bovenkant van de bandbreedte is 90 tot 100 duizend hectare extra grond nodig die zou kunnen voortkomen uit een lagere behoefte aan gras- en maïsland, zie ook paragraaf 3.4.
PBL | 94
Figuur 4.1
In de huidige praktijk wordt het overgrote deel van de gewasresten op het veld achtergelaten, onderwerkt of doodgespoten. Deze zouden ook geoogst kunnen worden. Verder kan, afhankelijk van de bodemgesteldheid, tot 70 procent van de groenbemesters geoogst worden zonder een significant verlies van bodemkwaliteit (CE Delft, 2020). Ook de benutting van de stromen die bij de voedings- en genotsmiddelenindustrie (VGI) (zie kader 4.1) vrijkomen zou uitgebreid kunnen worden, met name door verbetering van technieken om meer van deze stromen om te kunnen zetten in bruikbare biogrondstoffen voor energie en vooral feedstocks. Hierbij gaat het met name om eiwitrijke reststromen (RVO, 2020). Richting 2050 zou er iets meer drijfmest ingezameld en vergist kunnen worden (PBL, 2024d) en tevens kan door snellere verwerking de energieopbrengst hieruit groter worden. Maar doordat naar verwachting tegelijkertijd de veestapel de komende decennia zal krimpen zal per saldo de droge mestinzet voor verbranding min of meer gelijk blijven, en de hoeveelheid natte mest die vergist wordt slechts beperkt kunnen toenemen. Dat is dan nog steeds een beperkt deel van de totale hoeveelheid mest: inzamelen en verwerken blijft duur, logistiek uitdagend en energie-intensief (bijvoorbeeld voor transport) en er zal een groot deel van de mest gebruikt blijven worden in de sector zelf.
PBL | 95
Bosbouw en houtsector De bosbouwsector is ook een belangrijk bron van biogrondstoffen in Nederland, zowel voor energetische toepassingen en feedstocktoepassingen (zie figuur 4.1) als voor materialen (zie PBL, 2024a). Om een groei te realiseren richting 2050 kan de primaire houtoogst in het gunstigste geval rond 2050 bijna verdubbelen. Dit is mogelijk als de houtoogst in bestaande en nieuwe bossen geïntensiveerd wordt. Uitgaande van de doelstelling in de Nationale Bossenstrategie (LNV, 2020) kan het bosareaal in Nederland tot 2030 met 13 tot 37 duizend hectare zijn toegenomen; in de decennia daarna kan dat mogelijk tot 90 duizend hectare worden uitgebreid (zie paragraaf 3.4). De getoonde toename van de primaire reststromen komt deels voort uit deze uitbreiding, en daarnaast ook door aangepast landschapsbeheer (bijvoorbeeld van houtwallen), het meer inzamelen van takken en toppen bij oogst in bossen en lanen, alsmede het meer binnenlands gebruik van stromen die nu naar het buitenland gaan (nu rond 3 petajoule, (Probos, 2023)). De extra inzameling vraagt wel om gericht beleid, aangezien het nu economisch niet interessant is. Met name voor hoogwaardig gebruik van houtige biogrondstoffen zullen een hanteerbaar beprijzingssysteem en ketenontwikkeling nodig zijn (LNV & RVO, 2020). De hoeveelheid secundaire houtige reststromen is in Nederland beperkt.
In 2050 kan de beschikbaarheid zijn verdubbeld, onder andere door de hoeveelheid hout die hier verwerkt wordt te vergroten. Daarnaast zouden bestaande stromen ook (deels) anders ingezet kunnen worden. Nu wordt resthout vooral afgezet als strooisel in de dierhouderij in Nederland en het buitenland, en andere secundaire stromen gaan veelal naar het buitenland (CE Delft, 2020), bijvoorbeeld omdat de spaanplaatindustrie beperkt is in Nederland.
Tertiaire rest- en afvalstromen Door een betere inzameling kan een groter deel van de niet-houtige reststromen die vrijkomen bij het beheer van de Nederlandse natuur en landschappen beschikbaar komen (bijvoorbeeld riet, bermgras en heidemaaisel, de categorie overig uit landschap in figuur 4.1). Daarbij gaat het vooral om het verwerken van maaisel dat nu al verzameld wordt (en in het veld achtergelaten wordt). De omvang van tertiaire rest- en afvalstromen (afvalhout, slib, GFT-afval, organische fracties van huishoudelijk en kantoorafval, en papierresiduen) zou fors verhoogd kunnen worden door het efficiënter verzamelen, maar een belangrijk aandachtspunt is de samenstelling en kwaliteit van deze tertiaire stromen.
Potentieel aquatische biogrondstoffen zeer onzeker Het potentieel van aquatische biogrondstoffen is hier niet in beschouwing genomen, ook al kan dit volgens sommige studies hoog zijn en kunnen algen en zeewier interessant zijn voor vele toepassingen. Maar de technologie is nog volop in ontwikkeling (PBL, 2020), en er zijn nog geen plannen voor grootschalige productiefaciliteiten. Daarom is het potentieel uiterst onzeker.
4.2.3 Beschikbaarheid in de EU plus het Verenigd Koninkrijk Figuur 4.2 toont het huidige (2020) gebruik en de beschikbaarheid van biogrondstoffen voor energetische toepassingen en feedstocks in de EU27 plus het Verenigd Koninkrijk in 2050. Dit telt op tot ruim 6 EJ in 2020 en 9 tot 16 EJ in 2050 (tabel 4.3) waarbij het verhandelbare aandeel min of meer constant blijft.
PBL | 96
Figuur 4.2
Landbouw Opgeteld laat de landbouw richting 2050 een mogelijke stijging zien van 65 procent tot bijna een verdrievoudiging ten opzichte van 2020. De belangrijkste groeifactoren zijn een hogere productie per hectare, een groter areaal voor met name energiegewassen, en een betere inzameling en verwerking van zowel primaire als secundaire reststromen. De grote bandbreedte in beschikbaarheid uit de primaire landbouwproductie komt vooral door verschillende aannames in de literatuur rond de verhoging van de gewasopbrengst van energiegewassen zoals olifantsgras of bieten, en de uitbreiding van het areaal dat hiervoor in productie genomen kan worden. Opbrengsten van energiegewassen in de EU27 en het Verenigd Koninkrijk zouden kunnen stijgen met maximaal 1-2 procent per jaar door nieuwe technieken zoals betere irrigatie, verdere mechanisatie en precisielandbouw. Daarnaast wordt op veel plekken in Europa landbouwgrond verlaten vanwege sociaaleconomische redenen en omgevingsfactoren (b.v. bodemdegradatie). Stimuleringsbeleid voor het verbouwen van energiegewassen op deze gronden kan zorgen voor een flinke toename van de productie (zie (PBL, 2024a) voor meer details). De beschikbare hoeveelheid primaire reststromen uit de landbouw (naast mest) is gekoppeld aan de primaire landbouwproductie (inclusief voedselgewassen).
De literatuur geeft hiervoor een verhouding van 1 tot 1,5 tussen gewasproductie en reststroom (CE Delft, 2020; ICL, 2021), afhankelijk van de hoeveelheid restproducten die op het land moet achterblijven voor het behoud van de bodemkwaliteit. Naar
PBL | 97
verwachting kan de primaire landbouwproductie tot 2050 nog sterk stijgen, waardoor ook de beschikbare primaire reststroom sterk zou kunnen toenemen. Net als bij de primaire landbouwproductie is de bandbreedte in beschikbaarheid groot. Bij de onderkant van de bandbreedte – een stijging met circa 15 procent ten opzichte van de huidige beschikbaarheid – wordt ervan uit gegaan dat alleen het landbouwareaal (inclusief dat voor energiegewassen) in Europa toeneemt, en dat de verhouding tussen gewasproductie en reststromen gelijk blijft. Bij de bovenwaarde van de bandbreedte – een verdrievoudiging in 2050 ten opzichte van 2020 – is daarbovenop uitgegaan van een stijging van de productie per hectare en een grotere oogst van bestaande reststromen. Weinig Europese studies nemen mest mee in hun ramingen, mede omdat mest momenteel meestal andere toepassingen heeft en het inzamelen lastig is. In deze studie gaan wij uit van ICL (2021). Deze studie laat relatief (per rund) een forse stijging ten opzichte van 2020 zien, maar de absolute stijging is desondanks beperkt doordat ook op EU-niveau de omvang van de veestapel waarschijnlijk zal afnemen. De relatieve stijging komt vooral door een efficiëntere inzameling van mest en door een betere verwerking van vooral natte mest.
De secundaire reststromen vanuit met name de voedselindustrie in Europa zijn van zeer diverse herkomst, waardoor inzameling lastig en nog beperkt is en geavanceerde technieken nodig zijn om deze stroom van verschillende kwaliteiten breed te kunnen verwerken, bijvoorbeeld op basis van nieuwe pyrolyse- of vergassingmethoden (ICL, 2021). De stroom is zowel nu als in de toekomst in Europa van beperkte omvang ten opzichte van het totaal, maar kan mogelijk tot 2050 wel verdubbelen tot bijna verdrievoudigen ten opzichte van 2020. Er is met name een potentieel in Frankrijk en Oostenrijk, en in mindere mate in Duitsland, Polen en Italië (ICL, 2021). Deze toename is alleen realiseerbaar als de inzameling wordt verbeterd, tot op heden niet benutte stromen worden gebruikt, en de genoemde verwerkingstechnieken voldoende snel worden ontwikkeld.
Bosbouw en houtsector De boven- en ondergrenzen voor beschikbare biogrondstoffen uit de bosbouwsector in 2050 komen voort uit verschillen in aannames rond kansen voor extra houtoogst, extra aanplant van bossen, en het extra inzamelen van reststromen (CE Delft, 2020; ICL, 2021; JRC, 2015; Material Economics, 2021). Ongeveer de helft van de stroom aan houtige biogrondstoffen hangt ook in 2050 samen met de primaire houtproductie, met name door een toename van de productie in Zweden, Finland, Duitsland, het VK, Frankrijk en Polen. Momenteel is de oogst in Europese bossen ongeveer 60 procent van de jaarlijkse bijgroei. Volgens onder meer WUR (2016) zou dit met beperkte ecologische effecten verhoogd kunnen worden naar 70 tot 75 procent. Daarnaast zullen de nieuw aangeplante bossen met snelgroeiende soorten rond 2050 deels al geoogst kunnen worden. Bij primaire reststromen uit de bosbouw speelt de vraag in hoeverre deze geoogst kunnen worden zonder aantasting van de bodemkwaliteit, biodiversiteit en andere milieufactoren. De bovenkant van de bandbreedte gaat uit van een grotere houtoogst in Europa waardoor ook meer reststromen kunnen worden ingezameld en verwerkt, inclusief stedelijk groen.
De houtige reststromen kunnen afkomstig zijn uit traditionele bosbouwlanden zoals de Scandinavische landen, Frankrijk en Duitsland, maar ook uit landen met een lagere primaire houtproductie, zoals Italië, Slovakije, Bulgarije en Slovenië. Bij die laatstgenoemde landen gaat het veelal om een lagere houtkwaliteit (ICL, 2021). Meer dan bij de primaire houtproductie worden primaire reststromen gebruikt voor energietoepassingen en feedstocks (53 tot 59 procent). Toch zal een substantieel deel van deze stroom ook gebruikt kunnen worden voor materialen (PBL, 2024a).
PBL | 98
De stroom aan houtige secundaire reststromen (uit de houtverwerkende industrieën) voor energie en feedstocks zou in relatief bescheiden mate kunnen toenemen, vooral in landen die nu al een grote houtverwerkende industrie kennen, zoals Zweden, Finland en Duitsland. De toename komt door een verwachte stijgende houtoogst en bijbehorende verwerking, en een betere inzameling binnen de industrie.
Tertiaire rest- en afvalstromen De beschikbaarheid van afvalhout in de EU28 zou tot 2050 ruim kunnen verdubbelen, deels door het afbouwen van het storten van afvalhout. Op basis van de literatuur gaan we er van uit dat maximaal 30 procent van het afvalhout gerecycled kan worden, en de resterende 70 procent gebruikt kan worden voor energie. De overige afvalstromen binnen deze categorie zijn samen groter dan die van afvalhout maar ook heel divers (zie kader 4.1). De verwachting is dat deze stromen zouden kunnen verdubbelen tot verdrievoudigen. Papier omvat daarbij bijna de helft van het totaal, maar doordat hergebruik zal toenemen zal het percentage dat beschikbaar is voor energetische toepassingen afnemen. Grote landen in Europa zoals Duitsland, het VK, Frankrijk, en Italië hebben naar verwachting de grootste potentiëlen.
4.2.4 Totale beschikbaarheid voor Nederland Er zijn verschillende manieren denkbaar en verdedigbaar om een inschatting te maken van het deel van de Europese productie van verhandelbare biogrondstoffen dat voor Nederland beschikbaar komt. Hierbij spelen vele factoren een rol, die mede afhankelijk zijn van de doelen die Europa heeft voor de rol van biogrondstoffen in het verduurzamen van sectoren zoals luchtvaart, scheepvaart en industrie. Het volledig uitwerken van alle factoren, inclusief een analyse van de toekomstige biogrondstofprijzen en markten, zou een integrale Europese studie vergen, wat buiten het bestek valt van dit project. Daarom is de toekenning van de Europees beschikbare biogrondstoffen aan Nederland door ons op een meer vereenvoudigde manier uitgewerkt. In de integrale trajecten (zie hoofdstuk 6) is geen restrictie opgelegd aan waar biogrondstoffen toegepast mogen worden. De directe energetische toepassingen (en dus ook BECCS in de elektriciteitssector) hebben echter een afnemend aandeel en voorrang wordt gegeven aan toepassingen en activiteiten waarvoor ze harder nodig zijn.
Daarbij gaat het vooral om toepassingen waarvoor ook op de langere termijn alternatieven ontbreken of onvoldoende beschikbaar zijn, zoals brandstoffen voor de internationale zeescheepvaart en de luchtvaart, en feedstocks (zie hoofdstuk 6 en paragraaf 3.1), verder kortweg aangeduid met de term ‘koolwaterstoffen’. Dit is ook lijn met de ambitie van Nederland en de EU om de inzet van biogrondstoffen voor directe energetische toepassingen (warmte en elektriciteit) af te bouwen en voorrang te geven aan toepassingen en activiteiten waarvoor ze het hardst nodig zijn. Welk deel van de totaal Europees beschikbare verhandelbare biogrondstoffen naar de productie van koolwaterstoffen gaat zal onder meer afhangen van de (emissie)doelen en bijbehorende beleidsprikkels voor luchtvaart en scheepvaart en voor de verduurzaming van feedstocks. Bij ambitieuze doelen en een bijbehorende serieuze (prijs)prikkel vanuit het beleid ligt het voor de hand dat een groter deel van de beschikbare biogrondstoffen naar koolwaterstoffen voor brandstoffen en feedstocks gaat. Hoeveel dat zal zijn hangt onder meer af van de mogelijkheden voor en kosten van alternatieven zoals de inzet van nietkoolstofhoudende brandstoffen (zoals ammoniak), en de recycling van plastics.
Door recycling van plastics blijven koolwaterstoffen immers langer in het systeem, en wordt het verbruik van primaire koolwaterstoffen voor plastics lager.
PBL | 99
Voor 2030 is de aanname dat (net als nu) biogrondstoffen in de EU nog hoofdzakelijk voor directe energetische toepassingen zullen worden ingezet en dat richting 2050 een steeds groter deel bestemd is voor de productie van koolwaterstoffen. Op basis van het ‘EU Reference Scenario 2020’ van de Europese Commissie (EC, 2020a) gaan we er voor 2050 van uit dat dit uiteindelijk 80 procent zal zijn. Deze hoeveelheid is verdeeld over de lidstaten naar rato van de in de toekomst verwachte productieomvang van genoemde koolwaterstoffen volgens datzelfde scenario. Nederland neemt daarin een relatief groot deel van de Europese koolwaterstofproductie voor haar rekening en volgens het ‘Reference scenario’ blijft dat ook zo in de toekomst. Voor het restant, dat dus voor de directe energetische toepassingen wordt gebruikt en afneemt tot 20 procent van het totaal in 2050, hebben wij gekozen voor een verdeling over lidstaten naar rato van de omvang van de economie op basis van het Bruto Nationaal Product (BNP). Deze wijze van toekennen, waarin de beschikbaarheid van biogrondstoffen voor de productie van koolwaterstoffen in Nederland wordt beschouwd in een Europese context, betekent dus ook dat als Nederland minder koolwaterstoffen zou produceren er ook minder biogrondstoffen voor Nederland beschikbaar zijn.
De koolwaterstoffen moeten dan immers elders geproduceerd worden, en de biogrondstoffen gaan dan ook naar de betreffende productielocaties. Op basis van het bovenstaande en uitgaande van een recyclingspercentage van plastic van rond de 40 procent (zie paragraaf 3.1), zou Nederland dan rond 2050 naar verwachting tussen de 635 en 1230 petajoule aan verhandelbare biogrondstoffen tot haar beschikking kunnen hebben (bijna 11 procent van het Europese totaal), zie tabel 4.3. De onder- en bovenwaarde zijn daarbij bepaald op basis van respectievelijk de lage en hoge Europese beschikbaarheid voor verhandelbare biogrondstoffen. Daarnaast is er nog een relatief kleine hoeveelheid (47 tot 73 petajoule) niet-verhandelbare biogrondstoffen (zoals mest en bepaalde afvalstromen) die binnen Nederland gebruikt kunnen worden.
Tabel 4.3 Beschikbaarheid van biogrondstoffen voor directe energetische toepassingen en koolwaterstofproductie voor Nederland (petajoule) op basis van EU stromen (exajoule) Regio Type stroom 2020 2030 2030 2050 2050 Laag Hoog laag hoog EU28 Energie & koolwaterstof 6,1 7,1 9,5 9,0 16,3 EU27 Energie & koolwaterstof 5,2 6,0 8,1 7,6 13,8 EU27 Verhandelbaar, energie & 4,5 5,0 6,8 5,9 11,5 koolwaterstof EU27 Rato energie/koolwaterstof 100/0 80/20 80/20 20/80 20/80 NL
Verhandelbaara, energie & 258 379 521 koolwaterstof Waarvan import 192 309 424 NL Niet verhandelbaar, energie 40 42 51 & koolwaterstof (uit NL) a Dit is gelijk aan de som van het verhandelbare deel in Nederland en import
PBL | 100
635
1.231
558 47
1.073 73