CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Oever, van den, S.G. 3368386 TH-VB.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 3 oktober 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief update criminele uitbuiting (VN2024-012723)22.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Masterscriptie Criminologie

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Autonome drugsdealers of lijdzame slachtoffers? Een analyse van de framing van slachtoffer- en daderschap van criminele uitbuiting binnen ‘county lines’ in Engeland en Wales

Eventueel foto

Naam Suzanne van den Oever (s3368386)

Begeleider: I.A. Ras Scriptie geschreven in het kader van de Master Criminologie en Veiligheidsbeleid aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden Datum: 10 juli 2023

Colofon:

1. 2.

Aangeven optie die men heeft gevolgd: stage en scriptie. Gegevens van de stageplaats: Gemeente Amsterdam. Amstel 1, 1011 PN Amsterdam. Naam begeleider: Anne de Leeuw.

Abstract Om Nederlands beleid inzake de criminele uitbuiting van minderjarigen te verbeteren is door de minister van Veiligheid en Justitie verwezen naar het Verenigd Koninkrijk, waar de druggerelateerde criminele uitbuiting van minderjarigen binnen ‘county lines’ de meest gesignaleerde verschijningsvorm van mensenhandel is. Een kritische reflectie op Brits beleid is echter nodig, gezien de framing van slachtoffer- en daderschap van ‘county lines’ in beleid zich lijkt te baseren op stereotype slachtoffer- en daderrepresentaties, waaronder ‘ideal victim’ en ‘ideal offender’ representaties. Er is beargumenteerd hoe zulke representaties, zoals vaker zichtbaar in mensenhandel(media)discoursen, kunnen leiden tot ineffectief beleid ten aanzien van ‘county lines’ en tot problemen ervaren door frontliniewerkers. Er is een systematische analyse uitgevoerd van de framing van slachtoffer- en daderschap van criminele uitbuiting binnen ‘county lines’ in beleidsteksten met betrekking op Engeland en Wales. In de framing van ‘county lines’ zijn elementen van het criminaliteits-/national security frame en het public health frame zichtbaar zichtbaar. Daderrepresentaties komen overeen met ‘ideal offenders’. Zij worden weergegeven als deviante leden van criminele bendes die doelbewust profiteren van een crimineel verdienmodel dat kwetsbare minderjarigen en volwassenen uitbuit.

Slachtofferrepresentaties komen overeen met ‘ideal victims’, alhoewel de ‘agency’ van slachtoffers in de opsporingscontext wordt erkend. Tenslotte zijn de implicaties van de geïdentificeerde frames besproken en wordt er gepleit voor een genuanceerd slachtoffer- en daderperspectief. Er wordt een structurele aanpak aanbevolen die zich baseert op het verbeteren van de structurele kwetsbaarheden van slachtoffers en daders en de principes van harm reduction, in tegenstelling tot de ‘safeguarding’ van individuele slachtoffers.

Inhoudsopgave Abstract ................................................................................................................................. 2 1.

Introductie ...................................................................................................................... 5 1.1 Het Verenigd Koninkrijk als gidsland ............................................................................ 5 1.2 Maatschappelijke relevantie ......................................................................................... 7 1.3 Wetenschappelijke relevantie....................................................................................... 9

2. Contextuele informatie......................................................................................................11 2.1 Relevante definities.....................................................................................................11 2.1.1 The Modern Slavery Act .......................................................................................12 2.2 Fenomeenomschrijving ...............................................................................................13 2.2.1 Het verdienmodel in relatie tot minderjarigen ........................................................14 2.3 Een contextuele vergelijking........................................................................................16 3.

Theoretisch kader .............................................................................................................18 3.1 Agendasettingtheorie ..................................................................................................18 3.2 De constructie van het slachtoffer ...............................................................................20 3.2.1 Minderjarige slachtoffers van ‘county lines’, verre van ‘ideal victims’? ..................21 3.2.2 Voorwaarden legitieme slachtofferstatus ..............................................................22 3.3 De constructie van de dader .......................................................................................24 3.3.1 De mythe van de criminele bende ........................................................................25 3.4 Dominante frames in mensenhandel discoursen .........................................................25 3.4.1 Human rights frame ..............................................................................................26 3.4.2 Criminaliteitsframes ..............................................................................................26 3.4.3 Public health frame ...............................................................................................28 4.

Methoden .........................................................................................................................30 4.1 Toelichting codeerschema ..........................................................................................30 4.2 Dataverzameling .........................................................................................................33 4.3 Datasaturatie van gegevensbronnen...........................................................................35 4.4 Analyseprocedure .......................................................................................................36 4.4.1 Codeercriteria ..........................................................................................................37 4.5 Kritische reflectie op de validiteit en betrouwbaarheid .................................................38 4.6 Ethische overwegingen ...............................................................................................40 5.

Resultaten ........................................................................................................................41 5.1 Probleemdefinitie en morele evaluatie ........................................................................41 5.1.1 Slachtofferrepresentaties ......................................................................................42 5.1.2 Daderrepresentaties .............................................................................................44 5.2 Causale interpretatie ...................................................................................................45 5.3 Voorgestelde beleidsoplossingen ................................................................................46

5.5 De framing door overheidsbronnen .............................................................................47 5.6 De framing door NGO’s...............................................................................................47 6. Conclusie .........................................................................................................................49 7. Discussie ..........................................................................................................................52 7.1 Implicaties van de geïdentificeerde frames .................................................................52 7.1.1 Implicaties van slachtoffer- en daderrepresentaties ..............................................52 7.2 De complexiteit van de uitvoering van beleid ..............................................................53 7.3 Implicaties voor beleid.................................................................................................54 7.4 Methodologische sterke en zwakke punten .................................................................55 7.4 Concluderend .............................................................................................................57 Literatuurlijst .........................................................................................................................59 Appendix I.

Codeerschema ..................................................................................................68 Appendix II. Dominante frames met verwachte codes ..........................................................86

1. Introductie Uit onderzoek van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) blijkt dat het aantal vermoedelijke (minderjarige) Nederlandse slachtoffers van criminele uitbuiting waarschijnlijk vele malen hoger is dan officiële registraties weergeven (Leito et al., 2022). Criminele uitbuiting is een vorm van mensenhandel, waarbij een persoon door een derde wordt gedwongen

tot

het

plegen

van

misdrijven1.

De

onderzoekers

hebben

1,637

eerstelijnsprofessionals gevraagd naar hun ervaringen met vermoedelijk slachtofferschap van criminele uitbuiting. De ondervraagden zijn onder andere personen werkzaam bij de politie, jongerenwerkorganisaties, het onderwijs, jeugdhulp en jeugdbescherming. Uit het onderzoek komen 2,500 Nederlandse vermoedelijke slachtoffers tussen 2019 en 2021 naar voren; een schril contrast met de 135 officiële slachtofferregistraties tussen 2016 en 2020 bij het landelijk coördinatiepunt CoMensha (Leito et al., 2022). De meest gesignaleerde verschijningsvorm betreft druggerelateerde criminele uitbuiting, waarbij jongeren tussen de 13 en 17 jaar worden gedwongen tot het vervaardigen, uithalen, vervoeren of het verhandelen van drugs. Een conclusie van Leito et al. (2022) is dat de druggerelateerde criminele uitbuiting van minderjarigen mogelijk een belangrijke pijler vormt in het verdienmodel van de georganiseerde criminaliteit. De minister van Veiligheid en Justitie Yeşilgöz-Zegerius (2022) onderschrijft deze conclusie in een Kamerbrief en vermeldt expliciet dat Nederland in contact zal treden met het Verenigd Koninkrijk om lering te trekken uit de Britse aanpak van criminele uitbuiting.

1.1 Het Verenigd Koninkrijk als gidsland In het Verenigd Koninkrijk is namelijk de afgelopen jaren door de overheid veel geïnvesteerd in het bewustzijn en de signalering van criminele uitbuiting (Barlow et al., 2021; Leito et al., 2022; Yeşilgöz-Zegerius, 2022), onder andere door middel van het trainen van frontliniewerkers werkzaam in de opsporing, hulpverlening, medische sector en het onderwijs (Barlow et al., 2021). In het Verenigd Koninkrijk is het aantal registraties van vermoedelijke

1 Zie 2.1 voor een volledige definiëring van criminele uitbuiting.

slachtoffers van criminele uitbuiting de afgelopen jaren fors toegenomen. Criminele uitbuiting is hier al drie jaar op een rij de meest gesignaleerde vorm van mensenhandel (Home Office, 2021a; 2022a; 2023; Leito et al., 2022). Dit betreffen registraties van vermoedelijke slachtoffers die via het National Referral Mechanism (NRM) door ‘first responder’ organisaties zijn gemeld aan het Britse Home Office. Hieronder vallen specifieke afdelingen van het Home Office, opsporingsinstanties, lokale autoriteiten en NGO’s (Home Office, z.d.). In het Verenigd Koninkrijk wordt bovendien een mentaliteitsomslag verondersteld (Yeşilgöz-Zegerius, 2022), waarbij jongeren die bij (opsporings-)autoriteiten als verdachte van een misdrijf in beeld komen niet als dader maar als mogelijk slachtoffer van criminele uitbuiting worden beschouwd. Het merendeel van de Britse minderjarige vermoedelijke slachtoffers van criminele uitbuiting ziet toe op jongens die worden gedwongen tot het vervoeren en verhandelen van drugs over regionale grenzen (‘across county lines’) (Home Office, 2023), een context die mogelijk vergelijkbaar is met druggerelateerde criminele uitbuiting van Nederlandse jongeren.

De term ‘county lines’ verwijst naar een crimineel verdienmodel, waarbij georganiseerde criminele netwerken met behulp van mobiele telefoonverbindingen drugstransporten tussen stedelijke en rurale gebieden in het Verenigd Koninkrijk coördineren (Home Office, 2018a). De uitbuiting van kwetsbare populaties, waaronder minderjarigen, wordt als belangrijke pijler van dit verdienmodel gezien (Windle et al., 2020; Coomber & Moyle, 2018). Britse overheidsrichtlijnen schrijven expliciet voor dat minderjarigen die als verdachte in beeld komen recht hebben op dezelfde wettelijke bescherming als andere kinderen en dat aandacht voor hun veiligheid en welzijn centraal dient te staan. Ook minderjarigen die met drugs worden aangetroffen binnen ‘county lines’ dienen door deze lens te worden beschouwd, zodat in beginsel oog is voor mogelijk slachtofferschap van criminele uitbuiting (Home Office, 2018a, p.65-66). Er zijn signalen dat een slachtoffer georiënteerd perspectief in Nederland (nog) lijkt te ontbreken (Bos et al., 2016; Dettmeijer-Vermeulen et al., 2016; Leito et al., 2022; Nijenhuis, 2016; Van Bemmel et al., 2022). Niet alleen zijn Nederlandse (minderjarige) slachtoffers van

criminele uitbuiting ondervertegenwoordigd in officiële registraties, maar wanneer zij wel in beeld komen bij opsporingsautoriteiten lopen zij het risico om ten onrechte strafrechtelijk vervolgd te worden (Leito et al., 2022; Van Bemmel et al., 2022). Zo wordt er onvoldoende kennis en expertise over criminele uitbuiting onder Nederlandse frontliniewerkers geconstateerd, waardoor slachtoffers mogelijk niet herkend worden (Bos et al., 2016; Leito et al., 2022; Nijenhuis, 2016). Stereotype opvattingen over slachtofferschap en het feit dat slachtoffers zichzelf vaak niet als zodanig herkennen belemmeren de slachtofferidentificatie (Bos et al., 2016; Leito et al., 2022). Dat Nederlandse (minderjarige) slachtoffers van criminele uitbuiting criminalisering riskeren, blijkt ook uit het aantal zaken met elementen van criminele uitbuiting dat als ZSM-afdoening wordt aangeboden (Dettmeijer-Vermeulen et al., 2016; Nijenhuis, 2016). Dit is een buitengerechtelijke afdoening die bij veelvoorkomende criminaliteit wordt ingezet, zodat het Openbaar Ministerie in een korte tijd kan besluiten tot een passende afdoening/straf (Openbaar Ministerie, 2022).

1.2 Maatschappelijke relevantie Er wordt verwezen naar de Britse aanpak van criminele uitbuiting als voorbeeld voor Nederlands beleid. Voor effectiever Nederlands beleid is het relevant om te controleren of Britse beleidsteksten wel representatief zijn voor de realiteit van criminele uitbuiting. Zo bestaat er aanleiding om kritisch te zijn op de wijze waarop ‘county lines’ in Britse beleidsteksten wordt geframed. Verkennend onderzoek toont aan dat de framing van slachtoffer- en daderschap van ‘county lines’ in overheidsrichtlijnen zich lijkt te baseren op stereotype slachtoffer- en daderrepresentaties die men vaker ziet in mensenhandel discoursen, waaronder ‘ideal victims’ (Christie, 1986; Olver & Cockbain, 2018; Spicer, 2021) en drugsdealers en criminele bendes als daders (Spicer, 2020; 2021). Deze oversimplificaties van slachtoffer- en daderschap sluiten niet aan op de daadwerkelijke complexiteit van criminele uitbuiting, waarbij slachtoffer- en daderschap met elkaar vermengd zijn. Als gevolg dragen deze oversimplificaties bij aan de praktische complicaties die frontliniewerkers ervaren bij het signaleren van slachtoffers (Brewster et al., 2021; Olver & Cockbain, 2021; Robinson et al., 2019; Shaw et al., 2020). Er

wordt gerapporteerd dat (minderjarige) slachtoffers van ‘county lines’ die niet aan dit ideale slachtofferbeeld voldoen niet herkend worden door frontliniewerkers, met criminalisering tot gevolg (Bell, 2018; Setter, 2019; Sturrock & Holmes, 2015). Hierdoor wordt mogelijke slachtoffers het recht op bescherming en hulpverlening ontnomen en neemt het risico op voortdurend en herhaald slachtofferschap toe (Anti Trafficking and Labour Exploitation Unit, 2022). Daarnaast zijn ‘county lines’ op de publieke en beleidsagenda terecht gekomen door middel van strenge handhaving en bewustzijnscampagnes (Spicer, 2021) en kunnen politieke agenda’s (c.q. politieke winst) van invloed zijn op de wijze waarop ‘county lines’ door beleidsmakers wordt geframed. Dit komt later in deze scriptie nog aan bod. Een bijkomend probleem is dat criminele uitbuiting en mensenhandel in haar algemeenheid, objectief moeilijk meetbaar is (Dettmeijer-Vermeulen et al., 2016; Nationale Rapporteur, 2019) en dat goede schattingen van slachtofferaantallen beperkt worden door gebrekkige data en foutieve methodologieën (Sanford et al., 2016). Volgens Spicer (2021) reflecteert het discours omtrent ‘county lines’ algemene zorgen over criminaliteit, waaronder toenemend straatgeweld, de aanwezigheid van criminele bendes en de exploitatie van kwetsbare personen.

Daarbij sluit de associatie van ‘county lines’ met gewelddadige criminele bendes aan op het huidige politieke- en mediadiscours omtrent bendegeweld in het Verenigd Koninkrijk2 (Hallworth & Young, 2008; Spicer, 2020; 2021). Meerdere auteurs waarschuwen voor een bevestiging van het stereotype dreigbeeld dat minderjarigen door criminele bendes worden gegroomd (Spicer, 2020; 2021; Windle et al., 2020). Zo lijkt ‘county lines’ geen homogeen verschijnsel (Spicer, 2020; 2021) en wordt er bijvoorbeeld ook vrijwillige participatie van minderjarigen aan ‘county lines’ gerapporteerd, geïnitieerd door leeftijdsgenoten (Bonning & Cleaver, 2021; Harding, 2020). Door kritisch te reflecteren op Brits beleid met betrekking tot ‘county lines’ kan beoordeeld worden op welke

2 Dit wordt verder toegelicht in 3.3.1.

punten Nederlands beleid ten aanzien van criminele uitbuiting aangescherpt of verbeterd kan worden.

1.3 Wetenschappelijke relevantie Deze scriptie kijkt naar de framing van slachtofferschap (en secundair: daderschap)3 van criminele uitbuiting binnen ‘county lines’ in Britse beleidsteksten. Aanvullend wetenschappelijk onderzoek naar de framing van ‘county lines’ is van toegevoegde waarde. Zo is ‘county lines’ een nieuw fenomeen waar nog weinig empirisch onderzoek naar is verricht. Bestaande (verkennende) studies zijn beperkt, hebben een kleine sample en richten zich vooral op het beschrijven van het fenomeen op basis van diepte-interviews met eerstelijnsprofessionals (Spicer, 2021; Windle et al., 2020). Ook wordt voor het begrip van ‘county lines’ sterk geleund op officiële overheidspublicaties en journalistieke bronnen (Robinson et al., 2019; Spicer, 2021). In tegenstelling tot ‘county lines’ zijn er wel veel academische studies verricht naar de framing van slachtoffer en daderschap van mensenhandel, vooral inhoudsanalyses van nieuwsartikelen uit de Verenigde Staten (Austin & Farrell, 2017; Johnston et al., 2015; Sanford et al., 2016; Repeta, 2020; Ulibarri, 2015), het Verenigd Koninkrijk (Marchionni, 2012) en Europa (Pajnik, 2010). De vraag rijst in hoeverre geïdentificeerde frames uit de mensenhandelliteratuur ook gereflecteerd worden in ‘county lines’ beleidsteksten.

Bovendien is er nog niet eerder een systematische analyse van de framing van ‘county lines’ in Brits beleid uitgevoerd. Deze scriptie vult deze lacune door een systematische frame analyse uit te voeren met behulp van een directieve kwalitatieve inhoudsanalyse. De onderzoeksvraag luidt: “Hoe worden minderjarige slachtoffers en daders van criminele uitbuiting binnen ‘county lines’ geframed in Britse beleidsteksten gericht op het informeren van frontliniewerkers?”

3 In 3.3 wordt het secundaire belang van daderframing in relatie tot slachtofferframing toegelicht.

Dit onderzoek spreekt over Britse beleidsteksten, maar beperkt zich tot beleidsteksten met betrekking tot Engeland en Wales. Schotland en Noord-Ierland zijn buiten beschouwing gelaten, omdat deze onder eigen wet- en regelgeving vallen. H2 bespreekt relevante contextuele informatie, waaronder de definitie van criminele uitbuiting, een fenomeenomschrijving van ‘county lines’ en een vergelijking met overige contexten. In H3 worden de belangrijkste theorieën geïntroduceerd, waaronder agendasettingtheorie (McCombs & Shaw, 1993) en Christie’s (1986)) ‘ideal victim’ en ‘ideal offender’ theorie. Er wordt

uitgelegd

hoe

deze

theorieën

zich

verhouden

tot

de

framing

in

mensenhandel(media)discoursen en empirische bevindingen uit de literatuur. In H4 wordt de onderzoeksmethode toegelicht, waarna de Resultaten (H5) en Conclusie (H6) volgen. Tenslotte zijn de implicaties van de geïdentificeerde frames en bijbehorende slachtoffer- en daderrepresentaties toegelicht, zijn de sterke en zwakke punten van het onderzoek besproken en zijn er suggesties voor toekomstig beleid en onderzoek gedaan (H7).

2. Contextuele informatie Dit hoofdstuk bespreekt relevante contextuele informatie. Allereerst wordt criminele uitbuiting gedefinieerd aan de hand van internationale wet- en regelgeving en de Britse Modern Slavery Act 2015, waarmee de internationale definities van mensenhandel en criminele uitbuiting (voor Engeland en Wales) op nationaal niveau werden gecodificeerd. Daarna volgt een fenomeenomschrijving van de criminele uitbuiting van minderjarigen in de context van ‘county lines’. Tenslotte wordt er een vergelijking gemaakt met empirische literatuur over de (gedwongen) betrokkenheid van minderjarigen in de georganiseerde misdaad in overige contexten.

2.1 Relevante definities Criminele uitbuiting is een vorm van mensenhandel. Mensenhandel wordt door de Verenigde Naties (2000) in het Palermo Protocol4 gedefinieerd als: het werven, vervoeren, overbrengen van en het bieden van onderdak aan of het opnemen van personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting. (Artikel 3) Het Palermo Protocol erkent criminele uitbuiting (nog) niet als wettelijke vorm van mensenhandel. Dit gebeurt pas na de inwerkingtreding van de Europese richtlijn 2011/36/EU5, welke een verruiming van het concept mensenhandel introduceert. De Europese richtlijn 2011/36/EU definieert criminele uitbuiting als: “het uitbuiten van individuen door hen strafbare feiten te laten plegen, zoals: zakkenrollen, winkeldiefstal, drugshandel, hennepteelt en soortgelijke strafbare feiten, waarmee financieel gewin is gemoeid”. Criminele uitbuiting kan

4 Protocol to Prevent, Suppress and Punish trafficking in Persons, especially Women and Children, supplementing

the United Nations Convention against Transnational Organized Crime. 5 Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake voorkoming en bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU 2011, L 101/2).

dus betrekking hebben op druggerelateerde criminaliteit binnen ‘county lines’, zoals het vervoeren en verhandelen van drugs, maar ook op andere strafbare feiten. Voorts geldt dat met betrekking tot personen onder de 18 jaar, de aanwezigheid van dwangmiddelen niet bewezen hoeft te worden om tot een classificatie van mensenhandel (dan wel criminele uitbuiting) te komen. Ook is eventuele instemming van het kind niet relevant. Dit heeft te maken met de bijzonder kwetsbare positie die aan minderjarige slachtoffers wordt toegekend, waarbij wordt aangenomen dat het slachtoffer geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan (PbEU 2011, 101/6). 2.1.1 The Modern Slavery Act De wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit internationale wet- en regelgeving6, waaronder het Palermo Protocol en de Richtlijn 2011/36/EU, zijn op 26 maart 2015 met de totstandkoming van de Modern Slavery Act (MSA) in Engeland en Wales geïmplementeerd. Alhoewel het Verenigd Koninkrijk sinds de Brexit eind 2020 niet langer gebonden is aan Europese wet- en regelgeving, heeft de Britse overheid in 2020 laten weten dat de MSA onveranderd blijft7 (UK Parliament, MP and Lords, 2020; in Swartling, 2021). Met de MSA zijn bestaande losse misdrijven van mensenhandel en ‘moderne slavernij’ in één wet geconsolideerd.

In tegenstelling tot internationale wet- en regelgeving maakt de MSA onderscheid tussen mensenhandel en moderne slavernij. Om tot een classificatie van mensenhandel te komen is de verplaatsing (‘travel’) van het slachtoffer vereist, wat blijkt uit de juridische definitie van mensenhandel (‘human trafficking’): “ a person commits an offence if the person arranges or facilitates the travel of another person ("V") with a view to V being exploited." (MSA, 2015). Moderne slavernij is daarentegen een containerbegrip dat vormen van “slavery, servitude, forced and compulsory labour and human trafficking” omvat (Home Office, 2014) en betrekking heeft op de uitbuiting van een slachtoffer, waar een derde diens voordeel mee behaalt. Voorbeelden hiervan zijn criminele uitbuiting, arbeidsuitbuiting, seksuele uitbuiting, huiselijke

6 Het Palermo Protocol, Artikel 4 van het EVRM (het verbod van slavernij en dwangarbeid), Richtlijn 2011/36/EU

en het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel. 7 De totstandkoming van de Nationality and Borders Act 2022 op 28 april 2022 heeft implicaties voor de MSA. Dit wordt in H7 kort besproken.

dienstbaarheid en gedwongen orgaanhandel (Office of Statistics, 2020). In andere woorden: mensenhandel is moderne slavernij, maar moderne slavernij is niet altijd mensenhandel. Een juridische definitie van moderne slavernij ontbreekt echter en aangezien dit een term is die tot de verbeelding spreekt is deze ook onderhevig aan kritiek (Swartling, 2021; Such et al., 2020). Zo wordt het label ‘modern’ als misleidend ervaren, gezien de continuering van slavernij over tijd en lijkt de term het slavernijverleden onnodig te ondermijnen (Such et al., 2020). Alhoewel een specifieke wettelijke definitie van de criminele uitbuiting van minderjarigen ontbreekt (The Children’s Society, 2021), is dit misdrijf strafbaar gesteld met Sectie 1 (“slavery, servitude and forced and compulsory labour”) en Sectie 2 (“human trafficking”) van de MSA.

2.2 Fenomeenomschrijving Het aanzetten van minderjarigen tot het plegen van drugscriminaliteit in de context van ‘county lines’ wordt aangemerkt als vorm van criminele uitbuiting (“child criminal exploitation”, Home Office 2018a, p. 2). Het ‘county lines’ verdienmodel wordt beschouwd als een nieuwe ontwikkeling van drugsmarkten voor crack en heroïne in het Verenigd Koninkrijk en wordt in 2015 voor het eerst omschreven door de National Crime Agency (NCA) als een nieuw fenomeen dat de aandacht van frontliniewerkers behoeft (National Crime Agency, 2015). De meeste ‘county lines’ netwerken opereren vanuit Londen (Spicer, 2019), maar er zijn ook netwerken gerapporteerd in Glasgow (Robinson et al., 2019), Birmingham, Manchester en Liverpool (National Crime Agency, 2017). Historisch gezien worden er vanuit Britse steden al langere tijd drugs getransporteerd naar kleine steden en dorpen. Echter waren dit altijd bulkhoeveelheden die aan middelgrote distributeurs werden verkocht, die deze verspreidden onder lokale ‘born and bred’ dealers, welke deze aan individuele drugsgebruikers verkochten. Het ‘county lines’ verdienmodel onderscheidt zich hiervan doordat niet-lokale, meestal uit stedelijke gebieden afkomstige dealers zich richten op het bewerkstelligen van eigen provinciale afzetmarkten zonder tussenkomst van deze lokale dealers (Coomber & Moyle, 2018; Windle et al., 2020).

Als gevolg van de onderlinge concurrentiestrijd voor provinciale

afzetmarkten worden ‘county lines’ in verband gebracht met een toename van ernstige geweldsvormen, waaronder vuurwapen- en messengeweld (Spicer, 2021). Het verdienmodel wordt geassocieerd met de uitbuiting van kwetsbare doelgroepen, die door middel van (subtiele en harde) dwang door criminele bendes worden gedwongen tot ‘county lines’ activiteiten. Kwetsbare doelgroepen zijn drugs- en alcoholafhankelijke personen, kwetsbare vrouwen, personen die speciale zorg behoeven (Coomber & Moyle, 2018), kinderen met een zorgtitel of kinderen die een ouder hebben met geestelijke gezondheids- of verslavingsproblematiek (Windle et al., 2020). Daarnaast wordt de uitbuiting van kwetsbare volwassenen vaak geassocieerd met ‘cuckooing’ (Coomber & Moyle, 2018; Windle et al., 2020; Spicer, 2019). Dit verwijst naar het proces waarbij de woning van een lokale (meestal drugsafhankelijke) bewoner wordt overgenomen door dealers en gebruikt wordt als bevoorradingsplek voor drugs (Coomber & Moyle, 2012; Spicer, 2019). Alhoewel bewoners soms hun woning vrijwillig beschikbaar stellen, bijvoorbeeld vanwege het vooruitzicht op goedkope drugs of vanwege hun relatie met de dealer, kan medewerking later worden afgedwongen door het dreigen met fysiek geweld en/of het afbetalen van drugsschulden (Spicer, 2019).

2.2.1 Het verdienmodel in relatie tot minderjarigen Er wordt gerapporteerd dat minderjarigen vooral als drugsrunners worden ingezet om drugsen geldhoeveelheden naar en binnen deze provinciale afzetmarkten vervoeren (Coomber & Moyle, 2012; 2018). Op basis van politiecijfers zijn dit grotendeels jongens tussen de 14 en 17 jaar, afkomstig uit stedelijke gebieden (meestal Londen), die vaak al bekend zijn bij politie en zorgpartners (Windle et al., 2020). Daarentegen zijn de ‘oudere’ leden van de bendes meestal verantwoordelijk voor het beheren van de mobiele telefoonverbindingen vanuit de stad en het aansturen van drugsrunners (Robinson et al., 2019). De criminele uitbuiting van minderjarigen zou gepaard gaan met vormen van harde dwang, waaronder intimidatie en het gebruik van emotioneel, fysiek en seksueel geweld (Sturrock & Holmes, 2019; Shaw & Greenshow, 2020). Robinson et al. (2019) constateren

bijvoorbeeld in relatie tot Glasgow en Merseyside dat sommige vrouwelijke drugsrunners door ‘county lines’ dealers gedwongen waren tot het verrichten van sekswerk. Daarnaast worden er subtiele vormen van dwang gerapporteerd, zoals misleiding, emotionele manipulatie, debt bondage en grooming (The Children’s Society, 2018; Robinson et al., 2019; Shaw & Greenhow, 2020; Spicer, 2019; Sturrock & Holmes, 2015; Storrod & Densley, 2017). Een voorbeeld van emotionele manipulatie is het dreigen met de plaatsing van seksuele foto’s of negatieve opmerkingen op sociale media (Storrod & Densley, 2017). Daarbij heeft debt bondage betrekking op het terugbetalen van een veronderstelde (drugs)schuld aan een of meerdere dealers, bijvoorbeeld nadat drugs zijn gestolen of door de politie zijn ingenomen (Robinson et al., 2019; Windle & Briggs, 2015; Windle et al., 2020). Misleiding, bijvoorbeeld in de vorm van ge-ensceneerde overvallen kan hierbij een rol spelen (National Crime Agency, 2015). Debt bondage kan uiteindelijk leiden tot fysiek geweld (Whittaker et al., 2018; in Windle et al., 2020; Windle & Briggs, 2015). Daarnaast wordt de betrokkenheid van slachtoffers verklaard door persoonlijke of intieme relaties met daders (Coomber & Moyle, 2018; Storrod & Densley, 2017).

Alhoewel vaak vermeld wordt dat jongeren worden gegroomd, wordt dit concept zelden gedefinieerd en lijken auteurs dit eerder als een synoniem voor rekruteren te gebruiken (zie bijvoorbeeld Coomber & Moyle, 2018; Olver & Cockbain, 2021; Robinson et al., 2019; Shaw & Greenshow, 2020; Spicer, 2019). Vaak vindt er een transactie plaats, waarbij de dader het slachtoffer iets geeft waar hij/zij behoefte aan heeft. Dit kan in de vorm zijn van giften (zoals geld, alcohol of drugs), accommodatie, status, erkenning of affectie (Home Office, 2018a; Robinson et al., 2019; Storrod & Densley, 2017; Sturrock & Holmes, 2015). Ondanks dat zulke transacties een consensueel karakter kunnen hebben, wordt er een ongelijke machtsrelatie verondersteld tussen de dader en het slachtoffer. Hierbij zijn verschillen in leeftijd, gender, cognitief vermogen, fysieke kracht, status en/of toegang tot (economische) middelen van invloed op de ervaren kwetsbaarheid van slachtoffers en deze ongelijke machtsrelatie (Home Office, 2018a). Overige factoren die geassocieerd worden met de kwetsbaarheid van slachtoffers zijn: schoolabsenties, slachtoffer en/of dader zijn geweest van ernstig geweld, een verblijf in een

(zorg)instelling, een geschiedenis van vermissingen (Bonning & Cleaver, 2021; Brewster et al., 2021; Sturrock & Holmes, 2015) en van emotioneel, fysiek of seksueel misbruik (The Children’s Society, 2018).

2.3 Een contextuele vergelijking Bovenstaande fenomeenomschrijving vertoont overeenkomsten met het huidige politieke en maatschappelijke discours over de betrokkenheid van jongeren in de georganiseerde misdaad. Hierbij wordt vaak het beeld geschetst dat kwetsbare jongeren door georganiseerde criminele netwerken worden ingezet als wegwerpartikelen (Sergi, 2021). Het concept ‘disposable army’ (Jenkins, 2017; in Sergi, 2021) veronderstelt dat terroristische of criminele organisaties bewust personen uit lokale ‘verarmde en wanhopige’ bevolkingsgroepen ronselen om deze, middels dwang of overtuigingskracht, (criminele) diensten te laten uitvoeren. Leden van het ‘disposable army’ worden vervangbaar geacht, doordat zij bij de uitvoering hiervan alleen risico’s nemen die zichzelf benadelen, terwijl daadwerkelijke daders buiten zicht blijven (Sergi, 2021). Uit onderzoek blijkt dat politieagenten jongeren als cruciaal zien voor het economisch verdienmodel van ‘county lines’ bendes (Spicer, 2021), aangezien zij een goedkoop en gemakkelijk te rekruteren wegwerpleger representeren (Coomber & Moyle, 2018). Er zijn geen empirische studies die aantonen dat minderjarigen mogelijk (gedwongen) onderdeel uitmaken van een verdienmodel van de georganiseerde misdaad.

In de Verenigde Staten is de betrokkenheid van jongeren bij de georganiseerde misdaad onderzocht in de context van jeugdbendes (Decker & Van Winkle, 1996; Huff, 2002; Klein, 1995), maar Pennings et al. (2006) concluderen dat er geen consensus onder onderzoekers bestaat dat jongeren worden ingezet voor de drugsdistributie op straat of over de verbondenheid met de georganiseerde misdaad. Zo zouden jongeren bijvoorbeeld betrokken raken via vrienden of familie en niet gerekruteerd worden door de groep. Nederlandse studies naar de betrokkenheid van jongeren in de georganiseerde misdaad op basis van politiedata wijzen uit dat minderjarigen ondervertegenwoordigd zijn in de daderpopulatie en dat van jonge aanwas geen sprake is (Kruisbergen et al., 2019; Pennings et al., 2006; Van Koppen, 2021). Deze

studies zijn wel beperkt, doordat zij zich richten op grootschalige georganiseerde misdaad en het op basis van politiedata moeilijk te achterhalen is of achter een gepleegd feit een georganiseerde

misdaadstructuur

schuilgaat.

Pennings

et

al.

(2006)

hebben

de

politiegegevens van 2565 jonge Amsterdamse daders geanalyseerd en onderzocht op betrokkenheid aan georganiseerde misdaad en zien vooral de betrokkenheid van jongeren bij lokale drugshandel. Deze bevinding sluit aan op de vermoedens van slachtofferschap van druggerelateerde criminele uitbuiting onder Nederlandse jongeren (Leito et al., 2022; Van Bemmel et al., 2022). Het blijft echter de vraag of sprake is van gedwongen betrokkenheid en of hierachter een georganiseerde misdaadstructuur schuilt.

3. Theoretisch kader Dit hoofdstuk bespreekt eerst de relevantie van agendasettingtheorieën (Kingdon, 1995; McCombs & Shaw, 1993; Entman, 1993) in relatie tot de totstandkoming van beleid en het begrip van mensenhandel. Daarna worden stereotype slachtoffer- en daderrepresentaties in mensenhandel (media)discoursen geïllustreerd aan de hand van Christie’s (1986) ‘ideal victim’ en ‘ideal offender’ theorie. Vervolgens wordt er een vergelijking gemaakt tussen deze representaties en empirische bevindingen met betrekking tot mensenhandel en ‘county lines’, waarna er een genuanceerd slachtoffer- en daderperspectief wordt aanbevolen. Tenslotte zijn drie dominante frames uit de mensenhandelliteratuur geïntroduceerd.

3.1 Agendasettingtheorie Volgens de oorspronkelijke agendasetting theorie van McCombs en Shaw (1972) is datgene wat media-aandacht krijgt een reflectie van wat het publiek belangrijk vindt. McCombs en Shaw (1993) identificeren twee effecten van agendasetting, namelijk a) first-level agendasetting, inhoudende dat de media de onderwerpen van de publieke agenda bepaalt en b) second-level agendasetting, inhoudende dat de media bepaalt hoe men over deze onderwerpen denkt (McCombs & Shaw, 1993). Media-inhoud wordt doorgaans als graadmeter van de publieke opinie beschouwd; vandaar dat studies naar de effecten van agendasetting vaak inhoudsanalyses van mediaberichtgeving zijn (Marchionni, 2012). Kingdon’s (1995) stromenmodel koppelt de agendasetting functie van de media aan de totstandkoming van beleid. Volgens Kingdon (1995) dienen drie stromen elkaar te ontmoeten om beleid te realiseren, namelijk de probleemstroom (de bewustwording en erkenning van een probleem de aandacht van beleidsmakers vereist), de politieke stroom (gunstige politieke omstandigheden, zodat dit leidt tot de acceptatie van beleid) en de beleidsstroom

(de

beschikbaarheid

van

beleidsvoorstellen,

informatie

en

beleidsalternatieven). De media heeft een agendasetting functie binnen de probleemstroom, doordat zij een probleem kan aandragen voor beleidsagenda’s (first-level agendasetting), maar ook met behulp van framing kan beïnvloeden hoe er over dit probleem wordt gedacht

(second-level agendasetting). Framing is een vorm van second-level agendasetting (McCombs, 2004). Met framing worden bepaalde aspecten van een ervaren werkelijkheid in communicatieve tekst zichtbaarder gemaakt, zodat een bepaalde probleemdefinitie, causale interpretatie, morele evaluatie en oplossing worden benadrukt (Entman, 1993). De presentatie van een sociaal probleem – het frame – beïnvloedt het begrip en de interpretatie van dat probleem door het publiek en beleidsmakers (Austin & Farrell, 2017; Entman, 1993). Zodoende kunnen claimmakers (zoals journalisten en beleidsmakers) door middel van framing bepaalde sociale interpretaties van een probleem aanmoedigen en/of ontmoedigen (Farrell & Fahy, 2009). Burgers nemen bepaalde frames eerder over wanneer deze afkomstig zijn van bronnen die als betrouwbaar en legitiem worden ervaren (Druckman, 2001; in Bouché et al., 2018), zoals de media of de overheid. Framing is dan ook een middel om politieke invloed en macht uit te oefenen (Entman, 1993). Agendasettingtheorieën impliceren dat datgene wat publieke aandacht krijgt een sociaal geconstrueerde werkelijkheid reflecteert, in tegenstelling tot een objectieve werkelijkheid. Dit dient daarom in het licht te worden gezien van het sociaalconstructivisme. Dit is een kennisstroming gebaseerd op een aantal veronderstellingen (Galbin, 2014).

Allereerst wordt kennis gezien als uitkomst van sociale processen in culturele en historische contexten. Daarnaast is kennis een politiek machtsmiddel, doordat kennis wordt beschouwd als uitkomst van de geaccepteerde waarden, werkelijkheden en waarheden van een dominante en machthebbende gemeenschap (in tegenstelling tot gemarginaliseerde gemeenschappen). Deze geaccepteerde ideeën worden onderdeel worden van een sociale realiteit, bijvoorbeeld in de vorm van beleid, wanneer deze niet aan kritiek onderworpen worden. In de volgende paragrafen worden de consequenties van zulke geaccepteerde ideeën met betrekking tot slachtoffer- en daderschap van mensenhandel en ‘county lines’, zoals de exclusie van bepaalde categorieën slachtoffers, toegelicht. Tenslotte wordt taal gezien als cruciaal voor de sociale constructie. Taal is niet neutraal en kan worden gebruikt om bepaalde aspecten van een boodschap te benadrukken of te negeren (Galbin, 2014). Thibodeau en

Boroditsky (2011) tonen bijvoorbeeld aan dat blootstelling aan een enkele type metafoor de publieke perceptie van een sociaal (criminaliteits-)probleem kan beïnvloeden. Zij constateerden dat, wanneer criminaliteit werd omschreven als ‘a wild beast preying on a city’, men voorkeur geeft aan punitievere oplossingen (zoals strengere handhaving) dan bij een omschrijving van ‘a virus infecting a city’, waarbij men voorkeur gaf aan sociale hervorming (zoals het verbeteren van sociaaleconomische omstandigheden). In dezelfde lijn maken claimsmakers in hun probleemrepresentaties van sociale problemen opzettelijk gebruik van bepaalde frames om specifieke beleidsoplossingen aan te dragen en deze te legitimeren (Bouché et al., 2018; Farrell & Fahy, 2009).

3.2 De constructie van het slachtoffer Uit onderzoek blijkt dat burgers hun begrip van mensenhandel op mediaberichtgeving baseren en dat mediaberichtgeving op haar beurt bepalend is voor beleid (Riffe et al., 2014; Sanford et al., 2016; Vance, 2012). In mediaberichtgeving worden slachtoffers van mensenhandel echter vaak op een stereotype wijze geframed die niet representatief is voor daadwerkelijk slachtofferschap. Slachtoffers worden doorgaans geassocieerd met stereotype slachtoffers van seksuele uitbuiting, voornamelijk met (witte) vrouwen van Oost-Europese afkomst (Austin & Farrell, 2017; Pajnik, 2010), Latijns-Amerikaanse vrouwen en jonge kinderen, die uit hun uitbuitingssituatie ‘gered’ moeten worden (Austin & Farrell, 2017; Farrell & Fahy, 2009; Johnston et al., 2014). Zij worden gezien als kwetsbare populaties die geen invloed kunnen uitoefenen op hun uitbuitingssituatie en daarom bescherming behoeven (Ulibarri, 2015). Slachtoffers van mensenhandel worden in mediaberichtgeving doorgaans gekenmerkt door kwetsbaarheid, de afwezigheid van ‘agency’ (keuzevrijheid) en de afwezigheid van schuld (Austin & Farrell, 2017; Sanford et al., 2016; Smith, 2019). Deze slachtofferrepresentatie komt overeen met Christie’s (1986) ‘ideal victims’.

Het concept ‘ideal victim’ heeft betrekking op een of meerdere personen die, wanneer zij in aanraking komen met criminaliteit, al snel de volledige en legitieme status van slachtoffer krijgen toegekend (Christie, 1986, p. 18). Om te kunnen rekenen op publieke sympathie en daarmee erkenning van een legitieme

slachtofferstatus, moeten ‘ideal victims’ aan een aantal criteria voldoen. Allereerst zijn zij zwak, passief en weerloos en worden zij daarom geassocieerd met ouderen, zieken en jonge kinderen. Daarnaast mogen ‘ideal victims’ niet schuldig zijn aan het veroorzaken van hun slachtofferschap (Christie, 1986). Clark (1987) voegt hieraan toe dat slachtoffers die sympathie verdienen diegenen vaak het meest geleden hebben. Volgens Loseke (2011) vallen slachtoffers die in aanmerking komen voor publieke sympathie doorgaans in hogere ‘sociale morele categorieën’. Zij noemt hierbij het voorbeeld van een non ten opzichte van een sekswerker, waarbij eerstgenoemde wordt gekenmerkt door een hoger maatschappelijk aanzien. Kinderen vallen in een hogere sociaal morele categorie dan volwassenen. Door hun jonge leeftijd worden zij eerder met onschuld geassocieerd, wat blijkt uit de lagere wettelijke bewijsstandaard voor minderjarige slachtoffers van mensenhandel; zo zouden zij in beginsel geen weerstand kunnen bieden tegen de uitbuitingsituatie.

De focus op ‘ideal victims’ zorgt ervoor dat slachtoffers van mensenhandel die niet aan bovenstaande criteria voldoen minder snel als legitiem slachtoffer herkend worden, zoals mannelijke en volwassen slachtoffers (Austin & Farrell, 2017; Sanford et al., 2016) en slachtoffers afkomstig uit landen geassocieerd met ‘the other’, zoals asielzoekers en illegale immigranten (Bell, 2018). 3.2.1 Minderjarige slachtoffers van ‘county lines’, verre van ‘ideal victims’? Uit het bovenstaande blijkt dat slachtoffers van mensenhandel eerder (h)erkend worden zodra zij voldoen aan de kenmerken van ‘ideal victimhood’, waaronder kwetsbaarheid en de afwezigheid van ‘agency’ en schuld. De beeldvorming rondom minderjarige slachtoffers van druggerelateerde criminele uitbuiting binnen ‘county lines’ wordt vergeleken met Christie’s ‘ideal victims’ (Olver & Cockbain, 2019; Spicer, 2021). De complexiteit van criminele uitbuiting (waarbij slachtoffer- en daderschap overlappen) brengt echter met zich mee dat minderjarige slachtoffers van ‘county lines’ doorgaans verre van ‘ideal victims’ zijn, doordat zij vaak niet voldoen aan de criteria van afwezigheid van ‘agency’ en schuld. Zo blijkt de indruk van keuzevrijheid of vrijwillige participatie aan ‘county lines’ tot verwarring te leiden onder

frontliniewerkers (Bonning & Cleaver, 2021; Harding; 2020), bijvoorbeeld in gevallen waarbij slachtoffers zelf ook manipuleren of rekruteren (Olver & Cockbain, 2019). Bovendien identificeren slachtoffers zichzelf niet altijd als zodanig en beschouwen zij hun deelname aan ‘county lines’ vaak als vrijwillig en als uitkomst van een rationele afweging, gegeven bepaalde omstandigheden. Hierbij geldt dat slachtoffers veelal uit sociale en economische achtergestelde milieus komen, die hun keuzevrijheid beperkt (Brewster et al., 2021; Robinson et al., 2019; Windle et al., 2020). Ook is volgens Windle et al. (2020) erkenning van de rol van straatcultuur (“road culture”, p.72) belangrijk. Zo kan de associatie met het slachtofferlabel ongewenst zijn voor jongeren die zich bevinden in milieus waar het tonen van kwetsbaarheid de kans op slachtofferschap vergroot. Hierbij speelt ook het genderstigma geassocieerd met mannelijk slachtofferschap een rol. Zo zien Robinson et al. (2019) dat mannelijke slachtoffers het slachtofferlabel verwerpen, om hun ‘masculiene status’ te behouden. Daarnaast voelen sommige jongeren zich aangetrokken tot de spanning en het aanzien geassocieerd met daderschap (Storrod & Densely, 2017; Robinson et al., 2019). Vaak blijkt dat slachtoffers niet willen meewerken met opsporingsautoriteiten of ‘snitchen’ (Bonning & Cleaver, 2021; Brewster et al., 2021; Spicer, 2021).

Inherent aan criminele uitbuiting geldt dat de angst voor strafrechtelijke vervolging of represailles vanuit de uitbuiter(s) hierbij een rol kan spelen (Sturrock & Holmes, 2015). Een complicerende factor is dat jongeren tot deelname gedwongen worden middels subtiele dwangvormen, zoals grooming, debt bondage, giften of persoonlijke relaties met daders (Coomber et al., 2018; Windle et al., 2020; Robinson et al., 2019; Storrod & Densley, 2017). Subtiele dwangvormen worden, in tegenstelling tot harde dwangvormen, gekenmerkt door een ogenschijnlijk consensueel karakter (Home Office, 2018a), waardoor het aannemelijk is dat slachtoffers zichzelf minder snel als zodanig identificeren. 3.2.2 Voorwaarden legitieme slachtofferstatus Christie (1986) beschrijft een tegenstrijdigheid in de voorwaarden waaraan ‘ideal victims’ moeten voldoen. Enerzijds moeten zij sterk genoeg zijn om zich uit te (durven) spreken over hun slachtofferschap als voorwaarde voor het claimen van de ‘ideal victim’ status. Uit het

bovenstaande blijkt dat, indien slachtoffers zichzelf al als zodanig identificeren, dit uitspreken belemmerd wordt door de mogelijke negatieve consequenties hiervan. Anderzijds moeten zij “[be] weak enough not to become a threat to other important interests” (Christie, 1986, p. 15). Hiermee bedoelt Christie dat ‘ideal victims’, om publieke sympathie te verdienen, zwak genoeg moeten zijn om zij geen bedreiging voor anderen te vormen. Doordat slachtoffers van ‘county lines’ niet overeenkomen met het stereotype slachtofferbeeld en zelf strafbare feiten plegen is het waarschijnlijk dat zij als bedreiging voor anderen worden ervaren en daarom niet in aanmerking komen voor de publieke sympathie. Daarnaast beschrijft Clark (1987) hoe ‘ideal victims’ zich dienen te gedragen om publieke sympathie te verdienen. Zij mogen geen ongegronde claims maken op de sympathie, de sympathie niet te snel en volledig accepteren en deze tenslotte ‘terugbetalen’ met dankbaarheid. Ook hier geldt mogelijk dat claims van slachtofferschap als ongegrond worden ervaren vanwege de gepleegde criminaliteit of dat slachtoffers het slachtofferlabel niet in dank afnemen, doordat zij zich identificeren als rationele en autonome drugsdealers (bijvoorbeeld Brewster et al., 2021; Robinson et al., 2019).

Uit de literatuur blijkt dat minderjarige slachtoffers van ‘county lines’ vergeleken met elkaar geen gelijke kans hebben om als slachtoffer te worden aangemerkt. Volgens Shaw en Greenshow (2020) bepalen subjectieve oordelen over de intrinsieke waarde van een bepaald slachtoffer, of stereotyperingen, of een slachtoffer als zodanig wordt aangemerkt. Zo constateren Sturrock en Holmes (2015) dat professionals onderscheid maken tussen minderjarige slachtoffers die ‘daadwerkelijk’ geëxploiteerd waren en diegenen die daar ‘bewust voor hadden gekozen’ – met criminalisering tot gevolg. Uit algemene mensenhandelliteratuur blijkt dat, wanneer het slachtoffer een bekende is van de dader (en dit betreft een groot aandeel slachtoffers), zij minder snel als slachtoffer worden erkend (Marchionni, 2012). Ook bestaat er een gender bias ten opzichte van wie wel en niet kan instemmen met hun beweging en uitbuiting (Gregoriou & Ras, 2018). Vrouwen worden eerder als passieve actoren geconstrueerd en mannen daarentegen als actieve actoren. Zo worden mannelijke (illegale) migranten eerder

geassocieerd met mensensmokkel (en impliciete

consent, met

criminalisering tot gevolg), terwijl vrouwelijke migranten eerder geassocieerd worden met

slachtofferschap van mensenhandel (Lobasz, 2009; in Gregoriou & Ras, 2018). Ford (2018) constateert dat meisjes eerder als slachtoffer worden behandeld in tegenstelling tot de meerderheid van de betrokken jongens bij ‘county lines’. Naarmate deze jongeren ouder zijn, (meerdere) criminele antecedenten hebben of wanneer de criminele uitbuiter niet genoemd wordt of buiten beeld blijft, neemt de kans toe dat slachtoffers niet (h)erkend worden (Stone, 2018). Het bovenstaande vraagt om een genuanceerder slachtofferperspectief.

3.3 De constructie van de dader Waar een ‘ideal victim’ is, bestaat volgens Christie (1986) ook een ‘ideal offender’. Deze binariteit

in

slachtoffer-

en

daderrepresentaties

is

alom

vertegenwoordigd

in

mensenhandeldiscoursen (Broad & Turnbull, 2019). De ‘ideal offender’ wordt getypeerd als een kwaadwillende onbekende (“big and bad”, Christie, 1986, p.12) die geen persoonlijke relatie heeft met het ideale slachtoffer. De ‘ideal offender’ staat symbool voor de personificatie van het kwaad; het tegenovergestelde van het kwetsbare, onschuldige slachtoffer en beide stereotyperingen versterken elkaars functie. Volgens Christie (1986) is de framing van daders daarom van secundair belang voor de framing van slachtoffers. Mensenhandelaren

worden

vaak

omschreven

als

machtige,

mysterieuze,

kwaadwillende, meestal mannelijke figuren (Gregoriou & Ras, 2018; Sanford et al., 2016; Wilson & O’brien, 2016), afkomstig uit misdaadgroepen met een gedeelde etnische achtergrond (Austin & Farrell, 2017; Gulati, 2011). Daarbij worden mensenhandelaren geassocieerd met harde vormen van dwang (zoals verbaal/fysiek/seksueel geweld en kidnapping), terwijl subtiele vormen van dwang (zoals debt bondage of onevenredige machtsrelaties) genegeerd worden (Austin & Farrell, 2017). Overeenkomstig met de representatie van de ‘ideal offender’ als onbekende van het slachtoffer, wordt de relatie tussen daders en slachtoffers meestal niet vermeld (Gregoriou & Ras, 2018). Windle et al. (2020) rapporteren echter dat ‘county lines’ daders meestal bekenden van het slachtoffer zijn. Bovendien zijn er aanwijzingen dat mensenhandelaren zelf ook slachtoffer zijn geweest van mensenhandel (De Shalit et al., 2014; Moore & Goldberg, 2015; in Gregoriou & Ras, 2018).

3.3.1 De mythe van de criminele bende Alhoewel ‘county lines’ daders met criminele bendes worden geassocieerd (Spicer, 2019; 2021) worden er gevarieerde niveaus van betrokkenheid van criminele bendes gerapporteerd en zijn sommige drugsdealers niet verbonden aan bendes (Coomber & Moyle, 2018; Windle & Briggs, 2015; Windle et al., 2020). Spicer (2021) stelt dat de representatie van ‘county lines’ daders is gebaseerd op stereotyperingen omtrent criminele bendes en drugsdealers, geïllustreerd door “pusher myths” (Coomber, 2006, Introductie): “[those] dealing in death, preying on the young and innocent and spreading addiction with little care or regard for those they entangle”. Ook bekritiseren Hallsworth en Young (2008) de aanname in academisch, politiek en media discours dat toenemend ernstig straatgeweld in het Verenigd Koninkrijk wordt veroorzaakt door criminele bendes. Daarbij zijn zij kritisch op de focus op het beschermen van gemeenschappen door middel van ‘crackdowns’ van criminele bendes. De auteurs beargumenteren dat straatgeweld niet altijd gereduceerd kan worden tot bendeactiviteit, gepleegd door deviante personen die slechte keuzes maken.

Zij pleiten voor de erkenning van de complexiteit van de sociale netwerken gereduceerd tot ‘bendes’ en wijzen op de structurele omstandigheden die bijdragen aan ernstig straatgeweld, zoals armoede en marginalisering: this means looking at the world of volatile peer groups which are not gangs, attending to the relationships between more organized criminal groups and street gangs, and not at least studying the internal dynamics of the grey economy where it has evolved where legitimate structures are limited. (Hallsworth & Young, 2008, p. 191) Uit het bovenstaande blijkt dat een genuanceerd daderperspectief tevens op zijn plaats is.

3.4 Dominante frames in mensenhandel discoursen Een genuanceerd slachtoffer- en daderperspectief, waaronder het erkennen van de ‘agency’ van slachtoffers en de kwetsbaarheden van daders, zou echter betekenen dat de slachtofferen daderbinariteit gehanteerd in mensenhandel discoursen in gevaar komt (Broad & Turnbull, 2019). Deze paragraaf gaat dieper in op de functie van deze binariteit, specifiek bij criminaliteitsframes. Er worden vier dominante frames uit de mensenhandelliteratuur geïntroduceerd: het human rights frame, het criminaliteits- en national security frame en het

public health frame. Ieder frame wordt gekenmerkt door een probleemrepresentatie, causale interpretatie, morele evaluatie en voorgestelde beleidsoplossing(en). 3.4.1 Human rights frame In de jaren ’90 werd mensenhandel geframed als een (vrouwen)mensenrechtenkwestie, waarbij mensenrechtenschendingen (zoals armoede, politiek geweld, streng immigratiebeleid, beperkte educatiemogelijkheden, sociale en economische ongelijkheid) in brede zin slachtofferschap veroorzaken (Farrell & Fahy, 2009; Gulati, 2011). Binnen dit frame ligt de focus op Aziatische, Zuid-Amerikaanse en (witte) Oost-Europese vrouwelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting (Farrell & Fahy, 2009). Beleidsoplossingen richten zich onder andere op het bewerkstelligen van politieke verandering, het uitbreiden van educatieve en inkomensmogelijkheden voor vrouwen, het verbeteren van hulpverlening aan slachtoffers, het verbeteren van de maatschappelijke positie van vrouwen en op economische ontwikkeling (Gulati, 2011). 3.4.2 Criminaliteitsframes Vanaf 2000 wordt mensenhandel steeds vaker geframed als een criminaliteitsprobleem (Farrell & Fahy, 2009). Mensenhandel wordt omschreven als een grensoverschrijdende en winstgevende illegale business met buitenlandse daders uit georganiseerde misdaadmilieus en buitenlandse slachtoffers.

De aanslagen van 9/11 markeren de opkomst van het national security frame, waarbij mensenhandel nog altijd als criminaliteitsprobleem wordt omschreven, maar vermengd raakt met zorgen over terrorisme en mensensmokkel. Mensenhandel wordt niet enkel omschreven als criminaliteitsprobleem dat schade berokkent aan slachtoffers, maar als een brede dreiging voor de natie, waarbij overheidsfiguren taalgebruik zoals “pure evil” (Farrell & Fahy, 2009, p. 623) gebruiken om mensenhandel(aren) te beschrijven. Opbrengsten van mensenhandel zouden illegale activiteiten, waaronder terrorisme, financieren en faciliteren. De framing van mensenhandel als een criminaliteits-/national security probleem vraagt om de implementatie van

strafrechtelijke-

en

nationale

veiligheidsmaatregelen

(Farrell

&

Fahy,

2009).

Beleidsoplossingen binnen dit frame zijn: de strafbaarstelling van daders, strengere immigratiewetten en de hulpverlening aan slachtoffers die bereid zijn om mee te werken aan de opsporing van criminele netwerken en de vervolging van daders (Farrell & Fahy, 2009). 3.4.2.1 De populariteit van criminaliteitsframes verklaard Uit Gulati’s (2011) inhoudsanalyse van nieuwsartikelen uit de Verenigde Staten tussen 1980 en 2006 komt criminaliteit (middels fraude, dwang en misleiding) als meest genoemde oorzaak van mensenhandel naar voren en worden punitieve beleidsoplossingen (strengere handhaving en strafrechtelijke vervolgingen) het meest genoemd. Naast punitieve oplossingen (18,2%) zijn internationale samenwerking (9,1%) en bewustwordingscampagnes van het publiek (7,9%), vaak ten behoeve van de opsporing, samen met strengere immigratiewetgeving (7,6%), vaak aangehaalde beleidsoplossingen binnen criminaliteitsframes (Gulati, 2011). Criminaliteitsframes zijn populair vanwege meerdere redenen. Allereerst hebben criminaliteitsframes de neiging om relatief simpele oorzaken en beleidsoplossingen aan te dragen voor complexe sociale problemen (Austin & Farrell, 2017; Farrell & Faty, 2009). Frames sluiten daarbij eerder aan bij het publiek en bij politieke actoren wanneer er een duidelijke identificeerbare beleidsoplossing is (Stone, 1989, in Farrell & Fahy, 2009). Farrell en Fahy (2009, p.

618) schrijven dan ook dat: “framing social problems as crimes has proven to be a useful strategy for securing public support and prompting swift governmental responses”. Door criminaliteit aan te wijzen als hoofdoorzaak van mensenhandel, leiden criminaliteitsframes de aandacht af van meer complexe en structurele oorzaken die de kwetsbaarheid van slachtoffers vergroten, zoals conflicten en geweld, economische ongelijkheid, globalisering, lokale armoede en sociale (en gender-)ongelijkheid. Dit zijn oorzaken waarvoor geen simpele beleidsoplossingen aanwijsbaar zijn (Austin & Farrell, 2017; Farrell & Fahy, 2009; Gregoriou & Ras, 2018). Verder wordt de populariteit van criminaliteitsframes verklaard, doordat zij de schuld doorgaans bij deviante figuren leggen (Austin & Farrell, 2017). Frames resoneren eerder bij het publiek wanneer zij culturele stereotyperingen en geloofsovertuigingen reflecteren die

makkelijk te begrijpen zijn (Snow & Bedford, 1988). Er kan beargumenteerd worden dat het reduceren van de complexiteit van slachtoffer- en daderschap tot ‘ideal victims’ en ‘ideal offenders’ de functie heeft om positieve attitudes ten opzichte van slachtoffers en negatieve attitudes ten opzichte van daders te versterken en zodoende overheidsbeleid te legitimeren. 3.4.3 Public health frame Recentelijk heeft een variatie op het human rights- en het criminaliteitsframe haar intrede gedaan in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, namelijk het public health frame (Chisolm-Straker & Stoklosa, 2017; Recknor et al. 2022; Such et al., 2020;). Vanuit dit perspectief wordt mensenhandel zowel als vorm van criminaliteit als mensenrechtenschending beschouwd, in het bijzonder van het recht op gezondheid. Mensenhandel wordt omschreven als een schadelijke activiteit die gezondheidsrisico’s meebrengt voor personen van verschillende leeftijden, nationaliteiten en genders wereldwijd (Such et al., 2020). Voorbeelden hiervan zijn de directe consequenties van fysiek en seksueel geweld, misbruik van verdovende middelen als vormen van emotionele coping, maar ook gezondheidsrisico’s door sociaaleconomische deprivatie en slechte woon- en werkomstandigheden. Overeenkomstig met het human rights frame worden de oorzaken van mensenhandel gezocht in structurele omstandigheden,

zoals

armoede,

conflict,

corruptie,

economische

deprivatie

en

klimaatverandering (Such et al., 2020). Volgens het public health perspectief zijn de sociale condities waarin mensen leven (bijvoorbeeld armoede, huiselijk geweld, dakloosheid) een indicator van de publieke gezondheid (Chisolm-Straker & Stoklosa, 2017). Beleidsoplossingen richten zich daarom op het verbeteren van deze sociale condities en het versterken van fundamentele mensenrechten. Deze worden gekenmerkt door een slachtoffergeoriënteerd en preventief karakter, zoals het verbeteren van de juridische bescherming van slachtoffers, een rechtvaardig en consistent immigratiebeleid, het reguleren van de werk- en woningmarkt, het verbeteren van de samenwerking met lokale partners, waaronder de politie en gezondheidsservices (Such et al., 2020), het aanbieden van gezondheidsprogramma’s aan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14542603/1