CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Oever, van den, S.G. 3368386 TH-VB.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 7 november 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief update criminele uitbuiting (VN2024-014551)22.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

slachtoffers en bewustzijnscampagnes met betrekking tot mensenrechtenschendingen en de gezondheidsrisico’s van mensenhandel (Chisolm-Straker & Stoklosa, 2017).

4. Methoden Dit hoofdstuk beschrijft de gekozen onderzoeksmethode en bespreekt de stappen van de dataverzameling en de data-analyse. Daarna volgt een kritische reflectie op de validiteit en betrouwbaarheid van het onderzoek en worden de ethische overwegingen besproken. De

beantwoording

van

de

onderzoeksvraag

vraagt

om

een

kwalitatieve

onderzoeksmethode. Kwalitatief onderzoek draait om het begrijpen van bepaalde meningen, overtuigingen en concepten uit geschreven tekst en is geschikt wanneer het onderzoek zich richt op de interpretatie van een sociale werkelijkheid die – in tegenstelling tot objectief meetbaar – als sociaal geconstrueerd wordt beschouwd (Matthews & Ross, 2010). Een frame analyse biedt inzicht in de sociale constructie van beleidsproblemen (Entman, 1993) en helpt verklaren waarom sommige beleidsproblemen wel of geen erkenning krijgen (Carters-White et al., 2021). Er is daarom gekozen om een frame analyse uit te voeren met behulp van een kwalitatieve directieve inhoudsanalyse. Een directieve inhoudsanalyse richt zich op het valideren of conceptueel uitbreiden van bestaande theorie met betrekking tot een fenomeen waarover kennis (nog) beperkt is (Hsieh & Shannon, 2005).

4.1 Toelichting codeerschema Uit de literatuur met betrekking tot ‘county lines’ en de framing en constructie van slachtofferen daderschap van mensenhandel zijn sleutelconcepten/variabelen geïdentificeerd die relevant zijn voor de framing van slachtoffer- en daderschap van ‘county lines’. Deze variabelen vormen de initiële codecategorieën voor het codeerschema8, waarna de operationele definities op basis van theorie zijn ingevuld (Hsieh & Shannon, 2005). De codecategorieën en bijbehorende codes zijn gekoppeld aan Entman’s (1993) vier elementen van framing: probleemdefinitie, causale interpretatie, morele evaluatie en voorgestelde beleidsoplossing. Om de validiteit te verhogen is er bij het koppelen gebruik gemaakt van de bestaande operationalisering van Entman’s definitie (1993) door Jenkin et al.

8 Zie Appendix I voor het codeerschema (Figuur 1) met een volledig overzicht van de codecategorieën, codes en

operationele definities.

(2011). Zij hebben in hun studie naar de framing van obesitas in Nieuw-Zeeland Entman’s (1993) elementen geoperationaliseerd met behulp van vragen om vervolgens relevante codes te identificeren. De oorspronkelijke vragen zijn aangepast naar de context van dit onderzoek. In Tabel 1 is de operationalisering van framing met de bijbehorende codecategorieën overzichtelijk gepresenteerd. Voor de probleemdefinitie (algemene beschrijving van het probleem, type probleem, getroffen groepen) wordt bijvoorbeeld de codecategorie ‘Dwangvorm’ (waaronder codes zoals ‘MO: misleiding’ en ‘MO: emotioneel/fysiek/seksueel geweld’ vallen) relevant geacht voor de algemene beschrijving van het probleem. Verder heeft de codecategorie ‘Impact nationaal’ (waaronder codes zoals ‘Impact nationaal: veiligheid’ en ‘Impact nationaal: volksgezondheid vallen) betrekking op de centrale kernwaarden of principes (morele evaluatie) in de probleemrepresentatie, zoals de implicaties voor de veiligheid of gezondheid van burgers.

Aan causale interpretatie (hoofdoorzaak en niet-vermelde oorzaken) zijn oorzakelijke codecategorieën gekoppeld, zoals ‘Kwetsbaarheid slachtoffer’ (met onder andere de code ‘Kwetsbaarheid slachtoffer: beperkte toegang economische middelen en/of status’) en Verklaringen daderschap (met de code ‘Verklaring daderschap: sociale gelegenheidsstructuur’), maar ook ‘Handelen slachtoffer’ (met de code ‘Handelen slachtoffer: agency). Tenslotte correspondeert

de voorgestelde beleidsoplossing met codes die

oplossingen voorstellen, zoals ‘Beleidsoplossing: repressieve maatregelen daders’ en ‘Beleidsoplossing: verbeteren structurele omstandigheden’, maar ook met codes die betrekking hebben op zaken die mogelijk in beleid worden uitgesloten, zoals de code ‘Medewerkingsbereidheid:

slachtoffer’,

‘Medewerkingsbereidheid

dader’

en

‘Overlap

slachtoffer-/daderschap’.

Tabel 1 Operationalisering van onderdelen framing met relevante codecategorieën. Operationalisering van framing

Relevante codecategorieën

Probleemdefinitie

Algemene

Hoe

wordt

het

fenomeen

‘county

beschrijving van

omschreven en waar ligt de nadruk?

lines’

Doel

criminele

uitbuiting

binnen ‘county lines’

het probleem

Dwangvorm Rekruteerplaats

Type probleem

Wat

voor

type

probleem

is

het

Impact

(directe

(veiligheid/economisch/gezondheid)?

slachtoffer

Waarom is het een probleem?

Impact

(directe

omgeving)

omgeving)

dader Impact lokaal Impact nationaal Getroffen

Voor wie is het een probleem?

Beschrijving slachtoffer

groepen

Is dit een individu, gemeenschap of gehele

Aantal slachtoffers

populatie?

Gender slachtoffer

Hoe worden betrokkenen omschreven (agency,

Leeftijd slachtoffer

passief, deviant)?

Oorsprong slachtoffer

Wie zijn uitgesloten van het probleem?

Handelen slachtoffer

Beschrijving dader Aantal daders Gender dader Leeftijd dader Oorsprong dader Omschrijving dader Handelen dader Morele evaluatie Kernwaarden of

Welke waarden of principes zijn zichtbaar in de

Impact

principes

probleemrepresentatie?

dader Impact

(directe

omgeving)

(directe

omgeving)

slachtoffer Impact lokaal Impact nationaal Causale interpretatie Hoofdoorzaak

Niet-vermelde oorzaken

Wat is de hoofdoorzaak van het probleem?

Kwetsbaarheid slachtoffer

Wie wordt schuldig geacht voor het veroorzaken

Handelen slachtoffer

van het probleem?

Verklaring daderschap

Wordt er bij de vermelding van oorzaken ergens

Omschrijving dader

nadruk op gelegd?

Handelen dader

Welke oorzaken worden niet genoemd of

Migratieachtergrond

verworpen?

slachtoffer

Kwetsbaarheid dader Migratieachtergrond dader Relatie dader-slachtoffer Handelen slachtoffer Voorgestelde beleidsoplossing Voorgestelde

Welke beleidsoplossingen worden voorgesteld

Beleidsoplossing

beleidsoplossing

of benadrukt?

Medewerkingsbereidheid

Wie is hiervoor verantwoordelijk?

slachtoffer

Welke

zaken

uitgesloten?

zijn

hierin

opgenomen

en

Medewerkingsbereidheid dader Overlap

slachtoffer-

/daderschap

Noot. Gebaseerd op de definitie van Entman (1993) en de bestaande operationalisering door Jenkin et al. (2011, p. 1025).

4.2 Dataverzameling De dataset bestaat uit een purposive sample van beleidsdocumenten van toepassing op Engeland en Wales, gepubliceerd na de inwerkingtreding van de MSA op 26 maart 2015. Omdat dit een exploratief onderzoek betreft zijn de dataverzameling en de analyse iteratief ingestoken, waarbij iedere zoek- en analyseslag nieuwe mogelijkheden tot dataverzameling biedt. De dataverzameling begon via de website van de Britse Home Office, welke een nietuitputtende lijst heeft gepubliceerd met gespecificeerde organisaties (bijvoorbeeld ‘Unseen’) en niet-gespecificeerde organisaties (bijvoorbeeld ‘local authorities’) binnen Engeland en Wales. Op de websites van gespecificeerde organisaties zijn (indien voor download beschikbaar) handleidingen over ‘county lines’ beoordeeld op relevantie. Hiervoor is op websites gezocht naar publicaties met de zoektermen: (“county line*”) AND (“toolkit” OR “guidelines” OR “guidance”). De initiële inclusie- en exclusiecriteria waren: a. De beleidsdocumenten/onderzoekseenheden zijn handleidingen die zich richten op (werknemers van) first responder organizations met de verantwoordelijkheid tot het signaleren van (minderjarige) slachtoffers van ‘county lines’ via het NRM-proces.

b. Bronnen met andere beoogde lezers, zoals ouders of buurtgenoten (in tegenstelling tot frontliniewerkers of professionals) zijn niet meegenomen in de dataset. Dit leidde tot de volgende dataset: Gov.uk (13), Children’s Society (2), Unseen (1), NSPCC (1), Local Government Association (2). Op basis van een eerste analyse van deze bronnen zijn bruikbare zoektermen opgesteld voor het vinden van documenten van niet-gespecificeerde organisaties (“local authorities”) in Engeland en Wales: (“guidelines” OR “guidance” OR “toolkit” OR “instructions”) AND (“England” OR “Wales”) AND (“county line*”). Deze zoektermen zijn in Google ingevoerd. In deze zoekslag zijn de volgende in- en exclusiecriteria aangehouden: a. De beleidsdocumenten/onderzoekseenheden zijn handleidingen die zich richten op (werknemers van) first responder organizations met de verantwoordelijkheid tot het signaleren van (minderjarige) slachtoffers van ‘county lines’ via het NRM-proces. b. Bronnen met andere beoogde lezers (dan frontliniemedewerkers of professionals) zijn niet meegenomen in deze zoekslag.

Dit leidde tot drie beleidsdocumenten van lokale autoriteiten in drie verschillende Engelse county’s, waaronder een toolkit van ‘SaferDevon’ (een publiek-privaat samenwerkingsverband in Devon), een handleiding voor partners van de politie in Suffolk, interne communicatietoolkit omtrent ‘county lines’ voor politiemedewerkers in Leicestershire en inclusie van drie documenten van Crimestoppers, een niet-gespecificeerde liefdadigheidsinstelling in Engeland en Wales. Tijdens een derde zoekslag is besloten de inclusiecriteria te verbreden, door onderzoeksrapporten met betrekking tot ‘county lines’ van gespecificeerde organisaties te includeren in de dataset. Bronnen met andere beoogde lezers (dan frontliniemedewerkers of professionals) zijn niet meegenomen in deze zoekslag. Dit leidde tot de inclusie van vier beleidsdocumenten van NCA, 1 van Barnardo’s en 2 van het Home Office, waaronder het ‘county lines’ Programme overview en de Serious Violence Strategy. Zie Tabel 2 voor een overzicht van de definitieve dataset.

Tabel 2 Overzicht van definitieve dataset Oorsprong bron

Organisatie(s)

Soort bron

N

Overheid

Home Office

Poster (8)

19

Handleiding (4) Onderzoekspublicatie (2) Ministry of Justice

Handleiding (1)

National

Onderzoekspublicatie (4)

Crime

Agency NGO

Children’s Society

Handleiding (2)

Unseen

Handleiding (1)

NSPCC

Handleiding (1)

Crimestoppers

Handleiding (2)

8

Poster (1)

Lokale autoriteiten

Barnardo’s

Onderzoekspublicatie (1)

Local Government

Handleiding (2)

5

Association Lokale county’s (N) totaal

Handleiding (3) 32

4.3 Datasaturatie van gegevensbronnen Datasaturatie verwijst naar het punt waarbij de onderzoeker vaststelt dat alle benodigde informatie is verzameld en er geen nieuwe relevante informatie meer van onderzoeksobjecten kan worden verzameld (Fuchs et al., 2018). De kwaliteit hiervan is bepalend voor de validiteit van onderzoeksresultaten bij kwalitatieve studies (Mwita, 2022). Er zijn meerdere factoren die de datasaturatie beïnvloeden, waaronder de relevantie van de onderzoekssubjecten, de mate waarin er geen nieuwe vooraf bepaalde codes en thema’s meer geïdentificeerd kunnen worden en de steekproefgrootte (Mwita, 2022). Allereerst zijn beleidsdocumenten van alle

relevante

(grote)

organisaties

meegenomen,

zoals

het

Home

Office

en

grote

liefdadigheidsinstellingen, zoals The Children’s Society. Dit is in lijn met vele kwalitatieve studies, waarbij op basis van een purposive sample onderzoeksobjecten worden geselecteerd die cruciaal zijn voor de beantwoording van de onderzoeksvraag (Mwita, 2022). Daarbij is er gezocht tot er steeds opnieuw naar dezelfde en reeds verzamelde bronnen van deze organisaties werd verwezen. Ten tweede is er gezocht tot er geen nieuwe informatie werd geïdentificeerd en informatie uit eerder verzamelde bronnen werd herhaald. De onderzoeker is van mening dat het punt bereikt was dat er geen nieuwe thema’s of codes gevormd meer konden worden op basis van nieuwe informatie. Alhoewel het verhogen van de steekproefgrootte wordt genoemd als manier om saturatie te bereiken, is de steekproefgrootte in kwalitatief onderzoek onderwerp van discussie. Dit wordt mede geïllustreerd door uiteenlopende steekproefgroottes, variërend van 10 tot 102 onderzoeksubjecten (Mwita, 2022). Sommige auteurs redeneren juist dat het bereiken van datasaturatie een indicator is voor een voldoende steekproefgrootte (Guthrie et al., 2014; Elo et al., 2014). Gelet op het bovenstaande wordt de steekproefgrootte van 32 beleidsdocumenten als voldoende geacht.

4.4 Analyseprocedure De beleidsdocumenten zijn gecodeerd en geanalyseerd met behulp van Atlas.TI. Er is een initiële codeerronde uitgevoerd, waarbij deductieve codecategorieën het startpunt vormden van de analyse. Bij deductief coderen zijn de codecategorieën en diens operationele definities op basis van bestaande literatuur ingevuld (Hsieh & Shannon, 2005). Een nadeel van deductief coderen is echter dat de focus op theorie een blinde vlek kan opleveren voor contextuele aspecten van een fenomeen (Hsieh & Shannon, 2005). Om dit probleem op te vangen is er daarom ook inductief gecodeerd. Na de initiële codeerronde zijn nieuwe codes toegevoegd en bestaande codes in het codeerschema verbeterd. De oorspronkelijke code ‘Gevolgen: Slachtoffer’, die enkel de impact van ‘county lines’ op het slachtoffer beschreef, is bijvoorbeeld aangepast naar ‘Impact: county lines’, waarbij de codecategorieën zijn uitgebreid naar de impact van ‘county lines’ op het slachtoffer, de dader, hun directe omgeving (familie, vrienden

etc.) en de impact op lokaal en nationaal niveau. Daarna is er een tweede codeerronde uitgevoerd. Tenslotte zijn er frequentietabellen gedraaid om patronen in de informatie te vinden, gelet op het type beleidsbron. Er is bijvoorbeeld gezocht hoe vaak ‘agency’ werd genoemd in combinatie met minderjarige slachtoffers. Daarnaast zijn er percentages berekend op basis van relatieve frequenties. Er is bijvoorbeeld berekend hoe vaak ‘misleiding’ werd genoemd ten opzichte van alle genoemde dwangvormen. Vervolgens zijn deze relatieve frequenties tussen NGO’s (N=8) en (landelijke) overheidsbronnen (N=19) vergeleken. Er is gekozen voor relatieve percentages, om rekening te houden met verschillen in steekproefgroottes. Echter is het mogelijk dat de bevindingen hierdoor enigszins vertekend zijn en wordt het normaliseren van de aantallen aanbevolen voor een betere vergelijking. Vanwege het kwalitatieve karakter van dit onderzoek ligt de nadruk echter op identificeren van codecombinaties (en de overkoepelende frames). Veelvoorkomende codes en codecombinaties zijn vervolgens vergeleken met de verwachte code(combinatie)s zoals geïdentificeerd in de mensenhandel frames (Appendix II, Figuur 2).

4.4.1 Codeercriteria Er is gekozen om zinsdelen en alinea’s, paragrafen en lijsten met latente informatie te coderen. Latent coderen heeft betrekking op het interpreteren van impliciete tekstuele informatie, in tegenstelling tot manifest coderen, wat draait om de letterlijke interpretatie van tekstuele informatie (Kleinheksel et al., 2020). Hiervoor is gekozen, omdat bepaalde theoretische concepten (zoals de ‘agency’ van slachtoffers) impliciet zijn en de interpretatie van de onderzoeker vereisen om het concept te vangen. Latent coderen erkent de actieve rol van de onderzoeker tijdens het analytische proces, bestaande uit het toepassen van mentale schema’s, theorieën en perspectieven om de informatie te interpreteren en begrijpen. Dit leidt tot een verminderde betrouwbaarheid, maar wel tot de inclusie van belangrijke contextuele informatie in de analyse (Hsieh & Shannon, 2005). Ten tweede is ervoor gekozen om alle documenttekst te coderen wanneer een bron

volledige betrekking heeft op ‘county lines’, (bijvoorbeeld ‘county line guidance’), omdat hier alle informatie relevant wordt geacht. Dit is bepaald op basis van de titel en introductie van het document. Daarnaast zijn er een aantal bronnen die gedeeltelijke betrekking hebben op ‘county lines’, bijvoorbeeld als onderdeel van de overheidsstrategie ten aanzien van ernstig geweld (Home Office, 2018b) of een handleiding met betrekking op ‘modern slavery’. In dat geval zijn alleen alinea’s gecodeerd waarin ‘county line*’ is vermeld. Ook zijn de lijsten, opsommingen, alinea’s, paragrafen die na expliciete vermelding van ‘county line*’ volgen en naar

het

voorgaande

verwijzen

gecodeerd,

bijvoorbeeld

een

opsomming

van

slachtofferkenmerken. Bovendien zijn definities gecodeerd die gerelateerd zijn aan criminele uitbuiting binnen ‘county lines’, zoals juridische classificaties van mensenhandel en definities van child criminal exploitation (CCE) en child sexual exploitation (CSE). Echter wordt aan deze informatie de code ‘wettekst’ toegevoegd, om deze informatie te onderscheiden van beleidstekst. Verder is er een ‘Restcategorie’ code aangemaakt voor informatie die niet binnen het codeerschema paste. Na afloop van het codeerproces is deze informatie beoordeeld op relevantie voor de onderzoeksvraag en of deze ondergebracht kon worden in een nieuwe/bestaande code. Zo niet, dan is deze verwijderd. Tenslotte is er een ‘Voorbeeld’ code toegevoegd aan informatie die een casus van slachtoffer- of daderschap van ‘county lines’ illustreert. Dit kan inzicht bieden in de verschillende wijzen waarop bronnen slachtoffers en daders karakteriseren.

4.5 Kritische reflectie op de validiteit en betrouwbaarheid Er worden verschillende termen gebruikt om kwalitatief onderzoek te beoordelen, waaronder validiteit, betrouwbaarheid en het veelgebruikte “trustworthiness” (Elo et al., 2014). Alhoewel “trustworthiness” mogelijk een passender criterium is, zijn validiteit en betrouwbaarheid in dit onderzoek aangehouden. Een (latente) kwalitatieve inhoudsanalyse vereist meer interpretatie van de onderzoeker (Elo et al., 2014), wat nadelig kan zijn voor de interne validiteit (in hoeverre

conclusies geldig zijn, doordat het beoogde wordt gemeten) en de betrouwbaarheid (repliceerbaarheid) van de onderzoeksresultaten. Daarentegen kan beargumenteerd worden dat de interne validiteit juist toeneemt, doordat de daadwerkelijke betekenis van de tekst geïnterpreteerd

wordt.

De

(construct)validiteit

is

gewaarborgd

door

deductieve

codecategorieën op basis van literatuur te vormen (Hsieh & Shannon, 2005) en de operationalisering van framing te baseren op het bestaande kader van Jenkin et al. (2011). Hierdoor is de methode van structuur voorzien (Hsieh & Shannon, 2005). Verder wordt de saturatie van de gegevensbronnen beschouwd als een positieve bijdrage aan de interne validiteit van dit onderzoek. Om de betrouwbaarheid te verhogen zijn de stappen van de dataverzameling en de data-analyse zorgvuldig gedocumenteerd, waaronder de inclusie- en exclusiecriteria, de codeercriteria en het codeerschema. Het codeerschema bevat gedetailleerde richtlijnen voor het identificeren en coderen van de variabelen, wat de consistentie van het codeerproces bevordert (Kleinheksel et al., 2020). De documentatie biedt tevens de mogelijkheid tot het controleren van de validiteit (Hsieh & Shannon, 2005). Verder is de betrouwbaarheid verhoogd door het codeerschema met een eerste codeerronde te testen (Schreier, 2012). De eerste codeerronde is echter uitgevoerd voordat de derde verdiepende zoekslag plaatsvond (N=25) en is dus niet toegepast op de volledige dataset (N=32). Dit leek destijds voldoende om het codeerschema te testen en omwille van tijdsbeperkingen is deze ronde niet afgerond.

Verder kunnen problemen met de definiëring van variabelen of overlap tussen codecategorieën een bedreiging vormen voor de validiteit en de betrouwbaarheid (Schreier, 2012). Daarom zijn na het codeerproces restcodes en specifieke codecategorieën (en diens codes) waar het risico op overlap bestond, zoals de codecategorieën ‘Beleidsoplossing’, ‘Kwetsbaarheid slachtoffer/dader’, ‘Verklaringen daderschap’ en ‘Impact slachtoffer/dader’, opnieuw gecontroleerd. Hierdoor is er tevens rekening mee gehouden dat inductieve codes die later in het codeerproces geïdentificeerd zijn, zoals ‘Impact slachtoffer: secundaire victimisatie’ consistent zijn toegepast. Tenslotte valt niet uit te sluiten dat er overlap bestaat in de sociale context van de codes ‘Verklaring daderschap: sociale gelegenheidsstructuur’ en

‘Kwetsbaarheid dader: familie of gezinssituatie/peers/buurt’. Deze overlap wordt echter gerechtvaardigd geacht, vanwege de verschillen in focus op een brede gelegenheidsstructuur versus de specifieke invloed van bijvoorbeeld criminele vrienden. Tenslotte heeft een onderzoeker de gegevens gecodeerd. Dit heeft als voordeel dat de validiteit en de betrouwbaarheid niet bedreigd worden door verschillen in interpretaties die op microniveau tussen onderzoekers kunnen bestaan, zoals in definities, schema’s en constructen (Kleinheksel et al., 2020). Dit heeft echter als nadeel dat de resultaten afhankelijk zijn van de interpretatie van een onderzoeker en mogelijk ‘bedacht’ kunnen zijn (Elo & Kyngäs, 2008). In het vervolg wordt aangeraden om twee codeerrondes uit te voeren door twee onderzoekers en daarbij de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid te berekenen (Schreier, 2012).

4.6 Ethische overwegingen De geraadpleegde beleidsdocumenten zijn online te raadplegen en voor iedereen vrij toegankelijk. Informed consent (het informeren en verkrijgen van toestemming van deelnemers) is daarom niet nodig. Desondanks is er vertrouwelijk met de verzamelde informatie omgegaan in de zin dat deze enkel is opgeslagen tijdens het schrijven van de scriptie en daarna is verwijderd. Tenslotte is het relevant om mijn positionaliteit als onderzoeker te erkennen en de mate waarin deze invloed kan hebben op de onderzoeksresultaten. Ik ben een jonge witte vrouw met een linkse politieke voorkeur, waarbij ik rehabilitatieve boven punitieve oplossingen verkies. Ik ben me ervan bewust dat mijn politieke voorkeur, in combinatie met een persoonlijke band met iemand die aangemerkt kan worden als een vermoedelijk slachtoffer van criminele uitbuiting, mij gevoeliger maakt voor de ervaringen van zowel slachtoffers als daders van criminele uitbuiting. Dit zal echter ook bijdragen aan een genuanceerder slachtoffer- en daderperspectief.

5. Resultaten Dit hoofdstuk bespreekt de resultaten van de framing analyse. Allereerst zijn de algemene bevindingen beschreven. Daarna is de framing tussen NGO’s (Crimestoppers, Unseen, NSPCC, Barnardo’s, The Children’s Society, N=8) en overheidsbronnen (Home Office, Ministry of Justice, NCA, N=19) met elkaar vergeleken.

5.1 Probleemdefinitie en morele evaluatie Het algemene narratief is dat kinderen en jongvolwassenen door criminele bendes worden ingezet om drugs, geld en wapens te vervoeren en te verhandelen tussen regionale gebieden. Het doel van de ‘county lines’ activiteit wordt primair geassocieerd met drugshandel (56%), daarna met seksuele uitbuiting (24%) en het verhandelen/gebruik van wapens (14%). Slachtofferschap van seksuele uitbuiting wordt vooral genoemd in combinatie (maar niet uitsluitend) met vrouwelijke slachtoffers (24%). Er wordt gerapporteerd dat slachtoffers online (N=22) en offline op verschillende plaatsen (N=21) worden gerekruteerd, waaronder openbare ruimten en plaatsen waar kwetsbare doelgroepen zich bevinden, zoals (speciale) zorg- en onderwijsinstellingen, daklozenopvang- en detentiecentra. De gerapporteerde dwangvormen zijn het gebruik van emotioneel/fysiek/seksueel geweld, waaronder intimidatie (33%), ‘cuckooing’ (13%), een transactie (13%), misleiding (11%), debt bondage (10%), ‘MO: anders’, waaronder het expliciet benoemen van grooming en coercion valt (10%), misbruik van een vertrouwensband met het slachtoffer (8%) en kidnapping (2%). Het gebruik van fysiek, emotioneel en seksueel geweld wordt bij alle leeftijden slachtoffers gerapporteerd, maar vaker in combinatie met minderjarigen en jongvolwassenen dan met meerderjarigen (respectievelijk 41% en 8%).

Bovendien worden er vaker subtiele dwangvormen gerapporteerd bij minderjarige en jongvolwassen slachtoffers, zoals misleiding (75%), MO: anders (71%, vanwege grooming) en transactie (61%). Wanneer dwangvormen bij meerderjarige slachtoffers worden benoemd, zijn dit vooral ‘cuckooing’ (52%), het gebruik van geweld (19%) en debt bondage (13%).

Wanneer de nationale impact van ‘county lines’ wordt omschreven (N=105) is dit in termen van nationale veiligheid (52%): “county lines gang related drug dealing has remained a threat across multiple police regions, impacting upon numerous county towns” (National Crime Agency, 2016, p. 12); economie (41%): “a growing national issue and there are now over 2,000 mobile phone lines . . . with upwards of £0.5 billion annual turnover” (Ministry of Justice, 2019, p. 6); en volksgezondheid (17%): “county lines is a widespread form of harm” (Local Government Association, 2017, p. 31). De lokale impact (N=52) wordt omschreven in termen van economie (52%): “whether there is a receptive market to exploit” (National Crime Agency, 2015, p. 4) en veiligheid (42%), waarbij het risico op geweld, de uitbuiting van kwetsbare personen en gewelddadige conflicten tussen lokale bendes worden genoemd. De gevolgen voor het slachtoffer (N=107) worden omschreven in termen van diens fysieke en geestelijke gezondheid (40%), veiligheid (van represailles van daders, 25%) en secundaire victimisatie (20%). Wanneer de gevolgen voor de directe omgeving van het slachtoffer worden omschreven (N=13), zoals familie en vrienden, dan is dit ook in termen van represailles van daders (57%).

5.1.1 Slachtofferrepresentaties Slachtoffers worden omschreven als minderjarigen (N=245) en/of jongvolwassenen (N=120) of volwassenen (N=61). Wanneer slachtoffers afkomstig zijn uit een andere plaats dan waar de ‘county lines’ activiteit plaatsvindt (N=46), dan wordt dit vaak genoemd in combinatie met minderjarige en jongvolwassen slachtoffers (72%) – nooit met meerderjarige slachtoffers. Wanneer slachtoffers wel uit dezelfde plaats afkomstig zijn, dan wordt dit vaak genoemd in combinatie met meerderjarige slachtoffers (41%) of beiden (15%). Een verklaring hiervoor is dat ‘cuckooing’ bijna uitsluitend in combinatie met meerderjarige slachtoffers (lokale woningbezitters) wordt genoemd (52%). De representatie van slachtoffers komt overeen met ‘ideal victims’, doordat zij als kwetsbaar worden aangemerkt. De kwetsbaarheid van slachtoffers wordt vaak expliciet benoemd (N=158) bij meerderjarige slachtoffers (66%) en bij minderjarige en meerderjarige

slachtoffers gezamenlijk (82%), zoals “vulnerable children and adults” (CrimeStoppers, 2023, What are County Lines?). Dit is opvallend, omdat minderjarigen en jongvolwassenen in slechts 12% van de gevallen als expliciet kwetsbaar worden omschreven. Wanneer kwetsbaarheden worden toegelicht (N=340), dan betreffen dit vooral geestelijke gezondheidsproblematiek en/of drugsgebruik (19%), een missing status (13%), factoren op school- (10%), familie- (10%) en peerniveau (10%), onvoldoende toegang tot economische middelen en/of status (9%), slachtofferschap van emotioneel, fysiek of seksueel geweld (7%) en de aanwezigheid van een zorgtitel (6%). Ondanks dat aangenomen wordt dat slachtoffers van mensenhandel vaak illegale immigranten zijn (Bouché et al., 2016), wordt een illegale verblijfstatus niet genoemd. Daarentegen wordt dak- of thuisloosheid in 2% van de gevallen wel als kwetsbaarheidsfactor genoemd. Een opvallende bevinding met betrekking tot minderjarige slachtoffers is dat de afwezigheid van kwetsbaarheden als vorm van kwetsbaarheid wordt beschouwd. In 4% van de gevallen wordt gerapporteerd dat kinderen waarbij de kans op institutionele bemoeienis minimaal is bewust door daders worden gerekruteerd om detectie te vermijden. Dit zijn onder andere minderjarigen zonder strafblad (‘clean skins’), van middenklasse achtergrond, een witte etniciteit en Britse nationaliteit.

In een minderheid wordt er gerapporteerd dat “children and young people of any background, gender, or ethnicity, in a range of settings” (Home Office, 2021b, How County Lines Work) doelwit zijn. Daarnaast wordt soms genoemd dat structurele ongelijkheden “related to race, gender, ethnicity, class, culture and education” (The Children’s Society, 2018, p. 14) van invloed zijn op de kwetsbaarheid van slachtoffers. De (afwezigheid van) kwetsbaarheden bij slachtoffers komt overeen met twee typen minderjarige slachtoffers van mensenhandel die Ulibarri (2015) identificeert in de Verenigde Staten, namelijk a) minderjarigen met risicokenmerken die hun kans op slachtofferschap vergroten, waaronder runaways, throwaways en slachtoffers van seksueel misbruik en b) minderjarigen die risico lopen vanwege hun status als kinderen, omdat mensenhandelaren op zoek zijn naar kinderen. In tegenstelling tot wat men op basis de literatuur zou verwachten, blijkt de

migratieachtergrond9 en de etniciteit van het slachtoffer verder niet relevant. Wanneer het handelen van het slachtoffer wordt omschreven (N=291), is dit grotendeels als passief (58%). In 27% van de gevallen wordt de ‘agency’ van slachtoffers erkend, doch bekeken door een passieve lens, bijvoorbeeld: “Remember, they may appear to be willing participants, but it is likely that their actions and choices are being controlled by perpetrators with more power than them” (The Children’s Society, 2018, p.16). Dit is vooral in relatie tot de delictscontext. De uitoefening van de ‘agency’ van slachtoffers wordt daarentegen vooral benoemd in de opsporingscontext. In 15% van de gevallen wordt ‘agency’ beschreven met kenmerken, zoals “becoming more secretive, aggressive or violent” (SaferDevon, 2022, Signs of exploitation), “carrying weapons . . . [and] unwillingness to explain their whereabouts” (NSPCC, pp. 3-4). De ‘agency’ van slachtoffers wordt vooral genoemd in combinatie met een gebrekkige medewerkingsbereidheid, welke voortkomt uit een identificatie als autonome drugsdealer, angst voor represailles van daders of wantrouwen jegens instanties.

Verder wordt de overlap tussen slachtoffer- en daderschap benoemd (N=55), waaronder in de vorm van geweldpleging tussen bendeleden en een “a cycle of exploitation” (Home Office, 2019, p.14), waarbij slachtoffers van uitbuiting andere kwetsbare vrouwen, kinderen en volwassenen rekruteren. 5.1.2 Daderrepresentaties Daderrepresentaties

komen

overeen

met

‘ideal

offender’

representaties

uit

criminaliteitsframes. Daders zijn onderdeel van criminele bendes of de georganiseerde misdaad (N=225). Zij worden meestal omschreven als ‘oudere’ bendeleden (‘elders’), terwijl een exacte leeftijd niet gespecificeerd wordt (44%). In 27% van de gevallen betreffen het zowel minderjarige als meerderjarige daders. Wanneer het meerderjarige daders zijn (19%), dan zijn dit meestal onbekende volwassenen of “powerful adult gang members” (The Children’s Society, 2018, p. 6). Waar het minderjarige daders (5%) betreft, wordt een rehabilitatieve child

9

Een migratieachtergrond correleert met socio-economische achterstelling, welke de kwetsbaarheid op slachtofferschap verhoogt (Feingold, 2005; Gregoriou & Ras, 2018)

protection response benadrukt: “if the ‘elder’ is under the age of 18 years old – this will also need to be considered using child protection processes” (The Children’s Society, 2018, p. 14). Wanneer de relatie tussen dader en slachtoffer wordt beschreven, wordt meestal niet genoemd of zij elkaar kenden voorafgaand aan het slachtofferschap (45%) of het zijn vreemden van elkaar (40%). Wanneer zij bekenden zijn (16%), zijn het vaak lokale dealers, vrienden of familieleden van het slachtoffer. Zij zijn meestal niet afkomstig uit de plaats waar de ‘county lines’ activiteit plaatsvindt (89%). Daarnaast worden zij getypeerd als deviante figuren (N=157) die doelbewust kwetsbare groepen uitbuiten als onderdeel van hun criminele verdienmodel, met beschrijvingen zoals “[using] their power and position to groom, recruit and exploit” (The Children’s Society, 2017, p. 17) , “have been known to set up children and young people” (The Children’s Society, 2018, p. 10) en “do not care how much suffering or damage they inflict on people’s lives” (CrimeStoppers, 2017, p. 2). Daders worden gekenmerkt door ‘agency’ (N=230), vooral omdat zij financieel gemotiveerd zijn (70%) en gemotiveerd zijn om buiten zicht van opsporingsautoriteiten te blijven (30%). Het rekruteren van kwetsbare doelgroepen draagt hieraan bij: “ ..

[children] are being increasingly targeted by criminal gangs who are exposing children to the risk of arrest and violence while they profit” (Barnardo’s, 2021, p. 27).

5.2 Causale interpretatie Overeenkomstig met het criminaliteitsframe wordt daderschap dus verklaard door financieel gemotiveerde en deviante daders die de kwetsbaarheden van slachtoffers uitbuiten. Verklaringen van daderschap worden nauwelijks gezocht in de kwetsbaarheden van daders. Wanneer kwetsbaarheden van daders benoemd worden (N=47) spelen factoren op het niveau van peers (23%), familie (13%) en buurt (13%) een rol. Alternatieve verklaringen worden gezocht in gelegenheidsstructuren10 (N=23), waaronder een financiële gelegenheidsstructuur (52%), zoals een winstgevende afzetmarkt met weinig concurrentie; een sociale

10

Verklaringen van daderschap op basis van gelegenheidsstructuren werden uitsluitend genoemd in onderzoeksrapporten van de NCA.

gelegenheidsstructuur (26%), zoals beschikbare criminele contacten (zoals familieleden en ex-delinquenten) en uit te buiten personen; en een fysieke gelegenheidsstructuur (22%), zoals transportverbindingen, detentiecentra (mogelijkheid tot nieuwe criminele contacten) en accommodatiemogelijkheden in het afzetgebied. Tenslotte geldt dat migratieachtergrond (nationaliteit) en etniciteit niet worden genoemd als verklaring van daderschap. Wel wordt opgemerkt dat de etniciteit van daders de demografische samenstelling van de urbane locatie waar zij vandaan komen reflecteert (respectievelijk Aziatische, Somalische en Wit/Britse populaties uit Birmingham, Londen en Liverpool/Manchester).

5.3 Voorgestelde beleidsoplossingen Het merendeel van de voorgestelde beleidsoplossingen (N=540) heeft betrekking op de preventie (24%), c.q. het voorkomen van (voortdurend) slachtofferschap, door middel van ‘safeguarding’ van kwetsbare personen en het operationaliseren van bestaand beleid (zoals ‘referral pathways’ voor slachtoffers en ‘Prevention and Risk Orders’ voor daders). Daarna wordt educatie (21%) genoemd. Hierbij wordt verwezen naar het informeren van frontliniemedewerkers over de signalen van slachtofferschap en worden regelmatig de gedeeltelijke ‘agency’ van slachtoffers, het risico op secundaire victimisatie (c.q. criminalisering wanneer slachtofferschap niet herkend wordt) en het belang van een slachtofferperspectief aangehaald. Tenslotte wordt de directe hulpverlening aan slachtoffers (18%) na identificatie aanbevolen. Deze drie beleidsoplossingen komen ook in combinatie met elkaar het meest voor. Daarnaast wordt samenwerking (13%) voorgesteld, “with partners including families, schools, public health nurses, police, education, youth service, children’s social care” (Home Office, 2021b, p. 13). Met name een holistische en lokale multidisciplinaire aanpak zou bijdragen aan het ondersteunen van slachtoffers. In 9% van de gevallen wordt het operationaliseren van beleid voorgesteld als voorbereidende maatregel.

Verder worden repressieve maatregelen voor daders (8%) en de creatie van nieuw beleid (6%) genoemd. Hierbij is het opvallend dat repressieve maatregelen voor daders relatief weinig worden genoemd, gezien diens populariteit in criminaliteitsframes. Het verbeteren van structurele

omstandigheden wordt zoals verwacht het minst genoemd (<2%), aangezien zulke beleidsoplossingen complex zijn (Farrell & Fahy, 2009).

5.5 De framing door overheidsbronnen In de framing door overheidsbronnen zijn vaker elementen van het criminaliteitsframe en het national security frame zichtbaar, waarbij mensenhandel wordt gezien als een criminele winstgevende business die de veiligheid van gemeenschappen bedreigt. Zo benadrukken overheidsbronnen eerder dan NGO’s de grootschalige gevolgen van ‘county lines’. De nationale impact wordt omschreven in termen van veiligheid (59%): (“a cross-cutting issue involving drugs, violence, gangs, safeguarding, criminal and sexual exploitation, modern slavery and missing persons” en economie (in het bijzonder drugseconomieën) (33%) en de lokale impact in termen van economie (60%) en veiligheid (36%). Overheidsbronnen omschrijven daders vaker als financieel gemotiveerde georganiseerde misdaadfiguren die opsporingsautoriteiten bewust omzeilen. Daarnaast worden slachtoffers vaker als expliciet kwetsbaar omschreven (respectievelijk 30% en 14%) en wordt het gebruik van fysiek/emotioneel/seksueel geweld (harde dwang) relatief vaker genoemd (respectievelijk 39% en 26%).

De variatie van beleidsoplossingen die overheidsbronnen aandragen komt overeen met het national security frame (zie Appendix II) en dit zijn preventie (24%), educatie (17%), samenwerking (15%), directe hulpverlening aan slachtoffers (14%), het operationaliseren van beleid (11%), repressieve maatregelen daders (10%) en de creatie van nieuw beleid (7%). Daarbij worden repressieve maatregelen voor daders, samenwerking en het operationaliseren van beleid vaker door overheidsbronnen dan NGO’s genoemd.

5.6 De framing door NGO’s NGO’s lijken zowel elementen van het criminaliteitsframe als het public health frame te hanteren. NGO’s leggen minder nadruk op de nationale en lokale impact van ‘county lines’ en benadrukken de gezondheids- en veiligheidsrisico’s voor individuele slachtoffers. De criminele uitbuiting van minderjarigen binnen deze context wordt gezien als vorm van “child abuse”.

Gevolgen voor het slachtoffer zijn fysieke en geestelijke gezondheidsrisico’s (35%), het risico op secundaire victimisatie (31%) en veiligheidsrisico’s (18%). Het valt op dat secundaire victimisatie (zoals de criminalisering van slachtoffers), in 81% van de gevallen door NGO’s wordt benoemd – en dat overheidsbronnen dit nauwelijks aanhalen. NGO’s blijken, in tegenstelling tot het public health frame, de gezondheidsrisico’s voor de brede gemeenschap niet te benadrukken. Daarentegen zijn er elementen van het criminaliteitsframe zichtbaar, waarbij ‘county lines’ wordt geframed als een issue met gevolgen voor de nationale veiligheid (34%) en economie (22%). Beide type beleidsbronnen kennen daders vergelijkbare niveaus van ‘agency’ en deviantie toe, maar NGO’s omschrijven daders vaker als ‘ouder’ of meerderjarig. Tenslotte hebben NGO’s meer aandacht voor subtiele dwangvormen dan overheidsbronnen. Relatief benoemen NGO’s misleiding, transactie, vertrouwensband en ‘MO: anders’ (waaronder grooming valt)11 vaker. Dit komt overeen met het public health frame, welke veronderstelt dat mensenhandel wordt veroorzaakt door kwetsbaarheid door economische en sociale ongelijkheid. In hoofdstuk 3 is toegelicht dat de kwetsbaarheden van slachtoffers (zoals toegang tot economische middelen) een rol spelen bij subtiele dwangvormen, doordat zij een ongelijke machtsrelatie creëren.

De voorgestelde beleidsoplossingen zijn ook in lijn met het public health frame (zie Appendix II) en dit zijn directe hulpverlening aan slachtoffers (31%), preventie (24%) en educatie (22%), gevolgd door samenwerking (8%).

11 Voor misleiding is dit respectievelijk 16% en 9%, voor transactie 14% en 11%, voor vertrouwensband 10% en

4% en voor ‘MO: anders’ 12% en 6%.

6. Conclusie Er zijn signalen dat het aantal minderjarige slachtoffers van druggerelateerde criminele uitbuiting in Nederland mogelijk groter is dan officiële registraties weergeven. Als voorbeeldaanpak wordt er verwezen naar het Verenigd Koninkrijk, waar de criminele uitbuiting van minderjarigen binnen het ‘county lines’ verdienmodel de meest signaleerde verschijningsvorm van mensenhandel is. De vraag rijst echter of Brits beleid is gebaseerd op wetenschappelijke kennis omtrent ‘county lines’ en of Nederland hier een voorbeeld aan dient te nemen. Inhoudsanalyses van mediaberichtgeving tonen aan dat de framing van mensenhandel zich baseert op stereotype slachtoffer- en daderrepresentaties die niet op de werkelijkheid gebaseerd zijn. Op basis van agendasettingtheorie en empirische literatuur is beargumenteerd dat deze framing kan leiden tot ineffectief beleid ten aanzien van criminele uitbuiting binnen ‘county lines’. De vraag rijst in hoeverre mensenhandelframes gereflecteerd in ‘county lines’ beleidsteksten.

Deze scriptie richt zich op de beantwoording van de onderzoeksvraag: “Hoe worden minderjarige slachtoffers en daders van criminele uitbuiting binnen ‘county lines’ geframed in Britse beleidsteksten gericht op het informeren van frontliniewerkers?” Er is een directieve kwalitatieve inhoudsanalyse uitgevoerd van 32 beleidsdocumenten van gespecificeerde en non-gespecificeerde organisaties (NGO’s en overheidsbronnen) belast met de slachtofferidentificatie. De methode is gebaseerd op Entman’s (1993) definitie van framing en de operationalisering van Jenkin et al. (2011). Uit de analyse blijkt dat het criminaliteitsframe (waaronder national security) prominent is in de framing van ‘county lines’. Er wordt gerapporteerd dat Britse minderjarigen door criminele bendeleden gedwongen worden tot het vervoeren van drugs en geld over regionale grenzen. Dit heeft implicaties voor de lokale en nationale veiligheid in termen van gewelddadige conflicten tussen criminele bendes in provinciale afzetgebieden en de noodzaak tot ‘safeguarding’ van kwetsbare slachtoffers. De framing van minderjarige slachtoffers komt overeen met ‘ideal victimhood’, doordat zij als kwetsbaar (vanwege risicokenmerken of hun status als kinderen) en passief

worden omschreven. Daarbij wordt de ‘agency’ van slachtoffers vooral erkend in de opsporingscontext, in tegenstelling tot de delictscontext. Daders worden beschreven als deviante, financieel gemotiveerde, meestal ‘oudere’ en onbekende criminele bendeleden (‘ideal offenders’), die minderjarigen gebruiken voor risicovolle activiteiten om zelf buiten detectie van autoriteiten te blijven (een ‘disposable army’). De oorzaken van daderschap worden gezocht in de ‘agency’ van daders en de aanwezigheid van gelegenheidsstructuren, niet in diens kwetsbaarheden. Het gebruik van (primair financiële) gelegenheidsstructuren leidt dan ook tot het benadrukken van de economische gevolgen van ‘county lines’, in termen van het ontstaan van drugseconomieën. De primair aangedragen beleidsoplossingen zijn preventie, educatie en de directe hulpverlening aan slachtoffers. Deze beleidsoplossingen worden ook in combinatie met elkaar het meest genoemd. Door frontliniewerkers te informeren over de signalen van slachtofferschap van ‘county lines’ kunnen (potentiële) slachtoffers geïdentificeerd worden en kan hulpverlening worden verleend. Lokale samenwerking tussen zorg-, onderwijs- en strafrechtelijke partners wordt hierbij noodzakelijk geacht. Deze beleidsoplossingen (welke NGO’s uitsluitend benoemen) komen overeen met het public health frame, vanwege hun preventieve en slachtoffergeoriënteerde karakter.

Daarentegen worden punitieve oplossingen (repressieve maatregelen ten opzichte van daders) ondanks verwachtingen relatief weinig genoemd. Bij NGO’s komen nadrukkelijker elementen van het public health frame naar voren, waarbij gezondheids- en veiligheidsrisico’s voor individuele slachtoffers worden benadrukt. Voorgestelde beleidsoplossingen van NGO’s richten zich op de identificatie van- en hulpverlening aan (potentiële) slachtoffers. Dit zijn directe hulpverlening aan slachtoffers, preventie, educatie, en samenwerking. NGO’s hebben overeenkomstig het public health frame meer aandacht voor de sociale en economische kwetsbaarheidsfactoren die impliciet verondersteld worden bij subtiele dwangvormen. Daarentegen beschrijven overheidsbronnen overeenkomstig criminaliteitsframes slachtoffers vaker als simpelweg expliciet kwetsbaar,

rapporteren zij vaker het gebruik van harde dwang en stellen zij vaker repressieve maatregelen, samenwerking en het operationaliseren van beleid voor.

7. Discussie In dit hoofdstuk wordt kritisch gereflecteerd op de onderzoeksresultaten, de validiteit en betrouwbaarheid van het onderzoek en zijn de implicaties voor toekomstig onderzoek en beleid besproken.

7.1 Implicaties van de geïdentificeerde frames Uit dit onderzoek is gebleken dat in de framing van ‘county lines’ in beleid bepaalde frames gereflecteerd worden die in algemene mensenhandel(media)discoursen zichtbaar zijn, waaronder het criminaliteits-/national security frame en het public health frame. Politici en beleidsmakers maken bewust gebruik van frames in probleemrepresentaties van sociale problemen om deze af te stemmen met bepaalde beleidsoplossingen (Bouché et al., 2018; Farrell & Fahy, 2009). Het framen van ‘county lines’ als een criminaliteits-/national security issue draagt bij aan het legitimeren van huidig preventief overheidsbeleid gericht op de ‘safeguarding’ van individuele slachtoffers. De website van het Home Office (2022) presenteert dan ook de statistieken van ‘geredde’ slachtoffers. Een kritische houding ten opzichte van deze aanpak is vereist. Zo blijkt dat ook diegenen die na identificatie via het NRM-proces als daadwerkelijk slachtoffer aangemerkt worden vaak gecriminaliseerd worden en dat punitieve sancties met elementen van dwang, zoals elektronische surveillance, het handhaven van een avondklok en verplichte supervisie in de vorm van ‘Criminal Behaviour Orders’, door frontliniewerkers als noodzakelijk onderdeel van de zorg aan slachtoffers worden beschouwd (Marshall, 2023).

Er kan beargumenteerd worden dat dit bijdraagt aan de secundaire victimisatie van slachtoffers, toenemend wantrouwen jegens instanties en dat dit het melden van slachtofferschap ontmoedigt. 7.1.1 Implicaties van slachtoffer- en daderrepresentaties Criminaliteitsframes zijn geneigd om tegenstellingen in slachtoffer- en daderrepresentaties te benadrukken (Austin & Farrell, 2017; Wilson & O’Brien, 2016). De representatie van ‘county lines’ slachtoffers vertoont overeenkomsten met Christie’s (1986) ‘ideal victims’ in de zin dat zij als jong en kwetsbaar worden aangemerkt. Het risico bestaat dat de focus op de individuele

kwetsbaarheid van minderjarige slachtoffers resulteert in het negeren van structurele oorzaken van slachtofferschap, zoals armoede, genderongelijkheid en discriminatie (zie bijvoorbeeld Gregoriou & Ras, 2018). Verder kunnen ‘ideal victim’ representaties leiden tot de marginalisering van slachtoffers die niet aan dit beeld voldoen (Austin & Farrell, 2017; Bell, 2018), zoals de verminderde kans op slachtofferidentificatie naarmate slachtoffers van ‘county lines’ de grens van meerderjarigheid bereiken (Stone, 2018). Uit de analyse blijkt bijvoorbeeld dat meerderjarige slachtoffers binnen ‘county lines’

bijna uitsluitend met lokaal

slachtofferschap van ‘cuckooing’ worden geassocieerd, terwijl minderjarige slachtoffers met meerdere (subtiele) dwangvormen in verband worden gebracht. Daarentegen zijn er ook ‘anti-frames’ geïdentificeerd die strijdig zijn met ‘ideal victim’ representaties, doordat beleidsdocumenten de overlap tussen slachtoffer- en daderschap erkennen. Vooral NGO’s rapporteren de ‘agency’ van slachtoffers in relatie tot hun zelfidentificatie en medewerkingsbereidheid. De erkenning van deze ‘agency’ draagt bij aan het verwerpen van de aanname van passief slachtofferschap, waar diverse auteurs voor pleiten (Olver & Cockbain, 2021; Shaw & Greenshow, 2020). Daarnaast heeft de representatie van ‘county lines’ daders als ‘ideal offenders’, gelieerd aan criminele bendes, praktische implicaties. Allereerst bestaat het risico dat het begrip van ‘county lines’ daders van frontliniewerkers niet gebaseerd is op de werkelijkheid, wat kan leiden tot ineffectief beleid. Er wordt bijvoorbeeld gezocht naar een oudere, ‘onbekende’ georganiseerd misdaadfiguur, terwijl daders vaak vrienden of familieleden van slachtoffers zijn (Windle et al., 2020). Daarbij worden de kwetsbaarheden van daders genegeerd, met name de structurele socio-economische oorzaken die daderschap verklaren.

Dit kan leiden tot de misattributie van repressieve beleidsoplossingen in tegenstelling tot preventieve of rehabilitatieve oplossingen voor daders (zie Hallsworth & Young, 2008).

7.2 De complexiteit van de uitvoering van beleid Een belangrijke beperking van dit onderzoek is dat deze geen inzicht biedt in de interpretatie van beleidsrichtlijnen door frontliniewerkers. De signalen van de criminalisering van

minderjarige slachtoffers van criminele uitbuiting (Brewster et al., 2021; Marshall, 2023; Sturrock & Holmes, 2015) wijzen erop dat het bedoelde slachtoffergeoriënteerde perspectief (Home Office, 2018a, p.65-66) niet breed vertegenwoordigd wordt in de praktijk van frontliniewerkers. Bovendien zijn er signalen dat herkennen van slachtofferschap van criminele uitbuiting

in

de praktijk

complexer

is dan beleidsdocumenten doen

voorkomen.

Frontliniewerkers kennen de slachtofferstatus toe op basis van subjectieve waardeoordelen (Shaw & Greenshow, 2020). Waar volgens Marshall (2023, pp. 1165-1166) evidente signalen van slachtofferschap ontbreken, blijkt voor frontliniewerkers moeilijk te herkennen waar slachtofferschap eindigt en daderschap begint: Where more exceptional indicators of CCE—such as a young person being physically held in a trap house—were absent, practitioners noted that the socioeconomic marginalisation, pressure, and coercion associated with young people's exploitation were difficult to separate from the factors that helped to explain ‘why young people are involved in many forms of criminality’. Ook wordt op basis van dit onderzoek een tegenstrijdigheid gevonden, namelijk dat aan slachtoffers sympathie wordt toegekend ondanks erkenning van de overlap met daderschap, terwijl daders worden beschouwd als verantwoordelijke actoren die geen sympathie verdienen. Deze perceptie van daders als deviante personen die slechte keuzes maken bevordert de stigmatisering van daders, evenals de stigmatisering van slachtoffers (die immers ook strafbare feiten hebben gepleegd).

7.3 Implicaties voor beleid Er kan beargumenteerd worden dat de focus op de ‘safeguarding’ van individuele slachtoffers door middel van educatie, preventie en directe hulpverlening aan slachtoffers de aandacht afleidt van beleidsoplossingen die op lange termijn mogelijk effectiever zijn, zoals het verbeteren van de structurele sociale condities van slachtoffers. Immers is gebleken dat slachtoffers vaak afkomstig zijn uit sociaaleconomisch achtergestelde milieus die hun keuzevrijheid beperken, waarbij het dealen van drugs het mogelijk maakt om zichzelf en hun families financieel te onderhouden (Robinson et al., 2019; Windle et al., 2020).

Daarom wordt een preventieve public health benadering aangeraden (Bonning & Cleaver, 2021), waarbij oog is voor de onderliggende verklaringen van slachtofferschap, waaronder sociale- en economische ongelijkheid en andere risicofactoren van slachtoffers. Goede lokale samenwerking tussen zorg-, educatie- en strafrechtelijke partners die de vroegtijdige identificatie van- en hulpverlening aan slachtoffers mogelijk maakt wordt als cruciaal gezien (Bonning & Cleaver, 2021; Olver & Cockbain; 2021; Robinson et al., 2019). Bovendien wordt aangeraden om de vanzelfsprekende associatie van ‘county lines’ daders los te koppelen van de mythe van criminele bendes (Hallsworth & Young; Spicer, 2019; 2020) en in toekomstig (preventief- en rehabilitatief) beleid oog te hebben voor de mogelijke kwetsbaarheden van daders. Een veelbelovend interventietype dat niet naar voren komt uit de analyse zijn interventies gericht op harm reduction (Robinson et al., 2019; Spicer, 2019), zoals het decriminaliseren van drugsbezit. Er kan beargumenteerd worden dat het decriminaliseren van drugsbezit het risico op strafrechtelijke consequenties en stigmatisering wegneemt voor minderjarige slachtoffers die drugs gebruiken of bij zich hebben, waardoor zij eerder geneigd zijn om hulpverlenende instanties te benaderen.

Daarnaast kan de decriminalisering van drugsbezit waardevol zijn voor de preventie van illegale drugsmarkten (Robinson et al., 2019; Spicer, 2019). Uit dit onderzoek blijkt dat daderschap binnen ‘county lines’ primair wordt verklaard door de aanwezigheid van financiële gelegenheidsstructuren, zoals de lokale vraag naar drugs, het concurrentieniveau (National Crime Agency, 2016) en de beschikbaarheid van een ‘goedkoop’ en ‘gemakkelijk’ te rekruteren ‘wegwerpleger’ (Coomber & Moyle, 2018). Het decriminaliseren van drugsbezit kan de lokale vraag naar illegale drugs verminderen en zo de aantrekkingskracht van illegale drugsmarkten – en de daarmee geassocieerde criminele uitbuiting van minderjarigen – minimaliseren (Robinson et al., 2019).

7.4 Methodologische sterke en zwakke punten De resultaten van deze frame analyse worden representatief geacht voor de framing van slachtoffer- en daderschap van ‘county lines’ in beleidsdocumenten met betrekking tot

Engeland en Wales die gepubliceerd zijn na de totstandkoming van de MSA in 2015 tot 28 april 2022. Het is belangrijk te erkennen dat frames niet statisch zijn en dat deze veranderen over tijd (Johnston et al., 2015). Op 28 april 2022 is de Nationality and Borders Act 2022 van kracht gegaan, die de MSA uit 2015 heeft hervormd in immigratiewetgeving. De Nationality and Borders Act 2022 heeft een punitief karakter en is gebaseerd op een (betwiste) aanname dat het NRM systeem door potentiële slachtoffers wordt misbruikt (An Overview of Concerns, z.d.; Home Office, 2022c). De wet is met felle kritiek ontvangen door NGO’s, internationale organisaties, waaronder The Independent Anti-Slavery Commissioner (Hyldgaard et al., 2021). Part 5 van de wet introduceert wettelijke beperkingen ten aanzien van de identificatie van- en hulpverlening aan slachtoffers, welke volgens critici bijdragen aan de stigmatisering en criminalisering van slachtoffers, waaronder minderjarige en/of Britse slachtoffers (An Overview of Concerns, z.d.). Zo bevat deze een brede wettelijke bepaling12 die geïdentificeerde slachtoffers uitsluit van hulpverlening wanneer zij als “threat to public order” worden beschouwd (An Overview of Concerns, z.d.; Hyldgaard et al., 2021). Minderjarige slachtoffers van ‘county lines’ vallen mogelijk binnen deze bepaling, vanwege hun gepleegde strafbare feiten.

Toekomstig onderzoek kan zich richten op het analyseren van de framing van de Nationality and Borders Act 2022 het meten van diens invloed op de interpretatie van frontliniewerkers in relatie tot slachtofferschap van ‘county lines’. Een andere suggestie voor toekomstig onderzoek is de inclusie van het policy/legislative frame, dat veronderstelt dat een beleidsproblemen met adequate wet- en regelgeving opgelost kunnen worden. Het policy/legislative frame wordt gelinkt aan criminaliteitsframes, vanwege de verbondenheid van criminele en legale activiteiten (Johnston et al., 2015). Uit de analyse blijkt dat het operationaliseren van bestaand beleid vaak wordt genoemd als voorbereidende maatregel, maar er is bij het coderen geen specifiek onderscheid gemaakt tussen het preventieve of repressieve doel hiervan. Dit heeft mogelijke implicaties voor de validiteit van de bevindingen. Uit dit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat punitieve

12 Nationality and Borders Act, 2022, c. 32, cl. 63.

maatregelen voor daders relatief weinig genoemd zijn, terwijl deze populair zijn in criminaliteitsframes (bijvoorbeeld Gulati, 2011). Voor toekomstig onderzoek kan het daarom waardevol zijn om het operationaliseren van beleid sterker te koppelen aan het doel hiervan. Verder zijn in deze scriptie termen zoals ‘criminele bendes’ en ‘georganiseerde misdaad’ als synoniemen voor elkaar gebruikt, ondanks dat een kritische houding ten opzichte van het reduceren van ‘county lines’ daders tot criminele bendes en georganiseerde misdaad wordt aanbevolen. Bij het coderen zijn zowel jeugdbendes, criminele bendes en georganiseerde misdaad aangemerkt onder de noemer van ‘georganiseerde misdaad’. Dit heeft implicaties voor de validiteit van dit onderzoek, aangezien dit verschillende (complexe) fenomenen zijn die onderling kunnen verschillen in structuur, omvang en (criminele) activiteiten. Daarbij verdient opmerking dat er geen universele definities voor criminele bendes en georganiseerde misdaad bestaan, wat de meetbaarheid bemoeilijkt (Hallsworth & Young, 2008; Pennings et al., 2006). Toekomstig onderzoek dient deze termen echter helder te definiëren en operationaliseren. Tenslotte is onderbouwd waarom de gekozen onderzoeksmethode geschikt is voor de beantwoording van de onderzoeksvraag.

Daarbij zijn de purposive steekproef, de wijze van datasaturatie en de nauwkeurige documentatie van de onderzoeksmethode beschouwd als waardevolle sterke punten voor de validiteit en de betrouwbaarheid van dit onderzoek.

7.4 Concluderend Deze masterscriptie draagt bij aan de kennislacune omtrent ‘county lines’, door de framing van slachtoffer- en daderschap van criminele uitbuiting in ‘county lines’ in beleidsdocumenten inzichtelijk te maken. Daarbij zijn de implicaties en beperkingen van de geïdentificeerde frames besproken, waaruit het belang van een kritische en genuanceerde slachtoffer- en daderbenadering voortvloeit. Concluderend biedt dit onderzoek nieuwe aanknopingspunten voor evaluatieonderzoek naar de effectiviteit van ‘county lines’ beleid in relatie tot het begrip van frontliniewerkers. Om de praktische relevantie van de Britse aanpak van druggerelateerde criminele uitbuiting van minderjarigen voor de Nederlandse context te bepalen, kan het

waardevol zijn te onderzoeken of de NRM-identificatie van slachtoffers ook daadwerkelijk tot succesvolle hulpverlening leidt.

Literatuurlijst An Overview of Concerns about Part 5 of the Nationality & Borders Bill and Modern Slavery (z.d.). Helen Bamber Foundation. Geraadpleegd op 24 juni 2023, van https://www.helenbamber.org/sites/default/files/202203/Nationality%20%20Borders%20Bill%20Chapter%205%20on%20Modern%20Slav ery%20Briefing%20for%20Peers%20-%20Report%20Stage%20%28002%29.pdf Anti Trafficking and Labour Exploitation Unit (2022). Joint Briefing for the Sixth Delegated Legislative Committee debate: The draft Slavery and Human Trafficking (Definition of Victim) Regulations. Anti-Trafficking and Labour Exploitation Unit (2022). Geraadpleegd op 3 maart 2022, van https://drive.google.com/file/d/138dvWkWtm5iQXHoMk0nWsGa7A6F3zPfR/view Austin, R., & Farrell, A. (2017). Human trafficking and the media in the United States. Criminology and Criminal Justice, 1-15. doi: 10.1093/acrefore/9780190264079.013.290 Barnardo’s (2021). Exploited and Criminalised. What can the Police, Crime, Sentencing and Courts Bill do to ensure that children who are criminally exploited receive the care and support they need? Geraadpleegd op 21 februari 2023, van https://www.barnardos.org.uk/sites/default/files/202110/Exploited%20and%20Criminalised%20report.pdf Brewster, B., Robinson, G., Silverman, B. W., & Walsh, D. (2021). Covid-19 and child criminal exploitation in the UK: implications of the pandemic for county lines.

Trends in Organized Crime, 1–24. https://doi.org/10.1007/s12117-021-09442-x Bonning, J., & Cleaver, K. (2021). ‘There is no “war on drugs”’: An investigation into county line drug networks from the perspective of a London borough. Police Journal (Chichester), 94(4), 443–461. https://doi.org/10.1177/0032258X20956682 Bell, J. (2018). A Misguided Approach to Ending Modern Slavery: An Analysis of the Modern Slavery Act 2015. (Unpublished thesis). Texas State University, San Marcos, Texas. Bos, A., Loyens, K. M., Nagy, V., & Oude Breuil, B. C. M. (2016). Uitbuiting van minderjarigen in de criminaliteit in Nederland: Onderzoek naar de signalering aanpak en de samenwerking door professionals. Bouché,, V., Farrell, A., Wittmer-Wolfe, D. E. (2018). Challenging the Dominant Frame: The Moderating Impact of Exposure and Knowledge on Perceptions of Sex Trafficking Victimization. Social Science Quarterly, 99 (4), DOI: 10.1111/ssqu.12492 Bouché, V., Farrell, A., & Wittmer, D. (2016). Identifying effective counter-trafficking programs and practices in the US: Legislative, legal, and public opinion strategies that work. National Institute of Justice. Geraadpleegd op 21 februari 2023, via

https://www.ncjrs.gov/pdffiles1/nij/grants/249670.pdf<https://www.ncjrs.gov/pdffiles1/n ij/grants/249670.pdf Broad, R., Turnbull, N. (2019). From Human Trafficking to Modern Slavery: The Development of Anti-Trafficking Policy in the UK. European Journal on Criminal Policy and Research, 25, 119–133. https://doi.org/10.1007/s10610-018-9375-4 Carters-White, L., Chambers, S., Skivington, K., & Hilton, S. (2021). Whose rights deserve protection? Framing analysis of responses to the 2016 Committee of Advertising Practice consultation on the non-broadcast advertising of foods and soft drinks to children. Food Policy, 104, 102139–102139. https://doi.org/10.1016/j.foodpol.2021.102139 Chisolm-Straker, M., & Stoklosa, H. (Eds.). (2017). Human trafficking is a public health issue: A paradigm expansion in the United States. Springer. Christie, N. (1986). The ideal victim. From crime policy to victim policy: Reorienting the justice system, 17-30. Clark, C. (1987). Sympathy biography and sympathy margin. American Journal of Sociology, 93(2), 290-321. Coomber, R. (2006). Pusher myths. Re-Assessing the Drug Dealer. Coomber, R. and Moyle, L. (2012). A Rapid Appraisal of the Illicit Drug Market in Southendon-Sea-on-Sea, Essex. Full Report. Plymouth University, Drug and Alcohol Research Unit Coomber, R., & Moyle, L. (2018).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14689585/1