notitie procesrechtelijke aspecten Urgenda d.d. 4 juli 2024
Tekst van het document
MEMO
AAN
Forum voor Democratie (FVD) Mr. A. van Schijndel
VAN
Advocaat TELEFOON E-MAIL
DATUM
ONDERWERP
4 juli 2024
Nadine Groeneveld
WEBSITE
+31 88 253 5908 ngroeneveld@akd.nl www.akd.nl
notitie procesrechtelijke aspecten Urgenda
1
INLEIDING
1.1
In deze notitie ga ik in op de aan AKD voorgelegde vraag welke procesrechtelijke aspecten relevant zijn als de Staat een nieuwe procedure tegen Urgenda zou starten (al dan niet in reconventie) waarin de Staat zou vorderen te verklaren voor recht dat de Urgenda-uitspraak1 onrechtmatige rechtspraak oplevert respectievelijk ongrondwettig is.
2
GEZAG VAN GEWIJSDE
2.1
Ratio
2.1.1
Het gezag van gewijsde (art. 236 Rv) kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, NJ 2022/129).
2.1.2
De beslissing in de eerdere procedure moet dezelfde rechtsbetrekking betreffen die in de latere procedure aan de orde is.
2.1.3
Het enkele feit dat een uitspraak gebaseerd is op een onjuiste rechtsopvatting of onjuiste feitelijke grondslag, ontneemt de uitspraak niet haar bindende werking. Zie daarover Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/140:
1
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006. In Nederland wordt de praktijk uitgevoerd door AKD N.V., statutair gevestigd in Rotterdam (ingeschreven in het handelsregister onder nummer 24366820). Alle diensten en (andere) werkzaamheden worden verricht uit hoofde van een overeenkomst van opdracht met AKD N.V. Op de overeenkomst zijn, onder uitsluiting van enige andere algemene voorwaarden, de algemene voorwaarden van AKD N.V. van toepassing die zijn gedeponeerd ter griffie van de rechtbank te Rotterdam onder nummer 22/2023 en waarin onder meer een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen. Iedere aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag dat in het desbetreffende geval onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitbetaald met inbegrip van het bedrag van het eigen risico. Op verzoek worden de algemene voorwaarden kosteloos toegezonden. Zij kunnen ook worden geraadpleegd op https://www.akd.eu/.
#60865381v1 #60865381v 1
pagina 1 van 6
“Die beslissingen bevatten de juridische waarheid (res iudicata pro veritate accipitur). De regel dat het voorwerp van een beslissing die gezag van gewijsde heeft, tussen partijen niet nogmaals het voorwerp van een procedure kan worden, geldt daarom ook als na die beslissing blijkt dat ze op onjuiste feiten of een verkeerde rechterlijke interpretatie berust. Sterker nog: juist omdat het een gegeven is dat in rechterlijke uitspraken soms beslissingen staan die feitelijk of rechtens onjuist zijn, is het gezag van gewijsde noodzaak. Als rechterlijke uitspraken per definitie juist waren, zou van een herhaling van de rechtsstrijd niets te vrezen zijn. Er zou geen behoefte zijn aan een nieuwe procedure, die dan immers alleen tot de bevestiging van het eerdere verlies en de eerdere winst zou kunnen leiden. Maar de werkelijkheid is anders; juist daarom heeft een partij soms behoefte aan – en groot belang bij – een nieuwe procedure. Daar staat tegenover dat procespartijen aan art. 6 EVRM het recht ontlenen dat het rechterlijke oordeel dat in hun geschil onherroepelijk is geveld, niet meer ter discussie kan worden gesteld. Als de rechtsmiddelen waarmee het rechterlijk oordeel kon worden bestreden, zijn uitgeput, houdt het voor de verliezende partij dan ook op. (…) Het gezag van gewijsde hangt samen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
Het helpt voorkomen dat er tegelijkertijd twee tegenstrijdige beslissingen over hetzelfde onderwerp van geschil bestaan en beschermt de partij die door de beslissing is gebaat.” 2.2
Objectieve omvang van het gezag van gewijsde
2.2.1
Zie met betrekking tot de objectieve omvang van het gezag van gewijsde eveneens Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/148: “Art. 236 lid 1 Rv beperkt het gezag van gewijsde niet tot beslissingen die in het dictum van het vonnis staan. Integendeel, ook in het kader van het gezag van gewijsde moet het dictum worden gelezen in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid. Het gezag van gewijsde strekt zich dus uit – net zoals thans ook in het Duitse en Belgische recht en het Unierecht wordt aanvaard – tot de eindbeslissingen die in het lichaam van het vonnis staan en de uiteindelijke beslissing mede dragen.
#60865381v1 #60865381v 1
pagina 2 van 6
Niet vereist is dat de beslissing in de eerste procedure een geschilpunt betreft dat toen centraal stond of overheersend was. Het gaat erom dat de beslissing in de eerste procedure in de weg staat aan een nieuw oordeel over de rechtsbetrekking dat in de andere procedure wordt gevraagd, in die zin dat dit nieuwe oordeel zou kunnen leiden tot een vonnis dat zich naar de uitkomst niet met het eerdere vonnis verdraagt. Dat betekent in het algemeen dat in een tweede procedure niet, ook niet impliciet, hetzelfde feitencomplex op een andere juridische grondslag of hetzelfde juridische vraagstuk op een andere feitelijke grondslag ter discussie kan worden gesteld. Als een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst is afgewezen omdat het verweer dat de overeenkomst nietig is, werd gehonoreerd, kan in een nieuwe procedure dus niet een nieuwe vordering op grond van diezelfde overeenkomst worden toegewezen. Maar als de vordering werd toegewezen, is heel wel denkbaar dat in een nieuwe procedure een vordering die is gebaseerd op een andere verbintenis uit diezelfde overeenkomst, wordt afgewezen.
Als een vordering tot schadevergoeding wegens de niet-nakoming van een contractuele verbintenis wordt afgewezen op de grond dat van een toerekenbare tekortkoming niet is gebleken, staat die afwijzing niet in de weg aan de toewijzing in een volgend geding van een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst wegens dwaling. Maar als in de eerste procedure een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst werd toegewezen, kan in een nieuwe procedure geen vernietiging van de overeenkomst wegens bedrog meer worden gevorderd, omdat de toewijzing van de vordering in de eerste procedure noodzakelijkerwijs berust op de beslissing dat partijen een geldige overeenkomst hebben gesloten. Daarom is de vordering in de nieuwe procedure evenmin toewijsbaar als het gestelde bedrog berust op andere feiten dan die welke aan het beroep op de tekortkoming ten grondslag waren gelegd.” [onderstrepingen toegevoegd] 2.2.2
Verder wijs ik nog op implicaties van het unierecht voor het gezag van gewijsde. Zie daarover De Bruin, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 236 Rv, aant. 10: “Het HvJ EU heeft herhaaldelijk uitgesproken dat het EU-recht niet afdoet aan nationale regels van kracht en gezag van gewijsde, wat wel wordt aangeduid met de latijnse term 'res judicata'. Niettemin heeft het HvJ in enkele gevallen toch grenzen gesteld door te oordelen dat het gezag van gewijsde in een bepaalde casus niet mocht worden toegepast. Zie o.a. HvJ 18 juli 2007, C-119/05 (Lucchini) en HvJ EU 11 november 2015, C505/14, ECLI:EU:C2015:742 (Klausner Holz Niedersachsen GmbH/Land NordrheinWestfalen). Dit lijken tamelijk specifieke gevallen te betreffen, in het bijzonder met betrekking tot staatssteun. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/154.”
2.2.3
Zie dus ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/154: “Zowel het Europese Hof van Justitie als het Europese Hof voor de Rechten van de Mens onderkent het belang van het gezag van gewijsde zowel in de communautaire rechtsorde als in de nationale rechtsordes: om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht. Het unierecht gebiedt de Nederlandse rechter dan ook niet om art. 236 lid 1 Rv buiten toepassing te laten als hij
#60865381v1 #60865381v 1
pagina 3 van 6
daardoor een schending van het unierecht zou kunnen opheffen. Maar het unierecht verzet zich wél tegen de toepassing van het gezag van gewijsde voor zover het in de weg staat aan de terugvordering van staatssteun die in strijd met het unierecht is verleend en waarvan de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt bij een definitief geworden beschikking van de Commissie is vastgesteld. En als aan het gezag van gewijsde een zo royale omvang wordt toegekend – zoals in Italië aan art. 2909 Codice civile – dat het belet dat voor de toekomst een vaststelling betreffende een gemeen fundamenteel punt opnieuw in twijfel wordt getrokken en daarmee tot gevolg heeft dat de in de definitief geworden rechterlijke uitspraak met het unierecht strijdige uitlegging van de unievoorschriften voor de toekomst wordt herhaald zonder dat deze onjuiste uitlegging kan worden bijgestuurd, dan wordt deze uitlegging van het gezag van gewijsde niet redelijkerwijs gerechtvaardigd door het rechtszekerheidsbeginsel en moet zij in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel worden geacht. Ook dan gebiedt het unierecht de nationale rechter dus om het gezag van gewijsde niet toe te passen.” 2.3
Staatsaansprakelijkheid en gezag van gewijsde
2.3.1
In zijn dissertatie over rechterlijke aansprakelijkheid in Nederland stelt Reijntjes 2: “Tot 2009 was duidelijk wanneer schadevergoeding voor onrechtmatige rechtspraak in Nederland mogelijk was. Er waren twee gronden. De eerste grond is schending van fundamentele rechtsbeginselen in de voorbereiding van een oordeel in laatste instantie, oftewel een oneerlijk proces, gebaseerd op het Hotel Jan Luyken-arrest van 1971 en latere jurisprudentie over trage rechtspraak. De beperkte leer van Hotel Jan Luyken is veel bekritiseerd, maar niet onduidelijk. De tweede grond is een gekwalificeerde schending van EU-recht. De omstandigheden waarin dit het geval kan zijn, zijn ook relatief duidelijk opgesomd door het Hof van Justitie. Hoewel er door het bestaan van deze twee verschillende gronden geen uniforme regeling bestond, was er eigenlijk geen grote twijfel over de gevallen waarin schadevergoeding wegens onrechtmatige rechtspraak mogelijk was. Door het in 2009 gewezen Greenworldarrest is die twijfel er nu wel. Verschillende auteurs menen dat de Hoge Raad is omgegaan, anderen vinden dat Hotel Jan Luyken nog steeds leidend is. Greenworld is een oordeel over de aansprakelijkheid van arbiters. In dat oordeel betrekt de Hoge Raad aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak.
Doordat arbitrage het onderwerp van het geschil is, gaat de Hoge Raad maar beperkt in op onrechtmatige overheidsrechtspraak. Mede hierdoor bestaat in de literatuur geen eensgezindheid over de gevolgen van Greenworld voor het leerstuk van onrechtmatige rechtspraak.”
2.3.2
Voor de verhouding tussen staatsaansprakelijkheid en het gezag van gewijsde verwijs ik naar Fruytier, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 382 Rv, aant. 13.4:
2
M.W.J. Reijntjes, Aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak: Een rechtshistorisch en -vergelijkend onderzoek (diss. Groningen), nr. 441.
#60865381v1 #60865381v 1
pagina 4 van 6
“Toepasselijk is de overweging onder 39 van het Hof van Justitie in de zaak Köbler/Oostenrijk: "De erkenning van het beginsel van staatsaansprakelijkheid voor beslissingen van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie heeft op zich niet tot gevolg dat het gezag van gewijsde van dergelijke beslissingen wordt aangetast. Een procedure tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de staat heeft niet hetzelfde voorwerp en niet noodzakelijkerwijs dezelfde partijen als de procedure die tot de in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft geleid. In een schadevergoedingsactie tegen de staat verkrijgt de verzoeker namelijk, indien hij in het gelijk wordt gesteld, de veroordeling van de staat om de geleden schade te vergoeden, maar niet noodzakelijkerwijze de opheffing van het gezag van gewijsde van de rechterlijke beslissing die de schade heeft veroorzaakt. In ieder geval vereist het beginsel van staatsaansprakelijkheid, dat inherent is aan de communautaire rechtsorde, een dergelijke vergoeding, maar niet een herziening van de rechterlijke beslissing die de schade heeft veroorzaakt."3 [onderstreping toegevoegd] 3
VERKLARING VOOR RECHT
3.1.1
Art. 3:302 BW bepaalt dat de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreekt. Art. 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt.
3.1.2
De categorie ‘onmiddellijk betrokken persoon’ uit art. 3:302 BW valt niet samen met de in art. 3:303 BW bedoelde persoon die belang bij de rechtsvordering moet hebben. Iemand die belang heeft bij de rechtsvordering is niet steeds een onmiddellijk daarbij betrokken persoon in de zin van art. 3:302 BW. Zie daarover o.a. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/64: “Omdat de verklaring voor recht het al dan niet bestaan van een rechtsverhouding vaststelt of de inhoud van een rechtsverhouding preciseert, moet de vordering tot verklaring voor recht, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zijn ingesteld door of tegen allen die onmiddellijk bij de rechtsverhouding zijn betrokken. In HR 22 januari 1993, NJ 1994/734 (Staat/Stichting Herwaardering Pensioenen NSB-Kamerleden) werd daarom de stichting die in een procedure tegen de Staat een verklaring voor recht vroeg met betrekking tot een pensioenbeschikking ten gunste van de weduwe van NSB’er en Kamerlid Rost van Tonningen, in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De stichting was bij de rechtsverhouding tussen de Staat en weduwe Rost van Tonningen niet onmiddellijk betrokken noch had zij in de procedure ook weduwe Rost van Tonningen zelf gedagvaard.”
3
Zie in vergelijkbare zin M.W.J. Reijntjes, Aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak: Een rechtshistorisch en -vergelijkend onderzoek (diss. Groningen), nr. 428: “Het hof stelt dat staatsaansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak geen afbreuk doet aan het gezag van gewijsde. De oorspronkelijke beslissing kan immers blijven bestaan. De partijen bij de aansprakelijkheidsprocedure zijn ook niet dezelfde als die bij het oorspronkelijke geschil.”
#60865381v1 #60865381v 1
pagina 5 van 6
3.1.3
In mijn dissertatie heb ik – onder verwijzing naar Duitse rechtspraak en literatuur –betoogd dat aan het vereiste uit art. 3:302 BW kan zijn voldaan als de verklaring voor recht betrekking heeft op een andere rechtsverhouding en die andere rechtsverhouding voor de rechtsverhouding tussen procespartijen bepalend is.4 Maar bij mijn weten heeft de Hoge Raad zich hierover nog niet expliciet uitgelaten. Daar komt bij dat ook in zo’n geval de verklaring voor recht gericht zal moeten zijn op een rechtsgevolg tussen de procespartijen.5 Vgl. in dit verband ook de zogenaamde congruentieeis bij het rechterlijk bevel en verbod.6 Die eis komt erop neer dat alleen dat waartoe een rechtsplicht bestaat, afgedwongen mag worden, niet meer. Zie ook Van der Helm, Het rechterlijk bevel en verbod (BPP nr. 19) 2019/16.
4
ANALYSE
4.1
Op grond van het voorgaande is mijn inschatting dat het risico vrij groot is dat een verklaring voor recht jegens Urgenda over aansprakelijkheid van de Staat voor onrechtmatige rechtspraak afstuit op de implicaties van het Köbler-arrest (2.3.2) en/of het vereiste van onmiddellijke betrokkenheid ex art. 3:302 BW.
4.2
Ook als een verklaring voor recht met betrekking tot ongrondwettigheid zou worden gevorderd jegens Urgenda, loopt de Staat vermoedelijk aan tegen het vereiste van de onmiddellijke betrokkenheid en/of het gezag van gewijsde. Voor wat betreft dat laatste merk ik op dat dit geldt tenzij voor ‘ongrondwettigheid’ – analogisch – een beroep zou kunnen worden gedaan op de uitzondering als beschreven in 2.2.2 en 2.2.3 hiervoor.
4.3
Voor wat betreft een eventuele nieuwe vordering van Urgenda jegens de Staat, merk ik op dat het afhankelijk is van de insteek, of Urgenda voor toewijzing van de vordering een beroep kan doen op het gezag van gewijsde (de zogenaamde positive Bindungswirkung7). Of een bepaalde overweging meebrengt dat een nieuwe vordering op de eerdere dragende overwegingen kan worden toegewezen, is een kwestie van uitleg.8 Afhankelijk van de door Urgenda gekozen insteek zou de Staat in haar verweer op de vordering kunnen betogen dat dragende beslissingen uit de eerdere uitspraak niet aan afwijzing van de nieuwe vordering in de weg staan.
4
Zie N.E. Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/31.
5
Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/64: “Maar ook degene die vordert te verklaren voor recht dat een aanrijding tot schade heeft geleid of dat een publieke uitlating onjuist is, loopt het risico dat hij in zijn vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat onvoldoende duidelijk is welk rechtsgevolg aan een dergelijke verklaring kan worden verbonden.
6
W.Th. Nuninga, ‘Recht, plicht, bevel, verbod’, NTBR 2018/21.
7
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/140.
8
Zie ook HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, JPBr 2021/13: “Het Antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust.
#60865381v1 #60865381v 1
pagina 6 van 6