Nota van beantwoording inspraak advies beleidkader woonwagens 22 juni 2023 (na behandeling B&W - definitief).pdf
Tekst van het document
Nota van beantwoording advies & inspraak beleidskader Woonwagens en standplaatsen 2022-2026
Versie: 22 juni 2023
1
Inhoudsopgave 0. Inleiding 1. Beperkte aanpassing van het beleidskader Woonwagens en standplaatsen 2023 2. Hoe is het beleidskader Woonwagens en standplaatsen opgesteld? 3. Aanpassingen van het beleidskader – antwoord van het college per thema 3.1. Achtergrond en onderzoek 3.1.1. Aanleiding 3.1.2. Woonwagens en woonwagenbeleid in Amsterdam 3.2. Uitgangspunten beleidskader 3.3. Standplaatsen in Amsterdam 3.3.1. Uitbreiding van het aantal standplaatsen 3.3.2. Berekening toekomstige behoefte standplaatsen 3.3.3. Realisatie van standplaatsen en zoekopdracht naar nieuwe locaties 3.4. Inschrijfregister en het toewijzen van standplaatsen 3.5. Beschikbaarheid van huurwagens 3.6. Erfpacht 3.7. Caravan als woonvorm 3.8. Handhaving, beheer en onderhoud 3.9. Beheer en woningcorporaties (incl. advies AFWC) 4. Adviezen stadsdelen 5. Uitvoeringsagenda en onderzoeksagenda
2
0. Inleiding Voor u ligt de Nota van beantwoording inspraak & advies beleidskader woonwagens en standplaatsen 2022-2026. In deze nota reageert het college van B&W (hierna: het college) op de drie binnengekomen inspraak reacties van Woonwagenbelangen Amsterdam (WWBA), Woonwagenbelangen Nederland en de Amsterdamse federatie voor Woningcorporaties (AFWC) en het advies van de stadsdelen. In het beleidskader staat de woonwagenbewoner centraal. Inwoners van Amsterdam die jarenlang onvoldoende gezien zijn en die strijden om in de toekomst een volwaardige plek in Amsterdam te hebben waar ze in familieverband kunnen wonen en leven. Op welke wijze de gemeente Amsterdam hier gehoor aangeeft staat in het nieuwe beleidskader woonwagens en standplaatsen 2023. Heel belangrijk hierin is de trendbreuk met het verleden. Waar de afgelopen jaren het netto aantal standplaatsen in Amsterdam is afgenomen, moet hier de komende decennia verandering in komen. Het realiseren van het nieuwe standplaatsen is dan ook een belangrijk onderdeel van het beleidskader. Dit beleidskader volgt o.a. op het landelijk kader dat in juni 2018 door het ministerie van BZK is gepubliceerd en mede als richtlijn dient voor het Amsterdamse woonwagenbeleid. Vanwege de impact van het beleidskader is de mening van de woonwagendoelgroep en andere betrokkenen als de corporaties van belang.
Van 16 maart tot 2 mei 2022 konden dan ook zienswijzen worden ingediend. Ook de stadsdelen is om advies gevraagd, zij hadden tot 25 mei 2022 de gelegenheid om hun advies in te dienen. Daarnaast hebben we vanuit de gemeente Amsterdam een expertmeeting georganiseerd om over enkele onderwerpen die in de inspraak centraal staan van gedachten te wisselen. Hiervoor waren gemeente Utrecht, Rotterdam, Apeldoorn, Eindhoven, en Enschede uitgenodigd. Dit samen met drie zelfstandigen die als adviseur gemeenten door heel het land ondersteunen met het opstellen en uitvoeren van woonwagenbeleid. Het resultaat van de expertmeeting is betrokken bij de afwegingen die in deze notitie zijn gemaakt. Tevens is er in het vierde kwartaal 2022 een opdracht uitgezet voor een advies vanuit de UvA. Nu dit advies in februari 2023 er is, start de besluitvormingsprocedure rond het beleidskader woonwagens en standplaatsen 2023 en de nota van beantwoording van de inspraak.
1.
Beperkte aanpassing van het beleidskader Woonwagens en standplaatsen 2023
Het beleidskader woonwagens en standplaatsen 2023 is een visie waarin op de belangrijkste onderwerpen – uitbreiding standplaatsen, erfpacht, bergingen en huuropstal, etc. uitgangspunten en beleidsvoornemens staan geformuleerd. Het beleidskader is nog geen uitvoeringsplan. Enkele beleidsvoornemens zullen nader moeten worden onderzocht hoe deze in te vullen, inclusief de ruimtelijke gevolgen en de benodigde financiële investeringen. Ook dienen ze qua uitvoering nog in de tijd te worden gezet. We volgen dan ook het advies van Woonwagenbelangen Amsterdam (hierna: WWBA) om het beleidskader gepaard te laten gaan met een onderzoeks- en uitvoeringsagenda 2023-2026. Hiertoe hebben we in het aangepaste beleidskader Woonwagens en standplaatsen 2023 een eerste aanzet gegeven. Ook worden er afspraken met WWBA gemaakt over hun betrokkenheid bij de uitwerking van deze onderzoeks- en uitvoeringsagenda 2023-2026.
3
2. Hoe is het beleidskader Woonwagens en standplaatsen opgesteld? Het beleidskader woonwagens en standplaatsen 2023 is tot stand gekomen na diverse overleggen met WWBA die hierbij ondersteund wordt door !WOON. Verder is het beleidskader het antwoord op twee gekwalificeerde adviezen van WWBA (juni 2018 en juni 2020) en het onderzoek Wensen en behoeften rondom standplaatsen en woonwagens in Amsterdam (maart 2020). Tevens is er tussen WWBA (in aanwezigheid van !WOON) en de wethouders Wonen en Diversiteit in de maanden december 2021 en januari 2022 – voorafgaand aan de behandeling van het beleidskader in B&W – overleg geweest over het beleidskader. Concreet is het beleidskader na deze overleggen op verzoek van WWBA qua omvang aangepast. Dit betekent dat het aantal onderwerpen in het beleidskader is teruggebracht en niet alle onderwerpen die in de gekwalificeerde adviezen van WWBA staan in het beleidskader aan de orde komen. Tevens is inhoudelijk middels een brief van de wethouders Wonen en Diversiteit gereageerd op de standpunten van WWBA op de volgende onderwerpen: uitbreiding van het aantal standplaatsen, standplaatsen uitgeven in erfpacht, de caravan als woonvorm, toewijzingsregels en het beheer van standplaatsen.
Op basis van de inspraakreactie van WBBA en het verzoek van de ombudsman metropool Amsterdam heeft de wethouder in december 2022 opdracht gegeven aan de Hoogleraar Prof. dr. Y.M. Donders van de Universiteit van Amsterdam om op twee onderwerpen - Erfpacht en Caravan als woonvorm - een advies te geven in relatie tot het mensrechtelijke kader. Ook dit advies dat op 23 februari 2023 is verschenen, is medebepalend voor de beleidskeuzes die in het beleidskader staan verwoord. Ook heeft de Omgevingsdienst NZKGB in de periode september – november 2022 januari 2023 onderzocht wat de juridische ruimte is binnen de regels van het omgevingsrecht om eventueel het wonen in caravans om en nabij een standplaats mogelijk te maken. Als laatste heeft op 7 juni 2023 tussen WWBA en wethouder Wonen een gesprek plaatsgevonden waarin tot de gezamenlijk conclusie is gekomen dat, ondanks dat nog niet alle antwoorden er zijn, het beleidskader een eerste aanzet is die voldoende vertrouwen geeft om tot een hernieuwde samenwerking te komen. Hierin is de uitvoerings- en onderzoeksagenda een belangrijk instrument om deze volgende stap te zetten. Waarbij het heel belangrijk is dat er op korte termijn een uitbreiding van het aantal standplaatsen in Amsterdam komt.
Verder is het belang van de directe betrokkenheid van de afdeling Diversiteit bij de woonwagendoelgroep benadrukt en zal dit ook tot uiting komen in het nieuwe beleidskader antidiscriminatie en de specifieke aandacht voor de Roma en Sinti. Tevens zal de afdeling Diversiteit direct betrokken zijn bij het komen tot voorstellen waar het gaat over onder andere onderwerpen als toewijzingsbeleid van standplaatsen en de caravan als woonvorm die op de onderzoeks- en uitvoeringsagenda 2023-2026 staan.
3. Aanpassingen van het beleidskader – antwoord van het college per thema 3.1.
Achtergrond en onderzoek
3.1.1. Aanleiding Het college erkent het belang van het creëren van voldoende standplaatsen voor de woonwagendoelgroep nu en in de toekomst. Jarenlang is hier onvoldoende ruimte voor geweest. 4
Het is hierbij wel van belang om de context te schetsen waarbinnen deze complexe opgave dient te worden gerealiseerd. Hoe kunnen we op redelijke wijze en gezien de schaarse ruimte hier vorm aangeven. Dit heeft ook implicaties voor de omvang van de standplaatsen of het maximumaantal te plaatsen woonwagens op een locatie. Daarom handhaaft het college de zinsnede ‘met de restricties die horen bij het wonen in Amsterdam met haar schaarste aan ruimte, de grote vraag naar woonruimte en de diversiteit aan doelgroepen’. 3.1.2. Woonwagens en woonwagenbeleid in Amsterdam WWBA doet bij haar inspraak het verzoek om twee ingezette beleidsrichtingen te wijzigen. Aan beide kan en zal het college van B&W helaas niet tegemoetkomen. Het eerste verzoek van WWBA is om als gemeente af te zien van de toepassing van het landelijk puntenstelsel voor de vaststelling van de maximaal redelijke huur voor woonwagens en standplaatsen. Het bezwaar van WWBA is dat de gemeente 100% van de maximaal redelijke huur in rekening wilde brengen en heeft gebracht. Daarnaast ziet de WWBA het systeem en de aangehouden maten als verouderd. De gemeente is voor de vaststelling van de maximaal redelijke huur voor woonwagens en standplaatsen gehouden aan het puntenstelsel (Woningwaarderingsstelsel - WWS). Bij de toepassing door de gemeente zijn in 2015 de huren niet tot 100% van de maximaal redelijke huur verhoogd.
Uitsluitend voor de nieuwe verhuringen van standplaatsen is dit het geval. Het tweede verzoek van WWBA betreft het terugdraaien van de huuropstalregeling. Met een huuropstalcontract krijgen nieuwe huurders van een standplaats het recht om een opstal (berging) te plaatsen of indien er reeds een opstal op de standplaats staat deze in beheer te nemen. Hiermee is men ook verantwoordelijk voor het onderhoud. Aan de bestaande huurders die een huuropstalregeling wensen, is deze aangeboden. Nieuwe huurders van bestaande standplaatsen krijgen altijd een huuropstalregeling aangeboden en nieuwe huurders van nieuwe standplaatsen realiseren zelf hun berging en regelen ook hun eigen omgevingsvergunning. In tegenstelling tot hetgeen WWBA aangeeft vormt het Bouwbesluit geen belemmering voor de uitvoering van de huuropstalregeling. Voor het college is er daarom ook geen reden om deze regeling te herzien. 3.2. Uitgangspunten beleidskader WWBA doet een tweetal voorstellen om de uitgangspunten voor het beleidskader te wijzigen. Het college is akkoord met de eerste voorgestelde wijzing. Het college kan gedeeltelijk meegaan in de zienswijze van WWBA. Dat permanente (dus geen gedoogde of tijdelijke) standplaatsen die om welke redenen dan ook verdwijnen, dienen te worden gecompenseerd.
Ook erkent het college dat het aantal standplaatsen in Amsterdam netto gezien is afgenomen en dat op korte termijn een uitbreiding van standplaatsen dient plaats te vinden. Dit betekent dat het voorbehoud ‘behoudens enkele uitzonderlijke omstandigheden’ in het uitgangspunt wordt verwijderd. Daarnaast worden in het geformuleerde uitgangspunt de woorden gewijzigd van ‘het aantal standplaatsen wordt niet afgebouwd’ in ‘het bestaande aantal standplaatsen wordt uitgebreid’. Het college is niet akkoord met de tweede wijziging die WWBA voorstelt. De realisatie van nieuwe standplaatsen is geen op zichzelf staand uitgangspunt, maar volgt uit het principe dat de wachttijd voor een standplaats niet langer is dan de wachttijd voor een sociale huurwoning. Daarbij komt het volgende. Het landelijk beleidskader gemeentelijk woonwagen en standplaatsen (juni 2018) is een richtlijn voor het opstellen van gemeentelijk beleid. De ‘proof of the pudding’, is echter in de lokale 5
toepasbaarheid. Dit geldt ook voor de gemeente Amsterdam. Het beleidsvoornemen uit het landelijke beleidskader - dat de wachttijd voor een standplaats niet langer is dan de wachttijd voor een sociale huurwoning – wordt in principe overgenomen, maar het is nog te bezien of de gemeente Amsterdam aan dit beleidsvoornemen kan voldoen. De zoektocht naar ruimte voor nieuwe standplaatsen/woonwagenlocaties moeten dit uitwijzen. Hierop is van tevoren geen zekerheid te geven.
3.3.
Standplaatsen in Amsterdam
3.3.1. Uitbreiding van het aantal standplaatsen De uitbreiding van het aantal standplaatsen is het kernthema van het beleidskader. Het is dan ook terecht dat WWBA hiervoor veel aandacht vraagt. Het college erkent het standpunt van WWBA dat het aantal standplaatsen in Amsterdam de afgelopen decennia is afgenomen. De gemeente is echter van mening dat er geen sprake is geweest van stelselmatig uitsterfbeleid en dat in juridische zin de gemeente bij het opheffen van de (tijdelijke) standplaatsen zonder een huurcontract en met een gebruikersovereenkomst correct heeft gehandeld. De excuses die WWBA hiervoor wenst, vult het college van B&W dan ook op een andere wijze in. Namelijk door te erkennen dat er in Amsterdam vanuit de gemeente de afgelopen jaren te weinig aandacht is geweest voor de woonwagendoelgroep en ook voor de opgave om nieuwe standplaatsen voor de woonwagenbewoners aan te leggen. Het college erkent dat woonwagenbewoners door de gemeente niet voldoende gezien zijn en wil met het nieuwe beleidskader een nieuwe start maken om dat te veranderen. 3.3.2. Berekening toekomstige behoefte standplaatsen Zoals WBBA aangeeft gaat het niet over de absolute aantallen aan standplaatsen waarover Amsterdam nu beschikt ten opzichte van andere gemeenten, maar zijn het de demografische ontwikkelingen die de behoefte aan nieuwe standplaatsen bepalen.
Dit is precies wat gedaan is om de nieuwe behoefte aan standplaatsen voor de periode 2020-2035 te bepalen. Zo is er een analyse gemaakt van de wachtlijst, het aantal inwonende kinderen (eerste graad) bij de hoofdhuurder en het moment dat ze 18 jaar worden en van het aantal standplaatsen die vrijvallen door overlijden, verhuizen of huuropzegging. Vervolgens is een redelijke wachttijd aangehouden en bepaald hoe groot de behoefte is aan extra standplaatsen de komende jaren. Hierbij is ook rekening gehouden met standplaatsen met huurcontracten die door ruimtelijke ontwikkelingen zijn komen te vervallen en dienen te worden gecompenseerd. Uiteindelijk gaat om een behoefte aan 78 nieuwe standplaatsen en 10 nieuwe werkvakken in de periode 2022-2035. Indien we ook rekening houden met de 8 standplaatsen die in de afgelopen 20 jaar opgeheven en niet gecompenseerd zijn, dan komt de totale behoefte uit op 86 nieuwe standplaatsen tot 2035. 3.3.3. Realisatie van standplaatsen en zoekopdracht naar nieuwe locaties WWBA dringt in haar inspraakreactie aan op de realisatie van 55 standplaatsen binnen drie jaar om hiermee de - volgens WWBA - verdwenen standplaatsen te compenseren en uit te breiden. Het college erkent de behoefte aan de uitbreiding van het aantal standplaatsen en past het beleidskader op twee punten aan.
Allereerst onderkent het college de behoefte aan uitbreiding van het aantal standplaatsen op korte, middellange en lange termijn. Om de mogelijkheden te onderzoeken waar en in welke tempo het mogelijk is standplaatsen te realiseren, zet het college zoekopdrachten naar nieuwe woonwagenlocaties uit. Het gaat hierbij om een zoekopdracht naar nieuwe locatie(s) voor de 6
geraamde behoefte aan in totaal 37 standplaatsen op korte termijn, 22 standplaatsen op de middellange termijn (2026-2030) en 27 standplaatsen op de lange termijn (2030-2035). Specifieke aandacht gaat uit naar de werkvakken voor de doelgroep kermis- en circusexploitanten. De vraag is of de werkvakken, gezien hun ruimtebeslag, nog in combinatie met een woonvak binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam zijn te realiseren. Op het moment dat er potentiële locaties worden gevonden, zal over het al dan niet realiseren van de woonwagen op deze potentiële locatie en het desgewenst beschikbaar stellen van de bijbehorende financiële middelen een besluit in de vergadering van B&W en de gemeenteraad volgen. Zoals in het beleidskader staat beschreven zal de ruimte voor nieuwe locaties binnen de gemeentegrens ook moeten worden afgewogen tegen andere doelgroepen die wachten op woonruimte en andere functies die ruimte nodig hebben, niet alleen woningbouw of bedrijfsruimten maar ook bijvoorbeeld sportvoorzieningen en groen. Het gaat bij het uitbreiden van het aantal standplaatsen dan ook uitdrukkelijk ook om een beleidsvoornemen en geen verplichting. Uit de zoekopdrachten zal moeten blijken of binnen de gemeentegrenzen aan de behoefte van nieuwe standplaatsen kan worden voorzien, maar de intentie is om zoveel mogelijk aan deze wens tegemoet te komen binnen wat mogelijk is.
Naast de zoekopdracht voor de middellange en lange termijn lopen er op dit moment al twee acties voor de uitbreiding van het aantal standplaatsen op de korte termijn (2023-2025). Zo wordt op dit moment ingezet op de in- en uitbreiding van het aantal standplaatsen op bestaande locaties. Hiermee zullen naar verwachting op korte termijn minimaal 10 tot 15 nieuwe standplaatsen zijn te realiseren en hiervoor zijn middelen gereserveerd. Verder is er de zoekopdracht naar maximaal 8 woonvakken en 7 pakvakken voor de verplaatsing van de kermisexploitanten van het Zeeburgereiland voor 2025 ten behoeve van gebiedsontwikkeling in de Baaibuurt. Dit betreft de uitvoering van de op 2 november 2021 in het college vastgestelde Bestuursopdracht Ruimtelijk Kader Zeeburgereiland. 3.4. Inschrijfregister en het toewijzen van standplaatsen In overleg met WWBA wordt gewerkt aan een mogelijke aanpassing van de toewijzingsregels met ingang van 1 januari 2025. Twee wensen zijn door WWBA geuit. Als eerste de wens om na het overlijden van de langstlevende hoofdhuurder de standplaats en de eigen wagen die hierop staat aan een familielid in de eerste of tweede graad te kunnen doorgeven. De tweede – door WWBA geuite - wens is het bij de KET-doelgroep loslaten van het nu door directie Vastgoed gehanteerde toewijzingsprincipe dat 70 % van de inkomsten uit kermis- en circusambachten moet worden gewonnen.
Beide wensen zullen in een bredere context worden geplaatst en gewogen en staan daarom op de onderzoekagenda. De verdere verzoeken van WWBA om het derde, vierde en vijfde tekstblok op pagina 4 van het beleidskader te verwijderen worden gehonoreerd. Dit geldt ook voor de toevoeging van de zinnen “De toewijzing van standplaatsen in Amsterdam geschiedt volgens regels die door de gemeenteraad worden vastgesteld” en “De huidige regels zijn opgenomen in bijlage 1”. Het is wel belangrijk om hier melding te doen van het feit dat het huidige toewijzingsbeleid voldoet aan het criterium om als gemeente bij de toewijzing van standplaatsen het leven in familieverband te faciliteren en stimuleren. Een belangrijk onderwerp met betrekking tot de culturele identiteit van de woonwagendoelgroep. Zo worden vrijgekomen standplaatsen als eerste 7
aangeboden aan bewoners die hebben aangegeven (mogelijk) op de locatie te willen doorstromen en een standplaats op de locatie achterlaten en als tweede aan de inwonende kinderen (starters) op de locatie die op de wachtlijst staan en hierbij wordt de datum van inschrijving aangehouden. Kortom de aanbieding voor de standplaats gaat allereerst naar bewoners en starters die met hun familie op de locatie wonen. 3.5. Beschikbaarheid van huurwagens Het college staat positief ten opzichte van het verzoek om duidelijkheid te verkrijgen over de voorwaarden voor de verkoop van een huurwagen aan de huurder. Dit past bij het onderzoeken of huur-koopregelingen onderdeel kunnen zijn van het woonwagenbeleid en het ondersteunen van starters in hun wooncarrière. 3.6. Erfpacht De gemeente Amsterdam maakt zowel in het inschrijfregister als bij de toewijzing van standplaatsen geen onderscheid tussen woonwagenbewoners die veel verdienen of die weinig verdienen. Amsterdam heeft alleen huurstandplaatsen en iedereen die conform de toewijzingsregels in aanmerking komt voor een standplaats krijgt deze aangeboden.
Kortom, op basis van inkomen vallen er geen woonwagenbewoners buiten de boot, hoeft de gemeente geen aanvullende maatregelen te treffen om te voorzien in voldoende standplaatsen voor deze woonwagendoelgroep en voldoet de gemeente aan haar verplichting die voortvloeit uit artikel 75 van de Woningwet. Het college houdt in het beleidskader vast aan het niet in erfpacht uitgeven van standplaatsen. De belangrijkste reden is dat het in Amsterdam gaat om schaarse standplaatsen die toebedeeld moeten worden aan de mensen die al lang op de wachtlijst staan. Op het moment dat deze standplaatsen in erfpacht worden uitgegeven, staat het de erfpachter vrij om zelf te bepalen aan wie hij of zij de standplaats overdraagt. In de wet is namelijk bepaald dat een erfpachtrecht overdraagbaar is. Dit betekent dat er een risico bestaat dat de standplaats marktconform wordt verkocht aan mensen die niet op de wachtlijst staan. Hierdoor zouden aspirant woonwagenbewoners die hoger op de wachtlijst staan met nog langere wachttijden te maken krijgen. Juridische gronden om te voorkomen dat in erfpacht uitgegeven standplaatsen worden overgedragen aan personen buiten de doelgroep of aan personen die op grond van het inschrijfregister nog niet in aanmerking komen voor het innemen van een standplaats zijn niet voorhanden.
Kettingbedingen, het vereisen van gemeentelijke goedkeuring bij overdracht van het erfpachtrecht of dergelijke is voor deze doeleinden niet geschikt omdat het de gemeente juridisch gezien niet is toegestaan om toewijzingsregels toe te passen op percelen die in erfpacht zijn uitgegeven. Dit betreft de zogenaamde doorkruisingsleer: Het sturen van de gemeente op de toewijzing van standplaatsen mag uitsluitend via de huisvestingsverordening en niet middels erfpachtvoorwaarden. Verder is het opzetten van een erfpachtstelsel speciaal voor standplaatsen zeer complex (zowel juridisch als in de uitvoering) en dus kostbaar terwijl het om een zeer klein aantal percelen zou gaan en ook een incidentele afname. Er zijn ook geen landelijke precedenten die aansluiten bij de situatie in Amsterdam en als voorbeeld kunnen dienen. Indien het erfpachtstelsel opgezet zou worden, zou de gemeente door de kleine schaal van toepassing van dit stelsel geen waarborg kunnen bieden op consequente uitvoering en contractbeheer over een langere periode. Met
8
andere woorden: het stelsel zou onuitvoerbaar worden en dat is nadelig voor zowel de gebruikers als de gemeente. Wat betreft de specifieke casus aan de Oostzanerdijk het volgende. Dit betreft een gecompliceerde verplaatsing vanaf de Wenckebachweg en dito onderhandelingen. Hier is destijds gezocht naar een maatwerk oplossing die gevonden is in het realiseren van loodsen op werkvakken en het onder voorwaarden in erfpacht ter beschikking stellen van standplaatsen voor bewoning. De aanvullende erfpachtvoorwaarden die moeten voorkomen dat doorverkoop van de woon- en werkvakken plaatsvindt, zijn juridisch ongeschikt om als standaard in Amsterdam te dienen. Daar komt bij dat de gemeentelijke bemoeienis met de toewijzing van standplaatsen uitsluitend via de huisvestingsverordening kan plaatsvinden vanwege de eerdergenoemde ‘doorkruisingsleer’. Wat betreft de opmerking van WWBA over de Handleiding Grondprijzen 2013 waarin al een grondprijs bepaald is voor standplaatsen. De Grondprijzenbrief gaat alleen over de bepaling van de grondprijzen en niet over het erfpachtbeleid. Daarover is separaat beleid geformuleerd in de Algemene Bepalingen en het daaruit voortvloeiende erfpachtbeleid. De in de grondprijzenbrief beschreven grondprijs voor woonwagens is een sociale huur grondprijs.
Dit betreft terreinen die in erfpacht worden uitgegeven aan woningcorporaties, om deze vervolgens te kunnen verhuren aan woonwagenbewoners. In de sociale huursector komen de woonvormen eengezinswoning, meergezinswoning, studentenwoning en woonwagen voor. De Handleiding Grondprijzen uit 2013 voorziet niet in erfpachtuitgifte direct aan woonwagenbewoners, maar alleen in uitgifte aan woningcorporaties. Dit is conform het toen geldende Besluit beheer sociale-huursector (BBSH), artikel 1 en artikel 11. De corporaties hebben ook de taak om bij voorrang personen te huisvesten die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting (Woningwet, artikel 70c, lid 1). Dit betekent dat woonwagenbewoners met een laag inkomen behoren tot de doelgroepen van corporaties. Mede op verzoek van de ombudsman metropool Amsterdam heeft de gemeente Amsterdam hoogleraar Prof. Y.M. Donders van de Universiteit van Amsterdam opdracht geven om zich over de vraag te buigen of het recht op culturele identiteit voor de gemeente ook de verplichting inhoudt om koopstandplaatsen aan te bieden aan woonwagenbewoners. De hoogleraar komt tot de conclusie dat er geen individueel recht op een koopstandplaats bestaat en ook geen algemene verplichting tot het aanbieden van koopstandplaatsen.
Ook ondersteunt de hoogleraar de zorg van de gemeente Amsterdam omtrent het gevaar van onttrekking van standplaatsen aan de doelgroep door marktconform verkoop aan mensen buiten de groep. Dit acht de hoogleraar vanuit het recht op culturele identiteit een legitieme zorg. Zeker omdat de gemeente zoals gezegd de plicht heeft de culturele identiteit van verschillende generaties woonwagenbewoners te respecteren en bevorderen. Ondanks dat WWBA in haar reactie stelt dat het onwaarschijnlijk is dat mensen van buiten de gemeenschap op een woonwagencentrum willen wonen, is het niet uit te sluiten dat mensen van buiten de betrokken familie, van een andere standplaats, of niet-woonwagenbewoners de plaatsen kopen, wellicht als investering. Hier stelt de hoogleraar tegenover dat het bij voorbaat expliciet en categorisch uitsluiten van koopstandplaatsen niet in lijn is met het landelijke beleidskader en op gespannen voet kan staan met het recht op culturele identiteit. Hierbij heeft de gemeente beleidsvrijheid en kan het goede redenen hebben om uiteindelijk niet in koopstandplaatsen te voorzien op een bepaalde locatie of
9
voor een individueel geval. Deze specifieke afweging van belangen zal dan vervolgens moeten worden uitgelegd en toegelicht. De aanbeveling van de hoogleraar om een mix tussen huur- en koop/erfpacht standplaatsen niet categorisch uit te sluiten, wordt actueel op het moment dat in Amsterdam de corporaties een actieve rol nemen in de verhuur van sociale huurstandplaatsen. De kans is dan aanwezig dat – gezien de inkomenstoets – huishoudens met een te hoog inkomen niet meer in aanmerking voor een huurstandplaats kunnen komen. Op het moment dat blijkt dat hogere inkomens hierdoor niet meer in aanmerking kunnen komen voor een standplaats, kan besloten worden de juridische mogelijkheid van koop- of erfpachtplaatsen opnieuw te onderzoeken. Daarbij is het op lange termijn behouden van deze standplaatsen voor de doelgroep een belangrijke voorwaarde gezien de schaarste aan standplaatsen en de beperkte ruimte voor nieuwe standplaatsen in Amsterdam De rol van de corporaties staat op de uitvoerings- en onderzoeksagenda Woonwagens en standplaatsen 2023-2026. De resultaten van de studie hiernaar worden afgewacht alvorens te besluiten of het thema erfpacht alsnog onder de loep moet worden genomen. Tevens worden landelijke ontwikkelingen gevolgd of er precedenten ontstaan die Amsterdam zou kunnen benutten.
Cruciaal hierbij is de voorwaarde – alvorens kan worden overwogen om erfpacht of koopstandplaatsen op de onderzoeksagenda te plaatsen - dat standplaatsen door middel van bijvoorbeeld een kettingbeding blijvend toegewezen kunnen worden aan de doelgroep. Op basis van de voorgaande argumenten, plaats de gemeente Amsterdam het thema erfpacht vooralsnog niet op de onderzoeksagenda Woonwagens en standplaatsen.
3.7. Caravan als woonvorm Ook voor het thema ‘Caravan als woonvorm’ is hoogleraar Y Donders om een advies m.b.t. mensrechtelijke kader gevraagd. De vraag aan haar luidde: ‘Dient het beleid van de gemeente, gelet op de culturele identiteit van de woonwagenbewoners, naast richtlijnen ten aanzien van woonwagens tevens te voorzien in richtlijnen ten aanzien van de caravan als woonvorm? De hoogleraar constateert dat een caravan een “woning” kan zijn in de zin van het recht op culturele identiteit en het wonen in een caravan dus niet categorisch kan worden uitgesloten. Het recht op culturele identiteit is echter zoals gezegd niet absoluut en houdt dus niet in dat alle woonwagenbewoners recht hebben op wonen in een caravan. De gemeente mag bijvoorbeeld voorwaarden stellen in relatie tot (brand)veiligheid en milieueisen. De VNG Wegwijzer stelt in dit verband ook dat de gemeenten altijd kunnen toetsen “of de invulling van een standplaats voldoet aan het bestemmingsplan, ook als daar een caravan op staat.” De Wegwijzer stelt verder: “De gemeente zal de behoefte aan het wonen in een toercaravan moeten afwegen tegen andere belangen, bijvoorbeeld het waarborgen van de bouwtechnische kwaliteit van een woonruimte (Bouwbesluit), de openbare veiligheid, bescherming van de gezondheid en het al dan niet toestaan van vergelijkbare woonvormen (zoals Tiny Houses op wielen).
Belangrijk daarbij is dat er een zorgvuldige afweging is gemaakt tussen de belangen van het individu (in dit geval de bewoner van de toercaravan) enerzijds en de belangen van de maatschappij anderzijds.” Kortom, een voorafgaande en categorische weigering van het wonen in een caravan zoals in het Amsterdamse beleidskader stond, is niet in lijn met het landelijke beleidskader en staat op gespannen voet met het recht op culturele identiteit. Ook hier zal een inventarisatie van de behoeften moeten worden gedaan in samenspraak met woonwagenbewoners (eerste grove indicatie staat in het uitgevoerde behoefteonderzoek uit 2019/2020). Vervolgens vereist het 10
mensenrechtelijk kader een redelijke en transparante afweging van belangen en het garanderen van de veiligheid en gezondheid van allen. Het is zeer aan te bevelen nadere richtlijnen te ontwikkelen voor de caravan als woonvorm. Naast het advies van de hoogleraar is ook door de Omgevingsdienst NZKG naar het thema ‘Caravan als woonvorm gekeken’. Om het wonen in caravans om en nabij een standplaats mogelijk te maken, is door hen onderzocht wat de juridische ruimte is binnen de regels van het omgevingsrecht. De gemeente heeft beleidsvrijheid waar het gaat om de regels van het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Het is ook niet op deze terreinen waar de regelgeving knelt. Dit doet het wel rond de technische regels van het bouwbesluit 2012. Deze bouwtechnische regels laat de gemeente geen afwegingsruimte. Zo mag de technische bouwvergunning voor een woonruimte alleen worden verleend als er geen strijd is met het Bb 2012 en zal deze worden geweigerd als de woonruimte daarmee in strijd is. De opmerking in de VNG Wegwijzer is wat betreft de bouwtechnische regels dan ook niet juist: als de caravan in strijd is met het Bouwbesluit 2012 moet de vergunning zonder nadere afweging “categorisch” geweigerd worden.
In de zoektocht naar ‘het maximale passend bij de culturele identiteit mogelijk maken’ is het van belang te blijven beseffen dat de regelgeving van de Woningwet en het Bouwbesluit belangrijk zijn. Ook aan gedogen is een grens gesteld. Er moet uitzicht zijn op legalisatie om te kunnen gedogen. De uitzondering hierop is overmacht. Niet toegestaan is dat gedogen in plaats komt van de reguliere regelgeving. Om definitief duidelijkheid te krijgen over de mogelijkheden van (toer)caravans als permanente woonvorm is het verstandig om een aantal in de markt beschikbare caravans te toetsen aan de bouwtechnische regels. Hoewel de verwachting hieromtrent van de omgevingsdienst laag is, zal het wel duidelijkheid kunnen verschaffen. Mogelijk zijn er positievere resultaten te verwachten van mobiele tiny houses die op de markt zijn en vaak een omvang hebben die niet groter is als een middenmaat toercaravan, beter geschikt zijn voor permanente bewoning en aan de bouwtechnische regels voldoen. De volgende stap zou zijn om samen met WWBA twee lijnen te onderzoeken en de grenzen van het mogelijke te ontdekken. Welke caravans of tiny houses voldoen aan de bouwtechnische regels van het bouwbesluit en op welke locaties c.q. standplaatsen is er voldoende ruimte om deze objecten op een veilige manier te plaatsen. Ook dit onderwerp kan op de onderzoeksagenda Woonwagens en standplaatsen.
Ook zullen we samen met de WWBA optrekken richting Ministerie van BZK en VNG om te proberen daar waar de landelijke regelgeving nu te beperkend is ruimte te krijgen voor de caravan als woonvorm. 3.8. Handhaving, beheer en onderhoud Het college bevestigt dat er wordt gewerkt aan een beheerprotocol. In dit protocol staan de richtlijnen waarlangs de beheerders handelen. WWBA zal in het reguliere overleg tussen directie Wonen en WWBA hierover worden geïnformeerd. Dit geldt ook voor de eerste ideeën en voorstellen die volgen uit de mogelijke harmonisatieslag tussen de directies Wonen en Vastgoed zoals deze in het beleidskader staan vermeld. Zeker ook op grond van de ‘Wet op het overleg huurder verhuurders’ zal WWBA tijdig worden uitgenodigd om mee te praten. 3.9. Beheer en woningcorporaties - AFWC Het college neemt geen afstand van het inzetten van externe beheerbureaus en doet ook niet de uitspraak dat het in de toekomst voor de verhuur, beheer en onderhoud met eigen opgeleide ambtenaren blijft werken. Beide uitspraken zijn prematuur. In het traject rond afspraak 7 uit de samenwerkingsafspraken met corporaties zijn door de gemeente en de corporaties de eerste stappen gezet. 11
In 2023 is – mede op basis inspraak van de AFWC - een gezamenlijke verkenning van gemeente en de AFWC van start gegaan. Dit met als vraag of, hoe en onder welke voorwaarden de verhuur en het beheer van woonwagens en woonwagenlocaties op termijn over zouden kunnen gaan naar de corporaties. Juni 2023 moet deze verkenning gereed zijn. Indien de corporaties hiertoe genegen zijn en er gaat verder gesproken worden over uitvoeringsscenario’s en praktische consequenties die hier aan verbonden zijn, zal WWBA een plaats in dit traject moeten krijgen. Naar verwachting ligt dit moment na de eerste verkenningen die in juni 2023 gereed zijn. 4. Adviezen stadsdelen De vijf stadsdelen waar woonwagenlocaties of Kermis- en circusexploitanten terreinen zijn, hebben een advies uitgebracht. Uit de adviezen nemen we in het beleidskader onderstaande adviezen mee.
Het beleidskader is nog geen uitvoeringsplan. Dit betekent dat de ruimtelijke en sociale consequenties op de omgeving van eventuele in- of uitbreiding van de huidige locaties of van het invoegen van nieuwe woonwagenlocaties nog onduidelijk zijn. Dit proces vergt dan ook veel aandacht voor de participatie van betrokkenen.
In de stadsdelen worden alle belanghebbende - woonwagenbewoners en omwonenden actief bij zoektocht betrokken. Dit zodat er voldoende draagvlak voor de uitbreiding komt. Ook zullen de stadsdelen tijdig betrokken worden zodat in goed overleg de stedenbouwkundige plannen voor nieuwe locaties tot stand komen
Het onderhoud van de openbare ruimte en speelplekken op de bestaande locaties vraagt extra aandacht. Indien nodig kan dit om aanvullende middelen vragen. Vanuit Wonen zal met de beheerder van de openbare ruimte onderzocht worden op welke locaties de speelplekken aan onderhoud toe zijn en op welke termijn ze kunnen worden aangepakt.
Wat betreft twee specifieke locaties – Ooster Ringdijk en Willem de Zwijgerglaan – geven de stadsdelen aan dat in- of uitbreiding van de bestaande locatie respectievelijk niet wenselijk of onder voorwaarden mogelijk is. Het onderzoek naar de mogelijkheden van het in- of uitbreiden van de bestaande locaties in Amsterdam zal hier meer inzicht in moeten geven. Indien er toch mogelijkheden zijn en er mogelijk van het advies van de stadsdelen kan worden afgeweken, zal hier gezamenlijk nader naar worden gekeken.
Daarnaast vraagt het DB van Zuidoost aandacht voor het zorgvuldig doorlopen van het proces bij de locatie Bretanostraat zodat de ontwikkeling van de Venser hier geen hinder van ondervindt en voor het maken van concrete plannen voor het gasvrij maken van de standplaatsen in Amsterdam. Hiertoe is het belangrijk dat ook de verduurzaming van de standplaatsen en de woonwagens “meelopen” met het ingezette proces van de energietransitie. Hiertoe moet directie Wonen samenwerking aangaan met team Energietransitie Gebouwde Omgeving.
5. Uitvoeringsagenda en onderzoeksagenda
12
WWBA doet een oproep om een uitvoeringsagenda vast te stellen waarin de onderwerpen staan die de komende periode worden uitgewerkt en de data waarop deze gereed zijn. Het college vindt dit een goed advies en neemt deze over met dien verstande dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen een uitvoerings- en onderzoekagenda. De uitvoeringsagenda staat voor de onderwerpen waarbij we daadwerkelijk tot uitvoering kunnen overgaan en waarover inhoudelijk en (soms ook) financiële besluitvorming reeds heeft plaatsgevonden. De onderzoeksagenda staat voor de onderwerpen waarvoor de inhoudelijke koers en de eventuele financiële dekking nog niet vaststaat. Samen met partners (gemeentelijke directies, afdeling Diversiteit, stadsdelen, WWBA, !WOON) worden trajecten doorlopen om tot gedragen voorstellen te komen.
Onderwerp
Uitvoeringsagenda
Standplaatsen
Beheer-protocol
De zoekopdracht naar in- en uitbreiding van standplaatsen bij bestaande woonwagenlocaties (1015 standplaatsen) voor 2025. 1e invulling korte termijn De zoekopdracht naar maximaal 8 standplaatsen en 7 werkvakken voor de verplaatsing KET Zeeburgereiland voor 2025. Opstellen van een beheerprotocol
Indicatieve planning Oktober 2022 – juli 2023
Onderzoeksagenda
Indicatieve planning Juli 2023 – jan 2024
De zoekopdracht naar 14 standplaatsen en 2 werkvakken op korte termijn (2023-2026) (afhankelijk resultaat 1e zoektocht huidige locaties)
De zoekopdracht naar 22 standplaatsen op middellange termijn (20252030)
Juli 2023 – jan 2024
De zoekopdracht naar 27 standplaatsen en 1 werkvak op lange termijn (2030 – 2035)
Juli 2023 – jan 2024
Verkennen van de mogelijkheden en opstellen uitgangspunten om de verhuur van standplaatsen en huurwagens over te dragen aan corporaties. (go/no go besluit en resultaat opnemen in prestatieafspraken)
November 2022 - juli 2023
Juli 2023
Rol Corporatie
13
Uitwerken uitgangspunten verhuur van standplaatsen door corporaties en rol bij realisatie nieuwe standplaatsen
Verkennen van vormen van overdracht huidige standplaatsen en beste vorm van organisatie van beheer - onderhoud standplaatsen. Onderzoeken van de mogelijkheid om de huurwagen aan te kopen en het formuleren van de voorwaarden hiervoor. Het onderzoeken van mogelijke en gefaseerde wijzigingen/verbeteringen van de toewijzingsregels en waar nodig het komen tot aanpassing van toewijzingsregels in de huisvestingsverordening met ingang van 1 januari 2025 Onderzoeken naar gelijktrekken huurbeleid Vastgoed en Wonen: - Wachtlijsten en toewijzing Huurcontracten en bepalingen (o.a. wensen WWBA voor loskoppelen wonen en werken en bepaling 70% inkomsten uit kermis- en circusambachten). Onderzoeken welke caravans of tiny houses voldoen aan de bouwtechnische regels van het bouwbesluit
Huur-koop
Toewijzingssystematiek
Harmonisatie huurbeleid Vastgoed en Wonen
Caravan als woonvorm
14
Op welke locaties c.q. standplaatsen is er voldoende ruimte om deze
Juli 2023 – januari 2024
Januari 2024 – juli 2024
Januari 2024 – juli 2024
Juli 2023 – januari 2024
Januari 2024 – juli 2024
Juli 2023 – januari 2024
objecten op een veilige manier te plaatsen.
15
Consultatie VNG en Ministerie BZK over landelijk richtlijnen en discrepantie met Bouwbesluit 2012.