CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota Parkeernormen Auto

Raadscommissie Mobiliteit, Luchtkwaliteit, Water (MLW) 30 september 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Evaluatie nota's parkeernormen (ZD2021-006253)14.876 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voorbeeld Wanneer een ontwikkelaar 10 woningen van 50 m² bvo bouwt zou de minimumparkeereis 10 * 0,3 = 3 parkeerplaatsen zijn. In dit geval wordt geen minimumparkeereis gesteld. De ontwikkelaar mag maximaal 10 parkeerplaatsen maken.

§ 7.4 Afwijken van maximumnorm Veelal is in de bovenstaande afwijkingsmogelijkheden gesproken over het afwijken van de minimumparkeernormen. Het is echter ook mogelijk dat de wens bestaat om meer parkeerplaatsen te maken, dan volgens het beleid maximaal toegestaan zou zijn. Het kan hierbij gaan om kleine nieuwbouwprojecten waarbij de parkeergarage onder het gebouw iets meer parkeerplaatsen heeft dan volgens de norm is toegestaan. Wanneer de afwijking geen substantieel hogere automobiliteit oplevert, kan de gemeente een afwijking naar boven toestaan.

§ 7.5 Parkeerbalansen Voor elke functie zijn parkeernormen. Tegelijkertijd is bekend dat vraag naar parkeerplaatsen per functie in de tijd verschilt. Zo zijn kantoorwerkers in de regel gedurende werkdagen aanwezig, is bezoek van voorzieningen beperkt tot de openingstijden van deze voorzieningen en is een deel van de bewoners overdag afwezig.10 Bij realisatie van verschillende functies in één gebouw wordt hiermee rekening gehouden bij het bepalen van de minimumparkeernorm. Hierdoor hoeven er vaak minder parkeerplaatsen op eigen terrein worden gemaakt. Voor een gebied wordt een parkeerbalans gemaakt waarbij men kijkt naar de parkeervraag voor de verschillende momenten op de dag in de openbare ruimte. Zo komen bezoekers voor kantoren overdag, en bezoekers van bewoners vaker ’s avonds of in het weekend. Beiden kunnen (op hun eigen tijdstip) gebruik maken van dezelfde parkeerplaats. Theoretisch zijn ook de garageparkeerplaatsen in een gebied dubbel te gebruiken. In de praktijk levert dit vaak problemen op, omdat gebruikers/eigenaren geen ‘vreemde’ parkeerders in de eigen garage willen. Dit heeft deels te maken met de veiligheid ( stallingsgarages zijn verbonden met de rest van het pand) en met de verwachting dat er een tekort aan parkeerplaatsen ontstaat als niet iedereen zich aan de in- en uitrijtijden houdt.

§ 7.6 Compensatie In voorkomende gevallen is het fysiek onmogelijk of onwenselijk om op het eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, maar bestaat wel de mogelijkheid om dit elders op te lossen. Aan de hand van de concrete ontwikkeling moet bepaald worden of de voorgestelde verplaatsing van parkeergelegenheid aanvaardbaar is (i.v.m. ruimtelijke kwaliteit van de parkeergelegenheid op de andere locatie, loopafstanden, etc.). Om hier wel medewerking te verlenen, is het noodzakelijk om af te wijken van de eis dat het parkeren op eigen terrein opgelost dient te worden.

§ 7.7 Parkeervergunningverlening Wanneer er in een specifiek project op één van de bovengenoemde gronden wordt afgeweken van de parkeernorm zal ook bepaald worden of er parkeervergunningen worden verstrekt en zo ja hoeveel. Afwijken van de parkeernorm leidt dus niet automatisch tot parkeervergunningverlening.

31

32

Nota Parkeernormen Auto

Hoofdstuk 8: Juridisch-planologische inbedding § 8.1 Bestemmingsplan Op 29 november 2014 is de Woningwet gewijzigd. Tot deze wijziging kon door gemeenten gekozen worden voor het stellen van parkeernormen via bestemmingsplannen of via de stedenbouwkundige bepalingen van de Bouwverordening. Als de parkeernormen via het bestemmingsplan waren geregeld golden deze als toetsingskader. Als een bestemmingsplan geen parkeerregeling kende golden voor dat gebied de parkeernormen van de Bouwverordening. Deze laatste optie is met de wijziging van de Woningwet op termijn uitgesloten, zodat parkeernormen nu langs de weg van het bestemmingsplan moeten worden opgelegd. De stedenbouwkundige bepalingen van de Bouwverordening, waaronder dus ook de regeling van het aantal parkeerplaatsen, blijven nog gelden tot uiterlijk 1 juli 2018. Wanneer voor een gebied een nieuw bestemmingsplan in werking treedt vervalt de werking van de parkeerregeling uit de Bouwverordening. Bij het regelen van parkeren In het bestemmingsplan hoeven sinds 2014 geen exacte normen voor parkeren te worden opgenomen.

Door een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.2, tweede lid onderdeel a Bro) bestaat sinds 1 november 2014 de mogelijkheid om in het bestemmingsplan een verwijzing naar beleidsregels op te nemen: “Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels”. Hierdoor kan, net zoals dit mogelijk was in de Bouwverordening, een flexibele regeling voor parkeren worden opgenomen in een bestemmingsplan. De parkeernormering kan aldus op twee manieren via het bestemmingsplan worden geregeld: 1. Een voorwaardelijke verplichting tot het realiseren van een minimum of maximum aantal parkeerplaatsen, met een verwijzing naar de beleidsregels van de geldende nota parkeernormen. 2. Het opnemen van een specifieke regeling voor parkeren in een bestemmingsplanregeling. Een groot voordeel van het verwijzen naar de beleidsnota is dat parkeernormen voor de gehele stad met één besluit (herziening van de beleidsnota) kunnen worden aangepast. Het is bij wijziging van de parkeernormering dan niet nodig om elk bestemmingsplan te herzien. In geval van een specifieke regeling voor een bepaald gebied kan echter worden gekozen voor het opnemen van een specifieke regeling in het bestemmingsplan.

Bijvoorbeeld indien de normen niet, zoals als standaard aangegeven in deze nota, gelden per bouwplan, maar moeten worden toegepast op een samenhangend geheel van ontwikkelingen. Dit is aan de orde wanneer een bouwplan voorziet in een parkeervoorziening voor meerdere (later) te realiseren gebouwen. Het bestemmingsplan geeft in dat geval aan in welke samenhang de parkeernormen moeten worden toegepast. Overigens zal een specifieke regeling voor parkeren die wordt opgenomen in een bestemmingsplan over het algemeen inhoudelijk niet afwijken van de beleidsregels. Maar een afwijkende regeling is wel mogelijk omdat de bevoegdheid tot het vaststellen van zowel bestemmingsplannen alsook het vaststellen van de beleidsregels bij de gemeenteraad ligt. In dat geval moet expliciet worden aangegeven dat wordt afgeweken van staand beleid. 33

§ 8.2 Inwerkingtreding beleid Met de publicatie van de vastgestelde Nota Parkeernormen treedt deze als beleidsregel in werking. Maar voor de concrete toepasbaarheid ligt dit complexer. Er zijn vier situaties te onderscheiden: a. Voor bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze nota reeds waren vastgesteld en een directe verwijzing naar het vastgestelde parkeerbeleid kennen, geldt deze nota per direct. De beleidsregels gelden als invulling van de verwijzing in het bestemmingsplan. b. Voor bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze nota reeds waren vastgesteld, maar die in het geheel geen parkeerregeling bevatten geldt tot 1 juli 2018 de Amsterdamse Bouwverordening als aanvullend toetsingskader voor parkeren. In die Bouwverordening wordt verwezen naar vastgesteld beleid. Op basis hiervan is voorliggende nota in deze situatie tot 1 juli 2018 toepasbaar. Om na die datum de parkeernormen uit deze nota nog toe te kunnen passen op ontwikkelingen die passen binnen het geldende bestemmingsplan, is in deze situatie een nieuw bestemmingsplan of een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Zie hierover ook paragraaf 8.3. c.

In het geval van bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze nota reeds waren vastgesteld en waarin een eigen parkeernormering is opgenomen, blijft de parkeernorm van het bestemmingsplan het toetsingskader. Een bestemmingsplanregeling kan immers niet opzij worden gezet door een beleidsregel. Afwijken van het bestemmingsplan ten gunste van de aanvrager kan echter wel. Zie hierover de laatste alinea onder d. Dit alles geldt overigens ook voor bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsverplichting is opgenomen. Ook als een bestemmingsplanuitwerking pas na inwerkingtreding van voorliggende nota wordt vastgesteld moet worden uitgegaan van de parkeernormering als deze in het moederplan is opgenomen. d. Daar waar een ontwikkeling (bouwen of gewijzigd gebruik) niet past in het ter plaatse geldende bestemmingsplan is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een Wabo-afwijkingsbesluit nodig. In het geval dat de afwijking geen verband houdt met de parkeernormering (bijvoorbeeld een beperkte overschrijding van de maximumbouwhoogte) geldt het bepaalde onder a tot en met c onverkort. Daar waar het gaat om een ontwikkeling die wel een relatie heeft met de parkeernormering moet het parkeerbeleid worden toegepast. Dit zal met name zijn in geval van een functiewijziging of een uitbreiding van het vloeroppervlak.

Indien het parkeerbeleid strenger is dan het parkeerbeleid uit het geldende bestemmingsplan kan en moet het parkeerbeleid alleen worden toegepast op de ontwikkeling die niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Maar indien het parkeerbeleid voor een aanvrager gunstiger is dan de parkeernormering van het geldende bestemmingsplan kan de aanvrager juist met het aanvragen van een Waboafwijkingsbesluit toepassing van het parkeerbeleid ook voor bestaande situaties afdwingen. Let op! Ook in situaties waarbij de gemeente geen parkeernormen kan afdwingen wordt bij nieuwbouw parkeervergunningverlening uitgesloten!

34

Nota Parkeernormen Auto

§ 8.3 Invulling hiaten na 1 juli 2018 Zoals in de vorige paragraaf aangegeven kan voor gebieden waar na 1 juli 2018 geen bestemmingsplan met een adequate parkeerregeling is vastgesteld na die datum het parkeerbeleid in principe niet worden toegepast. Om ook hier de parkeernormen te kunnen toepassen is een herziening van de betreffende bestemmingsplannen nodig. Dit kan per plangebied of door middel van een zogeheten parapluplan, waarbij de betreffende bestemmingsplannen op dit punt kunnen worden herzien. Gezien onderstaande overwegingen, achten wij het versneld actualiseren of het vaststellen van een paraplubestemmingsplan echter niet noodzakelijk en zal een reguliere geleidelijke actualisatie op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening volstaan: • Daar waar bestemmingsplannen zijn vastgesteld, waarin na 1 juli 2018 niet wordt voorzien in een adequate parkeerregeling, zal dit hiaat deels ondervangen worden doordat voor ontwikkelingen die afwijken van het geldende bestemmingsplanregime (bijvoorbeeld een afwijking van de in het bestemmingsplan aangegeven functie) een Wabo-afwijkingsbesluit nodig is. In dat geval kan het beleid wel worden toegepast. Zie hierover de vorige paragraaf onder d.

• Past een ontwikkeling wel in het bestemmingsplan, dan zal voor kleine projecten met een verwachte parkeervraag van vier parkeerplaatsen of minder geen minimumeis worden gesteld, conform de in het beleid opgenomen uitzondering in beleidsregel 5. Ook in die situatie laat het niet-toepasbaar zijn van het parkeerbeleid zich niet voelen. • Het niet kunnen toepassen van parkeerbeleidsregels zal pas merkbaar worden bij grotere ontwikkelingen (met een parkeervraag van meer dan 4 parkeerplaatsen), die passen in het bestemmingsplan. Hier kunnen kanttekeningen bij geplaatst worden: - Als de ontwikkeling reeds is voorzien in het bestemmingsplan, dan is de ruimtelijke inpasbaarheid van de parkeeroplossing in het bestemmingsplan al vastgesteld. Met andere woorden: het bestemmingsplan begrenst de mogelijkheden van het gebruik van gronden voor parkeren. Zo wordt vaak op perceelsniveau aangegeven óf er geparkeerd mag worden en zo ja, hoe dit vormgegeven kan worden (in de kelder, in de plint, op het onbebouwde terrein of anderszins. Ruimtelijk kan het parkeren dan ook geen nadelige situatie opleveren; - Op het gebied van parkeren kan het wel een gemiste kans zijn dat er niet verplicht kan worden op eigen terrein het parkeeraanbod te realiseren. Daartegenover staat dat het project wel in zijn geheel zal worden uitgesloten van parkeervergunningverlening, op basis van beleidsregel 1.

De parkeerdruk op straat zal dan ook niet kunnen toenemen. De keuze is dan aan de initiatiefnemer om de ontwikkeling doorgang te laten vinden met of zonder parkeergelegenheid op eigen terrein. In 2019 zal de nieuwe Omgevingswet in werking treden. Op basis van deze wet zullen wij een omgevingsplan voor de gehele gemeente gaan voorbereiden, die alle bestemmingsplannen zal gaan vervangen. In het kader van dit omgevingsplan zal het ook mogelijk zijn om voor het grondgebied van de gemeente parkeereisen te stellen en vervalt deze Nota Parkeernormen als aanvullend kader doordat deze integraal in het omgevingsplan zal worden opgenomen. Het aanpassen van de parkeernormen zal dan gaan via een aanpassing van het omgevingsplan.

§ 8.4 Proces omgevingsvergunning en parkeervergunning Wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd wordt deze op het aspect ‘parkeren’ getoetst aan de Nota Parkeernormen. Als de aanvraag voldoet aan de gestelde parkeernormen of de in het beleid opgenomen uitzonderingen, bestaat ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ geen belemmering om de vergunning te verlenen. Als de aanvraag omgevingsvergunning niet zonder meer voldoet aan de gestelde parkeernormen wordt beoordeeld of de afwijkingsbevoegdheid, zoals beschreven in hoofdstuk 7, kan worden toegepast. Indien vallend onder de afwijkingsmogelijkheden worden de 35

betrokken belangen gewogen om tot een standpunt te komen. Voor alle duidelijkheid: het beleid geeft in hoofdstuk 7 dus ruimte om van de normen af te wijken. Deze afwijkingsmogelijkheid maakt deel uit van het beleid. Een dergelijke afwijking kan dus nog steeds leiden tot de conclusie dat een ontwikkeling in overeenstemming is met het parkeerbeleid (en zou dan ook leiden tot een positieve toetsing aan het bestemmingsplan). Indien de vergunning (ook) vanwege het niet passen binnen de beleidsregels voor parkeren moet worden geweigerd wordt beoordeeld of afwijking van de beleidsregels (en het bestemmingsplan), gezien de omstandigheden van het geval, aan de orde kan zijn. Indien dit het geval is moet dit ter beoordeling gemotiveerd worden voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders. Vergunde nieuwbouw wordt doorgegeven aan de afdeling Parkeren van gemeente Amsterdam zodat deze kan worden uitgesloten van parkeervergunningverlening. Dit gebeurt middels een zogeheten ‘nulvergunningplafond’. Hiermee worden de betrokken adressen uitgesloten van verlening van een bewonersparkeervergunningen en bedrijfsparkeervergunningen. Wel kunnen voor deze adressen nog mantelzorgvergunningen, gehandicaptenvergunningen en bezoekersvergunningen worden verstrekt.

36

Bijlagen Nota Parkeernormen Auto

BIJLAGE 1 – Beleidsregels Nota Parkeernormen Paragraaf 1: Wettelijk kader Artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro), artikel 3.2.1., tweede lid onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), en de artikelen 2.4. en 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Met de invoering van de reparatiewet BZK 2014 (Besluit van 4 september 2014, Stb. 2014, 333) is het op basis van het bepaalde in artikel 3.1.2, tweede lid, sub a van het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening mogelijk om het parkeren expliciet te regelen in een bestemmingsplan. Hierin is opgenomen dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels.(artikel 3.2.1, tweede lid onderdeel a van het Bro). De gemeenteraad is bevoegd regels te stellen in bestemmingsplannen. Voor de geldende bestemmingsplannen geldt een overgangsregeling tot 1 juli 2018 en blijft de wettelijke grondslag de Bouwverordening Amsterdam 2013. De wetswijziging heeft tot gevolg dat Beleidsregels parkeernomen moeten worden vastgesteld die gelden als beoordelingskader voor de parkeerbepalingen in bestemmingsplannen.

Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. (artikel 3.6., eerste lid, onder d. van de Wro) Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Burgemeester en wethouders zijn evenzeer bevoegd om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. (artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 2.12 van de Wabo) Het college van Burgemeester en Wethouders heeft de bevoegdheid gemandateerd aan het algemeen bestuur van de bestuurscommissies om op de aanvraag omgevingsvergunning te beslissen in de gevallen die zijn opgenomen onder bijlage 3 van het bevoegdhedenregister bestuurscommissies. Voor alle bevoegdheden in het bevoegdhedenregister geldt de beperking dat de bestuurscommissie hiervan slechts gebruik kan maken voor zover dit plaatsvindt binnen de door de (oorspronkelijk) bevoegde bestuursorganen vastgestelde stedelijke kaders vastgelegd in beleidsregels.

Paragraaf 2: Begripsbepalingen In het beleid parkeernormen wordt verstaan onder: parkeernorm: het aantal parkeerplaatsen dat minimaal moet of maximaal mag worden gerealiseerd bij een bepaalde functie. Minimum- en maximumparkeernorm: het aantal parkeerplaatsen dat is toegestaan bij een bepaalde oppervlakte van de functie vermenigvuldigd met de parkeernorm. Eigen terrein: Het bouwoppervlak waarop de ontwikkeling wordt gerealiseerd, daaronder begrepen het daarbij behorende terrein dat als parkeerterrein is bestemd. Functies: Wonen –gebouwen met een woonfunctie. Met de parkeernormen is onderscheid gemaakt tussen: sociale huurwoningen: woningen met een huur onder de liberalisatiegrens1 Middeldure huurwoning: woningen met een huur tussen de liberalisatiegrens en €971,- (prijspeil 2017), die op grond van een erfpachtcontract en/of afdwingbaar publiekrechtelijke regeling,

1 De liberalisatiegrens is in 2016 € 710,68. Een uitgebreidere toelichting van het begrip staat in bijlage 2. 37

gedurende 25 jaar als middeldure huurwoning verhuurd worden.2 Vrije sectorwoning: koopwoningen of woningen met een huur hoger dan de middeldure huurwoning. Kantoren: gebouwen met een kantoorfunctie. Voorzieningen: een gebouw dat geen woonfunctie of kantoorfunctie heeft valt onder deze categorie. Het kan gaan om commerciële functies van gebouwen (hotels, bedrijven, ziekenhuizen) of maatschappelijke functies (scholen, sportvoorzieningen, kerken en moskeeën). Ontwikkeling: realisatie van een gebouw of een op samenhang gericht bouwproject in een bepaald gebied. Sloop/nieuwbouw en nieuwbouw: wanneer op hetzelfde perceel, na de sloop van eerdere bebouwing, een nieuwe ontwikkeling wordt gerealiseerd is er sprake van sloop/nieuwbouw. Wanneer er een nieuwe ontwikkeling op een perceel wordt neergezet wat hiervoor nog geen bebouwing kende is er sprake van nieuwbouw. Transformatie: Wanneer de functie van bestaande bebouwing wordt gewijzigd. Daaronder wordt begrepen het aanbrengen van wijzigingen aan een bestaand gebouw om dit geschikt te maken voor de functiewijziging, of het uitbreiden van een bestaand gebouw met één of meerdere verdiepingen. Zeer goed openbaar vervoer Het gebied rondom het station geldt als zeer goed bereikbaar. Werknemers van bedrijven gevestigd rondom een intercitystation hebben een goed alternatief voor de auto.

Vanuit het perspectief van bewoners is er sprake van hoogwaardig openbaar vervoer (trein en metro) en zijn er veel verbindingen met de rest van de stad. Gedurende de hele dag is er een dienstregeling. Goed openbaar vervoer. Hier is sprake van regulier openbaar vervoer. Er is de hele dag een dienstregeling. Er zijn meerdere verbindingen met de rest van de stad. Minder goed openbaar vervoer. Er is vaak maar één verbinding met de rest van de stad. Er is geen dienstregeling over de hele dag.

Paragraaf 3: Parkeerplaatsen en vergunningverlening bij nieuwbouw 3.1: Het realiseren van parkeerplaatsen bij nieuwbouw moet op eigen terrein. Toelichting: Bij het realiseren van nieuwbouw moet ten behoeve van het parkeren van auto’s ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel het daarbij behorend onbebouwde terrein dat als parkeerterrein is bestemd. De maatvoering van de parkeerplaatsen moet voldoen aan de gangbare richtlijnen voor de inrichting van parkeerplaatsen (CROW richtlijnen) en goed bereikbaar zijn.

3.2: Alle nieuwbouw wordt uitgesloten van parkeervergunningverlening. Toelichting: Het beleid geldt voor alle nieuwbouw van zowel woningen, kantoren en voorzieningen. De uitsluiting van parkeervergunningverlening geldt ook voor nieuwbouw in gebieden die op dit moment nog geen betaald parkeren hebben. Nieuwbouw in deze gebieden zal op een garagelijst gezet worden. Als in de toekomst ook in deze gebieden betaald parkeren wordt ingevoerd zullen de bewoners of werknemers van de gebouwen op de garagelijst niet in aanmerking komen voor

2 Middeldure huurwoningen zijn woningen die onder niet-marktconforme voorwaarden worden gerealiseerd (uitpondtermijn / huurindexering en woninggrootte), conform ‘Actieplan meer middeldure huur 2017-2025’ (gemeenteraadsbesluit; d.d. 8 juni 2017). Door middel van een erfpachtcontract wordt uitgesloten dat middeldure huurwoningen gedurende 25 jaar worden uitgepond of tegen marktconforme tarieven worden verhuurd. De aanvangshuur is gemaximeerd tot € 971 (prijspeil 2017). In gebieden waar de gemeente Amsterdam geen grondeigenaar is kunnen geen privaatrechtelijke (erfpacht) afspraken worden gemaakt om niet-marktconforme verhuurvoorwaarden te waarborgen. Voor die locaties is in het ‘Actieplan meer middeldure huur 2017-2025’ aangekondigd dat wordt onderzocht in hoeverre het bestemmingplan als instrument kan worden ingezet. Zodra het bestemmingsplan (of eventueel een andere publiekrechtelijke regeling) beschikbaar is om niet-marktconforme voorwaarden langdurig af te dwingen (conform de ambitie en doelstelling van het Actieplan meer middeldure huur 2017-2025), geldt ook deze als toetsingscriterium voor de categorie middeldure huurwoningen. 38

Bijlagen Nota Parkeernormen Auto

een parkeervergunning. Wanneer nieuwbouw plaatsvindt in die delen van de stad waarin het parkeren middels een blauwe zone met ontheffingen geregeld is, zal de nieuwbouw uitgesloten worden van een ontheffing om in de blauwe zone te parkeren.

Beleidsregel 1: Alle nieuwbouw wordt uitgesloten van parkeervergunningverlening. Toelichting Het nieuwe beleid gaat in op het moment van de vaststelling van de Nota Parkeernormen en geldt voor alle nieuwbouw van zowel woningen, kantoren en voorzieningen. De uitsluiting van parkeervergunningverlening geldt ook voor nieuwbouw in gebieden die op dit moment nog geen betaald parkeren hebben. Nieuwbouwadressen in deze gebieden worden geregistreerd. Bewoners en werknemers van deze adressen komen bij invoering van betaald parkeren niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Bij nieuwbouw in die delen van de stad waar het parkeren door een blauwe zone met ontheffingen is geregeld is, is de nieuwbouw uitgesloten van een ontheffing om in de blauwe zone te parkeren. Uitsluiting van nieuwbouw vindt plaats door instellen van een zogenoemd nulplafond. De gemeente heeft in de Parkeerverordening al de mogelijkheid parkeervergunninggebieden in te stellen met een zogeheten nulplafond. In deze (deel)vergunninggebieden worden geen bewonersvergunningen en geen bedrijfsvergunningen verstrekt. Gehandicaptenparkeervergunningen, mantelzorgvergunningen en bezoekersvergunningen worden wel uitgegeven. Afwijking De gemeente kan afwijken van de beleidsregel, indien er bij de nieuwbouw geen eis is voor parkeerplaatsen op eigen terrein is en de parkeerdruk in de buurt dit toelaat.

Tevens geldt een uitzondering voor huurders van sociale huurwoningen die worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Voor hen blijft hun reeds geldige parkeervergunning van kracht.

39

Paragraaf 4: De gebiedsindeling 4.1: Bij het toepassen van parkeernormen wordt de onderstaande gebiedsindeling gehanteerd:

Let op: Gebieden kunnen verkleuren (van een B-locatie een A-locatie worden, of van C naar B) wanneer de omstandigheden wijzigen (bijvoorbeeld door het realiseren van een hoogwaardig openbaar vervoer verbinding).

A-locatie B-locatie C-locatie ABC locatiekaart september 2020

Afbeelding: gebiedsindeling parkeernormen met de ABC-locaties in beeld (A = paars, B = grijs, C = oranje)

kaart is op 15 september 2020 gewijzigd

Toelichting: De A-locaties (op het kaartje paars) kenmerken zich door een zeer goede OVbereikbaarheid. Het uitgangspunt van de A-locaties zijn de NS-intercitystations (gebruik een voetnoot om de stations te benoemen). Het gebied rondom het station geldt als zeer goed bereikbaar. Werknemers van bedrijven gevestigd rondom een intercitystation hebben een goed alternatief voor de auto. Naast de gebieden rondom de NS-intercitystations zijn ook de binnenstad en de gebieden rondom de Rode Loper en rondom het metrostation Weesperplein aangewezen als A-locatie. Vanuit het perspectief van bewoners is er sprake van hoogwaardig openbaar vervoer (trein en metro) en zijn er veel verbindingen met de rest van de stad. Gedurende de hele dag is er een dienstregeling (ook 's avonds). In deze drukke binnenstedelijke gebieden wordt het autogebruik actief ontmoedigd door een lage maximumparkeernorm voor kantoren. De B-locaties (op het kaartje grijs) hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als B-locatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren.

De C-locaties (op het kaartje oranje) bestaan uit Landelijk Noord, Driemond, het Havengebied en een aantal bedrijventerreinen en sportlocaties. De bereikbaarheid per openbaar vervoer is minder 40

Bijlagen Nota Parkeernormen Auto

goed dan in de rest van de stad. Bij nieuwbouwplannen in deze gebieden zal maatwerk nodig zijn. Het kan zijn dat de gemeente eist dat het parkeren op eigen terrein opgelost wordt, maar ook het parkeren op straat kan een optie zijn.

Paragraaf 5: Parkeernormen 5.1: Kantoren Voor kantoren worden alleen maximumparkeernormen gehanteerd volgens de onderstaande opsomming per gebied. A-locaties: maximaal 1 parkeerplaats per 250m² bruto vloeroppervlak. B-locaties: maximaal 1 parkeerplaats per 125m² bruto vloeroppervlak. C-locaties: maatwerk Toelichting: Ontwikkelaars krijgen een beperking opgelegd voor het aantal parkeerplaatsen dat zij per kantoor mogen aanleggen.3 Er zijn geen plannen voor het realiseren van kantoren op C-locaties. Als er in de toekomst plannen voor nieuwe kantoren op C-locaties gemaakt worden zal afhankelijk van het gebied gekeken worden wat de maximumnorm moet worden.

5.2: Voorzieningen Bij het vaststellen van parkeernormen voor voorzieningen vormen de actuele kencijfers van de CROW het uitgangspunt, gecombineerd met actuele Amsterdamse gegevens over de verkeersgeneratie van specifieke functies. Toelichting: Bij de toetsing aan de hand van de kencijfers zal gebieds- en functiespecifiek gekeken worden of de parkeervraag op eigen terrein moet worden opgelost of dat de parkeervraag op straat kan worden opgevangen. Indien de parkeervraag op straat wordt opgevangen zal aanvullend beoordeeld worden of de werknemers van de betreffende voorziening in aanmerking komen voor een parkeervergunning of niet.

5.3: Woningen Bij het toetsen van nieuwbouwplannen wordt de onderstaande tabel gehanteerd. Aantal geëiste en maximaal toegestane parkeerplaatsen per woning

A-locaties

B-locaties

C-locaties

MinimumMaximumMinimumMaximumMinimumMaximumparkeernorm parkeernorm parkeernorm parkeernorm parkeernorm parkeernorm

Vrije sector -Woningen tot 30 m² bvo -Woningen tussen 30 m² en 60 m² bvo -Woningen boven de 60 m² bvo

geen geen geen

1 1 1

0,13 0,3 0,6

1 1 1

Maatwerk

Maatwerk

Sociale- en middeldure huur

geen

1

geen

1

Maatwerk

Maatwerk

Tabel: Parkeernorm bij nieuwbouwwoningen per type woning, voor bewoners (exclusief bezoek). Bewoners worden uitgesloten van parkeervergunningverlening. Bvo = bruto vloeroppervlak.

Toelichting: Bij de C-locaties wordt gebiedsspecifiek gekeken of de parkeervraag op eigen terrein moet worden opgelost of dat deze op straat kan worden opgelost. Verder wordt naar de beschikbare (openbare) ruimte gekeken en naar de actuele parkeerdruk op het maatgevende moment. Gezien de mindere openbaar vervoerbereikbaarheid van de C-locaties is het uitgangspunt bij de toetsing 1 parkeerplaats per woning. Hiervan kan, onderbouwd, naar boven en naar beneden worden afgeweken. Bij B-locaties kan de gemeente op verzoek van de ontwikkelaar de minimumparkeernorm met 3 Bij projecten met minder dan 100 woningen wordt geen minimumparkeereis gesteld. De norm komt dan op o,o parkeerplaats per woning. 41

maximaal 20% verlagen wanneer de ontwikkelaar deelconcepten aanbiedt. Uitzondering: bij kleine projecten waarbij de minimumnorm op 4 parkeerplaatsen of lager uitkomt geldt een standaard vrijstelling van de parkeernorm. Per project zal bepaald worden of de nieuwbouw wordt uitgesloten van parkeervergunningverlening. Hierbij zal de parkeerdruk op het maatgevend moment en de beschikbare openbare ruimte bepalend zijn.

5.4: Transformatie Bij transformatie worden de parkeernormen volgens de gegeven beleidsregels toegepast. Toelichting: Bij de toetsing wordt de ontwikkeling volgens de voor de functie geldende parkeer normen beoordeeld om te zien wat de parkeervraag is van de nieuwe functie. Uitzondering: Wanneer de fysieke situatie hiertoe aanleiding geeft kan van de geldende normen worden afgeweken. Deze afwijking kan zowel naar beneden (er zijn minder parkeerplaatsen op eigen terrein dan de norm voorschrijft) als naar boven (er zijn meer parkeerplaatsen op eigen terrein dan de norm voorschrijft) zijn. Wanneer er naar beneden wordt afgeweken zal de gemeente aangeven of het project wordt uitgesloten van parkeervergunningverlening of niet. Bij de afweging om een functie uit te sluiten van vergunningverlening wordt gekeken naar de parkeerdruk op het moment en de parkeervraag in het kader van de transformatie.

Paragraaf 6: Afwijken van parkeernormen Het college kan afwijken van de parkeernormering en vergunningverlening bij nieuwbouw, indien naar het oordeel van het college het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein bij een ontwikkeling op overwegende bezwaren stuit , en naar het oordeel van het college op andere geschikte wijze in de benodigde parkeerplaatsen wordt voorzien. Het college kan daarbij voorwaarden opnemen in de vergunning. Toelichting: Overwegende bezwaren kunnen zijn dat het redelijkerwijs fysiek onmogelijk is of, uit verkeersveiligeidsoogpunt niet aanvaardbaar is om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Het realiseren van parkeerplaatsen elders dan op eigen terrein dient planologisch bestemd en voldoende verzekerd te zijn. Ook de samenhang met de ontwikkeling moet voldoende zijn geborgd. De parkeerplaatsen dienen op redelijke afstand van de functie te worden gerealiseerd. De richtlijnen van de Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) inzake de afstand tot de functie zijn hierbij maatgevend.

Indien de ontwikkeling meerdere functies omvat kan in de afweging het gecombineerd gebruik van de parkeerplaatsen worden meegenomen mits ten behoeve van de woonfunctie het minimum aantal parkeerplaatsen is gegarandeerd, en dit vanwege bijvoorbeeld de verkeer aantrekkende werking van gecombineerd gebruik niet op bezwaren stuit. Parkeervergunningverlening is slechts mogelijk indien de parkeerdruk in de omgeving van de ontwikkeling dit toelaat, inclusief de parkeerdruk vanuit de nieuw te realiseren functie.

Paragraaf 7: Hardheidsclausule Het college kan van de bepalingen opgenomen in dit beleid afwijken, voor zover de toepassing gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Paragraaf 8: Toepassingsbereik en inwerkingtreding 8.1: De Nota Parkeernormen is van toepassing op een vergunning aanvraag omgevingsrecht die is ingediend, en alle ontwikkelingen waarvoor de eerste grondprijsovereenkomst wordt vastgesteld, na de inwerkingtreding van de Nota Parkeernormen. 42

8.2: Inwerkingtreding De Nota Parkeernormen treedt in werking op 1 juli 2017.

Bijlagen Nota Parkeernormen Auto

BIJLAGE 2 – Sociale huurwoning Sociale huurwoning Woningen met een huur onder de liberalisatiegrens (€ 710,68 in 2016) behoren tot de sociale of reguleerde huursector. Voor deze woningen mag de huur niet hoger zijn dan het bedrag dat redelijk wordt geacht op basis van het puntensysteem voor huurwoningen (woningwaarderingsstelsel) is de maximale huurprijsgrens. De overheid stelt jaarlijks het percentage vast waarmee deze huren mogen stijgen.

Wat bepaalt of een woning sociale huurwoning is of niet? De aanvangshuur (de huur die in het huurcontract staat) ligt op of onder de liberalisatiegrens. Dat is kale huur, dat wil zeggen zonder servicekosten, gas, elektra en dergelijke. Het kan voorkomen dat een zittende huurder door de jaarlijkse huurverhogingen een huur heeft gekregen boven de liberalisatiegrens, mits de huur niet hoger is dan de maximale huurprijs volgens het puntensysteem. De woning is dan nog steeds een sociale huurwoning. Woningcorporaties moeten per 1-1-2016 ten minste 90% van de vrijkomende sociale huurwoningen toewijzen aan de doelgroep, dat wil zeggen mensen met een inkomen tot € 39.874,-. Ten minste 80% van de vrijkomende sociale huurwoningen moeten worden toegewezen huishoudens met een inkomen tot € 35.739,-. Huishoudens met recht op huurtoeslag moeten in principe een woning toegewezen krijgen met een huur onder de aftoppingsgrenzen van € 586,68 en € 628,76 (voor 95% van de gevallen = passendheidsnorm). Woningcorporaties hebben derhalve 5% speelruimte.

Maximale huur Wat een verhuurder voor een sociale huurwoning mag vragen, wordt bepaald door het aantal WWS-punten. Het aantal punten bepaalt de maximum toegestane huurprijs.

43

Particuliere ontwikkelaars Het realiseren van sociale huurwoningen is geen alleenrecht voor woningcorporaties. Ook particuliere ontwikkelaars kunnen deze realiseren en exploiteren. Soms leidt dit wel tot onduidelijkheden of discussies. Omdat particuliere ontwikkelaars in veel gevallen in de details het wat anders regelen dan corporaties. Zo was er discussie met Bouwinvest over de sociale huurwoningen op het Stadionplein (met name voor ouderen). Discussie was daarbij hoe die woningen voor bepaalde ouderen wel bereikbaar zijn als bewoners geconfronteerd worden met een inkomensdaling. Na een gesprek hierover heeft Bouwinvest toegezegd in specifieke gevallen bereid te zijn de kale huurprijs te verlagen zodat de rekenhuur onder de liberalisatiegrens komt te liggen en bewoners dan toch in aanmerking komen voor huurtoeslag (bij particuliere verhuur gelden geen aftoppingsgrenzen). (Rekenhuur = de kale huur plus enkele subsidiabele servicekosten, zoals kosten voor de lift, verlichting, schoonmaakkosten en dergelijke).

Woonvergunning Als iemand een sociale huurwoning gaat bewonen (dus met een huur tot € 710,68) of als eigenaar een koopwoning verhuurt tot hetzelfde bedrag, of de eigenaar iemand gratis laat wonen, dan is in Amsterdam een woonvergunning verplicht. De woningcorporaties verlenen zelf de woonvergunningen, de gemeente aan particulieren. Voor onzelfstandige woningen is geen woonvergunning vereist. De woonvergunning is niet meer dan een beslissing van de gemeente dat iemand in een bepaalde woning mag gaan wonen. Ook hier was laatst in Zuid discussie over met betrekking tot het gebouwde Woenstduinstraat­ complex. Indien een woning evident geen sociale huurwoning is, is het beleid van de gemeente om dan geen woonvergunning af te geven. Omdat de gemeente een anterieure overeenkomst had afgesloten met de eigenaar van de woningen met als afspraak dat hij de woningen voor tien jaar als sociale huurwoning zal gaan verhuren, heeft de gemeente in dat geval alsnog de benodigde woonvergunningen verleend.

44

Bijlagen Nota Parkeernormen Auto

BIJLAGE 3 – Oude parkeernormen Overzicht van de parkeernormen 2016 Oude normen

A-locaties

B-locaties

C-locaties

Kantoren

Minimaal 1: 250 m² bvo Maximaal 1:250 m² bvo

Minimaal 1:125 m² bvo Maximaal 1:125 m² bvo

Maatwerk

Voorzieningen

Maatwerk

Transformatie van bestaande panden

Maatwerk

bvo = bruto vloeroppervlak. Oude normen

Centrum

West

Nieuw-West

Zuid

Zuidoost

Vrije-sectorwoningen

Geen minimumMinimaal 1 norm pp/pw Maximaal 0,5 pp/pw Geen maximum

Noord

Minimaal 0,6 pp/pw Maximaal 0,9 pp/pw

Minimaal 1 pp/pw Geen maximum

Minimaal 1 pp/pw Geen maximum

Minimaal 1 pp/pw Geen maximum

Sociale huurwoningen

Geen minimumMinimaal 0,5 norm pp/pw Maximaal 0,5 pp/pw Geen maximum

Minimaal 0,4 pp p/w Maximaal 0,6 pp/pw

Minimaal 0,7 pp/pw Geen maximum

Minimaal 0,7 pp/pw Geen maximum

Minimaal 0,5 pp/pw Geen maximum

Studentenwoningen

Geen minimumMinimaal 0,1 norm pp p/w Maximaal 0,5 pp/pw Geen maximum

pp p/w = parkeerplaats per woning.

Oude normen stadsdeel Oost Parkeernormen per gebied in Oost Gebied 1a

Gebied 1b

Gebied 2

Gebied 3

Categorie

Maximum normen

Bandbreedte

Bandbreedte

maatwerk

Sociale huur

0,5

0,5 - 1

0,7 - 1

maatwerk

Middeldure huur of middeldure koop

0,7

0,7 - 1

0,9 – 1,4

maatwerk

Dure huur en koop

1

0,9 – 1,5

1-2

maatwerk

Serviceflat/ aanleunwoning

0,2

0,2 – 0,6

0,2 – 0,6

maatwerk

Kamerverhuur

0,15

0,15 – 0,6

0,15 – 0,6

maatwerk

Definities: Sociale huur: huur onder liberalisatiegrens. Middeldure huur en middeldure koop: huur van liberalisatiegrens tot en met € 950,-. Koopprijs onder de € 260.000,-. Dure huur en koop: huur boven de € 950,- en koopprijs boven de € 260.000,-. Serviceflat/aanleunwoning: zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen. Kamerverhuur: verhuur onzelfstandige woningen en studentenwoningen.

45

Onderstaande kaart is een gebiedsindeling van stadsdeel Oost. Gebied 1a is de omgeving van het Amstelstation. Gebied 1b is onder andere de Weesperzijdestrook, Oosterparkbuurt, Transvaalbuurt en de Oostelijke Handelskade. Gebied 2 is het grootste gedeelte van het overig bebouwde deel van stadsdeel Oost. Gebied 3 zijn gebieden met diverse karakters en functies.

46

Bijlagen Nota Parkeernormen Auto

BIJLAGE 4 – Bronverwijzingen Verwijzingen (alfabetisch) Afspraken op Hoofdlijnen (2015), Gemeente Amsterdam Amsterdamse Thermometer van de Bereikbaarheid (2015), Gemeente Amsterdam Beleidsregel bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek (2004). Beleidsregel Parkeernormen Deventer 2013 (2013), Gemeente Deventer Bouwen aan de Stad II (2014), Gemeente Amsterdam Creatief parkeren in Nieuw-West. Nota Parkeernormen. Uitwerking Parkeerbeleidsplan 2012-2020, versie 1.0 (2012), Gemeente Amsterdam, stadsdeel Nieuw-West Duurzaam Amsterdam (2015), Gemeente Amsterdam Koers 2025.

Ruimte voor de stad (2016), Gemeente Amsterdam Locatiebeleid Amsterdam (2008) Nota parkeernormen Centrum 2013 (2013) Gemeente Amsterdam, stadsdeel Centrum Nota Parkeernormen Deventer 2013 Auto en Fiets (2013), Gemeente Deventer Nota Parkeerbeleid stadsdeel Oost 2012 (2012), Gemeente Amsterdam, stadsdeel Oost Nota Parkeernormen Den Haag (2011), Gemeente Den Haag Nota Parkeernormen stadsdeel Oost 2011, conceptversie (2011),Gemeente Amsterdam, stadsdeel Oost Onderzoek Parkeerbehoefte Zuidas (2014), Ecorys Overspannen of ontspannen? (2015), WOON Amsterdam Parkeernota 2012-2020 (2012), Gemeente Amsterdam, stadsdeel West Parkeernota Zuidoost 2008 (2008), Gemeente Amsterdam, stadsdeel Zuidoost Parkeerverordening (2013), Gemeente Amsterdam Parkeren en ruimtelijke ordening. Een wereld te winnen (2014), Kennisplatform Verkeer en Vervoer, KpVV Parkeren in Beweging. Parkeerplan Rotterdam 2015-2018, consultatieversie (2015), Gemeente Rotterdam Parkeren in Zuid. Nota Parkeren 2011, geactualiseerde versie 2014 (2014), Gemeente Amsterdam, stadsdeel Zuid Parkeren op maat stadsdeel Noord (2012) Ruimte voor de Stad. Ontwikkelstrategie Amsterdam 2025 (2015), Gemeente Amsterdam Stad in Balans. Startdocument (2015), Gemeente Amsterdam Strategische Kennisagenda.

Transformatie & Verdichting (2015), Gemeente Amsterdam Structuurvisie Amsterdam 2040: Economisch sterk en duurzaam (2015), Gemeente Amsterdam Toetsingskader Noodzaak Gebouwd Parkeren (2004) Uitvoeringsagenda Mobiliteit (2015), Gemeente Amsterdam Verordening Parkeerbelastingen (2016), Gemeente Amsterdam 47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10552499/1