CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Monitor Rapportage_actielijn_4_def_nieuwe_stijl.pdf

RAAD 8 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de stand van zaken uitvoeringsagenda voedselstrategie en voedselmonitor (VN2025-012583)8.017 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Monitor voedsel in Amsterdam: Stadslandbouw en korte ketens oktober 2024 Uit de enquête uitvraag van O&S in 2024 blijkt dat 45 procent van de Amsterdammers bekend is met stadslandbouw, en dat 8 procent actief participeert. Amsterdammers waarderen stadslandbouw om redenen zoals dat het bijdraagt aan een beter milieu en klimaat, omdat participatie voldoening geeft, omdat het een manier is om aan gezond voedsel en voedsel uit de regio te komen, voedselverspilling tegen te gaan of zo aan goedkoop eten te komen. Meer betrokkenheid bij voedselproductie en meer consumptie van voedsel uit de regio wordt gezien als potentieel om het voedselsysteem duurzamer en gezonder te maken (Baarsma, 2020). Op basis van een nieuw ontwikkelde rekenmethode (met een grote onzekerheidsmarge) schat O&S in dat 15 procent van de Amsterdamse voedselconsumptie afkomstig is uit Nederland en 11 procent uit de 4 omliggende provincies (Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland).

De gemeente Amsterdam wil Amsterdammers bewuster maken van de productie, distributie, bereiding en consumptie van voedsel, zodat zij duurzamer eten uit de regio gaan kopen, gezonder gaan eten en minder voedsel verspillen. De Amsterdamse voedselstrategie streeft deze doelen na door stadslandbouw en korte ketens te stimuleren. Aan de productiekant gebeurt dit bijvoorbeeld door de bekendheid van stadslandbouw en het aantal deelnemers het beschikbare areaal voor stadslandbouw te vergoten. Aan de consumptiekant wordt gewerkt aan het meer toegankelijk maken van lokale producten voor een groter publiek, door bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van marktplaatsen. In het eerste deel van dit rapport wordt bekendheid met en deelname aan stadslandbouw besproken. In het tweede deel wordt het aandeel voedselconsumptie dat afkomstig is uit de regio in beeld gebracht, ook ten opzichte tot de doelstelling van 2030. Daarnaast wordt er gewezen op de keuzes die gemaakt zouden kunnen worden om de monitoring hiervan te verbeteren. Voor beide onderdelen worden de eigen methode en resultaten apart beschreven, omdat beide een andere aanpak vereisen.

1

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

foto: Edwin van Eis.

1 Stadslandbouw Uit een enquête van O&S in 2020 bleek dat 10 procent van de Amsterdammers bekend met of betrokken was bij stadslandbouw, als bezoeker, vrijwilliger, initiatiefnemer of consument. De ambitie is om dat in 2026 te verdubbelen naar 20 procent, door de impact van bestaande initiatieven en de ruimte in de stad voor deze initiatieven te vergroten.

Indicatoren Om de ontwikkeling richting het hoofddoel te volgen wordt er gekeken naar de mate van bekendheid met en participatie in stadslandbouw. Daarbij wordt er gekeken naar de redenen om deel te nemen aan stadslandbouw, welke producten men van stadslandbouw haalt en hoeveel van de voedselconsumptie dit ongeveer beslaat. Over de omvang van de stadslandbouwinitiatieven is het voorlopig alleen mogelijk om het aantal initiatieven per type te volgen. In vervolgonderzoek kan de grootte, productie en aantal betrokkenen bij stadslandbouw in kaart gebracht worden (vervolgonderzoek Stichting Stadslandbouw Amsterdam en het bureau And The People). De gemeentelijke organisatie heeft geen informatie beschikbaar over de herkomst van voedsel dat de gemeente inkoopt. Om deze reden is het niet mogelijk om aandeel regionaal voedsel van de gemeentelijke organisatie weer te geven of te monitoren op dit moment.

Methode De data over aantal en type stadslandbouwinitiatieven is afkomstig van de stadslandbouwkaart op maps.amsterdam.nl. De informatie met betrekking tot de bekendheid met en deelname aan stadslandbouw, de waardering van stadslandbouw en voedsel dat men van stadslandbouw haalt, is afkomstig uit de O&S enquête uitgevoerd in april 2024. In deze enquête zijn verschillende vragen over voedsel gesteld aan Amsterdammers. Een deel daarvan ging over stadslandbouw. De enquête telt 1.872 respondenten. Sommige van de hier getoonde resultaten gaan over een veel kleiner aantal respondenten. De reden hiervoor is dat er in sommige gevallen selecties gemaakt zijn om alleen de mening van deelnemers aan stadslandbouw weer te geven. In de bijlage is een beschrijving van de dataverzameling en bewerking over de enquête te vinden.

2

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Resultaten Op maps.amsterdam.nl/stadslandbouw wordt een kaart weergegeven van de stadslandbouw in Amsterdam. In de onderstaande figuur wordt het aantal bestaande en initiatieven in uitvoering weergegeven naar het type stadslandbouw. De stadslandbouwkaart is naar alle waarschijnlijkheid niet geheel uitputtend, maar wel voor een groot deel dekkend wat betreft bestaande stadslandbouw. Figuur 1 laat zien dat de meeste stadslandbouwinitiatieven moestuinen betreffen, namelijk 62 procent. Voedselbossen, stadsboerderijen, kinderboerderijen en kruidenboerderijen zijn er ongeveer evenveel in de stad en hebben elk een aandeel van tussen de 6 en 7 procent. Schooltuinen maken 5 procent uit van stadslandbouw in Amsterdam. Voedselcoöperaties en ‘vertical farming’ beslaan het kleinste aandeel in stadslandbouw, met elk een aandeel van 2 tot 3 procent. Figuur 1. Stadslandbouwinitiatieven naar type in Amsterdam, 2024 (aantallen)

bron: maps.amsterdam/stadslandbouw

45 procent van Amsterdammers bekend met stadslandbouw, 8 procent neemt ook deel Uit de enquête onder Amsterdammers blijkt dat 45 procent van de respondenten bekend is met stadslandbouw en dat 8 procent deelnemer is in de vorm van betrokkene of gebruiker. Een van de doelen van de voedselstrategie is om 20 procent van bewoners van Amsterdam bekend met en/of betrokken te laten zijn met stadlandbouw in 2026. Afhankelijk van de interpretatie van het doel, is het mogelijk te zeggen dat het doel al ruim is gehaald. Als het doel zodanig geïntegreerd wordt dat dit ook werkelijk deelname in moet houden, dan is er nog een weg te gaan om het doel van 2026 te bereiken. In een eerdere enquête onder Amsterdammers uitgevoerd in 2020 door O&S is gevraagd naar deelname aan stadslandbouw. Uit deze enquête bleek dan zo’n 10 procent van de Amsterdammers bekend was met of deelnam aan stadslandbouw. De vraagstelling van de vorige enquête wijkt af van de vraagstelling in de huidige enquête, vanwege praktische redenen, zoals de wensen voor en de lengte van de huidige vragenlijst. Om deze reden is het lastig om de huidige meting te vergelijken met de vorige. Figuur 2. Aandeel Amsterdammers bekend met/deelnemer aan stadslandbouw, 2024 (n=1872, procenten)

3

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

bron: O&S enquête

Hbo/wo opgeleiden geven vaker aan deelnemer te zijn aan stadslandbouw. Andere verschillen in deelname, zoals per stadsdeel waar de Amsterdammer woont, zijn maar heel klein. In de enquête is aan Amsterdammers gevraagd waarom ze meedoen aan voedselinitiatieven zoals stadslandbouw. In de onderstaande figuur 3 zijn de antwoorden gegeven van de selectie van respondenten die hebben aangegeven deelnemer aan stadslandbouw te zijn. De meesten geven aan dat ze zo bijdragen aan een beter milieu en klimaat en/of dat het ze voldoening geeft om te participeren (zie figuur 3). Voor 37 procent is het een manier om aan regionaal voedsel te komen of zo voedselverspilling tegen te gaan. Voor 34 procent is het een manier om aan gezond eten te komen en voor 28 procent een manier om aan goedkoop eten te komen. Zo’n 32 procent vindt het bijdragen aan een goede sfeer in de buurt. Ongeveer een vijfde geeft aan dat het bijdraagt aan gezelligheid en het opdoen van contacten. Ook een vijfde geeft aan het goed te vinden voor de mentale en/of fysieke gezondheid.

4

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Figuur 3. Waardering stadslandbouw door deelnemers, meerdere antwoorden mogelijk, 2024 (n=155, procenten)

bron: O&S enquête

Ongeveer vier vijfde van de deelnemers aan stadslandbouw haalt minder dan een kwart of niets van de wekelijkse voedselconsumptie uit stadslandbouw. Zo’n 13 procent zegt ongeveer een kwart van de wekelijkse voedselconsumptie uit stadslandbouw te halen; 4 procent van de deelnemers aan stadslandbouw haalt de helft of meer van de wekelijkse voedselconsumptie uit stadslandbouw. Groenten en fruit zijn de meest voorkomende producten die uit stadslandbouw gehaald worden. Dit wordt gevolgd door eieren. Vlees/vleeswaren en noten/zaden zijn minst voorkomende voedselproducten afkomstig uit stadslandbouw. Figuur 4. Type voedselproducten dat deelnemers van stadslandbouw halen, meerdere antwoorden mogelijk, 2024 (n=139, procenten)

bron: O&S enquête

Conclusie Stadslandbouw is voor een relatief groot deel, 45 procent, bekend onder de Amsterdammers. Participatie aan stadslandbouw is, met zo’n 8 procent, nog beperkt. Stadslandbouw staat nog vooral in het teken van duurzaamheid. Er is nog veel potentie om dit verder uit te breiden naar gezellig, gezond en betaalbaar. Deelnemers halen nog geen grote hoeveelheden voedsel uit

5

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

stadslandbouw. Vaak gaat het om groenten en fruit, dat een kleine aanvulling vormt op de wekelijkse voedselconsumptie.

2 Voedsel afkomstig uit de regio Gemeente Amsterdam, de MRA en de provincie Noord-Holland, hebben ten doel gesteld dat in 2030 tenminste 25 procent van ons voedsel bestaat uit regionaal, duurzaam geproduceerd voedsel. Om deze doelstelling te bereiken, is het van belang om inzicht te krijgen in de huidige situatie. Voor de huidige situatie zijn nog geen cijfers beschikbaar in de bestaande statistieken. Onderzoek uit 2021 van Wageningen Economic Research naar het aanbod van producten uit de korte keten heeft aangetoond dat het marktaandeel van deze producten in Nederland tussen de 3 en 4 procent van de totale voedselomzet ligt (Tacken et al., 2021). Deze schatting is gebaseerd op interviews met managers van supermarkten, inkopers en cateraars, en is later gewogen door drie experts van Wageningen Economic Research (Tacken et al., 2021). Uit de Superlijst Groen 2023 (Questionamark, 2023) blijkt dat bij twee grote supermarkten 47 procent van het verkochte groente en fruit afkomstig is van Nederlandse herkomst, binnen het lokale seizoen. Dit is al een stuk hoger dan de eerder genoemde 3 tot 4 procent en is positief nieuws voor de doelstelling van 25 procent, maar het blijft onduidelijk wat het percentage van Nederlandse herkomst is voor andere productgroepen en voor de periode buiten het lokale seizoen.

Bovendien ontbreekt informatie van andere grote supermarkten en gaat het hier alleen om regionaal/Nederlands aanbod zonder specifiek het kenmerk duurzaamheid. Omdat de voorgaande inschatting ontoereikend is om een exact beeld te krijgen van de huidige situatie en om de voortgang te monitoren, heeft O&S voor dit onderzoek een nieuwe (kwantitatieve) meetmethode ontwikkeld. Deze nieuwe berekeningsmethode is gebaseerd op gegevens over (vervoer)statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat maakt de methode geschikt voor monitoren. Tegelijkertijd kent deze nieuwe methode ook beperkingen en foutmarges. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk om ‘duurzame’ productie specifiek te onderscheiden. Doorontwikkeling in de berekeningsmethode blijft om deze redenen gewenst.

Methode In deze methodesectie wordt kort uitgelegd welke data is gebruikt en welke stappen zijn genomen om tot het percentage geconsumeerd voedsel afkomstig uit de regio te komen. Zie bijlage 2 voor een uitgebreide beschrijving van de methode. Het CBS publiceert cijfers over goederenstromen van verschillende provincies en heeft voor de circulaire monitor (O&S, 2024) specifieke goederenstromencijfers voor gemeente Amsterdam berekend. Deze cijfers zijn ook gebruikt voor de berekening van het aandeel regionaal voedsel dat geconsumeerd wordt in Amsterdam. In bijlage 2 wordt gedetailleerd beschreven welke specifieke CBS tabellen gebruikt zijn. Dat maakt de methode transparant, herhaalbaar en geeft de mogelijkheid voor anderen om suggesties te doen voor verbeteringen. De CBS cijfers zijn berekend op basis van o.a. goederenvervoer gegevens per zeeschip, binnenvaartschip, vrachtwagen, trein, vliegtuig en pijpleiding. Voor elke modaliteit is een apart registratiesysteem of methode van waarneming gebruikt (zie de verwijzing naar de CBS beschrijving van dataverzameling). Dat kan ervoor zorgen dat niet alle mogelijke goederenstromen geregistreerd zijn, denk bijvoorbeeld aan kleine hoeveelheden geproduceerde groenten die niet verplaatst worden of buiten de genoemde registratiesystemen vallen. Voor deze analyse zijn onder andere drie bestanden van het CBS gebruikt.

Deze CBS bestanden geven informatie over: 1. De instroom van verschillende soorten producten naar Amsterdam vanuit de provincies; 2. De consumptie van verschillende soorten producten door Amsterdamse huishoudens, bedrijven en overheid;

6

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

3.

Stadslandbouw en korte ketens

De verhouding tussen de invoer van goederen uit het buitenland, de rest van Nederland en het aanbod uit de eigen regio voor alle provincies afzonderlijk.

De eerste twee bestanden geven nog geen volledig beeld van de herkomst van producten, omdat zij slechts iets zeggen over de herkomst van producten één stap terug in de keten. Producten kunnen echter ook een lange keten afleggen, met oorsprong in het buitenland, waarbij alleen de laatste ketenstap in Nederland plaatsvindt. Zo kunnen Chileense avocado’s worden ingevoerd in de Rotterdamse haven en vervolgens verwerkt worden tot guacamole ergens anders in ZuidHolland, alvorens deze lading naar Amsterdam wordt vervoerd om daar te worden geconsumeerd. Eén stap terug in de keten is deze guacamole dan ingevoerd vanuit Nederland, maar als er nog één stap terug in de keten zou worden gegaan, wordt duidelijk dat het in werkelijkheid om een buitenlands product gaat. Daarom is met het derde CBS bestand, met invoercijfers van de provincies, ook een schatting gemaakt van de herkomst van producten twee stappen terug in de keten. Als een provincie bijvoorbeeld veel invoer heeft vanuit het buitenland, is de kans groter dat de uitvoer van deze provincie naar Amsterdam ook voor een aanzienlijk deel bestaat uit buitenlandse producten. Daarnaast is ter validatie gekeken naar de landbouwproductiestatistieken van het CBS om een beeld te krijgen van de mogelijke voedselproductie in een provincie. Zie de bijlage voor meer uitleg hierover.

Een andere belangrijke kanttekening, is dat het CBS cijfers publiceert op een hoog-geaggregeerd niveau. Dat wil zeggen dat het CBS data beschikbaar stelt op het niveau van brede productgroep categorieën, in plaats van individuele producten. Het nadeel hiervan is dat onder de overkoepelende productgroep met voornamelijk producten voor menselijke consumptie, ook voedsel voor dieren en ander organisch materiaal is geschaard (zoals sierplanten). Dit zorgt voor ruis in de berekeningen. Om de invloed van deze ruis enigszins te beperken, maken we in dit rapport gebruik van een andere, door O&S berekende, bottom-up inschatting van de hoeveelheid geconsumeerd voedsel.

Resultaten Schatting: ongeveer 15 procent van de Amsterdamse voedselconsumptie komt uit Nederland Op basis van de CBS gegevens over herkomst van goederen zou het aandeel van in Amsterdam geconsumeerd voedsel voor 29 procent afkomstig zijn uit Nederland en voor 23 procent uit de vier omliggende provincies (zie bijlage 2 voor gedetailleerde berekening). Dit is op basis van de CBS gegevens één stap terug in de keten. Wanneer dit percentage wordt gecorrigeerd voor twee stappen terug in de keten (zie de bijlage 2 voor de specifieke beschrijving van de aanpak voor de correctie), komt het aandeel voedselconsumptie dat uit Nederland afkomstig is op 15 procent, waarvan 11 procent uit de direct omliggende provincies. Om de doelstelling van 25 procent tegen 2030 te bereiken, moet dit aandeel jaarlijks met ongeveer 1,3 procent toenemen. Figuur 5. Aandeel consumptie van Nederlandse productie in 2022 ten opzichte van 2030 doelstelling

7

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

30 25 20 15 10 5 0

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Consumptie van lokale productie (%)

2028

2029

2030

Doelstelling (%) bron: O&S

Om een beeld te krijgen van de totale omvang in gewicht, van geconsumeerde voedingsproducten van regionale herkomst, zijn cijfers over de inschatting van Amsterdamse consumptie van O&S gebruikt. Volgens berekeningen van O&S van gemeente Amsterdam bedraagt het totaalgewicht van de in Amsterdam geconsumeerde voedingsproducten 895 kiloton in een jaar (2023). Zowel voedsel als dranken zijn hierin meegerekend, maar geen (kraan)water. Als de percentages over herkomst van voedsel berekend op basis van CBS cijfers op deze hoeveelheid worden toegepast, dan zou van alle voedselconsumptie in Amsterdam 132 kiloton afkomstig zijn uit Nederland. Als slechts de vier omliggende provincies als regionaal worden gedefinieerd is dit 98 kiloton. In totaal komt 763 kiloton van alle geconsumeerde voedingsproducten uit het buitenland.

Figuur 6. Amsterdamse consumptie O&S van en berekening aandeel regionaal, 2023, (kiloton)

bron: O&S

Landbouwproductiecijfers ter validatie van aantal ketenstappen per voedseltype Op basis van de landbouwproductiecijfers van het CBS, gegevens uit de Basisregistratie Gewaspercelen en Faostat, zien we dat niet alle typen voedsel die geconsumeerd worden door Amsterdammers werkelijk verbouwd worden in Nederland en specifiek de omliggende regio rondom Amsterdam. Niet alle voedselproducten kunnen namelijk op grote schaal én op een duurzame manier in Nederland of in de nabije omgeving worden geteeld. Bovendien, om alle goederen voor de Nederlandse consumptie te produceren is drie keer het Nederlandse landoppervlak nodig (CLO, 2015).

8

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

In de omgeving van Amsterdam wordt relatief weinig plantaardig voedsel verbouwd (zie figuur 7). Wel is er veel grasland, waar koeien op kunnen grazen, wat dierlijke voedingsmiddelen oplevert, zoals melk, eieren en vlees. De dichtstbijzijnde landbouwgebieden waar meer plantaardig voedsel wordt verbouwd zijn in de kop van Noord-Holland en een groot deel van Flevoland.

Figuur 7. Landbouwgrond naar gewas, 2022, Nederland

9

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

bron: eigen berekeningen en visualisatie op basis van voornamelijk CBS-gegevens, Basisregistratie Gewaspercelen en Faostat

Uit de schatting van de Nederlandse landbouwopbrengst blijkt dat in Nederland met name een klein aantal plantaardige producten wordt geteeld, zoals suikerbieten, wintertarwe, aardappelen, uien, tomaten, paprika’s en winterpeen (zie figuur 15 in de bijlage). De verscheidenheid van plantaardige voedingsmiddelen dat in de supermarkt verkrijgbaar is, is echter vele malen groter en bevat ook veel exotische producten, bijvoorbeeld avocado’s, bananen, koffie, cacaoproducten. Hierdoor lijkt de Nederlandse voorzieningsgraad voor veel plantaardige voedingsmiddelen beperkt. Dit blijkt ook uit onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) uit 2009 (Knijff et al., 2011). In figuur 8 is te zien dat dit onderzoek onder meer aantoont dat de Nederlandse productie van vers fruit slechts 55% van de totale binnenlandse behoefte dekt, terwijl de voorzieningsgraad voor peer en appel ruimschoots voldoende is (respectievelijk circa 250% en 155%). Bij de berekening van de voorzieningsgraad is geen onderscheid gemaakt tussen normale en duurzame productie. Figuur 8. Voorzieningsgraad Nederland, 2009, (procenten)

10

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

730%

Kalfsvlees 460%

Groente vers 300%

Consumptieaardappelen Varkensvlees

260%

Suiker

215%

Kaas

200%

Pluimveevlees

190%

Vis

80%

Rundvlees

65%

Graan

60%

Fruit vers

55% 0%

100% 200% 300% 400% 500% 600% 700% 800% Voorzieningsgraad Nederland 2009 (%) bron: LEI Wageningen UR, op basis van Eurostat en data Productschappen

Amsterdammers kopen vaak voedsel uit Nederland, maar het blijft een beperkt aandeel in totale volume van voedselconsumptie In de enquête is aan de respondenten ook een aantal stellingen en vragen voorgelegd die te maken hebben met het kopen van voedsel uit de regio. Zo’n 8 procent van de respondenten geeft aan altijd of vaak voedsel rechtstreeks van de boer of maker te kopen (zie figuur 9). 44 procent van Amsterdammers geeft aan altijd of vaak voedsel te kopen dat uit Nederland komt. Dat ligt veel hoger dan de 15 procent dat uit de berekening van CBS gegevens blijkt. Dit geeft aan dat ook al kopen Amsterdammers vaak iets uit Nederland, het blijft een beperkt aandeel in totale volume van voedselconsumptie. Voedsel dat uit de directe regio van Amsterdam afkomstig is, is veel minder bekend bij de respondenten. Namelijk, 47 procent van de respondenten geeft aan dat ze hier niet van bewust zijn of het niet weten. Overigens, deelnemers aan stadlandbouw zijn niet uitsluitend diegenen die altijd/vaak voedsel kopen dat uit regio Amsterdam of direct van de boer/maker komt.

11

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Figuur 9. Mate waarin eens met de stellingen, 2024 (n=1872, procenten)

bron: O&S enquête

Aan de respondenten die geen of weinig voedsel uit de regio Amsterdam/Nederland kopen, is gevraagd wat de redenen hiervoor zijn (zie figuur 10). De meeste respondenten weten niet of het voedsel dat zij kopen uit de regio komt, vinden dat er maar op weinig plekken regionaal voedsel te koop is, weten niet waar ze voedsel uit de regio kunnen kopen of weten niet hoe ze het kunnen herkennen. Een kleine derde van de respondenten die geen of weinig voedsel uit de regio Amsterdam/Nederland kopen, vindt voedsel uit de regio te duur of de verkooppunten van regionaal voedsel niet goed bereikbaar. Het niet-belangrijk vinden is de minst gekozen (aangevoerde) reden. Slechts een klein aandeel van de respondenten, 8 procent, vindt voedsel uit de regio het niet belangrijk en koopt het daarom niet. Figuur 10. Redenen om weinig/geen voedsel uit regio Amsterdam/NL te kopen, meerdere antwoorden mogelijk, 2024 (n=619, procenten)

bron: O&S enquête

Conclusie Ongeveer 15 procent van het Amsterdamse voedsel wordt geschat van Nederlandse herkomst te zijn; 11 procent van al het Amsterdamse voedsel is afkomstig uit de vier provincies rondom Amsterdam. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen duurzaam en niet-duurzaam geproduceerde voedingsproducten. Als deze percentages worden toegepast op de Amsterdamse voedselconsumptie van 895 kiloton, dan is 134 kiloton afkomstig uit Nederland, waarvan 99 kiloton uit de vier omliggende provincies. Uit de enquête blijkt dat er voor respondenten verschillende redenen te zijn om geen voedsel uit de regio te kopen. Men vindt het vaak wel belangrijk, maar weet niet hoe voedsel uit de regio te herkennen of weet niet waar voedsel uit de regio te koop is.

12

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Het is belangrijk om bij het lezen van de percentages in dit rapport, rekening te houden met de toegepaste methode en de bijbehorende kanttekeningen. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de berekende percentages voor aandeel regionaal namelijk alsnog te hoog. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat op basis van de brondata, goederengroepen tot slechts één stap terug in de keten zijn geregistreerd. In dit rapport is daar een extra correctie op toegepast waardoor grofweg twee stappen terug in de keten is gegaan. Als alle stappen van de keten in beeld zouden zijn, zou het aandeel voedsel dat afkomstig is uit Nederland of de regio, naar alle waarschijnlijkheid een stuk lager uitkomen. De belangrijkste kanttekeningen bij het interpreteren van de percentages:  Bij meerdere stappen terug in de keten is het percentage regionaal voedsel waarschijnlijk lager.  De gebruikte CBS data is deels gebaseerd op een model en kent grote foutmarges en complexe definities. Toekomstige aanpassingen in deze data kunnen tot andere percentages leiden.  De voedsel-productgroepen in de CBS data bevatten ruis - niet eetbaar organisch materiaal. Dit zorgt ook voor onzekerheid in de berekening van aandeel regionaal.

 De registratie van vervoerstappen is iets anders dan de registratie van samenstelling en inhoud van producten – vooral bij samengestelde of complexe producten is de vraag waar elk afzonderlijk ingrediënt vandaan komt. Andere keuzes hierbij kunnen ook voor andere percentages regionaal leiden.  Percentages kunnen erg verschillen bij een andere definitie/voorwaarden voor regionaal (afstand, aantal schakels, streekgebonden). Scherpere definities, data en vervolgonderzoek Om de voortgang richting de doelstelling van 25 procent nauwkeuriger te kunnen monitoren, is niet alleen meer gedetailleerde data nodig, maar ook een scherpere formulering van de definitie voor 'regionaal' en 'duurzaam'. Er zijn meerdere vormen van duurzaamheid en het is nog onduidelijk welke vormen van duurzaamheid met de doelstelling worden beoogd. In het kader van duurzaamheid zou het ook nuttig zijn om de voedselvoorzieningsgraad van Nederland en/of de directe regio mee te nemen in de afweging van de doelstelling. Het is namelijk van belang om te weten in hoeverre de producten die nodig zijn voor een gezond dieet ook daadwerkelijk op een duurzame manier in Nederland verbouwd/geproduceerd kunnen worden. Ook wordt de term korte keten vaak in de context van regionaal gebruikt, terwijl dit in wezen twee verschillende dingen zijn. Een regionaal product kan uit een lange keten komen, met veel schakels.

Andersom kan een buitenlands, niet-regionaal product uit een korte keten komen. Aangezien de -in dit rapport besproken- meetmethode voor het schatten van de herkomst van voedingsproducten, een ruwe schatting betreft met de nodige kanttekeningen, is het raadzaam deze te valideren met andere methoden, zoals bijvoorbeeld steekproefonderzoek in supermarkten (tellen hoeveel en welke producten in Nederland geteeld zijn) of met het gebruik van supermarktdata, indien beschikbaar. Vergelijking met eerdere onderzoeken is lastig, met name vanwege verschillen in afbakening en definities. In de komende jaren zou deze methode opnieuw kunnen worden toegepast met de nodige (maatwerk-)bestanden van het CBS en mogelijk worden verbeterd.

Literatuurlijst

Baarsma (2020). Korte voedselketens dragen bij aan kringlooplandbouw. Opgehaald van https://esb.nu/korte-voedselketens-dragen-bij-aan-kringlooplandbouw/

13

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

CBS (2023). Gebieden in Nederland 2023. Opgehaald van https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85385NED/table CBS (2024). De goederenstromen van de provincies in 2015-2022. Opgehaald van https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2024/de-goederenstromen-van-deprovincies-in-2015-2022?onepage=true CBS (2024b). Vestigingen van bedrijven; zeggenschap, bedrijfstak, regio. Opgehaald van https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/81996NED/table CBS. Onderzoeksomschrijvingen. Opgehaald van https://www.cbs.nl/nl-nl/onzediensten/methoden/onderzoeksomschrijvingen CLO (2015). Nederlandse biodiversiteitsvoetafdruk, 1990 - 2010 (indicator 1464, versie 02, 17 september 2015). Opgehaald van https://www.clo.nl/indicatoren/nl146402nederlandse-biodiversiteitsvoetafdruk-1990-2010 European Union (2007). EU vocabularies. Opgehaald van http://data.europa.eu/1j7/nst2007/016 Gemeente Amsterdam (2023). Uitvoeringsagenda Voedselstrategie 2023-2026. Opgehaald van https://openresearch.amsterdam/nl/page/102015/uitvoeringsagendavoedselstrategie-2023-2026 Onderzoek en statistiek gemeente Amsterdam (2024). Monitor Circulaire Economie 2022. Opgehaald van https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/monitor-circulaireeconomie-2022 Tacken, G., Galama, J., Jaspers, P., Immink, V., & Aramyan, L. (2021). Korteketenproducten in Nederland: Zijn horeca, catering en supermarkten geïnteresseerd in producten uit de regio.

(Rapport / Wageningen Economic Research; No. 2021-013). Wageningen Economic Research. Opgehaald van https://doi.org/10.18174/541251 van der Knijff, A., Bolhuis, J., van Galen, M. A., & Beukers, R. (2011). Verduurzaming voedselproductie : inzicht in productie, import, export en consumptie van voedsel. (Nota / LEI : Onderzoeksveld Sector en ondernemerschap). LEI. Opgehaald van https://edepot.wur.nl/178007 Questionamrk (2023). Superlijst Groen 2023. Opgehaald van https://www.thequestionmark.org/download/superlist-report-nl-green-2023v1.0.nl.pdf

Bijlage 1: Beschrijving enquête O&S heeft in overleg met Ruimte en Duurzaamheid van de gemeente Amsterdam een vragenlijst opgesteld die ingaat op de volgende onderwerpen:  voedingsgewoonten en houding ten opzichte van een plantaardig dieet;  voedselverspilling;  toegang tot (gezond) voedsel;  bekendheid met en deelname aan stadslandbouw en voedsel uit de regio;  bekendheid, deelname en waardering van voedselinitiatieven. De volledige vragenlijst is op te vragen.

14

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

De dataverzameling vond plaats tussen 10 april en 6 mei 2024. Er zijn verschillende manieren van dataverzameling aangewend om voor voldoende respons te zorgen. Er is daarbij gelet op voldoende respons naar leeftijd, opleidingsniveau, inkomen en stadsdeel, om te zorgen voor een zo goed mogelijke weerspiegeling van de Amsterdamse bevolking. Er is een uitvraag gedaan onder 3.000 Amsterdamse stadspanelleden van O&S. In figuur 11 is te zien dat 1.274 van de panelleden hebben gerespondeerd. Ook is er een uitvraag gedaan onder 450 stadspaspanelleden om te zorgen voor voldoende respons binnen de groepen met lagere inkomens. Dit resulteerde in een respons van 160. Aanvullen zijn in elk stadsdeel face-to-face interviews uitgevoerd. Hiervoor is een verkorte versie van de vragenlijst gebruikt om het hanteerbaar te maken voor deze vorm van dataverzameling. De target voor het face-to-face gedeelte was ongeveer 250 respondenten. We richtten ons hierbij met name op werving van Amsterdammers met een migratieachtergrond door te enquêteren in buurten waar een bovengemiddeld aandeel inwoners een migratieachtergrond heeft. Met een respons van 244 hebben we de target bijna gehaald. Ook is de vragenlijst via social media uitgezet met het doel om vooral jongere respondenten te bereiken. Via dit kanaal is de vragenlijst 155 maal ingevuld. In totaal hebben 1.833 Amsterdammers de vragenlijst ingevuld.

Figuur 11 Respons op de enquête naar methode

bron: O&S enquête

De data vanuit deze totale respons is geïnspecteerd op bruikbaarheid. Er is een correctie uitgevoerd op hoeveelheden van geconsumeerd voedsel bij respondenten waarbij bleek dat er onrealistische waarden waren ingevuld. Om te zorgen voor zo representatief mogelijke resultaten is er een weging toegepast bij de analyse van de gegevens. De antwoorden zijn gewogen naar leeftijd en opleidingsniveau. De tabel hieronder laat een overzicht zien van de verdeling van de respons naar achtergrondkenmerken, zonder en met weging. Daarnaast wordt in de ‘Referentie’ kolom weergegeven hoe de werkelijke verdeling van Amsterdammers is op deze kenmerken. De weegfactor is op stadsniveau berekend, omdat het primaire doel is om een representatief beeld te geven op stadsniveau. Het weergeven van resultaten per stadsdeel is mogelijk omdat er tijdens de dataverzameling rekening gehouden is met voldoende respons per stadsdeel. Ten gevolge van de weging wijkt de uiteindelijke respons in omvang af van de ongewogen respons. In de analyses en rapportage van de resultaten wordt de gewogen respons van 1.872 aangehouden. Tabel 1. Overzicht enquête respons ongewogen, gewogen en populatie Ongewogen

Gewogen

Referentie

#

procent

#

procent

procent

16-34

346

19

710

38

39

35-49 jaar

379

21

448

24

25

50-64 jaar

474

26

374

20

21

65 plus

627

34

333

18

16

onbekend

7

0

7

0

max. mbo-1

276

15

291

16

21

havo/vwo, mbo-2t/m4

679

37

498

27

29

Leeftijd

Opleidingsniveau

15

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

hbo of wo onbekend totaal

Stadslandbouw en korte ketens

832

45

1.031

55

46

3

52

3

1.833

100

1.872

100

50 100 bron: O&S enquête

Bijlage 2: Methode berekening aandeel regionaal voedselconsumptie Methode Met behulp van CBS-cijfers over vervoersstromen van voedingsproducten naar Amsterdamse gebruiksgroepen (zoals huishoudens en horeca), is een poging gedaan om een meetmethode voor deze doelstelling te ontwikkelen, die geschikt is voor monitoring. Het CBS heeft berekend hoeveel kiloton voedingsproducten in Amsterdam worden ingevoerd, uitgesplitst naar gebruiksgroep en goederenstroom (figuur 12). Deze cijfers geven informatie over de herkomst van goederen één vervoersstap terug in de keten (zaden, sierplanten- en bloemen zijn ook meegenomen in de analyse als zijnde voedingsproducten, zie voor meer informatie de technische toelichting). De methodesectie van dit onderzoek kan opgedeeld worden in drie stappen: (1) Het berekenen van het percentage ingevoerde voedingsproducten van regionale herkomst, één stap terug in de keten. (2) Het berekenen van het percentage ingevoerde voedingsproducten van regionale herkomst, twee stappen terug in de keten. (3) Deze percentages vermenigvuldigen met de door O&S ingeschatte voedsel consumptie in Amsterdam, in kiloton. Aan de hand van deze stappen is een schatting gemaakt van het aandeel en gewicht van geconsumeerde goederen van regionale herkomst.

Data De volgende databronnen zijn gebruikt voor deze analyse. De namen van de tabellen zoals genoemd door CBS zijn hier vermeld. Regionale stromen Dit bestand beschrijft een schatting van de regionale goederenstromen vanuit, naar en door de COROP-plusregio Amsterdam in totaal brutogewicht, uitgesplitst naar CE25 goederengroep, stroom en gebruiksgroep, zie figuur 12. De COROP-plusregio Amsterdam staat gelijk aan de Gemeente Amsterdam in 2022 (CBS, 2023). Bron: 140324 Tabel Regionale stromen 2015-2022 Amsterdam gebruik categorieën v2.xlsx (CBS) Figuur 12. Schematisch overzicht van de goedereninstroom naar Amsterdam, uitgesplitst naar stroom en gebruiksgroep in 2022 ( CBS, Tabel Regionale stromen Amsterdam, 2022).

16

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

bron: CBS, visualisatie door O&S

17

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

COROP instroom Dit bestand beschrijft de goederenstromen naar de COROP-plusregio Amsterdam vanuit verschillende landen/provincies/regio’s in binnen -en buitenland, uitgesplitst naar NST2007 categorie (specifieker dan CE25 categorie), er is in dit bestand geen onderscheid gemaakt in gebruiksgroep en stroom. De COROP-plusregio Amsterdam staat gelijk aan de Gemeente Amsterdam (in 2022), zie bijlage 2. Bron: 231128_COROP_instroom.xlsx (CBS) Het COROP-plusgebied in Amsterdam heeft dezelfde geografische omtrek als de Gemeente Amsterdam, zonder Weesp in 2022. Figuur 13. COROP-plusgebied Amsterdam in 2022 (CBS).

bron: https://www.arcgis.com

Regionale goederenstromen per provincie De set tabellen geeft inzicht in de goederenstromen vanuit, naar en door de 12 provincies. Bron: Regionale goederenstromen per provincie, 2015-2022 (CBS, 2024). Kanttekening productgroepen voedsel CBS data Een kanttekening bij alle databestanden over goederenstromen van het CBS is dat er een paar onzuiverheden zijn met betrekking tot de gebruikte databestanden, als het gaat om de afbakening van voedingsproducten. Zo bevat de NST2007 categorie ‘01.6 Levende planten en bloemen’ (die is geschaard onder de CE25 categorie ‘Land en tuinbouwproducten’) zaden, sierplanten -en bloemen (EU, 2007). Daarnaast bevat de categorie CE25 categorie ‘Voedsel, plantaardig’ veevoer. Waarschijnlijk valt het totaal aantal ingevoerde en gebruikte voedingsproducten hierdoor lager uit. Ook kan de inclusie van sierplanten -en bloemen en veevoer de grootte van de uitvoer van specifieke provincies hoger laten doen uitvallen. Wanneer een provincie bijvoorbeeld relatief veel sierplanten naar Amsterdam vervoert, kan onterecht het beeld ontstaan dat deze provincie veel voedingsproducten uitvoert naar Amsterdam, ook ten opzichte van andere provincies.

Kanttekening verschil in gebiedsindelingen CBS data In de gebiedsindeling van het bestand ‘231128_COROP_instroom.xlsx’ is de Metropoolregio Amsterdam (MRA) los meegenomen als gebied met uitvoer naar Amsterdam, naast alle provincies. Dit is niet het geval in het bestand met de invoercijfers van alle provincies (Regionale goederenstromen per provincie, 2015-2022). Het aandeel regionaal van de provincie NoordHolland is gebruikt om de uitvoer (naar Amsterdam) van de provincie Noord-Holland mee te corrigeren én de uitvoer van de MRA, het aandeel regionaal van Flevoland is gebruik om de uitvoer van Flevoland maar niet de MRA te corrigeren. Zie onderstaande tabel.

18

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Tabel 2. Gebiedsindeling van verschillende bestanden en koppeling van gebieden om het aandeel invoer van Nederlandse herkomst te kunnen corrigeren. Kolom la_gebied2 Kolom provincie (Regionale (231128_COROP_instroom) goederenstromen per provincie, 2015-2022) Drenthe

Drenthe

Flevoland maar niet MRA

Flevoland

Friesland

Friesland

Gelderland

Gelderland

Groningen

Groningen

Noord-Brabant

Noord-Brabant

MRA maar niet corop

Noord-Holland

Noord-Holland maar niet MRA

Noord-Holland

Overijssel

Overijssel

Utrecht

Utrecht

Zeeland

Zeeland

Zuid-Holland

Zuid-Holland

Amsterdamse Voedselconsumptie Dit is een door O&S opgebouwd bestand inzicht geeft in de totale Amsterdamse consumptie in kiloton, op basis van vaste en vloeibare voedingsmiddelen, maar exclusief kraanwater. De Amsterdamse voedselconsumptie wordt berekend op basis van Voedselconsumptiepeiling van RIVM (wat eet iemand per dag) te vermenigvuldigen met het aantal Amsterdammers in 2023. Toeristen zijn hierin meegenomen, in de vorm van consumptie door bijv. hotelgasten. Er is gekozen voor de voedselconsumptie berekening O&S, in plaats van CBS cijfers over voedselgebruik in de stad, omdat de berekening van O&S op een meer nauwkeurige manier de consumptie in beeld brengt. In de cijfers van het CBS zit meer ruis, van onder andere niet eetbare biomassa zoals sierplanten -en bloemen, maar ook verpakkingsgewicht. De gebruikte data en indicatoren worden in dit hoofdstuk verder toegelicht. Bron: Voedselverspilling_bottom_up.xlsx (RIVM, Onderzoek & Statistiek, Gemeente Amsterdam) Voedsel opbrengst per gemeente.xlsx De voedselopbrengst per gemeente is een combinatie van drie schattingen. Voor gewassen is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP). De oppervlaktes van deze percelen zijn toegekend aan de bijbehorende gemeentes.

Op basis van de totale oppervlaktes per gewas en opbrengststatistieken van het CBS en de Food and Agriculture Organization (FAO) is de opbrengst geschat. Voor de schatting van glastuinbouw zijn CBS statistieken gebruikt over glastuinbouw op nationaal, provinciaal, en gemeentelijk niveau. Voor dierlijke producten zijn afzonderlijk voor vlees, melk, en eieren schattingen gemaakt op basis van CBS beschikbare data over de nationale productie en het aantal gehouden dieren per gemeente. Bron: Voedsel opbrengst per gemeente.xlsx (Onderzoek & Statistiek, Gemeente Amsterdam)

Indicatoren Om het aandeel ingevoerde voedingsproducten van regionale herkomst te berekenen is de volgende formule gebruikt (toegepast op de Tabel Regionale stromen Amsterdam): 𝐴𝑎𝑛𝑑𝑒𝑒𝑙 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙 =

𝐴𝑎𝑛𝑏𝑜𝑑 𝑒𝑖𝑔𝑒𝑛 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜 + 𝐼𝑛𝑣𝑜𝑒𝑟 𝑛𝑎𝑡𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙 𝐼𝑛𝑣𝑜𝑒𝑟 𝑖𝑛𝑡𝑒𝑟𝑛𝑎𝑡𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙 + 𝐼𝑛𝑣𝑜𝑒𝑟 𝑛𝑎𝑡𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙 + 𝐴𝑎𝑛𝑏𝑜𝑑 𝑒𝑖𝑔𝑒𝑛 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜

Met deze gegevens en formule kan het aandeel regionaal worden berekend tot één stap terug in de keten van goederenstromen. Dit geeft nog niet het volledige beeld omtrent de herkomst van voedingsmiddelen. Het is namelijk goed mogelijk dat een groot aantal voedingsmiddelen met

19

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

herkomst Nederland (één stap terug in de keten) verwerkt zijn in Nederland, maar dat de grondstoffen, (deels) afkomstig zijn uit het buitenland. Daarom is ook een schatting gemaakt van de herkomst van producten twee stappen terug in de keten, met de verwachting dat dit het geschatte aandeel ingevoerde producten van Nederlandse herkomst zal verlagen en een betere benadering van de werkelijkheid oplevert. Om een schatting te kunnen maken van het Amsterdamse aandeel regionaal twee stappen terug in de keten, is ook het aandeel regionaal per provincie berekend. Hiervoor is het bestand Regionale goederenstromen per provincie gebruikt. Het provinciale aandeel regionaal geeft per provincie en goederengroep aan welk deel van de invoer uit Nederland komt en welk deel uit het buitenland. Het idee is dat hoe hoger het aandeel buitenlandse invoer van een bepaalde provincie en goederengroep, hoe groter de kans dat de uitvoer naar Amsterdam, van deze provincie en goederengroep, óók van buitenlandse herkomst is. Kortom, dit percentage vertegenwoordigt niet de werkelijke verhouding tussen binnenlandse en buitenlandse producten in de uitvoer van de provincies naar Amsterdam, maar is een benadering.

De instroom naar Amsterdam in kiloton (uit het bestand COROP instroom) is vervolgens met dit aandeel regionaal (percentage) naar beneden bijgesteld, dit is gedaan per goederengroep en provincie (de Metropoolregio zonder COROP-plusregio Amsterdam is geschaard onder de provincie Noord-Holland). Vervolgens is het percentuele verschil berekend tussen het nieuwe (gecorrigeerde) totale gewicht en het oorspronkelijke totale gewicht (zonder uitsplitsing naar goederengroep en provincie). De laatste stap is het berekenen van de totale Amsterdamse consumptie dat van buitenlandse herkomst is twee stappen terug in de keten van goederenstromen. Hiervoor wordt de volgende formule gebruikt: 𝐴𝑚𝑠𝑡𝑒𝑟𝑑𝑎𝑚𝑠 𝑐𝑜𝑛𝑠𝑢𝑚𝑝𝑖𝑒𝑔𝑒𝑤𝑖𝑐ℎ𝑡 𝑣𝑎𝑛 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜𝑛𝑎𝑙𝑒 ℎ𝑒𝑟𝑘𝑜𝑚𝑠𝑡 = 𝐴𝑎𝑛𝑑𝑒𝑒𝑙 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙 (𝑡𝑜𝑡 𝑡𝑤𝑒𝑒 𝑠𝑡𝑎𝑝𝑝𝑒𝑛 𝑡𝑒𝑟𝑢𝑔, 𝑝𝑟𝑜𝑐𝑒𝑛𝑡) ∗ 𝑇𝑜𝑡𝑎𝑙𝑒 𝐴𝑚𝑠𝑡𝑒𝑟𝑑𝑎𝑚𝑠𝑒 𝑐𝑜𝑛𝑠𝑢𝑚𝑝𝑡𝑖𝑒 (𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛)

20

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Berekeningen Eén stap terug in de keten

29 procent Nederlandse herkomst

Op basis van de bovenstaande gegevens en formule is berekend dat 29 procent van de Amsterdamse consumptie van Nederlandse herkomst is, één stap terug in de keten. 23 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 + 930 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 ∗ 100 = 29 𝑝𝑟𝑜𝑐𝑒𝑛𝑡 𝑎𝑎𝑛𝑑𝑒𝑒𝑙 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙 3293 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛

Met behulp van het CBS maatwerkbestand COROP instroom is het aandeel invoer per gebied berekend (figuur 14). Een kanttekening bij deze percentages is dat het de invoer voor alle gebruiksgroepen betreft, ook bijvoorbeeld productie en doorvoer. De provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland zijn samen verantwoordelijk voor 81 procent van de ingevoerde voedingsproducten in Amsterdam. Als slechts deze vier provincies worden gerekend tot ‘regionaal dan is het aandeel regionaal 23 procent (81 procent * 930 kiloton in bovenstaande formule). Van alle provincies stromen de meeste voedingsproducten Amsterdam binnen vanuit Zuid-Holland, deze instroom bevat echter ook sierplanten en -bloemen. Figuur 14. Bijdrage aan invoer nationaal per provincie, alleen voedsel en dranken in 2022 (231128_COROP_instroom.xlsx, CBS) Zuid-Holland MRA maar niet corop Noord-Holland maar niet MRA Noord-Brabant Gelderland Utrecht Flevoland maar niet MRA Overijssel Drenthe Friesland Zeeland Groningen 0%

41% 21% 12% 9% 4% 4% 3% 3% 1% 1% 1% 0% 20%

40%

60%

80%

100%

bron: eigen berekeningen op basis van CBS-gegevens

De berekende percentages voor aandeel regionaal liggen relatief hoog ten opzichte van de Amsterdamse doelstelling van 25 procent. Uit de gegevens in de tabel Regionale stromen blijkt dat de producten die vanuit Nederland worden ingevoerd voor 60 procent bestaan uit de CE25 categorie ‘voedsel, overig’. Zoals eerder beschreven is het is goed mogelijk dat een deel van de in Amsterdam ingevoerde producten verwerkt zijn in Nederland, maar dat de grondstoffen, (deels) afkomstig zijn uit het buitenland. Dat is aannemelijk om de volgende redenen: 1)

2)

Uit het bestand COROP instroom blijkt dat de invoer van producten behorende tot de categorie ‘overige voedingsmiddelen en tabaksproducten’ vooral afkomstig is uit de Metropoolregio Amsterdam en de provincie Zuid-Holland. Dit zijn ook de gebieden die de meeste voedselverwerkingsbedrijven tellen (CBS, 2024b) en waar de twee grootste mainports van Nederland zich bevinden (luchthaven Schiphol en de haven van Rotterdam; De Nederlandse landbouw produceert in deze gebieden beperkt voedsel in vergelijking met andere gebieden (zie bijlage 5). Mogelijk wordt een groot deel van deze producten daarom ingevoerd in één van de mainports en daarna regionaal verwerkt, om vervolgens door te stromen naar Amsterdam.

21

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Om te komen tot een meer nauwkeurige schatting van het daadwerkelijke aandeel regionaal, is nog één stap terug gegaan in de keten en zijn de instroomcijfers van alle provincies geanalyseerd. Productie van plantaardig voedsel in Nederland In de omgeving van Amsterdam relatief weinig plantaardig voedsel verbouwd. Wel is er veel grasland, waar koeien op kunnen grazen, wat dierlijke voedingsmiddelen oplevert, zoals melk, eieren en vlees. De dichtstbijzijnde landbouwgebieden waar meer plantaardig voedsel wordt verbouwd zijn in de kop van Noord-Holland en een groot deel van Flevoland. Het plantaardig voedsel dat in Nederland is verbouwd in 2022, bestaat voornamelijk uit suikerbieten, wintertarwe, aardappelen, uien, tomaten, paprika’s en winterpeen (figuur 15). In onderstaand figuur valt op dat de opbrengst van suikerbieten (in kiloton) veruit het hoogst is, terwijl de teelt van wintertarwe de meeste grond (in hectare) in beslag neemt. Als het gaat om dierlijke voedingsmiddelen dan wordt er in Nederland vooral veel melk geproduceerd (13.762 kiloton).

yield (kton)

Gerst, winter-

Aardappelen, poot TBM

Witte kool, productie

OverigeGlasgroenten

Waspeen, productie

Tarwe, zomer-

Cichorei

Maïs, korrel-

Uien, rode zaai-

Gerst, zomer-

Uien poot en plant tweedejaars

Winterpeen, productie

Paprikas

Tomaten

Uien, gele zaai-

Tarwe, winter-

Aardappelen, zetmeel

Aardappelen, poot NAK

Aardappelen, consumptie

120000 100000 80000 60000 40000 20000 0

area (ha)

8000 7000 6000 5000 4000 3000 2000 1000 0

Bieten, suiker-

yield (kton)

Figuur 15. Schatting gewasopbrengst Nederland: aantal hectare landbouwgrond x gemiddelde gewasopbrengst per product), top 20 gewassen met de meeste opbrengst (yield) in 2022

area (ha)

bron: CBS, visualisatie door O&S

Figuur 16. Schatting opbrengst dierlijke voedingsmiddelen Nederland in 2022

22

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

13762

l. l in c

Ov

ot

aa l)

3

(t

er en m am

ki ig e er

dv

Sc

ha pe n

Ru n

16

pp en

l) ot aa

er en

ee

es ku Vl e

42

Ge ite n

422

Ei

ik

ta a

en

l)

s

658

Va

rk en s

(t o

M

822

(t

1684

el k

16000 14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000 0

Stadslandbouw en korte ketens

yield (kton) bron: CBS, visualisatie door O&S

Hoewel het onderzoek van Wageningen University & Research uit 2009 naar de Nederlandse voorzieningsgraad al enige tijd geleden is, komen wel ongeveer dezelfde productgroepen met een hoge Nederlandse voorzieningsgraad hieruit naar voren: aardappelen, suiker, kaas (melk), groente vers (waaronder glasgroenten, vollegrondsgroenten, inclusief uien en champignons). Figuur 17. Voorzieningsgraad Nederland 2009 (%) 730%

Kalfsvlees 460%

Groente vers 300%

Consumptieaardappelen Varkensvlees

260%

Suiker

215%

Kaas

200%

Pluimveevlees

190% 80%

Vis Rundvlees

65%

Graan

60%

Fruit vers

55% 0%

100% 200% 300% 400% 500% 600% 700% 800% Voorzieningsgraad Nederland 2009 (%) bron: LEI Wageningen UR, op basis van Eurostat en data Productschappen

Twee stappen terug in de keten

14,8 procent Nederlandse herkomst

Ook op basis van alle gebruiksgroepen/provincies in het bestand COROP instroom stromen de meeste voedingsproducten Amsterdam binnen vanuit Zuid-Holland, hierbij gaat het voornamelijk om land -en tuinbouwproducten (figuur 18). Als gekeken wordt naar de totale instroom dan is de categorie ‘voedsel overig’ het grootst. Deze categorie bevat onder andere dierlijke vetten, bewerkte voedselproducten en tabaksproducten.

Figuur 18. Gewicht van de invoer naar Amsterdam per provincie en goederengroep in aantal kiloton in 2022 (bron: ‘231128_COROP_instroom.xlsx’, CBS)

23

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Zuid-Holland Zeeland Utrecht Overijssel Noord-Holland maar niet MRA Noord-Brabant MRA maar niet corop Groningen Gelderland Friesland Flevoland maar niet MRA Drenthe 0

500

1000

1500

2000

2500

Aantal kiloton Land- en tuinbouwproducten

Veehouderij-, jacht- en visserijproducten

Voedsel dierlijk

Voedsel overig

Voedsel plantaardig bron: CBS, visualisatie door O&S

Om te bereken welk deel van de invoer uit de provincies van Nederlandse herkomst is wordt opnieuw de formule voor aandeel regionaal gebruikt, maar dan voor de invoercijfers van alle provincies afzonderlijk, in plaats van voor Amsterdam. Hiervoor is het bestand ‘Regionale goederenstromen per provincie, 2015-2022’ gebruikt (CBS, 2024). Het aandeel voedingsproducten met herkomst Nederland twee stappen terug in de keten, is als volgt berekend: (1) Met behulp van het bestand Regionale goederenstromen per provincie is per provincie, per goederengroep berekend welk deel van de instroom uit Nederland komt ten opzichte van de totale instroom (aandeel regionaal). (2) Met het aandeel regionaal per provincie is het aantal kiloton goederen dat Amsterdam instroomt -op basis van alle gebruiksgroepen in het bestand COROP instroomvermenigvuldigd, rekening houdend met provincie en goederengroep. (3) Vervolgens is het verschil in totaal instroomgewicht berekend tussen de som van de gecorrigeerde instroom en de oorspronkelijke instroom uit COROP instroom. (4) Met dit percentuele verschil is ook de totale instroom zoals berekend op basis van het bestand Regionale stromen verminderd, in dit bestand wordt wel onderscheid gemaakt tussen gebruiksgroepen, dit instroomgewicht is daarom leidend.

In figuur 19 is te zien dat land -en tuinbouwproducten relatief vaak internationaal ingevoerd zijn, in vergelijking met andere goederengroepen. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met sierplanten- en bloemen die ook in deze categorie vallen, maar geen voedsel zijn. Verder valt op dat de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland met name een hoog aandeel internationale invoer kennen, met name van land -en tuinbouwproducten, maar ook van andere goederengroepen, zoals ‘voedsel overig’. Dit zou mogelijk verklaard kunnen worden door de aanwezigheid van mainports in deze provincies. Deze cijfers geven het aandeel weer, maar zeggen niets over het absolute invoergewicht dat uit het buitenland komt. Figuur 19. Aandeel buitenlandse invoer per provincie, alleen voedingsproducten in 2022 (Regionale goederenstromen per provincie, 2015-2022, CBS)

24

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

bron: Eigen berekeningen op basis van CBS-gegevens

Op basis van deze berekening is de eerder gebruikte formule voor het berekenen van het aandeel invoer van Nederlandse herkomst (aandeel regionaal) aangepast. De totale nationale invoer is met 50 procent verlaagd, omdat geschat wordt dat dit deel oorspronkelijk uit het buitenland komt. Tabel 3. Invoergewicht van voedingsproducten naar Amsterdam in kiloton (2022) op basis van de bestanden ‘231128_COROP_instroom.xlsx’ en ‘ Regionale goederenstromen per provincie, 2015-2022’ Uitvoer naar Amsterdam in kiloton (alle gebruiksgroepen) Totaal Aandeel Nederlandse herkomst Heel Nederland 5038 50 procent NH, ZH, FL, UT 4073 45 procent bron: CBS. Eigen berekeningen op basis van CBS-gegevens

23 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 + (930 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 ∗ 0,5) ∗ 100 = 14,8 𝑝𝑟𝑜𝑐𝑒𝑛𝑡 𝑎𝑎𝑛𝑑𝑒𝑒𝑙 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙 3293 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 Dezelfde berekening, maar dan voor de invoer van de vier provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland naar Amsterdam levert een percentage van 11 procent ingevoerde voedingsproducten van Nederlandse herkomst op (dit aandeel regionaal van 11 procent bevat ook uitvoer uit de andere provincies twee stappen terug in de keten, alleen de eerste stap terug in de keten is uitvoer van de vier omliggende provincies). 23 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 + (930 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 ∗ 0,81 ∗ 0,45) ∗ 100 = 11 𝑝𝑟𝑜𝑐𝑒𝑛𝑡 𝑎𝑎𝑛𝑑𝑒𝑒𝑙 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙 3293 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 Consumptie van regionale herkomst in kiloton De laatste stap in dit onderzoek is het berekenen van het gewicht van de in Amsterdam geconsumeerde voedingsproducten met een regionale herkomst. Hiervoor zijn twee gegevens nodig: (1) het percentage 'aandeel regionaal, zowel voor heel Nederland als voor de vier omliggende provincies, en (2) het totaalgewicht van de in Amsterdam geconsumeerde voedingsproducten.

25

Gemeente Amsterdam Onderzoek en Statistiek

Stadslandbouw en korte ketens

Volgens berekeningen van O&S (Gemeente Amsterdam) bedraagt dit gewicht 895 kiloton, zowel voedsel als dranken zijn hierin meegerekend, maar geen (kraan)water. 14,8 𝑝𝑟𝑜𝑐𝑒𝑛𝑡 (𝑎𝑎𝑛𝑑𝑒𝑒𝑙 𝑟𝑒𝑔𝑖𝑜𝑛𝑎𝑎𝑙) ∗ 895 (𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛) = 132 𝑘𝑖𝑙𝑜𝑡𝑜𝑛 (𝐶𝑜𝑛𝑠𝑢𝑚𝑝𝑖𝑒𝑔𝑒𝑤𝑖𝑐ℎ𝑡 𝑣𝑎𝑛 𝑙𝑜𝑘𝑎𝑙𝑒 ℎ𝑒𝑟𝑘𝑜𝑚𝑠𝑡) Uit deze berekening blijkt dat het gewicht van geconsumeerde voedingsproducten afkomstig uit Nederland in totaal 132 kiloton bedraagt. Als slechts de vier omliggende provincies tot regionaal worden gerekend is dit 98 kiloton. In totaal komt 763 kiloton van alle geconsumeerde voedingsproducten uit het buitenland. Figuur 20. Amsterdamse consumptie in kiloton, op basis van consumptiecijfers van O&S en berekening aandeel regionaal.

bron: O&S

Meer informatie… onderzoek.amsterdam.nl/dossier/naam-dossier

Auteurs Merel Kieft: merel.kieft@amsterdam.nl Mersiha Tepić: m.tepic@amsterdam.nl

Colofon Opdrachtgever Ruimte en duurzaamheid

Onderzoek en Statistiek onderzoek.amsterdam.nl

Weesperplein 8 1018 XA Amsterdam Postbus 2758 1000 CT Amsterdam

President Kennedylaan 923 1079 MZ Amsterdam Postbus 658 1000 AR Amsterdam T 020 251 0333 T 020 251 0333

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16032995/3