Memorie van Toelichting - Wijziging van de Huisvestingswet 2014
Tekst van het document
Het gaat veelal om een cumulatie van verschillende problematiek op het gebied van wonen, werk, school, sociale problematiek etc. Op grond van de Wbmgp kunnen gemeenten bij woningtoewijzing onder meer sturen door het weren van woningzoekenden op aard van het inkomen en door voorrang te verlenen op grond van bepaalde sociaaleconomische kenmerken van woningzoekende huurders. Ook kan aan woningzoekenden bij een verleden van overlast of criminele gedragingen een huisvestingsvergunning worden geweerd. De gemeenteraad doet daarvoor een onderbouwde aanvraag bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waarbij ‘voldoende aannemelijk’ moet worden gemaakt dat voldaan is aan de toetsingscriteria die in de wet zijn vastgelegd: er moet sprake zijn van grootstedelijke problematiek, en de inzet van de maatregelen worden vervolgens bezien op noodzakelijkheid, geschiktheid, subsidiariteit, en proportionaliteit. Bij sociaaleconomische kenmerken kan het gaan om de samenstelling van het huishouden, beroepen uit bepaalde sectoren, een bepaald opleidingsniveau (bv. minimaal startkwalificatie) of het doen van vrijwilligerswerk. Gemeenten krijgen hierbij beleidsruimte waarbij rekening gehouden kan worden met lokale omstandigheden en behoeften.
15
3.5.3 Huisvestingswet 2014 en de doelgroepenverordening op grond van de Wro In een doelgroepenverordening kunnen gemeenten vastleggen dat bepaalde categorieën nieuwbouwwoningen bedoeld zijn voor bewoning door bepaalde groepen woningzoekenden. Het is echter niet mogelijk om in de doelgroepenverordening ook regels vast te leggen over de daadwerkelijke toewijzing van deze woningen aan de specifieke doelgroepen. Dit kan alleen op basis van de Huisvestingswet 2014, die het na de inwerkingtreding van de onderhavige wijziging mogelijk maakt om ook sociale koopwoningen toe te wijzen door middel van een vergunningstelsel. Onder de Omgevingswet zal er geen doelgroepenverordening meer zijn, maar worden de mogelijkheden van gemeenten in dit kader (niet) als zodanig benoemd. De regels die eerst in de zogenaamde doelgroepenverordening konden worden opgenomen, zullen straks in het omgevingsplan kunnen worden opgenomen. 4. Verhouding tot het hoger recht De in dit wijzigingsvoorstel voorgestelde instrumenten zijn volgens de regering een gerechtvaardigde regulering van het eigendomsrecht, de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten. 4.1 Eigendomsrecht Dit wetsvoorstel maakt het voor gemeenten mogelijk om sociale koopwoningen toe te wijzen aan de doelgroep en om voor het behoud van de leefbaarheid regels te stellen inzake woonruimtevoorraadbeheer.
Dit kan een inmenging vormen van het recht op ongestoord genot van de eigendom 17 zoals dit is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze maatregelen kunnen de mogelijkheden van eigenaren beperken bij het bewonen en eventueel verhuren van hun woning. Een inmenging in het eigendomsrecht is gerechtvaardigd indien voldaan is aan drie voorwaarden: -
de maatregel moet bij wet voorzien zijn. Dat betekent dat de beperking voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de toepassing moet zijn;
-
de inmenging moet noodzakelijk zijn in het algemeen belang;
-
er moet sprake zijn van een “fair balance” tussen het nagestreefde doel en de belangen van de eigenaren.
Bij wet voorzien Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan de eis ‘bij wet voorzien’ een materiële invulling. Het gaat er om dat de inmenging voldoende toegankelijk en voorzienbaar (‘accessible and foreseeable’) is. De mogelijkheden op sociale koop toe te wijzen en om voor het behoud van de leefbaarheid regels te stellen inzake woonruimtevoorraadbeheer zijn neergelegd in dit wetsvoorstel. De wijze waarop de gemeente gebruik kan maken van deze bevoegdheden zijn in het wetsvoorstel nader omschreven en daarnaast dient de gemeenteraad de precieze uitwerking hiervan vast te stellen in een gemeentelijke verordening. Hierdoor wordt enerzijds de rechtszekerheid gegarandeerd en willekeur voorkomen en anderzijds zijn de maatregelen daarmee toegankelijk en voorzienbaar. De in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen zijn ruim van tevoren aangekondigd en bij de inwerkingtreding van deze wet zal rekening worden gehouden met de systematiek van de vaste verandermomenten. De maatregelen zijn daardoor voorzienbaar en kenbaar, 18 zodat woningzoekenden, huurders en kopers in staat zijn hun gedrag daarop aan te passen. 19 Hierdoor is voldaan aan het criterium dat de regulering van het eigendomsrecht bij wet moet zijn voorzien.
Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 7 juni 2018, O’Sullivan McCarthy Mussel Development Ltd./Ierland, app. no. 44460/16, para. 107. CBB 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, r.o. 6.4.1. 19 Rechtbank Den Haag, 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6377, r.o. 4.53. 17 18
16
Noodzakelijkheid De noodzakelijkheid van de maatregel wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beoordeeld op de noodzaak van de maatregel in het algemeen belang, alsmede de proportionaliteit en de subsidiariteit. Daarbij speelt ook de geschiktheid en de effectiviteit van de maatregel om het doel ervan te bereiken een rol. De in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen zijn noodzakelijk in het belang van het tegengaan van de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte en het behoud van de leefbaarheid. In het geval van het kunnen toewijzen van sociale koop draagt deze maatregel bij aan het oplossen van de schaarste voor bijvoorbeeld starters en mensen met een middeninkomen. En in het geval van woonruimtevoorraadbeheer kunnen gemeenten straks voorkomen dat juist in minder populaire gebieden waar de leefbaarheid toch al onder druk staat, woningen worden verkamerd voor de huisvesting van meerdere personen die geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen, zoals veelal het geval is bij studenten en arbeidsmigranten. Daarnaast willen gemeenten voorkomen dat eigenaren hun woningen verkameren of bouwkundig splitsen in kleinere woningen, omdat dit zou kunnen leiden tot een grotere druk op de openbare ruimte (parkeerplekken, afvalcontainers) en klachten van bewoners (geluidsoverlast, vervuiling). Fair balance -
Toewijzen van sociale koop
In dit wetsvoorstel wordt het mogelijk voor gemeenten om sociale koopwoningen toe te wijzen aan de doelgroep. Hiermee wordt beoogd om de schaarste aan sociale koopwoningen voor bijvoorbeeld starters en middeninkomens, tegen te gaan. Bij het mogelijk maken voor gemeenten om sociale koopwoningen toe te wijzen aan de doelgroep is er sprake van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van het tegengaan van de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte voor bijvoorbeeld starters en mensen met een middeninkomen en anderzijds het belang van een eigenaar om zijn eigendom naar eigen goeddunken aan een persoon te kunnen verkopen. -
Sturen op woonruimtevoorraadbeheer voor het behoud van de leefbaarheid
In dit wetsvoorstel wordt het mogelijk gemaakt dat gemeenten regels kunnen stellen inzake woonruimtevoorraadbeheer als er sprake is van leefbaarheidsproblematiek. Voordat gemeenten hiertoe over kunnen gaan, moeten zij kunnen onderbouwen dat er daadwerkelijk sprake is van leefbaarheidsproblematiek door bijvoorbeeld verkamering. Hierdoor is er sprake van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het algemeen belang van de bescherming van de leefbaarheid en anderzijds het belang van de pandeigenaar om zijn eigendom naar eigen goeddunken te gebruiken en te verhuren. 4.2 Vrijheid van vestiging Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk voor gemeenten om maximaal 30% van de woningvoorraad met voorrang toe te wijzen aan personen met lokale binding. Dit is een inperking van de vrijheid van vestiging zoals vastgelegd in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Dit grondrecht kan slechts bij wet beperkt worden indien dat noodzakelijk is voor het algemeen belang in een democratische samenleving. Bij wet voorzien Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan de eis ‘bij wet voorzien’ een materiële invulling. Het gaat er om dat de inmenging voldoende toegankelijk en voorzienbaar (‘accessible and foreseeable’) is.
De mogelijkheid om maximaal 30% van de woningvoorraad met voorrang toe te wijzen aan personen met lokale binding is neergelegd in dit wetsvoorstel. De wijze waarop de gemeente gebruik kan maken van deze bevoegdheid is in het wetsvoorstel nader omschreven en daarnaast dient de gemeenteraad de precieze uitwerking hiervan vast te stellen in een gemeentelijke verordening. Hierdoor wordt enerzijds de rechtszekerheid gegarandeerd en 17
willekeur voorkomen en anderzijds zijn de maatregelen daarmee toegankelijk en voorzienbaar. De in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen zijn ruim van tevoren aangekondigd en bij de inwerkingtreding van deze wet zal rekening worden gehouden met de systematiek van de vaste verandermomenten. De maatregelen zijn daardoor voorzienbaar en kenbaar, 20 zodat woningzoekenden, huurders en kopers in staat zijn hun gedrag daarop aan te passen. 21 Hierdoor is voldaan aan het criterium dat de inperking van de vrijheid van vestiging bij wet moet zijn voorzien. Noodzakelijk voor het algemeen belang in een democratische samenleving Het algemeen belang dat deze wijziging rechtvaardigt is het tegengaan van de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. Daarom regelt dit wetsvoorstel onder welke voorwaarden gemeenten deze instrumenten mogen inzetten. Het verhogen van de lokale bindingseisen van 25% naar 30%, laat het recht op de vrijheid van vestiging vrijwel onaangetast, omdat er niets wijzigt aan het maximale percentage (50%) waarbij van een categorie woningen die is aangewezen in de huisvestingsverordening voorrang kan worden gegeven aan woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding aan de woningmarktregio.
4.3 Vrij verkeer van diensten Het kunnen toewijzen van sociale koopwoningen aan personen die in het bezit zijn van een huisvestingsvergunning is een vergunningstelsel als bedoeld in de Dienstenrichtlijn. 22 Een dienst die valt onder de Dienstenrichtlijn is gedefinieerd als elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt. 23 Het toewijzen van sociale koopwoningen is het verrichten of ontvangen van een dienst. Een vergunningstelsel kan alleen worden ingevoerd indien: -
dat noodzakelijk is omwille van het algemeen belang dat met deze beperking wordt gediend, dit middel geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en het niet verder gaat dan wat nodig is om dat doel te bereiken; 24
-
het beoogde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt 25 en het verbinden van voorwaarden aan de vergunning niet op willekeurige wijze kan plaatsvinden, 26 en;
-
de maatregel geen direct of indirect onderscheid maakt naar nationaliteit, en Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen en die uit andere lidstaten gelijk behandelt.
Noodzakelijkheid Het kunnen toewijzen van sociale koop draagt bij aan het tegengaan van de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte voor bijvoorbeeld starters en mensen met een middeninkomen. Als gevolg van het grote woningtekort en de schaarste aan woningen in den brede, hebben veel doelgroepen behoefte aan betaalbare (nieuwbouw)woningen. Deze schaarste leidt tot een verdelingsvraagstuk wat op de vrije koopwoningmarkt wordt beslecht door een biedprocedure waarbij de hoogste bieder wint en aspirant-kopers met een midden- of meer bescheiden inkomen buiten de boot vallen. Vooral mensen met een lager inkomen, zoals starters of eenverdieners in loondienst ondervinden moeilijkheden op de koopwoningmarkt. Dit wetsvoorstel regelt daarom dat de gemeente sociale koopwoningen toe kan gaan wijzen. Hierdoor 20 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 7 juni 2018, O’Sullivan McCarthy Mussel Development Ltd./Ierland, app. no. 44460/16, para. 107. CBB 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, r.o. 6.4.1. 21 Rechtbank Den Haag, 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6377, r.o. 4.53. 22 Artikel 4, zesde lid, van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
23 Artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt). 24 Artikel 15, eerste en derde lid, van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. 25 Arresten van het Europees Hof van Justitie in de zaken C-340/14 en C-341/14, Trijber, r.o. 70. 26 Artikelen 10 tot en met 13 van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
18
kan de gemeente meer regie voeren op de (lokale) woningmarkt en wordt het voor starters en mensen met een laag en middeninkomen, zoals starters, bereikbaarder gemaakt om een koopwoning te bemachtigen. Minder beperkende maatregelen Om ervoor te zorgen dat de juiste doelgroep in sociale koopwoningen terecht komt zijn geen minder beperkende maatregelen beschikbaar. De Huisvestingswet 2014 schrijft namelijk voor dat gemeenten alleen op grond van die wet woonruimteverdeelregels mogen stellen. Vanwege de vrijheid van vestiging en de democratische legitimiteit van overheidsbesluitvorming is het voor gemeenten dan ook niet toegestaan om op een andere, wellicht minder beperkende, manier dan via de Huisvestingswet 2014 dergelijke regels op te stellen. Non-discriminatoir De maatregelen zijn dusdanig vormgegeven dat zij geen direct of indirect onderscheid maken naar nationaliteit. Eenieder die in aanmerking wenst te komen voor een sociale koopwoning kan een huisvestingsvergunning aanvragen ook de voorwaarden die aan de vergunning verbonden kunnen worden, zijn voor iedereen hetzelfde. 5. Uitvoering, toezicht en handhaving De met deze wet geïntroduceerde wijzigingen brengen een aantal gevolgen met zich mee voor de uitvoering. Allereerst is verduidelijkt dat de gemeenteraad een aantal uitvoeringsaspecten kan delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten tweede moet de gemeenteraad de toepassing van de Huisvestingswet 2014 straks in een breder kader bezien. Enerzijds door in de vanuit de Woningwet verplichte woonvisie aandacht te besteden aan de onderbouwing van schaarste en de (regionale) woningbouw en anderzijds door advies te vragen aan gedeputeerde staten tijdens het opstellen van de huisvestingsverordening. Ten derde wordt het stellen van regels inzake woonruimtevoorraadbeheer ook mogelijk gemaakt als er sprake is van leefbaarheidsproblematiek. In de uitvoering komt deze wet tegemoet op verschillende punten die zijn aangegeven door gemeenten waardoor de wet beter uitvoerbaar wordt. Ten vierde zal deze wetswijziging voor wat betreft het toezicht en de handhaving geen grote impact hebben op de huidige praktijk. De wijzigingen betreffen voornamelijk de hoogtes van boetes, de feiten waarvoor boetes opgelegd kunnen worden en het feit dat de gemeenteraad wellicht meer woonruimtes onder de huisvestingsverordening kan brengen. Het toezicht op de naleving blijft belegd bij het college van burgemeester en wethouders. De mogelijkheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom (ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet juncto artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht) blijft hetzelfde.
Daarnaast is het college van burgemeesters en wethouders op grond van artikel 35 van de Huisvestingswet 2014 bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete voor verschillende overtredingen. 6. Gevolgen voor burgers en bedrijven Met dit wetsvoorstel komt er geen wijziging in de administratieve lasten voor burgers of bedrijven. De burgers waar deze wetswijziging betrekking op heeft, zijn de woningzoekenden die in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning en die hebben onder de huidige wetgeving ook geen of weinig administratieve lasten. Dit wetsvoorstel geeft vanwege de extra verplichtingen voor gemeenten om bij het gebruik van de huisvestingsverordening (I) in de integrale woonvisie aandacht te besteden aan de onderbouwing van de schaarste en de (regionale) woningbouw en (II) advies te vragen aan gedeputeerde staten wel een beter inzicht voor diverse partijen in de onderbouwing en doelstelling van de verordening. 7. Advies en consultatie Naast de evaluatie is in aanloop naar en tijdens het schrijven van dit wijzigingsvoorstel samengewerkt met alle belanghebbende partijen zoals gemeenten, provincies en belangenorganisaties (waaronder de Woonbond, Aedes, Vastgoedbelang en IVBN) om hun standpunten en advies in te winnen. 19
[Voorts heeft een (internet)consultatie plaatsgevonden. In dit kader zijn ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) schriftelijk om een advies gevraagd. [PM. Verder aanvullen na de consultatie van dit wetsvoorstel] 8. Inwerkingtreding Deze wet zal inwerkingtreden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij rekening wordt gehouden met de systematiek van de vaste verandermomenten.
20
II Artikelsgewijze toelichting A In dit onderdeel is een definitie opgenomen van zelfstandige woonruimte, waardoor tevens duidelijk is wat onder onzelfstandige woonruimte wordt verstaan. Doordat onder woonruimte als bedoeld in paragraaf 1a. van Hoofdstuk 4 ook onzelfstandige woonruimte valt, is het mogelijk dat de gemeenteraad in de huisvestingsverordening ook voor bijvoorbeeld kamerverhuur een registratieplicht kan invoeren.
B Verwezen wordt naar § 3.2.1 van het algemene deel van deze nota van toelichting (hierna: algemene deel).
C en E Met deze wijziging krijgt de gemeenteraad de bevoegdheid om ook toewijzingsregels inzake sociale koop op te nemen in de huisvestingsverordening.
D Verwezen wordt naar § 3.3.5 van het algemene deel.
G Artikel 10, tweede lid van de Huisvestingswet 2014 stelt dat woningzoekenden alleen in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning als zij een Nederlandse nationaliteit hebben of vreemdeling zijn en rechtmatig verblijf hebben in Nederland als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Als hier niet aan wordt voldaan kan de betreffende aanvrager geen huisvestingsvergunning krijgen. In de praktijk heeft dit in enkele gemeenten tot praktische problemen geleid voor statushouders waarbij het aflopen van hun tijdelijke huurcontract samenvalt met de periode waarin zij in afwachting zijn van een verlening van hun verblijfsvergunning. In deze periode krijgen zij op basis van onderdeel g of h van artikel 8 Vw een zogeheten W-document. Omdat onderdelen g en h buiten de reikwijdte van de Huisvestingswet 2014 vallen, heeft dit als gevolg dat gemeenten geen huisvestingsvergunning kunnen verlenen op het moment dat een tijdelijk huurcontract afloopt terwijl de verblijfsvergunning nog niet is verlengd. Om deze situatie te voorkomen, worden artikelen 8, onderdelen g en h Vw, uitsluitend daar waar het gaat om verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals bedoeld in artikelen 14 en 28 Vw, als grondslag opgenomen in artikel 10, tweede lid, onderdeel b van de Huisvestingswet 2014.
In het geval de verblijfsvergunning niet wordt verlengd, treedt het reguliere terugkeerproces in werking zoals vastgelegd in Hoofdstuk 6 Vw. Opgemerkt zij dat het niet mogelijk wordt gemaakt om vreemdelingen met een W-document die in afwachting zijn van een besluit op hun eerste vergunningsaanvraag een huisvestingsvergunning te verlenen.
H In dit onderdeel wordt uitwerking gegeven aan een motie van de leden Koerhuis en Ronnes 27, waarin onder meer wordt gevraagd om te regelen dat mensen in een flexwoning hun wachttijd kunnen behouden. Bij brief van 2 maart 2020 aan de Tweede Kamer inzake
27
Kamerstukken II 2019/20, 35300 VII, nr. 78
21
“Huuraangelegenheden” is daarbij aangegeven dat aangesloten kan worden bij de artikelen 11a en 11b van de Huisvestingswet 2014. 28 In deze artikelen is geregeld dat jongeren, die een jongerenhuurcontract hebben, en huishoudens die een tijdelijke huurovereenkomst hebben, hun inschrijftijd niet verliezen bij het aangaan van deze huurcontracten. Analoog hieraan is in dit wetsvoorstel een dergelijke bepaling voor huurders van een flexwoning opgenomen, zodat gemeenten dit in hun huisvestingsverordening kunnen regelen. Een flexwoning is een woning waarvoor een omgevingsvergunning voor een aflopende activiteit is afgegeven (art. 2.23a, eerste lid, van de Wabo). In het geval huurders verhuizen naar een flexwoning gaat de inschrijving, en daarmee de opgebouwde inschrijvingsduur, niet verloren door die verhuizing.
I In dit artikel is het begrip “kern” overal geschrapt, omdat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over wat hier precies onder wordt verstaan. Verder wordt verwezen naar § 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.5 van het algemene deel.
K Voor de toelichting bij de eerste wijziging wordt verwezen naar § 3.4.3 van het algemene deel. Verder wordt in dit onderdeel verduidelijkt dat burgemeester en wethouders ook tijdelijke vergunningen kunnen afgeven. Op basis van de Dienstenrichtlijn is het verplicht om bij schaarse vergunningen voor economische diensten de vergunningen tijdelijk te verlenen zodat periodiek mededingingsruimte voor nieuwe gegadigden ontstaat. Tevens heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 21 juli 2021 29 bepaalt dat bij het bepalen van een passende beperkte duur van een beleidsmatig schaarse vergunning de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen als factor moet worden meegenomen. Een tijdelijke vergunning vervalt van rechtswege.
L Op grond van artikel 23d van de wet zijn digitale platforms verplicht om aanbieders van toeristische verhuur te informeren over de geldende wet en regelgeving. Het gaat hierbij specifiek over de verboden als bedoeld in art. 23a, eerste lid en art. 23b, eerste en tweede lid. Dat zijn de registratieplicht, de meldplicht en het nachtencriterium. Abusievelijk is de inlichtingenplicht niet opgenomen ten aanzien van vergunningplichten. Deze omissie wordt in dit onderdeel hersteld.
M In dit onderdeel wordt geregeld dat bepaalde vergunningen op grond van de Huisvestingswet 2014 worden geweigerd indien deze strijdig zijn met bepaalde bepalingen van de ruimtelijke ordening. Tevens wordt geregeld dat een aanvraag voor bepaalde vergunningen op grond van de Huisvestingswet 2014 wordt aangehouden om te voorkomen dat een aanvraag voor een vergunning op grond van de Huisvestingswet 2014 moet worden geweigerd zolang op de aanvraag om een omgevingsvergunning nog niet is beslist.
Onderdelen N en O De voorgestelde wijzigingen in artikel 29 en 30 van de Huisvestingswet 2014 hebben betrekking op de berekening van het inwonersaantal van een gemeente die betrokken was bij een grenscorrectie of gemeentelijke herindeling. Dit is noodzakelijk omdat door deze herindeling of 28 29
Kamerstukken II 2019/20, 27926, nr. 317 ECLI:NL:RVS:2021:1588
22
grenscorrectie het aantal inwoners kan toenemen daarmee ook de taakstelling van het aantal te huisvesten statushouders. In de vigerende Huisvestingswet 2014 is er een opdracht aan gedeputeerde staten bij grenscorrecties of gemeentelijke herindelingen het aantal inwoners van de gemeen(n) in kwestie vast te stellen en door te geven aan de aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Aangezien er geen andere bevolkingscijfers voor handen zijn dan deze van het Centraal Bureau voor de Statistiek, moeten gedeputeerde staten zich hierop baseren. Het is vreemd om deze taak te beleggen bij de gedeputeerde staten aangezien deze herberekening ook kan uitgevoerd worden door Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Verder wordt in onderdeel G “Onze Minister van Veiligheid en Justitie” gewijzigd in “Onze Minister van Justitie en Veiligheid, het geen een gevolg is van het aantreden van het kabinet Rutte III.
P Met deze wijziging wordt het mogelijk gemaakt dat zowel de aanwijzing van een advertentie die over het nachtencriterium heen is als de aanwijzing voor een advertentie die gaat over een verhuurverbod, bij niet verwijderen door het digitale platform, kan worden beboet.
Q In dit onderdeel wordt verduidelijkt dat ook woningen die op het moment van eigendomsoverdracht minder dan zes maanden in gebruik waren gegeven onder de opkoopbescherming vallen. Verder wordt in dit onderdeel verduidelijkt dat een vergunning wordt afgegeven voor een bepaalde verhuuractiviteit. Een verleende vergunning geldt slechts voor gebruik waarvoor deze is afgegeven. Wanneer een vergunning is afgegeven voor verhuur aan een familielid in de eerste of tweede graad, kan de woning alleen aan een familielid in de eerste of tweede graad worden verhuurd. Indien een andere activiteit dan vergunde huur plaatsvindt, moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd.
R Met deze wijziging wordt een kennelijke verschrijving hersteld. In het vierde lid, tweede volzin, moet naar het derde lid worden verwezen.
S Artikel 51, eerste lid van de Hvw 2014 voorziet in een overgangstermijn van zes maanden indien de gemeenteraad een registratieplicht heeft ingevoerd voor een in de huisvestingsverordening omschreven vorm van toeristische verhuur. Het artikel stelt dat dit specifiek geldt voor aanbieders die hun woonruimte al voor de inwerkingtreding van het verbod aanboden. Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat de overgangstermijn van zes maanden ook voor digitale platforms geldt. Tevens is een kennelijke verschrijving hersteld. In artikel 51, zevende en achtste lid wordt verwezen naar ‘vijfde lid’, daar waar dit ‘zesde lid’ behoort te zijn.
T en U In deze onderdelen zijn samenloopbepalingen opgenomen voor wanneer de Omgevingswet eerder in werking treedt of in werking is getreden.
23
Artikel II Artikel 33b van de Huisvestingswet 2014 is gelijkluidend aan artikel 33a, eerste lid, van de wet en dus dubbelop. Om die reden is het in artikel I, onderdeel Ib, van de wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 en de Gemeentewet in verband met de aanpak van ongewenste neveneffecten van toeristische verhuur van woonruimte en de aanpak van woonoverlast (Wet toeristische verhuur van woonruimte) (Stb. 2020, 460) opgenomen artikel 33b van genoemde wet niet in werking getreden. Artikel I, onderdeel Ib, van de voornoemde wet kan dus vervallen.
24