CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Memo publieke belangen.pdf

Raadscommissie Financiën, Kunst en Diversiteit 22 juni 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vervolgbesluit AEB (VN2023-013981)5.073 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 3 - Publieke belangen bij scenario’s AEB In dit memo lichten we de publieke belangen toe die van belang zijn bij de scenario’s voor de toekomstige relatie tussen gemeente en AEB. Per publiek belang wordt ook ingegaan op welke wijze de situatie veranderd is ten opzichte van het verkoopbesluit in 2021. Achtereenvolgens wordt ingegaan op drie publieke belangen: 1. Afvalverwerking 2. Warmtevoorziening 3. CO2-reductie

1. Afvalverwerking Deze paragraaf geeft antwoord op de vraag welke scenario’s en effecten voorzien worden voor het gemeentelijke belang van afvalverwerking bij verkoop of behoud van AEB. Samenvatting – Afvalverwerking De schaalgrootte van het huidige AEB is (veel) groter dan noodzakelijk is voor alleen de verwerking van het Amsterdamse (regionale) restafval. Het Amsterdamse restafval is voor zowel private als publieke partijen interessant waardoor op de lange termijn verwerking geborgd blijft. Uit oogpunt van logistiek is er een voorkeur voor behoud van AEB, omdat het afval zonder overslag en transport en in de nabijheid kan worden afgeleverd ter verwerking. Bij verkoop is dit alleen het geval als AEB een eventuele aanbesteding wint en bestaat de mogelijkheid dat het afval elders wordt verwerkt. Bij verkoop dient dan ook een investeringskapitaal en ruimte gereserveerd te worden t.b.v. een overslaglocatie. Ditzelfde geldt voor de beschikbaarheid van nascheidingscapaciteit. Behoud van AEB houdt in dat het afval wordt nagescheiden. Bij verkoop kan de situatie ontstaan dat mogelijk 1 tot 3 jaar geen zekerheid is dat Amsterdams restafval wordt nagescheiden. Zoals in bijlage 1 is beschreven is een verkenning uitgevoerd of in eigendom houden van de nascheidingsinstallatie een optie is om het publiek belang van afvalverwerking beter te borgen bij verkoop.

Hiermee zou een overslaglocatie overbodig zijn en blijft de gemeente ook verzekerd van nascheidingscapaciteit. In het verkoopscenario is hiervoor gekozen. Toelichting - Afvalverwerking Ten tijde van verkoopbesluit: Het publiek belang is het verwerken van Amsterdams afval op een zo duurzaam en zo economisch mogelijke wijze. Gemeentelijk aandeelhouderschap is niet noodzakelijk om dit publiek belang te borgen. Het college heeft vastgesteld dat het voor de afvalverwerking niet nodig is om aandeelhouder van AEB te blijven. Op dit moment is er in Nederland sprake van voldoende capaciteit in de verbrandingsmarkt. Door het aandeelhouderschap te verlaten, is de

Gemeente Amsterdam Memo

gemeente Amsterdam in de toekomst flexibeler ten aanzien van de verwerking van haar afvalstromen. Zonder aandeelhouderschap moet voor de verwerking van afval een inkoopprocedure worden gestart. Dit kan er in resulteren dat de verwerking (gedeeltelijk) ergens anders in Nederland gaat plaatsvinden. Dit kan voor- en nadelen hebben. Enerzijds kan de verwerking plaatsvinden op de dan best beschikbare wijze, anderzijds kan er sprake zijn van meer benodigd transport van afval. Voor de regiogemeenten die nu net als gemeente Amsterdam hun huishoudelijk afval aan AEB leveren gaat hetzelfde gelden. Update markt voor nascheiding: De markt voor nascheiding ontwikkelt zich langzamer dan verwacht. Bij contractering van een verwerker zijn locatie, prijs, duurzaamheid en dienstverlening de belangrijkste aspecten. In de metropoolregio Amsterdam is nu de enige verwerkingslocatie aanwezig bij AEB in Amsterdam. De dichtstbijzijnde andere marktpartijen in Nederland met een nascheider zijn gevestigd in Rotterdam (AVR) en Wijster (Attero). Nascheidingsinstallaties in publieke handen zijn aanwezig in Alkmaar (HVC) en Heerenveen (Omrin). De laatste twee partijen schrijven niet in op aanbestedingen.

Meerdere partijen hebben aangegeven om op bestaande locaties buiten de MRA (extra) nascheidingscapaciteit te willen realiseren, maar deze installatie(s) moeten dan nog wel gerealiseerd worden en dat kost tijd. De kans is klein dat binnen de MRA regio een tweede nascheidingsinstallatie gerealiseerd zal worden. (Internationaal) beleidskader afvalverbranding In Nederland bestaat overcapaciteit aan restafvalverbranding. Op Europees niveau is nog te weinig verbrandingscapaciteit en wordt nog gestort. Storten van afval wordt vanuit de EU uitgefaseerd. Een deel van het brandbaar afval dat in NL verbrand wordt, komt uit de EU en het VK. Voor afvalimport geldt een vergunningplicht (ILT) en het Rijk kan een importplafond instellen om de verwerking van het Nederlandse afval veilig te stellen. Sinds 1 januari 2020 is een importheffing van kracht, vergelijkbaar met de verbrandingsbelasting in NL. Er is actief Europees en landelijk beleid op het terugdringen van afval, het VANG-beleid. Door actieve sturing op scheiding en recycling wordt de overcapaciteit binnen Nederland groter qua verbrandingscapaciteit en zullen afvalcentrales meer afhankelijk worden van de import van buitenlands afval. De rijksoverheid stuurt op dit moment niet actief op het terugdringen van de restcapaciteit, maar laat dit (investeringsbeslissingen, exploitatie) aan de markt.

Het kabinet heeft in het in februari 2023 gepubliceerde Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 aangegeven te streven naar vermindering van de verbrandingscapaciteit en te willen bekijken hoe op een evenwichtige wijze het verbranden van afval via afvalstoffenbelasting financieel minder aantrekkelijk gemaakt kan worden, zodat een meer hoogwaardige verwerking eerder loont. Daarbij heeft zij oog voor negatieve effecten zoals een duurdere afvalverwerking zonder de verwachte opbouw van een hoogwaardigere vorm van recycling en een mogelijke vergroting van milieucriminaliteit. Daarnaast wil het kabinet op internationaal niveau een gelijk speelveld creëren door alle EU-landen te verplichten om afvalverbranding financieel te belasten. Tevens wordt aangegeven dat ook in de circulaire economie afvalverbranding nodig zal zijn en afvalverbranding toegankelijk en betaalbaar moet zijn voor materialen die niet op een andere 2

Gemeente Amsterdam Memo

manier verwerkt kunnen worden. Denk aan gevaarlijk afval, speciaal ziekenhuisafval en residuen van zuiveringsslib en recycling. Wat als er minder afval komt? Het Nederlandse beleid ten aanzien van restafval is een circulaire en klimaatneutrale economie in 2050. Hierbij wordt ingezet op maatregelen zoals Afvalstoffenbelasting (ASB), geen vrijstelling ASB op buitenlands afval en stimuleren van afbouw van verbrandingscapaciteit. Deze afbouw zal geleidelijk aan plaatsvinden, de verwachting (in dit scenario) is dat over een periode van 30 jaar er van de huidige 13 verbrandingsinstallaties in Nederland er nog enkele nodig zullen zijn om aan de vraag vanuit Nederlands afval te voldoen. Vanwege de bebouwingsdichtheid in de Randstad en met name de hoogbouw in Amsterdam is de verwachting dat Amsterdam aan het eind van deze transitie zal zitten en dat er dus in onze regio nog voldoende te verwerken restafval aanwezig zal zijn. Qua locatie, naast in de Randstad waar het meeste afval vrij zal blijven komen ook goed gelegen voor afval van ver af, heeft AEB, net als AVR Rozenburg een strategisch voordeel. Voor het vullen van restcapaciteit zal het afval steeds van verder gehaald moeten worden. Goede ontsluiting via een haven en per spoor zijn hierin van belang. Welke installaties blijven over? Het tweede wat zal bepalen welke installaties over zullen blijven is de stand van de techniek.

Hierin heeft AEB een mogelijk voordeel omdat zij als enige beschikt over een hoog rendement (HR) centrale. Naast state of the art speelt ook een rol welke investeringen gedaan moeten worden om de installaties up-to-date te houden. Volgens de technische rapporten bij verkoop was het onderhoud aan de installaties inmiddels hersteld en in goede staat. De huidige verkoopprocedure onderbouwt de levensvatbaarheid in AEB (voldoende interesse / tevredenheid over verkoopresultaat) Zijn er innovaties te verwachten? Qua verwerkingstechnieken spelen er wel ontwikkelingen zoals uit restafval op grote schaal produceren van waterstof en/of vanuit restafval vulstoffen produceren voor plasticalternatieven. Het is de vraag of deze technieken zich zullen door ontwikkelen en of deze een product- i.p.v. een afvalstatus ontvangen. Immers met een productstatus wordt recycling bereikt wat met afvalverbranding niet het geval is. Wat gaan de tarieven doen? Qua tarieven is de verwachting dat vanwege het minder aanbieden van restafval en de af te bouwen capaciteit het markttarief een gelijke trend zal houden als de afgelopen tien jaar. Dit houdt in grillig, afhankelijk van de marktomstandigheden van dat moment. In het scenario voor behoud van AEB zal een meer stabiele prijs, gebaseerd op kostenopbouw AEB, gehanteerd worden, die zich gemiddeld verhoudt tot de marktprijs.

Net als de afgelopen tien jaar zullen er periodes zijn van hogere en lagere markttarieven. Overwogen kan worden om bij het Rijk te lobbyen voor regelgeving voor een “kostprijs+” model voor afvalverwerking. In hoeverre borgt eigenaarschap duurzamere verwerking? Privaat eigenaarschap van afvalverbrandingsinstallaties is internationaal georiënteerd. Overname van afvalverbrandingsinstallaties is zeer kapitaalintensief en kent een divers biedersveld. Uiteraard zijn ze allen op zoek naar financieel rendement, maar zeker de 3

Gemeente Amsterdam Memo

(behoorlijke) groep partijen die door is gegaan naar volgende rondes kenmerkt zich door of zelf een bedrijf van utilities te zijn of te beleggen in langjarig stabielere (en dus vaak lagere) inkomstenstromen van utilities. Deze partijen zijn niet de spreekwoordelijke sprinkhanen, maar partijen die namens grote partijen of bv pensioenfondsen met een lange view beleggen. Deze partijen zijn niet anti-duurzaamheid. Zeggenschap over het publieke belang/duurzame verwerking is directer mogelijk via inbesteden. Bij inbesteden kan de gemeente altijd de duurzaamste keuze vragen te maken aan het bedrijf. Echter in een aanbesteding, hoewel dit innovatief zou zijn t.o.v. huidige uitvragen, zijn ook afspraken te maken over duurzaamheid en innovatie. Zowel bij eigenaarschap of klantrelatie komen uiteindelijk duurzame investeringen in overleg tot stand waarbij bij beide geldt dat als het bedrijfsmatig niet uit kan, de kans groot is dat niet voor de meest duurzame oplossing wordt gekozen. Gezien het beperkte aantal huidige aanbieders voor nascheiding is er een reële kans dat bij een nieuw contract voor restafval er tijdelijk minder of geen nascheidingscapaciteit beschikbaar is. Dat betekent dat het scheiding en recycling percentage van Amsterdam omlaag gaat en er voor bewoners geen scheiding van verpakkingsmateriaal mogelijk is.

Dit wordt dan afgewogen tegen de overige voor- en nadelen van dat nieuwe contract en eventuele duur van het wel kunnen realiseren van nascheiding. Speelt producentenverantwoordelijkheid een rol? Het rijk, ondersteund door gemeenten, zet steeds meer in op het middel producentenverantwoordelijkheid. De kosten van de keten worden neergelegd bij de vervuiler, in deze de producenten. Hierbij past een overheid die de randvoorwaarden opstelt en bewaakt en die de verwerking van grondstoffen belegt bij de producenten. In beginsel past het dan ook niet om nascheiding (er is namelijk al een producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingen) in het publieke domein uit te voeren. Echter deze verpakkingen maken ca. 20-40% uit van het restafval. De gemeente heeft ook de zorgplicht om doelmatig van alles wat overblijft af te komen. Het is daarom niet gek dat juist op het gebied van restafval de gemeente vooralsnog een grotere rol speelt. Zowel via in- als uitbesteden kunnen de gestelde duurzaamheidsdoelen zoals verwoord in de ketenafspraken producentenverantwoordelijkheid worden bereikt. Wat als vervoersbewegingen cruciaal zijn? Nabijheid pleit voor behoud van AEB. Alleen via publiek eigendom is met zekerheid te zeggen dat het Amsterdamse restafval in de dichtstbijzijnde installatie wordt verwerkt.

Indien echter grote verschillen gaan ontstaan in verwerking wordt vanwege de geringe CO2-uitstoot van transport t.o.v. verwerking dit nabijheidsbeginsel teniet gedaan. Als het restafval van de gemeente niet meer standaard in Amsterdam verwerkt wordt, is een overslaglocatie voor de gemeente noodzakelijk. De positie van de gemeente in een eventuele aanbestedingsprocedure is veel sterker als de gemeente zelf een dergelijke locatie bezit, omdat daarmee de afhankelijkheid van marktpartijen vermindert en de concurrentiepositie wordt bevorderd. Dit is structureel, omdat de gemeente het contract voor restafval periodiek zal moeten aanbesteden. Indien de marktomstandigheden veranderen is een mogelijk voordeel van niet meer verplichte winkelnering bij AEB dat de gemeente kan profiteren van meer

4

Gemeente Amsterdam Memo

concurrentie, waardoor deze extra kosten kunnen worden terugverdiend via een lager poorttarief dan bij AEB. Sluit de grootte van AEB aan bij aandeelhouderschap vanuit de gemeente? Op het moment vult huishoudelijk afval van de gemeente Amsterdam 15% van de verwerkingscapaciteit van AEB. Dit is de voorziene status de komende jaren. De organisatie, installatie en contractenportefeuille is ingericht op deze omvang. - Bij de organisatie gaat het dan om personeel en de inrichting. - Bij de installatie niet alleen om het aantal ovens, maar ook aanvoerlijnen, turbines, warmtewisselaars en de gehele rookgasreiniging die in belangrijke mate gekoppeld en geïntegreerd zijn. AEB heeft een traject ingezet om hier nog CO2-afvang aan toe te voegen. Met een omvang van afvang die passend is bij de omvang van de installatie. - Qua contracten is de afvalportefeuille en elektriciteit verkoop langjarig vooruit gepland in een dakpanmodel (100% contractering het lopende jaar, en dan steeds minder naar de toekomst toe). De warmtelevering is voor een veel langere periode vastgelegd. Westpoort warmte is voor de voorziene nabije toekomst vrijwel volledig afhankelijk van de warmte die AEB levert. Alternatieve warmtebronnen zijn, zeker van enige omvang, nog heel ver weg. Kan je de grootte van AEB (meer) in lijn brengen met het belang van de gemeente? Dit is in principe mogelijk.

Je moet dan de gehele organisatie, installatie en contractering in stappen kleiner maken. Dit zal een heel langjarig traject zijn, gaat vrijwel zeker gepaard met een behoorlijke kapitaalvernietiging in de vorm van afschrijvingen, sloopkosten en hogere verwerkingskosten per tonnage (je verliest schaalgrootte). De gemeente zal dan als grotere afvalklant en aandeelhouder deze kosten voor zijn rekening moeten nemen. Op het gebied van afval kan een afbouw van capaciteit van AEB waarschijnlijk goed worden opgevangen door andere verwerkers. Op het gebied van warmtevoorziening aan Westpoort Warmte creëer je met een afbouw van AEB een groot probleem. WPW is zoals beschreven afhankelijk van AEB. Een terugschaling van AEB betekent daarmee een directe impact op de (potentiële) groei van WPW en wellicht ook op de huidige levering. Afbouw van de capaciteit voor afvalverwerking van AEB naar een niveau dat in lijn ligt met het gemeentelijke niveau van afvalverwerking is voor warmtevoorziening onvoldoende. Aansturing door gemeente – de gemeente als aandeelhouder De aansturing van een grote industriële organisatie als aandeelhouder vergt een stevige inzet en kennis van de materie. Dit is belangrijk om als aandeelhouder risico’s te zien en de onderneming er effectief op te kunnen aanspreken.

Het recente verleden heeft geleerd dat dit geen sinecure is en opgebouwde problemen langdurig aan het zicht van de gemeente (en accountant) onttrokken kunnen zijn. De huidige gemeentelijke organisatie is ingericht op het genomen besluit te verkopen. Indien voor behoud wordt gekozen omdat dat noodzakelijk is voor de borging van een of meerdere publieke belangen dan moet de gemeentelijke organisatie, ook vanuit Afval en Grondstoffen, daarop worden verstevigd. Andere publieke aandeelhouder In het publieke domein zijn er ook mogelijk alternatieven. Nader onderzoek dient antwoord te geven op welke manier de belangen van bestaande en nieuwe aandeelhouders dan geborgd

5

Gemeente Amsterdam Memo

kunnen worden. Voor deze inbestedingsvariant geldt dat de gemeente (grotendeels) verantwoordelijk blijft voor risico’s en mogelijk investeringen. Verkenning naar uitname scheidingsinstallatie of extra juridische borging voor verkoop Er is een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheid de scheidingsinstallatie (SI) uit te nemen voor een volledige verkoop. Of met een juridische borging in de verkoopvoorwaarden nascheiding voor de gemeente zeker te stellen. Met een uitname zou je vanuit het perspectief van het publieke belang van afvalverwerking twee negatieve effecten van verkoop voorkomen. De aanname is dat hiermee de nascheidingscapaciteit van de SI ingezet kan blijven worden voor de gemeente. Daarmee is zonder risico op een onderbreking van 1 tot 3 jaar nascheiding verzekerd. Ook zou een dergelijke uitname betekenen dat de gemeente geen nieuwe overslaglocatie nodig heeft. De SI heeft een afvalbunker en met een beperkte investering kan aan de achterkant voldoende buffer worden gerealiseerd. Bij een keuze voor een volledig verkoopscenario wordt dit verder uitgewerkt.

2. Warmtevoorziening Deze paragraaf geeft antwoord op de vraag hoe het gemeentelijke belang van de warmtevoorziening kan worden gerealiseerd in verschillende scenario’s. Samenvatting AEB is en blijft een cruciale warmtebron voor Westpoort Warmte (WPW). AEB en WPW hebben contractuele afspraken voor levering van warmte door AEB tot 2047 om levering zeker te stellen. Voor de leveringszekerheid is het huidige langjarige contract tussen AEB en WPW voldoende borging. AEB moet de afgesproken warmte leveren, ook als het een nieuwe eigenaar krijgt. Het is verstandig om de garantie voor levering van warmte die de gemeente nu heeft op de levering door AEB mee te verkopen bij eventuele verkoop (net als bij AVR). Afbouw van de capaciteit voor afvalverwerking van AEB betekent dat er onvoldoende productie is voor de warmtevoorziening in de huidige en toekomstige situatie en zal leiden tot meer inzet van (piek)ketels op gas. Dit is naar de huidige inzichten en indien er andere oplossingen en bronnen beschikbaar komen kan dat in de toekomst mogelijk veranderen. De prijs van warmte van AEB wordt nu mede bepaald door de elektriciteitsprijs en is daardoor door de huidige marktomstandigheden hoog. Deze afspraken zijn bij de overname van WPW door de gemeente in goed overleg vastgelegd.

Vanwege het belang voor de eindgebruiker en voor de voortgang van de warmtetransitie is het, bij zowel verkoop als bij aanhouden, aan te bevelen nieuwe afspraken te maken tussen AEB en WPW over de prijs van warmte. Investeringen in de levering van stoom zijn wenselijk om de CO2-uitstoot van de industrie te kunnen beperken. Krimp van AEB beperkt de haalbaarheid van een stoomnet. Toelichting - Warmtevoorziening Warmtevoorziening en voorziene groei van de warmtevraag De verwachting is dat het warmtenet van WPW en bijbehorende warmtevraag de komende decennia fors zal groeien. Er geldt in lijn met de doestellingen van Amsterdam voor een 6

Gemeente Amsterdam Memo

aardgasvrije stad een verwachte warmtevraag van 168.000 woningequivalenten (weq) in 2040, ofwel een groeipotentieel van ruim 120 duizend weq ten opzichte van de huidige situatie. Doordat WPW voor 50 procent in handen van de gemeente is kan de gemeente mede sturen op deze groei. Het eigendomspercentage in WPW zal de komende jaren wellicht nog toenemen, doordat de nieuwe WCW publiek eigenaarschap (minimaal 50% + 1 aandeel) verplicht stelt na een overgangsperiode. Hoe het publiek eigenaarschap precies ingericht moet en zal gaan worden ligt nog open en er zijn verschillende routes met meer of minder gemeentelijke betrokkenheid in onderzoek. Rol AEB in de warmtevoorziening Het AEB is de primaire betaalbare warmtebron van het WPW-net. De huidige warmtevraag kan zowel in de basis (20-30 MW) als in de piek (150-200 MW) worden geleverd door het AEB (AEC, HRC en BEC, zie figuur 1).

Figuur 1- gemiddelde jaarlijkse warmtevraag huidige situatie Door het groeiende warmtenet van WPW neemt de vraag naar warmte toe. Recent is een bronnenstrategie opgesteld door WPW. Daarin is uitgewerkt hoe WPW wil voorzien in duurzame warmte (geen CO2-uitstoot meer in 2040) en wil diversifiëren in de bronnen. Het relatieve belang van de warmte van AEB neemt in de strategie voor de toekomst af maar AEB blijft een cruciale warmtebron. Er zijn naar alle waarschijnlijkheid voor 2040 niet voldoende alternatieve warmtebronnen om AEB als warmtebron te vervangen of af te bouwen (zie figuur 2).

7

Gemeente Amsterdam Memo

Figuur 2 - Aandeel AEB in warmtebronnen ook in toekomst nodig Bij zowel verkoop als aanhouden van AEB zal levering van warmte aan WPW moeten blijven plaatsvinden. AEB en WPW hebben contractuele afspraken voor levering van warmte door AEB tot 2047. Voor de leveringszekerheid van warmte is het van belang de garantie voor levering van warmte die de gemeente heeft verstrekt aan WPW via AEB mee te verkopen bij eventuele verkoop. In de verkoop aan AVR was dit ook zo opgenomen. Scenario’s Hoewel op korte termijn nog verbrandingscapaciteit nodig is lijkt een teruggang in capaciteit langjarig zeker. Het is nog niet kwantitatief te maken hoeveel dit betreft. Vanwege de kritieke rol van afvalverbranding in de warmtevoorziening wordt kort ingegaan op het scenario waarin minder afval wordt verbrand versus het scenario dat dit gelijk blijft of groeit. Krimp Bij afname van verbranding van afval komt uiteraard minder warmte beschikbaar. AEB bestaat nu uit de Afval Energie Centrale (AEC) met vier lijnen en de Hoog Rendement Centrale (HRC) met twee lijnen (zie figuur 3). In theorie kan in de huidige (piek)warmtevraag van Westpoort Warmte (zie figuur 1) en de CO2afvang (die kost ook energie) worden voorzien met een AEC verbrandingslijn minder. Het N-1 principe (voldoende capaciteit in geval er een warmtewisselaar buiten bedrijf is) kan dan worden gehandhaafd.

Er ontstaat in de winterperiode dan wel een vergroot risico op betrouwbaarheid van de warmtelevering aan WPW. WPW houdt in de bronnenstrategie rekening met afname van warmte vanuit AEB door in te zetten op diversifiëring van de bronnen. De rest van de warmtevraag moet in de toekomst worden ingevuld met alternatieve restwarmtebronnen als datacenters, geothermie of andere oplossingen. Er zijn echter nu niet voldoende alternatieve betaalbare warmtebronnen om AEB als warmtebron te vervangen. Voor nieuwe bronnen als geothermie geldt ook dat inzetbaarheid nog onzeker is. Ingeschat wordt dat circa de helft van huidige warmtecapaciteit van AEB nodig blijft om het net van voldoende warmte te voorzien in de toekomst (zie figuur 2). 8

Gemeente Amsterdam Memo

Figuur 3 - Warmteproductie en potentie AEB Gelijk/groei Wanneer AEB in de toekomst een gelijke hoeveelheid of meer afval zal gaan verbranden geldt er meer leveringszekerheid voor de warmtevoorziening. Er zijn minder (snel) nieuwe warmtebronnen nodig om het WPW-net te voeden in de toekomst. Warmte van AEB zal op termijn volledig duurzaam moeten zijn (dus met afvang CO2) om te kunnen voldoen aan regels voor duurzaamheid. Extra warmtebronnen zijn nog steeds nodig in de toekomst vanwege de voorziene groei van het net. Doordat WPW in de bronnenstrategie heeft opgenomen te willen diversifiëren en niet afhankelijk te willen zijn van één enkele bron kan er bij extra verbranding niet zonder meer extra warmte worden geleverd aan WPW vanuit AEB. Warmtelevering via stoomnet aan de industrie Het AEB kan hoge temperatuur warmte leveren in de vorm van stoom voor de industrie. Dit kan leiden tot significante CO2-reductie bij industriële bedrijven in het havengebied. Het is vanuit dat oogpunt wenselijk dat er een stoomnet wordt gerealiseerd. Voor de levering van stoom zijn investeringen nodig bij AEB. Onder normale marktomstandigheden zal AEB dit op de markt kunnen financieren. Hierin is geen verschil tussen publiek of privaat eigendom. Bij significante afname van de verbrandingscapaciteit zal er niet voldoende stoom/warmte zijn om de industrie te voorzien van het benodigde vermogen.

Invloed op en warmteprijzen De tarieven die betaald moeten worden voor de warmte die WPW afneemt bij AEB zijn sterk gestegen afgelopen jaar. Hoewel er afspraken liggen blijkt dat er een forse tariefstijging doorgevoerd kan worden zonder dat de kosten evenredig zijn gestegen. Dat ligt besloten in de afspraak dat WPW betaalt voor de stroom die niet opgewekt kan worden doordat WPW warmte afneemt. WPW betaalt de prijs die AEB anders had kunnen krijgen met stroomverkoop. De

9

Gemeente Amsterdam Memo

stroomprijs in de berekening is afhankelijk van de marktprijs. Zoals bekend is die nu historisch gezien hoog, waardoor ook de prijs van warmte stijgt. Het komende jaar wordt de tariefverhoging gedempt door het prijsplafond dat de landelijke overheid heeft ingesteld, maar als de energieprijzen langjarig hoog blijven dan zullen de kosten voor eindgebruikers meestijgen. Overigens blijft de prijs voor warmte gemiddeld lager dan die voor gas. Als de gemeente eigenaar zou blijven van het AEB dan is de verwachting dat er meer ruimte is om tot overeenstemming te komen over een inkooptarief van de warmte dat recht doet aan de marktomstandigheden en bescherming biedt aan de klanten van WPW. Het blijft natuurlijk zo dat geen van de partijen zich een afspraak kan permitteren die niet zakelijk is. Bij een nieuw verkooptraject kan mogelijk een aanpassing in de huidige systematiek worden meegenomen in de afspraken tussen WPW en AEB, omdat deze in de huidige marktomstandigheden tot een hoge inkoopprijs leiden voor WPW.

3. CO2-reductie Deze paragraaf geeft antwoord op de vraag hoe het gemeentelijke belang van een verlaging van de CO2-uitstoot van AEB kan worden gerealiseerd in verschillende scenario’s. Samenvatting Er is een sterke bedrijfsmatige rationale om CO2-afvang bij AEB te realiseren. Zeker nu AEB de subsidie voor afvang, transport en opslag toegewezen heeft gekregen. Het gaat om maximaal EUR 80 miljoen per jaar over 15 jaar looptijd. Er is, bovenop het overheidsingrijpen door het Rijk middels de subsidieregeling en belasting van CO2-uitstoot , geen additionele borging nodig om zeker te stellen dat AEB zijn uitstoot zal verminderen. Toelichting – CO2-reductie Gemeentelijk beleid ten aanzien van CO2-reductie Om de CO₂-doelen van 2050 te halen, moet er een grote emissiereductie plaatsvinden. CCS/U bij het AEB heeft de potentie om een CO₂-distributienetwerk te ontwikkelen; voor zowel de afvang als toelevering van CO₂ (als grondstof voor bijvoorbeeld synthetische kerosine). Daarmee is CCS/U zowel van belang voor het bedrijfseconomisch perspectief van AEB, alsook het behalen van onze doelstellingen uit de Routekaart AKN. Dit gold tijdens de voorbereiding van het verkooptraject twee jaar geleden ook.

CO2-reductie in relatie tot het lopende verkoopproces Het al dan niet kunnen realiseren van CO2-afvang bij AEB is geen specifiek onderdeel geweest van de weging of aandeelhouderschap noodzakelijk is. De ambitie van de koper om CCU/S bij AEB te realiseren is wel meegenomen in het verkooptraject. Er is een verkoopcriterium opgenomen: ’Visie op het voor 2030 realiseren van een CO2-neutrale AVI’. Huidige situatie AEB heeft een huidige CO2-uitstoot van 1,2 Mton per jaar. AEB heeft een SDE++ subsidie toegekend gekregen van RVO voor het afvangen en opslaan van 480 kton CO2. Hiervoor heeft AEB zelf een garantie moeten afgeven van EUR 25 miljoen die (deels) kan worden getrokken op 10

Gemeente Amsterdam Memo

het moment dat het traject niet of verlaat wordt gerealiseerd. Op dit moment worden verdere voorbereidingen getroffen richting een daadwerkelijke bouw van een installatie en contracteren van leveranciers. Het verwachte aandeelhoudersbesluit hierover wordt verwacht vanaf 2024. Belang CCS voor bedrijfsvoering CCS wordt gezien door de onderneming als een essentiële investering om op de langere termijn als onderneming te kunnen blijven bestaan (licence to operate). Ook andere afvalverbranders, waaronder AVR, onderschrijven dit en zijn ook deze weg ingeslagen. Scenario’s Voor het gemeentelijk belang van CO2-reductie is voornamelijk relevant hoeveel CO2 AEB in de basis uitstoot en hoe AEB gedwongen dan wel verleid wordt deze uitstoot te verkleinen dan wel te mitigeren. Omdat AEB een afvalverbrander is, is het verkleinen van de basisuitstoot alleen mogelijk door minder te verbranden. Bij een goede en volledige verbranding komt simpelweg CO2 vrij. De scenario’s waar naar gekeken is richten zich daarmee op de prijs voor CO2, waarbij het basispad stijgende kosten is. Er is een vierde scenario toegevoegd waarin AEB om andere redenen gaat of moet krimpen. Systeem van CO2-heffing De emissies van afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) die huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu verbranden, vallen onder de CO2-heffing.

De CO2-heffing koppelt een prijs aan de industriële emissie van een ton CO2. In 2022 is die prijs 41,75 euro. De hoogte van de heffing wordt bepaald door het verschil tussen het in dat jaar geldende heffingstarief (dus de minimumprijs) en de EU-ETS-prijs. Het tarief loopt daarna ieder jaar op tot 2030. Een afnemend deel van de industriële emissies is vrijgesteld van de heffing. AEB verwacht vanaf 2025 deze CO2-heffing te moeten betalen. Basispad: Stijgende CO2-kosten AEB zal in de toekomst belasting moeten gaan betalen voor hun uitstoot. Wanneer de situatie zich ontwikkelt conform de verwachtingen moet AEB steeds meer gaan betalen voor CO2uitstoot. Als gevolg zullen de producten van AEB duurder worden, zoals warmte en elektriciteit. AEB kan de kosten voor CO2 mitigeren door CO2 af te vangen, ophouden met te opereren, of minder afval te verbranden. Alleen bij minder afval verbranden door dit te recyclen boek je echte CO2-winst. Als je alleen minder verbrandt, betaal je naar rato even veel heffing. Recyclen is voornamelijk een economische keuze en afhankelijk van of er voor de recyclede producten een markt is. Het stoppen met de operatie lost het CO2-probleem niet op maar verschuift het slechts naar een andere afvalverbrandingsinstallatie. Dit geldt ook voor het verkleinen van de operatie zonder meer te recyclen. AEB heeft reeds een pad ingezet om CO2 af te vangen.

AEB zal dit in het basispad doorzetten. In het lopende proces heeft AVR hier zich in de verkoopvoorwaarden aan gecommitteerd. Ook van een andere koper dan AVR wordt verwacht dat het de huidige ambitie (CCS), zeker nu de subsidie is toegekend, gaat realiseren. Dit is bedrijfsmatig het meest logische pad, zowel uit financieel perspectief als uit het perspectief dat het kunnen afvangen van CO2 steeds

11

Gemeente Amsterdam Memo

belangrijker zal worden voor (bestaande/potentiële) klanten als gunningscriterium in aanbestedingen waar AEB op inschrijft. Wanneer de gemeente aandeelhouder blijft van AEB kan hier mogelijk meer op gestuurd worden, maar aangezien er ook (grote) financiële consequenties zitten aan het meer uitstoten van CO2 zal een private eigenaar zeer waarschijnlijk ook de optie tot meer CO2-afvang overwegen en reststromen vermarkten als dat mogelijk is. Hier verwachten we geen verschil in publiek of privaat eigenaarschap. Versnelling stijging CO2-kosten Dit is feitelijk het basisscenario, maar met een nog sterkere economische ratio om af te vangen of te recyclen. Hier verwachten we dan ook geen verschil in effect van publiek of privaat eigenaarschap. Vertraging/daling CO2-kosten Potentieel kan een nieuw kabinet afstappen van de inzette koers om CO2-uitstoot verder te gaan belasten. Bijvoorbeeld omdat we door een oorlog in een sterke recessie belanden. In dat geval zou er vertraging kunnen optreden in de belasting op CO2-uitstoot. Alleen in een scenario waarin de kosten en risico’s voor CO2-afvang niet opwegen tegen de baten (in voorkomen belasting en te ontvangen subsidie) zal een puur economisch redenerende aandeelhouder het lopende traject stopzetten en de boetes van RVO voor lief nemen. Dit schatten we in als een extreem kleine kans.

Wanneer de gemeente aandeelhouder blijft van AEB kan op bovenstaande scenario’s gestuurd worden zoals de Gemeente Amsterdam dat graag ziet en de onderneming manen te kiezen om ook bij het ontbreken van een businesscase voor CO2-afvang dit door te zetten. Dit kan niet zonder meer, de aandeelhouder moet altijd in het belang van de continuïteit van de onderneming handelen en kan geen structureel verlieslatende investeringen doen. Krimp AEB AEB heeft in de scenario’s van de aanvraag van een SDE++ subsidie er rekening mee gehouden dat de afvalverbranding omlaag kan gaan. Met deze prognose (voor de komende 15 jaar) om minder afvalverbranding tot een bepaalde realistische hoeveelheid, kunnen ze nog steeds de eerder genoemde 480 kton afvangen en laten opslaan. Zoals eerder genoemd is deze 480 gelijk aan ongeveer 1/3 van de totale uitstoot van AEB. AEB moet dus veel minder afval gaan verbranden mochten ze hun afspraken met RVO voor de afvang van 480 kton CO2 niet nakomen. Mocht dit het geval zijn, dan zal AEB de garantie moeten aanspreken en/of de installatie moeten gaan afschrijven. In het geval van verkoop zal de garantie worden overgenomen door de nieuwe eigenaar.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12856075/1