CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

KNMI_Klimaatsignaal21.pdf

Raadscommissie Wonen en Bouwen 3 november 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Het KNMI-rapport ’Klimaatsignaal’21: Hoe het klimaat in Nederland snel verandert ‘. (ZD2021-014401)25.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

KNMI Klimaatsignaal’21

Hoe het klimaat in Nederland snel verandert

KNMI Klimaatsignaal’21

Infographic

2

Inhoudsopgave Voorwoord

5

Introductie

6

1 Klimaat­­verandering in Nederland

10

2 Klimaat­­verandering, orkanen en stormvloeden op de BES-eilanden

16

3 IPCC-inzichten

20

4 Zeespiegelstijging

26

5 Arctisch gebied

32

6 Zomerse hoosbuien

38

7 Droogte

44

8 Wind, neerslag en de gevolgen voor waterbeheer

52

9 Stedelijk klimaat

58

Referenties

64

Verklarende woordenlijst

68

Colofon

71

KNMI Klimaatsignaal’21

Inhoudsopgave

3

KNMI Klimaatsignaal’21

Voorwoord

4

Voorwoord Het klimaat verandert – ook in Nederland. We merken dat steeds

Dit rapport is gericht op iedereen die – professioneel

Het Klimaatsignaal’21 presenteert de feiten –

vaker. Zo komen sommige situaties vaker voor (hitte) en andere

of persoonlijk – op zoek is naar actuele informatie

meetreeksen en op klimaatmodellen gebaseerde

situaties juist minder vaak (strenge vorst). Extreem weer blijft

over klimaat­verandering in Nederland.

analyses – over klimaatverandering in Nederland en

hangen in ons geheugen. Zo zullen we de indringende beelden

kan door beleidsmakers gebruikt worden als onder­

van de overstromingen en wateroverlast na de ongekend hevige

Het Klimaatsignaal’21 is gebaseerd op de grote

bouwing voor de verdere ontwikkeling van het

regenval op 13 en 14 juli 2021 in Nederland, Duitsland, België en

hoeveelheid kennis over klimaatverandering die

klimaatbeleid in ons land.

Luxemburg niet snel vergeten. Het aantal slachtoffers en de

in 2021 in het zesde rapport van het IPCC – het

materiële schade waren groot.

internationale klimaatpanel van de Verenigde

Met dit rapport geeft het KNMI (opnieuw) het

Naties – is samengebracht. In dit rapport is deze

signaal af dat het klimaat in Nederland snel

Helaas zijn dit soort gebeurtenissen niet meer uniek of zeldzaam.

kennis aangevuld met waarnemingen en onderzoek

verandert. Ook benadrukt het KNMI dat klimaat­

Minder dan een maand voor de overstromingen in de Limburgse

van het KNMI, en – waar nodig – vertaald naar de

verandering in Nederland een steeds grotere

grensregio werd met name het midden van het land op 18 juni 2021

situatie in Nederland.

impact heeft op onze samenleving. Daarmee wordt

getroffen door zware onweersbuien, die hevige stormschade en

eens te meer onderstreept hoe belangrijk het is

wateroverlast veroorzaakten. Veel mensen zagen de indringende

Het Klimaatsignaal’21 laat zien hoe het klimaat

om – samen met andere landen – de uitstoot van

beelden van onbewoonbare huizen en gaslekken in Leersum,

ervoor staat in Nederland. De gemeten verander­

broeikasgassen fors te verminderen. Alleen dan

geknakte hoogspanningsmasten in Oldebroek, een omgewaaide

ingen zijn in beeld gebracht en worden geduid.

zullen we de gevolgen van klimaatverandering,

kraan in Tiel en compleet ondergelopen straten in Den Haag.

Daarnaast wordt een schets gegeven van te

zoals toenemende hitte, droogte, extreme neerslag

Het zijn ervaringen die je niet snel zult vergeten. Extreme buien

verwachten verdere veranderingen van het klimaat.

en zee­spiegelstijging voor Nederland kunnen

veroorzaken steeds meer schade; soms loopt die op tot tientallen of

Medio 2023 worden deze veranderingen vertaald

beperken.

zelfs honderden miljoenen euro’s.

naar de meer kwantitatieve KNMI’23-klimaatscenario’s.

Gerard van der Steenhoven Hoofddirecteur KNMI

Dát het klimaat verandert ervaren we allemaal. Het KNMI brengt het Klimaatsignaal’21 uit om antwoord te geven op vragen als: In welke mate is het klimaat al veranderd? Wat is eigenlijk normaal voor de tijd van het jaar? En waar moeten we in de toekomst rekening mee houden?

KNMI Klimaatsignaal’21

Voorwoord

5

Introductie

De wereld warmt snel op. In Nederland is sinds 1901 de temperatuur ongeveer tweemaal zo snel gestegen als het wereld­ gemiddelde. De gevolgen van klimaatverandering zijn duidelijk merkbaar: op 25 juli 2019 ging het kwik door de historische grens van 40°C en in de laatste twee decennia nam het aantal dagen met extreme neerslag toe. Ook vielen de droge seizoenen in drie opeen­ volgende jaren (2018, 2019 en 2020) op, waarbij de relevante vraag opdoemt of dit in de toekomst vaker en/of intenser gaat

De opwarming van het klimaat door de menselijke invloed is nu een vaststaand feit.

voorkomen. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) concludeert in 2021 → 0.1 dat de opwarming van het klimaat door de mense­ lijke invloed een vaststaand feit is en dat zich op grote schaal een snelle klimaatverandering heeft voltrokken. Het vorige rapport uit 2013 sprak nog over een ‘uiterst waarschijnlijke menselijke invloed’ op het klimaat. Wereldwijd is sprake van een versnelling in de zee­ spiegelstijging, doordat de grote ijskappen in toenemende mate massa verliezen. Sinds de publicatie van de vorige KNMI-klimaatscenario’s (in 2014) → 0.2 is veel onderzoek verricht, zowel door het KNMI als in (inter)nationale context. Ook op het politieke vlak zijn er ontwikkelingen geweest: in december 2015 is het Klimaat­akkoord van Parijs tot stand gekomen, waarin is afgesproken om de wereld niet verder te laten opwarmen dan 2°C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk (1850-1900) en te streven naar 1,5°C. Om dit te bereiken zijn wereldwijd vergaande inspanningen nodig voor het snel beperken van de uitstoot van broeikasgassen. KNMI Klimaatsignaal’21

Introductie

6

Focus en opzet Klimaatsignaal’21

IPCC-rapporten

Dit KNMI Klimaatsignaal’21 informeert u over nieuwe inzichten uit

Dit Klimaatsignaal’21 borduurt voort op diverse IPCC-rapporten,

de tot nu toe gepubliceerde IPCC-rapporten in de zesde cyclus en

die in de afgelopen jaren zijn verschenen. In de eerste fase van de

uit KNMI-onderzoek – al dan niet in internationale context

zesde assessmentcyclus heeft het IPCC vier themarapporten uitge­

verricht. Het is niet bedoeld als opvolger van de KNMI’14-

bracht. In oktober 2018 verscheen het speciale rapport over 1,5°C

klimaatscenario’s voor Nederland. Het vergt tijd om de klimaat-

mondiale opwarming → 0.3. Hiertoe was het IPCC uitgenodigd na

modellen, die gebruikt zijn voor het het IPCC rapport, te analyseren

de totstandkoming van het Klimaatakkoord van Parijs. In 2019

en door te vertalen met fijnmazige modellen voor Europa.

volgden nog drie rapporten: over de te hanteren methodiek bij de

De nieuwe klimaatscenario’s voor Nederland – inclusief scenario-

inventarisatie van de uitstoot van broeikasgassen; over klimaat­

tabel – verschijnen naar verwachting in 2023.

verandering en land(gebruik); en over oceanen en ijskappen in een veranderend klimaat → 0.4.

In dit rapport ligt de focus op waargenomen tendensen en veranderingen in inzichten rond een aantal thema’s. De onderwer­

In augustus 2021 is het Werkgroep I-rapport van het zesde assess­

pen zijn beleidsrelevant en tot stand gekomen in samenspraak met

mentrapport van het IPCC verschenen, nadat de samenvatting voor

beleidsmakers en kennisinstellingen. Hiertoe is een klankbordgroep

beleidsmakers was goedgekeurd door landendelegaties van de

opgericht, waarvan de leden kenbaar hebben gemaakt wat hun

Verenigde Naties. Het Werkgroep I-rapport behandelt de fysische

wensen zijn met betrekking tot de keuzes voor zowel het

basis van het klimaatsysteem, een onderwerp dat direct aansluit bij

Klimaatsignaal’21 als de KNMI’23-klimaatscenario’s voor

het KNMI-klimaatonderzoek.

Nederland. Daarnaast heeft de Advisory Board, bestaande uit internationale wetenschappers met ervaring en/of affiniteit met

In 2022 worden de overige drie delen van het zesde assessment­

klimaatscenario’s, adviezen gegeven over de inhoud.

rapport verwacht: Werkgroep II over de gevolgen van klimaat­ verandering voor mens en natuur, de kwetsbaarheden en mogelijk­ heden tot aanpassen; Werkgroep III over de mogelijkheden om de uitstoot van broeikasgassen te beperken; en als laatste het Syntheserapport, waarin thema-overstijgend een samenvatting wordt gegeven voor beleidsmakers. Het vorige IPCC-assessment­ rapport van de vijfde cyclus dateert van 2013/2014 → 0.5.

KNMI Klimaatsignaal’21

Introductie

7

Klimaatmodellen en emissiescenario’s In het zesde IPCC-assessmentrapport van Werkgroep I is gebruik­ gemaakt van de nieuwste generatie klimaatmodellen, die door diverse wetenschappelijke instituten zijn ontwikkeld en zijn samen­ gebracht in het Coupled Model Intercomparison Project (CMIP6). Deze modellen worden gevoed met scenario’s van de concentraties broeikasgassen en aerosolen, die gebaseerd zijn op zogeheten Shared Socioeconomic Pathways (SSP’s). Deze SSP’s vormen plausibele wereldbeelden, die uitgaan van uiteenlopende sociaaleconomische, technologische en demografische ontwikkelingen in de toekomst. In de vorige generatie klimaatmodellen (CMIP5), gebruikt voor het vijfde IPCC-assessmentrapport, werden de scenario’s gebaseerd op de zogeheten Representative Concentration Pathways (RCP’s). De bandbreedte van beide groepen scenario’s – SSP’s en RCP’s – is wat betreft concentraties broeikasgassen nagenoeg gelijk. Wel zijn er lagere emissiepaden voor het behalen van de 1,5°C-doelstelling toegevoegd aan de SSP's.

Jannes Wiersema

KNMI Klimaatsignaal’21

Introductie

8

Leeswijzer Klimaatsignaal’21

In → hoofdstuk vijf kijken we naar het Arctisch gebied. De opwar­ ming verloopt hier twee tot drie keer zo snel als het wereld­

Dit rapport bestaat uit negen hoofdstukken. De thema’s zijn

gemiddelde, met uitschieters naar 1°C opwarming per decennium

gekozen op grond van maatschappelijke relevantie. In het

op Spitsbergen. Klimaatverandering in het arctische gebied heeft

→ eerste hoofdstuk gaan we in op klimaatverandering in

grote gevolgen voor flora en fauna, voor het zeeniveau via massa­

Nederland. Begin 2021 is door het KNMI uit de waarnemingen

verlies van de Groenlandse IJskap, en mogelijk ook voor het weer

de nieuwe klimatologie voor Nederland berekend over de

in Nederland.

periode 1991-2020 (de zogeheten ‘normalen’). De focus ligt op de tend­ensen die de opeenvolgende normalen laten zien.

→ Hoofdstuk zes gaat over zomerse hoosbuien. → Hoofdstuk zeven

Aangezien Nederland ook overzeese gebieden heeft – namelijk

gaat over droogte. Beide zeer actuele onderwerpen.

de BES-eilanden in het Caribisch gebied – beschouwen we in → hoofdstuk twee de hier waargenomen klimaatverandering.

Relevant voor het waterbeheer zijn de ontwikkelingen van wind

Daarbij besteden we ook aandacht aan tropische orkanen en

aan de kust en neerslag in het stroomgebied van de Rijn en de Maas.

stormvloeden.

In → hoofdstuk acht geven we een overzicht van waargenomen trends en tendensen in de nieuwe generatie klimaatmodellen van

In hoofdstuk drie en vier beschouwen we de nieuwe inzichten

deze grootheden. In het laatste hoofdstuk – → hoofdstuk negen –

uit het zesde assessment Werkgroep I-rapport van het IPCC.

beschrijven we de inzichten in het stedelijk klimaat, zowel qua

In → hoofdstuk drie bespreken we de algemene inzichten, en ook

hitte-eilandeffect als qua neerslag.

de klimaatprojecties voor het Europese gebied rondom Nederland en voor het Caribisch gebied. Vanwege de beleids­relevantie voor Nederland besteden we in → hoofdstuk vier apart aandacht aan zeespiegelstijging. De genoemde getallen voor Nederland zijn een voorlopige doorvertaling van de mon­diale projecties van het IPCC. De definitieve getallen verschijnen in de KNMI’23klimaatscenario’s.

Jannes Wiersema

KNMI Klimaatsignaal’21

Introductie

9

1

Klimaat­­ verandering in Nederland

Iedere tien jaar maakt het KNMI een nieuwe klimatologie van Nederland, ook wel klimaatnormalen genoemd. Hiervoor wordt een periode van dertig jaar gehanteerd, zoals aanbevolen door de Wereld Meteorologische Organisatie. In de klimatologie wordt een groot aantal klimaatvariabelen beschouwd, zoals temperatuur, neerslag, windsnelheid, en zonneschijn. Daarbij wordt gekeken naar gemiddelden en naar extremen. Dit hoofdstuk gaat in op de klimaatverandering tussen de huidige klimatologische periode (1991-2020) en de periode van dertig jaar daarvoor (1961-1990)1. Daarnaast is voor enkele klimaatvariabelen de ontwikkeling sinds de vorige eeuw grafisch weergegeven.

De afgelopen dertig jaar zijn de temperatuur, de zonnestraling, de neerslag, de verdamping en het neerslagtekort toegenomen.

Veranderingen in deze grootheden zijn het gevolg van door de mens veroorzaakte klimaatverandering en van natuurlijke schommelingen in het klimaat. De resultaten laten zien dat in Nederland in de afgelopen dertig jaar de temperatuur, de zonnestraling, de neerslag, de verdamping en het neerslagtekort zijn toegenomen. De windsnelheid is af­ge­­­nomen.

1 De getallen in de tekst en figuren in dit hoofdstuk gelden voor de volgende meet­ stations: temperatuur: De Bilt; neerslag: gemiddelde van 13 neerslagstations (P13: De Bilt, De Kooy, Groningen, Heerde, Hoofddorp, Hoorn, Kerkwerve, Oudenbosch, Roermond, Ter Apel, West-Terschelling, Westdorpe en Winterswijk); zonnestraling, verdamping, vochtigheid: gemiddelde van vijf stations: De Bilt, De Kooy, Eelde, Vlissingen, Maastricht; neerslagtekort: P13 neerslag + verdamping in meest nabije KNMI-stations; wind: Schiphol, tenzij anders vermeld.

KNMI Klimaatsignaal’21

Klimaatverandering in Nederland

10

Klimaatveranderingen tussen 1961-1990 en 1991-2020

Extremen zijn sterk veranderd. Het gemiddeld aantal vorstdagen per jaar – met een minimumtemperatuur onder nul – nam af met bijna twee weken (van 65 naar 53 dagen), en het gemiddeld aantal

Tussen 1961-1990 en 1991-2020 is de jaargemiddelde tempera­

ijsdagen per jaar – met een maximumtemperatuur onder nul –

tuur in Nederland toegenomen met 1,1°C. Dat is ruim twee keer zo

nam af met 5 dagen (van 11 naar 6 dagen). Het gemiddelde aantal

veel als de toename van de wereldgemiddelde temperatuur in

zomerse dagen per jaar – waarop een temperatuur van 25°C of

dezelfde periode. De temperatuur is in alle seizoenen toegenomen.

hoger bereikt wordt – nam toe van 19 naar 28; het gemiddelde

De toename is het grootst in de lente2, en het kleinst in de herfst.

aantal tropische dagen per jaar – waarop het 30°C of warmer wordt

De lente en de zomer zijn mede opgewarmd doordat in die

– is ruim verdubbeld: van 2,4 naar 5,0. De hoogste maximum­

seizoenen de inkomende zonnestraling toenam. Jaargemiddeld

temperatuur per jaar nam toe met 2,4°C, ruim twee keer zoveel als

nam de zonnestraling toe met 4%. De jaargemiddelde wind­snelheid

de toename van de jaargemiddelde tempe­ratuur. Het aantal zeer

nam daarentegen af, eveneens met 4%.

natte dagen – met in de winter minstens 10 mm neerslag en in de zomer minstens 20 mm – nam met ongeveer een kwart toe: van 4,3

Gemiddeld over Nederland is de jaarlijkse neerslag toegenomen,

naar 5,3 dagen in de winter en van 1,5 naar 1,9 dagen in de zomer.

met 8%. De toename is het grootst in de winter en de zomer. Hierbij werden de natte dagen natter; het aantal natte dagen veran­ derde niet of nauwelijks. De lente is het enige seizoen waarin de neerslag is afgenomen. Het aantal droge dagen in de lente is sterk

Veranderingen in het klimaat sinds begin vorige eeuw

toege­nomen. De verdamping is in alle seizoenen toege­nomen, vooral in de lente. Dit heeft – samen met de afgenomen neerslag in

Temperatuur, neerslag, zonnestraling, neerslagtekort

de lente – geleid tot een toename van het maximale neerslagtekort

De jaargemiddelde temperatuur in Nederland neemt sinds de jaren

gedurende het groeiseizoen3 (+ 12%) en een toename van het

70 toe met ruim 0,4°C per tien jaar figuur 1.1a4 . In de periode

neerslagtekort aan het eind van de lente (+ 22%).

1901-2020 is de jaargemiddelde temperatuur met 2,3°C toegenomen. De jaarlijkse neerslag nam in het verleden ook toe, maar is sinds 2000 nauwelijks verder toegenomen figuur 1.1b.

2 Winter = december, januari, februari; lente = maart, april, mei; zomer = juni, juli, augustus; herfst = september, oktober, november. 3 Het groeiseizoen loopt van 1 april tot en met 30 september.

4 Figuur 1 toont naast de waarden per jaar ook de trendlijn → 1.1.

KNMI Klimaatsignaal’21

Klimaatverandering in Nederland

De genoemde veranderingen zijn gebaseerd op de trendlijnen.

11

a) Jaargemiddelde temperatuur

Dat komt doordat de neerslag in de lente en de herfst sinds 2000 is

b) Jaarsom neerslag

afgenomen. De neerslag in de winter en – in mindere mate – in de zomer is sinds 2000 wel verder toegenomen. Door de toename van de temperatuur kan de lucht ook meer waterdamp bevatten en daarmee kan de neerslag toenemen. Daarnaast zijn er natuurlijke °C

mm

variaties in de neerslag door variaties in weerpatronen. In de periode 1906-2020 is de jaarlijkse neerslag met 21% toegenomen. De jaargemiddelde inkomende zonnestraling neemt toe sinds de jaren 90, met 3% per tien jaar figuur 1.1c. De toename is het grootst in de lente, met ruim 4% per tien jaar. De toename in

c) Jaargemiddelde zonnestraling

d) Maximaal neerslagtekort

zonnestraling is vooral het gevolg van een afname in bewolking. De zonnestraling in de lente van 2020 was extreem hoog, mede door de geringe aanwezigheid van vliegtuigstrepen en door verminderde luchtvervuiling als gevolg van maatregelen om het

mm

coronavirus te beheersen. W/m2

ur 1.1

figuur 1.1 De jaargemiddelde temperatuur van 1901 tot en met 2020 vertoont grote variaties van jaar tot jaar, de trend is omhoog. De jaarsommen van de gemiddelde neerslag van 1906 tot en met 2020 vertonen grote variaties van jaar tot jaar, de trend is omhoog. De jaargemiddelde zonnestraling van 1965 tot en met 2020 vertoont grote variaties van jaar tot jaar, de trend is sinds de jaren 90 omhoog. Het maximaal neerslagtekort in het groeiseizoen van 1906 tot en met 2020 vertoont grote variaties van jaar tot jaar, de trend is sinds 2000 omhoog.

Het maximale neerslagtekort in het groeiseizoen is in de periode 1991-2020 toegenomen met ruim 8% per tien jaar figuur 1.1d. Dit komt vooral doordat de verdamping – en daarmee het neerslag­ tekort – in de lente is toegenomen, wat deels verklaard wordt door de toegenomen zonnestraling en temperatuur in de lente. In de vorige eeuw was er geen trend in neerslagtekort (→ hoofdstuk

Figuur 1.1 Jaargemiddelde temperatuur sinds 1901 (a), Jaarsom neerslag sinds 1906 (b), jaargemiddelde zonnestraling sinds 1965 (c), en maximaal neerslagtekort in het groeiseizoen sinds 1906 (d).

KNMI Klimaatsignaal’21

zeven).

Klimaatverandering in Nederland

12

figuur 1.2 De jaargemiddelde windsnelheid vertoont variaties van jaar tot jaar, op de landstations Schiphol (1968-2020), Eelde (1977-2020), Cabauw, (1987-2020) en Eindhoven (1985-2020) is sinds de jaren 90 de trend omlaag. Ook op het Noordzee station K13 (1990-2020) zien we een afname, maar deze afname is minder duidelijk. De hoogste uurgemiddelde windsnelheid vertoont variaties van jaar tot jaar, en is in de vijf stations Schiphol (1968-2020), Eelde (1977-2020), Cabauw, (1987-2020) en Eindhoven (1985-2020) en K13 (1990-2020) sinds de jaren 90 afgenomen. De afname is het sterkst in de stations Schiphol en Eelde.

Oorzaken opwarming Nederland

Wind

De hoogste uurgemiddelde windsnelheid per jaar

De jaargemiddelde windsnelheid in de vier land­

in de vijf stations is sinds de jaren 90 eveneens

stations Schiphol, Eelde, Cabauw en Eindhoven is

afgenomen figuur 1.2b. De afname is het sterkst in

Trends in het regionale klimaat kunnen direct door het versterkte

sinds de jaren 90 afgenomen met gemiddeld 2%

de stations van Schiphol en Eelde, met gemiddeld

broeikaseffect worden veroorzaakt of indirect door veranderingen in

per tien jaar figuur 1.2a. Voor het station K13 op de

3% per tien jaar. Die afname zien we ook terug in

luchtstromingen. Deze luchtstromingen hangen af van de ligging van

Noordzee (100 km ten westen van Den Helder) zien

de snelheid van windstoten met uitzondering van

hoge- en lagedrukgebieden. Ook dit luchtdrukpatroon kan door het

we geen duidelijke trend. De afname van de wind­

die bij zomerse hoosbuien → hoofdstuk zes. In de

versterkte broeikaseffect veranderen, met als gevolg een verandering

snelheid is waarschijnlijk deels het gevolg van een

windrichting zien we geen duidelijke trend sinds

van de overheersende richting van waar het weer vandaan komt.

toename van de ruwheid van het landoppervlak

1950, maar wel langjarige variaties. Zo was het

door toename van de bebouwing → 1.2.

percentage dagen in het zomerhalfjaar met

Boven Europa is het luchtdrukpatroon sinds 1881 in de winter

zuidwestenwind in de jaren 50 relatief hoog, in de

veranderd, met toenemende luchtdruk boven het Middellandse

jaren 80 relatief laag, en in de laatste jaren weer

Zeegebied en afnemende luchtdruk ten noorden van Scandinavië

relatief hoog. Het gaat hier waarschijnlijk om

(figuur 1.3). Dit heeft in Nederland, net als in de rest van Europa, geleid

natuurlijke variaties.

tot een toename van westenwinden en een afname van oostenwinden in de winters. We zien hierdoor in Europa een toename van het aantal

a) Gemiddelde windsnelheid per jaar

b) Hoogste uurgemiddelde windsnelheid per jaar

zachte dagen en een afname van het aantal koude dagen. Uit waarnemingen en modeldata blijkt dat in Noordwest-Europa een substantieel deel van de opwarming in de winter over de afgelopen (figuur 1.4). Voor de zomer geldt dit niet. De natuurlijke variatie in

m/s

m/s

zestig jaar het gevolg is van veranderingen in de luchtstromingen stromingspatronen is echter erg groot. Lopend onderzoek met behulp van klimaatmodellen moet uitwijzen welk deel van de verandering in de stromingen systematisch is en welk deel een gevolg is van langjarige, natuurlijke fluctuaties.

Figuur 1.2 Gemiddelde windsnelheid per jaar (a) en hoogste uurgemiddelde windsnelheid per jaar (b) op vier stations op land en één op de Noordzee (K13).

KNMI Klimaatsignaal’21

Klimaatverandering in Nederland

13

Figuur 1.3 Wereldkaart met in blauw een gebied met afnemende luchtdruk ten noorden van Scandinavie en in rood toenemende luchtdruk boven het Middellandse Zeegebied.

Trend waargenomen wintertemperatuur

Trendbijdrage: mondiale opwarming (winter) °C

Figuur 1.3 Trend in luchtdruk op zeeniveau (hPa/°C) in het winterhalfjaar oktober– maart over 1881–2020. De trend is gedefinieerd als de verandering in luchtdruk per graad stijging van de wereldgemiddelde temperatuur. Data: luchtdruk: 20th-Century Reanalysis v3 (1961-2015) en ERA5 (2016-2020),

Trendbijdrage: luchtstromingen (winter)

Trendbijdrage: restant (winter) °C

temperatuur: GISTEMP.

Figuur 1.4 Trend in de wintertemperatuur (decemberfebruari) per graad mondiale opwarming, bepaald over de periode 1961-2019 (linksboven). De andere panelen tonen de verschillende bijdragen aan de trend. Data: 20th-Century Reanalysis v3 (1961-2015) aangevuld met ERA5 (2016-2019). In de gearceerde gebieden is de trend niet significant. Figuur 1.4 Kaart van Europa met een duidelijke trend naar hogere temperaturen per graad mondiale opwarming, met name in Noordoost-Europa. Kaart van Europa met daarin de bijdrage van de mondiale temperatuur aan de temperatuurtrend in Europa. Met name in Noordoost-Europa is de bijdrage groot. Kaart van Europa met daarin de bijdrage van de circulatie aan de temperatuurtrend in Europa. Met name in Noordwest-Europa is de bijdrage groot. Kaart van Europa met daarin het restant van de bijdragen aan de temperatuurtrend in Europa. Met name ten noorden van IJsland is de restant-bijdrage groot.

KNMI Klimaatsignaal’21

Klimaatverandering in Nederland

14

Tabel 1 Klimaatnormalen voor Nederland: 1961-1990, 1981-2010 en 1991-2020 5 Seizoen

Variabele

Indicator

Klimaat 1961-1990

Klimaat 1981-2010

Klimaat 1991-2020

Seizoen

Variabele

Indicator

Klimaat 1961-1990

Klimaat 1981-2010

Klimaat 1991-2020

Jaar

Temperatuur

gemiddelde (TG)

9,4 °C

10,1 °C

10.5 °C

Lente

Temperatuur

gemiddelde (TG)

8,4 °C

9,5 °C

9,9 °C

gemiddelde maximum dagtemperatuur (TX)

13,3 °C

14,1 °C

14,5 °C

Neerslag

gemiddelde hoeveelheid

163 mm

167 mm

153 mm

gemiddelde minimum dagtemperatuur (TN)

5,4 °C

6,0 °C

6,3 °C

Wind

gemiddelde windsnelheid

5,5 m/s

5,2 m/s

5,0 m/s

Zonnestraling

zonnestraling

120 kJ/cm2

123 kJ/cm2

128 kJ/cm2

Neerslag

gemiddelde hoeveelheid

780 mm

Verdamping

potentiële verdamping

172 mm

182 mm

190 mm

Zonnestraling

gemiddelde hoeveelheid

364 kJ/cm

368 kJ/cm

Droogte

53 mm

57 mm

65 mm

Verdamping

potentiële verdamping

564 mm

580 mm

603 mm

gemiddeld neerslagtekort aan het einde van de lente

Vochtigheid

relatieve vochtigheid

82,7 %

83 %

81,8 %

Temperatuur

gemiddelde (TG)

16,2 °C

17,0 °C

17,5 °C

Wind

gemiddelde windsnelheid

5,2 m/s

5,1 m/s

5,0 m/s

gemiddelde maximum dagtemperatuur (TX)

21,0 °C

21,9 °C

22,3 °C

hoogste daggemiddelde per jaar

14,4 m/s

13,8 m/s

13,7 m/s

11,3 °C

11,9 °C

12,1 °C

hoogste uurgemiddelde per jaar

20,4 m/s

19,2 m/s

18,9 m/s

gemiddelde minimum dagtemperatuur (TN)

aantal dagen met windrichting tussen zuid en west

146

150

151

koelste zomerdag per jaar (TG)

10,4 °C

11,1 °C

11,5 °C

warmste zomerdag per jaar (TG)

23,6 °C

24,7°C

25,5 °C

gemiddelde (TG)

2,7 °C

3,4 °C

3,9 °C

aantal zomerse dagen (TX ≥ 25 °C)

15 dagen

21 dagen

22 dagen

gemiddelde maximum dagtemperatuur (TX)

5,3 °C

6,1 °C

6,6 °C

aantal tropische dagen (TX ≥ 30 °C)

2,4 dagen

3,8 dagen

4,7 dagen

gemiddelde minimum dagtemperatuur (TN)

-0,1 °C

0,5 °C

1,1 °C

aantal tropische nachten (TN ≥20°C)

0,0 dagen

0,1 dagen

0,3 dagen

gemiddelde hoeveelheid

207 mm

221 mm

235 mm

aantal natte dagen (≥ 0,1 mm)

44 dagen

44 dagen

44 dagen 1,9 dagen

Winter

Temperatuur

838 mm 2

851 mm 2

379 kJ/cm

2

koudste winterdag per jaar (TG)

-7,2 °C

-6,3 °C

-5,6 °C

zachtste winterdag per jaar (TG)

10,5 °C

11,3

11,4 °C

aantal vorstdagen (TN < 0 °C)

41 dagen

38 dagen

Zomer

Neerslag

aantal dagen (≥ 20 mm)

1,5 dagen

1,7 dagen

35 dagen

Wind

gemiddelde windsnelheid

4,4 m/s

4,3 m/s

4,4 m/s

aantal ijsdagen (TX < 0 °C)

10 dagen

7,6 dagen

5,9 dagen

Zonnestraling

gemiddelde hoeveelheid

156 kJ/cm

160 kJ/cm

164 kJ/cm2

gemiddelde hoeveelheid

190 mm

205 mm

216 mm

Verdamping

potentiële verdamping

264 mm

277 mm

286 mm

aantal natte dagen (≥ 0,1 mm)

56 dagen

55 dagen

56 dagen

Droogte

153 mm

160 mm

aantal dagen ≥ 10 mm

4,3 dagen

5,0 dagen

5,3 dagen

maximaal neerslagtekort gedurende 143 mm het groeiseizoen; gemiddelde

Wind

gemiddelde windsnelheid

5,9 m/s

5,9 m/s

5,8 m/s

maximaal neerslagtekort gedurende het groeiseizoen; 5% droogste jaren

228 mm

224 mm

247 mm

Zonnestraling

gemiddelde hoeveelheid

27 kJ/cm2

26 kJ/cm2

26 kJ/cm2

gemiddelde (TG)

10,2 °C

10,6 °C

10,9 °C

Verdamping

potentiële verdamping

31,1 mm

30,7 mm

31,7 mm

245 mm

Neerslag

5 De getallen in de tabel gelden voor de volgende meetstations: temperatuur: De Bilt; neerslag: gemiddelde van 13 neerslagstations (P13); zonnestraling, verdamping, vochtigheid: gemiddelde van 5 stations: De Bilt, De Kooy, Eelde, Vlissingen, Maastricht; neerslagtekort: P13 neerslagstations + verdamping in meest nabije KNMI-stations; wind: Schiphol. TX: maximumtemperatuur; TN: minimumtemperatuur; TG: daggemiddelde temperatuur.

KNMI Klimaatsignaal’21

Herfst

Temperatuur

2

2

Neerslag

gemiddelde hoeveelheid

223 mm

246 mm

Wind

gemiddelde windsnelheid

5,0 m/s

4,9 m/s

Zonnestraling

gemiddelde hoeveelheid

59 kJ/cm

59 kJ/cm

60 kJ/cm2

Verdamping

potentiële verdamping

91 mm

92 mm

95 mm

Klimaatverandering in Nederland

2

4,8 m/s 2

15

2

Klimaat­­ verandering, orkanen en stormvloeden op de BES-eilanden

Bonaire, St. Eustatius en Saba, ook wel de BESeilanden genoemd, zijn bijzondere gemeenten van

Temperatuur en neerslag: waargenomen trends

Nederland. Dit rapport gaat daarom ook in op het klimaat van de BES-eilanden. Vanuit het oogpunt

Om trends te bepalen, is het noodzakelijk te

van klimaatverandering kijken we met name naar

beschikken over lang­jarige reeksen van nauw­

waargenomen trends in temperatuur en neerslag,

keurige metingen van weerstations. Voor de BES-

en vanuit de impact op de samenleving naar orka­

eilanden waren zulke reeksen voor dit rapport niet

nen en de daardoor veroorzaakte stormvloeden.

beschikbaar. Voor de temperatuur gebruiken we de

De temperatuur neemt sinds de jaren 80 toe met

wel beschikbare reeksen van Curaçao – 80 km van

ongeveer 0,2°C per tien jaar. De neerslag vertoont

Bonaire – en St. Maarten – 50 km van St. Eustatius

geen trend. Orkanen van de zwaarste categorie 5

en Saba. De jaargemiddelde temperatuur op

komen op St. Eustatius en Saba ongeveer eens per

Curaçao en St. Maarten neemt sinds de jaren 80

veertig jaar voor en op Bonaire eens per tachtig jaar.

toe met respectievelijk 0,15°C en 0,23°C per tien jaar figuur 2.1. Voor neerslag gebruiken we metingen met neerslagmeters op land van het Global Precipitation Climatology Centre (GPCC). De neerslag op zowel Bonaire als St. Eustatius en Saba varieert sterk van jaar tot jaar figuur 2.2. Van een trend in neerslag is in beide gebieden geen sprake.

KNMI Klimaatsignaal’21

Klimaatverandering, orkanen en stormvloeden op de BES-eilanden

16

Figuur 2.1 De jaargemiddelde temperatuur vertoont variaties van jaar tot jaar, en is op station Hato air­ port (Curacao) en Juliana airport (Sint Maarten) sinds de jaren 60 toegenomen.

Jaargemiddelde temperatuur

Orkanen

Sinds 1981 zijn er 35 orkanen met maximale wind­

°C

snelheden groter dan 18 m/s binnen 250 km van

Waarnemingen van orkanen

St. Eustatius en Saba gekomen, met als zwaarste

De BES-eilanden bevinden zich in het pad dat

drie Irma (2017; 70 m/s, categorie 5), Maria (2017;

orkanen kunnen volgen. De hoge windsnelheden,

68 m/s, categorie 4) en Lenny (1999; 61 m/s, categorie

stormvloeden en grote hoeveelheden neerslag

4) figuur 2.3b. De eilanden zijn niet direct geraakt

die orkanen veroorzaken, maken deze stormen

door een orkaan, maar leden wel substantiële

tot de dodelijkste en kostbaarste natuurrampen.

schade aan de natuur door orkaan Irma → 2.1.

De grootste impact van een orkaan treedt op nabij Figuur 2.1 Jaargemiddelde temperatuur sinds 1961 op Curaçao en Sint Maarten. Data: GHCN-M v4 gehomogeniseerd.

Figuur 2.2 De jaarsommen van de neerslag vertonen sterke variaties van jaar tot jaar, zowel op Bonaire als St. Eustatius en Saba is geen sprake van een trend.

Jaarsom neerslag

het centrum van de storm, waar de hoogste wind­

De kans op orkanen

snelheden plaatsvinden. Maar de effecten zijn soms

Om de kans op het voorkomen van een bepaalde

op meer dan 500 km afstand merkbaar. Bij wind­

categorie orkaan uit te drukken, wordt meestal

snelheden vanaf 18 m/s is sprake van een tropische

gebruik gemaakt van de zogenoemde herhalings­

storm en begint schade te ontstaan, vanaf 33 m/s

tijd. Dit is de tijd die gemiddeld tussen twee

is sprake van een orkaan, en vanaf 50 m/s is de

gebeurtenissen ligt. Een windsnelheid met een

schade doorgaans catastrofaal.

herhalingstijd van 100 jaar heeft een kans van 1% dat deze (of een hogere) windsnelheid in een jaar

Sinds 1981 zijn er betrouwbare metingen, en zijn er

voorkomt.

mm

14 orkanen met maximale windsnelheden van meer dan 18 m/s binnen 250 km van Bonaire gekomen,

Om uitspraken te kunnen doen over extreme

met als zwaarste drie Felix (2007; 46 m/s, categorie

omstandigheden, is het belangrijk om een

2), Ivan (2004; 63 m/s, categorie 4) en Emily (2005;

meetreeks van orkanen te hebben die minstens zo

52 m/s, categorie 3) figuur 2.3a. In 1996 is Bonaire

lang is als de herhalingstijd. De beschikbare reeksen

direct geraakt door tropische storm Cesar (20 m/s).

zijn hiervoor te kort. Een oplossing hiervoor is het gebruik van een statistisch model dat ‘synthetische’

Figuur 2.2 Neerslag per jaar sinds 1961 op Bonaire en St. Eustatius en Saba. Data: GPCC Full Data Monthly Product Version 2020, 1.0° resolutie.

KNMI Klimaatsignaal’21

orkanen berekent: orkanen die statistisch gezien mogelijk zijn in het huidige klimaat. Met het model

Klimaatverandering, orkanen en stormvloeden op de BES-eilanden

17

Figuur 2.3 Op een geografische kaart met daarop de eilanden Aruba, Curacao en Bonaire zijn de lijnen van 14 orkanen weergegeven (periode 1981-2020), met maximale windsnelheden van meer dan 18 m/s, met als zwaarste drie Felix (2007; 46 m/s, categorie 2), Ivan (2004; 63 m/s, categorie 4) en Emily (2005; 52 m/s, categorie 3). In 1996 is Bonaire direct geraakt door tropische storm Cesar (20 m/s). Op een geografische kaart met daarop de eilanden St. Eustatius en Saba zijn de lijnen van 35 orkanen weergegeven (periode 1981-2020), met maximale wind­snelheden groter dan 18 m/s, met als zwaarste drie Irma (2017; 70 m/s, categorie 5), Maria (2017; 68 m/s, categorie 4) en Lenny (1999; 61 m/s, categorie 4).

a

b

STORM → 2.2, → 2.3 is berekend hoe vaak orkanen voorkomen in 10.000 jaar. Ook de meest extreme orkanen zijn hierin mee­ genomen. Tabel 2 geeft de herhalingstijden van categorie 1-5 orka­ nen binnen 250 km van St. Eustatius en Saba. Voor Bonaire zijn de herhalingstijden ongeveer twee keer zo lang. Deze verschillen ont­ staan doordat veel orkanen ten noorden van Bonaire over­trekken, terwijl St. Eustatius en Saba vaker in het pad van een orkaan liggen.

Stormvloeden Een stormvloed is een verhoging boven het astronomisch getij,

Venezuela

veroorzaakt door stormwinden die het water opstuwen tot boven het waterniveau van de vloed. figuur 2.4a toont voor een periode van 48 uur de waterhoogte langs de kust van Saba, die verhoogd was door orkaan Irma. De exacte verhoging hangt af van

Figuur 2.3 Orkanen met windsnelheden groter dan 18 m/s binnen 250 km van Bonaire (a) en St. Eustatius en Saba (b), in de periode 1981-2020.

verschillende factoren – zoals de windkracht en windrichting, de luchtdruk, en de diepte van de zee.

Tabel 2 Herhalingstijden orkanen rond St. Eustatius en Saba

Herhalingstijd van extreme waterhoogte Uit modelsimulaties zijn de herhalingstijden van verschillende

Categorie

1 (33 tot 42 m/s)

2 (42 tot 50 m/s)

3 (50 tot 58 m/s)

4 (58 tot 70 m/s)

5 (70 m/s en meer)

Herhalingstijd (jaar)

2

3

4

7

38

waterhoogtes berekend figuur 2.4b. Doordat de kans dat Bonaire door een orkaan getroffen wordt kleiner is dan op Saba en St. Eustatius, is ook de kans op een extreme waterhoogte kleiner. Het knikpunt in de curves geeft weer vanaf welke herhalingstijd

Herhalingstijden van categorie 1-5 orkanen binnen 250 km van St. Eustatius en Saba, zoals berekend met het model STORM. Indeling in categorieën volgens Saffir en Simpson.

orkanen een rol van betekenis spelen. Bij St. Eustatius en Saba is dat vanaf 10 jaar, bij Bonaire vanaf 100 jaar. Bij kleinere herhalings­ tijden is vooral hoogtij de oorzaak van extreme waterhoogte.

KNMI Klimaatsignaal’21

Klimaatverandering, orkanen en stormvloeden op de BES-eilanden

18

Figuur 2.4 Waterhoogte langs de kust van Saba onder invloed van orkaan Irma voor een periode van 48 uur van 5-7 september 2017. De totale waterhoogte is een optelsom van het astronomisch getij en de stormvloed en bereikte een piek met bijna 40 centimeter rond 10 uur op 5 september. De herhalinsgtijd van extreme waterhoogtes op Bonaire, St. Eustatius en Saba is gegeven. Doordat de kans dat Bonaire door een orkaan getroffen wordt klei­ ner is dan op Saba en St. Eustatius, is ook de kans op een extreme waterhoogte kleiner (kans op een waterhoogte van 50 cm is op Bonaire eens in de 10.000 jaar, op St. Eustatius en Saba is dat eens in de circa 70-80 jaar). Het knikpunt in de curves geeft weer vanaf welke herhalingstijd orkanen een rol van betekenis spelen. Bij St. Eustatius en Saba is dat vanaf 10 jaar, bij Bonaire vanaf 100 jaar.

Waterhoogte (in m)

b

Waterhoogte (in m)

a

Herhalingstijd (jaren) Tijd (maand-dag uur) Figuur 2.4 Waterhoogte langs de kust van Saba onder invloed van orkaan Irma (a); herhalingstijd van extreme waterhoogtes (b).

Overstromingsgevoeligheid

drinkwatervoorzieningen en delen van een olie­

Het overstromen van kustgebieden op de

terminal. De haven en het vliegveld van beide

BES-eilanden door een stormvloed kan gevaar

eilanden raakten beschadigd door orkaan Irma.

opleveren voor de bevolking. Ook kan het schade

Op Bonaire ligt de vitale infrastructuur in het

aan natuur, infrastructuur en bebouwing veroor­

relatief laaggelegen kustgebied; evenals veel

zaken. Grootschalige overstromingen vanuit zee op

bebouwing, waaronder de hoofdstad Kralendijk.

Saba en St. Eustatius zijn onwaarschijnlijk door het

Daardoor is van de drie eilanden Bonaire het meest

vulkanisch landschap en daarmee de hoogteligging.

gevoelig voor stormvloeden.

In de kustzones liggen echter wel elektriciteits- en Reinoud Sleeman

KNMI Klimaatsignaal’21

Klimaatverandering, orkanen en stormvloeden op de BES-eilanden

19

3

IPCCinzichten

Het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties,

In alle IPCC emissiescenario's wordt de 1,5°C-grens over circa tien jaar bereikt, een decennium eerder dan verwacht.

brengt eens in de 6 à 7 jaar een groot assessment­ rapport uit, waarin door enkele honderden auteurs de bevindingen uit de wetenschappelijke literatuur wordt beoordeeld en samengevat. Begin augustus 2021 is het eerste deel van het zesde IPCC-rapport → 0.1 verschenen. Dit Werkgroep I-rapport gaat over de fysische basis van het klimaatsysteem, een onderwerp dat nauw aansluit bij het KNMIklimaatonderzoek. Vanuit het KNMI zijn dan ook twee auteurs betrokken bij de totstandkoming van dit rapport. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste be­vin­d­ingen uit het Werkgroep I-rapport samen­ gevat. De focus ligt hierbij op de waargenomen mondiale klimaatverandering, de stijging van de

Conclusies IPCC en inzichten mondiaal klimaat

concentratie broeikasgassen in de atmosfeer, wetenschappelijke inzichten over de gevoeligheid

De belangrijkste conclusies van het IPCC zijn dat de

van het klimaatsysteem en de nieuwe mondiale kli­

opwarming van het klimaat door de menselijke

maatscenario’s tot 2100. In aansluiting op de waar­

invloed een vaststaand feit is en dat zich op grote

genomen klimaatontwikkelingen in Nederland en op

schaal een snelle klimaatverandering heeft voltrok­

de BES-eilanden – in respectievelijk → hoofdstuk 1

ken. Het vorige rapport uit 2013 → 0.5 sprak nog

en → hoofdstuk 2 – worden ook de IPCC-klimaat­

over een ‘uiterst waarschijnlijke menselijke invloed

projecties voor Europa en het Caribisch gebied

op het klimaat’.

beschouwd.

KNMI Klimaatsignaal’21

IPCC-inzichten

20

De wereldgemiddelde temperatuur (over land en zee) is in de

Broeikasgassen

periode 2011-2020 met 1,1°C gestegen ten opzichte van het

De stijging van de concentraties broeikasgassen

Toename warmte-opname en verzuring oceanen

gemiddelde over de periode 1850-1900. In 2020 is de tempera­

CO2, methaan en lachgas sinds 1750 zijn onmis­

Meer dan 90% van de extra energie in het klimaat­

tuurstijging opgelopen tot 1,2°C. Ook de temperatuurstijging op

kenbaar veroorzaakt door de mens. De huidige

systeem als gevolg van de stijging van broeikasgas­

regionaal niveau boven land en de afname van zee-ijs in het

CO2-concentratie (410 ppm6 in 2019) is de hoogste

sen wordt opgeslagen in de oceaan. Ten opzichte

Arctische gebied zijn duidelijk groter dan de natuurlijke variaties.

in ten minste twee miljoen jaar (inmiddels staat

van het vijfde rapport van IPCC (2013) is dit nóg

de teller op 412 ppm in 2020). De energiebalans

beter in kaart gebracht. De opname van energie

Het is zeker dat de wereldgemiddelde temperatuur in 2050 hoger

van het klimaatsysteem wordt verstoord door

leidt tot opwarming en uitzetting van het zeewater

zal zijn dan nu, ongeacht het emissiescenario dat gevolgd wordt.

menselijke activiteiten en wordt uitgedrukt in

(warm water neemt meer ruimte in dan koud

Dit is een gevolg van de lange verblijftijd van kooldioxide (CO2) in de

stralingsforcering. Deze is voor 2019 geschat op

water). Deze uitzetting is – naast het smelten van

atmosfeer en de al opgeslagen warmte in de oceanen door de

2,72 W/m2 (1,96-3,48) ten opzichte van 1750 en is

gletsjers en ijskappen – een belangrijke oorzaak van

historische uitstoot. Slechts in de twee laagste emissiescenario’s is

hiermee 19% hoger dan in 2011 → 0.5. Ter verge­

zeespiegelstijging. De opname van een deel van de

het mogelijk dat de mondiale temperatuurstijging in 2100 beperkt

lijking: een verdubbeling van de CO2-concentratie

antropogene uitstoot van CO2 door de oceanen

blijft tot hooguit 1,5 en 2°C ten opzichte van het pre-industriële

leidt tot een stralingsforcering van 3,7 W/m2, wat

heeft geleid tot verzuring: de huidige oceanische

tijdperk. Die keuze voor het nemen van mitigerende maatregelen

een mondiale temperatuurstijging van uiteindelijk

pH-waarde is de laagste in de afgelopen twee

om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, kan nu nog

3°C (beste schatting) veroorzaakt. Door de wereld­

miljoen jaar.

gemaakt worden. Het resterende koolstofbudget – de hoeveelheid

wijde temperatuurtoename is de hydrologische

CO2 die we wereldwijd nog kunnen uitstoten om een bepaalde

cyclus geïntensiveerd. Dit uit zich in een gemiddeld

doelstelling te halen – is beperkt. Met de huidige uitstoot is het

hoger waterdampgehalte in de atmosfeer

resterende koolstofbudget voor de 1,5°C binnen tien jaar op.

(zie → hoofdstuk zes) en wereldgemiddeld meer

In alle emissie­scenario's wordt de 1,5°C-grens over circa tien jaar

neerslag met grote regionale verschillen.

bereikt, een decennium eerder dan verwacht. Langzame processen, zoals zeespiegelstijging, zijn niet meer te stoppen; hooguit zijn ze op de lange termijn te beperken. Hoe groter de opwarming, des te hoger de risico’s op onomkeer­bare klimaatveranderingen in de komende eeuwen. 6 ppm = parts per million.

KNMI Klimaatsignaal’21

IPCC-inzichten

21

IJsbedekking

Klimaatgevoeligheid

Het massaverlies van de ijskappen van Antarctica en

Sinds het vorige IPCC-rapport (2013) is voortgang

Groenland en van gletsjers gaat onverminderd door.

geboekt bij het preciezer bepalen van de

Sinds 1993 levert deze component de grootste bij­

klimaat­gevoeligheid, uitgedrukt in de mondiale

drage aan de zeespiegelstijging. Verder is een sterke

temperatuurstijging bij een verdubbeling van het

afname van sneeuwbedekking en zee-ijs waargeno­

CO2-gehalte. Dit komt door betere technieken

men. Veel permafrostgebieden in het Arctische

om de klimaatgevoeligheid uit waarnemingen te

gebied en in gebergten zijn de afgelopen decennia

bepalen. Ook is er meer inzicht in klimaatterug­

verloren gegaan.

koppelingen, zoals de rol van wolken daarin. Deze terugkoppelingen worden vanwege de steeds

Weersextremen

hogere ruimtelijke resolutie beter gemodelleerd en

Veranderingen in extremen zijn wereldwijd

kunnen dankzij steeds nauw­keurigere satellietwaar­

waargenomen sinds 1950. Dit betreft het vaker

nemingen beter getoetst worden. Bovendien is er

voorkomen van extreem hoge luchttemperatuur en

meer inzicht in de verandering van klimaatgevoelig­

mariene hittegolven (hoge zeewatertemperaturen,

heid in warmere en koudere perioden in het verre

die maanden kunnen aanhouden), de intensivering

verleden. Dit heeft geleid tot een iets hogere schat­

van extreme neerslag en een toename van droogte.

ting van de klimaatgevoeligheid, dat wil zeggen: bij

Het IPCC-rapport acht het uiterst waarschijnlijk

een verdubbeling van de CO2-concentraties stijgt de

(>95%) dat de mens de grootste factor is in de

temperatuur nog meer dan we in 2013 dachten.

waargenomen toename van de frequentie en

De beste schatting is 3°C met een waarschijnlijke

intensiteit van de warme extremen en de afname

bandbreedte (67%) van 2,5 tot 4°C en een zeer

van koude extremen.

waarschijnlijke range (90%) van 2 tot 5°C. Het is nagenoeg zeker (99%) dat de klimaatgevoeligheid groter is dan 1,5°C.

Richard Bintanja

KNMI Klimaatsignaal’21

IPCC-inzichten

22

De mondiale klimaatmodellen die met elkaar zijn vergeleken in het

Sinds het vijfde IPCC-rapport is er beter inzicht in de processen,

CMIP6-project, vertonen een hogere gemiddelde klimaatgevoelig­

die tot massaverlies van gletsjers en ijskappen leiden. Er bestaat

heid dan de vorige generatie mondiale klimaatmodellen (CMIP5)

wel grote onzekerheid over het instabiel worden van de ijskappen.

die zijn gebruikt voor het vijfde IPCC-rapport. In veel van de

Het IPCC stelt dat het kantelpunt voor zowel Groenland als

CMIP6-modellen kan de hogere gevoeligheid worden herleid naar

Antarctica rond de twee graden mondiale opwarming ligt.

de verandering in de modellering van bewolking – met name buiten

De onzekerheid hierover is groot, maar de gevolgen voor zeespie­

de tropen – die nu beter overeenkomt met wolkenwaarnemingen

gelstijging zijn enorm als het kantelpunt wordt overschreden.

door satellieten. Een aantal modellen geeft een klimaatgevoeligheid

Zowel Arctisch als Antarctisch zee-ijs zal verder afnemen, net als

van meer dan 5°C. Deze waarden kunnen niet worden uitgesloten,

de sneeuwbedekking en het oppervlak aan permafrostgebieden.

maar de resultaten van een deel van deze modellen zijn minder

De verzuring van de oceanen zal toenemen door verdere

plausibel omdat ze de recente klimaatveranderingen niet goed

CO2-opname. Ook zullen de oceanen steeds meer warmte

kunnen simuleren.

opnemen, waardoor de oppervlaktetemperatuur van de oceanen en de zeespiegel verder blijft stijgen.

Mondiale klimaatprojecties

Regionale klimaatprojecties

De toekomstige mondiale temperatuurstijging is afhankelijk van het emissiescenario. Er zijn verschillende paden gedefinieerd

De temperatuurstijging bij een bepaalde toename van broeikas­

voor de jaarlijkse wereldwijde CO2-uitstoot, de SSP's (Shared

gassen in de atmosfeer is niet overal op aarde gelijk, maar vertoont

Socioeconomic Pathways). Ten opzichte van pre-industrieel

een robuust geografische patroon in alle scenario’s. De opwarming

(het gemiddelde over 1850-1900) zijn de berekende temperatuur­

gaat sneller boven land dan boven oceanen en in het Arctisch

toenamen voor 2081-2100 met de zeer waarschijnlijke band­

gebied vindt de sterkste temperatuurstijging plaats.

breedte (90%) 1,8°C (1,3-2,4) voor SSP1-2.6 (consistent met de

Veranderingen in luchtstromingen geven veranderingen in

maximaal 2°C-doelstelling van het Klimaatakkoord van Parijs),

regionale neerslagpatronen en worden zeer waarschijnlijk gedreven

2,7°C (2,1-3,5) voor SSP2-4.5 en 4,4°C (3,3-5,7) voor SSP5-8.5

door de regionale verschillen in opwarming. Zomertemperaturen

(als de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd niet beperkt wordt).

en extreme hitte op de gematigde breedten stijgen substantieel sneller dan de mondiale opwarming.

KNMI Klimaatsignaal’21

IPCC-inzichten

23

Figuur 3.1 Klimaatprojecties voor 2081-2100 ten opzichte van 1995-2014 voor twee scenario's, SSP1-2.6 (a en c) en SSP5-8.5 (b en d), voor temperatuurverandering in °C (a en b) en neerslagverandering in % (c en d). Arcering geeft aan dat minder dan 80% van de gebruikte klimaatmodellen overeenstemt.

a) Temperatuurverandering

b) Temperatuurverandering

c) Neerslagverandering

d) Neerslagverandering

De toekomstige regionale veranderingen in de gemiddelde en extreme temperaturen boven land zijn zeer waarschijnlijk evenredig met de mondiale opwarming, maar de evenredigheids-factor is van plaats tot plaats verschillend. Warmte-extremen zullen vaker voorkomen; koude extremen minder vaak. Extreme neerslag zal in de meeste gebieden boven land vaker voorkomen, maar daarnaast zullen we ook vaker met droogte te maken krijgen. Het IPCC-rapport maakt de regionale klimaatveranderingen inzich­ telijk in de zogeheten Atlas, waarin de wereld onderverdeeld is in regio's. Zo bestaat Europa uit vier regio’s: Noord-, Oost- en Centraal-Europa en het Middellandse Zeegebied figuur 3.1. Hieronder geven we de IPCC-inzichten weer voor Europa en het Caribisch gebied voor 2081-2100 voor een laag (SSP1-2.6) en het hoogste emissiescenario (SSP5-8.5).

Europa De waargenomen sterke opwarming in de winter in Noord-Europa en in de zomer in Zuid-Europa zet zeer waarschijnlijk door. In Noord-Europa neemt de jaargemiddelde neerslag toe, terwijl in Zuid-Europa de neerslag juist afneemt. Dit patroon geldt bij alle emissiescenario’s. Voor Noord- en Centraal-Europa – Nederland ligt op het grensvlak – is zowel de winter- als de zomergemiddelde neerslagverandering schaalbaar met de temperatuurtoename: circa 6% per graad in de winter en circa +1% tot -3% per graad in de zomer voor respectievelijk Noord-Europa en Centraal-Europa.

Figuur 3.1 Klimaatprojecties voor 2081-2100 ten opzichte van 1995-2014 voor twee scenario's, SSP1-2.6 (a en c) en SSP5-8.5 (b en d), voor temperatuurverandering in °C (a en b) en neerslagverandering in % (c en d). Arcering geeft aan dat minder dan 80% van de gebruikte klimaatmodellen overeenstemt.

Dit illustreert de onzekerheid in toekomstige zomerse neerslag­ veranderingen in Nederland (zie → hoofdstuk zeven). KNMI Klimaatsignaal’21

IPCC-inzichten

24

Figuur 3.2 Klimaatprojecties voor 2081-2100 ten opzichte van 1995-2014 voor twee scenario's, SSP1-2.6 (a en c) en SSP5-8.5 (b en d), voor temperatuurverandering in °C (a en b) en neerslagverandering in % (c en d). Arcering geeft aan dat minder dan 80% van de gebruikte klimaatmodellen overeenstemt.

a) Temperatuurverandering

b) Temperatuurverandering

c) Neerslagverandering

d) Neerslagverandering

De verschillen tussen de vorige generatie mondiale klimaatmodellen (CMIP5) en de huidige (CMIP6) met betrekking tot de verwachte temperatuur- en neerslagveranderingen, zijn klein: het contrast tussen de verdroging in het mediterrane gebied en vernatting in Noord-Scandinavië lijkt iets toe te nemen. Wat de effecten hiervan zijn op de klimaatscenario’s voor Nederland, moet worden ondergezocht met gedetailleerde regionale modellen. De uitkomsten zullen worden gepresenteerd in de KNMI’23klimaatscenario’s voor Nederland.

Caribisch gebied De temperatuur in het Caribisch gebied stijgt. Voor de BES-eilanden is de temperatuurstijging kleiner dan gemiddeld het geval is in de gehele Caribische regio. De jaarlijkse neerslag neemt waarschijnlijk af. Deze afname schaalt in het gehele Caribische gebied met de temperatuurtoename, circa -4% per graad. Ook voor het Caribisch gebied lijken de verschillen in temperatuur- en neerslagprojecties tussen CMIP5 en CMIP6, de huidige generatie klimaatmodellen, klein figuur 3.2. Tropische orkanen nemen in kracht toe met gemid­ deld meer neerslag.

Figuur 3.2 Klimaatprojecties voor 2081-2100 ten opzichte van 1995-2014 voor twee scenario's, SSP1-2.6 (a en c) en SSP5-8.5 (b en d), voor temperatuurverandering in °C (a en b) en neerslagverandering in % (c en d). Arcering geeft aan dat minder dan 80% van de gebruikte klimaatmodellen overeenstemt.

KNMI Klimaatsignaal’21

IPCC-inzichten

25

4

Zeespiegelstijging

In het zesde IPCC-rapport zijn de laatste inzichten over mondiale zeespiegelstijging op een rij gezet, zowel wat betreft waarnemingen als wat betreft projecties. In dit hoofdstuk wordt een samenvatting gegeven, aangevuld met een analyse van de zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust. De zeespiegel is wereldgemiddeld van 1901 tot 2018 met ongeveer

De zeespiegel zal de komende honderden jaren onvermijdelijk blijven stijgen.

20 centimeter gestegen. Deze stijging gaat steeds sneller; tussen 2006 en 2018 met 3,7 mm per jaar. De wereldwijde versnelling van de afgelopen jaren zien we aan de Nederlandse kust nog niet. Voor kleine gebieden – zoals de Noordzee – is een langere periode nodig om veranderingen in de trend vast te stellen vanwege lokale effecten zoals fluctuaties in wind en in zeestromen.

De Noordzee in directe verbinding met de oceanen De zeespiegel zal als gevolg van klimaatverandering de komende honderden jaren onvermijdelijk blijven stijgen, maar de snelheid waarmee hangt af van de hoeveelheid broeikasgassen die de wereld blijft uitstoten. Als we de uitstoot sterk weten te verminderen (SSP1-2.6), zal de wereldgemiddelde zeespiegel­ stijging waarschijnlijk7 tussen 2150 en 2350 de 1 meter over‑ schrijden. Als de uitstoot onverminderd doorgaat (SSP5-8.5), zal dat waarschijnlijk al tussen 2090 en 2140 gebeuren. 7 Met waarschijnlijk wordt hier een bandbreedte van 67% bedoeld.

KNMI Klimaatsignaal’21

Zeespiegelstijging

26

Figuur 4.1 Zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust (blauw gebaseerd op zes getijdestations) versus twee reconstructies van de wereld­ gemiddelde zeespiegelstijging. Zeespiegelmonitor → 4.1 Dangendorf 2019 → 4.2 Frederikse 2020 → 4.3

Ook al gaat de zeespiegelstijging de afgelopen jaren in Nederland niet uit de pas blijft lopen met het wereldgemiddelde. De Noordzee staat immers in directe verbinding met de oceanen. De zeespiegel zal ook in Nederland steeds sneller gaan stijgen. Als delen van de Antarctische IJskap instabiel worden, dan kan die versnelling na 2050 flink toenemen. De indicatieve getallen voor zeespiegelstijging aan de Nederlandse

Verandering in zeespiegel (in cm)

iets langzamer dan wereldwijd gemiddeld, zeker is dat Nederland

Figuur 4.1 Zeespiegelstijging voor Nederlandse kust versus twee reconstructies van de wereldge­ middelde zeespiegelstijging. De zeespiegel is wereldgemiddeld tussen 1901 en 2018 met onge­veer 20 cm geste­ gen, met een zeer waarschijnlijke band­ breedte van 15 tot 25 cm. Sinds eind jaren 60 is een duidelijke wereldwijde versnelling zichtbaar. Sinds 1901 was de totale zeespie­ gelstijging voor de Nederlandse kust onge­ veer gelijk aan de mondiale zeespiegelstij­ ging, namelijk ongeveer 22 cm.

kust zijn dan ook ten opzichte van de KNMI’14-klimaatscenario’s naar boven toe bijgesteld tabel 4.

Waargenomen trends mondiaal en in Nederland De zeespiegel is wereldgemiddeld tussen 1901 en 2018 met onge­ veer 20 cm gestegen, met een zeer waarschijnlijke8 bandbreedte van 15 tot 25 cm figuur 4.1. Met een gemiddelde stijgsnelheid van 1,7 mm/jaar is dit de snelste stijging over een periode van honderd jaar of meer in de laatste drieduizend jaar. Sinds eind jaren 60 is een duidelijke wereldwijde versnelling zichtbaar. De stijgsnel­ heid van ongeveer 2,3 (1,6–3,1) mm/jaar in de periode 1971 tot 2018 nam toe tot 3,7 (3,2–4,2)8 mm/jaar in de periode 2006 tot

Tabel 4 Indicatieve zeespiegelscenario's voor de Nederlandse kust Jaar

2050

2050

2100

2100

2100

Uitstoot-scenario SSP1-2.6

SSP2-4.5

SSP5-8.5

SSP1-2.6

SSP2-4.5

SSP5-8.5

Zeespiegelstijging 14-38 cm in cm

15-41 cm

16-47 cm

30-81 cm

39-94 cm

54-121 cm

Stijgsnelheid in mm/jaar

2050

2,8-8,7 mm/jaar 5,2-10,6 mm/jaar 5,8-12,1 mm/jaar 2,9-9,1 mm/jaar

4,4-10,5 mm/jaar 7,2-16,9 mm/jaar

2018. In de laatste 25 jaar zien we de stijgsnelheid iedere tien jaar

Indicatieve zeespiegelscenario's voor de Nederlandse kust onder verschillende emissiescenario's, rond 2050 (2046-2055) en rond 2100 (2096-2105), ten opzichte van 1995-2014, met zeer waarschijnlijke bandbreedte (90%). Hierbij is de bodemdaling inbegrepen. De definitieve KNMI’23-zeespiegelscenario’s kunnen hiervan afwijken, omdat voor KNMI’23 een bredere groep CMIP6-modellen beschikbaar zal zijn.

8 Met zeer waarschijnlijk wordt hier een bandbreedte van 90% bedoeld.

Erratum: Deze digitale tabel 4 verschilt in details met tabel 4 in de gedrukte versie. Deze digitale tabel is de geldende versie.

KNMI Klimaatsignaal’21

Zeespiegelstijging

27

met ongeveer 1 mm/jaar toenemen. De laatste paar jaar schom­

is dat smeltwater van ijskappen niet gelijkmatig wordt verdeeld

melt de stijgsnelheid tussen de 4 en 5 mm/jaar.

over de oceanen: lokaal daalt de zeespiegel (minder zelf-gravitatie), terwijl die op grote afstand van de smeltende ijskap juist extra stijgt.

Sinds 1901 was de totale zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust ongeveer gelijk aan de mondiale zeespiegelstijging, namelijk ongeveer 22 cm. Dit komt overeen met een stijgsnelheid van ruim

Zeespiegelprojecties voor Nederland

1,8 mm/jaar figuur 4.1. Hierbij is echter de bodemdaling inbegre­ pen. Volgens een recente schatting zou die ongeveer een kwart van

In de berekening van de zeespiegelstijging aan de Nederlandse kust

de gemeten zeespiegelstijging verklaren → 4.1. Een versnelling van

is met veel factoren rekening gehouden, waaronder het uitzetten

de zee­spiegelstijging voor de Nederlandse kust is nog niet detecteer­

van de oceanen door opwarming, zelf-gravitatie, de veranderingen

baar door de grote jaar-tot-jaar-variaties in de hoeveelheid stormen,

in zoutgehalte, en het massaverlies van gletsjers en ijskappen op

die een sterke invloed hebben op het zeeniveau. Dit geeft een stan­

Groenland en Antarctica. Omdat het smelten van de Groenlandse

daardafwijking van de jaarlijks gemiddelde zeespiegel van 6 cm.

IJskap nauwelijks bijdraagt aan de zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust, verwachten we dat de stijging hier iets zal achter­ blijven bij het wereldgemiddelde. In de scenario’s is een bodem­

Regionale verschillen in zeespiegelstijging

daling aangenomen van 0,5 mm/jaar. Voor de zeespiegelstijging aan de Nederlandse kust geeft elk scenario zowel een onder- als een

De zeespiegel – en dus ook de zeespiegelstijging – kan om

bovenwaarde, overeenkomstig de zeer waarschijnlijke bandbreedte

verschillende redenen regionaal afwijken van wereldgemiddelde

van 90% figuur 4.2.

waarden. Door de draaiing van de aarde en ruimtelijke verschillen in zeewatertemperatuur en zoutgehalte, kunnen veranderingen in

Verschil tussen waarnemingen en scenario’s voor 2020

zeeniveau ontstaan die gekoppeld zijn aan zeestromingen.

De stijgsnelheid van de zeespiegel voor de Nederlands kust is in

Die verschillen variëren van jaar tot jaar, net zoals de luchtdruk

onze scenario’s 4,9 (2,3–7,6)9 mm/jaar in 2020. Dit is ruim 2 mm/

niet op iedere plek op aarde altijd gelijk is. Ook verandert het

jaar meer dan de waargenomen trend, over de periode sinds 1993

zwaartekrachtveld van de aarde enigszins door het smelten van

2,8 (1,2–4,2)9 mm/jaar (de trend sinds 1993 is wel hoger maar

gletsjers en ijskappen. Een grote ijsmassa zoals Groenland trekt de

niet significant verschillend van de 1,8 mm/jaar sinds 1901).

zeespiegel lokaal omhoog, het zelf-gravitatie effect. Gevolg hiervan Peter van Haastrecht

KNMI Klimaatsignaal’21

9 Met zeer waarschijnlijk wordt hier een bandbreedte van 90% bedoeld.

Zeespiegelstijging

28

Het verschil tussen waarneming en projectie voor 2020 is goed te verklaren door verschillen in weer, oceaanstromingen, regionale

Nieuwe inzichten in mondiale zeespiegelscenario’s

opwarming en zoutgehalte van de oceaan.

Op Groenland zou het smelten aan het oppervlak nog meer kunnen versnellen als in de zomer de straalstroom boven de Atlantische Oceaan

Het krimpen van de Groenlandse en Antarctische

sterker gaat meanderen, zodat ’s zomers vaker

Het opstuwen van water voor de Nederlandse kust door stormen is

IJskappen versnelt op dit moment. Vergeleken met

hogedrukgebieden ontstaan die voor extreme

de afgelopen dertig jaar afgenomen ten opzichte van de jaren daar­

de periode 1992-2001 was het massaverlies van de

temperaturen en extra veel zonnestraling op

voor. Hierdoor is de zeespiegelstijging voor de Nederlandse kust de

Groenlandse ijskap tussen 2009 en 2018 zeven keer

Groenland zorgen. De laatste jaren gebeurt dit

laatste 30 jaar getemperd. De projecties voor zeespiegelstijging

zo groot en van de Antarctische IJskap meer dan

steeds vaker – het meest opvallend in 2019 – maar

nemen dit effect niet mee, omdat klimaatmodellen geen

vier keer zo groot. Sinds 2018 zijn beide ijskappen

het is nog onduidelijk of dit een gevolg is van de

systemati­sche verandering in winden boven de Noordzee laten

verder gesmolten en het massaverlies zal zich deze

mondiale opwarming of van een tijdelijke

zien. Daardoor komen de projecties die in 2005 zijn gestart voor

eeuw voortzetten, zelfs bij het scenario waarbij de

klimaatfluctuatie. Na het verdwijnen van de

de periode tot 2020 op een hogere zeespiegelstijging uit dan de

uitstoot van broeikasgassen sterk wordt vermin­

drijvende ijsplaten rond Antarctica zouden ijskliffen

waarnemingen.

derd en na 2050 nul is. Het verdwijnen van ijs op

kunnen ontstaan die onder hun eigen gewicht

Groenland zal steeds meer gedomineerd worden

instorten. Hierdoor zou de afkalving van Antarctica

Bovendien is het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan

door smelten aan het oppervlak, terwijl bij

extreem kunnen versnellen, maar deze theorie is

in de afgelopen tien tot twintig jaar minder opgewarmd dan het

Antarctica afkalving en smelten van onderaf door

nog omstreden. Als de theorie klopt, zouden we dit

mondiaal gemiddelde, en zouter geworden. Zowel achterblijvende

contact met relatief warm oceaanwater het belang­

fenomeen over twintig tot dertig jaar als eerste

lokale opwarming als veranderingen in het zoutgehalte resulteren

rijkst zijn. Bij een wereldgemiddelde opwarming

kunnen waarnemen bij de zich op dit moment snel

momenteel in een negatieve bijdrage aan de zeespiegelstijging

van tussen de 2 en 3°C ten opzichte van pre-indu­

terugtrekkende Thwaites Gletsjer die uitmondt in

vergeleken met de afgelopen veertig jaar.

strieel wordt de toekomst van Antarctica erg

de Amundsen Zee figuur 4.3.

onzeker, door mogelijk grote veranderingen in Bovengenoemde natuurlijke fluctuaties verklaren waarom de waar­

ijsstromen en het instabiel raken van delen van de

genomen stijgsnelheid voor de Nederlandse kust een stuk kleiner

Antarctische IJskap (SSPS5-8.5 H++) figuur 4.4.

is dan de geprojecteerde stijgsnelheid voor dezelfde periode.

De drijvende ijsplaten die het landijs van Antarctica

In projecties voor de toekomst worden dit soort fluctuaties niet

omringen, kunnen dan deze eeuw al in stukken

meegenomen, omdat ze alleen een uitspraak doen over de trend en

breken, waarna het landijs veel sneller begint af te

de fluctuaties op de lange termijn uitmiddelen.

kalven.

KNMI Klimaatsignaal’21

Zeespiegelstijging

29

Verandering in zeespiegel (in cm)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10719660/1