CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Klachtafdoening 6 maart 2026.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 15 april 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Ongegrond verklaren klacht inspreker (VN2026-004489)2.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

5483 over het tot de orde roepen door de voorzitter van de commissie AZ - Ombudsman Metropool Amsterdam Datum: 6 maart 2026

Aanleiding Verzoeker heeft tijdens een commissievergadering AZ namen genoemd van personen die algemeen bekend zijn in hun functie. De voorzitter heeft verzoeker vervolgens tijdens de vergadering tot de orde geroepen. Verzoeker dient hierover een klacht in bij de gemeenteraad. Het presidium van de gemeenteraad heeft de klacht op 17 november 2025 behandeld. De klacht wordt ongegrond bevonden omdat de voorzitter een inspreker ‘tot de orde mag roepen als deze namen van ambtenaren of tot persoon herleidbare functies benoemt’. Dit, op grond van het Reglement van Orde gemeenteraad en raadscommissies (RvO). Verzoeker stelt echter een beroep te hebben gedaan op een uitzondering hierop, te weten dat namen van bestuurders en ambtenaren die vanuit hun functie in het openbaar treden wél genoemd mogen worden. Deze uitzondering is volgens de gemeenteraad niet opgenomen in het RvO. Volgens de klachtbehandeling is in het RvO bepaald dat de voorzitter een spreker tot de orde roept wanneer naar zijn oordeel sprake is van een van de gedragingen genoemd in artikel 35.1 Dit betekent dat de voorzitter bepaalt of namen wel of niet gebruikt mogen worden. Bovendien kan de voorzitter een (in)spreker tot de orde roepen als die zich naar zijn mening beledigend, discriminerend of anderszins onbehoorlijk uitlaat.

In dit geval vond de voorzitter dat de orde werd verstoord en daar heeft hij passend op gereageerd. Op basis van deze regels is de klacht ongegrond verklaard. Verzoeker is het niet eens met de uitkomst van de klachtbehandeling en wendt zich tot de ombudsman. Verzoeker stelt dat niet in het RvO staat vermeld dat er geen namen genoemd mogen worden. Hij wil weten welke regel hij overtreden zou hebben en ook of artikel 35 lid 1 onder b en onder e RvO al dan niet van toepassing is. Verzoeker vindt voorts dat de voorzitter bij zijn hoorgesprek aanwezig had moeten zijn. Artikel 35 RvO bevat regels omtrent handhaving van de orde en schorsing. Daarin staat het volgende: 1.De commissievoorzitter roept een spreker tot de orde als die naar zijn mening: a. afwijkt van het onderwerp dat besproken wordt; b. zich beledigend, discriminerend of anderszins onbehoorlijk uitlaat; c. zijn plicht tot geheimhouding schendt; d. instemming betuigt met of aanspoort tot onwettige handelingen; e. namen van ambtenaren of tot persoon herleidbare functies noemt; f. de bepalingen in dit reglement niet naleeft of; g. op een andere manier, op welke wijze dan ook, de orde verstoort. 2.Als de spreker die tot de orde is geroepen, voortgaat met het verstoren van de orde, ontneemt de commissievoorzitter hem het woord.

De spreker kan dan over het op dat moment in die vergadering aan de orde zijnde onderwerp niet meer aan de vergadering deelnemen. 3.Artikel 26 van de Gemeentewet is op de vergaderingen van de commissie van overeenkomstige toepassing.

1

Zie hiervoor: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR647756/2

2

De klachtbehandeling De ombudsman heeft de raadsvergadering van 11 september 2025 teruggekeken en daarbij valt het volgende op: In het begin stelt de voorzitter in het algemeen de regels en benoemt daarbij dat het niet de bedoeling is dat een inspreker zich richt tot de burgemeester. Een inspreker kan zich enkel en alleen richten tot de aanwezige leden van de raadscommissie. Verder wijst hij insprekers op de regel dat er geen namen van ambtenaren of personen genoemd mogen worden tijdens commissievergaderingen, óók niet als de persoon via de functie herleidbaar is. Tijdens het inspreken noemt verzoek de namen van twee publieke personen. Vervolgens, als hij de naam van de politiechef Eenheid Amsterdam noemt, wijst de voorzitter verzoeker op de regel dat hij geen namen mag noemen. Verzoeker stelt hier op dat moment zijn vraagtekens bij, omdat hij net daarvoor nog de namen van twee andere publieke figuren had genoemd en dat kennelijk geen problemen opleverde. Tijdens het inspreken liet verzoeker voorts weten dat hij hier – in het verleden – eerder op was gewezen en dat dit niet terecht was. Hij raakt dan ook geïrriteerd en vraagt de voorzitter waarom hij hem onderbroken heeft. Hij vindt dat de discussie hierover afgelopen moet zijn. Gezien verzoeker heeft gevraagd of artikel 35 van toepassing was op zijn zaak, begrijpt de ombudsman dat deze vraag onbeantwoord is gebleven.

Verzoeker heeft gevraagd om duidelijkheid wat hij wel en niet mag zeggen. Het argument dat dit niet in het RvO staat, is volgens verzoeker niet te volgen, ook nu de gemeente op haar eigen website heeft vermeld dat de spelregels enkel betrekking hebben op ambtenaren.2 De namen van de door verzoeker genoemde personen zijn algemeen bekend. Het betreft hoge ambtenaren, oftewel functionarissen van wie de naam algemeen bekend is en van wie de functie naar de desbetreffende personen alsnog te herleiden is. Onderzoek door de ombudsman De ombudsman vraagt de gemeenteraad te verduidelijken waarom de voorzitter in de commissievergadering stelde dat er geen namen genoemd mogen worden, terwijl dit niet gold voor de namen van personen die vlak daarvoor wel werden genoemd. Daarnaast vraagt de ombudsman of deze discussie eerder heeft plaatsgevonden, zoals verzoeker aangeeft, en wat hiervan de uitkomst was. Tot slot vraagt de ombudsman hoe de gemeenteraad een dergelijke situatie in de toekomst wil voorkomen. Reactie gemeenteraad op de vragen van de ombudsman De gemeenteraad stelt dat de voorzitter van een commissievergadering de orde moet bewaken. Daarin komt hem een grote mate van vrijheid toe, omdat in het RvO nadrukkelijk is toegevoegd “naar de mening van de voorzitter”. In de praktijk kan dat dus betekenen dat de ene voorzitter eerder ingrijpt dan de andere voorzitter.

De specifieke omstandigheden zijn daarbij van belang. Daar komt bij dat het RvO geen wet is, maar een regeling om de vergaderingen zo soepel mogelijk te laten verlopen. De gemeenteraad verklaart voorts dat de voorzitter mogelijk verzoeker niet direct tot de orde wilde roepen bij het noemen van de eerste twee namen, maar besloot in te grijpen toen er meer namen werden genoemd. Mogelijk was de voorzitter van oordeel dat de klager de naam van de politiechef op een onbehoorlijke manier noemde. Het is niet aan het presidium of aan de gemeenteraad om dit nader te onderzoeken, omdat de voorzitter bevoegd is om de orde te bewaken als die naar zijn mening wordt verstoord. Om die reden heeft de gemeenteraad de klacht dan ook ongegrond verklaard.

2

zie ook: Amsterdam.nl, Spelregels inspreken raadscommissie

3

De gemeenteraad betreurt het dat verzoeker aangeeft niet te weten wat hij wel of niet mag zeggen, want de regels hieromtrent zijn duidelijk. Volgens het RvO is het namelijk niet toegestaan de namen van ambtenaren of tot persoon herleidbare functies te noemen. Dit is een duidelijke regel en als verzoeker zich hieraan houdt, dan hoeft een voorzitter hem niet (meer) tot de orde te roepen. De gemeenteraad stelt voorts dat de tekst op de website een vereenvoudigde versie is van de regels in het RvO. Volgens de gemeenteraad kan in de tekst de zinsnede “of tot persoon herleidbare functies” worden toegevoegd, maar dat zou de tekst minder begrijpelijk maken voor een groot aantal Amsterdammers. Kort na de beantwoording van de vragen diende verzoeker een aanvullende klacht in. Hij gaf aan dat hem tijdens een commissievergadering op 15 januari 2026 opnieuw het woord werd ontnomen omdat hij de naam van een publiek persoon had genoemd. De ombudsman stelt de gemeenteraad hierover aanvullende vragen. Uit het verslag van de commissievergadering van 15 januari 2026 blijkt dat verzoeker een punt van orde heeft gemaakt over het niet noemen van namen volgens het Reglement van Orde (RvO). De voorzitter heeft aangegeven dat er geen discussie over dit onderwerp gevoerd hoeft te worden en benadrukt dat er geen namen of herleidbare functies genoemd mogen worden.

Daarbij is verzoeker geadviseerd om in algemenere termen te spreken. Verzoeker wijst echter op een discrepantie. In andere situatie, noemt de burgemeester bijvoorbeeld wel namen, waaronder die van een ambtenaar met de functie commissie kwartiermaker en een wethouder.3 Dit roept bij verzoeker de vraag op hoe het RvO wordt toegepast op andere insprekers en hoe dit verklaard kan worden in relatie tot zijn situatie. Daarnaast verwijst verzoeker naar een andere raadsvergadering waarin een of meerdere raadsleden meerdere keren de naam van de commissie kwartiermaker noemen. In één geval constateert een raadslid zelf, of wordt erop gewezen, dat het noemen van de naam niet gepast is. Het raadslid biedt vervolgens excuses aan en gebruikt daarna alleen de functienaam commissie kwartiermaker. De voorzitter grijpt in deze situatie echter niet in en spreekt het raadslid niet aan op deze gedraging.4 De ombudsman stelt de volgende vragen ter verduidelijking: 1. Is het RvO van toepassing op alle betrokkenen, en hoe wordt dit consistent toegepast? 2. Ziet de gemeenteraad aanleiding om de (spel)regels) ten aanzien van het gebruik van namen door anderen duidelijker te maken? Naar aanleiding van vraag 1. De gemeenteraad stelt dat het RvO toeziet op alle sprekers.

Er is volgens de gemeenteraad op verschillende manieren uitgelegd dat het de voorzitter van een commissie is die de orde van de vergadering handhaaft. De voorzitter doet dit aan de hand van het RvO. Bij de bepalingen over het bewaken van de orde (artikel 35) staat “naar de mening van de voorzitter”. Dit betekent dat een voorzitter hierin een zekere mate van vrijheid toekomt om naar eer en geweten de vergadering te leiden en de orde te handhaven. Dat gaat niet altijd op dezelfde manier. Iedere situatie is anders en dat vraagt om maatwerk.

3

Gemeente Amsterdam, raadscommissie Financiën, Kunst en Diversiteit, raadscommissieverslag, 15 januari 2026, p.12 4 Zie punt 36 van de raadsvergadering https://amsterdam.raadsinformatie.nl/vergadering/1467951

4

Naar aanleiding van vraag 2. De gemeenteraad ziet geen reden om de spelregels te veranderen. Het dichttimmeren van wat wel en niet mag gaat niet helpen, omdat er dan altijd wel weer een andere uitzondering of dilemma is. Het is aan de voorzitter om met het RvO in zijn hand de orde van de vergadering te bewaken zodat de vergadering zo soepel mogelijk verloopt. Als een spreker geen namen of functies van ambtenaren noemt, is er niets aan de hand. Tot slot laat de gemeenteraad weten de wethouder een bestuurder is en geen ambtenaar, het zou geen probleem om haar naam te noemen. Op de vraag of de commissie kwartiermaker bij naam genoemd mag worden, wordt geen antwoord gegeven. Reactie van verzoeker op de antwoorden van de gemeenteraad Verzoeker stelt dat hij een klacht heeft ingediend tegen de voorzitter, omdat hem tijdens het inspreken in een raadscommissie werd verboden namen van publieke personen te noemen. Volgens verzoeker hebben de voorzitter en het presidium binnen de klachtprocedure een andere uitleg gegeven, wat heeft geleid tot een voor hem onbegrijpelijke uitkomst. Hij geeft aan nu te begrijpen dat hij van de voorzitter wél namen mag noemen, maar formeel niet de naam van de griffier. Dit zou volgens hem de reden zijn waarom zijn klacht ongegrond is verklaard. Hij geeft aan dat het voor hem onduidelijker is geworden wat wel en niet is toegestaan.

Volgens verzoeker mag hij formeel geen namen noemen van ambtenaren die vanuit hun functie naar buiten treden. Dit staat volgens hem echter haaks op wat de voorzitter hem heeft meegedeeld, namelijk dat hij helemaal geen namen mocht noemen. Verzoeker stelt nu te begrijpen dat de gemeenteraad aangeeft dat hij wel namen van bestuurders mag noemen. Op basis hiervan is hij van mening dat zijn klacht gegrond verklaard had moeten worden.

Conclusie en aanbevelingen De gemeenteraad stelt dat de voorzitter gebruik mag maken van diens discretionaire bevoegdheid en geeft daarbij aan dat er sprake is van maatwerk. Er is echter geen uitleg gegeven waarom het voor de voorzitter nodig was om in te grijpen in de situatie van verzoeker. In de klachtafhandeling wordt gesproken over mogelijke redenen waarom de voorzitter heeft ingegrepen. Hieruit blijkt dat de voorzitter niet is gevraagd om een nadere uitleg te geven, waardoor verzoeker niet beter kon begrijpen waarom er in zijn geval zo is gehandeld. Het voorstel van verzoeker om de voorzitter tijdens het hoorgesprek aan te sluiten is niet vereist voor de klachtbehandeling, maar had antwoord gegeven kunnen worden op de vraag van verzoeker waarom de voorzitter hem tot orde heeft geroepen. In reactie op de vragen van de ombudsman wordt door de gemeenteraad uitgelegd dat het niet aan het presidium is of aan de gemeenteraad om dit nader te onderzoeken, omdat de voorzitter bevoegd is om de orde te bewaken als die naar zijn mening wordt verstoord. Om die reden heeft de gemeenteraad de klacht dan ook ongegrond verklaard. De ombudsman vindt dat de klachtafdoening van de gemeenteraad tekortschiet op de volgende punten en doet de volgende aanbevelingen.

5

1. Uitleg geven over de discretionaire bevoegdheid De gemeenteraad had, los van de bevoegdheid van de voorzitter, in het kader van de discretionaire ruimte bij de klachtbehandeling nader moeten toelichten waarom de voorzitter ervoor heeft gekozen verzoeker tot de orde te roepen. Een dergelijke toelichting had kunnen worden gegeven door in te gaan op de feitelijke gang van zaken tijdens de vergadering. Een dergelijke uitleg betekent niet dat daarmee een oordeel wordt gegeven over de juistheid van het handelen van de voorzitter, maar draagt wel bij aan transparantie en een beter begrip van de gemaakte afweging wanneer hierover vragen worden gesteld. In de praktijk hebben zich namelijk meerdere situaties voorgedaan waarin namen van personen werden genoemd zonder dat de voorzitter heeft ingegrepen tijdens een vergadering. Dit kan de indruk wekken dat het RvO niet in alle gevallen op dezelfde wijze wordt toegepast. 2. Beter motiveren bij een ongegrondverklaring De klacht is ongegrond verklaard omdat is vastgesteld dat de voorzitter binnen diens bevoegdheden heeft gehandeld. Volgens het RvO mogen insprekers tot de orde worden geroepen als zij namen van ambtenaren noemen of functies benoemen die tot personen herleidbaar zijn.

Dat verzoeker stelt dat hij zich beroept op een uitzondering dat ambtenaren die vanuit hun functie in het openbaar treden wel genoemd zouden mogen worden, zou niet in het RvO staan. Daarnaast bepaalt het RvO dat “naar de mening van de voorzitter” leidend is. De voorzitter kan een inspreker tot de orde roepen als deze zich naar diens mening beledigend, discriminerend of anderszins onbehoorlijk uitlaat. Volgens de gemeenteraad was het voldoende dat de voorzitter vond dat de orde werd verstoord en dat hier passend op werd gereageerd. Op basis van deze regels is de klacht ongegrond verklaard. De ombudsman vindt het echter onduidelijk welke motivering werkelijk ten grondslag ligt aan het ongegrond verklaren van de klacht. Zelfs na het stellen van nadere vragen door de ombudsman blijft dit onduidelijk. De gemeenteraad stelt bovendien dat de klacht niet onderzocht kan worden vanwege de discretionaire bevoegdheid van de voorzitter. Naderhand wordt echter duidelijk dat er wel namen genoemd mogen worden, bijvoorbeeld de naam van een wethouder, omdat het een bestuurder betreft. Verzoeker gebruikte de namen van hoge ambtenaren omdat deze volgens hem algemeen bekend zijn. Tevens werd in meerdere commissievergaderingen door meerdere personen de naam van een ambtenaar genoemd, die wel onder het RvO valt, maar niet tot de orde werd geroepen.

Dit kan niet alleen leiden tot verwarring, maar ook tot een gevoel van ongelijkheid. Om die reden is het van belang dat de gemeenteraad in het kader van de klachtbehandeling de desbetreffende voorzitter had gehoord en om uitleg had gevraagd. Immers, de voorzitter is degene die verzoeker tot de orde heeft geroepen. Aangezien uit de klachtbehandeling voornamelijk een opsomming van redenen is gegeven waarin de voorzitter een spreker tot de orde mag roepen, acht de ombudsman de ongegrondverklaring om bovengenoemde redenen onbehoorlijk. 3. (Spel)regels verduidelijken De ombudsman vindt dat de gemeenteraad, gezien de vragen en de uitleg over de discretionaire bevoegdheid in relatie tot willekeurig handelen, aanleiding had moeten zien om de regels rond het noemen van namen en de bevoegdheid van de gemeenteraad te verduidelijken. Dit geldt des te meer nu de gemeenteraad stelt dat klachten over de voorzitter en diens discretionaire bevoegdheid niet kunnen worden beoordeeld. Deze 6

informatie is niet online beschikbaar. Om in de toekomst soortgelijke discussies te vermijden, verdient het in het kader van transparantie en goede motivering aanbeveling om de (spel)regels nader toe te lichten. Dit geldt ook voor de onbevoegdheid van de gemeenteraad bij het behandelen van dergelijke klachten. De gemeenteraad dient bovendien, ook bij onbevoegdheid, ruimte te bieden om vragen over het tot de orde roepen van insprekers te beantwoorden.

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16789088/1