CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Kadernota 2026.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 24 juni 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de Kadernota 2026 (VN2026-006182)4.711 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Kadernota 2026

Colofon

Dit is een publicatie van de Gemeente Amsterdam Postbus 202, 1000 AE Amsterdam www.amsterdam.nl Vormgeving: TODAY, Utrecht Fotografie: Fotobank Gemeente Amsterdam Datum: 9 april 2026 Kadernota 2026

2

Inhoud

Inhoudsopgave 1.

Hoofdlijn

4

2.

Budgettair beeld

6

2.1 Ontwikkelingen in de algemene dekkingsmiddelen 2.2 Ontwikkelingen in de beleidsprogramma’s 2.3 Kasschuiven

9 13 15

Kadernota 2026

3

1 Hoofdlijn

H1.0

De P&C-cyclus is in beginsel elk jaar hetzelfde. Dit geldt echter niet voor een verkie­ zings­jaar. In 2026 beperken we de voorjaars­besluitvorming tot een kadernota, waarin we het budgettaire kader presenteren voor de uitwerking van het coalitie­akkoord.

Vanaf 2027 zien we een tekort ontstaan, dat oploopt tot iets meer dan € 52 miljoen in 2030. Dit tekort wordt veroorzaakt door een aantal onvoorziene ontwikkelingen die op de stad afkomen. Zo valt de uitkering uit het gemeentefonds op basis van de september­ circulaire € 23 miljoen lager uit in 2030. De hogere marktrente die we moeten betalen voor de herfinanciering van aflopende leningen zorgt voor € 22 miljoen aan extra kosten in 2030. Het beleid om parkeren in Amsterdam te reguleren lijkt daarnaast zichtbaar effect te krijgen, waardoor de inkomsten uit straatparkeren met ruim € 16 miljoen afnemen in 2030. Ook dalen de verwachte dividenden met bijna € 10 miljoen. Dit komt door de overdracht van gronden van het Havenbedrijf naar de gemeente in het kader van de ontwikkeling van Haven-Stad. De inkomsten voor het Havenbedrijf nemen daardoor af, wat leidt tot een lagere winstuitkering.

Het college doet in deze kadernota geen nieuwe beleidsvoorstellen. De plannen voor de stad voor de komende vier jaar worden namelijk uitgewerkt in het coalitie­akkoord. De wijzigingen uit deze kadernota worden samen met de keuzes uit het coalitie­ akkoord verwerkt bij de Begroting 2027. Het budgettair beeld laat op basis van het voorlopige rekeningresultaat over 2025 een positief saldo zien voor 2026 van ongeveer € 20 miljoen. Het voorlopige rekeningresultaat over 2025 bedraagt € 54,4 miljoen. Bij de publicatie van het Jaarverslag 2025 op 23 april 2026 kunnen we het definitieve bedrag vast­ stellen. Zoals besloten bij de Begroting 2026, vullen we vanuit het rekeningresultaat de alge­mene reserve aan om de reserve weer richting de norm­hoogte te brengen. Tabel 1.1. Algemeen beeld 2026-2030 Bedragen x € miljoen; +=meevaller, -=tegenvaller Begin saldo

2026

2027

2028

2029

2030

0

0

0

0

0

1

Algemene dekkingsmiddelen

12,4

-20,4

-16,1

-15,1

-52,4

2

Ontwikkelingen in de beleidsprogramma’s

7,8

0,0

0,0

0,0

0,0

Totaal

20,2

-20,4

-16,1

-15,1

-52,4

Kasschuiven

-19,1

8,5

-1,1

10,2

1,5

3

Kadernota 2026

Voor de beleidsprogramma’s geldt het uitgangspunt dat tegenvallers binnen het programma moeten worden opgelost en dat in deze kadernota geen ruimte is voor nieuw beleid. Bij programma 1 (Bouwen, Wonen en Duurzaamheid) is in 2026 sprake van een voordeel van € 7,8 miljoen door de verkoop van vastgoed. In programma 1 (Bouwen, Wonen en Duurzaamheid), 4 (Sport en Bewegen) en B (Bestuur en Organi­ satie) is daarnaast sprake van tekorten waar nog geen invulling aan zijn gegeven. Voor deze tekorten zijn dekkingsopgaven opgenomen. Het is aan de coalitie­­ onderhande­laars om keuzes te maken over het beleggen van deze opgaven.

5

2 Budgettair beeld

H2.0

2 

2.1

Ontwikkelingen in de algemene dekkingsmiddelen 9

2.2

Ontwikkelingen in de beleidsprogramma’s

13

2.3

Kasschuiven

15

7

H2.0

In de Kadernota 2026 geven we een meerjarige actualisatie op het beeld uit de Begroting 2026. We hebben de autonome ontwikkelingen en daarmee samenhangende budgettaire effecten in kaart gebracht. Daarmee bieden we inzicht in de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en geven we de afwijkingen ten opzichte van de begroting in de jaren 2026-2029 weer. Daarnaast is jaarschijf 2030 toegevoegd, omdat we de begroting jaarlijks in het voorjaar extrapoleren. In tabel 2.1 staan de meerjarige relevante ontwikkelingen met een saldo effect ten opzichte van de Begroting 2026 opgenomen. De tabel bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Ontwikkelingen in de algemene dekkingsmiddelen 2. Ontwikkelingen in de beleidsprogramma’s 3. Kasschuiven Deze drie blokken tellen op tot het saldo van deze kadernota. Tabel 2.1. Financieel beeld

bedragen x € miljoen; +=meevaller, -=tegenvaller

Verwachte onderuitputting 2026

30,0

Voorlopig rekeningresultaat 2025

65,6

Op normhoogte brengen algemene reserve (cf. Begroting 2026)

-56,0

2029

2030

-20,4

-16,1

-15,1

-52,4

24,0

Bijstelling voorlopige rekeningresultaat 2025

-11,2

Overheveling Stadsverbetering, Xaas en opvang Oekraïne

-34,2

Invulling eindejaarsmarge (EJM)

20,2

Vrijval reserves:

13,6

W.v. reserve Wooncoörparatieven

0,6

W.v. reserve Coalitiemiddelen

9,4

W.v. reserve Leidseplein

3,6

Totaal Algemene Dekkingsmiddelen

12,4

-20,4

-16,1

-15,1

-52,4

7,8

0,0

0,0

0,0

0,0

-19,1

8,5

-1,1

10,2

1,5

2028

2029

2030

Startstand (Begroting 2026)

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

3. KASSCHUIVEN

Extrapolatie

0,0

0,0

0,0

0,0

10,7

Totaal kasschuiven

Ontwikkeling volume

0,0

-0,9

-1,2

-1,1

-1,1

Ontwikkeling nominaal

-12,3

0,0

0,0

0,0

0,0

Overige ontwikkelingen Gemeentefonds

-1,8

-6,5

-8,1

-9,1

-23,1

Ontwikkelingen belastingen: parkeren (exclusief indexatie)

-13,9

-17,5

-17,6

-15,7

-16,4

Ramingsbijstelling dividenden

13,9

0,0

0,0

0,0

-9,9

Rente

0,0

0,0

0,0

0,0

-22,4

Exploitatielasten investeringen

0,0

0,0

0,0

0,0

-1,0

Correctie overheadtoerekening

0,4

6,6

12,8

12,8

12,8

Overig

-2,0

-2,0

-2,0

-2,0

-2,0

Kadernota 2026

2028

Totaal Nota begrotingsruimte

2027

1. ONTWIKKELINGEN IN DE ALGEMENE DEKKINGSMIDDELEN

2027

1. ONTWIKKELINGEN IN DE ALGEMENE DEKKINGSMIDDELEN

2026

bedragen x € miljoen; +=meevaller, -=tegenvaller

2026

2. ONTWIKKELINGEN IN DE BELEIDSPROGRAMMA’S Totaal ontwikkelingen in de beleidsprogramma’s

In deze kadernota hebben we de ontwikkelingen in de algemene dekkingsmiddelen uit de Nota Begrotingsruimte, die op 30 maart 2026 is gepubliceerd, aangevuld met de eindejaarsmarge en de vrijval van reserves.

8

H.2.1

2.1 Ontwikkelingen in de algemene dekkingsmiddelen Startstand

Ontwikkeling nominaal

De Begroting 2026 heeft een sluitend meerjarenbeeld. Daarmee is er geen tekort of overschot op het startsaldo.

Op basis van de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau uit september 2025 kunnen we een eerste actualisatie maken van de jaren 2026 tot en met 2029 en kunnen we jaarschijf 2030 toevoegen. De MEV laat een iets lagere indexatie zien voor 2026, 2027 en 2929 dan verwacht bij het vaststellen van de begro­ ting. Dat betekent dat we de reservering voor de nominale compensatie met dezelfde bedragen naar beneden moeten bijstellen. De indexatie van de lokale hef­fingen wordt eveneens naar beneden bijgesteld op basis van de aangepaste prognose.

Extrapolatie De Begroting 2026 heeft 2029 als eindjaar in de meerjarenbegroting. De eerste stap in het actualiseren van het budgettair beeld is daarom de zogenoemde extrapolatie, waarmee de beginstand wordt aangevuld met het jaar 2030. Hierbij geldt als uitgangspunt dat beleidsarm wordt geëxtrapoleerd. Dat wil zeggen dat bij de doorrekening voor 2030 geen nieuw of ander beleid wordt verondersteld dan momenteel is vast­ gelegd. Doordat niet alle budgetten structureel zijn, levert dat een effect op in de begroting. Voor 2030 gaat het om een positief effect van € 10,7 miljoen.

Ontwikkeling volume De kosten die samenhangen met de groei van de stad en de daarbij horende investeringsruimte dekken we uit de groeimiddelen van het gemeentefonds (het accres) en uit de extra opbrengsten OZB van de groei van het aantal woningen en het zakelijk vastgoed. Zo laten we de begroting meebewegen met de groei van de stad. De september- en decembercirculaire van 2025 laten een neerwaartse bijstelling van de volumegroei zien van -0,11 procent structureel. Dit betekent dat onze reservering voor volumecompensatie ook moet worden gecorrigeerd. Naar verwachting stijgen de opbrengsten van de OZB in 2030 met € 1,3 miljoen door de groei van de woningen en het zakelijk vastgoed. Voor de volumeontwikkeling hanteren we in principe een gesloten systeem. De groei­­mid­delen uit het Gemeentefonds en de extra opbrengsten van de OZB bepalen het plafond van de beschikbare volumemiddelen. In de overgang naar deze systematiek is afgesproken dat in de periode 2025 t/m 2029 een vast bedrag van € 17,4 miljoen voor volumestijging wordt uitgekeerd. Omdat de beschikbare volumemiddelen lager uitkomen dan dit bedrag, ontstaat in deze jaren een tekort van € 1,1 miljoen.

Kadernota 2026

Net als voor volumegroei geldt voor nominale compensatie het uitgangspunt dat de nominale ontwikkeling volledig bekostigd wordt vanuit het Gemeentefonds en de indexatie van onze eigen inkomsten. Omdat de nominale compensatie bij de Begroting 2026 al is uitgekeerd, kan de lagere uitkering van het Gemeentefonds over 2026 niet meer worden verrekend. Dat levert een nadeel op van € 6,4 miljoen voor 2026. Daarnaast voeren we in 2026 een aantal correctie door op de nominale compensatie (onder andere voor armoedemiddelen, JZD en Bestuurs- en managementadvisering), omdat budgetten eerder ten onrechte zijn geoormerkt als incidenteel. Dat levert een aanvullend nadeel op van € 5,9 miljoen voor het algemeen beeld in 2026. Vanaf 2027 wordt deze correctie verrekend met de stelpost voor nominale compensatie, waardoor geen sprake meer is van een saldo-effect. De indexatie wordt bij de Begroting 2027 opnieuw geac­tua­liseerd op basis van het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau.

Overige ontwikkelingen Gemeentefonds Uit de Septembercirculaire 2025 volgt een lagere uitkering uit het Gemeentefonds die oploopt van – € 3,9 miljoen in 2026 naar – € 23,1 miljoen in 2030.

9

H.2.1

Dividenden deelnemingen CDOKE-middelen In 2026 is CDOKE via een vrij besteedbare decentralisatieuitkering toegevoegd aan het gemeentefonds. Dit geldt ook vanaf 2027 tot en met 2030, maar dan zullen wel weer bestedingsvoorwaarden gelden (inzet voor CO2-reductie en capaciteit). In het landelijke coalitie­akkoord is aangegeven dat deze middelen ook na 2030 zullen worden geconti­nueerd. De langjarige toezegging vanuit het Rijk maakt het mogelijk om een aantal onder­werpen die in de vorige collegeperiode incidenteel uit de oude regeling zijn gefinan­cierd structureel in te bedden. Als alternatief kan door het omzetten van de dekking van structurele duurzaamheidscapaciteit van algemene middelen naar CDOKE-middelen budget worden vrijgemaakt voor andere (duurzaamheids) opgaven.

Ontwikkeling straatparkeren Het beleid in Amsterdam om parkeren te reguleren en daarmee de stad bereikbaar en leefbaar te houden, begint zichtbaar effect te krijgen op het straatparkeren. Hoewel het gebied betaald parkeren met 40 procent is uitgebreid, blijft het totaal aantal parkeer­trans­acties en parkeeruren in Amsterdam vrijwel gelijk. De extra parkeeruren in de uitbrei­dings­gebieden vallen weg tegen een daling van het aantal uren in de bestaande gebieden. In de bestaande gebieden doen zich daarnaast nieuwe ontwikkelingen voor die niet voorzien zijn. De parkeeruren lopen terug en het gemiddeld uurtarief valt lager uit door een dalende mix van uren tegen vol tarief en uren tegen het gereduceerde tarief van de bezoekersregeling vergunningen. Tegenover de lagere baten staan ook lagere uitvoeringslasten die samenhangen met straatparkeren (€ 2,9 miljoen), die worden verrekend met de opbrengsten. Per saldo is sprake van een structurele tegenvaller die oploopt van € 13,9 miljoen in 2026 tot € 16,4 miljoen in 2030. Hoewel het mogelijk is om de tarieven voor straatparkeren te verhogen, leiden hogere tarieven door vraaguitval niet meer vanzelfsprekend tot hogere opbrengsten.

Kadernota 2026

Vergeleken met 2029 gaan de dividenden vanaf 2030 met € 9,9 miljoen naar beneden. Deze daling wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door een lager dividend van het Havenbedrijf, omdat het Havenbedrijf beheerde gronden op de Minervahaven in 2030 overdraagt aan de gemeente vanwege de ontwikkeling van Haven-Stad. Op deze gronden heeft het Havenbedrijf veel contracten met bedrijven, waardoor de winst van deze deelneming daalt. Daar staan op de lange termijn extra erfpachtinkomsten voor de gemeente tegenover, maar deze worden aangewend om eigen vermogen op te bouwen in het kader van de beheersing van de erfpachtschuld en landen daarmee niet in het algemene budgettaire beeld. In 2026 verwachten we per saldo incidenteel € 13,9 miljoen hogere inkomsten uit dividend. Dit voordeel ontstaat met name door een hogere uitkering van € 10 miljoen van Schiphol in 2026. Bij de Voorjaarsnota 2025 zijn de inkomsten uit dividend struc­ tureel verhoogd, omdat Schiphol in 2026 de uitkering van dividend weer hervat na de coronaperiode. De uitkering valt in 2026 incidenteel hoger uit. Ook het dividend van het Havenbedrijf valt € 4,7 miljoen hoger uit. De dividenden van het Verzekerings­ bedrijf Groot Amsterdam (VGA) en de NV Stadsherstel vallen lager uit met respec­ tievelijk € 1,5 miljoen en € 0,4 miljoen.

Rente: herfinanciering huidige schuld De marktrente is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Begroting 2026. Dat bete­kent dat bij een gelijkblijvende schuldontwikkeling geen sprake is van wijzi­gingen in de verwachte rentelasten over de periode 2026-2029. Voor 2030 is wel sprake van een toename van de rentelasten, omdat leningen met een lage rente af­lopen en opnieuw gefinancierd moeten worden tegen de huidige marktrente van 3,25 procent. Dat levert in 2030 extra rentelasten op van ruim € 22 miljoen.

Exploitatielasten investeringen In het financiële beeld gaan we uit van een investeringsruimte van € 630 miljoen, waarbij de schuld op de lange termijn op 110 procent van de begroting stabiliseert. Deze investeringsruimte is zo goed als gelijk aan de ruimte bij ongewijzigd beleid, geba­seerd op het coalitie­akkoord 2022-2026 en geïndexeerd naar prijspeil 2030. De investeringsruimte wordt nagenoeg geheel gedekt vanuit vrijval kapitaallasten, tarieven en van uit de systematiek voor nominale- en volumeontwikkelingen, maar vraagt nog aanvullend € 1,0 miljoen.

10

H.2.1

Correctie overheadtoerekening Sinds 2025 is de systematiek van doorbelasten van overheadkosten vereenvoudigd. Zo is in 2025 de marktconformiteitstoeslag afgeschaft en is in 2026 bij de tijdschrijvende directies hun eigen overhead zoveel mogelijk opgenomen in de tarieven. Hierdoor ontstond een beter inzicht in de budgetten en bleek dat het Ingenieursbureau (IB) en Projectmanagementbureau (PMB) voor een deel gefinancierd werden vanuit de alge­mene middelen. Uitgangspunt is dat de kosten zoveel mogelijk naar de betref­ fende (investerings)projecten en grex-en doorbelast moeten worden. De financiering vanuit de algemene middelen wordt daarom in drie jaar afgebouwd. Dit betekent dat vanaf 2028 € 12,7 miljoen terugvloeit naar de algemene middelen.

Overig De vergoeding die de gemeente krijgt voor het opruimen en verwerken van single-use plastic (SUP) valt € 1,4 miljoen lager uit. Uit een actualisatie van de garantstel­lings­ provisie volgt daarnaast een nadeel van € 0,6 miljoen.

als de afgelopen jaren, toe aan de reserve Duurzame opvanglocaties. Daarmee wordt € 34,2 miljoen volledig overgeheveld. Dit bedrag komt ten laste van het algemene beeld.

Eindejaarsmarge Door de cijfers uit het Jaarverslag 2025 af te zetten tegen de begroting hebben we de eindejaarsmarge berekend. Wanneer aan het eind van het jaar minder is uitgegeven dan is opgenomen in de begroting, is sprake van een positieve eindejaarsmarge. Wanneer aan het eind van het jaar meer is uitgegeven dan is opgenomen in de begroting, is sprake van een negatieve eindejaarsmarge. Een negatieve eindejaars­ marge levert een positief effect op het algemene beeld op. Een positieve eindejaars­ marge moet worden uitgekeerd en levert daarmee het tegenovergestelde effect op. In de onderstaande tabel is de eindejaarsmarge per programma weergegeven. Tabel 2.2. Eindejaarsmarge per programma exclusief volledige overheveling

Verwachte onderuitputting 2026 Naar verwachting staan in 2026 geen uitgaven tegenover de stelposten. Hierdoor valt incidenteel een bedrag van € 30 miljoen vrij.

Voorlopig rekeningresultaat 2025 Het jaarverslag over 2025 laat een voorlopig positief rekeningresultaat zien van € 54,4 miljoen. De stand ten tijde van de Nota Begrotingsruimte was € 65,6 miljoen. Dit is met € 11,2 miljoen bijgesteld naar € 54,4 miljoen. Dit is het resultaat vóór afron­ding van de accountantscontrole en eventueel gewenste correcties door de ACAM. Het definitieve bedrag wordt bekend bij de publicatie van het jaarverslag op 23 april 2026.

Op normhoogte brengen algemene reserve Conform besluitvorming bij de Begroting 2026 wordt van het rekening­resultaat aan­gewend om de algemene reserve richting de normhoogte van 5 procent te brengen.

Programma (bedragen x € miljoen)

Negatieve EJM

Positieve EJM

1 – Bouwen, Wonen en Duurzaamheid

-0,9

2 – Openbare Ruimte, Groen, Water, Vervoer

-7,1

3 – Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed

0,6

4 – Sport en Bewegen

6,3

5 – Onderwijs

1,8

6 – Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

9,3

7 – Sociale Zaken en Armoedebestrijding

-4,0

8 – Veiligheid

-1,9

B – Bestuur en Organisatie

15,8

Buurtbudgetten

0,3

Totaal

34,1

-13,9

Negatieve EJM komt ten gunste van het algemene beeld. Positieve EJM komt ten laste van het

Overhevelingen (100% eindejaarsmarge)

algemene beeld.

In het rekeningresultaat 2025 zijn de onderbestedingen vrijgevallen van Stadsver­ betering, Xaas en de Specifieke uitkering opvang Oekraïners. Conform de gebruike­lijke werkwijze voor de eindejaarsmarge worden deze onderbestedingen (samen € 32,6 miljoen) geheel doorgezet naar het volgende jaar. De onderbesteding op de Speci­fieke uitkering voor de opvang van Oekraïners van € 1,6 miljoen voegen we, net

Het verschil tussen de negatieve en positieve eindejaarsmarge is € 20,2 miljoen. Samen met de 100 procent overheveling is daarmee in totaal € 46,5 miljoen nodig om de positieve eindejaarsmarge uit te keren. Dat is € 14 miljoen meer dan in totaal beschikbaar komt door de invulling van de negatieve eindejaarsmarge (€ 34,2 miljoen).

Kadernota 2026

11

H.2.1

De negatieve eindejaarsmarge van programma 3 (Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed), programma 5 (Onderwijs) en programma 6 (Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit) is ingevuld met maatregelen. Voor de nog niet ingevulde negatieve eindejaarsmarges van programma 4 (Sport en Bewegen) en B (Bestuur en Organisatie) is een dekkingsopgave in de betreffende programma’s opgenomen. De coalitieonder­handelaars kunnen maatregelen beleggen voor deze opgaven, zowel binnen als buiten de programma’s. De positieve eindejaarsmarges worden beschikbaar gesteld voor de coalitieonder­ handelingen, inclusief voorstellen vanuit de programma’s voor de bestemming, en centraal gereserveerd.

belasting zijn afhankelijk van het aantal toeristische overnachtingen en de ontwikkeling van de kamerprijzen. Wanneer de hogere BTW volledig wordt doorbelast, betalen bezoekers voor een gemiddelde hotelkamer in de stad ongeveer € 22 euro meer per nacht. Het effect van deze maatregel op de vraag naar en het aanbod van toeristische over­nachtingen in Amsterdam is niet goed te voorspellen, omdat onduidelijk is hoe aan­bieders van logies en bezoekers zullen reageren op deze stijging. De kans is echter reëel dat de verhoging van het tarief een (al dan niet incidenteel) dempend effect zal hebben op de ontwikkeling van de kamerprijs en de groei van de bezoekersaantallen. Achterblijvende kamerprijzen en een dalende bezettingsgraad leiden logischerwijs tot lagere baten toeristenbelasting. De ontwikkeling van vraag en aanbod zal zorgvuldig moeten worden gemonitord om de ramingen op tijd bij te kunnen sturen.

Vrijval reserves In totaal valt € 13,6 miljoen vrij uit reserves. Van dat bedrag komt € 0,6 miljoen uit de reserve Wooncoöperatieven, € 9,4 miljoen uit de reserve Coalitiemiddelen en € 3,6 miljoen uit de reserve Leidseplein.

Overige ontwikkelingen en risico’s Hiernaast is er nog een aantal ontwikkelingen dat waarschijnlijk invloed zal hebben op het budgettaire beeld. Het gaat om ontwikkelingen waarover nog duidelijkheid moet komen of een risico in zich dragen. Risico inflatie en rente De afgelopen weken zien we de inflatie en rente stijgen. Hoe zich dit de komende periode verder ontwikkelt is op dit moment moeilijk te duiden. Ter illustratie: een rente­stijging van 0,25 procent betekent al ruim € 10,0 miljoen aan extra rentelasten in 2030. Bij de Begroting 2027 zullen de rentelasten en effecten van inflatie geactualiseerd worden. Herijking gemeentefonds Bij de Meicirculaire 2026 wordt een aanpassing van de verdeling van het gemeentefonds bekend gemaakt (herijking). Op dit moment is het effect van deze aanpassing nog onzeker, maar het kan zowel een (fors) positief als negatief effect opleveren. Toeristenbelasting Bij de toeristenbelasting brengt de verhoging van de BTW die op 1 januari 2026 is in­gegaan onzekerheid met zich mee voor de baten. De opbrengsten van de toeristen­ Kadernota 2026

Structurele financiering jeugdzorg In de Meicirculaire 2025 zijn extra gemeentefondsmiddelen voor de jeugdzorg beschik­ baar gekomen. De aanleiding was het rapport van de deskundigencommissie voor de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 (de commissie Van Ark). Het betrof met name extra geld voor de jaren 2025-2027. Vanaf 2028 valt een deel van deze middelen weer weg en boekt het Rijk extra besparingen in. De deskundigencommissie komt begin 2027 met een nieuw advies, dat moet leiden tot afspraken voor een structureel houd­baar financieringskader voor het jeugdstelsel vanaf 2028. In de Begroting 2026 zijn de extra middelen voor jeugd voor de periode 2025-2027 verwerkt. Vanaf 2028 staan de mid­delen waarvoor we op het rijk rekenen, maar die nog niet ontvangen zijn als ramings­risico in de begroting. Dit gaat om ongeveer € 33,0 miljoen. In de Begroting 2026 is struc­tureel € 20 miljoen gereser­veerd die beschikbaar wordt gehouden voor het geval er na het tweede rapport van de commissie Van Ark onvoldoende middelen vanuit het Rijk komen. Er wordt vanuit gegaan dat het Rijk de met de VNG gemaakte afspraken over een struc­tureel houd­bare financiering voor de jeugdzorg nakomt, maar op dit moment resteert dus een risico van € 13,0 miljoen vanaf 2028. Dat risico staat nog los van de bredere opgave in de jeugdbegroting, die tussen 2025 en 2029 met ongeveer € 50 miljoen terugloopt.

Organisatietaakstelling De afgelopen periode is de ambtelijke organisatie gegroeid. Bij de Begroting 2026 hebben we geconstateerd dat op een aantal plekken de effectiviteit van de organisatie kan worden vergroot en meer aandacht nodig is voor de uitvoering. Om dit te realiseren hebben we in de Begroting 2026 een taakstelling op de organisatie ingeboekt van € 15 miljoen vanaf 2027. Deze taakstelling moet nog worden ingevuld. 12

H.2.2

2.2 Ontwikkelingen in de beleidsprogramma’s Uitgangspunt voor deze kadernota is dat er geen ruimte is voor beleidsintensiveringen of voorstellen voor nieuw beleid. Tegenvallers worden opgevangen binnen het eigen programma, meevallers worden ter beschikking gesteld voor de coalitieonder­ handelingen.

In de periode tot en met 2024 zorgden incidentele middelen ervoor dat het onder­ liggende structurele begrotingstekort niet duidelijk zichtbaar werd. Daarnaast is de negatieve eindejaarsmarge voor dit programma van € 6,3 miljoen nog niet ingevuld met maatregelen.

Programma 1: Bouwen, Wonen en Duurzaamheid

Programma 6: Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit

In de Najaarsnota 2025 is een verschuiving van de verkoop van panden van 2025 naar 2026 aangekondigd. We verwachten de opbrengst van € 7,8 miljoen dit jaar alsnog te realiseren. Dat leidt in programma 1 (Bouwen, Wonen en Duurzaamheid) tot een positief effect van € 7,8 miljoen in 2026.

De negatieve eindejaarsmarge 2025 van € 9,3 miljoen wordt verwerkt door het ver­lagen van budget Publieke gezondheid met € 0,55 miljoen 2026 en € 0,5 miljoen in 2027. De taakstelling die hieruit volgt zal in 2026 moeten worden opgelost door dit in mindering te brengen op het budget van publieke gezondheid bij de GGD. Dit zal mogelijk leiden tot een verminderde inzet van personeel.

Daarnaast is sprake van teruglopende legesinkomsten Omgevingswet. Deels kan dat worden ondervangen door het aanpassen van de huidige, door VNG geadviseerde, tarievenstructuur. Een voorstel tot wijziging van de legesverordening volgens het nieuwe VNG-model zal aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Na de aanpassing (per 1 juli 2026) blijft sprake van een verwacht tekort voor 2026 van € 18,5 miljoen en € 13,9 miljoen vanaf 2027. Hier is een dekkingsopgave voor opgenomen. Het is aan de coalitieonderhandelaars om deze opgave met maatregelen te beleggen.

Programma 3: Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed Programma 3 heeft een negatieve eindejaarsmarge van € 0,6 miljoen. Dit wordt met name veroorzaakt door tekorten op markten en personele lasten. De negatieve einde­jaarsmarge vangen wij voor een klein deel op in 2026 en voornamelijk in 2027 op door onder andere de inzet van de toekomstige middelen van Groei van de Stad.

Programma 4: Sport en Bewegen Programma 4 (Sport en Bewegen) verwacht een tekort vanaf 2029 van Ongeveer € 15 miljoen per jaar door toenemende exploitatielasten en aflopende middelen van­uit onder andere het Rijk. De lasten voor instandhouding van de sportvoorzieningen stijgen door de groeiende en verdichtende stad. Daarnaast is sprake van autonome ontwikkelingen, zoals stijgende energie- en brandstofkosten en noodzakelijke aan­ passingen om aan strengere regelgeving te voldoen, waardoor de veiligheid van gebruikers en medewerkers wordt geborgd. Tenslotte vraagt de groter wordende groep Amsterdammers die de dagelijkse beweegnorm niet haalt om extra inzet op sport- en beweegstimulering. Kadernota 2026

Het resterende bedrag wordt ingevuld bij individuele voorzieningen met € 5,0 miljoen uit de gereserveerde compensatie voor uitstel inkomensafhankelijke bijdrage Wmo 2026 en met € 3,0 miljoen incidentele meevaller bij Beschermd wonen, aangevuld met € 0,2 miljoen onttrekking aan de egalisatiereserve Jeugd.

Programma 7: Sociale Zaken en Armoedebestrijding De gebundelde uitkering (BUIG) is een budget van het Rijk waarmee gemeenten de kosten voor de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (levensonderhoud zelfstandigen) betalen. Dit budget dekt ook loonkostensubsidies. Gemeenten krijgen dit budget via een verdeelmodel. Door wijzigingen in het verdeelmodel voor 2026 daalt het budget voor Amsterdam fors (ongeveer € 34,0 miljoen). Hierdoor ontstaat een tekort op de BUIG. Om dit tekort te compenseren moet het bestand met ongeveer 2.000 uitkeringen dalen (ongeveer 5 procent), terwijl op basis van landelijke ontwikkelingen juist een stijging van het bijstandsbestand wordt verwacht. Er worden voorstellen uitgewerkt om dit tekort in twee jaar in te lopen. In 2026 en 2027 wordt een tekort op de BUIG verwacht (rekening houdend met de afdracht van € 12,0 miljoen aan de algemene middelen) van respectievelijk € 35,5 en € 13,9 miljoen. Met een onttrekking aan de egalisatiereserve kan het tekort in die jaren worden gedekt. Hiervoor is voldoende ruimte in de reserve. Vanaf 2028 zal het bijstandsbestand met de genoemde 2.000 uitkeringen moeten dalen om een tekort te voorkomen. Daarnaast komt de structurele bijdrage vanuit de egalisatiereserve aan de algemene middelen van € 12,0 miljoen, waar bij de Begroting 2026 is besloten, onder druk te staan.

13

H.2.2

Programma B: Bestuur en Organisatie

Tabel 2.3. Dekkingsopgave in de programma’s

Bij programma B is sprake van een meerjarig incidenteel tekort van cumulatief € 58,1 miljoen. Vanaf 2030 wordt geen structurele opgave meer verwacht voor programma B.

Dekkingsopgave in de programma’s (bedragen x € miljoen; + = meevaller, - = tegenvaller)

2026

2027

2028

2029

2030

1 - Bouwen, Wonen en Duurzaamheid

18,5

13,9

13,7

13,7

13,7

4 - Sport en Bewegen

11,3

12,3

12,3

14,1

14,1

6,3

0

0

0

0

38,9

14,9

3,4

0,9

0

15,8

0

0

0

0

90,8

41,1

29,4

28,7

27,8

Ook is de negatieve eindejaarsmarge van € 15,8 miljoen nog niet ingevuld met maatregelen.

Nog in te vullen eindejaarsmarge B - Bestuur en Organisatie

Dekkingsopgaven in de programma’s Voor de tekorten in programma 1 (Bouwen, Wonen en Duurzaamheid), 4 (Sport en Bewegen) en B (Bestuur en Organisatie) zijn dekkingsopgaven in de programma’s opgenomen. Voor programma 4 (Sport en Bewegen) en B (Bestuur en Organisatie) geldt dat voor de negatieve eindejaarsmarge nog niet is ingevuld met maatregelen en daarom eveneens als dekkingsopgave is opgenomen. De coalitieonderhandelaars kun­nen binnen en buiten de betreffende programma’s maatregelen voor deze opgaven beleggen.

Nog in te vullen eindejaarsmarge Totaal

De dekkingsopgave voor programma B (Bestuur en Organisatie) zal daarbij bezien moeten worden in relatie tot de Organisatieverandering 2030 en de personele reductie waarvoor wordt gekozen.

Kadernota 2026

14

H.2.3

2.3 Kasschuiven Een kasschuif is een (beleidsarme) verschuiving van budgetten van het ene naar het andere jaar. Hieronder wordt het incidentele effect van de voorgenomen kasschuiven weergegeven. Tabel 2.4. Kasschuiven (bedragen x € 1 miljoen) Programma

Onderwerp

2026

2027

2028

2029

2030

Programma 2

Stadsverbetering, Stadsbehoud

16,1

-3,8

-0,6

-10,2

-1,5

Programma 3

o.a. Oude kerk, Impulsproject

-2,2

1,6

0,2

Programma 6

Aanpak dakloosheid

5,4

-5,4

Programma 7

Economische arbeidsmarkttoeleiding

Programma 8

Meldpunt Zorg en Overlast, Aanpak Noord

Totaal

Kadernota 2026

0,2

0,1

-0,3

-1,1

1,4

0,0

0,0

19,1

-8,5

1,1

-10,2

-1,5

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17075720/1