Integrale tekst verordening jeugdhulp Amsterdam 2025
Tekst van het document
Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:
Gemeenteblad 20 juni 2025 n.v.t. Ja Ja, intrekken Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 en Nadere regels op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 n.v.t. n.v.t.
Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam houdende regels over jeugdhulp (Verordening jeugdhulp Amsterdam 2025) De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum], gelet op artikel 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1. derde lid Jeugdwet, gezien het advies van het Jeugdplatform Amsterdam van 6 januari 2025, besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening jeugdhulp Amsterdam 2025 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
-
aanvullende jeugdhulp: individuele voorzieningen voor jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 3.1, aanvullend op de algemene voorzieningen; algemene voorziening: voorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet; basishulp: een aanbod van jeugdhulp geboden door het lokaal team zoals beschreven in artikel 2.3; budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger van de budgethouder wanneer de budgethouder minderjarig of handelingsonbekwaam is; budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet; buurtteam: een multidisciplinair team voor ondersteuning op het gebied van wonen, welzijn, inkomen, schulden en veiligheid; familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; individuele voorziening: de op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden voorziening die door het college in natura of bij persoonsgebonden budget wordt verstrekt; integraal plan: het document waarin de ondersteuningsbehoeften van de jeugdige en/of zijn ouders zijn vastgelegd samen met de doelen en hoe deze te bereiken en waarin op
-
-
-
-
verschillende levensgebieden de gezinssituatie in kaart gebracht wordt om een effectieve ondersteuning van de jeugdige mogelijk te maken; lokaal team: een team van professionals, zoals bedoeld in artikel 2.3 dat door het college is aangewezen om de gemeentelijke toegang naar de algemene en individuele voorzieningen te verzorgen en basishulp aan te bieden; ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; persoonsgebonden budget: het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; professional: een hulpverlener die op grond van de Jeugdwet of Wet publieke gezondheid zorg verleent en in de regel geregistreerd staat in het Kwaliteitsregister Jeugd of het register Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG); sociale basis: het breed en laagdrempelig aanbod van activiteiten en ondersteuning in de eigen buurt of wijk, om zelfredzaam te zijn, talenten te ontwikkelen en mee te doen in de stad; wet: de Jeugdwet; zorgteam: een multidisciplinair team dat op een schoollocatie verantwoordelijk is voor de zorg richting leerlingen.
Artikel 1.2 Doelgroep 1. De voorzieningen die worden geregeld in deze verordening zijn toegankelijk voor jeugdigen die conform de wet hun woonplaats in Amsterdam hebben en hun ouders. 2. In afwijking van het eerste lid zijn de voorzieningen als geregeld in artikel 2.2 tot en met 2.4 ook toegankelijk voor jeugdigen die niet woonachtig zijn in Amsterdam maar wel staan ingeschreven bij een onderwijsinstelling in Amsterdam, en hun ouders. Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2.1 Toegang algemene voorzieningen 1. Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. 2. Als een algemene voorziening naar het oordeel van de op grond van de wet bevoegde verwijzer toereikend is om de problemen van de jeugdige en/of zijn ouders op te lossen wordt geen individuele voorziening verleend. Paragraaf 1 Soorten algemene voorzieningen Artikel 2.2 Sociale basis jeugd 1. Het college zorgt voor een dekkend aanbod vanuit de sociale basis voor jeugdigen in de stad. 2. De sociale basis jeugd is gericht op samenredzaamheid en zelfredzaamheid en ontplooiing van jeugdigen en omvat activiteiten met als doel: a. het vergroten van de zelfredzaamheid en veerkracht; b. een maximale ontwikkeling en gezond en kansrijk opgroeien; c. het maximaal benutten van talenten ter ontplooiing, en; d. meer kansengelijkheid.
Artikel 2.3 Ouder- en Kindteams 1. Het college zorgt voor een dekkend aanbod van Ouder- en Kindteams in de stad.
2
2. De Ouder- en Kindteams voeren het basispakket jeugdgezondheidszorg en het Rijksvaccinatieprogramma uit. Daarnaast leveren de Ouder- en Kindteams rond opvoeden en opgroeien: a. op preventie gerichte informatie en activiteiten; b. informatie over het familiegroepsplan en de mogelijkheden tot ondersteuning bij het opstellen ervan; c. ondersteuning bij het opstellen van een plan voor de te bieden ondersteuning en hierop gerichte samenwerking met jeugdige, ouders, hun netwerk en de betrokken netwerkpartners; d. de uitvoering van vraagverheldering, analyse en diagnostiek bij hulpvragen van jeugdigen en ouders; e. de uitvoering van basishulp in de vorm van opvoed- en opgroeiondersteuning, diagnostiek, begeleiding en behandeling bij psychische- en sociaalemotionele klachten en problemen; f. regiehulp aan gezinnen (in afstemming met andere betrokken partijen) die te maken hebben met beperkte zelfredzaamheid en problemen op meerdere leefgebieden (multiproblematiek) en waarbij meerdere hulpverleners betrokken zijn; g. het inschakelen van aanvullende expertise en toeleiden naar passende activiteiten, ondersteuning of aanbod. 3. De daartoe gemandateerde professional van de Ouder- en Kindteams neemt namens het college besluiten met betrekking tot het toekennen van individuele voorzieningen. Artikel 2.4 Opvoed- en opgroeiondersteuning 1.
In aanvulling op het aanbod zoals bedoeld in artikel 2.2 en 2.3, zorgt het college voor een laagdrempelig aanbod aan opvoed- en opgroeiondersteuning in de stad voor jeugdigen en hun ouders, in groepsverband en individueel. 2. Wanneer het aanbod zoals bedoeld in het eerste lid zich richt op specifieke doelgroepen, beslist de zorgaanbieder in overleg met het lokale team over de toegang. Artikel 2.5 Intensieve vrijwillige zorg 1. Het college zorgt voor een dekkend aanbod van intensieve vrijwillige zorg voor gezinnen waarvan de ouders onvoldoende zorgdragen voor een veilige opvoedingssituatie of meewerken aan de noodzakelijke hulpverlening. 2. De intensieve vrijwillige zorg wordt uitgevoerd door gecertificeerde instellingen of de Ouderen Kindteams. 3. De intensieve vrijwillige zorg kan worden ingezet door het lokaal team, Veilig Thuis of de Raad voor de Kinderbescherming met instemming van de ouders. 4. De daartoe gemandateerde professional van de uitvoerder van intensieve vrijwillige zorg is bevoegd om namens het college individuele voorzieningen in te zetten. Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen Paragraaf 1 Soorten individuele voorzieningen Artikel 3.1 Aanvullende hulp 1. In aanvulling op de algemene voorzieningen draagt het college zorg voor de beschikbaarheid van aanvullende jeugdhulp. 2. De ondersteuning die geboden wordt vanuit de aanvullende jeugdhulp kan bestaan uit: 3
a. ambulante jeugdhulp, met een lage intensiteit, geboden in het netwerk van de jeugdige of op de locatie van de jeugdhulpaanbieder; b. daghulp met een lage intensiteit en kortdurend verblijf (logeervoorzieningen) op de locatie van de jeugdhulpaanbieder; c. ambulante jeugdhulp en daghulp geboden op de locatie van de jeugdhulpaanbieder en ambulante jeugdhulp in het netwerk, met een hoge intensiteit, bij complexe en/of meervoudige problematiek; d. jeugdhulp met verblijf, waaronder pleegzorg, gezinshuizen, residentiële voorzieningen en gesloten jeugdhulp. Artikel 3.2 Dyslexiezorg 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg, bestaande uit: a. diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; b. behandeling van ernstige dyslexie. 2. Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van ernstige dyslexie, indien aan de criteria van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling vastgesteld door het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie wordt voldaan, en: a. de jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en op het primair onderwijs (basisonderwijs) zit, en; b. de basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in het in het tweede lid genoemde protocol en daarbij is voldaan aan de landelijke criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige dyslexie. Artikel 3.3 Vervoer 1.
Een vervoersvoorziening wordt – voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid – alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 2. Uitgangspunt is dat ouder(s) in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het (regelen van) vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het college beoordeelt de reikwijdte van de eigen mogelijkheden conform de afwegingsfactoren genoemd in artikel 3.7. 3. Van een medische noodzaak is sprake wanneer de jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om gebruik te maken van alternatieve wijzen van vervoer, ook niet met begeleiding. 4. Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer: a. de leeftijd van de jeugdige het niet toelaat zelfstandig te reizen, waarbij wordt aangenomen dat jeugdigen tot en met 8 jaar in ieder geval niet zelfstandig kunnen reizen; b. er genoegzaam is aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer; c.
er sprake is van ernstige gedragsproblematiek die het reizen onmogelijk maakt of andere redenen van niet-medische aard die het zelfstandig of onder begeleiding reizen onmogelijk maken. 5. Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
4
Artikel 3.4 Overige individuele voorzieningen jeugdhulp 1. In aanvulling op het aanbod aanvullende jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 3.1 draagt het college in bijzondere gevallen zorg voor de bekostiging van jeugdhulp die niet geboden wordt door aanbieders van aanvullende jeugdhulp die door de gemeente Amsterdam zijn gecontracteerd. 2. De in het vorige lid genoemde jeugdhulp betreft: a. jeugdhulp voor jeugdigen die buiten de regio Amsterdam-Amstelland verblijven maar volgens het woonplaatsbeginsel onder de verantwoordelijkheid van het college vallen, en voor wie de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders aanvullende jeugdhulp geen passende hulp kunnen organiseren of hulp die voldoende in de nabijheid van de jeugdige geboden kan worden; b. jeugdhulp die geboden wordt door jeugdhulpaanbieders met een specialistische functie binnen de kaders van de door de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten afgesloten landelijke raamcontracten; c. jeugdigen die hun woonplaatsbeginsel krijgen in Amsterdam en waarvan de continuering van de jeugdhulp door een niet door de gemeente Amsterdam gecontracteerde aanbieder wordt voortgezet; d. jeugdhulp die de rechter heeft opgenomen als verplichting in een strafrechtelijke beslissing. 3. Het college kan nadere regels stellen over de in dit artikel bedoelde jeugdhulp. Paragraaf 2 Inzet van jeugdhulp Artikel 3.5 Kwaliteit toeleiding 1.
Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening op grond van deze verordening. 2. Om de in het eerste lid bedoelde deskundigheid te waarborgen draagt het college zorg dat: a. het lokaal team over relevante deskundigheid beschikt met betrekking tot de in artikel 2.1 onder a t/m f van het Besluit Jeugdwet genoemde problematieken; b. het lokaal team beschikt over expertise voor het uitvoeren van diagnostiek ten behoeve van het verhelderen van de hulpvraag; c. het lokaal team bestaat uit een combinatie van in ieder geval de volgende SKJ, BIG of NIP geregistreerde professionals: i. Jeugd- en gezinsprofessional; ii. Jeugdpsycholoog/GZ-psycholoog, orthopedagoog generalist en/of kinderen jeugdpsycholoog. d. de in het eerste lid bedoelde taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional die beschikt over de specifieke kennis en vaardigheden behorend bij de hulpvraag; e. het lokaal team houdt zich bij de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taken aan de professionele standaarden die zijn opgesteld door de beroepsgroep waartoe de professional behoort en met inachtneming van de voor de doelgroep ontwikkelde instrumenten voor oordeels- en besluitvorming; f.
het besluit tot inzet van jeugdhulp genomen wordt door een gemandateerde professional van het lokale team op basis van het gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders en overleg met tenminste één andere professional van het lokale team.
5
Artikel 3.6 Het gesprek en het integraal plan 1. Het lokaal team stelt namens het college in een of meerdere gesprekken samen met de jeugdige en/of zijn ouders vast: a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is; b. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; c. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen. d. Als sprake is van problemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dan onderzoekt het college achtereenvolgens: i. welke problemen of stoornissen dat zijn; ii. welke hulp nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; iii. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; iv.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; v. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en; vi. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 2. Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders reeds een familiegroepsplan opgesteld hebben, vormt dit het uitgangspunt voor het gesprek zoals beschreven in het eerste lid. 3. Wanneer uit het gesprek blijkt dat de inzet van aanvullende jeugdhulp nodig is, wordt door het lokale team met de te betrekken jeugdhulpaanbieder overleg gevoerd over de in te zetten jeugdhulp. 4. Het lokale team en de jeugdige en/of zijn ouders leggen de zaken genoemd in het eerste lid vast in een integraal plan dat door de gemandateerde professional van het lokale team wordt ondertekend. Het besluit wordt toegevoegd aan het integraal plan. 5.
In het integraal plan worden afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het integraal plan met de jeugdige en/of zijn ouders, het lokale team en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 6. Het ondertekende integraal plan wordt, voor zover van toepassing voor een effectieve uitvoering van de aanvullende jeugdhulp, door de jeugdige en/of zijn ouders, of in voorkomende gevallen door het lokale team, gedeeld met de betrokken jeugdhulpaanbieder met inachtneming van de geldende privacyregelgeving. Artikel 3.7 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Het college neemt bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zoals bedoeld in het vorige artikel tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid 6
voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Dit uitgangspunt is gebaseerd op de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) niet toereikend is, bijvoorbeeld omdat sprake is van: a. (een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; c. het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat; d. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 2.
Bij de beoordeling van de overbelasting bedoeld in het eerste lid onder d, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; b. de duur van de inzet; c. de planbaarheid van de hulp; d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien. Artikel 3.8 Criteria en afwegingsfactoren bij de besluitvorming 1. Een jeugdige of ouder kan binnen de kaders van de Jeugdwet en deze verordening in aanmerking komen voor een individuele voorziening wanneer door het college of een andere wettelijke verwijzer is vastgesteld dat: a. een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag; b. de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; c. een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag; d.
de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag volledig te beantwoorden. 2. De inzet van een individuele voorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of diens ouders. 3. Het college treft geen individuele voorziening voor zover er naar haar oordeel sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. 4. Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt alleen toegekend als de inzet van de voorziening naar het oordeel van het college doeltreffend geacht kan worden. Om doeltreffend te zijn geldt in ieder geval dat: a. de in te zetten voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag; 7
b. de in te zetten voorziening behoudens het bepaalde in artikel 2.4 tweede lid sub b van de wet – waar beschikbaar – een bewezen effectieve interventie is. Artikel 3.9 Toegangsproces algemeen 1. Een individuele voorziening wordt ingezet op grond van het gesprek over de hulpvraag met de jeugdige en/of zijn ouders, zoals bedoeld in artikel 3.6 en wanneer het gaat om een persoonsgebonden budget, aanvullend op grond van het pgb-plan zoals bedoeld in artikel 3.12. 2. In afwijking van het vorige lid, kan het gesprek, zoals bedoeld in artikel 3.6 achterwege gelaten worden, wanneer: a. de huisarts, jeugdarts of medisch specialist – niet zijnde een professional van het lokaal team– conform artikel 2.6 eerste lid onderdeel e van de wet verwezen heeft naar aanvullende jeugdhulp waarbij geen hulpvraag is op meerdere levensgebieden; b. in crisissituaties waar de onmiddellijke uitvoering van aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is. 3. Wanneer de huisarts, jeugdarts of medisch specialist – niet zijnde een professional van het lokale team - conform artikel 2.6 eerste lid onderdeel e van de wet heeft verwezen naar aanvullende jeugdhulp waarbij er een hulpvraag is op meerdere levensgebieden die de expertise van de aanbieder van aanvullende jeugdhulp overstijgt en deze vraag verband houdt met de jeugdhulpvraag, wordt het lokale team door de jeugdhulpaanbieder betrokken. 4.
Als de ouders en/of jeugdige niet willen dat het lokale team betrokken wordt zoals bedoeld in het vorige lid, ondersteunt de aanbieder van aanvullende hulp de ouders en jeugdige bij het organiseren van ondersteuning op de andere levensgebieden om een effectieve uitvoering van de jeugdhulp mogelijk te maken. 5. Wanneer een zorgteam van een speciaal onderwijslocatie de inzet van aanvullende jeugdhulp in de vorm van ambulante jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige nodig acht, wordt de individuele voorziening ingezet op grond van het verzoek om een zorgtoewijzing van de betrokken jeugdhulpaanbieder voor aanvullende jeugdhulp. 6. Het lokale team, de huisarts, de medisch specialist, de jeugdarts of de gemandateerde professional van de gecertificeerde instelling kan, met inachtneming van de geldende privacyregelgeving, expertise betrekken en advies inwinnen van een gecontracteerde aanbieder van aanvullende jeugdhulp als dit naar het oordeel van die verwijzer noodzakelijk is voor de toeleiding naar jeugdhulp. Paragraaf 3 Toegang dyslexiezorg Artikel 3.10 Toegang dyslexiezorg 1. Het college kent een individuele voorziening voor dyslexiezorg toe door middel van een besluit dat toegang geeft tot diagnostiek, om vast te stellen of sprake is van ernstige dyslexie, en behandeling, indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige dyslexie. 2.
Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van het verzoek tot een zorgtoewijzing van de dyslexieaanbieder na een controle van het leerlingdossier van de basisschool door de poortwachter dyslexiezorg. 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de werkwijze van de poortwachter dyslexiezorg en de eisen waaraan het leerlingdossier dient te voldoen.
8
Paragraaf 4 Toegang overige individuele voorzieningen jeugdhulp Artikel 3.11 Toegang overige individuele voorzieningen jeugdhulp 1. Het college neemt een besluit tot toekenning van een overige individuele voorziening jeugdhulp: a. op grond van een aanvraag van het lokale team of een andere op grond van de wet daartoe bevoegde professional, als het gaat om jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, c en d; b. op grond van het verzoek tot zorgtoewijzing van een landelijke jeugdhulpaanbieder, als het gaat om jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel b. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud en de wijze van indienen van de aanvraag zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Paragraaf 5 Aanvullende regels persoonsgebonden budget Artikel 3.12 Het pgb-plan 1. Indien de jeugdige en/of zijn ouders zich in het gesprek zoals bedoeld in artikel 3.6 gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de door gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders van aanvullende jeugdhulp niet passend achten en een pgb wensen, dan dienen zij hiertoe in aanvulling op het integraal plan een pgb-plan op te stellen. 2. In het plan zoals genoemd in het vorige lid is in ieder geval opgenomen: a. de motivatie waarom zorg in natura niet passend en een persoonsgebonden budget gewenst is; b.
de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening; c. de kosten, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief, van de uitvoering; d. de kwalificaties van de beoogde uitvoerder; e. de motivatie ten aanzien van de pgb-vaardigheid aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 3.16 van deze verordening. 3. Het college beoordeelt of de in te kopen individuele voorziening die de jeugdige en/of zijn ouder(s) met een pgb wensen in te kopen van goede kwaliteit, en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. Artikel 3.13 Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de soort hulp die benodigd is, wordt bij hulp in de vorm van een pgb onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden als onderneming staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b.
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
9
3. Formele hulp wordt altijd geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 4. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder is er altijd sprake van informele hulp. 5. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het tweede lid, onder a of b, is sprake van informele hulp. Artikel 3.14 Vaststellen hoogte van het persoonsgebonden budget 1. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt berekend aan de hand van het aantal uren, dagdelen of etmalen dat de individuele voorziening nodig is vermenigvuldigd met een vast tarief per ondersteuningsvorm. 2. De tarieven op basis waarvan de hoogte van het persoonsgebonden budget berekend wordt, bedragen voor formele hulp: a. als het gaat om ambulante hulpverlening: i. voor praktische begeleiding en ondersteuning € 44,16 per uur; ii. voor specialistische begeleiding € 80,16 per uur; iii. voor specialistische behandeling € 115,20 per uur; b. als het gaat om dagbehandeling of – begeleiding in groepsverband: i. voor praktische begeleiding en ondersteuning €54,48 per dagdeel; ii. voor specialistische behandeling € 90,96 per dagdeel; c.
als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling: i. met lichte begeleiding € 124,32 per etmaal; ii. met specialistische begeleiding € 245,28 per etmaal; iii. met specialistische behandeling € 326,16 per etmaal; d. als het gaat om vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden en uitgevoerd door de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf: Postcode afstand plaats verblijf en bestemming
0-4 km
5-9 km
10-19 km
20-29 km
30-39 km
>40 km
Groep
C1
C2
C3
C3
C4
C5
Groep rolstoel
C2
C2
C3
C4
C5
C6
Individueel
C2
C3
C4
C4
C5
C6
C1
€ 21,60
C2
€ 29,52
C3
€ 40,56
C4
€ 56,88
C5
€ 78,72
C6
€ 116,64
10
3. De tarieven op basis waarvan de hoogte van het persoonsgebonden budget berekend wordt, bedragen voor informele hulp: a. voor hulp niet zijnde de ondersteuningsvorm 'logeren niet-professioneel' een tarief van € 20,00 per uur; b. voor de ondersteuningsvorm ‘logeren niet-professioneel’ verleend door een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet een tegemoetkoming van € 60,- per etmaal, met een maximum van € 141,- per kalendermaand; c. als het gaat om vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden: Postcode afstand plaats verblijf en bestemming
0-4 km
5-9 km
10-19 km
20-29 km
30-39 km
>40 km
Informeel vervoer
C0
C0
C1
C2
C4
C4
C0
€7,80
C1
€17,60
C2
€24,00
C4
€46,20
4. De in het tweede lid genoemde tarieven zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2025 en worden ieder opvolgend kalenderjaar geïndexeerd op basis van de volgende percentages: a. voor 90% op basis van het indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het voorgaande kalenderjaar van het Centraal Planbureau en gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit, en; b. voor 10% op basis van het prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) van het voorgaande kalenderjaar van het Centraal Planbureau en gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit. 5. Bovenstaande percentages zijn gebaseerd op de voorlopige index voor het jaar T, gecorrigeerd met het verschil tussen de voorlopige en definitieve index van het jaar T-1. 6. De berekende bedragen worden afgerond op een bedrag dat deelbaar is door 24. 7. Als toepassing is gegeven aan het vierde lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. Artikel 3.15 Verstrekken persoonsgebonden budget formele en informele hulp 1. Het college kent een persoonsgebonden budget voor formele hulp enkel toe indien de zorgverlener: a. voldoet aan hetgeen is bepaald in artikel 3.13, tweede en derde lid; b. werkt op basis van een hulpverleningsplan dat is afgestemd met ouders en jeugdige; c. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; d.
zich zodanig organiseert (en zich voorziet van kwalitatief goed en voldoende personeel) dat verantwoorde hulp kan worden geboden (norm van de verantwoorde werktoedeling); e. voor elk van zijn medewerkers beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); 11
f.
2.
3.
4.
5.
de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp hanteert; g. beschikt over een klachtencommissie, of in geval van een zzp'er een duidelijke klachtenprocedure ten behoeve van de jeugdige en ouder en deze voldoende kenbaar maakt aan de jeugdige en ouder; en h. een vertrouwenspersoon in de gelegenheid stelt zijn/haar taak uit te oefenen. Het college kent een persoonsgebonden budget voor informele hulp die wordt geleverd vanuit het sociale netwerk enkel toe: a. voor zorg zoals genoemd in artikel 3.1, tweede lid, onder a en b en logeren nietprofessioneel; b. als genoegzaam wordt aangetoond waarom de inzet van informele hulp leidt tot een gelijk of beter resultaat dan de inzet van formele hulp; c. als de pgb budgethouder of diens vertegenwoordiger voldoende vaardig is voor het uitvoeren van de taken die behoren bij het persoonsgebonden budget als bedoeld in de zin van artikel 3.16; d. indien de zorg wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van degene ten behoeve van wie het pgb wordt ingezet en eventuele andere vormen van hulp of zorg in het gezin; en e. indien de persoon die de informele hulp verleent voldoet aan de volgende minimale criteria: i.
de persoon die de informele hulp verleent, beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag, zoals bedoeld in artikel 4.1.6 van de wet, voor het verlenen van veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte zorg en kan deze desgevraagd overhandigen aan het lokale team, tenzij de persoon die de informele hulp verleent de ouder is van de jeugdige; ii. de persoon die de informele hulp verleent werkt op basis van een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; iii. de persoon die de informele hulp verleent beschikt over de voor de hulpvraag benodigde competenties, kennis en vaardigheden om verantwoorde hulp te bieden en dit kan aantonen. De uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, is niet tevens de wettelijke vertegenwoordiger van de budgethouder noch heeft deze een financiële relatie met de budgethouder, tenzij: a. dit gezien de situatie van de jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; b. de uitvoerder van de hulp en ontvanger van het budget een ouder is van de jeugdige voor wie het pgb is verstrekt.
Ondersteuning kan niet worden geboden door iemand vanuit het sociaal netwerk als die ondersteuning, conform het afwegingskader voor verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, geboden moet worden door een geregistreerde professional. Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag toe vanuit het persoonsgebonden budget.
Artikel 3.16 Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; 12
c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om te communiceren met de gemeenten, de SVB en de zorgverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. Paragraaf 6 Besluit, herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 3.17 Inhoud en geldigheidsduur besluit 1. In het besluit tot toekenning van aanvullende jeugdhulp wordt in ieder geval vastgelegd: a. dat er een individuele voorziening wordt verstrekt in natura; b. op welke hulpvragen en/of beoogde resultaten zoals verwoord in het integraal plan de individuele voorziening is gericht; c. in geval van een persoonsgebonden budget de hoogte van het budget en hoe dit is berekend. 2.
Het besluit tot toekennen van aanvullende jeugdhulp wordt afgegeven: a. als het gaat om zorg in natura, met een geldigheidsduur tot het moment waarop de betrokken jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp heeft beëindigd en het college hiervan op de hoogte heeft gesteld; b. als het gaat om een persoonsgebonden budget: met een in het besluit vastgestelde geldigheidsduur. 3. Het besluit kan ingetrokken worden, wanneer de jeugdhulpaanbieder niet binnen zes maanden na het afgeven van het besluit gestart is met de zorg of als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4. Het lokale team bepaalt in overleg met de ouders en jeugdige de ingangsdatum van het besluit. Artikel 3.18 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een individuele voorziening. 2.
Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet is het college bevoegd om een besluit met betrekking tot een individuele voorziening te herzien dan wel in te trekken, indien het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
13
b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget, of; e. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onder a heeft herzien dan wel ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. Artikel 3.19 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik 1. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de krachtens deze verordening verstrekte individuele voorzieningen. 2.
Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de wet dan wel bij deze verordening, ten aanzien van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk en ondoelmatig gebruik van het bepaalde bij de wet, dan wel deze verordening. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 3.20 Controles 1. Om misbruik en oneigenlijk gebruik van de krachtens deze verordening verstrekte individuele voorzieningen te voorkomen, controleert het college – al dan niet steekproefsgewijs – de rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorziening en de besteding van het pgb. 2. Het college is gerechtigd tot het uitvoeren van formele en materiële controles en fraudeonderzoek. Het college kan nadere regels opstellen met betrekking tot de wijze waarop aan deze controles en dit onderzoek vorm wordt gegeven. 3. Het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen. 4.
Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 5. Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet. Artikel 3.21 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken, als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e van de wet. 14
2. Indien de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet kan het college de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Hoofdstuk 4 Afstemming met andere voorzieningen Artikel 4.1 Overgang naar volwassenheid 1. Het college draagt zorg dat voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar bereiken en die ook na hun 18e jaar een hulpvraag hebben tijdig, doch uiterlijk zes maanden voor hun 18de levensjaar afstemming plaatsvindt welke andere voorzieningen benodigd zijn. 2. In het geval er sprake is van verlengende jeugdhulp vindt de afstemming op latere leeftijd, maar altijd tijdig plaats. 3. Het college draagt zorg dat het lokale team zich in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders wijst op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, en zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk. Artikel 4.2 Afstemming gezondheidszorg 1.
Het college draagt zorg dat wanneer het lokale team van oordeel is dat de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige door zal lopen, rekening wordt gehouden met de eisen die gesteld worden door de zorgverzekeraars. 2. Het college draagt zorg dat het lokale team zich in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders wijst op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, en zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk. Artikel 4.3 Afstemming langdurige zorg 1. Het college draagt zorg dat het lokale team de jeugdige en/of zijn ouders ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 2. Indien de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening. Artikel 4.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1.
Het college draagt zorg dat alle locaties voor kinderopvang, peuterspeelzaalwerk, primair en voortgezet onderwijs, en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij een van de Ouder- en Kindteams in de stad. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste lid genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het integraal plan van de jeugdige en zijn ouders.
15
Artikel 4.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de lokale teams en de buurtteams, indien een jeugdige en/of zijn ouders naast jeugdhulpvoorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. 2. Het college draagt zorg dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en het lokale team een besluit hiertoe zo nodig (mede)voorbereidt. Artikel 4.6 Afstemming werk en inkomen Het college draagt zorg dat de lokale teams en de gecertificeerde instellingen, in afstemming met de buurtteams, financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, armoedevoorzieningen, en het kindpakket – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen. Hoofdstuk 5 Waarborging verhouding prijs-kwaliteit en zorgcontinuïteit Artikel 5.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen 1.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp, intensieve vrijwillige zorg of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a. kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden); b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten, en; d. kosten voor indexering. 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3. Het college waarborgt dat bij de inkoop van jeugdhulp rekening wordt gehouden met zorgvuldigheidseisen die de continuïteit en beschikbaarheid van zorg ten goede komen. Hoofdstuk 6 Beleidsparticipatie Artikel 6.1 Jeugdplatform 1. Het college stelt een adviescommissie als bedoeld in artikel 84 Gemeentewet in binnen het Jeugdplatform Amsterdam, die gevraagd en ongevraagd advies uit kan brengen over het gemeentelijk jeugdbeleid. 2.
Het college voorziet daartoe in de ondersteuning van Jeugdplatform Amsterdam dat de belangen van ingezetenen en cliënten en hun vertegenwoordigers behartigt. Artikel 6.2 Stedelijke adviesgroep jeugd 1. Het college stelt een adviescommissie als bedoeld in binnen het Jeugdplatform Amsterdam in op de wijze voorzien in artikel 84 Gemeentewet, die belast wordt met de taak gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen over het gemeentelijk jeugdbeleid.
16
2. Bij de instelling van de in het eerste lid bedoelde adviescommissie wordt door het college een reglement vastgesteld en voorzien in de benodigde ondersteuning om haar taken uit te voeren. Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 7.1 Overgangsbepalingen 1. De Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 wordt ingetrokken. 2. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken, herzien (met uitzondering van de herziening naar aanleiding van het wijzigen van de tarieven zoals bedoeld in artikel 7.4 van deze verordening) of beëindigd. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021, zoals deze luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt. 5.
Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 te herzien: a. op de gronden, vermeld in artikel 3.14 van de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021; b. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; c. indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm; d. indien de jeugdhulpaanbieder niet langer gecontracteerd is door het college. 6. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021, terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden. Artikel 7.2 Hardheidsclausule Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leidt, ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouders af te wijken van deze verordening, indien daar zeer dringende redenen voor zijn. Artikel 7.3 Evaluatie Het college zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk.
Artikel 7.4 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2025 en werkt ten aanzien van artikel 3.14 eerste en tweede lid terug tot en met 1 januari 2025. Artikel 7.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Amsterdam 2025.
17
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van [datum (maand voluit geschreven)]. De voorzitter Femke Halsema De raadsgriffier Jolien Houtman
18
Toelichting Algemeen deel Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet op 1 januari 2015 is de gemeente naast het preventieve jeugdbeleid ook verantwoordelijk geworden voor de jeugdhulp en jeugdbescherming en jeugdreclassering. Op grond van de Jeugdwet is de gemeenteraad verplicht om een verordening vast te stellen. Deze verplichting was er vóór 2015 niet. De inhoud van de gemeentelijke verordening is vooral vastgelegd in artikel 2.9 van de Jeugdwet: “De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels: a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld, en d.
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.” Daarnaast is de gemeente ook verplicht bij verordening regels te stellen over de beleidsparticipatie (Jeugdwet, artikel 2.10) en ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit voor de levering van jeugdhulp en de continuïteit van de jeugdhulp (Jeugdwet, artikel 2.11) en kan zij dit doen als het gaat om de voorwaarden rond het verstrekken van een persoonsgebonden budget voor informele zorg (Jeugdwet, artikel 8.1.1, derde lid). Herziening verordening De belangrijkste aanpassingen in de verordening zijn: een aanpassing van de begrippen aan het nieuwe jeugdhulpstelsel, een aanpassing van het pgb proces, nieuwe pgb tarieven en een beschrijving van de beoordeling van de draagkracht van ouders. Ook zijn de kwaliteitseisen van de door het college gemandateerde verwijzer naar jeugdhulp opgenomen. Het jeugdhulpstelsel in Amsterdam heeft met ingang van 2024 een volgende stap gezet. De vernieuwing is erop gericht om het jeugdstelsel vanaf 2024 anders te gaan organiseren, waarin de samenwerking tussen de verschillende partijen in de gebieden centraal staat om zo jeugdhulp te bieden aan ouders en kinderen in de meest kwetsbare situaties.
Deze nieuwe werkwijze krijgt vorm in de gebiedsknooppunten waarop de gecontracteerde aanbieders van jeugdhulp en verwijzers zijn aangesloten. Net als in voorgaande jaren staat het gezin centraal, wordt een integraal plan opgesteld en wordt gewerkt aan de beoogde resultaten uit dit plan. In de nieuwe werkwijze is er een nauwere samenwerking tussen aanbieders en verwijzers. De gemeente kiest hierbij voor een taakgerichte financiering van alle vormen van aanvullende jeugdhulp.
19
Afbakening verordening Deze gemeentelijke verordening gaat alleen over de algemene en individuele jeugdhulpvoorzieningen. Het jeugdbeschermings- en reclasseringsaanbod betreffen volgens de Jeugdwet geen jeugdhulpvoorzieningen en zijn daarom niet geregeld in deze verordening. Hetzelfde geldt voor de toegang door de gecertificeerde instellingen richting de aanvullende jeugdhulp. Op grond van de Jeugdwet (artikel 3.5) hebben de gecertificeerde instellingen hierin een eigen bevoegdheid, hoewel zij wel verplicht zijn om hierover te overleggen met het college. Afspraken over deze afstemming zijn vastgelegd in een samenwerkingsprotocol, maar maken geen deel uit van deze verordening. In deze verordening zijn ook tal van andere zaken niet geregeld omdat zij al in de Jeugdwet of andere (landelijke) wet- en regelgeving geregeld zijn. Denk aan zaken als de kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, het werk van de vertrouwenspersonen in het jeugdstelsel en privacyregels rond het delen van informatie en het instemmen met hulp. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Begrippen die in de Jeugdwet (dan wel besluit Jeugdwet of de regeling Jeugdwet) gedefinieerd worden, worden – in de regel – niet opgenomen in de begripsbepaling van de verordening.
Aanvullende jeugdhulp Met dit overkoepelende begrip worden de individuele voorzieningen voor jeugdhulp bedoeld, zoals opgenomen in artikel 3.1. Deze hulp is 'aanvullend' op de algemene voorzieningen en op basishulp zoals geboden door het OKT. In de verordening wordt hier geen onderscheid in gemaakt. Algemene voorziening De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). In de Jeugdwet wordt (maar alleen in artikel 2.9) van ‘overige voorziening’ gesproken. Deze laatste term kan verwarrend werken en doet geen recht aan de belangrijke positie van de vrij toegankelijke voorzieningen in het nieuwe jeugdstelsel. Zij zijn geen restcategorie. Daarom wordt toch de term uit de Wmo gebruikt. Andere voorziening Voorzieningen anders dan die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Jeugdwet. Buurtteam De Ouder- en Kindteams werken samen met de in 2021 gevormde buurtteams. Het Ouder- en Kindteam en de buurtteams ondersteunen Amsterdammers op verschillende leefgebieden, waarbij de Ouder- en Kindteams verantwoordelijk zijn voor de inzet van jeugdhulp. Familiegroepsplan Hier is de definitie van het familiegroepsplan uit de Jeugdwet (artikel 1.1) overgenomen, omdat de term een aantal keer in de verordening gebruikt wordt en geen algemeen bekend begrip is.
20
Individuele voorziening ‘Individuele voorziening’ is de term die in de Jeugdwet gebruikt wordt voor wat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een ‘maatwerkvoorziening’ heet. De term individuele voorziening wordt in de Jeugdwet niet gedefinieerd, vandaar dat in de verordening een begripsbepaling is toegevoegd. Ofschoon de term (net als de term ‘overige voorziening’) verwarring op kan roepen – het gaat niet alleen om individueel geboden hulp, maar ook om groepsaanbod – is in dit geval wel de formele term uit de Jeugdwet gebruikt, aangezien deze in meerdere bepalingen van de Jeugdwet een rol speelt. Integraal plan Het integraal plan is de weerslag van het gesprek dat de jeugdige en/of zijn ouders voeren met de betrokken professional van het lokale team, de jeugdhulpverlener en eventueel ook anderen uit het bredere sociale netwerk van de jeugdige en zijn ouders over de hulpvraag. Het integraal plan bundelt hulpvraag en afspraken over de ondersteuning, niet alleen op het terrein van jeugdhulp, maar ook op andere terreinen. Denk hierbij aan hulp voor een van de ouder(s), broertjes en/of zusjes met een hulpvraag, schuldproblematiek, huisvestingsproblematiek en zo verder. Deze context is van belang bij het bepalen van de hulpvraag voor het kind. Wanneer besloten wordt dat de inzet van aanvullende jeugdhulp nodig is, wordt ook dit in het integraal plan vastgelegd.
Voor de jeugdhulpaanbieder is het integraal plan vervolgens uitgangspunt voor het verder vormgeven van het hulpverleningstraject (zie verder de toelichting bij artikel 3.6 vierde lid). Het integraal plan kan echter ook gebruikt worden wanneer aanvullende jeugdhulp (nog) niet nodig is en het lokale team bijvoorbeeld zelf met de jeugdige en zijn ouders aan de slag gaat. Er zijn diverse soorten plannen in de Jeugdwet. Hieronder worden de belangrijkste toegelicht, te weten het hulpverleningsplan van de jeugdhulpaanbieder (vaak ook behandelplan genoemd), het plan van aanpak van de gecertificeerde instelling en het familiegroepsplan van het gezin – die alle in de Jeugdwet zelf verankerd zijn. - Het hulpverleningsplan (of behandelplan) beschrijft hoe door de jeugdhulpaanbieder wordt gewerkt aan het behalen van de gestelde doelen (beoogde resultaten) in het integraal plan. - Het plan van aanpak (in de regel gezinsplan genoemd) van de gecertificeerde instelling is een vorm van het integraal plan, omdat hierin ook altijd breed de gezinssituatie in ogenschouw genomen wordt. - Het familiegroepsplan is het plan opgesteld door de jeugdige en zijn ouders dat in principe zonder betrokkenheid van hulpverleners (lokale team, jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling) wordt opgesteld.
Hulpverleners kunnen wel informatie inbrengen voor het familiegroepsplan en voorwaarden voor veiligheid stellen. NB Het integraal plan wordt door de Ouder- en Kindteams in de regel perspectiefplan genoemd. Lokaal team De term ‘lokaal team’ heeft in deze verordening betrekking op de Ouder- en Kindteams en de uitvoerders van intensieve vrijwillige zorg. Deze voorzieningen staan beschreven in hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen (zie verdere toelichting onder betreffende artikelen hieronder). Zij
21
worden in deze verordening samengevat onder de overkoepelende term ‘lokaal team’, omdat zij dezelfde bevoegdheden hebben in het kader van het verlenen van hulp in het vrijwillig kader. Ouder De hier opgenomen definitie is overgenomen uit de begripsbepaling van de Jeugdwet zelf. In de verordening wordt in de regel gesproken van ’de jeugdige en/of zijn ouders.’ Bij de definitie van ‘jeugdige’ wordt de Jeugdwet gevolgd (zie ook toelichting artikel 1.2). Het kan overigens ook zo zijn dat de jeugdige (zeker vanaf 16 jaar, maar in bijzondere gevallen ook daarvoor, vanaf 12 jaar) zonder betrokkenheid van zijn ouders jeugdhulp ontvangt. Ook andere opvoeders dan de ouders of verzorgers (denk aan naaste familieleden, een leerkracht, of anderen die dichtbij staan) kunnen natuurlijk betrokken raken bij de jeugdhulp. Professional Met de professional wordt de jeugdhulpverlener bedoeld in het kader van de Jeugdwet, en de uitvoerder van de jeugdgezondheidszorg in het kader van de Wet publieke gezondheid. Deze professionals staan in de regel geregistreerd in een beroepsregister (BIG of SKJ), waarmee bepaalde kwaliteitsgaranties worden geboden. Zorgteam Het zorgteam kent een rol in de toegang tot de aanvullende jeugdhulp die direct beschikbaar is op het Speciaal Onderwijs. De Ouder- en Kindteams zijn ook vertegenwoordigd in het zorgteam.
Artikel 1.2 Doelgroep Eerste lid Jeugdigen Doelgroep van de voorzieningen zoals beschreven in de verordening zijn alle jeugdigen in Amsterdam. Voor de definitie van jeugdigen geldt de definitie van de wet. Volgens artikel 1.1 van de wet is een jeugdige: “een persoon die: 1. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt; 2. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht; 3. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt voor zover de te verlenen jeugdhulp uit pleegzorg bestaat, indien: - de pleegzorg was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, of - de pleegzorg die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar binnen een termijn van een half jaar na beëindiging wordt hervat, of 4.