Gewijzigd Bekendmaking Parkeerverordening Amsterdam 2025
Tekst van het document
Opmerkingen voor publicatie: Te publiceren in: Uiterlijk bekendmaken op: Niet eerder bekendmaken dan op: Consolideren op overheid.nl Gevolgen voor de werking van een andere regeling: Externe informatieve bijlage voor de leesbaarheid: Andere bijzonderheden:
Gemeenteblad Zo snel mogelijk N.v.t. Ja Parkeerverordening 2013 wordt ingetrokken. Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2024 wordt ingetrokken. N.v.t. N.v.t.
Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam houdende regels over de heffing en invordering van parkeerbelasting (Parkeerverordening Amsterdam 2025) De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2024; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet; overwegende dat: - de raad streeft naar een inrichting van de openbare ruimte waarin de dominantie van autoparkeren wordt gereduceerd en meer ruimte wordt vrijgespeeld ten gunste van andere doelgroepen en doeleinden, zoals: de voetganger, de fietser, het fietsparkeren, openbaar vervoer en groenvoorzieningen; - de parkeerdruk hoog is binnen de gemeente en dat parkeercapaciteit schaars is en schaarser zal worden; - de raad om die reden het parkeren binnen de gemeente reguleert door middel van een belastingheffing. Met belastingheffing - en het instrumentarium dat hieraan verbonden is, zoals vergunningproducten, tarifering, tijdvensters en vergunningenplafonds, wordt vraag naar - en aanbod van parkeercapaciteit in balans gebracht; - bewoners en bedrijven onder strikte voorwaarden in aanmerking komen voor een parkeervergunning waarmee tegen een halfjaarlijks tarief kan worden geparkeerd in een gebied; - het aantal te verlenen parkeervergunningen wordt gemaximeerd per gebied, adres en bedrijf.
Parkeren dient op eigen terrein te geschieden en in geval van nieuwbouw en in geval van (voldoende) parkeergelegenheid op eigen terrein wordt vergunningverlening uitgesloten; - een bewoner of bedrijf niet voor ieder voertuig in aanmerking kan komen voor een parkeervergunning en dat - de raad inziet dat dit mogelijk tot hogere kosten of praktische uitdagingen kan leiden voor bewoners en bedrijven, maar dat de raad dit belang niet vindt opwegen tegen het belang van een hoogwaardige openbare ruimte en de ontwikkeling van nieuwe woon- en bedrijvengebieden besluit de volgende verordening vast te stellen:
Parkeerverordening Amsterdam 2025
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: adres: adres als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, niet zijnde een nevenadres; ambulante handelaar: markthandelaar en de houder van een staanplaatsvergunning als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten; belanghebbendenparkeerplaats: een parkeerplaats aangeduid door bord E9 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; bedrijf of beroep: - elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst arbeid wordt verricht; - de zelfstandige die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep; of - een niet-commerciële organisatie die hieraan door het college is gelijkgesteld; en met dien verstande dat bedrijven en beroepen worden beschouwd als één bedrijf en één beroep indien de vestigingsadressen dezelfde zijn of het een aaneengesloten bebouwing betreft, en sprake is van een (juridische) constructie waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf of beroep betreft; bewoner: degene die: - een leeftijd heeft van achttien jaar of ouder en is ingeschreven als
ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Amsterdam op het adres dat hij bewoont; of - is ingeschreven in de protocollaire basisadministratie op het adres binnen de gemeente Amsterdam dat hij bewoont en beschikt over een identiteitsbewijs van het ministerie van Buitenlandse Zaken waaruit blijkt dat er sprake is van een geprivilegieerde status; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; deelvergunninggebied: krachtens artikel 1.8, eerste lid, aangewezen deel van een vergunninggebied; elektronische parkeerapparatuur: alle hardware- en sofwarecomponenten, met inbegrip van de centrale computer van de gemeente of een rechtspersoon met wie de gemeente een daartoe strekkende overeenkomst heeft gesloten, die in werking worden gesteld met behulp van diensten op het gebied van betaald parkeren door een telefoon of ander communicatiemiddel voor het voldoen op aangifte van parkeerbelasting; houder van een motorvoertuig: degene:
2
-
aan wie een kenteken van het motorvoertuig is opgegeven in het kentekenregister als bedoeld in artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994; die blijkens een leaseovereenkomst gebruikmaakt van het motorvoertuig; of die blijkens de inhoud en strekking van de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever en een verklaring van de werkgever waaruit de exclusieve terbeschikkingstelling blijkt ten aanzien van het gebruik, gebruikmaakt van een door zijn werkgever beschikbaar gestelde motorvoertuig;
mantelzorg: niet-beroepsmatige zorg die met regelmaat wordt verleend door familie, vrienden of kennissen van de persoon die de zorg krijgt; markthandelaar: degene die beroepsmatig markthandel uitoefent als bedoeld in artikel 1.1, onder m, van de Marktverordening; motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of brommobiel als bedoeld in dat artikel; overloopgebied: vergunninggebied of een deel van een vergunninggebied dat als zodanig is aangewezen voor aanvragers van een bewonersvergunning of een bedrijfsvergunning die voor hun eigen vergunninggebied op de wachtlijst staan; parkeren: gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; parkeerapparatuur: parkeerapparatuur bij de parkeerplaats of elektronische parkeerapparatuur; parkeerapparatuur bij de parkeerplaats: parkeerautomaat, verzamelparkeermeter, parkeermeter of andere parkeerapparatuur die door of vanwege de gemeente in de nabijheid van een parkeerplaats beschikbaar is gesteld voor
het voldoen op aangifte van parkeerbelasting; parkeerplaats: plaats op een weg die, of een terrein dat, openstaat voor het openbaar verkeer waar het niet krachtens wettelijk voorschrift is verboden te parkeren; stallingsplaats: a. plaats die juridisch, feitelijk of planologisch is bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk waarbij geldt dat een solitaire inpandige stallingsplaats of garagebox ten minste 2,35 meter breed en ten minste 5,00 meter lang is en een toegangsdeur heeft van ten minste 2,20 meter breed; of b. plaats die aan de omschrijving onder a voldeed op het moment waarop in een beleidsvoorstel bekend is gemaakt dat betaald parkeren wordt ingevoerd op het adres van degene die over de plaats kon beschikken en na de bekendmaking van het beleidsvoorstel aard- en nagelvast is verbouwd waardoor deze niet meer voldoet aan de omschrijving onder a; tariefgebied: krachtens artikel 1.3, eerste lid, onder a, aangewezen gebied waar voor het parkeren parkeerbelasting wordt geheven; 3
vergunninggebied: krachtens artikel 1.8, eerste lid, gebied waarbinnen parkeervergunningen kunnen worden verleend, inclusief het in dat lid bedoelde deelvergunninggebied; vergunninghouder: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een parkeervergunning is verleend; werknemer: persoon, werkzaam in een bedrijf voor minimaal 36 uur per week, waarbij personen die deeltijd werken worden herleid tot voltijdse equivalenten. Artikel 1.2 Parkeerplaatsen 1. Deze verordening is van toepassing op het gebruik van parkeerplaatsen. 2. Deze verordening is mede van toepassing op het gebruik van plaatsen in parkeergarages die bij nadere regeling door het college zijn aangewezen voor het parkeren door houders van een parkeervergunning in een daarbij aangewezen postcodegebied. § 2. Betaald parkeren algemeen Artikel 1.3 Parkeerplaatsen met parkeerbelasting 1. Onder de naam parkeerbelasting vindt heffing plaats ter zake van het parkeren: a. op een bij besluit van het college aangewezen parkeerplaats, in een gebied dat in bijlage I bij deze verordening is aangewezen als tariefgebied; b. gedurende een tijdvak dat in bijlage II bij deze verordening is aangewezen als bloktijd; en c. met gebruik van parkeerapparatuur overeenkomstig deze verordening. 2.
De tijdvakken, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden bij nadere regeling van het college uitgewerkt per onderdeel van de tariefgebieden, bedoeld in het eerste lid, onder a. Artikel 1.4 Parkeerplaatsen zonder parkeerbelasting Geen parkeerbelasting als bedoeld in artikel 1.3 wordt geheven voor het parkeren van een voertuig op: a. een gehandicaptenparkeerplaats, aangeduid door bord E6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; b. een belanghebbendenparkeerplaats, aangeduid door bord E9 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; c. een laad- en losplaats, aangeduid door bord E7 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; d. een taxistandplaats, aangeduid door bord E5 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; of e. een parkeerplaats in een parkeerschijfzone, aangeduid door bord E10 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Artikel 1.5 Tarief en maatstaf van de heffing 1. Het tarief van de heffing, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, bedraagt het in bijlage III bij deze verordening opgenomen tarief per tijdseenheid van parkeren voor een tariefgebied. De tijdseenheid wordt bepaald in minuten, dagen, avonden of nachten. 2. Het tarief van de naheffingsaanslag is opgenomen in bijlage IV bij deze verordening.
4
3. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de heffing en de invordering van parkeerbelasting. Artikel 1.6 Belastingplichtige en tijdstip verschuldigdheid 1. De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, wordt geheven van degene die door artikel 225, derde tot en met zesde lid, van de Gemeentewet, is aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 2. De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is verschuldigd bij aanvang van het parkeren. Artikel 1.7 Wijze van heffing 1. De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, wordt voldaan bij wege van voldoening op aangifte overeenkomstig artikel 234, tweede lid, van de Gemeentewet. 2. Aangifte wordt gedaan bij aanvang van het parkeren door het kenteken van het voertuig en de duur van het parkeren te registreren in het digitale parkeerbelastingbestand door gebruik van parkeerapparatuur. 3. Bij gebruik van parkeerapparatuur bij de parkeerplaats wordt het verschuldigde bedrag overeenkomstig de aangifte bij aanvang van het parkeren voldaan op de wijze zoals is aangegeven op de parkeerapparatuur en met inachtneming van de voorschriften die bij de verstrekking van of het toestaan van deze apparatuur zijn gesteld. 4.
Bij gebruik van elektronische parkeerapparatuur wordt het verschuldigde bedrag overeenkomstig de aangifte betaald binnen één maand na het tijdstip waarop het parkeren is beëindigd en met inachtneming van de voorschriften die bij de verstrekking van of het toestaan van deze apparatuur zijn gesteld. § 3. Betaald parkeren met een parkeervergunning Artikel 1.8 Parkeervergunning met parkeerbelasting 1. Onder de naam parkeerbelasting vindt een heffing plaats ter zake van een krachtens de hoofdstukken 3 tot en met 7 verleende parkeervergunning voor het parkeren van een voertuig op een parkeerplaats in een gebied dat is aangewezen als vergunninggebied in bijlage V bij deze verordening of in een door het college in nadere regels aangewezen deelvergunninggebied of overloopgebied. 2. Ter zake van het parkeren met een geldige parkeervergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt geen parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, geheven. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op parkeren door een bezoeker als bedoeld in artikel 3.9 en 3.12. Artikel 1.9 Tarief en geldigheidsduur parkeervergunning 1. Het tarief van de heffing, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, bedraagt het in bijlage VI bij deze verordening opgenomen tarief per parkeervergunning per zes maanden, wat verschillend kan zijn voor een eerste, tweede of opvolgende vergunning voor eenzelfde adres. 2.
Een parkeervergunning treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand waarvoor de parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, is voldaan, tenzij de
5
parkeervergunning op of na deze dag is verleend, in welk geval de parkeervergunning in werking treedt op het moment dat de parkeerbelasting is voldaan. 3. Een parkeervergunning vervalt indien de parkeerbelasting bij verlenging van de geldigheidsduur niet is voldaan. 4. Indien de parkeervergunning wordt beëindigd voor het verstrijken van de geldigheidsduur, wordt voor het onbenutte aantal hele kalendermaanden na het moment van beëindigen naar rato de betaalde belasting gerestitueerd. Artikel 1.10 Belastingplichtige: vergunningparkeren 1. De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, wordt overeenkomstig artikel 225, zevende lid, van de Gemeentewet geheven van degene die de parkeervergunning heeft aangevraagd. 2. De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, is verschuldigd vanaf het moment van het verlenen van de parkeervergunning. Artikel 1.11 Wijze van heffing 1. De parkeerbelasting, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte bij het verlenen van de parkeervergunning. 2. De voldoening op aangifte geschiedt: a. door automatische incasso van het verschuldigde bedrag; of b. door bijschrijving van het verschuldigde bedrag op een daartoe bestemde bankrekening van de gemeente Amsterdam. § 4. Tariefreductie en vrijstellingen Artikel 1.12 Gereduceerd tarief bezoekersparkeren 1.
Indien voor een bezoekersvergunning als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, de heffing, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is voldaan voor het parkeren van een bezoeker, wordt tot een door het college te bepalen maximaal aantal uren parkeren per tijdseenheid in afwijking van artikel 1.5, eerste lid, een gereduceerd tarief geheven. 2. Het gereduceerde tarief is per gebied opgenomen in bijlage VII bij deze verordening. 3. De bloktijden, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onder b, waarbinnen het gereduceerde tarief wordt geheven, kunnen door het college worden beperkt. Artikel 1.13 Gereduceerd tarief kraskaartparkeren 1. Indien voor een kraskaartvergunning als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, de heffing, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, is voldaan voor het parkeren van een bezoeker, wordt daarvoor in afwijking van artikel 1.5, eerste lid, tot maximaal 150 uren parkeren per kwartaal een gereduceerd tarief geheven. 2. Het gereduceerde tarief is per gebied opgenomen in bijlage VIII bij deze verordening. 3. Als in een kwartaal minder dan 150 uren tegen gereduceerd tarief is geparkeerd, wordt het aantal onbenutte uren meegenomen naar het volgende kwartaal.
6
§ 5. Invordering en wanbetalen Artikel 1.14 Wielklem en wegsleepregeling 1. Een wielklem wordt aangebracht of verwijderd in de gevallen die het college in nadere regels heeft bepaald. 2. Het college wijst aan op welke terreinen of weggedeelten een wielklem wordt toegepast. 3. Indien na het aanbrengen van de wielklem ten minste 24 uur zijn verstreken, wordt het voertuig door de in artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar naar een aangewezen plaats overgebracht en daar in bewaring gesteld. 4. De hoogte van de in rekening te brengen kosten voor het aanbrengen en verwijderen van een wielklem en het overbrengen en bewaren van het voertuig zijn opgenomen in bijlage IV bij deze verordening. 5. De hoogte van de in rekening te brengen kosten voor aanbrengen en verwijderen van de wielklem en voor het overbrengen en bewaren van het voertuig, wordt door het college bij beschikking vastgesteld. Artikel 1.15 Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
7
HOOFDSTUK 2. ALGEMENE BEPALINGEN OVER PARKEERVERGUNNINGEN Artikel 2.1 Vergunningenplafonds 1. Het college kan bij nadere regeling het aantal te verlenen parkeervergunningen beperken of op nul stellen: a. binnen een vergunninggebied voor een parkeervergunning voor bewoners, bedrijven of volkstuincomplexen, als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid; b. voor autodeelorganisaties die stadsbreed opereren; c. binnen een overloopgebied als bedoeld in artikel 2.9. 2. Bij toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met minimaal 10 procent noodzakelijke leegstand overdag per vergunninggebied. 3. Bij de toepassing van het eerste lid kan het beschikbare aantal vergunningen voor bewoners of bedrijven of een gedeelte daarvan worden voorbehouden aan motorvoertuigen die tenminste voldoen aan de door het college bij nadere regeling vast te stellen eisen. Artikel 2.2 Wachtlijsten 1. Aanvragen van parkeervergunningen worden behandeld op volgorde van datum en tijdstip van ontvangst van de volledige aanvraag, tenzij dit voor vergunningen voor autodelen door het college in nadere regeling anders is bepaald. 2.
Een aanvraag van een vergunning voor bedrijven, volkstuincomplexen of een aanvraag van een eerste vergunning voor bewoners die wordt geweigerd omdat in dat vergunninggebied geen vergunningen beschikbaar zijn, wordt door het college op een bij het betreffende vergunninggebied behorende wachtlijst geplaatst, tenzij het aantal te verlenen vergunningen in dat gebied op nul is gesteld. 3. Wanneer een parkeervergunning voor verlening beschikbaar komt in een vergunninggebied waar een wachtlijst bestaat, wordt deze verleend op volgorde van de plaats op de wachtlijst naar de datum en het tijdstip, bedoeld in het eerste lid. 4. Als de persoon die op een wachtlijst is geplaatst of beschikt over een vergunning voor bewoners, of als het bedrijf dat op een wachtlijst is geplaatst of beschikt over een vergunning voor bedrijven, verhuist naar een ander vergunninggebied, wordt de aanvraag van een vergunning voor dat nieuwe vergunninggebied behandeld naar de datum en het tijdstip waarop de volledige aanvraag van de vergunning voor het aanvankelijke vergunninggebied was ontvangen. 5. De aanvrager wordt van de wachtlijst verwijderd als: a. de aanvrager daarom verzoekt; b. blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens niet tot plaatsing op de wachtlijst zou hebben geleid; c.
niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een aanvraag of voor de verlening van een vergunning, bedoeld in de hoofdstukken 3 tot en met 7; d. de vergunning is verleend voor het vergunninggebied waarvoor de aanvrager op de wachtlijst stond. Artikel 2.3 Aanvraag van een vergunning 1. Een parkeervergunning wordt aangevraagd voor het adres waarop de bewoner woonachtig of het bedrijf of beroep gevestigd is. 2. Aanvragen voor parkeervergunningen worden gedaan op de door het college ter beschikking gestelde formulieren. 8
3. Indien het college voor de betreffende aanvraag geen formulier ter beschikking heeft gesteld, kan de aanvraag schriftelijk worden ingediend. Artikel 2.4 Inhoud van de vergunning 1. Een parkeervergunning geldt voor: a. het daarin beschreven kenteken van het motorvoertuig of kentekens van motorvoertuigen die gebruik kunnen maken van parkeren met de parkeervergunning, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald; b. het daarin beschreven gebied; c. de daarin beschreven duur; en d. de daarin beschreven parkeertijden. 2. Aan een parkeervergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van: a. het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte; b. het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade en van de gevolgen voor het milieu; c. overige belangen in verband met regulering van het gebruik van plaatsen. Artikel 2.5 Wijziging van kenteken door de vergunninghouder Het college kan nadere regels vaststellen over het wijzigen van het kenteken waarvoor een vergunning is verleend. Artikel 2.6 Intrekken van de vergunning 1. Het college trekt een vergunning in indien: a. de vergunninghouder daarom verzoekt; b.
blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid; c. niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening; d. de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit wist of behoorde te weten. 2. Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen indien: a. de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied; b. zich een wijziging voordoet in de omstandigheden voor zover die gewijzigde omstandigheden zich verzetten tegen het in stand laten van de verleende vergunning; c. de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; d. de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend; e. het college, nadat de vergunning is verleend, heeft besloten het maximaal aantal te verlenen vergunningen voor het vergunningengebied waarvoor de vergunning is verleend op nul vast te stellen met inachtneming van een redelijke termijn; f. de vergunningverlening onjuist was; g. het een tweede of derde vergunning op een adres betreft, terwijl het aantal voor verlening beschikbare vergunningen, bedoeld in artikel 2.1, is bereikt.
9
3. Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder g, kan de houder van de vergunningen de keuze maken welke vergunning wordt ingetrokken. Als er geen voorkeur wordt aangegeven, wordt de laatst verleende vergunning(en) ingetrokken. Artikel 2.7 Overdraagbaarheid van vergunningen 1. Een vergunning voor bewoners, bedoeld in artikel 3.2, kan op aanvraag van de vergunninghouder overgaan op een ander als: a. de persoon op wie de vergunning overgaat op het moment van ontvangst van de aanvraag voor overgang van de vergunning ten minste zes maanden op hetzelfde adres als de vergunninghouder woonachtig is; en b. de persoon en het voertuig waarvan die de houder is, op wie de vergunning overgaat voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.2. 2. Een vergunning voor bedrijven, bedoeld in artikel 4.2, kan overgaan op een ander bedrijf als: a. het bedrijf waarop de vergunning overgaat, gevestigd is op hetzelfde adres als het bedrijf dat de vergunning heeft; b. het bedrijf waarop de vergunning overgaat volgens de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel dezelfde bedrijfsactiviteiten heeft als het bedrijf dat de vergunning heeft; en c. het bedrijf waarop de vergunning overgaat voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.2. 3. Andere parkeervergunningen dan bedoeld in het eerste en tweede lid zijn persoonlijk en niet overdraagbaar.
Artikel 2.8 Beperking gebruik vergunningen 1. Het college kan nadere regels stellen over de beperking van geldigheid van parkeervergunningen naar plaats en tijd binnen een vergunninggebied. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de hulpverlenersvergunning, bedoeld in artikelen 5.9 en 5.13; b. parkeervergunningen voor gehandicapten, bedoeld in artikelen 7.1, 7.6 en 7.11; en c. de stadsbrede vergunningen voor autodeelorganisaties, bedoeld in artikel 6.5. Artikel 2.9 Overloopgebieden 1. Het college kan voor een vergunninggebied een ander vergunninggebied of een deel van dat vergunninggebied als overloopgebied aanwijzen. 2. Indien de aanvrager van een vergunning voor bewoners of bedrijven op de wachtlijst is geplaatst als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, kan aan die persoon een parkeervergunning worden verleend voor het parkeren in het voor het vergunninggebied aangewezen overloopgebied. 3. Als de parkeervergunning voor het overloopgebied wordt geweigerd omdat in dat overloopgebied geen vergunningen beschikbaar zijn, wordt de aanvrager op een bij het betreffende overloopgebied behorende wachtlijst geplaatst. 4. Artikel 2.2, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing voor de wachtlijsten van een overloopgebied. 5. De vergunning voor het overloopgebied vervalt: a. als de vergunning voor bewoners of bedrijven wordt verleend in het eigen vergunninggebied; b.
als de aanvrager wordt verwijderd van de wachtlijst als bedoeld in artikel 2.2. 10
6. De vergunning voor het overloopgebied kan worden ingetrokken als in het vergunninggebied of het deel van het vergunninggebied dat als overloopgebied is aangewezen geen vergunning voor verlening meer beschikbaar is. HOOFDSTUK 3. PARKEERVERGUNNINGEN VOOR BEWONERS § 1. Vergunningen voor bewoners Artikel 3.1 Aantal per woonadres 1. Het aantal vergunningen dat per woonadres voor verlening beschikbaar is, wordt door het college bij nadere regeling op nul, één of twee gesteld. 2. Een voor een bewoner op enig moment beschikbare stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats telt voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. Het college kan hetzelfde bepalen voor een op het woonadres verleende bedrijfsvergunning. 3. Een tweede vergunning voor een adres waarop het tweede lid, eerst volzin, van toepassing is, kan alleen worden verleend als de bewoners houder zijn van ten minste twee motorvoertuigen. 4. In afwijking van het tweede lid, eerste volzin, telt een voor een bewoner beschikbare solitaire inpandige stallingsplaats of garagebox die in open verbinding staat, eventueel afsluitbaar door een deur, met de woonruimte op het adres in het stadsgebied Weesp, niet als verleende vergunning. Artikel 3.2 Aanvraag door bewoners 1.
Een bewoner kan, met inachtneming van artikel 3.1, een bewonersvergunning aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waar hij woont, als: a. het motorvoertuig ten minste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft; en b. de bewoner houder is van het motorvoertuig. 2. De bewonersvergunning kan aangevraagd worden als milieuparkeervergunning voor bewoners, als het motorvoertuig voldoet aan de door het college bij nadere regeling vast te stellen eisen. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de wijze van uitgifte van de vergunning bedoeld in het tweede lid. 4. De weigeringsgrond van artikel 3.3, aanhef en onder b, is niet van toepassing bij de aanvraag van de vergunning bedoeld in het tweede lid. 5. De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet voor een aanvraag in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel 3.3 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de bewonersvergunning of de milieuparkeervergunning voor bewoners als: a. de aanvrager niet voldoet aan artikel 2.3, artikel 3.2 of de krachtens dat artikel gestelde regels; b. in het vergunninggebied geen vergunning voor verlening beschikbaar is; of c. op het woonadres geen vergunning voor verlening beschikbaar is.
11
Artikel 3.4 Bijzondere omstandigheden 1. De aanvraag van een bewoner die voorafgaand aan een project van stedelijke vernieuwing beschikte over een parkeervergunning terugkeert in een gerenoveerde of nieuwbouwwoning in hetzelfde stadsdeel en niet kan beschikken over een stallingsplaats, wordt niet geweigerd op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, wanneer het aantal vergunningen in het vergunninggebied op nul is gesteld. 2. Artikel 3.3, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. de aanvrager in een periode van maximaal drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, voor hetzelfde adres over een vergunning beschikte en deze op verzoek van de aanvrager is ingetrokken; en b. de aanvraag minimaal zes maanden na de intrekking is ontvangen; en c. het maximaal aantal te verlenen vergunningen die beschikbaar zijn in het vergunninggebied niet op nul is gesteld. 3. Artikel 3.3 is niet van toepassing op de aanvraag van een vergunning van een persoon die kan beschikken over een stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats, wanneer die stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats als gevolg van wegwerkzaamheden door of in opdracht van de gemeente tijdelijk niet toegankelijk is. De aanvrager hoeft in dit geval geen houder te zijn van het voertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd en hoeft ook niet te wonen in het vergunninggebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
Artikel 3.5 Geldigheidsduur 1. Een bewonersvergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd zolang de vergunninghouder voldoet aan artikel 3.2. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. 3. Een vergunning als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, geldt tot de stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats weer toegankelijk is. § 2. Vergunningen voor mantelzorgers van bewoners Artikel 3.6 Aanvraag voor mantelzorger 1. Een bewoner die naar objectieve maatstaven is aangewezen op mantelzorg kan een vergunning aanvragen voor het parkeren door diens mantelzorger, in het vergunninggebied waar de bewoner wel en de mantelzorger niet zijn woonadres heeft volgens de basisregistratie personen en als de mantelzorger houder is van het motorvoertuig. 2. Het is mogelijk om bij de vergunning, bedoeld in het eerste lid, drie kentekens van mantelzorgers op te geven. De vergunning kan slechts voor één kenteken tegelijk worden gebruikt. 3.
In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag worden gedaan door een wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige bewoner die naar objectieve maatstaven is aangewezen op mantelzorg, indien de wettelijk vertegenwoordiger op hetzelfde adres staat ingeschreven als de minderjarige bewoner.
12
Artikel 3.7 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikelen 2.3 en 3.6; of b. op het woonadres al een vergunning voor het parkeren door mantelzorgers is verleend. Artikel 3.8 Geldigheidsduur 1. De mantelzorgersvergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat: a. de geldigheidsduur eenmalig met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 3.6 wordt voldaan; of b. de geldigheidsduur telkens met zes kalendermaanden wordt verlengd zolang de indicatie mantelzorgverklaring nog geldig is, en tot maximaal vijf jaar na het overleggen van de indicatie mantelzorgverklaring en de belasting, bedoeld in artikel 1.8, is voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. § 3. Bezoekersparkeren en kraskaartparkeren Artikel 3.9 Aanvraag bezoekersvergunning 1. Een bewoner kan een vergunning aanvragen voor het parkeren van diens bezoek in het vergunninggebied waar de bewoner volgens de basisregistratie personen zijn woonadres heeft, voor zover het gaat over een vergunninggebied dat daartoe door het college bij nadere regeling is aangewezen. 2. De vergunning wordt niet verleend op een vast kenteken. 3.
Het college kan nadere regels vaststellen over het verlenen van de vergunning. Artikel 3.10 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikel 2.3, artikel 3.9 of krachtens dat artikel gestelde regels; b. op het woonadres al een vergunning als bedoeld in artikel 3.9 is verleend; of c. aan de aanvrager al een vergunning als bedoeld in artikel 3.12 is verleend. Artikel 3.11 Geldigheidsduur De bezoekersvergunning geldt gedurende maximaal twee jaar, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met twee jaar wordt verlengd zolang aan de voorwaarden van artikel 3.9 wordt voldaan. Artikel 3.12 Aanvraag kraskaartvergunning 1. Een bewoner kan een vergunning aanvragen voor het parkeren van diens bezoek in het vergunninggebied waar de bewoner volgens de basisregistratie personen zijn zelfstandige woonadres heeft, als: a. de bewoner blijkens medische indicatie is aangewezen op het vervoer door derden; of b. de bewoner 65 jaar of ouder is. 13
2. De vergunning wordt niet verleend op een vast kenteken. 3. De vergunning wordt niet verleend voor een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel 3.13 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikelen 2.3 en 3.12; of b. aan de aanvrager al een vergunning als bedoeld in artikel 3.12 is verleend. Artikel 3.14 Geldigheidsduur De kraskaartvergunning geldt gedurende maximaal twee jaar, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met twee jaar wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 3.12 wordt voldaan.
14
HOOFDSTUK 4. PARKEERVERGUNNINGEN VOOR BEDRIJVEN Artikel 4.1 Per bedrijf 1. Het aantal vergunningen dat per bedrijf voor verlening beschikbaar is, kan door het college op nul worden gesteld of beperkt tot één vergunning: a. per nader bepaald aantal werknemers dat daadwerkelijk bij het bedrijf is gestationeerd op het adres waarvoor de vergunning wordt verleend; of b. per nader bepaalde locatie van een bedrijf. 2. Een bij het bedrijf behorende, op de bedrijfslocatie beschikbare of, als het een woonadres betreft, voor de bewoner beschikbare stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats telt voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. 3. Het college kan bepalen dat bewonersvergunningen en hulpverlenersvergunningen, als bedoeld in artikelen 3.2, 5.9 en 5.13, voor de toepassing van het eerste lid tellen als verleende vergunning. Artikel 4.2 Aanvraag door bedrijven 1. Een bedrijf in de gemeente Amsterdam kan, met inachtneming van artikel 4.1, een vergunning aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waar het bedrijf zijn vestigingsadres heeft, als het voertuig tenminste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft. 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als: a.
dit nodig is vanwege de bedrijfsvoering omdat het bedrijf een volcontinu bedrijfsproces heeft of sprake is van een voortdurend en onvermijdelijk wisselend bestand aan voertuigen; en b. het college in nadere regels heeft bepaald dat dit mogelijk is. 3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt voor stadsgebied Weesp gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken. 4. De vergunning kan aangevraagd worden als milieuparkeervergunning voor bedrijven als het motorvoertuig voldoet aan de door het college bij nadere regeling vast te stellen eisen en een vast kenteken wordt opgegeven. 5. De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een aanvraag voor in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. 6. Als vijftien of minder werknemers in dienstverband zijn, kan een bedrijf, als bedoeld in het eerste lid, additioneel maximaal drie vergunningen aanvragen voor een voertuig dat een bedrijfsvoertuig is volgens het kentekenbewijs Deel I. Artikel 4.3 Aanvraag door ambulante handelaar 1. Een ambulante handelaar kan een vergunning, als bedoeld in artikel 4.2, aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waar hij werkzaam is, als het voertuig tenminste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft. 2.
Het college kan in nadere regels bepalen dat aan een ambulante handelaar als extra voorwaarde wordt gesteld dat hij een minimumaantal dagen per week werkzaam is in het betrokken vergunninggebied. 3. De vergunning kan aangevraagd worden als milieuparkeervergunning voor bedrijven als het motorvoertuig voldoet aan de door het college daartoe vast te stellen regels.
15
Artikel 4.4 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikelen 2.3, 4.2 en 4.3 of de krachtens deze artikelen gestelde regels; b. in het vergunninggebied geen vergunning voor verlening beschikbaar is; of c. voor het bedrijf of de ambulante handelaar geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel 4.5 Bijzondere omstandigheden Artikel 4.4 is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning van een bedrijf dat of ambulante handelaar die kan beschikken over een stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats, maar die als gevolg van wegwerkzaamheden door of in opdracht van de gemeente tijdelijk niet toegankelijk is. Artikel 4.6 Geldigheidsduur 1. De bedrijfsvergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 4.2 wordt voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. 3. Een vergunning, als bedoeld in artikel 4.5, geldt tot de stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats weer toegankelijk is.
16
HOOFDSTUK 5. PARKEERVERGUNNINGEN VOOR BIJZONDERE ORGANISATIES § 1. Vergunningen voor sportorganisaties Artikel 5.1 Aantal per organisatie 1. Het aantal vergunningen dat in een vergunninggebied per sportorganisatie beschikbaar is, kan door het college op nul worden gesteld. 2. Het college kan bepalen dat in een vergunninggebied per sportorganisatie één of meer parkeervergunningen voor verlening beschikbaar zijn met maximaal: a. één per 50 leden in de vergunninggebieden Centrum-1 en Centrum-2; b. één per 10 leden in vergunninggebieden Centrum-3 en Centrum-4 en in de vergunninggebieden van de stadsdelen Oost, West en Zuid, met uitzondering van de vergunninggebieden West-5, West-6 en Zuid-7; c. één per 5 leden in de vergunninggebieden West-5, West-6 en Zuid-7 en in de vergunninggebieden van stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost. 3. Het aantal bij de sportorganisatie behorende of zich op het grondgebied van de sportorganisatie bevindende stallingsplaatsen of belanghebbendenparkeerplaatsen tellen voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. Artikel 5.2 Aanvraag door sportorganisaties 1.
Een niet-commerciële sportorganisatie die is aangesloten bij een door het NOC*NSF erkende sportbond en is gevestigd in de gemeente Amsterdam kan, met inachtneming van artikel 5.1, een vergunning aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waarin het adres van de sportorganisatie is gelegen. 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als dit door het college in nadere regels is bepaald. Artikel 5.3 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikel 5.2 of krachtens dat artikel gestelde regels; of b. voor de sportorganisatie geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel 5.4 Geldigheidsduur 1. De vergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.2 wordt voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. § 2. Vergunningen voor volkstuincomplexen Artikel 5.5 Aantal per volkstuincomplex 1. Het college kan bepalen dat in een vergunninggebied een of meer parkeervergunningen voor verlening beschikbaar zijn voor een volkstuincomplex, met maximaal één vergunning per drie percelen. 17
2. Het aantal bij het volkstuincomplex behorende of zich op het grondgebied van het volkstuincomplex bevindende stallingsplaatsen of belanghebbendenparkeerplaatsen tellen voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. Artikel 5.6 Aanvraag door volkstuincomplex 1. Een rechtspersoon die blijkens zijn statuten tot doel heeft een volkstuincomplex te beheren kan, met inachtneming van artikel 5.5, een vergunning aanvragen voor het parkeren in het vergunninggebied waar het volkstuincomplex zijn adres heeft. 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als dit door het college in nadere regels is bepaald. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over het verlenen van de vergunning. Artikel 5.7 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikel 2.3, artikel 5.6 of krachtens dat artikel gestelde regels; b. in het vergunninggebied geen vergunning voor verlening beschikbaar is; of c. op het adres van het volkstuincomplex geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel 5.8 Geldigheidsduur 1. De vergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.6 wordt voldaan. 2.
In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. § 3. Vergunningen voor hulpverleners Artikel 5.9 Aanvraag door hulpverlener 1. Een huisarts of verloskundige kan een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden, als: a. de meerderheid van de patiënten van de huisarts of verloskundige hun woonadres hebben in een gebied waar betaald parkeren is ingevoerd; b. het motorvoertuig gebruikt wordt voor de uitoefening van de praktijk; en c. het motorvoertuig ten minste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft. 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college dat in nadere regels heeft vastgesteld of als het gaat over een aanvraag voor stadsgebied Weesp. 3. De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet voor een aanvraag voor in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel 5.10 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als a. niet is voldaan aan artikelen 2.3 en 5.9; of b. al een vergunning aan de huisarts of verloskundige is verleend.
18
Artikel 5.11 Geldigheidsduur 1. De vergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.9 wordt voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. § 4. Vergunningen voor hulpverleningsinstellingen Artikel 5.12 Aantal per instelling Het aantal beschikbare vergunningen dat per vestigingslocatie van een hulpverlenersinstelling voor verlening beschikbaar is bedraagt maximaal één vergunning per vijf werknemers, met een maximum van vijftien vergunningen per instelling. Artikel 5.13 Aanvraag door hulpverleningsinstellingen 1. Een professionele zorg- of hulpverleningsinstelling kan, met inachtneming van artikel 5.12, een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden, als: a. de professionele zorg- of hulpverleningsinstelling is vermeld op een daartoe door het college vastgestelde lijst; b. het motorvoertuig nodig is vanwege het geregeld met spoed of met groot materieel zorg of hulp verlenen aan personen of dieren op wisselende plaatsen in een gebied waar betaald parkeren is ingevoerd; en c. het motorvoertuig ten minste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft. 2.
De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college dat in nadere regels heeft vastgesteld of als het gaat over een aanvraag voor stadsgebied Weesp. 3. De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet voor een aanvraag voor in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp. Artikel 5.14 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikelen 2.3 en 5.13; of b. voor de instelling geen vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel 5.15 Geldigheidsduur 1. De vergunning voor hulpverleningsinstellingen geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.13 wordt voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging.
19
§ 5. Vergunningen voor maatschappelijke organisaties Artikel 5.16 Aantal per maatschappelijke organisatie 1. Het aantal vergunningen dat in een vergunninggebied per maatschappelijke organisatie beschikbaar is, is afhankelijk van het aantal werknemers van deze organisatie, wordt door het college vastgesteld en bedraagt maximaal: a. één per vijftig werknemers in de vergunninggebieden Centrum-1, Centrum-2 en Centrum-3; b. één per tien werknemers in vergunninggebied Centrum-4 en de vergunninggebieden van de stadsdelen Oost, West en Zuid, met uitzondering van de vergunninggebieden West-5, West-6 en Zuid-7; en c. één per vijf werknemers in de vergunninggebieden West-5, West-6 en Zuid-7 en in de vergunninggebieden van de Stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost. 2. Een bij het bedrijf behorende, op de bedrijfslocatie beschikbare of, als het een woonadres betreft, voor de bewoner beschikbare stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats telt voor de toepassing van het eerste lid als verleende vergunning. Een stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats telt voor de toepassing van het eerste lid niet als verleende vergunning indien deze als verleende vergunning voor bedrijven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, is geteld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid. 3.
Het college kan bepalen dat andere vergunningen voor de toepassing van het eerste lid tellen als verleende vergunningen. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over het verlenen van de vergunning. Artikel 5.17 Aanvraag door maatschappelijke organisaties 1. Het college kan in nadere regels bepalen dat een maatschappelijke organisatie, met inachtneming van artikel 5.16, een vergunning kan aanvragen voor het parkeren in een vergunninggebied waarin de organisatie zijn vestigingsadres heeft en als het motorvoertuig tenminste een in bijlage IX gestelde emissiestandaard heeft en het gaat over: a. een instelling in de curatieve zorg welke op basis van de Wet toetreding zorgaanbieders is toegelaten tot het leveren van zorg die valt binnen de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; b. onderwijsinstelling voor basisonderwijs; c. onderwijsinstelling voor voortgezet onderwijs; of d. een bureau van de Regionale Eenheid Amsterdam van de Nationale Politie is. 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college dat in nadere regels heeft vastgesteld of als het gaat over een aanvraag voor stadsgebied Weesp. 3. De gestelde emissiestandaard, als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet voor een aanvraag voor in een vergunninggebied in stadsgebied Weesp.
Artikel 5.18 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikel 2.3, artikel 5.17 of krachtens dat artikel gestelde regels; of b. voor de betreffende maatschappelijke organisatie geen vergunning voor verlening beschikbaar is.
20
Artikel 5.19 Geldigheidsduur 1. De vergunning voor maatschappelijke organisaties geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 5.17 wordt voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. § 6. Vergunningen voor belanghebbenden Artikel 5.20 Aanvraag door belanghebbenden 1. Een belanghebbende kan een vergunning aanvragen voor het parkeren op de in de vergunning omschreven belanghebbendenparkeerplaats of belanghebbendenparkeerplaatsen indien deze belanghebbende is opgenomen op een lijst vastgesteld door het college. 2. De lijst, bedoeld in het eerste lid, bevat een opsomming van houders van motorvoertuigen, bedrijven, categorieën van houders van motorvoertuigen en categorieën bedrijven. 3. Voor één belanghebbendenparkeerplaats kan meer dan één belanghebbendenvergunning worden verleend. 4. Het college kan in nadere regels bepalen dat een belanghebbendenvergunning op verzoek van de aanvrager niet op vast kenteken wordt verleend. 5.
Het college kan in nadere regels beperkingen stellen aan het verlenen van een vergunning, zoals bedoeld in het eerst lid, ten aanzien van de voertuigclassificatie en het maximumaantal vergunningen dat per aanvrager kan worden verleend. 6. De belanghebbendenvergunning geldt gedurende maximaal twee jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. Artikel 5.21 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikel 5.20 of krachtens dat artikel gestelde regels; b. de aanvrager kan beschikken over een stallingsplaats behorende bij het adres waarvoor de aanvraag wordt ingediend c. in het geval dat de aanvrager een autodeelorganisatie is en deze niet voldoet aan artikel 6.1 of krachtens dat artikel gestelde regels.
21
HOOFDSTUK 6. PARKEERVERGUNNINGEN VOOR AUTODEELORGANISATIES § 1. Vergunningen voor autodelen Artikel 6.1 Aanvraag door autodeelorganisaties 1. Een autodeelorganisatie kan een vergunning aanvragen voor het parkeren in een vergunninggebied naar keuze, met uitzondering van een vergunninggebied in stadsgebied Weesp, als: a. de autodeelorganisatie voldoet aan de door het college nader gestelde voorwaarden; b. het om een motorvoertuig gaat met de voertuigclassificatie M1. 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college in nadere regels heeft bepaald dat dit mogelijk is. 3. Het college kan nadere regels stellen over het verlenen van de vergunning. Artikel 6.2 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als niet is voldaan aan artikel 6.1 of krachtens dat artikel gestelde regels. Artikel 6.3 Geldigheidsduur 1. De vergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 6.1 wordt voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. § 2.
Vergunningen voor stadsbreed autodelen Artikel 6.4 Aantal per stadsbrede autodeelorganisatie Per autodeelorganisatie kunnen er minimaal 50 en maximaal 600 stadsbrede vergunningen worden verleend. Artikel 6.5 Aanvraag door autodeelorganisatie 1. Een autodeelorganisatie kan, met inachtneming van artikel 6.4, een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden, als: a. de autodeelorganisatie voldoet aan de door het college nader gestelde voorwaarden; b. het motorvoertuig ten minste de in bijlage X gestelde kenmerken heeft. 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan zonder het opgeven van een vast kenteken als het college in nadere regels heeft bepaald dat dit mogelijk is. 3. Het college kan nadere regels stellen over het verlenen van de vergunning.
22
Artikel 6.6 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als: a. niet is voldaan aan artikel 6.5 of krachtens dat artikel gestelde regels; b. geen vergunning voor verlening beschikbaar is; of c. voor de autodeelorganisatie geen stadsbrede vergunning voor verlening beschikbaar is. Artikel 6.7 Geldigheidsduur 1. De vergunning geldt gedurende zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd als aan de voorwaarden van artikel 6.5 wordt voldaan. 2. In afwijking van het eerste lid kan de geldigheid van de vergunning korter of langer zijn dan zes maanden als dat nodig is om aan te sluiten aan de vaste periodieke verlenging. 3. Het college kan in nadere regels een datum vaststellen waarop de geldigheid van alle stadsbrede autodeelvergunningen eindigt.
23
HOOFDSTUK 7. PARKEERVERGUNNINGEN VOOR GEHANDICAPTEN § 1. Vergunningen voor bewoner Artikel 7.1 Aanvraag door bewoner met gehandicaptenparkeerkaart 1. Een bewoner kan een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden wanneer de vergunning wordt gebruikt voor het vervoer van de bewoner of voor parkeren bij diens woning als aan de bewoner een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Bestuurder (B), Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven. 2. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag worden gedaan door een wettelijk vertegenwoordiger als die staat ingeschreven op hetzelfde adres van een minderjarige of handelingsonbekwame bewoner aan wie een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven en wanneer de vergunning wordt gebruikt voor het vervoer van de minderjarige of handelingsonbekwame bewoner of voor parkeren bij diens woning. 3. Er kan maximaal één vergunning worden verleend per bewoner met een gehandicaptenparkeerkaart. Artikel 7.2 Kenteken 1. De aanvraag, bedoeld in artikel 7.1, wordt gedaan voor een vast kenteken als de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar de bewoner of een andere bewoner van hetzelfde adres houder van is. 2.
De aanvraag, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, kan worden gedaan voor maximaal drie verschillende kentekens als: a. de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar iemand die niet is ingeschreven op het adres van de bewoner houder van is; en b. aan de bewoner een Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven. 3. De aanvraag, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, kan worden gedaan voor maximaal drie verschillende kentekens als: a. de wettelijk vertegenwoordiger en de minderjarige of de handelingsonbekwame bewoner op hetzelfde adres zijn ingeschreven; en b. de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar iemand die niet is ingeschreven op het adres van de wettelijke vertegenwoordiger houder van is. 4. Wanneer de vergunning is afgegeven voor verschillende kentekens kan de vergunning slechts voor één kenteken tegelijk worden gebruikt. Artikel 7.3 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als niet is voldaan aan artikel 7.1 of 7.2. Artikel 7.4 Bijzondere omstandigheden 1. Indien een persoon voordat hij beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart een vergunning voor bewoners of een vergunning voor bedrijven had, komt die persoon in aanmerking voor een dergelijke vergunning. 2.
Indien een persoon beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart maar hier op grond van de geldende criteria niet meer voor in aanmerking komt kan die persoon op de 24
wachtlijst, als bedoeld in artikel 2.2, worden geplaatst voor een vergunning voor bewoners of een vergunning voor bedrijven. 3. De aanvrager van de vergunning wordt op de wachtlijst geplaatst met aftrek van de tijd waarin die over een gehandicaptenparkeerkaart beschikte. Artikel 7.5 Geldigheidsduur De vergunning geldt zolang de Europese gehandicaptenparkeerkaart van de bewoner geldig is, gedurende maximaal vijf jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. § 2. Vergunningen voor bezoekers Artikel 7.6 Aanvraag door bezoeker met gehandicaptenparkeerkaart 1. Een bezoeker kan een vergunning aanvragen voor het parkeren in alle vergunninggebieden wanneer de vergunning wordt gebruikt voor het vervoer van de bezoeker als: a. de bezoeker geen bewoner is van de gemeente Amsterdam; en b. aan de bezoeker een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Bestuurder (B), Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven. 2. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag worden gedaan door een wettelijk vertegenwoordiger als die staat ingeschreven op hetzelfde adres van een minderjarige of handelingsonbekwame bezoeker aan wie een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven en wanneer de vergunning wordt gebruikt voor het vervoer van de minderjarige of handelingsonbekwame bezoeker. 3.
Er kan maximaal één vergunning worden verleend per bezoeker met een Europese gehandicaptenparkeerkaart. Artikel 7.7 Kenteken 1. De aanvraag, bedoeld in artikel 7.6, wordt gedaan voor een vast kenteken als de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar de bezoeker of een andere ingeschrevene op hetzelfde adres houder van is. 2. De aanvraag, bedoeld in artikel 7.6, kan worden gedaan voor maximaal drie verschillende kentekens als: a. de vergunning wordt aangevraagd voor een motorvoertuig waar iemand anders dan de bezoeker houder van is of de vergunning wordt verleend aan de wettelijk vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid; en b. aan de bezoeker een Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B) is afgegeven. 3. Wanneer de vergunning is afgegeven voor verschillende kentekens is de vergunning geldig voor maximaal 150 uur parkeren per kwartaal en kan de vergunning slechts voor één kenteken tegelijk worden gebruikt. Artikel 7.8 Beoordeling van de aanvraag Het college weigert de vergunning als niet is voldaan aan artikel 7.6 of 7.7.
25
Artikel 7.9 Geldigheidsduur De vergunning geldt zolang de Europese gehandicaptenparkeerkaart van de bezoeker geldig is, gedurende maximaal vijf jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. § 3. Vergunningen voor instellingen Artikel 7.10 Aantal per instelling Het aantal vergunningen dat per instelling beschikbaar is, is gelijk aan het aantal geldige Europese gehandicaptenparkeerkaarten dat aan de instelling is afgegeven. Artikel 7.11 Aanvraag door instelling met gehandicaptenparkeervergunning 1. Een instelling gevestigd in de gemeente Amsterdam kan, met inachtneming van artikel 7.10, een vergunning voor maximaal drie opgegeven kentekens aanvragen voor het parkeren van een motorvoertuig in alle vergunninggebieden wanneer een bewoner van de instelling wordt vervoerd, als aan de instelling een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Instelling (I) is afgegeven. 2. De vergunning kan slechts voor één kenteken tegelijk worden gebruikt. Artikel 7.12 Geldigheidsduur De vergunning geldt zolang de Europese gehandicaptenparkeerkaart van de instelling geldig is, gedurende maximaal vijf jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen.
26
HOOFDSTUK 8. STRAFBEPALING EN TOEZICHT Artikel 8.1 Strafbepaling 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college een ander voorwerp dan een motorvoertuig te plaatsen op een parkeerplaats met parkeerapparatuur, op een gehandicaptenparkeerplaats, als bedoeld in artikel 1.4, onder a, of op een belanghebbendenparkeerplaats als bedoeld in artikel 1.4, onder b. 2. Het is verboden het gebruik van parkeerapparatuur te belemmeren of te verhinderen door daartegen, daarop of daarbij een fiets, een bromfiets of een ander voorwerp te plaatsen, te laten staan of liggen. 3. Het inwerkingstellen van parkeerapparatuur bij de parkeerplaats door andere middelen dan aangewezen op of bij de parkeerapparatuur is verboden. 4. Het is verboden zonder een belanghebbendenvergunning en in strijd met de aan de belanghebbendenvergunning verbonden voorschriften en beperkingen een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden op een belanghebbendenparkeerplaats. 5. Overtreding van leden een tot en met vier, of handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. Artikel 8.2 Toezicht Het college wijst personen of categorieën van personen aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.