Gemeente Amsterdam - Staat van de stad XIII
Tekst van het document
Kenniscentrum Ongelijkheid. (2024). Woonsituatie van jonge
2023. Opgehaald van https://openresearch.amsterdam/nl/
werknemers in primair onderwijs, verpleging en bij politie.
page/113264/afw---monitor-2023-samenwerkingsafsprak
Opgehaald van Woonsituatie van jonge werknemers in
en-2020-2023
sleutelsectoren | Website Onderzoek en Statistiek
CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek. (2025a).
Kromhout, S. & Dobbe, T. (2024). Verhuisregelingen in cijfers.
https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/03759ned/
Opgehaald van Verhuisregelingen in cijfers
table?dl=C3AA1 O&S, Onderzoek & Statistiek. (2024). Wonen in CBS. (2025b). Bestaande koopwoningen; gemiddelde
de Metropoolregio Amsterdam 2023. Opgehaald
verkoopprijzen, regio [Dataset]. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/
van https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/wonen-in-de-
nl/dataset/85792NED/table?dl=C2097
metropoolregio-amsterdam-2023
CBS. (2024a). Ruim 745 duizend mensen met andere
O&S. (2023a). Monitor opkoopbescherming 2022. Opgehaald
EU-nationaliteit in Nederland. https://www.cbs.nl/nl-nl/
van Monitor opkoopbescherming 2022 | Website Onderzoek
nieuws/2024/23/ruim-745-duizend-mensen-met-andere-eu-
en Statistiek
nationaliteit-in-nederland O&S. (2023b). Ervaringen met de beroepsgroepenregeling. CBS. (2024b). Vermogen van huishoudens;
Opgehaald van Ervaringen met de beroepsgroepenregeling |
huishoudenskenmerken, regio (indeling 2024) [Dataset].
Website Onderzoek en Statistiek
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/86007NED/ table?dl=BB2C9
Rijksoverheid. (2024a). Wet betaalbare huur aangenomen en van kracht vanaf 1 juli. Opgehaald van Wet betaalbare
De Regenboog Groep & Gemeente Amsterdam.
huur aangenomen en van kracht vanaf 1 juli | Nieuwsbericht |
(2024). Dakloze EU-burgers in Amsterdam. Opgehaald
Rijksoverheid.nl
van https://www.deregenboog.org/sites/default/files/2024-12/ rapport-eu-burgers-drg_en_gemeente_amsterdam.pdf
Rijksoverheid. (2024b). Wet vaste huurcontracten van 1 juli 2024 van kracht. Opgehaald van Wet vaste huurcontracten vanaf 1 juli
Gemeente Amsterdam. (2023). Amsterdamse Aanpak
2024 van kracht | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl
Volkshuisvesting. Opgehaald van https://openresearch. amsterdam/nl/page/98821/amsterdamse-aanpak-
Wachter, G. & Berkers, V. (2024). Wonen in Amsterdam 2023:
volkshuisvesting
Factsheet Woningmarkt. Gemeente Amsterdam. Opgehaald van Wonen in Amsterdam 2023 - Factsheet woningmarkt -
Gemeente Amsterdam. (2024). Dak- en thuisloosheid in beeld Q1 2024. Opgehaald van Dak- en thuisloosheid in beeld Q1 2024 | Website Onderzoek en Statistiek
openresearch.amsterdam
39
40
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
2
Welzijn: de Leefsituatie-index, geluk en tevredenheid Hoe is het nu gesteld met het welzijn van de inwoners van Amsterdam, hun kwaliteit van leven? Daarbij gaat het om het objectieve welzijnsniveau, in de zin van de mate van participatie op verschillende terreinen en de leefsituatie. Dat wordt weergegeven in de Leefsituatie-index. Maar het gaat ook om hoe mensen hun eigen situatie ervaren, om hun gevoelens van geluk en tevredenheid en hun vertrouwen in de toekomst. En zien we verschillen tussen groepen en ontwikkelingen daarin? Deze vragen staan centraal in dit hoofdstuk. Auteurs: Ellen Lindeman & Nina Vos
42
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
Kernpunten Het welzijnsniveau, in de vorm van
De verschillen tussen stadsdelen
De levenstevredenheid van
de Leefsituatie-index (SLI), herstelt zich langzaam na de coronapandemie. Bij de index neemt vooral participatie op vrijetijdsdomeinen toe, maar het domein gezondheid blijft iets achter op het niveau van voor de coronapandemie. Vanaf 55 jaar en ouder liggen de gemiddelde SLI-scores onder het gemiddelde. Het welzijnsniveau voor de leeftijd van 18 tot en met 34 jaar en voor 75-jarigen en ouder is weer op het niveau van voor de coronapandemie maar de overige leeftijdsgroepen blijven daarop achter. Evenals andere jaren is het welzijnsniveau relatief laag onder Amsterdammers met een lage sociaaleconomische status. Het herstel na de coronacrisis gaat minder hard voor de middengroepen. Inwoners met een migratie achtergrond van buiten Europa hebben een lager welzijnsniveau dan anderen. Deze verschillen verkleinen wanneer rekening wordt gehouden met verschillen in generatie, leeftijd en opleiding.
met een welzijnsniveau onder het gemiddelde - Zuidoost, Nieuw-West en Noord - en de overige stadsdelen nemen toe. De gebieden Osdorp en Geuzenveld, Slotermeer in Nieuw-West, de gebieden in Zuidoost en vooral het gebied Noord-West in stadsdeel Noord hebben een relatief ongunstige leefsituatie die ook niet is verbeterd. Tweederde van de volwassen Amsterdammers ziet zichzelf als een gelukkig mens. Dit aandeel ligt lager dan landelijk en dan in andere grote steden. Wel lijkt in 2024 de sterke daling van het geluksgevoel sinds 2010 te stagneren. Vrouwen en jongvolwassenen zijn iets gelukkiger dan in 2022, mannen en 35- tot 55-jarigen zijn juist minder gelukkig. Amsterdammers met een lage sociaaleconomische status zijn veruit het minst vaak gelukkig. Dit zien we terug in de verdeling van geluk in de stad: in Zuidoost en Nieuw-West ligt het aandeel gelukkigen lager dan in Weesp, Centrum en Zuid.
Amsterdammers blijft in 2024 stabiel op een gemiddeld rapportcijfer van 7,2. Jongvolwassenen laten een positieve ontwikkeling zien, maar 45- tot 65-jarigen, Amsterdammers met een niet-Europese migratiea chtergrond en zij met een lage sociaaleconomische status blijven achter. Amsterdammers zijn, net als overige Nederlanders, meer tevreden met (aspecten van) hun eigen leven dan met de maatschappij. De tevredenheid met de samenleving en politiek blijft dalen, vooral de tevredenheid met de regering ligt in 2024 laag (4,3 als gemiddeld rapportcijfer). Zes op de tien volwassen Amsterdammers hebben (veel) vertrouwen in de toekomst. Dat is vergelijkbaar met in 2022, maar is aanzienlijk minder dan in 2018 (77%). Inwoners met een lage sociaaleconomische status en een matige of slechte gezondheid hebben relatief weinig vertrouwen in de toekomst.
Het welzijnsniveau wordt in dit hoofdstuk uitgedrukt met behulp van een objectieve maat, de Standaard Leefsituatie-index (SLI). De Amsterdamse Leefsituatie-index is gebaseerd op de door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) ontwikkelde index. De index beschrijft de kwaliteit van leven op verschillende belangrijke levensdomeinen in één samenvattend getal ten opzichte van het indexjaar (SCP, 2015). De Amsterdamse index is berekend op basis van gegevens uit de tweejaarlijkse De Staat van de Stad enquête die wordt gehouden onder inwoners van 18 jaar en ouder. Het gaat daarbij om vragen over belangrijke levensdomeinen als woonsituatie, mobiliteit, gezondheid en verschillende vormen van participatie (zie kader). De thema’s binnen deze domeinen komen in de afzonderlijke hoofdstukken van deze rapportage aan bod (zie de inhoudsopgave). Daarnaast is in De Staat van de Stad enquête gevraagd naar meer subjectieve welzijnsindicatoren zoals ervaren geluk, tevredenheid over verschillende aspecten van het leven en het hebben van vertrouwen in de toekomst.
De Leefsituatie-index Berekening van de Amsterdamse Leefsituatie-index Om de ontwikkelingen in het welzijnsniveau en in afzonderlijke leefsituatiedomeinen te kunnen weergeven, wordt gewerkt met een index met als indexjaar 2004. In 2004 werd de index op gemiddeld 100 gesteld en voor elke respondent is vervolgens een persoonlijke Leefsituatieindexscore (SLI) berekend die is afgezet tegen het gemiddelde. Een score van bijvoorbeeld 105 betekent gunstiger dan gemiddeld in 2004, een score van 95 ongunstiger dan gemiddeld in dat jaar. De SLI wordt sinds 2000 tweejaarlijks berekend op basis van De Staat van de Stad Amsterdam enquête waarin vragen worden gesteld over de volgende domeinen: woonsituatie (o.a. woningtype en –grootte), sociaal-culturele vrijetijdsactiviteiten (o.a. cultuurparticipatie en hobby’s), sociale participatie (o.a. vrijwilligerswerk, sociaal isolement), sportbeoefening, vakantiegedrag, bezit van consumptiegoederen (tot en met 2020), mobiliteit (auto en openbaar vervoer) en gezondheid (zie bijlage III). De scores op elk domein tellen even zwaar mee voor de berekening van de totale index. In de index zijn geen gegevens opgenomen over werk, inkomen en opleiding, deze worden beschouwd als hulpbronnen voor de leefsituatie.
43
2 | Welzijn: de Leefsituatie-index, geluk en tevredenheid
Afb. 2.1 Gemiddelde score op domeinen van de Leefsituatie-index, 2012-2024 110 108 106 104 102 100 98 96 94 92 90 88 86 84 82 80 totaal 2012
wonen 2014
2016
vrijetijdsactiviteiten 2018
2020
sociale participatie 2022
Herstel op veel leefsituatiedomeinen De gemiddelde score op de Leefsituatie-index ligt in 2024 iets hoger dan in 2022, om precies te zijn 103,5 versus 102,3, maar het verschil is niet significant. Ook in 2022 was de score gelijk aan de meting ervoor (afgerond 102), na een daling van 2018 op 2020 (van afgerond 105 naar 102). In 2020, een jaar met coronamaatregelen, daalden de gemiddelde scores op de indexdomeinen vakantie, vrijetijdsbestedingen en (in mindere mate) sport, sociale participatie en mobiliteit. Toen in 2022 de coronamaatregelen voorbij waren, zagen we een opleving op de domeinen vakantie en vrijetijdsactiviteiten maar kwam het gemiddelde niet op het niveau van voor de coronamaatregelen. In 2024 zijn de gemiddelde scores op de domeinen van de Leefsituatie-index ongeveer gelijk aan die in 2022 of liggen iets hoger. De domeinen gezondheid en mobiliteit blijven echter nog iets achter op het niveau van voor de coronapandemie. In de hierna volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de ontwikkelingen in de thema’s van de indexdomeinen en verschillen tussen groepen daarin. Welzijnsniveau van jongste groepen en oudste groep opgeveerd naar niveau voor corona Amsterdammers tussen de 18 en 35 jaar hebben een meer gunstige positie op de Leefsituatieindex dan oudere Amsterdammers. Vanaf 55 jaar en ouder liggen de gemiddelde scores onder het gemiddelde van de stad.
De meest ongunstige positie zien we bij inwoners van 75 jaar en ouder, maar hun gemiddelde score neemt het meest over tijd toe. De daling in de index die we in de periode van de coronapandemie voor alle leeftijdsgroepen zagen, lijkt zich voor de meeste leeftijdsgroepen langzaam te herstellen. Toch zit het welzijnsniveau voor de leeftijdsgroepen van 35 tot en met 74 jaar nog niet op het niveau van 2018. Die van de jongste leeftijdsgroepen (18-34 jaar) en die van de oudste (75 jaar en ouder) zijn wel recent hersteld naar het niveau van 2018.
2024
sport
vakantie
mobiliteit
gezondheid
index 2004
Wanneer we kijken naar mannen en vrouwen zijn er ook verschillen naar leeftijd. Vrouwen in de leeftijdsgroepen 35-44 jaar en 45-54 jaar hebben een minder gunstige positie dan mannen van die leeftijd (respectievelijk 2 en 4 punten minder). Dat geldt ook voor vrouwen van 75 jaar en ouder (2 punten minder), wat zal samenhangen met de gemiddeld hogere leeftijd van vrouwen in die leeftijdsgroep. In de leeftijd van 55-64 jaar en 65-74 jaar hebben mannen juist een minder goede score op de index dan vrouwen (respectievelijk 2 en 3 punten minder). Onder de 35 jaar zijn er geen verschillen. Afb. 2.2 Gemiddelde score op Leefsituatie-index naar leeftijdsgroepen, 2004 (index) en 2012-2024 120 118 116 114 112 110 108 106 104 102 100 98 96 94 92 90 88 86 84 82 80 2004 18-24
2012
2014
2016
2018
25-34
35-44
45-54
55-64
2020 65-74
Grote verschillen in welzijnsniveau naar opleiding, inkomen en voornaamste bezigheid Een goede opleiding vormt een belangrijke hulpbron voor het welzijnsniveau. We zien grote verschillen tussen soorten opleidingen (zie afb. 2.3).
2022 75plus
2024 gemiddeld
44
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
Afb. 2.3 Gemiddelde score op Leefsituatie-index naar afgeronde opleiding, 2004 (index) en 2012-2024 120 118 116 114 112 110 108 106 104 102 100 98 96 94 92 90 88 86 84 82 80 ongeschoold (max. basisonderwijs) 2004
basis (vmbo, mbo-1)
2012
2014
middelbaar (mbo2-4, havo/vwo)
2016
2018
2020
hbo/wo 2022
2024
Het varieert van gemiddeld 88 voor ongeschoolde Amsterdammers tot 111 onder hen met een afgeronde hbo-/wo-opleiding. Ook hier zien we dat de scores weer langzaam opkrabbelen na de coronatijd, maar nog niet op het niveau van 2018 liggen. Ook zijn de verschillen in de gemiddelde score op de Leefsituatie-index groot tussen inkomensklassen (zie afb. 2.4). Het inkomen is immers ook een belangrijke hulpbron voor het welzijnsniveau. Het varieert van gemiddeld 95 onder de laagste inkomensgroep tot 113 onder de hoogste inkomens groep. De gemiddelde scores voor de laagste en de hoogste inkomensgroep stijgen en die voor de laagste inkomensgroep is weer op het niveau van voor de coronapandemie. Die voor de overige inkomensgroepen blijven achter op dat niveau. Amsterdammers met betaald werk als voornaamste bezigheid hebben een meer gunstige score op de Leefsituatie-index (109) dan zij die dat niet hebben Afb. 2.4 Gemiddelde score op Leefsituatie-index naar inkomensklassen van het huishouden, 2004 (index) en 2012-2024 120 118 116 114 112 110 108 106 104 102 100 98 96 94 92 90 88 86 84 82 80 netto 1000 euro per maand of minder
2004
netto tussen de 1001-1350 euro per maand
2012
2014
netto tussen de 1351-2050 euro per maand
2016
2018
netto tussen de 2051-3200 euro per maand
2020
netto boven de 3201 euro per maand
2022
2024
(96). Studenten hebben, evenals zelfstandigen, de meest gunstige positie (110) dat samenhangt met hun jonge leeftijd. Arbeidsongeschikten hebben veruit de laagste score (84), daarna werklozen (94) en gepensioneerden (95). Het welzijnsniveau voor Amsterdammers met betaald werk en voor studenten ligt nu weer op het niveau van voor de coronacrisis, maar die voor de overige groepen blijft daar (nog) op achter. Verschillen tussen herkomstgroepen, veelal samenhangend met leeftijd, generatie en opleiding Evenals andere jaren is het welzijnsniveau relatief laag onder Amsterdammers met een migratieachtergrond van buiten Europa. Daarbij gaat het om inwoners die zelf buiten Europa zijn geboren en/of een of beide ouders van hen. Zij hebben een gemiddelde score van 99 op de Leefsituatie-index versus 107 onder hen zonder migratieachtergrond en onder hen met een Europese migratieachtergrond (zie afb. 2.5). Dat ongunstigere welzijnsniveau geldt vooral voor Surinaamse (94) en Marokkaanse Amsterdammers (95) en daarna voor Turkse Amsterdammers (98), voor hen met een herkomst uit een overig Afrikaans land (98) en uit overig Azië (100). Na de coronaperiode gaan de scores voor de bevolkingsgroepen weer langzaam omhoog en komen op het niveau van 2018. Wel blijft het welzijnsniveau van Surinaamse Amsterdammers nog daarop achter (94 in 2024 en 93 in 2022 versus 98 in 2018).
De verschillen in het welzijnsniveau tussen de herkomstgroepen hangen samen met verschillen in bevolkingssamenstelling, zoals naar leeftijd, generatie en afgeronde opleiding. Binnen alle vier te onderscheiden leeftijdsgroepen (18-24, 25-34, 35-54, 55 jaar en ouder) zien we vooral een slechtere score op de Leefsituatie-index voor inwoners met een herkomst van buiten Europa dan voor overige inwoners. Inwoners met een migratieachtergrond die in Nederland geboren zijn, dat wil zeggen de tweede generatie, hebben een beter welzijnsniveau dan de eerste generatie die buiten Nederland geboren is (105 versus 100). Dit verschil zit vooral in het grote verschil tussen generaties die een herkomst buiten Europa hebben, zie afbeelding 2.5. Dergelijke verschillen tussen generaties zullen te maken hebben met dat de tweede generatie veelal jonger is dan de eerste generatie migranten. Wanneer we inzoomen op de leeftijdsgroep van 18-35 jaar dan zijn de verschillen tussen de generaties dan ook kleiner: 106 voor de tweede generatie en 102 voor de eerste generatie met een herkomst van buiten Europa. Wanneer we rekening houden met de genoten opleiding dan worden de verschillen tussen bevolkingsgroepen eveneens kleiner, maar blijven bestaan (zie afb. 2.5).
De grootste verschillen zijn er tussen hbo-/wo-opgeleide Amsterdammers zonder een migratieachtergrond en zij met een herkomst van buiten Europa (114 versus 108). Vooral inwoners met een hbo-/wo-opleiding met een Marokkaanse (104) of overige Afrikaanse migratieachtergrond (105),
45
2 | Welzijn: de Leefsituatie-index, geluk en tevredenheid
Surinaamse (105) of Turkse (108) Amsterdammers hebben gemiddeld een ongunstigere leefsituatie dan inwoners met een vergelijkbare opleiding die geen migratieachtergrond hebben (114). Dat geldt in mindere mate voor het welzijnsniveau van dergelijk opgeleide inwoners met een Europese migratieachtergrond (111).
Afb. 2.5 Gemiddelde score op Leefsituatie-index naar herkomst, in combinatie met generatie en afgeronde opleiding, 2024
totaal
geen migratieachtergrond Europa (excl. Nederland)
2e generatie migratieachtergrond max vmbo/ mbo-1 havo/vwo, mbo-2t/m4
totaal Europa (excl. Nederland) buiten Europa totaal Europa (excl. Nederland) buiten Europa
geen migratieachtergrond Europa (excl. Nederland) buiten Europa geen migratieachtergrond Europa (excl. Nederland) buiten Europa geen migratieachtergrond
hbo of wo
In Nieuw-West is de leefsituatie in de gebieden Osdorp (94) en Geuzenveld, Slotermeer (95) ongunstig en die in Osdorp is ook ten opzichte van 2022 gedaald (van 98 naar 94, zie afb. 2.7). In Zuidoost is de index in Bijlmer-West (101) gunstiger dan in de andere gebieden in dat stadsdeel (die hebben scores van 94-96). In Noord is het gebied Noord-West het laagst scorend (97). In West is de
1e generatie migratieachtergrond
buiten Europa
Verschillen tussen Zuidoost, Nieuw-West, Noord en de overige stadsdelen nemen toe Binnen de stad zien we grote verschillen in de gemiddelde Leefsituatie-index (zie afb. 2.6). Stadsgebied Weesp heeft de hoogste gemiddelde waarde op de index en ook de stadsdelen Centrum en Zuid hebben een bovengemiddeld welzijnsniveau. Voor deze twee stadsdelen was de leefsituatie na 2016 verslechterd, en van 2020 op 2022 stabiel, maar gaat nu weer wat vooruit. Hetzelfde geldt voor de stadsdelen Oost en West. De gemiddelde leefsituatie is ongunstig in de stadsdelen Zuidoost, Nieuw-West en Noord. Voor Zuidoost zet de dalende trend die na 2018 optrad zich verder voort. Deze drie stadsdelen verschillen daarmee nog sterker van de andere stadsdelen dan voor de coronapandemie. De leefsituatie van de overige stadsdelen – Oost, West, Zuid en Centrum verschillen daarentegen steeds minder van elkaar.
Europa (excl. Nederland) buiten Europa 80
Afb. 2.6 Gemiddelde score op Leefsituatie-index naar stadsdelen en stadsgebied Weesp, 2004-2024
84
88
92
96
100
104
2024 en ontwikkeling ten opzichte van 2022
118 116 114 112 110 108 106 104 102 100 98 96 94 923,1 punten of meer dan gemiddeld
2,1 t/m 3,0 punten meer dan gemiddeld
90rondom gemiddelde (t/m 2,0 punten verschil) 882,1 t/m 3,0 punten minder dan gemiddeld
3,1 punten of meer onder het gemiddelde
3,1 punten of meer dan gemiddeld 2,1 t/m 3,0 punten meer dan gemiddeld rondom gemiddelde (t/m 2,0 punten verschil) 2,1 t/m 3,0 punten minder dan gemiddeld 3,1 punten of meer onder het gemiddelde
84meer dan 2,0 punten gestegen t.o.v. 2022 82minder dan 2,0 punten verschil t.o.v. 2022 80
meer dan 2,0 punten gedaald t.o.v. 2022
2004
2006
112
2008
Centrum
2010
2012
Zuid Noord
2014
2016
West Zuidoost
2018
2020
Oost Weesp
2022
2024
Nieuw-West Totaal
116
120
Afb. 2.7 Gemiddelde score op Leefsituatie-index naar gebied,
120
86
108
meer dan 2,0 punten gestegen t.o.v. 2022 minder dan 2,0 punten verschil t.o.v. 2022 meer dan 2,0 punten gedaald t.o.v. 2022
46
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
gemiddelde leefsituatie in Bos en Lommer lager dan de andere gebieden en als enige gedaald (van 104 naar 102). In Zuid valt de relatief lagere score van het gebied Buitenveldert, Zuidas op (102). In Oost heeft het gebied IJburg, Zeeburgereiland de meest gunstige score (108) en gaan alle gebieden er op vooruit met uitzondering van Watergraafsmeer.
Geluk en tevredenheid De Leefsituatie-index biedt een objectieve blik op het welzijn van Amsterdammers op basis van hun positie op diverse participatie- en leefdomeinen. Om een vollediger beeld te krijgen van hoe het met de Amsterdammers gaat, is het relevant om dit aan te vullen met hun persoonlijke percepties en gevoelens over hun welzijn. In De Staat van de Stad enquête is uitgevraagd wat Amsterdammers zelf van hun leven vinden. Voelen ze zich gelukkig? Hoe tevreden zijn ze met verschillende facetten van hun leven, zoals hun woonsituatie, sociale kring en financiële middelen? Hoe kijken zij aan tegen de Amsterdamse samenleving? En hoe is het gesteld met het vertrouwen in de toekomst? Deze vragen helpen ons te begrijpen hoe Amsterdammers hun leven en omgeving werkelijk beleven. Daling in ervaren geluk stagneert In 2024 zien twee op de drie (66%) Amsterdammers van 18 jaar en ouder zichzelf als een gelukkig of erg gelukkig mens. Nog niet eerder was het gemeten percentage gelukkige Amsterdammers in dit onderzoek zo laag. 22 procent vindt zichzelf niet gelukkig, maar ook niet ongelukkig. Negen procent ziet zichzelf als niet zo gelukkig of ongelukkig. Het geluksgevoel onder Amsterdammers daalt al sinds 2010, toen nog 80 procent van de Amsterdammers zichzelf gelukkig of erg gelukkig vond (zie afb 2.8).
De sterkste daling, namelijk van vijf procentpunt, werd gemeten rond de aanvang van de coronapandemie, in 2020. Vier jaar later is dit (nog) niet hersteld. Wel lijkt de sterke daling te stagneren.
Afb. 2.8 I n welke mate vindt u zichzelf een gelukkig mens? Voor Amsterdammers en Nederlanders, 2006-2024 (percentage (erg) gelukkig) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2006
2008
Nederland (18+)
2010
2012
2014
2016
2018
2020
2022
2024
Amsterdam (18+) bron: Nederland: CBS, 2023
Amsterdammers minder vaak gelukkig dan in andere gemeenten Ook landelijk nam het geluksgevoel af, hoewel aanzienlijk minder sterk dan hier (zie afb 2.8, CBS, 2023). In 2022 was naar eigen zeggen 86 procent van de Nederlandse volwassenen gelukkig. In andere grote Nederlandse steden lijkt het geluksgevoel ook lager te liggen dan het landelijke gemiddelde. In onderzoek onder de bevolking van gemeente Den Haag in 2023 was 73 procent het eens of zeer eens met de stelling ‘Ik ben meestal gelukkig’ (Motivaction, 2024). Dit aandeel bleef tussen 2019 en 2023 onveranderd. In Utrecht ligt het percentage bewoners dat zichzelf als gelukkig ziet al jaren rond de 80 procent, zo ook in 2023 (Gemeente Utrecht, 2024). In Rotterdam lag in 2024 het aandeel gelukkigen onder inwoners tussen de 18 en 65 jaar op 84 procent (Gemeente Rotterdam, 2025). Ook in deze stad is een daling te zien: in 2020 ging dit nog om 87 procent. Wel lijkt daarmee het geluksgevoel in de overige drie G4-steden hoger te liggen dan in de hoofdstad. Het World Happiness Report 2025 zet dit in perspectief: Nederland is gemiddeld gezien het vijfde gelukkigste land ter wereld, na Finland, Denemarken, IJsland en Zweden. In 2024 stond Nederland op de zesde plaats (Helliwell e.a., 2025).
Geluk verschilt naar geslacht, leeftijd en sociaaleconomische status Het geluksgevoel en de ontwikkelingen daarin verschillen tussen groepen Amsterdammers (zie afb 2.9). We zien een aantal schommelingen. Waar het ervaren geluk bij vrouwen tussen 2020 en 2022 aanzienlijk afnam, is dit tussen 2022 en 2024 weer iets gestegen. Daarentegen is het geluksgevoel bij mannen wat gedaald. Daarmee zijn vrouwen in 2024 iets vaker gelukkig dan mannen. Daarnaast zien we, na een duidelijke daling, weer een toename in ervaren geluk in de generatie jongvolwassen Amsterdammers (van 18 tot 25 jaar). Ook de GGD rapporteert in hun onderzoek onder jongvolwassen, van 16 tot en met 25 jaar, een toename in het geluksgevoel onder hen na de sterke daling in eerdere jaren (GGD Amsterdam, 2025). Het geluksgevoel van 25- tot 35-jarigen nam eveneens iets toe. Daarentegen zien we een afname in het aandeel gelukkigen in de leeftijdscategorie 35 tot 55 jaar. Deze generatie is het minst vaak gelukkig. Er bestaat een duidelijke relatie tussen het ervaren geluk en de sociaaleconomische status: Amsterdammers met een basisopleiding en/of een laag inkomen zijn aanzienlijk minder vaak gelukkig dan andere groepen. Tussen 2022 en 2024 bleven de verschillen in geluk onder Amsterdammers met verschillende opleidingsachtergronden en inkomens stabiel.
Maar ten opzichte van 2018 nam het geluksgevoel minder sterk af onder hbo-/woopgeleiden en onder hen met een hoog inkomen waardoor de verschillen duidelijk groter werden (zie afb. 2.9). Tot slot bestaan er verschillen in het ervaren geluk tussen Amsterdammers met en zonder een migratieachtergrond (resp. 61% en 71%).
47
2 | Welzijn: de Leefsituatie-index, geluk en tevredenheid
Vooral Surinaamse (52%) en Turkse Amsterdammers (55%) rapporteren relatief weinig gelukkig te zijn. Amsterdammers met een eerste generatie Europese migratieachtergrond zijn gemiddeld iets vaker gelukkig (73%) dan Amsterdammers zonder migratieachtergrond (71%). Al deze verschillen in mate van geluk tussen bevolkingsgroepen worden weerspiegeld in de geografische verdeling van gelukkige inwoners binnen de stad. Met 78 procent gemiddeld zijn bewoners van stadsgebied Weesp het vaakst (erg) gelukkig, gevolgd door bewoners van stadsdeel Centrum (71%) en Zuid (69%). In Noord en NieuwWest zijn bewoners iets minder dan gemiddeld vaak gelukkig (beide 63%). In stadsdeel Zuidoost ligt het percentage gelukkigen 10 procentpunt lager dan gemiddeld in de stad (56%). Het gebied Bijlmer-Centrum valt op: minder dan de helft (44%) van bewoners geeft aan zichzelf als een gelukkig mens te zien. Psychisch welzijn sterkst bepalend voor geluk van Amsterdammers Al langere tijd zien we dat het ervaren geluk samenhangt met het objectieve welzijn, de Leefsituatie-index. De score daarop ligt hoger voor Amsterdammers die zichzelf als een gelukkig mens zien (108) dan voor hen die niet zo gelukkig of ongelukkig zijn (90). Wel is dit verschil kleiner geworden sinds 2022 (111 versus 89) en 2020 (109 versus 89). In vervolgonderzoek gaat O&S dieper in op de verklaring van het dalende geluksgevoel.
Uit een verdieping op De Staat van de Stad enquêtedata van 2022, blijkt dat met name het psychisch welzijn van Amsterdammers bepalend is voor het ervaren geluk (O&S, 2024). Dit gaat om gevoelens van somberheid en aan de andere kant gevoelens van kalmte en energie. Ook de tevredenheid met de woonsituatie, kunnen rondkomen, het hebben van betaald werk als voornaamste bezigheid en het doen van vrijwilligerswerk zijn voorspellers van geluk bij Amsterdammers. Ook in 2024 lijkt het psychisch welzijn vooral sterk bepalend voor het ervaren geluk. In 2025 wordt in samenwerking met de GGD aanvullend onderzoek gedaan naar de dalende trend in het geluksgevoel van Amsterdammers. Een gezamenlijke publicatie van deze nadere verklaring volgt later dit jaar. Levenstevredenheid stabiel, maar niet voor iedereen gelijk In 2024 geven Amsterdammers hun leven gemiddeld een 7,2, een rapportcijfer dat al enkele jaren stabiel is. Landelijk ligt de levenstevredenheid hoger, met een gemiddelde van 7,7 (SCP, 2024). Dit benadrukt de trend dat Amsterdammers minder tevreden zijn over hun leven dan de gemiddelde Nederlander. Wel is hun tevredenheid met het leven vergelijkbaar met dat van inwoners van andere grote Nederlandse steden (CBS, 2024).
Toch zijn er positieve ontwikkelingen zichtbaar: de levenstevredenheid van jongvolwassenen (18-24 jaar) is licht gestegen van een 7,1 in 2020 en 2022 naar een 7,3 in 2024,
Afb. 2.9 In welke mate vindt u zichzelf een gelukkig mens? Naar achtergrondkenmerken, 2018, 2020, 2022 en 2024 (percentage (erg) gelukkig)
totaal 66
man 65
vrouw 67
18-24 jaar 70
25-35 jaar 73
35-54 jaar 62
55+ 63
basis opgeleid 54
gem. opgeleid 61
hbo/wo opgeleid 76
laag inkomen (tot 1.350 netto) 45
gemiddeld inkomen (1.351-3.200) 61
hoog inkomen (3.201 en hoger) 80
0%
20%
40% 2018
2020
60% 2022
waarmee zij nu even tevreden zijn als de groep 25tot 35-jarigen. Hiermee laat de levenstevredenheid onder jongvolwassenen weer een stijgende lijn zien na een sterke daling tussen 2018 en 2020. Tegelijkertijd blijven 45- tot 65-jarigen het minst tevreden met hun leven, met een gemiddelde beoordeling van 6,9. Ook Amsterdammers met basisopleiding en/of een laag inkomen blijven achter in levenstevredenheid. Verschillen in tevredenheid met het eigen leven hangen, net als in eerdere jaren, sterk samen met de objectieve leefsituatie. Amsterdammers die hun leven met een onvoldoende beoordelen, scoren gemiddeld lager op de Leefsituatie-index (92) dan zij die hun leven een 8 of hoger geven (109). Vooral gezondheid speelt hierin een grote rol: Amsterdammers die hun gezondheid als zeer slecht ervaren, geven hun leven gemiddeld een 4,6, terwijl zij met een goede gezondheid een 7,7 geven. Ook arbeidsongeschikte Amsterdammers blijven achter, met een gemiddeld rapportcijfer van 5,3. We zien ook dat Amsterdammers
80% 2024
100%
48
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
Afb. 2.10 G emiddelde rapportcijfers voor tevredenheid met verschillende aspecten van het leven in Amsterdam, 2018, 2020, 2022 en 2024 2018
2020
2022
Uw vrienden en kennissenkring
7,8
7,8
7,7
2024 7,6
De opleiding die u heeft gevolgd
7,5
7,5
7,6
7,4
Uw woonsituatie
7,4
7,3
7,3
7,2
Uw maatschappelijke positie
7,2
7,2
7,2
7,0
De financiële middelen van uw huishouden
6,9
7,0
6,8
6,9
De Amsterdamse samenleving
6,9
6,8
6,7
6,4
De Nederlandse samenleving
7,0
6,9
6,6
6,2
Hoe de zorg geregeld is in de stad
6,3
6,7
6,3
6,0
Het Amsterdamse bestuur
6,2
6,1
6,0
6,0
De regering
5,8
6,4
5,0
4,3
Het leven dat u op dit moment leidt
7,4
7,2
7,2
7,2
met betaald werk als voornaamste bezigheid gemiddeld tevredener zijn over hun leven (7,4) dan zij zonder betaald werk (6,9). Alleenstaanden en eenoudergezinnen blijven eveneens achter in levenstevredenheid. Alleenstaanden geven hun leven gemiddeld een 6,7, terwijl huishoudens met twee volwassenen zonder kinderen een 7,6 geven.
of zonder migratieachtergrond. Tot slot hangt de tevredenheid met aspecten van het eigen leven samen met gezondheid: Amsterdammers in goede gezondheid zijn tevredener met hun woonsituatie, sociale kring, maatschappelijke positie, gevolgde opleiding en met hun financiële middelen dan zij die hun gezondheid als slecht ervaren.
Kleine dalingen in tevredenheid met aspecten van het eigen leven De tevredenheid met specifieke aspecten van het leven van Amsterdammers laat een licht dalende trend zien. Zo daalde de tevredenheid met de eigen maatschappelijke positie naar een 7,0, waar dit de afgelopen jaren stabiel op een 7,2 lag. Ook daalt de tevredenheid met de opleiding die men gevolgd heeft van een 7,6 in 2022 naar een 7,4 twee jaar later. Deze dalingen in tevredenheid komen sterker naar voren onder inwoners met maximaal een vmbo/mbo-1-opleiding dan onder hen met andere opleidingsniveaus en ook relatief sterk onder inwoners met een laag inkomen. De tevredenheid met de woonsituatie ligt met een 7,2 iets lager dan in 2022 (7,3), 2020 (7,3) en 2018 (7,4). Ook geven Amsterdammers hun financiële situatie gemiddeld een 6,9, wat weliswaar iets hoger is dan in 2022 (6,8), maar nog steeds lager dan in 2020 (7,0). Bovendien ligt de tevredenheid van bewoners met hun maatschappelijke positie, opleiding en financiële situatie in Amsterdam aanzienlijk lager dan landelijk (SCP, 2024).
Van alle hier onderscheiden Amsterdamse bevolkingsgroepen zijn alleenstaanden het minst tevreden met hun maatschappelijke positie en geven hiervoor een 6,6. Eenoudergezinnen zijn gemiddeld het minst tevreden met hun woonsituatie (6,5) en met hun financiële middelen (6,0). Amsterdammers van 65 jaar en ouder zijn aanzienlijk tevredener met hun woonsituatie dan jongere generaties.
Amsterdammers met maximaal een mbo-1 opleiding zijn minder tevreden met aspecten van hun eigen leven (woonsituatie, sociale kring, maatschappelijke positie, gevolgde opleiding en financiële middelen) dan middelbaar opgeleide Amsterdammers. Hbo-/ wo-opgeleide Amsterdammers zijn met al deze aspecten van het eigen leven gemiddeld het meest tevreden. Hetzelfde patroon zien we naar inkomen: hoe lager het inkomen, hoe minder tevreden men is over de verschillende aspecten van het eigen leven. Ook valt op dat Amsterdammers met een migratieachtergrond van buiten Europa gemiddeld minder tevreden zijn met de verschillende aspecten van hun leven dan zij met een Europese achtergrond
Amsterdammers kritischer over samenleving en politiek Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Plan bureau (SCP) blijkt dat Nederlanders doorgaans positiever oordelen over hun eigen leven dan over de samenleving (SCP, 2024). Dit patroon is ook in Amsterdam zichtbaar: Amsterdammers geven hun eigen leven een stabiel rapportcijfer (gemiddeld 7,2), maar zijn aanzienlijk kritischer over de samenleving (6,4) en het bestuur (6,0). Amsterdammers zijn minder vaak tevreden over het bestuur van hun gemeente dan de gemiddelde Nederlander (66% versus 71% geeft een 6 of hoger). Daar komt bij dat er bij Amsterdammers naar verhouding nog meer onvrede heerst over de Nederlandse samenleving (69% versus 74% geeft een voldoende rapportcijfer) en de regering (33% versus 44%). Twee derde van de Amsterdammers geeft de regering een onvoldoende als rapportcijfer. De tevredenheid met de Nederlandse samenleving en politiek is de afgelopen jaren redelijk sterk gedaald, een ontwikkeling die ook landelijk te zien is. Ook daalt de tevredenheid met de Amsterdamse samenleving. Verder ligt de waardering voor hoe de zorg in de stad geregeld is lager dan in eerdere jaren. De zorg krijgt in 2024 een gemiddeld rapportcijfer van 6,0, waar dit in 2022 nog ging om een 6,3 en in 2020 een 6,7. Vooral Amsterdammers in slechte gezondheid zijn minder tevreden met de zorg in de stad (5,3).
49
2 | Welzijn: de Leefsituatie-index, geluk en tevredenheid
Het SCP wijst erop dat Nederlanders hun oordeel over het eigen leven vooral baseren op persoonlijke ervaringen, zoals hun sociale contacten, financiële situatie en gezondheid. Hun oordeel over de samenleving en politiek wordt daarentegen sterk beïnvloed door maatschappelijke zorgen en wat zij in de media zien. Dit verklaart waarom mensen relatief tevreden kunnen zijn over hun eigen leven, maar tegelijkertijd kritisch zijn over de samenleving en de politiek. Ook in Amsterdam zien we dit terug. Hoewel Amsterdammers gemiddeld tevreden zijn met hun eigen leven, maken zij zich zorgen over bredere maatschappelijke problemen. Zo maakt 50 procent zich veel zorgen over de Amsterdamse woningmarkt, over de gevolgen van conflicten en oorlogen in de wereld (47%) en over het milieu (46%).
Afb. 2.11 Vertrouwen in de toekomst naar achtergrondkenmerken, 2018, 2020, 2022 en 2024 (procenten)
totaal 60
man 61
vrouw 59
18-24 jaar 70
25-35 jaar 69
Vertrouwen in de toekomst Minder vertrouwen in de toekomst dan in 2000 en 2018 Zes op de tien volwassen Amsterdammers hebben (veel) vertrouwen in de toekomst. Dat is vergelijkbaar met het aandeel in 2022 (toen 62% nu 60%). De daling in het vertrouwen in de toekomst die vanaf 2020 optrad, vooral van 2018 op 2020, lijkt dus niet door te zetten. Wel heeft men (nog) aanzienlijk minder vertrouwen in de toekomst dan in 2018, toen bijna acht op de tien volwassenen (77%) vertrouwen in de toekomst hadden. Oudere inwoners hebben minder vaak vertrouwen in de toekomst dan jongere tot 35 jaar (zie afb. 2.11). Dit vertrouwen is voor de groep van 55 jaar en ouder recent gedaald, evenals onder de 35- tot en met 54-jarigen (zie afb. 2.11). Onder de overige leeftijdsgroepen is het vertrouwen in de toekomst ongeveer gelijk gebleven. Vrouwen hadden in 2022 minder vertrouwen in de toekomst dan mannen en hun vertrouwen in de toekomst was ook sterker gedaald. Nu zien we echter dat juist het vertrouwen in de toekomst onder mannen sterker is gedaald, waardoor het verschil tussen vrouwen en mannen nog maar klein is (zie afb. 2.11). Het vertrouwen in de toekomst hangt ook samen met hulpbronnen die men heeft, zoals de genoten opleiding, inkomen en gezondheid. Dat kwam ook naar voren in een eerder onderzoek (O&S, 2024).
Zo hebben zeven op de tien gezonde Amsterdammers vertrouwen in de toekomst tegenover vier op de tien die een matige of slechte gezondheid ervaren (zie afb. 2.11). Verder hebben inwoners met minder inkomen over het algemeen minder vertrouwen in de toekomst: 50 procent onder hen met een inkomen van 2.050 euro netto per maand of lager versus 67 procent onder hen met een hoger inkomen. Ook zijn er verschillen naar de genoten opleiding waarbij basisopgeleide inwoners veel minder vaak vertrouwen in de toekomst hebben dan hbo-/
35-54 jaar 60
55+ 48
basis opgeleid
49
gemiddeld opgeleid
58
hbo/wo opgeleid 67
matige/slechte gezondheid
39
goede gezondheid 0%
70
20%
40% 2018
60% 2020
2022
wo-opgeleide. Daarbij valt op dat het vertrouwen onder inwoners met een hbo-/wo-opleiding is afgenomen (zie afb. 2.11). Amsterdammers met een Turkse (45%), Marokkaanse (50%) en Surinaamse herkomst (55%) hebben minder vertrouwen in de toekomst dan gemiddeld. Ook zien we verschillen naar staddelen: inwoners van stadsdeel Centrum hebben het meeste vertrouwen in de toekomst (65%) en inwoners van Nieuw-West (54%, vooral Osdorp 45%) en Noord (57%) duidelijk minder dan gemiddeld. Sterke samenhangen met aspecten van welzijn en met zorgen over woningmarkt en conflicten Het vertrouwen in de toekomst hangt samen met andere kenmerken van het welzijn. Mensen die (veel) vertrouwen in de toekomst hebben, hebben gemiddeld een hogere score op de Leefsituatieindex (107) dan zij die dat weinig (100) of niet hebben (93). Zij zijn ook vaker tevreden met hun eigen leven dan zij die weinig of geen vertrouwen in de toekomst hebben. Ook hangt het hebben van vertrouwen in de toekomst sterk samen met
80% 2024
100%
50
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
het ervaren geluk: zij die gelukkig zijn hebben veel meer vertrouwen in de toekomst (74%) dan zij die dat niet zijn (34%). In De Staat van de Stad enquête is ook gevraagd naar in hoeverre men zich zorgen maakt over de woningmarkt en betaalbaar wonen, over conflicten en oorlogen in de wereld en over milieu en duurzaamheid. Voor elk van deze onderwerpen geldt dat ongeveer de helft van de volwassen Amsterdammers zich veel zorgen daarover maakt en ongeveer drie op de tien enige zorgen. Zij die zich veel zorgen maken over de woningmarkt en over conflicten en oorlogen hebben minder vertrouwen in de toekomst dan anderen. Voor milieu en duurzaamheid ligt het iets anders: zowel mensen die zich daar veel zorgen over maken als ook mensen die zich daar geen zorgen over maken (5% van de respondenten) hebben relatief weinig vertrouwen in de toekomst (respectievelijk 55 en 52%).
2 | Welzijn: de Leefsituatie-index, geluk en tevredenheid
Literatuurlijst
Helliwell, J. F., Layard, R., Sachs, J. D., De Neve, J.-E., Aknin, L. B., & Wang, S. (Eds.). (2025). World Happiness Report 2025. University
Boelhouwer, J. (2010). Wellbeing in the Netherlands.
of Oxford: Wellbeing Research Centre. Geraadpleegd via:
The SCP life situation index since 1974.
World Happiness Report 2025 | The World Happiness Report
CBS. (2023). Jaarrapport Landelijke Jeugdmonitor 2023.
Motivaction. (2024). Haagse imago monitor 2023.
Geraadpleegd via: longreads.cbs.nl
Geraadpleegd via: www.merk.denhaag.nl/onderzoek
CBS. (2024). Welzijn in 94 grote gemeenten. Geraadpleegd via:
O&S. (2024). Dalend ervaren geluk en vertrouwen in de
www.cbs.nl
toekomst: een nadere verkenning. Geraadpleegd via: onderzoek.amsterdam.nl
Gemeente Utrecht. (2024). Monitor Utrecht 2023. Geraadpleegd via: Gezondheid & welzijn volwassenen | Utrecht Monitor
SCP (Sociaal en Cultureel Planbureau). (2015). De sociale staat van Nederland 2015.
Gemeente Rotterdam. (2025). Gezondheidsmonitor GGD Rotterdam Rijnmond 2024. Geraadpleegd via: Dashboard - Cijfers
SCP. (2024). Burgerperspectieven 2024 Bericht 1.
over mentale gezondheid - Rotterdam
Geraadpleegd via: www.scp.nl/publicaties
GGD Amsterdam. (2025). Hoe gaat het met Amsterdamse jongvolwassenen? Resultaten Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024.
51
52
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
3
Economie De Amsterdamse Economie groeit net als voor de coronacrisis weer in een hoger tempo dan de landelijke economie. Kennisintensieve sectoren als ICT en zakelijke diensten blijven belangrijke pijlers van de regionale economie, maar daarnaast blijft ook de bezoekerseconomie een belangrijke rol vervullen in Amsterdam met betrekking tot banen en vestigingen. Sinds de coronacrisis is ook het aantal bezoekers weer fors gestegen, maar dit aantal bevindt zich nog niet op het niveau van voor de coronacrisis. Wel blijven bezoekers gemiddeld genomen iets langer in Amsterdam dan voorheen. Auteurs: Rogier van der Groep, Tanja Fedorova & Mersiha Tepić
54
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
Kernpunten De Amsterdamse economie heeft zich hersteld na de coronacrisis en groeit in een hoger tempo dan de landelijke economie. ICT en zakelijke diensten stuwen de regionale economie. Het aantal vestigingen en banen neemt jaarlijks toe in Amsterdam, maar door de krapte en flexibilisering op de arbeidsmarkt groeit het aantal banen sinds 2020 minder snel dan voorheen. Het aantal (kleine) vestigingen en eenmanszaken (waaronder zzp’ers) groeit harder dan het aantal banen. Met betrekking tot het aantal banen is de sector advies en onderzoek de grootste sector van Amsterdam. De andere sectoren die veel banen bieden zijn zorg, ICT, detailhandel en horeca. ICT en advies en onderzoek zijn qua aantal banen de snelst groeiende sectoren. Bij horeca en zorg valt de snelle toename van het aantal vestigingen op, waarbij de banengroei laag is. Dit is een teken dat hier vooral meer zzp’ers werken, een trend die ook landelijk te zien is. Daarnaast is het aandeel
basisopgeleide en jonge werknemers bij horeca en detailhandel relatief hoog: in de sectoren ICT en advies en onderzoek zijn deze aandelen juist laag. Een deel van de Amsterdamse economie draait om de bedrijfstakken die samen worden gerekend tot de bezoekerseconomie. Sommige van deze bedrijven zijn sterker afhankelijk van toerismetrends en aantallen bezoekers die naar Amsterdam komen (hotels), dan andere die ook Amsterdammers bedienen (winkels, restaurants en taxi’s). Na de coronacrisis neemt het toeristische dagbezoek sneller toe dan het verblijfsbezoek in Amsterdam. Het aantal verblijfsbezoekers ligt in 2024 nog onder het pre-coronaniveau. Het aantal overnachtingen is wel gestegen doordat verblijfsbezoekers gemiddeld langer in de stad blijven dan vóór de coronapandemie. De werkgelegenheid in de bedrijfstakken geassocieerd met toerisme neemt na 2022 weer toe, maar het aantal banen is nog niet
De economie van Amsterdam wordt op verschillende manieren in kaart gebracht: ten eerste door te kijken naar bruto regionaal product (BRP) en de toegevoegde waardeontwikkeling (TW) van de Amsterdamse economie. De toegevoegde waarde is de omzet van bedrijven min de aankoopkosten van grondstoffen en behelst dus de meerwaarde die aan producten of diensten door bedrijven wordt toegevoegd. Het BRP van de Amsterdamse economie is de opsomming van alle toegevoegde waarde die Amsterdamse bedrijven leveren. Daarmee is het BRP een graadmeter voor de omvang van de Amsterdamse economie. Daarnaast wordt gekeken naar de banenontwikkeling en de vestigingsontwikkeling in Amsterdam. In eerste instantie kijken we naar bedrijfsgrootte: hierbij constateren we dat het aandeel zzp’ers nog steeds groeit en een zeer groot deel vormt van het totale aantal vestigingen in Amsterdam.
op het niveau van 2019. Het aantal vestigingen ligt wel boven het niveau van 2019. In tegenstelling tot het aantal vestigingen in de toeristische sector, daalt het aantal vestigingen in de detailhandel gestaag, maar aantal banen blijft ongeveer gelijk. Een andere benadering voor de economische dynamiek is door te kijken naar ecologische factoren, zoals (efficiënt) verbruik van grondstoffen en energie en hergebruik van materialen. De economische groei in Amsterdam gaat in de laatste jaren gepaard met een daling van het materiaalverbruik. Eén van de verklaringen hiervoor is de oriëntatie van de Amsterdamse economie op dienstsectoren die meer waarde toevoegen, maar niet materiaalintensief zijn. Van alle sectoren is de industrie de meest energie-intensieve sector. Het aantal banen in de circulaire economie is in de afgelopen tien jaar toegenomen, onder andere door de groei in reparatiesector, in het bijzonder de reparatie van computers.
Vervolgens kijken we naar de vijf grootste sectoren met betrekking tot banen en vestigingen, dit zijn advies en onderzoek, ICT, horeca, detailhandel en zorg. Hierbij wordt ook gekeken naar achtergrondkenmerken en baankenmerken van werkenden in deze vijf sectoren. In tegenstelling tot detailhandel en horeca leunen zorg, ICT en advies en onderzoek sterk op hbo- of wo-geschoold personeel. Daarna wordt er ingezoomd op toerisme en detailhandel als twee sectoren die prominent in het straatbeeld aanwezig zijn. Maar waar de ene sector (toerisme) steeds meer uitdijt, krimpt de ander (detailhandel). Tenslotte kijken we naar de verduurzaming van de Amsterdamse economie.
55
3 | Economie
Gematigde economische groei na een sterk coronaherstel Amsterdamse economie groeit minder snel dan voorheen, maar sneller dan landelijk Na de economische dip tijdens de coronapandemie heeft de Amsterdamse economie zich weer hersteld. Dit geldt ook voor de economie van de omliggende gemeenten waarmee Amsterdam een min of meer afgebakend stedelijk systeem vormt: de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Het aandeel van de MRA in het landelijke bruto binnenlands product bedraagt 21 procent, waarvan meer dan de helft wordt gerealiseerd in Amsterdam. Afgezien van het eerste coronajaar (2020) groeit de economie van Amsterdam en de regio gemiddeld sneller dan de landelijke economie. In 2024 groeide de economie van de MRA met 1,4 procent en die van Amsterdam met 1,2 procent. De landelijke economische groei bedroeg 1 procent (EVMRA, 2025). Sinds 2023 ligt zowel het landelijke als regionale groeitempo lager dan in de afgelopen tien jaar. De onderliggende factoren hiervan zijn onder andere de energiecrisis, personeelstekorten en de beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet (zie afb. 3.1). Sectorale structuur Amsterdam gunstig voor hogere groeiverwachting economie Naar verwachting groeit de Nederlandse economie in de komende jaren weer iets harder, met 1,9 procent in 2025 en 1,5 procent in 2026 (EVMRA, 2025).
De verwachte economische groei voor de MRA is gunstiger vergeleken met de rest van Nederland en bedraagt 3,0 procent in 2025 en 2,6 procent in 2026. Deze prognose is nog met veel onzekerheid omgeven door de geopolitieke en handelsspanningen wereldwijd, maar ook door bijvoorbeeld het uitblijven van structurele oplossingen rondom de stikstofcrisis in Nederland (EVMRA 2025). Voor Amsterdam en de directe omgeving kan in 2025 een sterkere groei van 3,4 procent worden verwacht (RaboResearch, 2025). De sectorale structuur en specialisatie in zakelijke dienstensectoren en ICT maken Amsterdam minder afhankelijk van handelsbelemmeringen, prijsstijgingen en stikstofbeperkingen, dan bijvoorbeeld de regio’s waarin veel industrie is geconcentreerd. Zakelijke diensten en ICT zijn samen goed voor 37 procent van de toegevoegde waarde in de economie van Amsterdam. Landelijk is dit 22 procent (zie afb. 3.2) (CBS, 2025).
Afb. 3.1 Economische groei, 2014-2024 (in procenten ten opzichte van vorig jaar) 12% 9% 6% 3% 0% -3% -6% -9%
2014
2015
2016
Nederland
2017
2018
Amsterdam
2019
2020
2021
2022
2023
2024
MRA bron: CBS/ EVMRA
Afb. 3.2 Aandeel van de bedrijfstakken in toegevoegde waarde, 2024 (in procenten van totaal) Amsterdam Nederland 0%
20%
40%
60%
80%
100%
Overheid en zorg
Handel, vervoer en horeca
Zakelijke dienstverlening
Industrie
Onroerend goed
Bouwnijverheid
Financiële dienstverlening
ICT
Cultuur, recreatie en overige diensten
Energiebedrijven
Overig
bron: CBS
592.399 banen (zie afb. 3.3). Hiermee is het aantal vestigingen met 59 procent toegenomen en het aantal banen met 28 procent. In de afgelopen tien jaar groeide het aantal vestigingen met gemiddeld 4,7 procent per jaar en het aantal banen met gemiddeld 2,5 procent per jaar. Hoewel het aantal vestigingen min of meer stabiel toeneemt, groeit het aantal banen in Amsterdam sinds 2020 minder snel dan vóór de coronapandemie. In 2020 bedroeg de groei 1,9 procent, in 2023 2,0 procent en in 2024 1,4 procent (onder het gemiddelde van 2,5 procent per jaar).
Afb. 3.3 Aantal actieve vestigingen en werkzame personen tussen 2014 en 2024 (aantallen, incl. Weesp) 760.060
800.000 700.000 600.000 500.000 400.000
Ontwikkeling aantal vestigingen en banen Aantal vestigingen neemt sneller toe dan het aantal banen Een andere cruciale pijler van de Amsterdamse economie is de ontwikkeling van het aantal banen en vestigingen in de stad. In 2024 zijn er 199.396 vestigingen in Amsterdam en 760.060 banen. Tien jaar eerder waren dat nog 125.510 vestigingen en
300.000 199.396
200.000 100.000 0 2014
2015
vestigingen
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
banen bron: LISA, bewerking O&S
56
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
Hiervoor zijn meerdere verklaringen, waaronder de toename van het aantal zzp’ers door de flexibilisering van de arbeidsmarkt aan de ene kant en de arbeid smarktkrapte in de regio Amsterdam (en ook elders) aan de andere kant (zie ook hoofdstuk Arbeidsmarkt).
Afb. 3.4 Ontwikkeling vestigingen en werkzame personen in Amsterdam naar bedrijfsgrootte, 2014-2024 (aantallen) aantal vestigingen 200.000
Acht op tien vestigingen is een vestiging met één werkzame persoon Hoewel de meeste banen in Amsterdam bij bedrijven zijn met tien of meer werkzame personen, bestaat het merendeel van de vestigingen uit bedrijven met één werkzame persoon (zie afb. 3.4). Dit kunnen eenmanszaken zijn die mogelijk later personeel aannemen, maar ook zelfstandigen zonder personeel (zzp). Al meerdere decennia groeit het aantal vestigingen in Amsterdam harder dan het aantal banen, dat komt doordat bedrijven kleiner worden en het aantal zzp’ers toeneemt. Dit proces staat bekend als de flexibilisering van de arbeidsmarkt: in plaats van mensen in loondienst een vast contract aan te bieden, krijgen mensen een flexibel arbeidscontract of worden ze als zzp’er ingehuurd. In 2024 bestond 79 procent van de vestigingen uit één werkzame persoon. In 2014 was dit percentage 76 procent (zie afb. 3.4).
150.000
100.000
50.000
0 aantal banen 800.000
600.000
400.000
200.000
0
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
1 werkzaam persoon
50 tot 199 werkzame personen
2 tot 9 werkzame personen
200 werkzame personen of meer
10 tot 49 werkzame personen
2024
bron: LISA, bewerking O&S
Afb. 3.5 Gemiddeld aantal werkzame personen per vestiging naar sector, 2014, 2019, 2024 (aantallen) 28
financiële instellingen 6 8 5
zorg
8 5
groothandel
6 4
onderwijs
7 4
detailhandel
5 3
ICT
3 3
vervoer en opslag
7 3
advies, onderzoek bouwnijverheid cultuur, sport, recreatie
gemiddeld alle sectoren
Veel nieuwe zelfstandigen in vervoerssector, horeca en zorg In figuur 3.6 wordt duidelijk in welke sectoren de toename van eenmanszaken (waaronder zzp’ers) het sterkst is, namelijk vervoer en opslag. Hoewel dit (zie afb. 3.5) in aantallen banen en vestingen niet een heel grote sector is in de stad, is het aantal zelfstandigen hier verdrievoudigd. Het gaat om taxi- en vrachtwagenchauffeurs, maar ook pakket- en maaltijdbezorgers. Bij sommige bezorgdiensten met name in de pakketbezorging en koeriersdiensten, is het vaak gebruikelijk dat bezorgers als zelfstandig ondernemer (zzp’er) werken. Daarnaast is ook een sterke toename te zien van het aantal eenmanszaken in de horecasector. Het gaat hier bijvoorbeeld om zelfstandige koks en cateraars. Deze ondernemers zijn daarmee een exemplarisch voorbeeld van de toegenomen flexibilisering van de arbeidsmarkt in de horecasector.
23
horeca
3 2 3 2 2
4 5
0%
10% 2024
2019
20% 2014
Afbeelding 3.5 laat zien welke sectoren in Amsterdam voornamelijk uit grote bedrijven bestaan (zoals financiële instellingen) en welke grotendeels uit kleine bedrijven (onder andere cultuur, sport en recreatie en bouwnijverheid). Wanneer we de gemiddelde bedrijfsgrootte door de jaren heen volgen, wordt duidelijk dat de gemiddelde bedrijfsgrootte snel is afgenomen vooral in de sectoren vervoer en opslag, onderwijs, zorg en horeca.
30% bron: LISA, bewerking O&S
Wanneer zzp’ers werken onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde instructies als werknemers in loondienst is er sprake van schijnzelfstandigheid. Om schijnzelfstandigheid tegen te gaan is landelijke wetgeving voor de inhuur van zzp’ers aangescherpt. Landelijke data van het CBS laten nu al een kentering zien. Zo blijkt dat het aantal zzp’ers in het eerste
57
3 | Economie
Afb. 3.6 Ontwikkeling eenmanszaken en vestigingen met meer meerdere werkzame personen in enkele grote sectoren in Amsterdam, 2014 – 2024 (procenten) aantal vestigingen
aantal banen
vervoer en opslag
vervoer en opslag
onderwijs
onderwijs
bouwnijverheid
bouwnijverheid
horeca
horeca
zorg
zorg
ict
ict
advies, onderzoek
advies, onderzoek 0
50
100
150
200
0
een werkzame persoon
50
100
150
200
meer werkzame personen bron: LISA, bewerking O&S
kwartaal van 2025 is gedaald, onder andere in de sectoren zorg, horeca en dienstverlening (CBS, 2025). Verwacht wordt dat we volgend jaar ook in de Amsterdamse data een vergelijkbare kentering zien. Sectorale structuur: veel banen in dienstverlening en zorg Met betrekking tot het aantal banen is de sector advies en onderzoek de grootste sector van Amsterdam, gevolgd door de gezondheids- en welzijnszorg (zie afb. 3.7). Deze sectoren zijn goed voor respectievelijk 17 en 13 procent van alle banen in de stad en bestaan uit grote en kleine bedrijven in diverse specialisaties. Onder de sector advies en onderzoek vallen consultancybureaus in financieel en juridisch advies (onder andere accountants en notariskantoren), ontwerp-, marketing- en opinieonderzoekbureaus en andere specialistische diensten. Onder de sector gezondheids- en welzijnszorg vallen naast ziekenhuizen, huisartsenen fysiotherapiepraktijken, ook psychische zorgpraktijken, kraamhulp- , kinderopvang- en thuiszorgbureaus. Daarnaast zijn er relatief veel banen in de sectoren ICT, detailhandel en horeca, ieder goed voor 8 procent van alle Amsterdamse banen in 2024.
Afb. 3.7 Aantal actieve vestigingen en werkzame personen naar sector tussen 2014 en 2024 aantal vestigingen 200.000
overig bouwnijverheid overheid
150.000
vervoer en opslag groothandel
100.000
financiële instellingen onderwijs
50.000
cultuur, sport en recreatie horeca
0
ICT aantal banen
detailhandel zorg advies, onderzoek
600.000
400.000
200.000
0
2014
2016
2018
2020
2022
2024 bron: LISA, bewerking O&S
58
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
Banengroei vooral in ICT-sector, vestigingengroei in horeca en zorg Het aantal banen steeg de afgelopen tien jaar het snelst bij de ICT-sector en bij de sector advies en onderzoek. Dit heeft ook geleid tot een lichte verschuivingen in de sectorstructuur, waarbij het aandeel advies en onderzoek en ICT groter is geworden (zie afb. 3.7). Van alle banen in Amsterdam in 2014 was 16 procent in advies en onderzoek en 6 procent in ICT. In 2024 was dat respectievelijk 17 procent en 8 procent. Wanneer we naar de ontwikkeling van het aantal vestigingen kijken dan valt vooral de snelle toename van het aantal vestigingen in de horeca en zorg op (zie afb. 3.8). Beide sectoren vallen overigens niet op met betrekking tot banengroei, wat een teken is dat het om kleine vestigingen en zzp’ers gaat. Ook landelijk valt een toename van het aantal zzp’ers in de zorg en horeca op. De groei kan deels worden verklaard door de coronapandemie en deels door de behoefte aan meer flexibiliteit en grip op de werkdruk vooral in de zorg (KvK, 2024; CBS, 2023).
Afb. 3.8 Ontwikkeling grootste sectoren in Amsterdam 2014 – 2024 (indexcijfers, 2014 = 100) aantal banen 200 180 160 140 120 100 80 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
aantal vestigingen 280 260 240
In dit deel kijken we naar de werkenden in de vijf grootste sectoren. Als uitgangspunt is het jaar 2023 gekozen, omdat voor dit jaar de meest recente datasets beschikbaar was. Eerst kijken we naar het opleidingsniveau, naar leeftijdsklassen en naar het woongebied van de werkenden en vervolgens kijken we naar de ontwikkeling van het gemiddeld uurloon per sector.
220 200 180 160 140 120 100 80 2014
2015
detailhandel
2016
2017
2018
vervoer en opslag
2019
2020
horeca
ict
2021
2022
2023
2024
advies, onderzoek
zorg
bron: LISA, bewerking O&S
Afb. 3.9 Werkenden in geselecteerde sectoren in Amsterdam naar opleidingsniveau, 2023 (procenten) zorg
6
32
advies, onderzoek 2
12
ict 2
48
13
44
horeca
20
33
detailhandel
18
totale economie
8
0% hbo of wo
14
61
26 41
28 23
14
33
25
29
41
20%
40%
basis opgeleid
28 60%
havo/vwo, mbo-2 t/m
80%
100%
Opleiding onbekend
bron: CBS: ABR/POLIS, bewerking O&S
In detailhandel en horeca relatief veel basisopgeleiden In Amsterdam werken relatief weinig mensen met geen of alleen een basisopleiding. Gemiddeld is 8 procent basisopgeleid in 2023. In de sectoren detailhandel en in de horeca is dit aandeel fors hoger: ongeveer één op de vijf is hier basisopgeleid. Daarnaast werken er in de horeca en in detailhandel beduidend meer jongeren dan in de andere sectoren. Ook is het aandeel werkenden dat in Amsterdam woont in deze twee sectoren fors hoger dan in de andere sectoren. Hier staat tegenover dat ruim vier van de tien werkenden bij Amsterdamse bedrijven hbo- of wo-opgeleid is. Bij de sectoren ICT, zorg, advies en onderzoek ligt dit weer hoger. De ICT sector kent ook relatief veel werkenden die buiten Amsterdam wonen. Van een groot deel van de werkenden (28%) is het opleidingsniveau onbekend. Dit komt doordat van werkenden met een buitenlandse achtergrond vaak de opleiding niet bekend is. Vanuit dat licht bezien is het niet verrassend dat in de internationaal georiënteerde ICT-sector een zeer hoog aandeel werkenden is waarvan het opleidingsniveau onbekend is. De loonontwikkeling in de vijf sectoren laat eveneens een duidelijke tweedeling zien tussen de detailhandel en horeca enerzijds en zorg, ICT en advies en onderzoek anderzijds. De loonontwikkeling in horeca en detailhandel is daarbij fors lager dan in de andere sectoren.
Maar binnen advies, onderzoek, zorg en ICT loopt de loonontwikkeling tussen basisopgeleide werkenden en hbo- of wo-opgeleide werkenden sterk uit de pas.
59
3 | Economie
Afb. 3.10 Werkenden in geselecteerde sectoren in Amsterdam naar leeftijdsklassen, 2023 (procenten) 22
advies, onderzoek
58
19
zorg detailhandel
18
45
34
34
ict
20
65 32
23
0%
15
48
20%
12 18
48
horeca totale economie
20
43
15
11
11 2 4
26
40%
60%
onder de 30 jaar
30 jaar tot en met 49 jaar
67 jaar en ouder
leeftijd onbekend
22
80%
100%
50 jaar tot en met 67 jaar
bron: CBS: ABR/POLIS, bewerking O&S
Afb. 3.11 Werkenden in geselecteerde sectoren in Amsterdam naar woongebied, 2023 (procenten)
advies, onderzoek
43
zorg
46
detailhandel
22
35
51
ict
38
34
20
2
23
2
horeca
35
62
totale economie
23
44
0%
28
25%
woont in Amsterdam woont in overig MRA woont buiten MRA
15 28
50%
75%
100% bron: CBS, ABR/POLIS, bewerking O&S
Afb. 3.12 Loonontwikkeling geselecteerde sectoren en totale economie Amsterdam (loon per uur in euro’s) advies, onderzoek €50
50
€40
40
€30
30
€20
20
€10
10
ict
zorg
detailhandel
horeca
totale economie
€50
€40
€30
€20
€10
2017
2020
2023
2017 basisopgeleid
2020 havo/vwo, mbo-2 t/m 4
2023 hbo of wo
2017
2020
2023
totaal
bron: CBS: ABR/POLIS, bewerking O&S
60
De Staat van de Stad Amsterdam XIII
Afb. 3.13 Het aantal dagbezoekers, afgelegde dagbezoeken, cruisepassagiers, verblijfsbezoekers en hun overnachtingen in Amsterdam, 2019-2024 (in miljoenen) 30
x 1 miljoen
30
26.7
24.1 25
25
20
x 1 miljoen 22.9 21.6
20 14.4
15
15
11.3
10 5 0
10.2
9.7
10
2019 dagbezoekers
5
0.5
0.7 2020
2021
2022
dagbezoeken (door dagbezoekers)
2023
2024*
cruisepassagiers
* voorlopige cijfers
0
2019
2020
verblijfsbezoekers
2021
2022
2023
2024*
toeristenovernachtingen (door verblijfsbezoekers)
databronnen: CBS/NBTC/AirDNA /Eurostat/ UNWTO/Oxford Economics/DEStatis/StatBel
Bezoekerseconomie in Amsterdam Lager groeitempo toerisme in Amsterdam dan landelijk De omvang van de bezoekerseconomie kan op verschillende manieren worden gemeten, onder andere in aantallen toeristische bezoekers en hun overnachtingen. Amsterdam had in 2024 naar schatting ruim 14 miljoen unieke dagbezoekers en bijna 10 miljoen verblijfsbezoekers. Deze schatting betreft alleen de bezoekers aan Amsterdam met een toeristisch motief, zoals vakantiegangers, congresbezoekers en dagjesmensen. Bezoekers zonder toeristisch motief, zoals forensen vallen hier buiten. Het aantal unieke dagbezoekers lag in 2024 14 procent boven het pre-corona niveau, terwijl het aantal verblijfbezoekers nog 5 procent onder het pre-corona niveau lag. Daarnaast waren er in 2024 ook 0,5 miljoen cruisepassagiers in de stad, van wie het niet bekend is of ze in Amsterdam hebben overnacht. Ook lag het aantal cruisepassagiers onder het pre-coronaniveau (zie afb. 3.13). De verblijfsbezoekers bleven gemiddeld 2,36 nachten in Amsterdam en zorgden in 2024 voor in totaal bijna 23 miljoen overnachtingen, 6 procent meer dan in 2019. Deze groei komt door de toegenomen gemiddelde verblijfsduur. De meeste verblijfsbezoekers verblijven in hotels (95 procent), de rest verblijft in woningen of kamers die via online platforms worden verhuurd of op kampeer- of huisjesterreinen.