CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Gemeente Amsterdam - Staat van de stad XIII

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 3 december 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de reactie op motie 275.24 van 26 juni 2024 van raadslid Schmit (D66) over Brede welvaart (VN2025-015936)53.236 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Ook hebben sommige dagbezoekers niet één, maar meerdere bezoeken gedurende 2024 aan Amsterdam gebracht. Het totaal aantal dagbezoeken bedroeg in 2024 bijna 27 miljoen, 11 procent boven het pre-coronaniveau. Vóór de coronapandemie groeide het toerisme in Amsterdam sneller dan landelijk, maar vanaf 2020 ligt het groeitempo in de hoofdstad lager dan in de rest van Nederland. Een mogelijke verklaring hiervoor ligt in het feit dat Amsterdam sterk georiënteerd is op de buitenlandse toeristen, vooral de lange afstandsreiziger (vanwege de rol van Schiphol). Het herstel na de corona werd in eerste instantie gedreven door het binnenlandse toerisme. Hierdoor

hebben de gebieden die sterk georiënteerd waren op de binnenlandse gasten te maken met een hoger groeitempo dan de gebieden die waren georiënteerd op de buitenlandse bezoekers, zoals Amsterdam. Daarnaast zijn er door de gemeente Amsterdam diverse maatregelen genomen om de toeristische druk te verminderen. In Nederland is Amsterdam de meest aantrekkelijk stad voor buitenlandse toeristen. Meer dan 80 procent van alle toeristenovernachtingen en bijna 40 procent van de dagbezoeken in de stad is door buitenlandse bezoekers. Dagbezoekers komen naar Amsterdam om onder andere te wandelen (vooral buitenlandse dagbezoekers), winkelen (vooral dagbezoekers uit de MRA) en om musea te bezoeken (vooral dagbezoekers uit overig Nederland) (O&S, 2025). Het aantal banen in toeristische sector nog onder het pre-corona niveau Relatief veel bedrijven en banen in Amsterdam zijn in de sectoren die de bezoekerseconomie bedienen. Sommige van deze bedrijven zijn sterk afhankelijk van de bezoekers die naar Amsterdam komen, zoals hotels en toeristische attracties. Winkels, restaurants en taxi’s leveren producten en diensten zowel aan Amsterdammers en regiobewoners, als aan binnenlandse en buitenlandse toeristen. Bedrijven in reisbemiddeling bedienen daarnaast ook buitenlandse klanten die niet naar Nederland reizen.

Bedrijfstakken die geassocieerd worden met toerisme, zoals horeca, cultuur, recreatie, vervoer en reisbemiddeling, worden samen ook de ‘toerismesector’ genoemd. In 2024 telt Amsterdam 12.636 vestigingen en 76.629 banen gerelateerd aan toerisme. Dit is respectievelijk 6 procent en 10 procent van alle vestigingen en banen in Amsterdam. Vóór de coronapandemie groeide het aantal banen in de toerismesector harder dan gemiddeld in andere sectoren. Tussen 2019 en 2022 is er een daling opgetreden als gevolg van de coronapandemie. Hoewel de werkgelegenheid in toerisme na 2022 weer toeneemt, is het aantal banen in 2024 nog

61

3 | Economie

niet op het niveau van 2019. Het aantal vestigingen ligt wel boven het niveau van 2019 (zie afb. 3.14).

Afb. 3.14 Vestigingen en banen in de toerisme Amsterdam (en Weesp) naar sector, 20142024

In de toerismesector is het overgrote deel van de vestigingen te vinden bij de branches ‘restaurants en cafés’ en ‘personenvervoer’, waar de taxi- en de rondvaartbedrijven onder vallen (zie afb. 3.14). Het feit dat de grote hoeveelheid vestigingen een betrekkelijk kleine hoeveelheid banen laat zien, betekent dat het om veel kleine ondernemers en zzp’ers gaat. Bij restaurants en cafés werken bijvoorbeeld veel tijdelijke krachten, oproepkrachten en werknemers met een contract voor een of twee dagen in de week. De groei van het aantal banen in de reisorganisatiebranche tussen 2018 en 2019 is deels het gevolg van een snelle groei van internationale internetdiensten als Booking.com en deels toe te schrijven aan een administratieve wijziging in de LISA data in 2019. Steeds minder winkels in niet-dagelijks segment door toename online aankopen Bedrijven in detailhandel bedienen zowel de inwoners van Amsterdam als bezoekers en maken ook deel uit van de Amsterdamse bezoekerseconomie. Uit figuur 3.15 blijkt dat het aantal vestigingen in het niet-dagelijkse boodschappensegment al jaren aan het dalen is. Het aantal vestigingen voor dagelijkse boodschappen, grotendeels supermarkten is gelijk gebleven. Opvallend genoeg heeft de afname van het aantal winkels niet geleid tot een vergelijkbare daling van de winkelvloeroppervlakte.

De winkelvloeroppervlakte is de oppervlakte van het winkelpand dat toegankelijk is voor publiek. In 2025 is de totale winkelvloeroppervlakte 1.063.181 m2 tegenover 1.073.499 m2 in 2015, ofwel 1 procent lager. De daling is vooral het gevolg van een afname van de winkelvloeroppervlakte in het niet-dagelijkse boodschappensegment. De oppervlakte van winkels in het dagelijkse boodschappensegment steeg

aantal vestigingen 100.000

50.000

0 aantal banen 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

2014

2016

2018

2020

2022

2024

cultuur, recreatie en detailhandel

restaurants en cafés

logies/overnachtingen

personenvervoer

reisorganisatie en bemiddeling bron: LISA, bewerking O&S

juist iets. De belangrijkste reden hiervoor is dat consumenten steeds minder in winkels kopen en juist meer producten online. Levensmiddelen worden nog wel in fysieke winkels gekocht (Monitor Detailhandel 2024).

Afb. 3.15 Verkooppunten en winkelvloeroppervlakte in de detailhandel Amsterdam (en Weesp), 2015-2025 (peildatum 1 januari) aantal vestigingen

winkelvloeroppervlakte (m2)

4.500

900.000

4.000

800.000

3.500

700.000

3.000

600.000

2.500

500.000

2.000

400.000

1.500

300.000

1.000

200.000

500

100.000 0

0 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

detailhandel dagelijks

2015

2016

2017

detailhandel niet-dagelijks

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

bron: Locatus, bewerking O&S

62

De Staat van de Stad Amsterdam XIII

Verduurzaming van de economie De huidige economische systemen zijn sterk afhankelijk van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, zoals fossiele brandstoffen en grondstoffen. Het gebruik van dit soort natuurlijke hulpbronnen zonder maatregelen om neveneffecten van het gebruik tegen te gaan belast het milieu. Denk hierbij aan CO2-uitstoot, verlies van biodiversiteit en vervuiling. De gevolgen hiervan, zoals klimaatverandering, grondstoffenschaarste en ecologische ontwrichting, raken ook stedelijke regio’s als Amsterdam.

Afb. 3.16 Bruto regionaal product en Direct Material Input (DMI), Amsterdam, 2015-2023 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0 2015

2016

2017

2018

2019

Brp constante prijzen 2021 (x mln euro)

2020

2021

2022

2023

DMI mln kilo

bron: CBS Statline & O&S Circulaire Economie Monitor

De transitie naar een duurzame economie kan helpen om deze uitdagingen aan te pakken. Dit betekent dat economische groei niet langer gepaard mag gaan met een steeds hogere ecologische voetafdruk. In plaats daarvan moet de economie toekomstbestendig worden ingericht: met efficiënter gebruik van energie en grondstoffen, minder uitstoot en meer hergebruik van materialen. In het huidige hoofdstuk wordt getoond hoe de verduurzaming in de Amsterdamse economie zich op een aantal punten manifesteert. Economische groei en materiaalverbruik zijn historisch sterk gecorreleerd. Direct Material Input (DMI) meet de totale hoeveelheid materialen (zoals fossiele brandstoffen, ertsen of biomassa) die een economie invoert of intern ontgint voor gebruik in productie en consumptie. Traditioneel groeit de DMI mee met het bbp, namelijk hoe meer economische activiteit, hoe meer grondstoffen er nodig zijn. In het duurzaamheidsbeleid wordt juist gestreefd naar de ontkoppeling van bbp en de DMI. In afbeelding 3.16 is de ontwikkeling van de Amsterdamse brp en DMI te zien. Het Amsterdamse brp blijft stijgen terwijl het materiaalverbruik (de DMI) lichtelijk daalt. Dit lijkt te wijzen op een absolute ontkoppeling tussen het brp en de DMI.

Een van de redenen voor deze ontwikkeling kan zijn dat de Amsterdamse economie in toenemende mate uit diensten bestaat die waarde toevoegen maar niet heel materiaalintensief zijn. Verhoogde efficiëntie in materiaalgebruik, door technologische innovaties of circulariteit, kan er ook aan bijdragen dat de economie minder materiaalintensief wordt.

Afb. 3.17 Energieverbruik, werkgelegenheid en toegevoegde waarde Amsterdamse

De diensteneconomie van Amsterdam zorgt voor lagere materiaalintensiteit Een voorbeeld van de aanspraak op natuurlijke hulpbronnen of materiaalintensiteit is het gebruik van fossiele grondstoffen voor energie in de verschillende sectoren van de economie. Afbeelding 3.17 geeft aan welke sectoren in de Amsterdamse economie energie-intensief zijn en welke minder. Tegelijkertijd geeft de afbeelding weer welke bijdrage de sector levert aan de werkgelegenheid en voor hoeveel toegevoegde waarde (TW) het zorgt. De industrie bijvoorbeeld is een energie-intensieve sector. Het zorgt voor bijna een kwart van het energieverbruik in de stad. Dit staat in contrast met het relatief lage aandeel in de werkgelegenheid en toegevoegde waarde, die beide lager dan de 5 procent liggen.

economie, 2022 en 2023 Industrie Informatie en communicatie Horeca Gezondheids- en welzijnszorg Vervoer en opslag Groot-en detailhandel Specialistische zakelijke diensten Verhuur en handel van onroerend goed Onderwijs Cultuur, sport en recreatie Openbaar bestuur en overheidsdiensten Energie, water en afvalbeheer Financiële dienstverlening Overige dienstverlening Bouwnijverheid Verhuur en overige zakelijke diensten Delfstoffenwinning Landbouw, bosbouw en visserij 0%

5%

10%

15%

aandeel in werkgelegenheid (2022)

20%

25%

aandeel in TW (2022)

aandeel in energieverbruik (2023)

bron: EVMRA & Klimaatmonitor

Zoals de ontkoppeling tussen de BRP en de DMI in de bovenstaande afbeelding al hintte, zien we ook in deze figuur de verdienstelijking van de Amsterdamse economie. Ook in het geval van enkel de fossiele grondstoffen (voor energieverbruik) zien we een positieve uitwerking van de verdienstelijking. De sectoren financiële dienstverlening, specialistische zakelijke diensten en verhuur en zakelijke diensten vallen op vanwege het hoge aandeel in de toegevoegde waarde en werkgelegenheid terwijl het aandeel in energieverbruik juist zeer laag is. Dit wijst erop dat deze sectoren relatief veel economische

3 | Economie

waarde genereren per werknemer, met een lage energie-intensiteit. Niet alle dienstensectoren zijn hetzelfde. De dienstensectoren horeca en vervoer en opslag zijn energie-intensief maar beperkt in aandeel in toegevoegde waarde of werkgelegenheid. Door innovatie op het gebied van energievoorzieningen - meer hernieuwbare energieopwekking -kan de ecologische impact van energie-intensieve sectoren verkleind worden. Zoals hierboven aangegeven kan de circulaire economie ook de materiaalintensiteit van de economie verlagen doordat er efficiënter en innovatiever met materialen en grondstoffen om wordt gegaan. Sectoren die de grondstoffenintensiteit van de economie kunnen verlagen, zijn onder andere dienstensectoren die bijdragen aan levensduurverlenging van producten en materialen (zoals reparatie, verhuur of ‘product as a service’). Gematigde banengroei in circulaire economie na corona Afbeelding 3.18 laat de ontwikkeling zien van de werkgelegenheid in de circulaire economie in Amsterdam in de afgelopen tien jaar. Tussen 2015 en 2020 is het aantal banen in de circulaire economie met 10 procent gestegen. Deze stijging komt met name door de toename van banen in de reparatiesector, in het bijzonder de reparatie van computers. Na 2020 vlakt deze groei af. Tussen 2020 en 2024 is er een verdere stijging van 2,5 procent in het aantal banen, wat wijst op een voortgezette maar gematigde groei.

Het is belangrijk op te

63

merken dat dit een nauwe definitie betreft van circulaire activiteiten dat mogelijk niet alle vormen van circulaire economie dekt, zoals activiteiten die indirect aan de circulaire economie bijdragen. Het stimuleren van de circulaire economie draagt niet alleen bij aan de verduurzaming van de economie, maar kan ook bijdragen aan het verkleinen van afhankelijkheid van bepaalde regio’s of landen die om politieke, economische of ecologische redenen als problematisch worden gezien. Het grootste deel (60 procent) van de Nederlandse import komt momenteel uit Europese landen, waarbij bijna een derde afkomstig is uit Duitsland en België. Zeven procent van de import komt uit Amerika en 3 procent uit Rusland, Oekraïne of Turkije.

Afb. 3.18 Werkgelegenheid Circulaire Economie, Amsterdam, 2015, 2020 en 2024 Banen 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

2015 Reuse

2020 Repair

Recycle

2024 bron: Lisa

64

De Staat van de Stad Amsterdam XIII

Literatuurlijst

KvK. (2024, maart 7). Aantal zzp’ers afgelopen tien jaar met 85% gestegen. Kamer van Koophandel. Opgehaald van

CBS. (2023, november 21). Zzp’er in zorg en welzijn kiest vooral

https://www.kvk.nl/pers/aantal-zzpers-afgelopen-tien-jaar-met-

voor onafhankelijkheid. Opgehaald van https://www.cbs.nl/nl-nl/

85-gestegen/

nieuws/2023/47/zzp-er-in-zorg-en-welzijn-kiest-vooral-vooronafhankelijkheid

O&S. (2025). Onderzoek toeristisch dagbezoek in Amsterdam. Opgehaald van https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/

CBS. (2025, mei 8). Afname aantal zzp’ers na jarenlange stijging.

onderzoek-toeristisch-dagbezoek-in-amsterdam

Opgehaald van https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/19/afnameaantal-zzp-ers-na-jarenlange-stijging

RaboResearch. (2025). Regioprognoses: in alle Nederlandse regio’s groei verwacht; maar onzekerheid groot door

CBS. (2025). De regionale economie 2024. Opgehaald van

geopolitieke situatie. Opgehaald van https://www.rabobank.nl/

https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2025/de-regionale-

kennis/d011470220-regioprognoses-in-alle-nederlandse-regios-

economie-2024/2-economische-groei

groei-verwacht-maar-onzekerheid-groot-door-geopolitiekesituatie

EVMRA. (2025). De Economische Verkenningen Metropoolregio Amsterdam 2025. Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek, TNO, Vrije Universiteit Amsterdam in opdracht van Platform Economie Metropoolregio Amsterdam. Opgehaald van www.metropoolregioamsterdam.nl/evmra

4

Duurzaamheid In een duurzame wereld zijn mens, milieu en economie met elkaar in evenwicht, waardoor de aarde niet wordt uitgeput. Dat betekent enerzijds dat de stad behouden moet worden voor de toekomst en anderzijds dat de leefomstandigheden op de planeet gunstig moeten blijven voor de mensheid. Die omstandigheden worden bepaald door ‘planetaire grenzen’, waar wij als stad weer invloed op hebben door onze keuzes. In dit hoofdstuk worden deze grenzen beschreven en voorzien van context en cijfers uit de stad. Auteurs: Mersiha Tepić, Nico de Graaff, Merel Kieft, Geert Buis, Sjors Verhaar & Jorren Bosga

66

De Staat van de Stad Amsterdam XIII

Kernpunten ‘ Planetaire grenzen worden

‘ Minder vlees eten kan de CO2-

wereld­wijd overschreden; Amsterdamse inwoners en bedrijven dragen hieraan bij door consumptie van grondstoffen en spullen. ‘ Structurele daling in grondstoffen­ gebruik is nodig om klimaat­ opwarming te verkleinen. ‘ Veertig procent van het grondstoffengebruik in Amsterdam betreft fossiele grondstoffen. ‘ Mede door meer geïsoleerde woningen is er een daling in aardgas­ verbruik, ondanks de groei van de stad. Ongeveer een vijfde van de gebouwde omgeving is aardgasvrij. ‘ Opwekking van zonne- en windenergie neemt toe. In 2024 werd 60 procent van de hernieuwbare elektriciteit in Amsterdam opgewekt door zon en 40 procent door wind. Dat is maar 7 procent van de totale elektriciteitsbehoefte in Amsterdam in 2023. ‘ De helft van de Amsterdammers koopt minder nieuwe spullen en eet minder dierlijke producten vanwege het klimaat.

uitstoot van het Amsterdamse dieet met 15 procent verlagen. ‘ In Amsterdam wordt 166 kiloton voedsel per jaar verspild. Ongeveer de helft van deze verspilling vindt plaats in de horeca en bij huishoudens. ‘ Minder consumptie van elektronica en kleding bespaart ook CO2uitstoot elders; ruim 60 procent van de Amsterdammers koopt elke 6 maanden of vaker nieuwe kleding. ‘ De voornaamste gevolgen van klimaatverandering voor de stad zijn hittestress, wateroverlast, droogte en toenemend risico op overstromingen. Sommige groepen, zoals ouderen en bewoners met een lage sociaaleconomische status, zijn daar kwetsbaarder voor. ‘ Fijnstof PM10 voldoet ook in 2024 aan WHO adviesrichtlijn. ‘ In Amsterdam zijn er gemiddeld 4.800 deeltjes microplastics per kilogram aarde. ‘ De drinkwater-richtwaarde voor PFAS is niet gehaald in 2023. Wel is

Planetaire grenzen worden wereldwijd overschreden De planetaire grenzen zijn door onderzoekers opgesteld als belangrijke graadmeter voor de staat van de planeet. Als we binnen deze grenzen blijven, blijven de leefomstandigheden op aarde voor mens, dier en andere levende wezens prettig en stabiel. Als we daarbuiten gaan, kunnen er grote veranderingen plaatsvinden die niet meer terug te draaien zijn. Denk bijvoorbeeld aan klimaatverandering. Als de concentratie broeikasgassen te lang te hoog is leidt dat tot opwarming van de planeet – wat weer zeespiegelstijging, droogten, en extreem weer veroorzaakt. De aarde raakt uit balans. Er zijn tot nu toe negen van deze ‘planetaire grenzen’ gevonden (Stockholm Resilience Centre, Stockholm University, 2003). Hoe meer van die grenzen we overschrijden, hoe groter het risico dat de leefomstandigheden op de planeet verslechteren. Dat is een groot risico voor de brede welvaart van latere generaties. Op dit moment worden wereldwijd verschillende planetaire grenzen overschreden. In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan de druk die Amsterdam uitoefent op de planetaire grenzen en wat er gedaan wordt om die druk te verminderen of de stad voor te bereiden op de gevolgen van die overschrijding. In dit rapport worden aan elkaar gerelateerde planetaire grenzen als een gezamenlijk thema besproken. Dat zijn: 1) Klimaatverandering en

de hoeveelheid PFAS in drinkwater afgenomen, dankzij het vaker schoonmaken van koolstoffilters. ‘ De Amsterdammer verbruikte in 2024 gemiddeld 152 liter water per dag, een stijging van 10 liter ten opzichte van 2021. ‘ Wereldwijd neemt biodiversiteit af; 37 procent van de inheemse wilde plantensoorten in Nederland dreigen te verdwijnen. Ongeveer driekwart van de Nederlandse plantensoorten komt in Amsterdam voor. ‘ In Amsterdam zien we meer watervogels en bosvogels dan 30 jaar geleden. Maar het gaat slechter met weidevogels, padden en bruine kikkers. Vlinders doen het landelijk slecht, maar in Amsterdam iets beter. Er zijn meer libellen door klimaatverandering (39 soorten).

oceaanverzuring, 2) Door de mens gemaakte stoffen, aerosolen, fosfor en stikstof, 3) Zoetwatergebruik en 4) Landgebruik en leven op aarde. In een uitgelicht kader worden de planetaire grenzen uitgelegd, gevolgd door wat dat betekent voor Amsterdam.

Klimaatverandering en oceaanverzuring Klimaatverandering Klimaatverandering gaat over de temperatuur, neerslag en luchtdruk op aarde die de omstandigheden voor het leven op aarde beïnvloeden. Een warmer klimaat leidt tot zeespiegelstijging, extremer weer en veranderingen in neerslag. De aarde is al 1,3 graad warmer dan in 1900 door menselijke uitstoot van broeikasgassen. In het klimaatakkoord van Parijs is afgesproken de opwarming onder de 2 graden te houden, met een streven naar 1,5 graad. De CO2-concentratie was in 2019 wereldwijd gemiddeld 410 ppm, terwijl 350 ppm het pre-industriële niveau is. Oceaanverzuring Oceanen nemen ongeveer een kwart van de menselijke CO2-uitstoot op, wat leidt tot verzuring van het zeewater. Dit bedreigt

67

4 | Duurzaamheid

Afb. 4.1 Uitleg betekenis van scope 1, 2 en 3 CO2e uitstoot Scope 1

Scope 2

Scope 3

bron: O&S

Afb. 4.2 Uitstoot van CO2e in en buiten Amsterdam, 2017-2023 kiloton 25.000

koraal en schelpdieren, die essentieel zijn voor het mariene ecosysteem. De grens wordt bepaald door de verzadiging van aragoniet, de stof waar schelpen van gemaakt zijn. Deze is gedaald van 3,44 Ω voor de industriële revolutie naar 2,9 Ω. Bij een waarde onder 1 lossen schelpen op, en bij 2,75 Ω wordt het moeilijker schelpen te maken. De waarde ligt momenteel binnen de grens, maar dit hangt af van de CO2-reductie. Deze grens wordt samen met klimaatverandering besproken vanwege de invloed van CO2-uitstoot.

20.000

15.000

10.000

5.000

0 2017

CO2-uitstoot door materiaalgebruik is vier keer groter dan uitstoot door energieverbruik De uitstoot van broeikasgassen wordt vaak ingedeeld in drie ‘scopes’. In scope 1 zitten alle directe emissies binnen een gebied, bijvoorbeeld door verkeer binnen de stad. Scope 2 bevat emissies door energieverbruik in de stad (ook als die elders plaatsvinden bijvoorbeeld door elektriciteitsproductie op een andere plek). Alle andere indirecte emissies vallen in scope 3. Dat zijn bijvoorbeeld emissies buiten de stad door winning, productie, en vervoer van alle in de stad geconsumeerde spullen. In afbeelding 4.2 is de CO2-uitstoot binnen de stad en buiten de stad te zien. Uitstoot binnen de stad neemt sinds 2017 langzaam af. Daar zijn de huidige beleidsdoelstellingen ook op gericht: De gemeente Amsterdam wil de CO2-uitstoot op haar grondgebied met 60 procent terugdringen in 2030 en tot 100 procent in 2050, ten opzichte van het peiljaar 1990 (Gemeente Amsterdam, 2023). In 2023 was de CO2 uitstoot in Amsterdam 10 procent lager dan in 1990 met AEB meegeteld en 20 procent lager als AEB niet mee wordt geteld in de huidige CO2uitstoot. De meeste uitstoot vindt echter plaats buiten Amsterdam. De uitstoot buiten de stad, al gevolg van materiaalgebruik in de stad, is vier keer groter dan de uitstoot binnen de stad (als gevolg van energie- en brandstofverbruik).

80 procent van de totale CO2 uitstoot die we als stad veroorzaken vindt plaats in de keten (zoals productie, vervoer en winning van grondstoffen).

2018

2019

2020

2021

CO2 uitstoot buiten de stad (scope 3)

2022

2023

CO2 uitstoot binnen de stad (scope 1 en 2) bron: CBS/bewerking O&S

Afb. 4.3 Mate waarin Amsterdammers zich zorgen maken over klimaatverandering, 2024 (procenten)

46

0%

10%

20%

32

30%

40%

50%

60%

10

70%

80%

veel zorgen

enige zorgen

weinig zorgen

geen zorgen

weet niet / geen antwoord

niet ingevuld

Acht op de tien Amsterdammers maken zich zorgen over klimaat en duurzaamheid Het besef en urgentie over klimaatverandering is wel degelijk aanwezig in de Amsterdamse samenleving. In De Staat van de Stad 2024 enquête is aan Amsterdammers van 18 jaar en ouder gevraagd in hoeverre ze zich zorgen maken om zaken die met klimaatverandering en duurzaamheid te maken hebben. Bijna de helft van de Amsterdammers (46 procent) geeft aan zich veel zorgen te maken hierover (zie afb. 4.3). Nog eens 32 procent maakt zich enige zorgen. Zo’n 10 procent maakt zich weinig tot geen zorgen en 6 procent weet het niet. Structurele daling in materiaalgebruik nodig om bijdrage aan klimaatopwarming te verkleinen Met name het gebruik van nieuwe en niethernieuwbare grondstoffen (zoals fossiele brand­ stoffen) veroorzaakt milieueffecten die voor druk op de planetaire grenzen zorgen. Het circulaire beleid is erop gericht om in 2030 een halvering van het

5

90%

5

2

100%

68

De Staat van de Stad Amsterdam XIII

De landelijke circulaire economie doelstellingen zijn recent bijgesteld. Een van deze doelen is dat meer van het gebruikte materiaal organisch (zoals uit planten en dieren) en/of hergebruikt is. Dit aandeel moet groeien naar 55 procent in 2035 ten opzichte van 2016. In 2023 was ongeveer een derde van het totale grondstoffengebruik organisch en/of hergebruikt. Ook is het doel om in totaal 15 procent minder grondstoffen te gebruiken in 2035 dan in 2016. In 2023 gebruikten we al ongeveer een kwart minder grondstoffen en materialen in de Amsterdamse economie dan in 2016.

Afb. 4.4 Nieuw niet-hernieuwbaar grondstoffengebruik, Amsterdam, 2015-2023, met lineair reductiepad naar doelstelling mld kilogram 30 25 20 15 10 5 0

2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030

gewicht

bovengrens

ondergrens

reductiedoel bron: CBS, bewerking O&S

Afb. 4.5 Direct grondstoffengebruik voor de gehele economie Amsterdam (mln kilogram), 2015-2023

11.145

0

2.000

4.000

6.000

Veertig procent grondstoffengebruik betreft fossiele grondstoffen Nieuw, niet-hernieuwbaar grondstoffengebruik vormt ongeveer 65 procent van het totale grondstoffengebruik in de Amsterdamse economie. Het totale grondstoffenverbruik, dus inclusief hernieuwbare grondstoffen, wordt ook wel direct grondstoffengebruik genoemd. Van het directe grondstoffengebruik wordt 40 procent geconsumeerd in de stad en 60 procent wordt bewerkt of in productie gebruikt waarna het als export weer de stad verlaat.

8.140

8.000

overige grondstoffen en materialen

10.000

12.000

14.000

16.000

18.000

20.000

fossiele grondstoffen bron: CBS, bewerking O&S

Afb. 4.6 Energieverbruik in Amsterdam, 2019-2023

Veertig procent van in de stad gebruikte grondstoffen en materialen is van fossiele oorsprong (zie afb. 4.5). Dit is met name aardgas voor verwarming van woningen, daarnaast is het wordt olie gebruikt als brandstof voor auto’s en andere voertuigen of als energiebron om spullen te produceren. Daling in aardgasverbruik ondanks groei van de stad, mede door meer geïsoleerde woningen Het energieverbruik in Amsterdam is afgenomen, ondanks een groei van het aantal inwoners en de economie. Ten opzichte van 2019 gebruiken we per Amsterdammer circa 12% minder energie. Deze daling komt door een lager aardgasverbruik (-22%) en een lager verbruik van voertuigbrandstoffen (-13%, zie afb. 4.6).

60.000

50.000

40.000

30.000

20.000

10.000

0 2019

2020

2021

Aardgas

Stadswarmte

Elektriciteit

2022

2023

Voertuigbrandstoffen

bron: Klimaatmonitor, bewerking O&S

gebruik van nieuwe grondstoffen te bereiken, en om in 2050 een volledig circulaire stad te zijn. Over de periode 2015 tot en met 2023 zien we een lichte daling in nieuw niet-hernieuwbaar grondstoffengebruik in Amsterdam; van 17 miljard kilo in 2015 naar 14 miljard kilo in 2023 (zie afb. 4.4). Deze daling is nog niet structureel te noemen en komt nog niet in de buurt van een halvering. Wel is het grondstoffengebruik lager dan in de afgelopen 8 jaar.

Bijna 70 procent van het aardgas wordt verbruikt door kleinverbruikers zoals woningen en gebouwen waar winkels, scholen of kantoren in zitten. De belangrijkste reden voor verlaging in gasverbruik is het lager zetten van de thermostaat door Amsterdammers als gevolg van structureel hogere gasprijzen. Betere isolatie maar ook kleine energiebesparende maatregelen (radiatorfolie, tochtstrips, etc.) en grotere maatregelen zoals de overstap naar een warmtepomp zijn onderdeel van de verklaring voor de afname in het gasverbruik. Een van de maatregelen die de gemeente heeft genomen is het isolatieoffensief. Daarmee stimuleert de gemeente bewoners, maar ook midden-, en kleinbedrijf en maatschappelijke instellingen om energie te besparen. In het Klimaatakkoord is afgesproken om tot 2030 alle woningen met een E, F, of G label te verbeteren.In Amsterdam zijn er nog 49 duizend woningen met een E, F of G label. Dat is 10 procent van de woningvoorraad (zie afb. 4.7).

69

4 | Duurzaamheid

Daarnaast was in 2024 van 130 duizend woningen, dat is 27 procent van de woningvoorraad, het energielabel nog onbekend. Een deel van deze woningen zal een E, F, of G label toegekend krijgen. Uit het Wonen in de MRA-onderzoek blijkt dat nietgeïsoleerde woningen vooral voorkomen onder sociale particuliere verhuur (O&S, 2024).

Afb. 4.7 Percentage woningen naar woningvoorraad in Amsterdam naar energielabel, 2020-2024 100% 90% 80% 70% 60%

Ondanks afname nog steeds energiearmoede onder eenpersoonshuishoudens en huurders In 2023 had 7 procent van de Amsterdammers te maken met energiearmoede. Zij kampten met hoge energielasten en/of een slecht geïsoleerde woning. Dat aandeel is hoger dan de 5 procent dat het gemiddelde is in Nederland. Het aandeel huishoudens in energiearmoede daalt wel sinds 2019 in Amsterdam (zie afb. 4.8). In 2022 hebben de compensatiemaatregelen door de overheid de groei van energiearmoede afgeremd. Ondanks de daling in energieprijzen in 2023 ten opzichte van 2022, is energiearmoede in de stad in 2023 weer een beetje hoger dan in het jaar ervoor. In 2023 waren er ook compensatiemaatregelen voor de energierekening voor huishoudens die de energierekening niet konden betalen. De compensatie in 2023 was lager omdat in 2022 extra compensatie werd gegeven vanwege de energiecrisis. In Amsterdam komt energiearmoede vooral voor onder eenpersoonshuishoudens (65 procent versus 7 procent in Amsterdam gemiddeld). Ook komt het vaker voor onder bewoners die in corporatiewoningen wonen (65 procent) of in overige particuliere verhuur (30 procent versus 5 procent in koopwoningen). Het komt even vaak voor onder werkenden als onder Amsterdammers met een uitkering of pensioen.

36

37

10

10

25

24

50% 40%

29

27

11

10

27

27

24 10

27

30% 20% 10% 0%

28

2020 A t/m B

33

29

18

2021 C t/m D

2022 E t/m G

36

39

2023

2024

onbekend bron: O&S

Afb. 4.8 Energiearmoede Amsterdam, 2023 20% 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6%

12 9

4% 2% 0%

9

2019

7

6

18 2020

2021

* laag inkomen met óf een hoge energierekening óf een woning

2022

2023 bron: TNO

met een lage energetische kwaliteit

Afb. 4.9 Percentage aardgasvrije woningen per buurt, begin 2025

geen data 0 – 10% 10 – 20% 20 – 40% 40 – 70% 70 – 100%

bron: Liander, bewerking O&S

70

De Staat van de Stad Amsterdam XIII

Afb. 4.10 Totaal opgesteld vermogen van zonne-energie in Amsterdam, 2019-2024 MWp 600

550

500 400 322

300 200 82

100 0

2019

2020

Realisatie

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Doel bron: Liander/bewerking O&S

Afb. 4.11 Aantal elektriciteitshuisjes Amsterdam, 2021-2024 6.000 5.100

5.000 4.000 3.000

2.300

2.385

2.479

2.579

2021

2022

2023

2024

Realisatie

Doel

2.000 1.000 0

2050 bron: Liander

Ongeveer een vijfde van de gebouwde omgeving is aardgasvrij Het verminderen van aardgasgebruik en het vervangen van aardas voor hernieuwbare energie (zoals duurzame warmtebronnen of duurzaam opgewekte elektriciteit door zon en of wind). Gebouwen die vanaf 2020 zijn gebouwd, zijn sowieso aardgasvrij. Volgens netbeheerder Liander zijn begin 2025 15 procent van de woningen (die voor 2020 gebouwd zijn) aardgasvrij en 36 procent van de overige gebouwen. Dat wil zeggen dat 21 procent van alle woningen in Amsterdam aardgasvrij is. Op sommige plekken in de stad zijn meer aardgasvrije woningen dan andere plekken. In Zeeburg, Ijburg en de buurten rondom de ring in West en delen van Noord en Zuidoost zijn relatief veel aardgasvrije woningen. Deze plekken zijn aangesloten op het warmtenet (zie afb. 4.9). Toename opwekking van zonne- en windenergie Een deel van ons totale energieverbruik bestaat uit verbruik van elektriciteit. Hoe meer de elektriciteitsbehoefte gevoed kan worden door hernieuwbare elektriciteit, hoe minder CO2-uitstoot er is. De gemeente Amsterdam had dan ook de doelstelling om in 2023 250 megawatt (MW) aan zonnepanelen op de daken te hebben, en in 2030 de helft van alle geschikte daken benut te hebben voor zonne-energie (550 MW). Het uiteindelijke doel is om in 2040 al het geschikte dakoppervlak optimaal te benutten voor zonne-energie (1.100 MW). Het

opgesteld vermogen van zonnepanelen kwam in het derde kwartaal van 2024 uit op de 322 megawatt (MW). Het doel om in 2025 350 MW aan opgesteld vermogen te halen is dus in zicht. Om het doel van 2030 te halen, moet het vermogen jaarlijks met gemiddeld 38 MW toenemen. Om het doel van 2040 te halen (1.100 MW) moet er vanaf 2030 jaarlijks nog 55 MW bij, dat zijn in totaal nog 150.000 tot 170.000 zonnepanelen. In 2024 is het aantal windturbines in Amsterdam gestegen van 28 naar 32 windturbines, met een gezamenlijk opgesteld vermogen van 84 MW. Dit is ongeveer 66 procent van de doelstelling. In de aankomende jaren, tot 2030, moet er nog 43 MW bijkomen om de doelstelling van 127 MW te halen. In totaal werd in 2024 met wind en zon lokaal zo’n 1.288 TJ opgewekt; 60 procent hiervan is opwek door zon en 40 procent opwek door wind. Dat is 7 procent van de totale elektriciteitsbehoefte in Amsterdam in 2023. Door toenemend elektriciteitsverbruik netverzwaring nodig Doordat de stad groeit en steeds meer elektriciteit wordt gebruikt, dreigt er overbelasting van het elektriciteitsnet (netcongestie). Er zijn daarom veel nieuwe kabels en elektriciteitshuisjes nodig om aan alle huidige en toekomstige gebruikers voldoende stroom te kunnen leveren.

Volgens het hoge scenario in het Ontwikkelperspectief Distributienet Amsterdam (OP), is een verdubbeling van het aantal elektriciteitshuisjes, ook wel middenspanningsruimtes (MSR’s), nodig voor een toekomstbestendig stroom­ netwerk (Gemeente Amsterdam, 2024). In 2024 waren er 2.579 elektriciteitshuisjes (zie afb. 4.11). Tot aan 2050 zouden er circa 2.600 MSR’s moeten worden bijgebouwd. Waarvan 1.200 in de stad. Voor veel Amsterdamse bedrijven netcongestie lastig onderwerp vanwege de technische aard In een recente enquête van O&S is aan werkgevers van bedrijfsvestigingen in Amsterdam gevraagd in hoeverre ze obstakels ondervinden bij verduurzamen als gevolg van netcongestie (O&S, 2025). Een klein deel van de bedrijven, 7 procent, geeft aan de elektriciteitsaansluiting niet te kunnen uitbreiden als gevolg van netcongestie. Diegenen die wel maatregelen nemen om netcongestie problemen om te gaan, nemen meestal makkelijke maatregelen, zoals het verdelen van het stroomverbruik en het slim laden van voertuigen om zo het piekverbruik van elektriciteit te verlagen. Opvallend is dat veel respondenten geen antwoord kunnen geven op de vraag over maatregelen om netcongestie tegen te gaan. Dat geeft aan dat weinig respondenten grip hebben op dit onderwerp vanwege de technische aard ervan.

CO2-uitstoot buiten Amsterdam ook door andere grondstoffen dan fossiel Zoals in afbeelding 4.2 al is aangegeven, veroorzaakt Amsterdam CO2-uitstoot op andere plekken op de wereld door gebruik van grondstoffen en materialen. Bij de winning en/of productie hiervan komt CO2 vrij en draagt bij aan klimaatverandering. We gebruiken

71

4 | Duurzaamheid

grondstoffen en materialen in de stad deels voor productie en deels voor consumptie. Twee derde van alle grondstoffen en materialen wordt gebruikt voor productie, waarvan een groot deel als product wordt geëxporteerd. Het overgebleven deel wordt in de stad geconsumeerd door dienstverlenende bedrijven (dat uiteindelijk bij de consument belandt), huishoudens of overheid.

Afb. 4.12 Uitstoot van scope 3 CO2e (kton) en materiaalconsumptie (mln kg) naar productgroepen, Amsterdam, 2023 Brandstoffen zoals benzine Vlees en vis Dierlijke en plantaardige oliën en vetten Zuivel Bewerkte voedingsmiddelen en tabaksproducten Dranken

Ongeveer 30 procent van het materiaal dat Groenten en fruit geconsumeerd wordt in de stad, betreft materialen Aardappelen en granen die in de bouw worden gebruikt, zoals hout, glas Andere dierlijke biomassa zoals levende dieren en keramiek, cement, steen en zand. Naast fossiele Andere plantaardige biomassa zoals bloemen, soja, zaden brandstoffen maakt voedsel en andere biomassa Meubilair ook een groot deel uit van de consumptie in de stad. Kleding en artikelen van bont 20 procent van de consumptie is voedsel en andere Textiel biomassa en dit heeft ook een grote milieuafdruk Leder en lederwaren Computers en overige elektrische machines/apparaten elders op de wereld. We zien wel een afname in Witgoed consumptie van voedsel en biomassa. Sinds 2015 is Bruingoed de consumptie hiervan met 40 procent afgenomen, Producten van de auto-industrie ondanks de groei van de stad. Er is vooral een afname Andere transportmiddelen in consumptie van zetmeel(producten), verwerkte Andere bouwmaterialen zoals beton, glas en hout groenten en fruit, oliën en vetten en dranken. Van de Steen, zand, grind, klei, turf en andere delfstoffen andere producten van plantaardige oorsprong zien 0 we afname in gebruik van producten zoals sojabonen, katoen, tabak, natuurlijk rubber, diervoer en planten en bloemen. Wat we in Amsterdam kopen en gebruiken, zorgt ook voor CO2-uitstoot in andere landen.

Fossiele grondstoffen zoals olie, gas en kolen hebben de grootste impact maken niet alleen CO2 als we ze gebruiken, maar ook als ze uit de grond worden gehaald, vervoerd en bewerkt. Daarna volgt voedsel en biomassa. Het verbouwen, vervoeren en maken van ons eten zorgt voor veel CO2. Vooral vlees en vleesproducten, bewerkt voedsel, en oliën en vetten zijn grote vervuilers. Onze spullen en vervoermiddelen maken per kilo veel CO2. Dit komt door het staal en metaal dat erin zit en de energie die nodig is om ze te maken. Materiaalgebruik in de bouw zorgt voor een relatief lage CO2-uitstoot, vanwege het grote gebruik van zand, grind en klei in de bouw. Deze grondstoffen zorgen voor relatief weinig CO2-uitstoot. Door minder olie, gas en kolen te gebruiken, maar ook door minder spullen te kopen en anders te eten, kan Amsterdam helpen de CO2uitstoot op wereldwijd niveau te verminderen. Helft van Amsterdammers koopt minder nieuwe spullen en eet minder dierlijke producten vanwege klimaat In De Staat van de Stad enquête is aan Amsterdammers gevraagd in welke mate men andere consumptiekeuzes maakt vanwege milieu en klimaat (zie afb. 4.13). Ongeveer de helft van de Amsterdammers geeft aan zo min mogelijk nieuwe spullen te kopen door spullen te laten repareren of tweedehands te kopen.

Minder vaak dan bij de vorige meting geven Amsterdammers aan minder of geen dierlijke producten te eten vanwege het milieu en het klimaat. Deze keer zegt 42 procent dat te doen; bij de vorige meting was dat 48 procent. Minder of niet met het vliegtuig op vakantie gaan wordt door 30 procent genoemd. Dat is iets lager dan de 35 procent bij de

1.000

CO2e

2.000

3.000

4.000

mln kg bron: CBS, bewerking O&S

Afb. 4.13 In hoeverre bent u het (on)eens met de volgende stellingen? 2024 (procenten) Ik laat mijn auto weleens staan om bij te dragen aan een beter milieu of klimaat (alleen autobezitters). Ik ga minder vaak of niet (meer) met het vliegtuig op vakantie vanwege het klimaat.

40

30

Ik eet minder of geen dierlijke producten omdat dat beter is voor het milieu.

42

Ik koop zo min mogelijk nieuwe spullen door bijv. kapotte te repareren.

49

0%

20% eens

40% oneens

vorige meting. Een groot deel van de respondenten heeft geen auto. Als we alleen naar de antwoorden van de autobezitters kijken dan geeft 40 procent aan de auto weleens te laten staan vanwege milieu/klimaat. Ongeveer een kwart doet dat niet. Minder vlees eten kan de CO2-uitstoot van het Amsterdamse dieet met 15 procent verlagen In een onderzoek in 2024 heeft O&S aan de hand van het dieet van Amsterdammers berekend hoeveel plantaardige en hoeveel dierlijke eiwitten gegeten worden (O&S, 2025). Het huidige dieet van Amsterdammers bestaat voor 48 procent uit plantaardige eiwitten. Het landelijke doel en het doel van de Amsterdamse Voedselstrategie is om een omwenteling te maken in het dieet naar 60 procent plantaardige eiwitten. Door die wijziging in het dieet kunnen Amsterdammers ongeveer 15 procent CO2-uitstoot besparen. Dat is ongeveer 270 kiloton CO2-uitstoot dat elders plaatsvindt door productie van voedsel.

23

36

37

34

31

27

19

32

60%

80%

geen antwoord/neutraal

100%

72

De Staat van de Stad Amsterdam XIII

Afb. 4.14 CO2-uitstoot voedselconsumptie Amsterdam in Kiloton, 2024

huidig dieet 48:52 plantaardig/dierlijk

650

dieet met 60:40 plantaardig/dierlijk

554

569

906

0

500

275

1000

dierlijk

plantaardig

-15% CO2 uitstoot

278

1500

2000

Voedselverspilling voorkomen reduceert ook CO2uitstoot In Amsterdam wordt 166 kiloton voedsel per jaar verspild. Ongeveer de helft van deze verspilling vindt plaats in de horeca en bij huishoudens. Ongeveer de andere helft vindt plaats in de voedselverwerkende industrie. Soms is verspilling onvermijdbaar, denk aan bananenschillen of eierschillen. Van de 82 kiloton verspilling bij horeca en huishoudens is 37 kiloton vermijdbare voedselverspilling (O&S, 2025).

dranken

bron: bewerking O&S enquête

Amsterdammers eten vaker vegetarisch dan landelijk. In totaal eet 19 procent van hen geen vlees, ten opzichte van 10 procent landelijk. Landelijk wordt er wel vaker minder vlees of vis gegeten, landelijk geeft 45 procent flexitariër te zijn dan in Amsterdam waar 37 procent dat aangeeft. In Amsterdam lijkt geslacht het meest bepalend in wel- versus geen of minder vlees eten. Ongeveer een kwart van de vrouwen eet geen vlees en 40 procent geeft aan flexitariër te zijn. Van de mannen eet 11 procent geen vlees en 30 procent is flexitariër. Er zijn ook verschillen naar culturele achtergrond. Zo geven Amsterdammers zonder migratieachtergrond vaker aan geen vlees te eten dan zij met een migratieachtergrond. Amsterdammers met een Turkse of Marokkaanse achtergrond eten het minst vaak geen vlees. Amsterdammers met een Surinaamse achtergrond geven wel vaak aan, 40 procent, flexitariër te zijn. Stadslandbouw kan leiden tot meer bewustzijn over de productie, distributie, bereiding en consumptie van voedsel en zo ook leiden tot een meer duurzamer gedrag op het gebied van voedsel. Deelname aan stadslandbouw in Amsterdam is nog beperkt (8%). Als Amsterdammers deelnemen aan de meer dan 200 stadslandbouwinitiatieven die Amsterdam rijk is, dan doen zij dat vooral om bij te dragen aan een beter milieu/klimaat.

Bijna alle Amsterdammers geven aan dat ze wel eens eten weggooien (90 procent) (O&S, 2025). De belangrijkste redenen zijn dat eten beschimmeld was geraakt of niet goed meer rook. Het komt ook voor dat producten over de datum zijn en worden weggegooid, terwijl deze nog wel gegeten hadden kunnen worden. Met het voorkomen van vermijdbare voedselverspilling van huishoudens zou 75 kiloton CO2-uitstoot voorkomen kunnen worden. Ook het voorkomen van vermijdbare voedselverspilling bij andere ketenspelers kan CO2-uitstoot voorkomen. In de Monitor Voedsel van Onderzoek en Statistiek is hier meer over te vinden (O&S, 2025). De impact van vlees, vleesproducten en vleesvervangers is het grootst. Ook al wordt er op jaarbasis ‘slechts’ 2 kiloton vlees, vleesproducten en vervangers verspild, zorgt dit voor 23 kiloton CO2-uitstoot. Dat is evenveel uitstoot als 15.000 auto’s die een jaar lang rijden. Om de klimaatimpact van voedselverspilling te verminderen, is dus met een kleine vermindering van verspilling veel winst te behalen. Minder consumptie van elektronica en kleding bespaart CO2-uitstoot door productie De helft van Amsterdammers geeft aan spullen te repareren om er langer mee te doen. In een O&S onderzoek is aan Amsterdammers gevraagd hoe vaak ze nieuwe kleding kopen, of ze tweedehands kleding kopen en of ze kleding repareren.

Ruim 60 procent van de Amsterdammers koopt elke 6 maanden of vaker nieuwe kleding (zie afb. 4.16). Vooral vrouwen, jongeren en Amsterdammers met een hoog inkomen kopen minimaal elk half jaar nieuwe kleding. Een kwart van de jongeren koopt wekelijks

Afb. 4.15 Mate waarin Amsterdammers minder of geen vlees/vis eten naar achtergrondkenmerken, 2024 (procenten)

Amsterdam

4

NL

5

6 45

12

2

5

4

geen migratieachtergrond

41 31

11

6

32

22 9

Suriname

8

4

7

Turkije/Marokko

37

3

5

vrouw man

9 2

0%

2

40

10% veganistisch

20% vegetarisch

30%

geen vlees, wel vis

40%

50%

60%

70%

flexitarier (minder vlees/vis) bron: O&S enquête

73

4 | Duurzaamheid

Afb. 4.16 Koopgedrag van kleding Amsterdammers, 2024 (procenten)

15

gemiddeld

47

18

vrouw

24

48

19

24

20-34 jaar

0% wekelijks/maandelijks

6

53

20

inkomen € 5001 of meer

9

56 20%

40%

eens per 3-6 maanden

jaarlijks

60% minder dan jaarlijks

80% alleen als nodig

2 3

3

6

16

21 4

19

3 2 100%

alleen tweedehands bron: O&S enquête

tot maandelijks nieuwe kleding. Vrouwen geven het vaakst aan ook tweedehands kleding te kopen, maar met 6 procent is dit een vrij klein aandeel. Het zijn ook vrouwen die meer dan gemiddeld aangeven kleding te repareren als iets kapot is, namelijk 67 procent van de vrouwen zegt dit te doen. Als het om elektronica gaat, bijvoorbeeld het aanschaffen van een smartphone, dan springen 35tot en met 49-jarigen en Amsterdammers met een hoog inkomen erbovenuit. Bijna een vijfde van deze groepen koopt tweejaarlijks of vaker een nieuwe smartphone. Gemiddeld is dit ongeveer 10 procent. Gemiddeld koopt 13 procent van de Amsterdammers wel eens een tweedehands smartphone. Zowel de grondstoffenwinning als het productieproces van kleding en elektronica gaat gepaard met schade aan het milieu, waaronder CO2-uitstoot. Hoe meer de levensduur van dit soort spullen wordt verlengd, hoe beperkter de schade voor het milieu en klimaat. Gevolgen klimaatverandering: hittestress, droogte, wateroverlast en verhoogd risico op overstromingen Het doel is om klimaatverandering tegen te gaan middels maatregelen en aanpassingen in de economie en gedrag om CO2-uitstoot te reduceren. Tegelijkertijd treft Amsterdam ook maatregelen om zich voor te bereiden op mogelijke gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme hitte, droogte, wateroverlast door hevige buien en kans op overstroming.

Om deze reden heeft de gemeente Amsterdam de ambitie geformuleerd om in 2050 zo goed mogelijk voorbereid te zijn op de gevolgen van klimaatveranderingen. Hittestress wordt in kaart gebracht op basis van de gemiddelde gevoelstemperatuur op 1 juli. De hittestresskaart laat zien dat op veel plekken in de openbare ruimte in Amsterdam, met name in de binnenstad, de gevoelstemperatuur minimaal 40 graden aantikt op een hittestresstestdag. Dat is vaker het geval in steden omdat daar vaak meer steen dan groen aanwezig is. Door te weinig regen en veel verdamping (door hitte) ontstaat droogte, dat tot bodemdaling, funderingsproblemen en verhoogd zoutgehalte in de bodem kan leiden.

Met name stadsdeel Centrum, de buurt ten zuiden van het Vondelpark, een deel van de Houthavens, en het gebied rondom de Linnaeuskade in Oost kampen met lage grondwaterstanden. Een aantal gebieden in Amsterdam, zoals in de Rivierenbuurt, de Bellamybuurt en rond A5 Westrandweg Noord, kennen extreem urgente regenwaterknelpunten. Straten of buurten hebben hier te maken met sterk verhoogde kans op overlast en schade bij extreme neerslag. Door reeds getroffen maatregelen is de kans op een overstroming in Amsterdam klein. Bijvoorbeeld aan de oostkant van stadsdeel Noord is er een kleine kans van 1/300 tot 1/3.000 per jaar op overstroming. Hitte kan ook gezondheidsproblemen veroorzaken. Mensen die tot een kwetsbare groep behoren, kunnen klachten krijgen zoals vermoeidheid, hoofdpijn en concentratieproblemen. Ook hebben zij meer kans op ernstigere gezondheidsproblemen, zoals uitdroging en hitteberoerte (RIVM, 2025). De impact van klimaatverandering is niet voor iedereen gelijk De gevolgen van klimaatverandering zijn verspreid over de hele stad. Verschillende gebieden zijn geclassificeerd als risicogebied en de inwoners van deze gebieden lopen grotere kans om getroffen te worden. Voor hitte geldt dat 80 procent (Gemeente Amsterdam, 2025a ) van de Amsterdammers in een risicogebied woont, voor droogte is dit 22 procent en voor wateroverlast 55 procent.

Hitte vormt vrijwel overal in de stad een groot risico, maar vooral voor huurders, ouderen, en mensen met een chronische ziekte. Droogte treft zowel woningeigenaren als huurders binnen de ring, terwijl wateroverlast een wijdverspreid probleem is en kan leiden tot vochten schimmelproblematiek. Nagenoeg iedereen zal gevolgen van klimaat­ verandering ervaren, maar de impact is niet voor iedereen gelijk. Sommige groepen hebben minder aanpassingsvermogen en zijn daardoor kwetsbaarder voor klimaateffecten. Zo hebben veel bewoners met een lage sociaaleconomische status in het Centrum, Tuindorp en Oostzaan groot risico op

74

De Staat van de Stad Amsterdam XIII

funderingsschade als gevolg van droogte. Voor deze groep zal het lastiger zijn maatregelen te nemen. Deze stapeling van blootstelling en kwetsbaarheid kan bestaande ongelijkheden in de stad verder vergroten.

Door de mens gemaakte stoffen Door de mens gemaakte stoffen in het milieu Deze planetaire grens, de atmosferische aanwezigheid van niet-natuurlijke stoffen, zoals plastics, fijnstof van menselijke oorsprong en chemische stoffen, die het mondiale ecosysteem beïnvloeden. Plastic in zee vormt gevaar voor zeedieren die het eten of erin verstrikt raken. Het breekt af tot microplastics die in de voedselketen terechtkomen, ook bij mensen. Microplastics zijn nu terug te vinden in ons bloed, darmen en hersenen. De effecten zijn vaak onbekend, maar sommige stoffen worden gelinkt aan kanker, verminderde vruchtbaarheid en neurologische aandoeningen. De productie van deze stoffen groeit sneller dan de wereldwijde capaciteit om ze veilig te beheren, waardoor de grens ruim wordt overschreden. Aerosolen in de atmosfeer Aerosolen zijn deeltjes in de lucht, zowel van natuurlijke oorsprong, zoals zeezout en zand, als door de mens geproduceerd, zoals roet en het grootste deel van fijnstof. Ze kunnen zonlicht reflecteren en de waterkringloop beïnvloeden, en fijnstof heeft een breed scala aan negatieve gezondheidseffecten. Veranderingen in aerosolen beïnvloeden het mondiale ecosysteem, maar de precieze interacties zijn nog onduidelijk. Daarom is deze grens wereldwijd nog niet kwantificeerbaar, hoewel er wereldwijd wel gezondheidskundige doelstellingen bestaan ( WHO advieswaarden voor fijnstof).

Door de overlap met door de mens gemaakte stoffen worden deze grenzen in dit hoofdstuk samen behandeld. Fosfor- en stikstofkringloop Fosfor en stikstof zijn essentiële voedingsstoffen voor planten, maar te veel ervan (vermesting) schaadt de natuur. Het veroorzaakt dat sommige soorten andere verdringen, zoals algen in water die zuurstof verminderen en andere planten en dieren doden. Mondiaal worden de grenzen voor fosfor en stikstof overschreden, met grote lokale verschillen. In Europa is de vermesting het ergst, en Nederland heeft de hoogste stikstofuitstoot per hectare, ongeveer vier keer het EU-gemiddelde.

De lucht in onze leefomgeving bestaat uit verschillende stoffen. Naast de essentiële stoffen zoals zuurstof zijn er ook stoffen die schadelijk zijn voor onze gezondheid. Dit zijn onder andere

Stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5) en roet (EC of BC). Het Schone Lucht Akkoord (SLA) is een overeenkomst tussen de Nederlandse overheid, provincies en gemeenten. In dit akkoord gaat de meeste aandacht uit naar fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Volgens de WHO hebben deze stoffen de meeste invloed op de gezondheid (WHO, 2021). Fijnstof Fijnstof is een verzamelnaam voor verschillende soorten kleine deeltjes in de lucht, kleiner dan 10 micrometer (PM10) of kleiner dan 2,5 micrometer (PM2,5). De lokale emissies van verkeer, industrie en landbouw dragen voor het grootste aandeel bij aan de concentratie fijnstof in de lucht. In afbeelding 4.17 is weergegeven welke emissies bijdragen aan de concentraties PM10 en PM2,5 in de lucht. Stikstofdioxide Het gasvormige stof stikstofdioxide (NO2) vormt samen met stikstofmonoxide (NO) stikstofoxiden(NOx). Deze komen vooral in de lucht terecht door het verbrandingsproces en uitlaatgassen van het verkeer en de uitstoot van industrie. De emissies die het meest bijdragen aan de concentratie NO2 is zijn het verkeer, scheepvaart, mobiele werktuigen en industrie (zie afb. 4.18). Roet De stof roet, of elementair koolstof (EC) is een specifiek deel van fijnstof PM2,5. EC ontstaat bij onvolledige verbranding van koolstofhoudende brandstoffen zoals stookolie, diesel, hout en kolen.

Roet wordt het meest uitgestoten door het verkeer, mobiele werktuigen en door consumenten sfeerverwarming. Hoewel roet sub-component is van PM2,5, wordt dit vaak als toxischer beschouwd dan PM2,5 Daarom wordt roet steeds vaker apart gemeten en beoordeeld in gezondheidsstudies (Gezondheidsraad 2018). Op lokaal niveau, bijvoorbeeld bij drukke verkeerswegen, worden gezondheidseffecten hoger geschat wanneer roet als indicator wordt gebruikt. Fijnstof PM2,5 heeft het meeste invloed op onze gezondheid Fijnstof (PM10) komt vooral in de bovenste luchtwegen terecht (RIVM 2025). Fijnstof (PM2,5) is kleiner en daarmee schadelijker voor de gezondheid. PM2,5 kan hart- en vaatziekten, luchtwegaandoeningen, diabetes, neurologische problemen en slechtere geboorte-uitkomsten veroorzaken (Gezondheidsraad, 2018). Stikstofdioxide (NO2) is vooral schadelijk voor de luchtwegen. Mensen met luchtwegaandoeningen, ouderen en kinderen lopen net als bij PM2,5 meer risico. Vanwege de samenhang met PM2,5 en omdat ook roet uit ultrafijne deeltjes bestaat heeft het vergelijkbare risico’s als PM2,5. Fijnstof PM2,5 en roet worden over het algemeen als de meest schadelijke stoffen beschouwd vanwege het diepe penetratievermogen in het lichaam en de sterkere wetenschappelijke bewijskracht (Gezondheidsraad 2018).

75

4 | Duurzaamheid

Effect van luchtkwaliteit op natuur Een verminderende luchtkwaliteit heeft effect op planten, dieren en ecosystemen (EEA,2021). Ozon, zwaveldioxide- en stikstofoxiden hebben effect op verminderde fotosynthese, bodemverzuring en waterkwaliteit. Dit leidt tot verminderde groei en biodiversiteit. Op dieren heeft de luchtkwaliteit indirect effect via de voedselketens voor de herbivoren en uiteindelijk voor de carnivoren.

Afb. 4.18 Concentraties  fijnstof en stikstofdioxide in de lucht per bron van uitstoot (in µg/m3)

Wettelijke grenswaarden en Richtlijnen voor concentraties Vanuit nationale wetgeving en de Europese Unie (EU) zijn er grenswaarden opgesteld (SLA, 2025). De huidige waarden van de EU-richtlijn zijn op dit moment gelijk met de wettelijke richtlijn uit het Besluit kwaliteit Leefomgeving. Vanuit de World Health Organization (WHO) zijn er ook advieswaarden opgesteld voor PM2,5, PM10 en NO2. In Amsterdam en in het Schone Lucht Akkoord worden de concentraties getoetst aan de WHOadvieswaarden. In onderstaande tabel zijn de wettelijke- en de advieswaarden weergegeven. Voor Roet (EC) geldt er nog geen grenswaarde, in het algemeen geldt dat verlagen van de concentratie bevorderlijk is voor de gezondheid (Informatiepunt Leefomgeving 2025).

Mobiele werktuigen Bouw (SEB)

Afb. 4.17 W  ettelijke grenswaarden en Richtlijnen voor

Verkeer Industrie Scheepvaart en visserij Mobiele werktuigen Binnenvaart en recreatievaart

Landbouw Consumenten HDO en Bouw Luchtvaart en Rail Consumenten sfeerverwarming 0%

2%

PM2,5

4%

6%

PM10

Omgevingswaarden, Besluit kwaliteit leef­ omgeving (Bkl) §2.2.1

WHO-advies (2021)

PM2,5

25 µg/m3 (jaargem.)

5 µg/m3 (jaargem.)

PM10

40 µg/m3 (jaargem.)

15 µg/m3 (jaargem.)

NO2

40 µg/m3 (jaargem.)

10 µg/m3 (jaargem.) bron: SLA, Schone Lucht Akkoord

Emissies: Verkeer heeft met meeste invloed op de luchtkwaliteit In Amsterdam hebben luchtkwaliteit verkeer (32%) en industrie (13%) het meeste effect op de luchtkwaliteit (RIVM, 2023). De Emissieregistratie, 1990-2022). Voor fijnstof (PM2,5, PM10) en stikstofdioxide (NO2) is de verdeling van de emissie per bron in afbeelding 4.18 weergegeven. Per type stof zijn er verschillen welke emissiebronnen het meest bijdragen. Voor fijnstof zijn dit industrie, verkeer en consumenten-verwarming. Voor Stikstofdioxide is dit Verkeer, scheepvaart en visserij, en mobiele werktuigen. Uit luchtkwaliteitsmodellen blijkt dat ongeveer een kwart van al het fijnstof en stikstofdioxide in de lucht in Amsterdam afkomstig is uit het buitenland. Om inzicht te krijgen in de concentraties van stoffen in de lucht wordt gebruik gemaakt van geregistreerde emissies (nationale emissieregistratie), metingen van de buitenlucht en luchtkwaliteitsmodellen. Bij luchtkwaliteitsmodellen wordt de buitenlucht niet alleen gemeten, maar

10%

12%

NO2

bron: Grootschalige concentratiekaarten Nederland, 2022 (RIVM) Bewerking O&S Gemeente Amsterdam

wordt ook de invloed van weersomstandigheden, landgebruik en geregistreerde emissies meegenomen, waaronder buitenlandse emissies. Meteorologische kenmerken, zoals windrichting en windsnelheid hebben invloed op de verspreiding van stoffen in de lucht.

concentraties Stof

8%

Concentratie Fijnstof PM10 voldoet aan WHOadvieswaarde, PM2,5 stijgt in 2024 Net als in 2023, voldoet in 2024 het jaargemiddelde van de concentratie fijnstof PM10 aan de WHOadvieswaarde van 15 μg/m3. Sinds 2014 daalde de concentratie met 36 procent bij meetstations met veel verkeer, bij meetstations met weinig verkeer daalde de concentratie PM10 met 32 procent. De algemene trend van fijnstof PM2,5 bij meetlocaties met veel verkeer is een daling van 42 procent vanaf 2014 t/m 2024. In 2024 zien we een lichte stijging van 4 procent. De gemiddelde concentratie fijnstof PM2,5 voldoet nog niet aan de WHO-advieswaarde. De concentratie fijnstof PM2,5 bij meetlocaties met weinig verkeer is laatste 10 jaar met 45 procent gedaald. In 2024 zien we een lichte stijging van 5 procent. In figuur 4.19 is de ontwikkeling van de concentraties fijnstof weergegeven. Stikstofdioxide daalt, wel nog boven WHOadvieswaarde De gemiddelde concentratie NO2 bij meetstations met veel verkeer is vanaf 2014 t/m 2024 gedaald met 47 procent naar 25 µg/m3, maar valt nog boven de WHO-advieswaarde van 10 µg/m3. In 2024 zien we een afname van 4 procent ten opzichte van 2023. Bij meetstations met weinig verkeer zien we vanaf 2014 t/m 2024 een afname van 36 procent. In 2024 zien we een kleine toename van 1 procent ten opzichte van 2023.

De gemiddelde concentraties van alle meetstations liggen nog boven de WHO-advieswaarde voor NO2 (zie afb. 4.20). De daling die al minstens tien jaar plaatsvindt wordt door de GGD onder

76

De Staat van de Stad Amsterdam XIII

Afb. 4.19 Fijnstofconcentraties Amsterdam, 2014-2024 Ontwikkeling gemiddelde PM2.5-concentratie

Ontwikkeling gemiddelde PM10-concentratie

concentratie in µg/m³

concentratie in µg/m³ 30

30

25

25

20

20

15

15

10

10

5

5

0

2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 PM10 - veel verkeer

PM10 - weinig verkeer

WHO advieswaarde PM10

0

2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 PM2.5 - veel verkeer

PM2.5 - weinig verkeer

WHO advieswaarde PM2.5 bron: Luchtmeetnet

Afb. 4.20 O  ntwikkeling jaargemiddelde concentratie Stikstofdioxide (NO2) Amsterdam, 2014-2024 concentratie in µg/m3

bron: GGD Amsterdam

50 40 30 20 10 0 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 NO2 - Veel Verkeer

NO2 - Weinig Verkeer

WHO advieswaarde

andere toegeschreven aan de het invoeren van de milieuzones sinds 2018 en de toename van het aantal elektrische voertuigen, en strengere milieuwetten. Sterke daling concentratie roet en in 2024 stabiel Roet (BC) komt vooral vrij bij de onvolledige verbranding van fossiele brandstoffen, zoals in het wegverkeer, schepen en industrie. Roet maakt deel uit van fijnstof (PM10 en PM2,5). Ook houtstook levert een aanzienlijke bijdrage aan de roetconcentratie in de lucht. In Amsterdam bedraagt dit zo’n 20 procent, met name in de wintermaanden. In tegenstelling tot fijnstof en stikstofdioxide bestaat er voor roet geen WHO-advieswaarde of wettelijke grenswaarde. Roetdeeltjes zijn kleiner is dan PM2,5 en kunnen nog dieper doordringen in de longen en zijn dan ook schadelijker voor de gezondheid (GGD Amsterdam, 2024). Vanaf 2014 t/m 2024 zien we een daling van 58 procent in de jaarlijkse gemiddelde concentratie roet bij meetstations met veel verkeer. Bij meetstations met weinig verkeer is deze daling 54 procent. Voor alle meetstations is in 2024 ten opzichte van 2023 de gemiddelde concentratie gelijk gebleven. De daling over de langere termijn kan worden verklaard door veranderingen in het dieselverkeer, zoals het gebruik van roetfilters.

PFAS in Amsterdams drinkwater boven richtwaarde Een andere vorm van vervuiling vindt plaats in het water, namelijk door PFAS. Dat is een verzamelnaam voor meer dan 6.000 stoffen waarin onder andere een combinatie van fluorverbindingen en alkylgroepen voorkomt. Deze zitten in kleding, verpakkingen, pesticiden en afvalwater. Het Amsterdamse drinkwater komt uit twee bronnen. Ongeveer twee derde van het drinkwater is afkomstig van de waterzuivering in Leiduin (dicht bij de kust). In Leiduin ligt de gemiddelde hoeveelheid PFAS (som van 20 soorten) in het drinkwater hoger dan in Weesperkarspel. De hogere PFAS waarden in Leiduin worden vermoedelijk veroorzaakt door PFAS in zeeschuim, welke in het water terecht zijn gekomen door uitstoot van de chemische industrie. Het zeeschuim wordt vervolgens via de lucht vervoerd naar het land, waar het terechtkomt in het drinkwater. In 2022 startte Waternet met het vaker schoonmaken van actieve koolfilters, wat heeft geleid tot een grote afname van PFAS in Leiduin (zie afb. 4.21). Het vaker schoonmaken van deze koolstoffilters heeft echter als nadeel dat het een miljoen per jaar kost en zorgt voor uitstoot van koolstofdioxide (CO2). Ook wordt de drinkwaterrichtwaarde van 4,4 ng PEQ/L hiermee nog niet gehaald (Inspectie Leefomgeving en Transport, 2024).

PEQ staat voor PFOA (perfluoroctaanzuur)-equivalenten, de som van meerdere soorten PFAS, uitgedrukt in PFOAeenheden. Om PFAS in drinkwater te voorkomen wordt daarom gepleit voor een totaalverbod op PFAS. Daarvoor hebben verschillende Europese landen, waaronder Nederland, een voorstel ingediend bij het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA). In Amsterdam gemiddeld 4.800 deeltjes microplastics per kilogram aarde Naast PFAS, vervuilen microplastics, afkomstig uit o.a. verpakkingen, textiel, cosmetica, en autobanden, de natuur. Microplastics worden door degradatie steeds kleiner. Vanuit de omgeving komen deze deeltjes terecht in ons voedsel en dus ook in ons

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16267054/1