Geanonimiseerd Verslag hoorzitting 11 maart 2026.docx
Tekst van het document
Verslag hoorzitting ten behoeve van hoor en wederhoor klacht 2026/2 Aanwezig
[NAAM1] (klager) [NAAM2] (juridisch adviseur klager) [NAAM3] (voorzitter hoorzitting namens Presiduim) [NAAM4] (secretaris hoorzitting namens Raadsgriffie)
Datum
woensdag 11 maart 2026
Dit verslag is een samenvatting van het besprokene tijdens de hoorzitting. Het is geen woordelijk verslag en niet chronologisch van opzet. Klager geeft aan dat hij het schandalig vindt dat de persoon over wie de klacht gaat, [NAAM5] (voorzitter commissie FKD), niet aanwezig is en ook in haar schriftelijke reactie geen duidelijke onderbouwing geeft waarom zij hem het woord heeft ontnomen. Hij is al maanden op zoek naar antwoorden op vragen waarom hij geen namen of tot persoon herleidbare functies zou mogen noemen tijdens het inspreken in raadscommissies en daarop wordt aangesproken door de commissievoorzitter als hij dat wel doet. Als wethouders, de burgemeester of andere commissieleden, met enige regelmaat dit wel doen, dan worden zij daar niet op aangesproken. Hij geeft aan in dat opzicht in gelijke gevallen niet gelijk behandeld te worden. De voorzitter en secretaris geven aan dat in het RvO is opgenomen dat de commissievoorzitter een ordemaatregel kan treffen als de naam of naar persoon herleidbare functie wordt genoemd. Het is een discretionaire bevoegdheid van de voorzitter. Het is niet zwart-wit, zoals klager lijkt te stellen, maar grijs. De voorzitter in kwestie heeft schriftelijk aangegeven wat volgens haar is gebeurd en daarbij aangegeven dat ze het daarbij wenst te laten. Zij heeft geen behoefte om nadere uitleg te geven.
Klager en zijn adviseur geven aan dat dit (weer) naar onbehoorlijk bestuur riekt. Zij verwijzen naar de conclusie van de ombudsman in een voorgaande klacht tegen een andere commissievoorzitter met vergelijkbare strekking. De ombudsman heeft geoordeeld dat de gemeenteraad in dat geval onbehoorlijk heeft gehandeld door geen duidelijke criteria te geven over wat wel en niet is toegestaan en niet heeft onderbouwd, ook niet achteraf, waarom klager in dat geval het woord is ontnomen toen hij namen van ambtenaren noemde in een inspreekbeurt. Klager en zijn adviseur geven nog aan dat ambtenaren die vanuit hun functie in de openbaarheid treden, ook in de openbaarheid genoemd moeten kunnen worden als hun functioneren of handelen daartoe aanleiding geven. Zij zien daarvoor steun in een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam1. In deze zaak bepaalde de rechtbank dat ambtenaren met een publiek profiel er rekening mee moeten houden dat zij in publicaties (in dit geval een LinkedIn-post)
1 https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10341 in het bijzonder r.o. 4.19
Gemeente Amsterdam
Datum 11 maart 2026 Pagina 2 van 3
worden genoemd, ook als dat met de nodige kritiek gepaard gaat. De vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd onder art. 10 EVRM mocht door de gemeente niet worden ingeperkt. De secretaris vraagt of klager en zijn adviseur een verschil zien in het noemen van namen van ambtenaren in een publicatie op social media of de krant en in een inspreekbeurt in een raadscommissie. Dat is immers een openbare vergadering met zijn eigen spelregels, die kunnen afwijken van het open debat in de reguliere openbaarheid. En dat daar op onderdelen strengere regels kunnen gelden voor wat als toegestane uiting geldt. De adviseur geeft daarop aan dat het juist andersom is. Een raadsvergadering is juist omkleedt met meer vrijheden om zaken te benoemen, raadsleden kunnen in beginsel niet vervolgd worden voor beledigende uitspraken tijdens raadsvergaderingen. Dat in dergelijke vergaderingen meer beperkingen gelden voor klager dan in een vergadering dan daarbuiten is volgens de adviseur dan ook onjuist. Sterker nog, de bepalingen in het RvO waar die beperkingen genoemd worden zijn vanwege strijd met hoger recht eigenlijk onverbindend. Klager geeft aan dat hij al vele maanden een strijd voert om duidelijkheid te krijgen over wat hij nu wel en niet mag zeggen tijdens een inspreekbeurt in een raadscommissie.
Het valt hem om op dat de commissievoorzitters niet consequent zijn in het handhaven van de regel dat geen namen van ambtenaren genoemd mogen worden. Zo wordt de burgemeester en sommige wethouders geen strobreed in de weg gelegd om namen van (hoge) ambtenaren te noemen in raads- en commissievergaderingen. Dat riekt volgens de adviseur naar willekeur. In een eerder (persoonlijk) gesprek met een andere commissievoorzitter ([NAAM6], commissie AZ) is klager te kennen gegeven dat het vooral om de toon gaat waarin namen genoemd worden. Klager geeft aan dat hij desgevraagd geen concrete voorbeelden te horen kreeg. Hem is en wordt vooraf te kennen gegeven dat hij absoluut geen namen mag noemen en als hij dat wel doet, wordt hem het woord ontnomen, zoals ook gebeurd is in de commissie FKD van 12 februari (de aanleiding van deze klachtprocedure). De adviseur geeft daarover nog aan dat het ontnemen van het woord ook disproportioneel is. Bij het inbreken op een mensenrecht moet altijd de minst invasieve optie gekozen worden. Zo zou de voorzitter de inspreekbeurt achter gesloten deuren kunnen laten plaatsvinden. Dat dat niet eens overwogen wordt is voor haar onverklaarbaar. De voorzitter legt de ratio achter de regel dat geen namen genoemd mogen worden uit. De kern zit erin dat alleen raads- en commissieleden en bestuurder spreekrecht hebben in de vergaderingen.
Bestuurders zijn ook altijd verantwoordelijk voor het handelen van ambtenaren. Ambtenaren kunnen ook niet reageren op uitlatingen die over hen worden gedaan. Daarom mogen die in beginsel niet genoemd worden. Het is aan de betreffende voorzitter om te bepalen hoe die op het naleven van die regel uit het RvO toeziet. Klager en zijn adviseur geven, onder verwijzing naar het rapport van de ombudsman over een eerdere klachtafhandeling, dat het niet (nader) motiveren van het treffen van ordemaatregelen door de commissievoorzitter onbehoorlijk bestuur is. Dat de beklaagde commissiegriffier hier vandaag niet is, en ook schriftelijk geen nadere onderbouwing heeft gegeven is schandalig.
Gemeente Amsterdam
Datum 11 maart 2026 Pagina 3 van 3
Klager is zeer gefrustreerd dat hij geen (duidelijke) uitleg krijgt en wil deze regels aan de (bestuurs)rechter voorleggen. De secretaris geeft aan dat de klachtprocedure daarvoor niet geschikt, daarvoor is de bezwaarprocedure die klager heeft lopen met een vergelijkbare strekking beter geschikt. Klager geeft aan dat hij alles aangrijpt om maar een uitspraak te kunnen krijgen. Hij geeft aan dat de griffier hem te kennen heeft gegeven dat zij er alles aan doet om hem bij de rechter weg te houden. Hij benadrukt verder het volgens hem urgente karakter van een spoedige afhandeling. Hij is namelijk verkiesbaar voor de gemeenteraadsverkiezingen van volgende week (18 maart) en wil graag als fractievertegenwoordiger namens zijn partij (Bij1) benoemd worden. Dat deze zaken nog boven de markt hangen als de partij de fractievertegenwoordigers aanwijst schaadt zijn kansen. Hij is voornemens de gemeente daarvoor civiel aansprakelijk te stellen. Klager verzoekt dat hem een (in)spreekverbod wordt opgelegd, zodat hij op die manier dan maar toegang tot de rechter krijgt. De secretaris geeft aan dat het presidium niet bevoegd is hem een spreekverbod op te leggen. Dat kan alleen de voorzitter van de raad, resp. de commissie. De adviseur wijst erop dat die bevoegdheid bij de raad belegd is.
De voorzitter vraagt klager nog naar zijn belang om de betreffende ambtenaren met naam (of functie) te mogen noemen tijdens inspreekbeurten. Klager geeft aan dat het hem voornamelijk om het principe gaat, hij is van mening dat het functioneren van zeker topambtenaren besproken moet kunnen worden. Op persoonlijk vlak speelt volgens hem de nieuwe gemeentesecretaris in haar oude rol als directeur DJZ een dubieuze rol. Hij wil dat bespreekbaar kunnen (blijven) maken. Klager verzoekt tot slot nog om hem per ommegaande, maar in ieder geval voor deze week te laten weten welk advies het presidium aan de raad gaat. Hij weet dat de uiteindelijke beslissing pas door de raad kan worden genomen in mei, maar hij wil voor de verkiezingen al duidelijkheid. Dat deze klacht niet allang gegrond is verklaard, al dan niet onderhands, is volgens hem schandalig. De secretaris legt uit dat zijn klacht is ingediend na de laatste commissievergaderronde en dat een eerdere afhandeling feitelijk onmogelijk was. De voorzitter geeft aan dat hij met het presidium zal overleggen of zij aan dat verzoek tegemoet kunnen komen. Om 11:00 uur sluit de voorzitter, na dankzegging voor de aanwezigheid, de hoorzitting.