G4-Brief over de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen.pdf
Tekst van het document
Datum Onderwerp
23 oktober 2024 G4 Brief over de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen
Geachte staatssecretaris, De invoering van de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen (MRvNS) heeft geleid tot aanzienlijke knelpunten in de G4-steden. Wij maken ons grote zorgen over de negatieve gevolgen van de wet op onder andere het onderwijsaanbod, de onderwijshuisvesting en de onderwijssegregatie in onze steden. De wet zoals die er nu ligt is in de praktijk van de G4 niet uitvoerbaar. In deze brief lichten wij onze zorgen toe en dragen we oplossingsrichtingen aan die aansluiten bij de praktijk. Knelpunt 1. Toename aantal kleine scholen Ondanks dat leerlingenaantallen in zowel het primair onderwijs (po) als het voortgezet onderwijs (vo) in onze steden de komende jaren afneemt12, bevinden de preregistraties voor nieuwe scholen zich voornamelijk in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Deze groei wordt mogelijk gemaakt doordat de drempel voor het aanmelden van nieuwe initiatieven erg laag ligt. Initiatiefnemers moeten vrijblijvende ouderhandtekeningen ophalen. Uit de praktijk weten wij dat deze handtekeningen vaak slechts een steunbetuiging zijn, omdat zij ook worden geworven bij ouders die niet voornemens zijn hun kinderen naar de nieuwe school te sturen. Daarnaast zijn initiatiefnemers verplicht partijen uit het voedingsgebied uit te nodigen voor een gesprek.
Deze gesprekken vinden vaak niet plaats, omdat enkel het uitsturen van een uitnodiging al voldoende is om aan deze criteria van de wet te voldoen. De wet zorgt er zo voor dat het aantal nieuwe scholen toeneemt in onze steden, terwijl de leerlingaantallen geen groei laten zien. Tegelijkertijd worden bestaande kleine scholen in stand gehouden door de ‘gemiddelde schoolgrootte’ norm. De toename van het aantal kleine scholen zorgt voor een nog grotere druk op het lerarentekort, omdat het beperkt aantal docenten over een grotere hoeveelheid scholen verspreid moet worden. Bovendien kan het voor kleine scholen een ingewikkelde taak zijn om een organisatie op te zetten die kwalitatief goed onderwijs aanbiedt. Dit risico wordt versterkt door een niet toereikende, en te laat beschikbare, startbekostiging vanuit het ministerie van OCW. Hierdoor komen met name nieuwe scholen met ook een nieuw bestuur, niet goed uit met de te maken kosten bij de start van een nieuwe school. Nieuwe scholen van al bestaande besturen hebben doorgaans meer middelen, materialen en mensen ter beschikking voor een nieuwe school. Op deze manier zet de wet MRvNS de kwaliteit van het onderwijs in onze gemeenten onder druk. Een ander neveneffect van de wet is dat de concurrentie tussen scholen wordt vergroot.
Wij proberen actief in gesprek te gaan met bestaande schoolbesturen over de sluiting, fusie of samenwerking tussen te kleine scholen, met als doel tot robuuste scholen van voldoende omvang te komen. Schoolbesturen met te kleine scholen geven echter bij ons aan terughoudend te zijn voor sluiting of fusie als in hun voormalig schoolgebouw direct weer een nieuwe school wordt gehuisvest. Dit hindert niet alleen de noodzakelijke samenwerking tussen scholen, maar
1 2
https://informatieproducten.duo.rijkscloud.nl/public/dashboard_prognose_vo/ https://informatieproducten.duo.rijkscloud.nl/public/Dashboard_prognose_po/
Pagina 2 van 4
ondermijnt ook de inspanningen van gemeenten en besturen om tot een stabiel en kwalitatief hoogwaardig onderwijsaanbod te komen. Tot slot, merken wij op dat de in het regeerakkoord aangekondigde wijziging van de kleine scholentoeslag naar een dunbevolkte gebieden toeslag haaks staat op de huidige wetgeving. Enerzijds wordt er ingezet op het terugdringen van kleine scholen, terwijl de wet MRvNS anderzijds het aantal kleine scholen laat stijgen. ➢ Om onwenselijke concurrentie tegen te gaan, en het aantal kleine scholen terug te dringen, vinden wij het belangrijk dat er wordt onderzocht of de wensen van een initiatiefnemer samen met de bestaande schoolbesturen gerealiseerd kunnen worden. Onze suggestie is daarom om de samenwerking tussen initiatiefnemers en bestaande schoolbesturen actiever te bevorderen door wettelijke verplichtingen op dit punt aan te scherpen. ➢ Daarnaast pleiten wij voor een andere bekostigingssystematiek van nieuwe scholen, zodat zij een goede start kunnen maken. ➢ Tot slot, willen wij er bij u op aan dringen om grondig naar aanpassingsmogelijkheden voor het stelsel van instandhouding en opheffing van scholen te kijken. Bijvoorbeeld door de uitzonderingsgrond ‘gemiddelde schoolgrootte’ voor grote steden af te schaffen.
Daarnaast maken we graag inzichtelijk hoe we binnen onze steden over de (té) kleine scholen met de schoolbesturen in gesprek zijn en wat dat oplevert. Knelpunt 2. Zienswijzen hebben geen invloed op het besluitvormingsproces Gemeenten hebben de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen. Met deze zienswijzen kunnen wij onze visie op de inpassing van nieuwe initiatieven in de stad duidelijk maken. U geeft echter aan dat zienswijzen alleen worden meegenomen als deze ingaan op de wettelijke toetsingscriteria, zoals het aantal ouderverklaringen en de aanwezigheid van VOG’s. Criteria die voor ons van groot belang zijn bij de stichting van nieuwe scholen, zoals groei en krimp van de leerlingenpopulatie, de lokale context en het onderwijsaanbod in de stad, zijn geen wettelijke toetsingscriteria. Hierdoor heeft relevante informatie die wij jaarlijks leveren in onze zienswijzen geen invloed op de besluitvorming over nieuwe initiatieven. Dit betekent dat de zienswijzen op deze manier een wassen neus zijn. De tussenrapportage over de wet MRvNS laat dan ook zien dat een meerderheid van de gemeenten aangeeft geen zienswijzen in te dienen. ➢ Wij verzoeken u dringend het proces rondom zienswijzen grondig te herzien, zodat wij wettelijke inspraak hebben op initiatieven die zich in onze steden vestigen.
Een negatief advies van een gemeente moet bij de beoordeling van een nieuw initiatief zwaar worden meegewogen. Dit is belangrijk omdat wij met een brede en integrale blik de gevolgen kunnen schetsen van een nieuw initiatief op de context en het onderwijsaanbod in onze steden. Knelpunt 3. Planvorming en termijn huisvesting nieuwe scholen Wij staan voor grote uitdagingen op het gebied van onderwijshuisvesting. In onze verdichtende steden is het vinden van een geschikte onderwijslocatie erg lastig. Stijgende bouwkosten en aanvullende eisen die worden gesteld aan de gebouwen vergroten bovendien de financiële druk op de begroting voor
Pagina 3 van 4
onderwijshuisvesting. Daarom maken we met schoolbesturen via het Integraal Huisvestingplan (IHP) en het Regionaal Plan Onderwijsvoorzieningen (RPO) lange termijn afspraken om een planmatige, duurzame en toekomstgerichte aanpak van onderwijshuisvesting mogelijk te maken. De wet MRvNS sluit hier in de praktijk slecht op aan en staat planmatig en toekomstgericht werken in de weg in de navolgende situaties. De stichtingsprocedure zorgt er allereerst voor dat er jaarlijks onzekerheid is over hoeveel nieuwe initiatieven zich aanmelden en bekostiging ontvangen. Dit maakt het voor ons erg lastig om deze initiatieven in de planvorming mee te nemen. Bovendien doorkruist de huisvesting van nieuwe initiatieven de afspraken die we met bestaande schoolbesturen hierover hebben gemaakt. Deze incongruentie tussen de wetgeving belemmert een efficiënte planning van onderwijshuisvesting en veroorzaakt onzekerheid voor zowel gemeenten als schoolbesturen. Ten tweede moeten nieuwe scholen ook nog binnen de zeer korte termijn van 14 maanden gehuisvest worden. Dit heeft tot gevolg dat nieuwe initiatieven vaak in medegebruik moeten starten, tijdelijke huisvesting toegewezen krijgen of in postcodegebieden gehuisvest worden die afwijken van de voorkeurslocatie. Dit is een ongewenste situatie voor zowel gemeenten, bestaande scholen als de nieuwe initiatiefnemers.
Tot slot, zorgt de wet bij de ontwikkeling van nieuwbouwwijken voor grote onzekerheid. Allereerst geldt voor grote nieuwbouwwijken waar nog geen bewoners zijn dat markconsultaties niet goed uit te voeren zijn. Ouderhandtekeningen zijn al helemaal niet beschikbaar. Bovendien vereist de ontwikkeling van een school in een nieuwbouwgebied goede afstemming tussen de realisatie van de woning en het via de wet stichten van een nieuwe school. Als de school té vroeg gesticht wordt, bestaat het risico dat de wijk nog niet bewoond is en er dus geen leerlingen zijn. Als het initiatief niet goedgekeurd wordt, loop je het risico dat je een nieuwe wijk hebt zonder school. De onzekerheid die de wet veroorzaakt, maakt dat in deze gebieden vaak wordt uitgeweken naar het vullen van nieuwe scholen via een dislocatie van een bestaande school. Met als gevolg dat deze scholen een veel lagere bekostiging ontvangen omdat de vaste voet niet wordt toegekend en dat nieuwe besturen geen kans maken om in een nieuwbouwwijk te starten. ➢ Wij verzoeken u dringend om de huisvestingsprocedure aan te passen. Een eerste stap in de goede richting is het verlengen van de termijn voor het realiseren van onderwijshuisvesting naar minimaal 24 maanden, zodat we de huisvestingswensen beter kunnen inpassen in de beperkte mogelijkheden die er zijn binnen onze steden.
➢ Daarnaast willen we de suggestie doen om de MRvNS aanvraagronde minder frequent te maken, bijvoorbeeld door de MRvNS aanvraagronde aan te laten sluiten op de RPO- of IHP-cyclus. Dit zou ons in staat stellen om op een meer gestructureerde manier om te gaan met de inpassing van nieuwe scholen en meer ruimte te creëren voor duurzame huisvestingsoplossingen. Knelpunt 4. Risico’s op toenemende onderwijssegregatie Een ander punt van zorg is het risico op een toename van de onderwijssegregatie. Wij vinden het belangrijk dat kinderen van diverse achtergronden elkaar ontmoeten en met elkaars leefwerelden in contact komen. Samen naar school gaan, zorgt voor meer begrip voor elkaar en meer tolerantie. In het po zien we echter dat nieuwe initiatieven leerlingen uit omliggende gemengde scholen wegtrekken, waardoor deze scholen te maken krijgen met een meer eenzijdig samengestelde leerlingenpopulatie. Daarnaast hoeven initiatiefnemers in het vo die een categorale school willen
Pagina 4 van 4
stichten minder handtekeningen op te halen dan initiatiefnemers die een scholengemeenschappen willen oprichten. Dit terwijl brede scholengemeenschappen juist bijdragen aan het tegengaan van segregatie. ➢ Onderwijssegregatie is een complex probleem dat door meerdere factoren wordt beïnvloed, maar deze wet speelt de verdeling in onze samenleving alleen maar in de kaart. Als bovenstaande aanbevelingen worden overgenomen, verwachten we dat dit tot minder segregatie zal leiden. Tot slot Voor de G4 is wijziging van de wet van groot belang, zodat we het beste onderwijs voor leerlingen in onze steden kunnen realiseren. Wij gaan daarom graag nader met u in gesprek over de gevolgen van de huidige stichtingsprocedure voor de onderwijspraktijk en over mogelijke oplossingsrichtingen om de wet voor ons uitvoerbaar te maken.
Met vriendelijke groet,
Marjolein Moorman Wethouder Amsterdam
Saïd Kasmi Wethouder Rotterdam
Hilbert Bredemeijer Wethouder Den Haag
Eelco Eerenberg Wethouder Utrecht