Factsheet Zwemvaardigheid 2022 - Mulier instituut
Tekst van het document
Factsheet 2023/27
Eef Hollander & Marthe Westerbroek
Vanaf 2012 biedt de Vrijetijdsomnibus (VTO) inzicht in het zwemdiplomabezit van kinderen (6-16 jaar) in Nederland. Deze factsheet gaat over de ontwikkelingen daarin over de periode 2012-2022. Een goede zwemvaardigheid draagt bij aan de zwemveiligheid van een kind (Postma & De Martelaer, 2019). Behaalde zwemdiploma’s zijn een indicatie van de zwemvaardigheid, waarbij zwemdiploma’s A en B tussenstappen zijn voor het behalen van zwemdiploma C. Zwemdiploma C is de Nationale Norm Zwemveiligheid. Na het behalen van dit diploma bezitten kinderen vaardigheden om veilig te kunnen zwemmen in een zwembad met attracties en in buitenwater zonder stroming of grote golfslag (Nationale Raad
van de kinderen (6-16 jaar) heeft in 2022 één of meerdere zwemdiploma’s
van de kinderen (6-16 jaar) voldoet aan de Nationale Norm Zwemveilig
Zwemveiligheid, 2023). In een aantal figuren en tabellen in deze factsheet nemen we metingen van 2012, 2014 en 2016 en van 2018, 2020 en 2022 samen. Zo kunnen we een betere vergelijking over tijd maken en de data uitsplitsen naar verschillende achtergrondkenmerken. Neem voor meer informatie contact op met Eef Hollander.
van de kinderen (6-16 jaar) is in 2022 bezig met zwemles
In de periode van 2012 tot en met 2022 is het percentage kinderen van 616 jaar met een zwemdiploma veranderd (figuur 1).
Figuur 1 Zwemdiplomabezit kinderen (6-16 jaar), 2012-2022 (in procenten) 100
Het percentage kinderen met A-, B- én C-diploma varieert tussen de jaren 2012 en 2022. In 2020 was dit percentage gedaald ten opzichte van 2018. Mogelijk was dit het gevolg van sluiting van de zwembaden vanwege coronamaatregelen. Een positieve ontwikkeling is dat het aandeel kinderen met alle drie deze diploma’s in 2022 weer op het niveau van 2018 is.
80
30
33
30
44
42
45
32
35
47
41
60
46
40
In de periode 2012 tot 2018 was er nog een dalende trend in het aandeel kinderen dat geen zwemdiploma heeft. Maar in de periode vanaf de coronapandemie (2020) neemt dit aantal weer toe. In 2022 is het aandeel kinderen zonder zwemdiploma zelfs twee keer zo hoog als in 2018.
36
20
12 13
0 2012 (n=529)
Geen
16
16
12
12
9
8
6
9
2014 (n=464)
2016 (n=476)
2018 (n=559)
2020 (n=428)
Alleen het A-diploma
Het A- en B-diploma
11 13 2022 (n=458)
Het A-, B- én C-diploma
Bron: CBS Vrijetijdsomnibus (VTO), 2012, 2014, 2016, 2018, 2020, 2022. Bewerking: Mulier Instituut.
Mulier Instituut
Zwemvaardigheid 2022
2
3
Figuur 2 Zwemdiplomabezit kinderen (6-16 jaar) naar leeftijd, 2018-2022 (in procenten) 0
20
6-11 jaar (n=803)
14
40
12
60
80
43
100
Naarmate kinderen ouder worden, heeft een groter aandeel één of meerdere zwemdiploma’s (figuur 2). Dit is voornamelijk te zien aan het hogere aandeel kinderen van 6-11 jaar dat geen zwemdiploma heeft. Daarnaast hebben kinderen van 12-16 jaar vaker een A-,B- én C-diploma. Het lijkt er dus op dat kinderen na de basisschool nog hun zwemdiploma C behalen.
31
De verschillen tussen leeftijdsgroepen zijn van alle jaren. In de periode van 2012-2016 waren deze verhoudingen ook al aanwezig (niet in figuur).
12-16 jaar (n=642)
4
12
47
37
In de leeftijdscategorie van 6-11 jaar zijn de afgelopen jaren (2018-2022) wel minder kinderen zonder zwemdiploma (14%) dan eerder (2012-2016, 17%). Dit is een positieve ontwikkeling binnen deze leeftijdsgroep.
Geen
A-diploma
A- en B-diploma
A-, B- én C-diploma
Bron: CBS Vrijetijdsomnibus (VTO), 2018, 2020, 2022. Bewerking: Mulier Instituut.
Mulier Instituut
Zwemvaardigheid 2022
Er is geen verschil in zwemdiplomabezit tussen jongens en meisjes van 6-16 jaar.
4
Het aandeel kinderen zonder zwemdiploma neemt af naarmate het inkomen van het huishouden hoger wordt (figuur 3). 25 procent van de kinderen uit de laagste inkomensgroep heeft geen diploma. Van de kinderen uit de categorie met het hoogste inkomen is dat maar 2 procent.
Figuur 3 Zwemdiplomabezit kinderen (6-16 jaar) naar inkomen, 2018-2022 (in procenten, n=1.455) 0
20
Eerste (laagste) kwintiel*
Een vergelijkbaar patroon is te zien bij de kinderen die een A-, B- én Cdiploma hebben: maar 24 procent van de kinderen in de laagste inkomensgroep hebben alle drie de diploma's en zijn dus zwemveilig. Van de kinderen in de hoogste inkomensgroep is dat bijna de helft (48%).
De kinderen uit de laagste inkomensgroep hebben de afgelopen jaren niet meer of minder diploma’s gehaald dan eerder. Er zijn dus nog verbeteringen nodig om het diplomabezit onder deze groep net zo hoog te krijgen als voor de andere inkomenscategorieën. Uit de hoogste inkomensgroep hebben de afgelopen jaren wel meer kinderen een zwemdiploma behaald. Daarnaast is in deze categorie het aantal kinderen dat zwemveilig is (A-, B- én C-diploma) toegenomen. Mulier Instituut
Zwemvaardigheid 2022
25
Tweede kwintiel*
11
5
10
Vierde kwintiel*
5
8
Vijfde (hoogste) kwintiel*
2
8
A-diploma
60
19
80
100
33
16
Derde kwintiel*
Geen
40
24
40
34
56
29
49
42
A- en B-diploma
38
48
A-, B- én C-diploma
Bron: CBS Vrijetijdsomnibus (VTO), 2018, 2020, 2022. Bewerking: Mulier Instituut. *De inkomens hebben we opgedeeld in vijf even grote groepen. Die noemen we kwintielen.
5
Het zwemdiplomabezit verschilt tussen kinderen van verschillende herkomsten (figuur 4).
Figuur 4 Zwemdiplomabezit kinderen (6-16 jaar) naar herkomst, 2018-2022 (in procenten, n=1.445) 0
Kinderen met ouders met migratieachtergrond en kinderen die zelf migratieachtergrond hebben, hebben vaker geen zwemdiploma dan
20
Kinderen zonder migratieachtergrond
5 10
Kinderen met ouders met migratieachtergrond
18
40
60
80
52
100
34
kinderen zonder migratieachtergrond. Van de kinderen met zelf een migratieachtergrond is dat ruim een kwart. 13
31
39
Kinderen met ouders met een migratieachtergrond hebben wel vaker een A-,B- én C-diploma dan kinderen zonder migratieachtergrond. Kinderen met een migratieachtergrond voldoen het minst vaak aan de Norm Zwemveilig.
Kinderen met migratieachtergrond
Geen
A-diploma
28
A- en B-diploma
27
23
21
A-, B- én C-diploma
Bron: CBS Vrijetijdsomnibus (VTO), 2018, 2020, 2022. Bewerking: Mulier Instituut.
Mulier Instituut
Zwemvaardigheid 2022
6
Kinderen die in een stad wonen, hebben vaker geen zwemdipoma’s (figuur 5): van de kinderen die in zeer sterk stedelijk gebied wonen is dat 18 procent, in matig stedelijk gebied maar 5 procent.
Daarnaast voldoen kinderen die in zeer sterk stedelijk gebied wonen minder vaak aan de Norm Zwemveilig. Kinderen die wonen in weinig stedelijk gebied hebben het vaakst een A-,B- én C-diploma.
Tussen de periodes 2012-2016 en 2018-2022 is er geen verschil in het
Figuur 5 Zwemdiplomabezit kinderen (6-16 jaar) naar stedelijkheid, 2018-2022 (in procenten, n=1.445) 0
20
Zeer sterk stedelijk
18
Sterk stedelijk
40
60
20
11
80
100
34
16
42
Matig stedelijk
5
14
50
Weinig stedelijk
8
12
46
27
30
30
aandeel kinderen zonder zwemdiploma naar stedelijkheid van het gebied. Wel bezit een groter deel van de kinderen in zeer sterk of matig stedelijk gebied in 2018-2022 een A-,B- én C-diploma (resp. 43% en 38% vs. 27% en 30% in 2012-2016). Kinderen uit weinig stedelijk gebied hebben juist minder vaak drie deze diploma’s dan in de vorige periode (29% vs. 34%).
Mulier Instituut
Zwemvaardigheid 2022
Geen
A-diploma
A- en B-diploma
34
A-, B- en C-diploma
Bron: CBS Vrijetijdsomnibus (VTO), 2018, 2020, 2022. Bewerking: Mulier Instituut.
7
8
Waar er eerst een positieve trend leek te zijn in het aandeel kinderen met een zwemdiploma, lijkt deze trend vanaf de coronapandemie de andere kant op te gaan. In 2020 steeg het aandeel kinderen zonder zwemdiploma al. In 2022 is dit aandeel verder gestegen: het is nu zelfs twee keer zo hoog als in 2018.
Er is ook een positieve ontwikkeling: het aandeel kinderen dat voldoet aan de Norm Zwemveilig (zwemdiploma A, B én C) is weer teruggekomen op het niveau van 2018. In 2020 was dit percentage nog gedaald.
Er lijkt dus sprake van een doorzettende stijging in het percentage kinderen zonder zwemdiploma. Dat kan deels komen doordat verschillende groepen in de samenleving belemmering ervaren om zwemles te volgen.
Kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, met een migratieachtergrond en die wonen in sterk stedelijk gebied, hebben minder vaak een zwemdiploma. Het is dus van groot belang om de kansen voor kinderen uit deze groepen om zwemles te volgen te vergroten.
Kinderen die opgroeien in armoede, kunnen bijvoorbeeld vaak niet leren zwemmen door financiële tekortkomingen (Stuij et al., 2022). Kinderen van vluchtelingen hebben vaak moeite met de taalbarrière, maar ervaren ook andere belemmeringen (Van der Meijde et al., 2022).
Mulier Instituut
Zwemvaardigheid 2022
9
De cijfers over zwemvaardigheid van kinderen van 2012-2018 zijn afkomstig uit de Vrijetijdsomnibus (VTO) van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
De VTO-metingen van 2020 en 2022 zijn tot stand gekomen via een samenwerking tussen de Boekmanstichting (namens het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), het Mulier Instituut (namens het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en het CBS.
Postma, T., & De Martelaer, K. (2019). Definitie zwemveiligheid. Nationale Raad Zwemveiligheid. Nationale Raad Zwemveiligheid. Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ) (2023). Nationale Norm Zwemveiligheid. Geraadpleegd op 28 juli 2023. Stuij, M., Dellas, V., & Dopheide, M. (2022). Zwemles voor kinderen die opgroeien in armoede: een studie naar ervaringen van ouders en ondersteuning vanuit gemeenten. Mulier Instituut. Van der Meijde, L., Visser, T., & Stuij, M. (2022). Belemmeringen bij het leren zwemmen voor kinderen van vluchtelingen. Mulier Instituut.
Mulier Instituut
Zwemvaardigheid 2022
10
Eef Hollander e.hollander@mulierinstituut.nl Marthe Westerbroek m.westerbroek@mulierinstituut.nl