Factsheet Minima in Amsterdam Kerncijfers 2020.pdf
Tekst van het document
Minima in Amsterdam Kerncijfers 2020
Factsheet Maart 2022
Dalende trend hapert in 2020: 1.000 minimahuishoudens erbij Van de Amsterdamse huishoudens behoorde 15,7% in 2020 tot de minima: zij hebben een huishoudinkomen tot 120% van het sociaal minimum (SM) en hebben daarnaast weinig vermogen. Dit betrof in 2020 ruim 66.500 huishoudens in Amsterdam.
Figuur 1. Amsterdamse huishoudens naar inkomens- en vermogenspositie, 2020
Amsterdamse huishoudens 2020: 485.985
Sinds 2014 daalde het aantal minimahuishoudens in zowel relatieve als absolute zin (figuur 2). In 2020 nam het aantal minimahuishoudens voor het eerst weer licht toe, met ongeveer 1.000 ten opzichte van 2019. In relatieve zin bleef de omvang van de groep echter gelijk, omdat ook de totale bevolking licht toenam. Hiermee is de daling in het percentage minima van vijf achtereenvolgende jaren gestopt.
Inkomen heel 2020 bekend, excl. studenten en instituten:
Laag inkomen: 82.472 Minima: 66.534
422.445
Alle cijfers zijn afkomstig van CBS en bewerkt door O&S. De cijfers hebben betrekking op de doelpopulatie van de armoedemonitor: particuliere huishoudens van wie het inkomen het hele jaar bekend is, exclusief studentenhuishoudens en instituutbewoners. De cijfers voor 2020 zijn voorlopige cijfers.
Bron: CBS, bewerking O&S
2020 kanteljaar? De vraag of 2020 daadwerkelijk een kanteljaar is, kunnen we pas in de toekomst beantwoorden. Wel kunnen we een verwachting uitspreken op basis van de conjuncturele ontwikkeling. Het percentage minimahuishoudens volgt al jaren de ontwikkeling van het werkloosheidspercentage (figuur 3). De verwachting is dat de minimapopulatie in Amsterdam in 2021 licht is gegroeid. Hoewel de werkloosheid na een korte toename tussen 2019 en 2020 weer een voorzichtige daling vertoonde, zal het aandeel minima volgens de raming nog verder gegroeid zijn, in (vertraagde) reactie op de verslechtering van hun financiële situatie in het voorgaande jaar. In eerdere jaren zagen we al dat het aandeel minima de trend van werkloosheid met enige vertraging en in afgezwakte vorm volgt. Figuur 3. Percentage minimahuishoudens in Amsterdam (2011-2020) en raming voor 2021
Figuur 2. Amsterdamse minimahuishoudens, 2011-2020
80.000 70.000
66.538
69.202
72.902 73.917
70.782 70.111
68.421 68.038
%
% 50
50
40
40
30
30
20
20
10
10
0
0 2011
65.608 66.538
60.000 50.000 40.000 30.000
17,7
18,2
19,0
19,1
18,0
17,6
16,9
16,5
15,7
15,7
20.000
10.000 0
2011
2012
2013
2014 aantal
2015
2016
2017
2018
2019
2020
percentage Bron: CBS, bewerking O&S
2012
2013
werkloosheid
2014
2015
2016
minimahuishoudens
2017
2018
2019
2020
2021
raming minimahuishoudens Bron: CBS, bewerking O&S
Armoedeontwikkeling Amsterdam in perspectief Figuur 4. Huishoudens met een inkomen tot 120% SM in Nederland, de MRA en de G4, 2011-2020 (procenten)
Het percentage huishoudens met een laag inkomen (ongeacht vermogen) is in Amsterdam met 19,5% relatief hoog. In de vier grote steden (G4) is dit percentage alleen in Rotterdam hoger (22,1%). In Utrecht, de Metropoolregio (MRA) en heel Nederland is dit aandeel duidelijk lager.
% 35
30 25
Figuur 4 laat verder zien dat het percentage huishoudens met een laag inkomen overal is gedaald in de periode 2013 en 2019 en dat deze daling in Amsterdam het sterkst was.
Rotterdam Amsterdam
20
Den Haag MRA
15
Utrecht
Waar we voor Amsterdam een stabilisatie waarnemen van 2019 op 2020 zien we elders een lichte daling (Rotterdam en Utrecht) of stijging (Den Haag en de MRA). In de MRA verschilt de trens wel sterk per gemeente.
10
Nederland
5 0 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020*
Bron: CBS, bewerking O&S
Krimp lage inkomens stopt, groei hoogste inkomens zet door Figuur 5. Amsterdamse huishoudens naar inkomen in percentage van het sociaal minimum (SM), 2011-2020 (procenten)
Het percentage huishoudens met een laag inkomen in Amsterdam (tot 120% SM) is vanaf 2014 gedaald en in de afgelopen jaren is deze trend afgevlakt.
%
100 90 30
30
80
32
32
34
35
36
37
39
39
70 60
300% SM of meer 23
23
23
23
23
50 40
23
200%-299% SM 23
22
130%-199% SM 21
20
19
18
18
17
17
16
17
110%-129%
7
7
7
7
6
6
6
7
6
8
6
6
8
8
8
100%-109% SM
8
6 7
8
8
11
12
13
11
11
10
10
10
9
9
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
10 0
23
21
30 20
23
0%-99% SM
De positie van huishoudens met een laag inkomen wordt niet alleen bepaald door de omvang van deze groep, maar ook hun relatieve positie ten opzichte van andere inkomensgroepen. Hierbij springt vooral de groeiende groep hoge inkomens in het oog. Het aandeel huishoudens met inkomsten die 300% of meer van het SM bedragen, ligt in de laatste jaren duidelijk hoger dan in de voorafgaande periode. De toename bedraagt ongeveer 30% sinds 2011.
Bron: CBS, bewerking O&S
Relatief meeste minimahuishoudens in Zuidoost Figuur 6. Verdeling Amsterdamse minimahuishoudens naar wijk* ten opzichte van het stedelijke gemiddelde (15,7%), 2020
Minimahuishoudens wonen ongelijk verdeeld over de stad. Het aandeel minimahuishoudens is het hoogst in stadsdeel Zuidoost (23%), gevolgd door Noord (19%) en Nieuw-West (18%). Het aandeel minimahuishoudens is het laagst in Zuid (11%) en Centrum (12%). In absolute zin woont in West de grootste groep minimahuishoudens en Centrum de kleinste. Ook op wijkniveau zijn er grote verschillen in de verdeling van minimahuishoudens. De wijken met het hoogste aandeel minimahuishoudens zijn Volewijck en IJplein/Vogelbuurt in Noord en Bijlmer Centrum in Zuidoost. Bron: CBS, bewerking O&S * Voor wijken met minder dan 100 huishoudens zijn geen gegevens afgebeeld.
Huishoudens rondkomend van uitkering en pensioen vaakst minima Huishoudens met een uitkering als belangrijkste bron van inkomen zijn relatief het vaakst minima. Dat is exclusief bijstand: bijstandsgerechtigden behoren per definitie tot de groep minima. Daarnaast zijn huishoudens die rondkomen van pensioen vaker minima dan gemiddeld. In absolute zin vormen zij de grootste groep, na de groep met bijstand als voornaamste inkomensbron. Huishoudens met inkomen uit werk zijn veel minder vaak minima dan gemiddeld. Zijn vormen in aantal bovendien een kleine groep. Vooral huishoudens met loon als belangrijkste inkomstenbron behoren zelden tot de minima. Figuur 7. Minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron en bovenminima met gelijke bron van inkomen, 2020
uitkering anders dan bijstand
minima
37
pensioen
bovenminima
25
eigen bedrijf 7 loondienst 3 totaal
16 % 0
20
40
60
80
100
x 1.000 0
100
200
300
400
Bron: 500CBS, bewerking O&S Bron: CBS, bewerking O&S
Steeds meer huishoudens met pensioen onder minima Figuur 8. Minimahuishoudens naar belangrijkste bron van inkomen2011-2020 (procenten)
Sinds 2011 zijn er steeds meer huishoudens die rondkomen van een pensioen onder de groep minimahuishoudens. Dit volgt de ontwikkeling onder de totale groep Amsterdamse huishoudens: ook daar geldt dat de groep met pensioen als bron van inkomen groter wordt. De groep minimahuishoudens met een uitkering, zowel bijstand als overige uitkeringen, is stabiel gebleven onder de minimapopulatie. Het aandeel huishoudens met een inkomen uit werk is juist kleiner geworden de afgelopen 10 jaar.
% 100 22
23
16
16
24
24
24
26
26
27
28
29
17
17
17
16
16
16
16
18
80
60
pensioen andere uitkering
40
37
36
35
36
35
bijstand 38
38
39
38
37
eigen bedrijf loondienst
20
0
8
9
9
8
9
17
17
15
15
15
12
12
11
11
11
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
8
8
7
7
5
Bron: CBS, bewerking O&S
Armoedepercentage het hoogste onder eenoudergezinnen
Van alle eenoudergezinnen is een derde minima, twee keer zo veel als gemiddeld. Ook alleenstaanden zijn relatief vaak minima. Deze huishoudens hebben één inkomen. In het geval van eenoudergezinnen gaat het voornamelijk om alleenstaande moeders. Onder alleenstaanden zijn er ongeveer evenveel mannen als vrouwen. Huishoudens met (potentieel) twee inkomens zijn veel minder vaak minima. Alleenstaanden vormen in aantal de grootste groep minima. Ook onder de totale bevolking van Amsterdam vormen alleenstaanden verreweg de grootste groep.
Figuur 9. Minimahuishoudens naar huishoudtype, en bovenminima met gelijk huishouden, 2020
eenoudergezin
32
minima
alleenstaande
22
bovenminima
paar met kinderen 7 paar zonder kinderen 7 overig 7 totaal
16 % 0
20
40
60
80
100
0
100
200
300
400
x 1.000 500 Bron: CBS, bewerking O&S
Groep alleenstaanden onder minima groeit Figuur 10. Minimahuishoudens naar huishoudtype, 2011-2020 (procenten)
100
80
%
4
4
5
5
3
4
4
3
3
4
11
11
15
14
14
14
13
12
12
12
8
8
7
6
8
7
9
8
7
9
9
9
9
9
9
9
9
9
9
9
overig
eenoudergezin
60
paar met kinderen
40
paar zonder kinderen
63
63
64
2011
2012
2013
65
67
67
68
69
69
70
alleenstaande
20
0
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Bron: CBS, bewerking O&S
De samenstelling van de groep minimahuishoudens is veranderd sinds 2011. Over de jaren heen zien we dat er steeds meer alleenstaanden zijn onder de minimahuishoudens. Hun aandeel is gestegen van 63% in 2011 naar 70% in 2020. Dit is niet specifiek voor minima: ook onder alle Amsterdamse huishoudens stijgt het aandeel alleenstaanden de afgelopen jaren Daartegenover staat de groep huishoudens met kinderen, die kleiner is geworden. In de afgelopen 10 jaar zijn zowel eenoudergezinnen als paren met kinderen een kleiner aandeel gaan vormen van alle minimahuishoudens.
Groep langdurige minima neemt verder toe
Wanneer een persoon tenminste drie achtereenvolgende jaren leeft in een minimahuishouden, spreken we van langdurige armoede. Steeds meer minima zijn langdurig arm. In de jaren 2018 en 2019 was hun percentage stabiel, maar in 2020 is de groep langdurige minima met een procentpunt gestegen. In dat jaar behoorde 66% van de minima minstens drie achtereenvolgende jaren tot deze populatie. Bijna een kwart leeft al minstens 10 jaren onafgebroken in een huishouden dat moet rondkomen van minder dan 120% SM en weinig vermogen heeft.
Figuur 11. Personen in minimahuishoudens naar duur minimapositie, 2013-2020 (procenten) 100
%
80
57
58
61
62
64
65
65
66
43
42
39
38
36
35
35
34
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
60
40
20
0
korter dan 3 jaar minima
minimaal 3 jaar aaneengesloten minima Bron: CBS, bewerking O&S
Kinderen en ouderen vaker minima dan gemiddeld Van alle Amsterdammers leeft 13% in een minimahuishouden. Onder kinderen vanaf 5 jaar is dit percentage hoger, vooral onder de groep 10 t/m 14 jarigen. Van deze laatste groep groeit 18% op in een minimahuishouden. Onder 66-plussers is het percentage minima het hoogst: van hen leeft 21,5% in een minimahuishouden. Deze groep leeft van een pensioen en heeft over het algemeen geen perspectief op een verbetering van de inkomenspositie. Het aandeel Amsterdammers dat deel uitmaakt van een minimahuishouden is vanaf 55 jaar bovengemiddeld: dit hoge armoedepercentage heeft dan ook niet alleen te maken met de inkomenspositie van pensioengerechtigden. Minima van 66 jaar en ouder zijn vaker vrouwen (57%) dan mannen (43%).
Figuur 12. Personen in minimahuishouden naar leeftijdscategorie, 2011-2020 (procenten)
35
%
30 25 20 15 10 5 0
0-4
5-9
10-14 15-19 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-65 minima-percentage
66+
gemiddelde: 13% Bron: CBS, bewerking O&S
Steeds minder kinderen, steeds meer ouderen onder minima Figuur 13. 0 t/m 17-jarigen in minimahuishoudens, 2011- 2020
Figuur 14. 66-plussers in minimahuishoudens, 2011- 2020
%
40.000
30.000
29.633 30.045 30.128 30.154
60
28.039
27.090
30.000 25.556
24.311
21,6
21,4
19,7
40
40 23.009 22.663
30 21,8
20.000
17.830 18.364 17.897 18.596
19.236 19.787
20.379 21.094
19,0
17,9
17,0
16,2
16,0
20
10.000
19,5
20,0
22,3
22,4
21,0
21,2
21,3
21,3
21,3
21,5
2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
0
20 10
10
aantal
30
14.715 15.256
10.000
0
60 50
50
20.000 21,6
%
40.000
0
2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 aantal
percentage
0
percentage
Bron: CBS, bewerking O&S
Bron: CBS, bewerking O&S
Sinds 2014 daalt het aantal en het percentage kinderen dat opgroeit in een minimahuishouden gestaag (figuur 13). In 2020 zet deze daling door, al lijkt er wel sprake te zijn van een afvlakking. In 2012 groeide 21,8% van de Amsterdamse kinderen op in een minimahuishouden, in 2020 is dit percentage gedaald naar 16%. Een omgekeerde ontwikkeling zien we bij ouderen (figuur 14). Het aantal oudere minima stijgt sinds 2015 gestaag. In relatieve zin blijft hun aandeel stabiel omdat onder de totale bevolking van Amsterdam het aantal ouderen ook stijgt. In 2020 is sprake van een lichte procentuele stijging van de groep oudere minima. Vooral ouderen met een migratieachtergrond zijn relatief vaak minima. Van de Amsterdammers met een Turkse en Marokkaanse migratieachtergrond is 63% minima, drie keer zo veel als gemiddeld onder ouderen. Onder deze groep zitten veel personen die geen volledige AOW hebben opgebouwd. Ook van de ouderen met een achtergrond in het Midden-Oosten en Afrika behoort een ruime meerderheid tot de minima.
onderzoek.amsterdam.nl/dossier/armoede
Opdrachtgever: WPI
Onderzoek en Statistiek
Auteurs:
Weesperstraat 113
Marloes de Hoon, Idske de Jong, Laure Michon
1018 VN Amsterdam Postbus 658 1000 AR Amsterdam T 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl
6