CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Evidence-informed werken Onderwijskennis Netwerk Amsterdam - een evaluatie (OS).pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 6 november 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Evaluatie en vervolg Onderwijskennis Netwerk Amsterdam (VN2024-014578)21.441 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.2.2 Andere prioriteiten Een tweede oorzaak dat de motivatie voor evidence-informed werken laag kan zijn, is doordat mensen andere prioriteiten hebben in het streven naar ‘goed onderwijs’. Die andere prioriteiten worden expliciet als we kijken naar het Integratief gedragsmodel. In grote lijnen zien we dat sommigen overtuigingen hebben dat evidence-informed werken niet de meest geëigende manier is om tot goed onderwijs te komen (houding), sommigen de vaardigheden niet (denken) te hebben om evidence-informed te werken (zelfeffectiviteit en vaardigheden), in sommige contexten de belastbaarheid erg laag is, en dat soms de dagdagelijkse situatie evidenceinformed werken belemmert (praktische context). Het volgende hoofdstuk gaat dieper in op de onderdelen van het integratief gedragsmodel. 29

6 Integratief gedragsmodel en evidenceinformed werken

Zoals ook in het hoofdstuk over de onderzoeksmethode beschreven, gebruiken we het Integratief gedragsmodel als middel om meer inzicht te krijgen in waarom mensen evidenceinformed werken niet gebruiken in hun dagelijkse praktijk (zie ook H2 voor een afbeelding van het IGM). Het IGM helpt ons om in meer detail te begrijpen waar bepaald gedrag vandaan komt en op welke achterliggende oorzaken ingezet moet worden om gedrag te veranderen (Blonk, 2018). Om tot meer inzicht te komen, hebben we zowel in de online vragenlijst als in de interviews vragen gesteld die bij het model aansluiten. De uitwerking van dit model maakt expliciet welke andere prioriteiten in de praktijk van de scholen een rol spelen die evidenceinformed werken belemmeren – en soms stimuleren. Integratief gedragsmodel: willen - houding Bij houding noemen de geïnterviewden verschillende gedachten die belemmerend werken voor evidence-informed werken. Voor een deel gaat het om de houding van leraren: dat ze bijvoorbeeld weinig zin hebben om te veranderen, omdat ze vinden dat ze al het goede doen. Zoals een geïnterviewde zei: “En dat klopt deels misschien ook wel, want als je een ervaren leraar bent, dan heb je in de praktijk ervaren wat werkt en doe je onbewust de goede dingen.” (ONApartner).

Dat neemt niet weg dat iedereen nieuwe kennis kan leren, of zoals een geïnterviewde het helder benoemde: “Een vak staat nooit stil, dus het heeft ook te maken met je professionele ontwikkeling.” (schoolleider onderzoeksschool). Het weinig zin hebben in veranderen zit voor een deel ook in het gedoe dat gepaard gaat met veranderingen. Zo gaf een andere schoolleider aan: “Ja daar zit toch vaak angst achter. […] Ze hebben het dan denk ik te druk in met andere zaken. Dan is het teveel. Ik denk, het is de kern.” Iemand anders geeft aan: “Angst voor verandering. Anders gewend te werken is het best een grote verandering. Ze denken vaak ‘hoe dan?’. Of ze denken zelf te weten hoe het het beste moet. ‘Zo’n wetenschapper praat maar wat’.” Voor scholen met een zwaardere leerlingenpopulatie leeft soms ook het idee dat “onze kinderen dat niet kunnen”. (leraar niet-onderzoeksschool). Integratief gedragsmodel: willen - zelfeffectiviteit Een minder grote rol speelt de zelfeffectiviteit van de leerkrachten, maar desondanks lijkt het soms wel te spelen als belemmering om aan de slag te gaan met evidence-informed werken. Zo zei een geïnterviewde: “Leerkracht hebben soms weerstand en dat komt vaak doordat zij hun werkwijze moeten aanpassen en denken niet competent genoeg te zijn. En ja, die zijn er altijd.” (schoolleider onderzoeksschool).

Iets meer indirect wordt het ook genoemd als een thema voor schoolleiders. Eén van de schoolleiders van een onderzoeksschool benadrukte tijdens een interview het belang dat een schoolleider ook moet durven in te grijpen als de resultaten tegen vallen.

30

Integratief gedragsmodel: willen - sociale druk Wat wel een grote rol blijkt te spelen in de motivatie voor evidence-informed werken, is de sociale druk. Dit is in die zin geen oorzaak van minder, maar juist een stimulans voor meer motivatie. Aan de ene kant gaat dat om de sociale druk bínnen een school. Dan geven de geïnterviewden voorbeelden van sociale druk door middel van directe sturing én van inspiratie. Zo vertelde een schoolleider van een onderzoeksschool dat ze bezig waren met evidenceinformed werken op één thema, en in de toekomst ook een ander thema wilden oppakken. Doordat ze op het eerste thema al bezig was, zag ze dat het tweede thema eigenlijk al evidenceinformed werd opgepakt. Een schoolleider zag dat: “Als die interesse er is geven ze dat ook weer door (binnen hun vakgebied).” Dit wordt breder gedragen, zoals blijkt uit dit citaat van een ONApartner: “Het is beter als collega’s het vertellen en inspireren aan elkaar dan top down.” Een leraar ervaart dit zelf ook: “Ik ben heel erg de persoon van ik ga het uitproberen en als het werkt dan wordt buurvrouw misschien ook wel enthousiast. Dan gaan we het samen doen. Ik ben iemand die lekker op de werkvloer zit en merken dat iets werkt en anderen enthousiasmeren.” (leerkracht nietonderzoeksschool). Die inspiratie zien we ook vanuit het bestuur richting de scholen.

Zo gaf een bestuurder het voorbeeld dat hij een leraar heeft zitten ompraten om deel te nemen aan ONA, die uiteindelijk daar heel enthousiast over was. Uit veel van de interviews blijkt ook het belang van sociale druk in de vorm van sturing. Veel geïnterviewden zien een belangrijke rol voor schoolleiders in het sturen op evidence-informed werken. Een schoolleider vertelde dat ze vanuit de schoolleiding actief begeleidden en coachten op hun vertaling van evidence-informed werken. Volgens een ONA-partner is de schoolleider daarin heel belangrijk, die is daarin namelijk een voorbeeld. Schoolleiders kunnen een voorbeeld zijn door zelf gebruik te maken van evidence-informed werken, maar ook heel praktisch door artikelen te lezen en doorsturen. Een andere schoolleider zegt over evidence-informed werken bij leraren: “Ik wil dat ze voelen: ik moet effectief lesgeven.” Een andere schoolleider vertelde: “Er zijn verschillen tussen leraren, sommigen zijn enthousiaster. Je hebt mensen die het laten liggen, als wij het belangrijk genoeg vinden spreken we ze aan.” (schoolleider niet-onderzoeksschool). Uit gesprekken met leraren bleek ook dat deze sturing grotendeels gewenst en gewaardeerd werd. Zo gaf een leraar aan dat het nodig is dat een school een leidinggevende heeft die het eens is met de gekozen richting van evidence-informed werken.

Een andere enthousiaste leerkracht van een niet-onderzoeksschool geeft aan: “We lezen veel, maar vooral onze directrice doet dat. Wij kiezen met het team de onderwerpen waarin we ons willen scholen. De selectie gebeurt door de directie op basis van de schoolresultaten en waar meer aandacht voor nodig is.” Een aantal leraren geeft daarnaast aan dat ze zelf te weinig tijd hebben om alles te lezen en het erg prettig vinden als de leiding hen aanreikt wat belangrijke informatie is. Zo zegt een leerkracht: “Dat doe ik niet. Het moet mij echt gegeven worden. Ik heb geen tijd. Ik heb ook een gezin. De directie geeft ons wat we nodig hebben. Ik vind studeren leuk, maar ik heb geen tijd. Het is dus nodig dat iemand de informatie filtert.” (leraar niet-onderzoeksschool). De sociale druk blijkt ook plaats te vinden tussen de Amsterdamse basisscholen. Hierbij gaat het vooral om het inspireren van elkaar. Eén schoolleider zei bijvoorbeeld: “Wij hebben als het ware een ambassadeursrol, dus informeren, laten zien dat het wel kan en op welke manier en de voordelen laten zien.” (schoolleider onderzoeksschool). Hierin hebben zeker de onderzoeksscholen een belangrijke functie: [De aandacht voor evidence-informed werken is] “vergroot, vier scholen zijn er heel bewust mee bezig en stralen het uit. Het is een olievlek die zich langzaam verspreid.” (schoolleider onderzoeksschool).

Het helpt daarbij om “succesverhalen van andere scholen te horen. Sinds wij zo werken, je houdt ze bezig met iets wat ze interessant vinden en

31

je krijgt draagvlak omdat ze mee gaan denken.” (schoolleider niet-onderzoeksschool). Die vertelde ook: “Het in contact zijn met andere scholen draagt bij aan het enthousiasme.” Integratief gedragsmodel: kunnen – vaardigheden Als we kijken wat de geïnterviewden noemen met betrekking tot vaardigheden, wordt de motivatie voor evidence-informed werken voor een deel belemmerd door het niet hebben van de vaardigheden om wetenschappelijke kennis te begrijpen en toe te passen op de praktijk. Dat zit aan de ene kant in de vaardigheden van de leerkrachten en schoolleiders om wetenschappelijke artikelen te kunnen vinden, begrijpen én toe te passen. Zo zegt een leraar: “Het [de hoeveelheid literatuur] is veel te veel, het is moeilijk om te schiften.” (leraar niet-onderzoeksschool). Daarbij komt ook dat het een vaardigheid is om wetenschappelijke artikelen te lezen. Een schoolleider zegt treffend: “Je hebt de wetenschap en de praktijk, dat is niet één op één op elkaar te leggen.” (schoolleider onderzoeksschool). Een ONA-partner zei als voorbeeld: “Er zullen ook leraren zijn die zeggen: onderzoek en daar in verdiepen, taaie kost.” Dat komt deels door de eerder genoemde opleidingen. Zo gaf een leraar aan op de opleiding niets over evidence-informed werken te hebben gekregen (leraar onderzoeksschool).

Dat lijkt minder een probleem te zijn voor academisch geschoolde leraren, maar zeker leraren met een mbo of hbo opleiding lijken geen of minder ervaring te hebben met wetenschappelijk onderzoek: “Die hebben nooit onderzoek gedaan. Dat matcht dus niet en dat denken zit er niet.” (bestuurder). Uiteindelijk blijkt uit de interviews dat er ook een belangrijke rol is voor de schoolleiders. Een aantal geïnterviewden laat zien dat zij als schoolleiders ook de vaardigheden en kennis nodig hebben om inhoud te geven aan evidence-informed werken. Daarnaast is het niet altijd vanzelfsprekend dat die vaardigheden ook aanwezig zijn: “Ontwikkelen en leren moet je ook je eigen maken.” (schoolleider onderzoeksschool). Integratief gedragsmodel: kunnen – praktische context De praktische context is een belangrijk onderdeel in de motivatie voor evidence-informed werken. De meest genoemde thema’s daarin zijn het hebben van voldoende tijd en geld, de cultuur binnen de school, voldoende personeel, en hoe leermomenten georganiseerd zijn. Als het gaat om voldoende tijd, hebben de geïnterviewden het in de eerste plaats over tijd in de dagdagelijkse praktijk. Tijd die naast het lesgeven besteed kan worden aan het vinden, lezen en bespreken van artikelen, het volgen van trainingen en in het algemeen bezig zijn met het ontwikkelproces richting evidence-informed werken.

De scholen die aangeven veel met evidence-informed bezig te zijn, hebben op één of andere manier hun school zo georganiseerd dat naast het lesgeven daar ook voldoende tijd voor is. Bijvoorbeeld om vergaderingen echt over inhoudelijke, evidence-informed thema’s te laten gaan, door vergaderingen überhaupt af te schaffen, tijd vrijmaken op studiedagen, of te werken met professionele teams op specifieke thema’s. Eén schoolleider legt uit dat zij op school rekening houden met de werkdruk als ze inhoudelijk willen overleggen: “Ja, dat het soms lange dagen zijn en het veel is. De werkdruk is dan in pieken hoog. Het is dan soms even op als ze dan ook nog een vergadering hebben. We verplaatsen het dan wel naar een rustig moment.”(schoolleider niet-onderzoeksschool). Het gaat bij voldoende tijd ook meteen over voldoende geld. “Geld, want tijd is geld.” (schoolleider onderzoeksschool). Dat kan vanuit het bestuur gefaciliteerd worden, of bijvoorbeeld vanuit ONA. Dit is soms een uitdaging, onder andere omdat de NPO-middelen zijn afgelopen, zoals een ONA-partner aangeeft. Daarnaast speelt het lerarentekort hier ook een belangrijke belemmerende rol, omdat het de (tijds)druk op de aanwezige leraren vergroot. 32

Naast de tijd die evidence-informed werken kost in de dagdagelijkse praktijk, vinden de geïnterviewden ook voldoende tijd op de lange termijn van groot belang. In veel gesprekken kwam terug dat het verbetertraject of de cultuurverandering die hoort bij evidence-informed werken een lange adem nodig heeft. Daarbij hebben de deelnemers het over jaren, sommigen noemen een periode van vijf tot tien jaar om echt effect te zien. Zoals een geïnterviewde zegt: “Bij ons is het wel wat meer bekend geworden, omdat we er heel lang mee werken. Je moet het blijven benoemen. Het is suf als je iets na een aantal jaar moet veranderen.” (schoolleider onderzoeksschool). Een andere schoolleider vertelde: “Het moeilijkst is het goed houden. Je hebt een lange adem nodig voor evidence-informed werken. Je doet ook niet elk jaar iets nieuws, dit is wat we doen en dat gaan we stapsgewijs verbeteren door data op te halen en na te denken wat de volgende stap is.” (schoolleider onderzoeksschool).

Naast voldoende tijd op korte en lange termijn, noemen de geïnterviewden de cultuur op een school van belang voor evidence-informed werken. Dat gaat over het hebben van “enthousiaste mensen die openstaan voor vernieuwing en verbetering” (schoolleider onderzoeksschool), maar ook om “In hoeverre [zijn de medewerkers] gewend om met elkaar inhoudelijk in leerteams te onderzoeken” (ONA-partner). Een schoolleider vertelde: “Je hebt drive nodig met elkaar. Je moet ook na schooltijd tot die verdieping komen, het is druk en na school moet je dan nog met de werkgroep aan de slag. Voor de ene geeft dat ook energie, de ander vind dat vermoeiender. Het is een investering die je met elkaar moet aan gaan.” Daarvoor moet ook de ruimte en veiligheid worden geboden voor een lerende cultuur. Meerdere schoolleiders zeggen expliciet dat fouten maken mag. Een schoolleider legde uit: “In onze visie staat expliciet: ‘Er wordt niet geleerd zonder dat het mis gaat, je leert pas als het fout gaat’. Het gevoel dat fouten maken mag is er dus ook, en dat helpt.” (schoolleider onderzoeksschool). Daar is ook -zoals een andere schoolleider vertelde- “veiligheid voor nodig in je team, want mensen moeten durven te leren. Dat gaat gepaard met hobbels. Als iets moeizaam gaat, daar moet je je als leidinggevende ook bewust van zijn.” (schoolleider onderzoeksschool).

Integratief gedragsmodel: kunnen - belastbaarheid Als het gaat om belastbaarheid rondom het thema evidence-informed werken, blijkt uit de interviews dat het vooral gaat om de belastbaarheid van leraren. De geïnterviewden noemen het niet vaak als thema, maar zijdelings komt het een aantal keer terug. Wat bijvoorbeeld wordt genoemd, is dat voor sommige leraren -bijvoorbeeld startende leraren- het lesgeven al een hele taak op zich is, en ze dus minder ruimte hebben om iets met evidence-informed werken te doen. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit een interview met een leraar, die expliciet zegt dat ze te vol zit met werk en gezin om extra informatie uit te gaan zoeken. Zij wil het liefst dat de directie de informatie voor haar filtert. Het zit ook in de hoeveelheid thema’s waar scholen mee kunnen omgaan. Veel geïnterviewden geven aan één thema te kiezen waarop ze evidence-informed werken willen doorvoeren, omdat het anders te veel wordt. Zo zegt een leraar die zich bezighoudt met het vormgeven van de basisvaardigheden op haar school: “Het wordt vast nog breder maar op dit moment is dit het maximaal haalbare. In het masterplan basisvaardigheden kon je kiezen welke speerpunten je koos, en mijn visie is één speerpunt. Eén is meer dan complex genoeg.” (leraar niet-onderzoeksschool).

33

7 Andere doelen naast evidence-informed werken

Hoofdstuk 6 liet zien dat de onderwijspartners een gedeeld doel hebben om goed onderwijs voor Amsterdamse basisschoolleerlingen mogelijk te maken. Evidence-informed werken is een belangrijk middel om dat doel te behalen, en levert bijeffecten op die ook leiden tot beter onderwijs. Toch werken nog veel scholen niet met evidence-informed werken. Uit de interviews blijkt dit te komen door onbekendheid met evidence-informed werken of allerlei redenen die leiden tot weinig motivatie voor evidence-informed werken. Bij dat laatste lijken de belangrijkste thema’s: de houding van betrokkenen (angst, geen zin in gedoe, niets extra’s willen of weinig vertrouwen in de wetenschap), sociale druk (zowel binnen een school als van scholen en andere partners onderling), de vaardigheden (het kunnen vinden en lezen van literatuur, en het durven en kunnen sturen op evidence-informed werken), en de praktische context (voldoende tijd zowel op korte als lange termijn, en de cultuur op een school). Om verder te bouwen op de bevindingen van hoofdstuk 5, laat figuur 6.1 schematisch zien dat om het doel ‘goed onderwijs’ te behalen evidence-informed werken een rol speelt, maar ondertussen verschillende andere thema’s spelen bij de partners.

Dat blijkt uit zowel het in het vorige hoofdstuk besproken Integratief gedragsmodel, als ook de interviews waarin we expliciet hebben gevraagd naar belangen van de verschillende partners. Figuur 6.1 Ruwe schets doelen Amsterdamse onderwijsstakeholders

34

In lijn met de wetenschappelijke theorie van Bannink en Bosselaar (2018) heeft elke partner -van de gemeente Amsterdam, tot de individuele leerkracht, tot het BBO en de wetenschappers een eigen perspectief. Dit komt deels al terug in de constatering dat sommige scholen niet evidenceinformed werken doordat zij andere prioriteiten stellen. Anders gezegd: zij hebben andere doelen. Hun doel is bijvoorbeeld om hun lerarentekort op te lossen, of zo snel mogelijk van hun oordeel Zeer zwak af te komen. Een ander voorbeeld is de leerkracht die al blij is dat hij een klas draaiende kan houden met te veel zieke collega’s en te weinig ondersteuning. Deze perspectieven zijn rijk om te begrijpen, om daarna te kijken of ze toch op één of andere manier verbonden kunnen worden met het doel van evidence-informed werken, en daarmee uiteindelijk met het bieden van optimaal onderwijs voor Amsterdamse kinderen. In de tekst hieronder lichten we per partner een deel van hun perspectief en een eerste schets van hun belangen toe.1 Dit heeft tot doel om een eerste indruk te geven van wat voor soort thema’s en uitdagingen (lees: doelen) kunnen spelen bij verschillende partners. Daarmee geeft het handvatten om hier in de samenwerking voor de toekomst rekening mee te houden, en om te kunnen analyseren in hoeverre ONA het lukt om deze verschillen in doelen te kunnen verbinden.

Het is dus niet bedoeld om een uitputtend overzicht te zijn van thema’s en uitdagingen waar de partners mee te maken hebben. Schoolleiders en leraren Als we kijken naar de individuele scholen, dan hebben leraren en schoolleiders verschillende belangen. Deels zijn deze ook in het vorige hoofdstuk benoemd. Zeker beginnende leraren en leraren die te maken hebben met te weinig collega’s willen vaak het liefst de meeste focus leggen op een klas draaiende houden. Veel leraren hebben het over de hoge werkdruk, en kunnen er gewoon niets extra’s bij hebben. Daarnaast zijn er leraren die vooral lekker bezig willen zijn met kinderen, en verder eigenlijk weinig behoefte hebben aan verdere ontwikkeling. Aan de andere kant staan leraren die juist wel meer uitdaging nodig hebben of vorm willen geven aan hun ambities. Het is voor sommige leraren interessant om te werken aan hun professionalisering, en sommigen zijn op zoek naar handvatten om hun dagelijkse werk vorm te geven en hun werkwijze te kunnen verantwoorden naar bijvoorbeeld ouders. Als laatste komt uit de interviews dat leraren vaak een beter salaris willen. Schoolleiders zijn voor een groot deel bezig met het lerarentekort en met het omgaan met zijinstromers en net startende leraren.

De schoolleiders hebben ook een rol in het stimuleren van een prettige sfeer op school en in het onderwijsteam, en moeten omgaan met de verschillende wensen en behoeften van de leraren. De school draaiende houden, werken aan de kwaliteit van het onderwijs, en zorgen voor een voldoende oordeel van de Inspectie, zijn belangrijke belangen waar schoolleiders mee te maken hebben. Daarnaast hebben schoolleiders te kampen met financiële uitdagingen, bijvoorbeeld door het aflopen van de NPO-gelden. Ondertussen zijn de scholen ook in concurrentie met andere basisscholen in de buurt, en heeft de schoolleiding belang bij het trekken van ouders en daarmee leerlingen.

1 Goed om hierbij te weten is dat we in de interviews expliciet vroeg naar de partners: schoolleiders, leraren,

bestuurders (BBO) en de gemeente Amsterdam. Daarna vroegen we welke andere partners een belang hadden rondom evidence-informed werken in het basisonderwijs. De meest genoemde -en daarom hier ook opgenomenpartner waren de opleidingen. Daarnaast werden ook bijvoorbeeld de ouders en uitgevers genoemd, maar in veel mindere mate.

35

Scholen vallen onder verschillende bestuurders. Deze bestuurders en schoolleiders vallen onder besturen die voor een groot deel weer zijn georganiseerd in het Breed Bestuurlijk Overleg Amsterdam (BBO). Deze hebben zich als groep voor drie jaar verbonden aan ONA, en daarmee ook aan de doelstellingen rondom evidence-informed werken. Ondertussen hebben ze ook te maken met de concurrentie tussen de verschillende scholen en moeten ze omgaan met het lerarentekort. Evidence-informed werken lijkt minder te leven bij deze groep. Wetenschap De geïnterviewden zien vooral bij de wetenschappers andere belangen als het gaat om het stimuleren van evidence-informed werken. Zo noemen de deelnemers dat wetenschappers het belangrijk lijken te vinden dat hun onderzoek in de praktijk gebruikt wordt, en goed gevonden kan worden. Aan de andere kant zien de respondenten dat wetenschappers ook altijd de noodzaak om financiering te vinden voor nieuw onderzoek, en -zeker in de academische wereldeen sterke druk om te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Daarnaast noemen ze de belangen van bijvoorbeeld promovendi die een groot belang hebben bij het afronden van het proefschrift. Gemeente Amsterdam In de interviews worden vaak het doel van de gemeente Amsterdam genoemd om de kansenongelijkheid in Amsterdam te verminderen en optimale ontwikkelkansen te bieden aan alle kinderen.

Daar vloeit uit voort de wens om de verschillen tussen de scholen niet groter te laten worden, en waar mogelijk te verkleinen. Een geïnterviewde merkte daarbij op dat het daarbij (ook) gaat om het versterken van minder presterende scholen. Daarbij is het voor de gemeente Amsterdam ook belangrijk dat het onderwijs aantrekkelijk is voor leraren, om zo een oplossing te vinden voor het lerarentekort. Uit de gesprekken blijkt dat het evidence-informed werken ook voor de gemeente een belangrijk middel is om tot beter onderwijs te komen. Daarnaast zijn goed werkende initiatieven om evidence-informed werken te stimuleren een mooie manier om te laten zien dat actief op dit thema wordt ingezet. Meerdere mensen geven aan dat de gemeente uiteindelijk daarin niet meer kan doen dan (financieel) stimuleren. Scholen hebben -binnen de kaders van de Inspectie- de vrijheid om hun school naar eigen inzicht te organiseren. Een bestuurder gaf daarbij aan dat daarom het een doel van de gemeente is dat de partners in de stad samenwerken om meer met evidence-informed werken te doen. Opleiders De geïnterviewden2 benoemden ook de opleidingen als belangrijke partners als het gaat om het stimuleren van evidence-informed werken. Uit de gesprekken bleken dat de opleidingen het bijvoorbeeld belangrijk vinden om de kwaliteit van de opleiding hoog te houden.

Dit duurt langer dan de basisscholen willen, aangezien die met een tekort aan leerkrachten zitten. Daarnaast hebben de opleidingen te maken met een overvol curriculum en wettelijke vereiste programma’s.

2 Belangrijk is om hierbij te onthouden dat we in dit onderzoek geen opleidingen hebben gesproken.

36

7.1 Van duiden naar verbinden De bovenstaande, ruwe beschrijving van de verschillende doelen is een opstapje naar een analyse van de rol die ONA speelt in deze wirwar om toch stappen te zetten richting meer evidence-informed werken. In lijn met de theorie van Bannink en Bosselaar is het namelijk belangrijk dat die verschillende doelen worden verbonden aan het gezamenlijke doel om tot een zo succesvol mogelijk samenwerking te komen. In het hoofdstuk hierna gaan we dieper in op de analyse van de rol van ONA.

37

8 ONA als motivator en verbinder

De vorige drie hoofdstukken gingen in op het waarom achter het al dan niet toepassen van evidence-informed werken op Amsterdamse basisscholen, en de belangen die de partners hebben naast het toepassen van evidence-informed werken. Dit hoofdstuk beschrijft de rol van ONA hierin. De resultaten in dit hoofdstuk zijn een combinatie van suggesties van geïnterviewden en een analyse van de activiteiten van ONA ten opzichte van de bevindingen in de vorige hoofdstukken. Een meer algemene beschrijving van de ervaringen met ONA is te vinden in hoofdstuk 3.

8.1 ONA als motivator Eerder beschreven we dat het niet toepassen van evidence-informed werken voortkwam uit enerzijds onbekendheid en anderzijds met -in grote lijnen- andere prioriteiten. De geïnterviewden gaven aan dat ONA een belangrijke bijdrage heeft in het op de kaart zetten van evidence-informed werken. Door ONA wordt evidence-informed werken bekender, en de deelnemers zeiden dat aankomende jaren vooral doorgezet moet worden om de bekendheid verder te vergroten. Daarbij merkten verschillende mensen op dat, aangezien ONA nu twee jaar bezig is, het te kort is om echt grote effecten te verwachten qua bekendheid van evidenceinformed werken. Voor de toekomst wordt dit als blijvend aandachtspunt voor ONA genoemd (zie ook H3). Verschillende geïnterviewden geven aan dat het laagdrempelig beschikbaar zijn van praktisch vertaalde wetenschappelijke kennis heel belangrijk is. In een aantal interviews wordt aangegeven dat de website van ONA hier goed op inspeelt. Zie voor meer informatie over hoe de website wordt ervaren hoofdstuk 3. De toegankelijke kennis én de activiteiten die ONA mogelijk maakt rondom evidence-informed werken, zorgen ook voor toegenomen vaardigheden en meer zelfeffectiviteit bij de deelnemers. Daarmee draagt het ook bij aan het vergroten van de motivatie.

Uit de analyse van het Integratief gedragsmodel blijkt dat de sociale druk een belangrijke rol speelt in het vergroten van de motivatie voor evidence-informed werken. Met het aanstellen en begeleiden van onderzoeksscholen speelt ONA daarmee mooi in op het belang van sociale druk tussen Amsterdamse basisscholen. De onderzoeksscholen zijn een voorbeeld voor andere scholen en bieden inspiratie. Door het officieel verbinden van de BBO aan ONA wordt ook de sociale druk bij de bestuurders vergroot, die daarmee weer een rol hebben richting hun schoolleiders. Dat zien we ook gebeuren in de praktijk, bijvoorbeeld de bestuurder die een schoolleider stimuleert om toch mee te doen aan een van de activiteiten van ONA. Naast inspiratie bleek ook sturing een belangrijk aspect te zijn in het stimuleren van evidenceinformed werken. Het merendeel van de activiteiten van ONA lijkt gericht op het inspireren, en sturing lijkt daarbij minder aandacht te krijgen. Dit onderzoek laat zien dat activiteiten gericht op 38

het bieden van handvatten voor meer of beter sturen op evidence-informed werken interessant zou kunnen zijn om verder te verkennen. Daarbij lijkt een belangrijke rol voor sturing vanuit de schoolleiding, omdat een deel van de leraren de nodige kennis graag -onderbouwd- aangereikt wil krijgen door de schoolleiding.

8.2 ONA als verbinder Zoals in de methode beschreven, nemen we in dit rapport het perspectief van duiden en verbinden van Bannink en Bosselaar (2018). Daarbij gaat het over het nadenken vanuit de vraag hoe een organisatie haar (sub)doelen en belangen te verbinden aan de (sub)doelen en belangen van de andere organisatie. Het uitgangspunt daarbij is dat degene die werkt aan het overkoepelende doel (hier ‘evidence-informed werken’) een eigen opvatting heeft over wat het op te lossen probleem is en hoe hij of zij vanuit de eigen expertise en middelen kan én wil bijdragen aan de oplossing. Dit nogal abstracte verhaal kan helder worden gemaakt door een voorbeeld dat we tegenkwamen in één van de interviews. Daarbij vertelde een schoolleider dat zij al voor een flink aantal jaren stuurt op evidence-informed werken. Uit de manier waarop zij vertelt, blijkt dat zij in dat sturen onbewust gebruik maakt van duiden en verbinden. Zo vertelde zij dat meer direct sturen niet werkt: “als je schoolleider zegt ‘we gaan het zo doen’, dan kan dat botsen met de werkelijkheid die er ook is in de school.” Zij ziet dat leerkrachten een bepaalde manier van werken hebben geleerd en soms hun werk al heel lang op een bepaalde manier doen, en ze daarin serieus moet nemen. Met ondertussen ook te durven zeggen dat het niet meer klopt.

Deze twee tegengestelde belangen verbindt zij op het niveau van de leerling: door het bevragen van de leerkracht over wat die aan kennis en vaardigheden wil hebben bij de leerlingen. Zij ziet dat de leerkrachten daarmee ook bereid zijn om hun eigen werkwijze aan te passen, als dat nodig is.

8.2.1 De samenwerking en activiteiten van de drie partners Bij het analyseren van ONA valt op dat alleen al door de manier waarop ONA georganiseerd is (de drie partijen bij elkaar) zorgt voor een verbinding van verschillende doelen. Het belangrijkste voorbeeld daarbij is het verbinden van het doel van wetenschappers (hun kennis toepassen in de praktijk) met het doel van schoolleiders om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en de doelen van de leraren, zoals goed onderwijs kunnen bieden en handvatten hebben om het juiste te doen. Heel praktisch zorgt bijvoorbeeld de website van ONA (en dan specifiek de praktijkkaarten en toolkits) voor een verbinding van de behoefte van leraren voor handvatten voor het dagelijkse werk verbonden aan de wens van de wetenschap om hun ontwikkelde kennis in de praktijk toe te passen. Een ander voorbeeld: ONA verbindt de financiering vanuit de gemeente Amsterdam voor het vrijspelen van een leraar voor één dag per week het doel van de leraar om meer uitdaging te vinden in het werk met de financiële uitdagingen van de schoolleider. Het werken binnen een Onderzoeksschool kan voor leraren vorm geven aan hun ambities. Daarnaast is ONA voor wetenschappers een plek om aan nieuw onderzoek te komen én geeft het hen

39

mogelijkheden om te publiceren, waarmee leraren handvatten krijgen voor hun dagelijkse werk en schoolleiders kunnen werken aan onderwijskwaliteit. Daarnaast verbindt ONA het doel van de gemeente om in te zetten op goede kwaliteit van onderwijs en de beperkte mogelijkheden om daadwerkelijk daarin te sturen, met de financiële ondersteuning om bij de onderzoeksscholen leraren vrij te spelen voor één dag per week om zich te verdiepen in onderzoek, kennis, etc. Deze leraren kunnen daarmee meer uitdaging ervaren, vorm geven aan hun ambities en mogelijk een beter salaris krijgen. De wetenschappers hebben met de onderzoeksscholen een directe plek om hun kennis toe te passen. Het succes van ONA en de tevredenheid van de deelnemers (zowel de onderzoeksscholen als de mensen die deelnemen aan de ONA-activiteiten) geven ook de gemeente weer de mogelijkheid om te laten zien dat Amsterdam met een mooi initiatief actief bezig is met het verbeteren van de kwaliteit van onderwijs.

8.2.2 Mogelijke kansrijke verbindingen Meer indirect heeft ONA met het stimuleren van evidence-informed werken ook een andere rol in het verbinden van doelen. Zoals eerder beschreven, heeft evidence-informed werken positieve bijeffecten, zoals het aantrekken van leraren, betere samenwerking in het team, en gemotiveerde en blije leerkrachten. Door in te zetten op evidence-informed werken, verbindt ONA dus ook andere doelen van zowel bestuurders, schoolleiders en leerkrachten. Dit biedt mogelijk twee kansen voor ONA. Het implementeren van evidence-informed werken op een school kan voor sommige -iets minder presterende scholen- juist bijdragen aan een oplossing voor problemen waar een school mee te maken heeft. De onderzoekers van O&S krijgen de indruk dat hier een kans voor ONA in zit door de focus op evidence-informed werken te verbinden aan de uitdagingen waar een school mee te maken heeft. Dus niet zozeer door te zeggen dat evidence-informed werken leidt tot beter onderwijs, maar ook dat het een gedeeltelijke- oplossing kan zijn voor bijvoorbeeld een lerarentekort, samenhang van de teamleden of omgaan met een zwaardere leerlingenpopulatie. Allereerst is dit een manier om überhaupt meer enthousiasme te krijgen voor evidence-informed werken, en daarmee ook deelname aan ONA-activiteiten te verhogen.

Ten tweede zou dit ook een manier kunnen zijn om scholen met meer uitdagingen te ondersteunen in hun kwaliteitsontwikkeling, door bijvoorbeeld te overwegen om een van de minder presterende scholen3 (met een zeer gemotiveerde schoolleiding en bestuurder, want sociale druk door inspiratie en sturing) deel te laten nemen als onderzoeksschool. Dit komt niet overeen met wat uit onderzoeken komt naar Expertscholen zoals in Engeland. Daar zien ze dat een bepaalde basis op orde moet zijn, met draagvlak en een aanwezige professionele leergemeenschap (Schenke, Schaik, Heemskerk, & Boogaard, 2019; Zuiker, et al., 2018). Een belangrijk verschil is dat bij deze Expertscholen ze al een bepaalde methodiek moeten gebruiken voor ze Expertschool mogen worden. In die zin is dat anders dan bij de Amsterdamse 3 Op basis van de literatuur en de interviews zien we dat voor scholen met zeer veel uitdagingen meer nodig is om de

kwaliteit te verbeteren dan ONA kan bieden. Onze suggestie gaat dan ook meer over scholen die (aan de lage kant van) de middenmoot zijn.

40

Onderzoeksscholen, waarbij in het eerste jaar van deelname veel aandacht is voor het ontwikkelen van een evidence-informed werkwijze (voor zover daar nog geen sprake van is op de school). Activiteiten zoals het doorlopen van het 5D-model, het structureel samen verdiepen in literatuur kan helpen en het aanstellen van expertleraren kan oplossingen geven aan die uitdagingen als invulling geven aan evidence-informed werken. Daarmee zou ONA ook meer tegemoet kunnen komen aan het doel van de gemeente Amsterdam om de verschillen tussen de basisscholen te verminderen. Daarnaast komt uit dit onderzoek niet goed naar voren hoe de doelen van de bestuurders van het BBO sterker verbonden kunnen worden aan ONA. De bestuurders blijken wel een belangrijke functie te hebben in het stimuleren en faciliteren van hun scholen in evidence-informed werken, terwijl het bij een aantal bestuurders minder lijkt te leven.

41

Bibliografie

Azjèn, I. (1991, December). The theory of planned behavior. Organizational Behavior and Human Decision Processes, pp. 179-211. Bannink, D., & Bosselaar, H. (2018). Het probleem samenwerken - duiden en verbinden: ironische uitwegen voor vastgelopen samenwerking. Den Haag: Boom bestuurskunde. Blonk, R. (2018). We zijn nog maar net begonnen. Inaugurele rede bij de openbare aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de Arbeidsdeskundigheid en Inclusieve Innovatie van Arbeid aan Tilburg University. Opgehaald van https://publications.tno.nl/publication/34633918/vDa6jI/blonk-2018-we.pdf Fishbein, M., & Ajzèn, I. (2010). Predicting and changing behavior: the reasoned action approach. New York: Psychology Press. Gu, Q., Seymour, K., Rea, S., Ahn, M., Sammons, P., Kameshwara, K., & Hogden, J. (2021). The Research Schools Programme in Opportunity Areas: Investigating the Impact of Research Schools in Promoting Better Outcomes in Schools. London: Education Endowment Foundation. Hooft, E. v. (2016). Motivation and Self-Regulation in Job Search: A Theory of Planned Job Search Behavior. In U. Klehe, & E. v. Hooft, The Oxford Handbook of Job Loss and Job Search. Oxford: Oxford Library of Psychology. doi:10.1093/ oxfordhb/9780199764921.013.010 ONA. (2023). Voortgangsrapportage ONA. Amsterdam. Schenke, W., Schaik, P. v., Heemskerk, I., & Boogaard, M. (2019).

Beter benutten van kennis uit onderzoek en onderwijspraktijk. Kansrijke aanpakken voor docentgroepen. Amsterdam: Kohnstamm Instituut. Wubbels, T., & van Tartwijk, J. (2017). Evidence-informed Innovation of Education in the Netherlands: Learning from Reforms. (M. Eryaman, & B. Schneider, Red.) Evidence and public Good in Educational Policy, Research and Practice. Educational Governance Research. doi:10.1007/978-3-319-58850-6_7 Yzer, M. (2012). Perceived Behavioral Control in Reasoned Action Theory: A Dual-Aspect Interpretation. The ANNALS of the American Academy of Political and Social Science, pp. 101-117. doi:10.1177/0002716211423500 ZINZIZ. (2024, Juli). Het Integratief Gedragsmodel. Opgehaald van https://zinziz.nl/hetintegratief-gedragsmodel/ Zuiker, I., Schot, W., Oomen, C., De Jong, A., Lockhorst, D., & Klein, T. (2018). Succesvolle werkplaatsen: Wat is er nodig voor een vruchtbare onderwijssamenwerking tussen onderwijspraktijk, hogescholen en universiteiten? Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek.

42

Bijlage 1 vragenlijst

Onderzoek en Statistiek

Vragenlijst evidence-informed werken Beste deelnemer, De gemeente Amsterdam werkt samen met leraren, schoolbesturen en kennisinstellingen om het basisonderwijs blijvend te verbeteren, zodat leerlingen het best passende onderwijs kunnen krijgen. De gemeente Amsterdam ziet het werken met bewezen effectieve aanpakken daar als belangrijk onderdeel in. Wij zijn benieuwd hoe u denkt over het werken met bewezen effectieve aanpakken (evidence-informed werken). U hoeft niet bekend te zijn met evidence-informed werken om de vragenlijst in te vullen. De afdeling Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam voert dit onderzoek uit. Het invullen van de vragenlijst duurt tussen circa 10 minuten. Uw antwoorden worden anoniem verwerkt. Hartelijk dank voor het invullen! Wat is uw functie?

1

1 2

Ik ben leraar Ik ben deel van de schoolleiding

Evidence-informed werken Bent u bekend met de term evidence-informed werken?

2

1 2 3

ja nee → ga naar vraag 4 weet ik niet/geen antwoord → ga naar vraag 4

3

Wat verstaat u onder evidence-informed werken?

X 

Geen toelichting

Evidence-informed werken definiëren we als: ‘scholen en leraren gebruiken in hun onderwijs zowel kennis uit (praktijk)onderzoek als kennis over de praktijk om zo onderwijs te verbeteren’ 4

Op basis van deze definitie, past u zelf evidence-informed werken toe bij u op school?

43

1 2 3 4

ja nee, maar wil dit wel graag --> ga naar vraag 6 nee, en heb daar ook geen behoefde aan --> ga naar vraag 6 weet ik niet/geen antwoord --> ga naar vraag 6

If v1 is a (leraren) 5a

Hoe past u evidence-informed werken toe in uw lessen?

X 

Geen toelichting

If v1 is b (schoolleiding) 5b

Hoe past u evidence-informed werken toe op uw school?

X 

Geen toelichting

If v1 is 1 (leraren) 6a

In hoeverre bent u het eens met de volgende stellingen? helemaal eens ik vind het gebruiken en toepassen van (wetenschappelijk) onderzoek in mijn lessen belangrijk ik heb voldoende vertrouwen dat ik evidence-informed kan werken Het gebruiken van (wetenschappelijke) onderzoeken/bronnen in mijn lessen zorgt voor beter onderwijs voor mijn leerlingen mijn collega’s/leidinggevende vinden evidence-informed werken belangrijk in bijeenkomsten/vergaderingen komt (wetenschappelijke) onderzoeken over onderwijs ter sprake

eens

niet eens, niet oneens

oneens

helemaal oneens

weet ik niet / geen antwoord

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

eens

niet eens, niet oneens

oneens

helemaal oneens

weet ik niet / geen antwoord

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

If v1 is 2 (schoolleiding) 6b

In hoeverre bent u het eens met de volgende stellingen? helemaal eens ik vind het gebruiken en toepassen van (wetenschappelijk) onderzoek op mijn school belangrijk ik heb voldoende vertrouwen dat ik evidence-informed kan werken Het gebruiken van (wetenschappelijke) onderzoeken/bronnen op mijn school zorgt voor beter onderwijs voor mijn leerlingen mijn collega’s vinden evidence-informed werken belangrijk in bijeenkomsten/vergaderingen komt (wetenschappelijke) onderzoeken over onderwijs ter sprake

44

7

Heeft u in de afgelopen twee jaar een training gehad van een deskundige over bewezen effectieve aanpakken (over bijvoorbeeld leesvaardigheid)?

1 2 3

ja, namelijk______________________________________ nee weet ik niet/geen antwoord

If v1 is 1 (leraren) 8L

a b c

d

In hoeverre bent u het eens met de volgende stellingen? helemaal eens ik heb de vaardigheden om evidenceinformed te werken ik ervaar belemmeringen om evidenceinformed werken toe te passen vanuit het bestuur/directeur word ik aangemoedigd mij te verdiepen in (wetenschappelijke) onderzoeken en dit toe te passen in mijn lessen Ik onderneem zelf initiatief om op de hoogte te blijven van onderzoeken over onderwijsverbetering

eens

niet eens, niet oneens

oneens

helemaal oneens

weet ik niet / geen antwoord

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

eens

niet eens, niet oneens

oneens

helemaal oneens

weet ik niet / geen antwoord

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

If v1 is 2 (schoolleiders) 8S

a b c

d

9

1 2 3 4

In hoeverre bent u het eens met de volgende stellingen? helemaal eens Ik heb de vaardigheden om evidenceinformed te werken ik ervaar belemmeringen om evidenceinformed werken toe te passen vanuit het bestuur word ik aangemoedigd mij te verdiepen in (wetenschappelijke) onderzoeken en dit toe te passen op mijn school Ik onderneem zelf initiatief om op de hoogte te blijven van onderzoeken over onderwijsverbetering

<if 8L/8S is 1,2 of 3> Welke belemmeringen ervaart u in het evidence-informed werken? meerdere antwoorden mogelijk geen/weinig tijd om dit voor te bereiden en toe te passen geen/weinig ondersteuning vanuit bestuur/schoolleiding geen/weinig aandacht voor evidence-informed werken van collega’s geen/weinig kennis of trainingen beschikbaar

5

anders, namelijk___________________________________________________

6

weet ik niet/geen antwoord

If v1 is 1 (leraren)

45

10S

Wat heeft u nodig om (meer) evidence-informed te werken?

X 

Geen toelichting

If v1 is 2 (schoolleiders) 10L

Wat heeft u nodig om evidence-informed werken (meer) te stimuleren op uw school?

X

ONA De volgende vragen gaan over het Onderwijskennis Netwerk Amsterdam (ONA). ONA is een kennisnetwerk dat het evidence-informed werken in het Amsterdamse basisonderwijs stimuleert. Dit gebeurt onder andere door het toegankelijk maken van kennis uit onderzoek in toolkits en praktijkkaarten. Daarnaast zijn er vier scholen in Amsterdam opgeleid tot ONA-onderzoeksscholen. De schoolleiders en leraren van deze scholen verzorgen trainingen voor andere Amsterdamse onderwijsprofessionals. In het Leraarlab en Taallab worden effectieve aanpakken ontwikkeld voor uitdagingen in de stad. Kent u het Onderwijskennis Netwerk Amsterdam (ONA)?

11

1 2 3 4 6

ja, ik heb deelgenomen aan activiteiten en/of gebruik gemaakt van toolkits en praktijkkaarten van ONA → ga naar vraag 13 ja, ik heb er wel eens van gehoord → ga naar vraag 13 ja, ik maak deel uit van een onderzoeksschool → ga naar vraag 13 nee weet ik niet/geen antwoord In hoeverre bent u het eens met de volgende stelling: ik ben geneigd gebruik te maken van ONA op basis van de bovenstaande beschrijving?

12

1 2 3 4 5 6 ➔

helemaal eens eens niet eens, niet oneens oneens helemaal oneens weet ik niet/geen antwoord ga naar vraag 21

if v1 is a (leraren) 13a

Hoe bent u bekend geraakt met ONA?

46

1 2 3 4 5 6

via het schoolbestuur of directeur via een collega via de nieuwsbrief van ONA via de website van ONA anders, namelijk_____________________________________________________________________________ weet ik niet / geen antwoord

if v1 is b (schoolleiders) 13b

1 2 3 4 5 6

Hoe bent u bekend geraakt met ONA? via het schoolbestuur of BBO via een collega via de nieuwsbrief van ONA via de website van ONA anders, namelijk_____________________________________________________________________________ weet ik niet / geen antwoord

14.

Heeft u deelgenomen/gebruik gemaakt van de volgende producten van ONA? En hoe beoordeelt u deze? Deelgenomen/gebruikt? ja

kennisbronnen van de website van ONA

nee

Bent u tevreden over dit onderdeel?

Weet ik

Heel

Tevre

Niet

niet/geen

tevred

den

tevred reden ontevr

Ontev

antwoord

en

en,

Heel

eden

Weet ik niet/g

niet

een

ontevr

antwo

eden

ord

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

1

2

3

4

5

6

leertrajecten (zoals de cursus Duurzame Implementatie Effectief Leesonderwijs) masterclasses (zoals de masterclass van Tim Surma) praktijkkaarten (zoals praktijkkaart Bibliotheek op school) schoolbezoeken (zoals aan de Alan Turingschool) toolkits (zoals over Evidenceinformed werken in de praktijk) trainingen (zoals Effectief Leesonderwijs) Scholingstraject Effectieve Didactiek

47

15.

Hoe beoordeelt u de volgende aspecten van de activiteiten/producten waar u aan heeft deelgenomen? zeer goed goed niet goed, slecht zeer niet slecht slecht organisatie kwaliteit aansluiting op de praktijk begrijpelijkheid inspirerend herkenbaarheid

1 1 1 1 1 1

2 2 2 2 2 2

3 3 3 3 3 3

4 4 4 4 4 4

5 5 5 5 5 5

Hoe beoordeelt u uw ervaring met ONA in het algemeen?

16

1 2 3 4 5 6

zeer goed goed niet goed, niet slecht slecht zeer slecht weet ik niet/geen antwoord Draagt ONA bij aan de uitdagingen die bij u op school spelen?

17

1 2 3 4

ja een beetje nee weet ik niet/geen antwoord

18

Kunt u uw antwoord toelichten?

X 

Geen toelichting

If v1 is a (leraren) 19a

1 2 3 4

Bent u door ONA meer evidence-informed gaan werken? ja een beetje nee weet ik niet/geen antwoord

If v1 is b (schoolleiding) 19b

Is uw school door ONA meer evidence-informed gaan werken?

1 2 3 4

ja een beetje nee weet ik niet/geen antwoord

20

Wat mist u in het aanbod van ONA?

X 

Geen toelichting

48

weet ik niet / geen antwoord 6 6 6 6 6 6

21

Heeft u verder nog opmerkingen over ONA?

X 

Geen toelichting

If v11 = 1, 2, 4, 5, 6 → naar vraag 26 (leraren/schoolleiding niet onderzoeksscholen)

Onderzoeksscholen ONA If v11 is 3 dit deel van de vragenlijst invullen (leraren onderzoeksscholen) ONA is een kennisnetwerk dat het evidence-informed werken in het Amsterdamse basisonderwijs stimuleert. Dit gebeurt o.a. door het toegankelijk maken van kennis uit onderzoek in toolkits en praktijkkaarten. Daarnaast zijn er zijn vier scholen in Amsterdam opgeleid tot ONA-onderzoeksscholen. De schoolleiders en leraren van deze scholen verzorgen trainingen voor andere Amsterdamse onderwijsprofessionals. In het Leraarlab en Taallab worden effectieve aanpakken ontwikkeld voor uitdagingen in de stad. U bent werkzaam op één van de onderzoeksscholen van ONA, op wat voor manier merkt u dat? meerdere antwoorden mogelijk

22

1 2

3 4 5

niet ik speel een rol bij trainingen/bijeenkomsten die onze school aanbiedt ik heb contact met collega’s van andere scholen over evidence-informed werken anders, namelijk________________________________ Weet ik niet / geen antwoord Hoe beoordeelt u de samenwerking met ONA?

23

1 2 3 4 5 6

zeer goed goed niet goed, niet slecht slecht zeer slecht weet ik niet/geen antwoord

24

Kunt u uw antwoord toelichten?

X  25

Geen toelichting In hoeverre bent u het eens met de volgende stelling? helemaal mee eens ik voel me door ONA voldoende ondersteund in het geven van trainingen vanuit ONA aan andere scholen

1

mee eens

niet eens, niet oneens

oneens

helemaal oneens

weet ik niet / geen antwoord

2

3

4

5

6

Achtergrondkenmerken

49

De laatste vragen gaan over uzelf. De antwoorden worden uitsluitend gebruikt om verschillen tussen groepen in kaart te brengen. Uw gegevens worden vertrouwelijk behandeld. 26.

Wat is uw geslacht?

1 2 3 4

man vrouw anders geen antwoord

27.

Wat is uw leeftijd?

Geen antwoord

If v1 = 1 (leraren) 28.

Heeft u een lesbevoegdheid?

1

ja, ik heb een reguliere lerarenopleiding gevolgd

2

ja, ik heb mijn lesbevoegdheid verkregen als zij-instromer

3

nee, maar ik werk momenteel als zij-instromer

4

nee, ik heb geen lesbevoegdheid

5

anders, namelijk____________________________________

6

weet ik niet/geen antwoord

29.

Hoeveel jaar bent u werkzaam in het onderwijs?

X 

30.

Geen antwoord

Hoeveel uur werkt u per week?

Geen antwoord

50

31.

In welk stadsdeel is uw school gevestigd? (Als u op meerdere scholen werkt kies dan indien van toepassing de ONA-onderzoeksschool en anders de school waar u de meeste uren werkt.)

1

Centrum

2

Nieuw-West

3

Noord

4

Oost

5

Weesp

6

West

7

Westpoort

8

Zuid

9

Zuidoost

 10

Weet ik niet/geen antwoord

32.

Heeft u nog opmerkingen of suggesties over dit onderzoek? Zo ja, dan kunt u deze hieronder opschrijven.

1

geen opmerkingen

33.

Voor het verdiepen van onze evaluatie over evidence-informed werken en ONA zijn we op zoek naar leraren en schoolleiders om te interviewen. Bent u geïnteresseerd om meer te vertellen over uw ervaringen? Laat hieronder uw e-mailadres achter, zodat we contact met u kunnen opnemen. Uw emailadres zal niet worden gekoppeld aan uw antwoorden.

1

ja, mijn e-mailadres is____________________

2

nee, bedankt

51

Bijlage 2 topiclijsten

Topiclijst ONA schoolleiders niet-onderzoeksscholen Introductie (3 minuten) Voorstellen - Doel onderzoek: De gemeente Amsterdam werkt samen met leraren, schoolbesturen en andere partners om het basisonderwijs blijvend te verbeteren zodat leerlingen het best passende onderwijs kunnen krijgen. De gemeente Amsterdam ziet evidence-informed werken daar als belangrijk onderdeel in. Wij zijn benieuwd hoe u als ________ daar tegenaan kijkt.

Regels rondom het gesprek: - maximaal een uur. - Deelname is niet verplicht. Als je een vraag niet wilt beantwoorden dan mag dat. Als je wilt stoppen dan mag dat ook. Je mag je ook nog later terugtrekken uit het onderzoek, dat kan tot het rapport klaar is. Dit kan je bij ons melden. - Deelname is anoniem. We verwerken de verzamelde informatie vertrouwelijk. Je naam komt niet in het rapport. - geen foute of goede antwoorden. - Heeft u nog vragen? Toestemming - Toestemming geluidsopname - Door mee te doen aan het gesprek, geef je toestemming voor het verwerken van de informatie die je ons geeft. Houding ten opzichte van Evidence informed werken – 20 min Met evidence-informed werken bedoelen we in dit onderzoek dat er op school gebruik wordt gemaakt van onderzoeksresultaten om bijvoorbeeld de lessen of de omgang met ouders te verbeteren. Kortgezegd: onderwijs gebaseerd op bewijs. 1. Kunt u uzelf voorstellen? a. Hoe lang werkt u al in het onderwijs? b. Hoe bent u in het onderwijs terecht gekomen? 2. Hoe belangrijk vindt u het dat op uw school evidence-informed gewerkt wordt? Kunt u dat toelichten? Waarom vindt u dat? a. Welk belang heeft u/uw school er bij om meer evidence-informed te werken? (suggesties: kwalitatief beter onderwijs, staat goed als reclame voor de school, extraatje voor de inspectie, leraren blijvend binden aan de school, etc). b.

Hoeveel is er voor nodig om evidence-informed te werken? 3. In hoeverre werkt uw school nu evidence-informed? 52

a. Welke kanalen gebruikt u/uw school om informatie over evidence-informed werken op te doen? Wat zijn voor u belangrijke bronnen? (buiten ONA) b. Op welke gebied gebruikt u/uw school het vaakst onderzoeksresultaten? Bijv. bij het voorbereiden van lessen, lesmethoden, omgang met ouders, etc. c. Sinds wanneer werken jullie evidence-informed? 4. Wat ziet u als uw rol in evidence-informed werken? a. op uw school b. binnen het Amsterdamse basisonderwijs/ONA 5. Op welke manieren wordt het evidence-informed werken in het schoolteam onder de aandacht gebracht? a. Hoe vaak gebeurt dit? 6. In hoeverre lukt het om leraren te enthousiasmeren voor evidence-informed werken? a. Waar loopt u tegen aan? b. Wat werkt goed om het enthousiasme te verhogen? 7.

Heeft u het gevoel dat het enthousiasme over evidence-informed werken toeneemt? a. Zo ja, waar merkt u dat aan? b. Zo nee, waar ligt dat volgens u aan? c. Wat is het verschil over tijd?

Optioneel (als nog niet voldoende naar voren gekomen): 8. Wat stimuleert volgens u evidence-informed werken? 9. Welke drempels ervaart u bij het invoeren van evidence-informed werken op uw school? Ervaring met ONA – 30 min Het Onderwijskennis Netwerk Amsterdam (ONA) is sinds 2022 één van de initiatieven in Amsterdam om evidence-informed werken in het primair onderwijs te stimuleren. Het is een samenwerking van: • de gemeente Amsterdam • Educationlab (Vrije Universiteit en Maastricht University) • de schoolbesturen verenigd in het Breed Bestuurlijk Overleg (BBO). Het doel van ONA is om het Amsterdamse onderwijs bij te laten dragen en te laten werken met de best beschikbare kennis uit wetenschap en praktijk om daarmee hun onderwijs te optimaliseren en de relevantie van onderzoek te vergroten.

10. Bent u bekend met ONA a. Zo niet → beschrijving voorleggen en naar eerste indruk vragen, zou u deelnemen aan activiteiten? 11. Gaat u zelf naar activiteiten die door ONA worden georganiseerd? ONA activiteiten? a. Welke? b. Wat zijn uw ervaringen hiermee?

53

12. Bent u bekend met de interventiedatabank van ONA? Wat zijn uw ervaringen daarmee? Of: Wat denkt u daarin te kunnen vinden? a. Praktijkkaarten → digitale adaptieve oefenprogramma’s (korte samenvatting hoe rekenprestaties verbeterd kunnen worden en voorbeeld twee digitale programma’s) b. Toolkits → Evidence-informed effectief leesonderwijs (langere samenvatting/handboek over onderzoek naar effectief leesonderwijs) c. informatie van Education Lab d. anders 13. In hoeverre sluiten de activiteiten van ONA om aan bij uw school? Eigen werkzaamheden? Waarom? a. Voorbeeld van activiteit die goed aansloot, en wat maakte dat het zo goed paste? b. Voorbeeld van activiteit die niet goed aansloot, en waarom dan niet? 14. Sluiten de activiteiten van ONA goed aan bij uw leerlingenpopulatie? Waarom? 15. Lukt het ONA om het enthousiasme voor evidence-informed werken te stimuleren? 16. Op welke manier past de werkwijze van ONA bij de werkwijze die u op school hanteert? 17. ONA stimuleert dat er meer onderzoek plaatsvindt naar oplossingen voor de grootste uitdagingen van in specifiek de Amsterdamse context. Er is gekozen voor laaggeletterdheid en kwalitatief en kwantitatief lerarentekort. Bent u bekend met en wat zijn uw ervaringen met: a. Het Taallab (richt zich op het verminderen van taal- en leesachterstanden en omvat onderzoek, toolkits, en praktische interventies op basisscholen) b.

Het Lerarenlab (onderzoekt en ontwikkelt strategieën voor het aantrekken en behouden van goede leraren, met bijbehorende toolkits voor schoolleiders). 18. Wat zijn voor u andere belangrijke uitdagingen waar ONA zich op zou moeten richten? 19. Laatste vraag: heeft u nog een idee om het evidence informed werken in Amsterdam te verbeteren?

54

Topiclijst ONA schoolleiders onderzoeksscholen Introductie (3 minuten) Voorstellen - Doel onderzoek: De gemeente Amsterdam werkt samen met leraren, schoolbesturen en andere partners om het basisonderwijs blijvend te verbeteren zodat leerlingen het best passende onderwijs kunnen krijgen. De gemeente Amsterdam ziet evidence-informed werken daar als belangrijk onderdeel in. Wij zijn benieuwd hoe u als ________ daar tegenaan kijkt.

Regels rondom het gesprek: - maximaal een uur. - Deelname is niet verplicht. Als je een vraag niet wilt beantwoorden dan mag dat. Als je wilt stoppen dan mag dat ook. Je mag je ook nog later terugtrekken uit het onderzoek, dat kan tot het rapport klaar is. Dit kan je bij ons melden. - Deelname is anoniem. We verwerken de verzamelde informatie vertrouwelijk. Je naam komt niet in het rapport. - geen foute of goede antwoorden. - Heeft u nog vragen? Toestemming - Toestemming geluidsopname - Door mee te doen aan het gesprek, geef je toestemming voor het verwerken van de informatie die je ons geeft.

Houding ten opzichte van Evidence informed werken – 20 min Met evidence-informed werken bedoelen we in dit onderzoek dat er op school gebruik wordt gemaakt van onderzoeksresultaten om bijvoorbeeld de lessen of de omgang met ouders te verbeteren. Kortgezegd: onderwijs gebaseerd op bewijs.

1. Kunt u uzelf voorstellen? a. Hoe lang werkt u al in het onderwijs? b. Hoe bent u in het onderwijs terecht gekomen? 2. Hoe belangrijk vindt u het dat op uw school evidence-informed gewerkt wordt? Kunt u dat toelichten? Waarom vindt u dat? a. Welk belang heeft u/uw school er bij om meer evidence-informed te werken? (suggesties: kwalitatief beter onderwijs, staat goed als reclame voor de school, extraatje voor de inspectie, leraren blijvend binden aan de school, etc). b. Hoeveel is er voor nodig om evidence-informed te werken? 3. In hoeverre werkt uw school nu evidence-informed? a. Welke kanalen gebruikt u/uw school om informatie over evidence-informed werken op te doen? Wat zijn voor u belangrijke bronnen? (buiten ONA) b. Op welke gebied gebruikt u/uw school het vaakst onderzoeksresultaten? Bijv. bij het voorbereiden van lessen, lesmethoden, omgang met ouders, etc. 55

c. Sinds wanneer werken jullie evidence-informed? 4. Wat ziet u als uw rol in evidence-informed werken? a. op uw school b. binnen het Amsterdamse basisonderwijs/ONA 5. Op welke manieren wordt het evidence-informed werken in het schoolteam onder de aandacht gebracht? a. Hoe vaak gebeurt dit? 6. In hoeverre lukt het om leraren te enthousiasmeren voor evidence-informed werken? a. Waar loopt u tegen aan? b. Wat werkt goed om het enthousiasme te verhogen? 7.

Heeft u het gevoel dat het enthousiasme over evidence-informed werken toeneemt? a. Zo ja, waar merkt u dat aan? b. Zo nee, waar ligt dat volgens u aan? c. Wat is het verschil over tijd?

Optioneel (als nog niet voldoende naar voren gekomen): 8. Wat stimuleert volgens u evidence-informed werken? 9. Welke drempels ervaart u bij het invoeren van evidence-informed werken op uw school? Ervaring met ONA – 30 min Het Onderwijskennis Netwerk Amsterdam (ONA) is sinds 2022 één van de initiatieven in Amsterdam om evidence-informed werken in het primair onderwijs te stimuleren. Het is een samenwerking van: • de gemeente Amsterdam • Educationlab (Vrije Universiteit en Maastricht University) • de schoolbesturen verenigd in het Breed Bestuurlijk Overleg (BBO). Het doel van ONA is om het Amsterdamse onderwijs bij te laten dragen en te laten werken met de best beschikbare kennis uit wetenschap en praktijk om daarmee hun onderwijs te optimaliseren en de relevantie van onderzoek te vergroten.

10. U werkt op een onderzoeksschool. Wat merkt u daarvan op uw eigen school? a. lezingen en inspiratiesessies b. delen en creëren van goede voorbeelden c. er is een Amsterdams netwerk van scholen die elkaar weten te vinden rondom e-i d. er is een (publiek) debat gaande over e-i e. anders 11. Gaat u zelf naar activiteiten die door ONA worden georganiseerd? a. Welke? b. Wat zijn uw ervaringen hiermee?

56

12. Bent u bekend met de interventiedatabank van ONA? Wat zijn uw ervaringen daarmee? Of: Wat denkt u daarin te kunnen vinden? f. Praktijkkaarten → digitale adaptieve oefenprogramma’s (korte samenvatting hoe rekenprestaties verbeterd kunnen worden en voorbeeld twee digitale programma’s) Voorbeeld uitgeprint mee g. Toolkits → Evidence-informed effectief leesonderwijs (langere samenvatting/handboek over onderzoek naar effectief leesonderwijs) Voorbeeld uitgeprint mee h. informatie van Education Lab i. anders Introductie kaart met betrokken partners 13. Tot nu toe hebben we het steeds over evidence-informed werken en ONA. Maar als het gaat over evidence-informed werken hebben de partners binnen en bij ONA ook hun eigen doelen en belang bij evidence-informed werken. We proberen in kaart te brengen hoe het netwerk rondom evidence-informed werken eruitziet en wat de verschillende belangen zijn om evidence-informed werken te stimuleren. a. Wat vinden deze partners volgens jou belangrijk in evidence-informed werken? Waarom vinden zij dit belangrijk? Wat is hun belang? b. Op welke manier passen jouw eigen doelstellingen (gevraagd in 2a) bij de doelstellingen van de andere partners? c. Welke andere partijen spelen volgens jou een rol in het stimuleren van evidenceinformed werken? 14. In hoeverre sluiten de activiteiten van ONA aan bij uw school? Eigen werkzaamheden? Waarom? a.

Voorbeeld van activiteit die goed aansloot, en wat maakte dat het zo goed paste? b. Voorbeeld van activiteit die niet goed aansloot, en waarom dan niet? 15. Sluiten de activiteiten van ONA goed aan bij uw leerlingenpopulatie? Waarom? 16. Lukt het ONA om het enthousiasme voor evidence-informed werken te stimuleren? 17. Op welke manier past de werkwijze van ONA bij de werkwijze die u op school hanteert? 18. Hoe beoordeelt u de ambassadeursrol van uw school voor het evidence informed werken? Wat levert dit op voor uw eigen school en voor de andere scholen? 19. In hoeverre ervaart u ondersteuning van en samenwerking met ONA in uw ambassadeursrol als onderzoeksschool? 20. Gaan de onderzoeken over thema’s die aansluiten bij de context op uw school? In uw werk? Kunt u voorbeelden geven? 21. ONA stimuleert dat er meer onderzoek plaatsvindt naar oplossingen voor de grootste uitdagingen van in specifiek Amsterdam. Er is gekozen voor laaggeletterdheid en 57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14695003/1