CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Erasmusonderzoek Drillrap.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 28 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Resultaten onderzoek 'cappen voor clout? een verkennend onderzoek naar Rotterdamse jongeren, drill en geweld in digitale tijdperk' (ZD2021-000390)40.415 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

10 alinea's met “benoemen”: 153 185 196 197 296 379 391 527 574 593

25

Zie voor een uitgebreidere beschrijving van de werking van lean de website van Jellinek.

66

Afbeelding 23

Afbeelding 24

Afbeelding 25

Opvallend is dat de rappers met verdienen, job en actief zijn verwijzen naar criminele activiteiten door gebruik te maken van termen die we kennen uit de reguliere arbeidseconomie. Het lijkt erop dat het gelijkstellen van hun criminele activiteiten aan meer conventionele vormen van arbeid een bewuste manier is om hun gedrag te normaliseren. Door de indruk te wekken dat criminaliteit voor hen ‘normaal’, alledaags en ‘gewoon’ werk is, meten de jongeren zich het imago aan van iemand die op het gebied van criminaliteit door de wol geverfd is (Roks & Van den Broek, 2017: 42). Het benadrukken van hun betrokkenheid bij criminele activiteiten gebeurt niet altijd zo expliciet als in de hierboven genoemde voorbeelden. In sommige gevallen claimen de rappers criminele betrokkenheid door te zinspelen op hun contact met politie en justitie. Op social media delen zij beeldmateriaal van aanhoudingen, rechtbankbezoeken, dagvaardingen en bijvoorbeeld enkelbanden (afbeelding 26) – zoals we eerder ook in videoclips terugzagen. Ook zinspelen rappers op hun criminele betrokkenheid door video’s te delen van (telefoongesprekken met) vrienden die vastzitten of die net vrijkomen. Zij presenteren zichzelf hiermee als iemand die thuis is in het criminele milieu.

Opvallend genoeg verscheen van een van de rappers zelfs een video vanuit het huis van bewaring waar hij op dat moment gedetineerd was (afbeelding 27). In de opname filmt de jongen zichzelf op het toilet van de gevangenis terwijl hij zijn volgers toespreekt: “fully D2 (volledig gehuld in kleding van luxemerk Dsquared2) in de bajes”. Een andere rapper – of degene die zijn account beheert – post op Instagram over de langdurige celstraf die tegen hem is geëist, waarmee hij zichzelf presenteert als iemand die betrokken is bij (serieuze) criminaliteit. Het bijschrift van de foto luidt: “Zit me tijd rustig, met Gods wil ben ik zo buiten

”

67

Afbeelding 26

Afbeelding 27

In sommige gevallen zinspelen rappers op hun criminele betrokkenheid aan de hand van het straatadagium no face no case. Door hun gezicht online te verhullen (no face) presenteren zij zich als iemand die iets op zijn kerfstok heeft en kennelijk niet door politie en justitie herkend mag worden. Waar we in de videoclips vaak bivakmutsen, maskers en shawls zagen, maken rappers online voornamelijk gebruik van emoji’s, balkjes of digitale schimmen om hun gezicht te verhullen (Afbeelding 28 en 29). Opvallend genoeg zijn dezelfde rappers op andere foto’s vaak gewoon herkenbaar, wat het idee versterkt dat wij hier voornamelijk een performance aanschouwen.

68

Afbeelding 29

Afbeelding 28

Hoewel wij ons binnen dit hoofdstuk richten op de performance van straatidentiteit, roepen de veelvuldige oproepen om pinpassen, de verwijzingen naar justitiële contacten en de afbeeldingen van grote partijen verdovende middelen de vraag op in hoeverre we hier nog van doen hebben met de meer expressieve praktijken van straatcultuur. Deze activiteiten en gedragingen op social media suggereren immers een criminele betrokkenheid die zich aanzienlijk hoger op het ‘street cultural spectrum’ (Ilan, 2015) bevindt dan stijlpraktijken als kleding, muziek en straattaal.

“Al hun shanks zijn nat geen ice tea

”

Naast hun criminele betrokkenheid, proberen de Rotterdamse drillrappers op social media ook de indruk te wekken dat zij er niet voor terugdeinzen geweld te gebruiken. De artiesten zinspelen in de eerste plaats op hun bereidheid en gereedheid om geweld te gebruiken door stoere poses aan te nemen en dreigend in de camera te kijken en wijzen. Zij gebruiken de bijschriften van hun beeldmateriaal om deze pose kracht bij te zetten. Afbeelding 30 vormt hier een treffend voorbeeld van. De afbeelding waarop de rapper vijandig in de camera kijkt, kent de caption “Zijn niet opzoek naar problemen, maar we vermijden niks

”. Afbeelding

31 kent een vergelijkbare insteek. Op de Instagrampost kijken de rapper en zijn kompaan dreigend in de camera. Het bijschrift “Die mannen zeggen dat ze ons komen vermoorden, we zullen zien

” geeft de Instagrampost een intimiderende en uitdagende lading.

69

Afbeelding 31

Afbeelding 32

Met enige regelmaat zijn in de foto’s en video’s die de rappers online plaatsen slag-, steeken vuurwapens te zien. In sommige gevallen lijken deze toe te behoren aan de jongeren zelf, zoals bijvoorbeeld in een video waarop een rapper in zijn keuken met een gigantische machete steekbewegingen maakt op de maat van de muziek (afbeelding 30). In sommige gevallen lijken de messen vooral bedoeld om af te schrikken en wordt niet duidelijk of de wapens aan de rappers zelf toebehoren. Treffend voorbeeld hiervan vormt een video waarin een rapper samen met een schoolgenoot twee grote messen uit een tas haalt, uitstalt en bewondert. Ook afbeelding 31 – waarop een rapper toont dat hij in een messenwinkel is – lijkt bedoeld om te intimideren. Met het veelzeggende bijschrift “de dag overleven” presenteert de jongen het bezit van een mes als van levensbelang. Al met al lijken de rappers aan anderen de indruk te willen wekken dat zij gewapend en daarmee gevaarlijk zijn.

70

Afbeelding 33

Afbeelding 34

De rappers tonen zich niet alleen begaan met de gewelddadigheid van hun eigen pose, maar presenteren ook hun vrienden nadrukkelijk als gevaarlijke jongens. Zo refereert een van de rappers aan een aantal jongere jongens uit de buurt als zijn “violent sons” (afbeelding 35). Volgens de driller zijn de jongens gewapend met messen en gebruiken ze die maar al te graag: “Al hun shanks zijn nat geen ice tea

”. Ook een andere rapper presenteert zijn

vrienden – waarvan een is afgebeeld met een vuurwapen in elke hand – als gevaarlijke jongens waarmee je beter “niet zmr (zomaar) ruzie” moet zoeken (afbeelding 36).

Afbeelding 35

Afbeelding 36

71

In de manier waarop de Rotterdamse rappers zichzelf en hun vrienden presenteren op social media herkennen we het belang van reputatie en status, een overkoepelend thema dat een centrale plek inneemt in het eerdergenoemde klassieke werk over straatcultuur van Anderson (1999). Op straten in de achterstandswijken van de Verenigde Staten ontstond een ‘code of the street’: “a set of informal rules governing interpersonal relations, particularly violence” (Anderson, 1999: 33). Centraal in deze zogenoemde straatcode staat de notie van respect, iets dat door Anderson (1999: 33-34) wordt omschreven als een onmisbare vorm van sociaal kapitaal – of straatkapitaal in de terminologie van Sandberg en Pedersen, 2011) – op plekken in de stedelijke context waar andere vormen van kapitaal schaars zijn. Anderson (1999: 72) beschrijft dat deze straatcode in belangrijke mate draait om “the presentation of self”, waarbij de nadruk ligt op “the display of a certain predisposition of violence”. In hoofdstuk 5 gaan we dieper in op de rol die geweld speelt binnen de drillscene van Rotterdam.

“Rotterdam is zo active dat zelfs chikkies swingen met die shanks

”

Zoals we eerder al zagen in het hoofdstuk over muziek, blijkt ook de lokale context voor Rotterdamse rappers een belangrijk onderdeel uit te maken van hun performance van straatidentiteit. Deze bevinding vindt ondersteuning in de literatuur, waar Fatsis (2019: 1302) stelt dat de harde realiteit van opgroeien in achtergestelde buurten de loyaliteit van drillers aan hun lokale context aanwakkert. Ilan (2020: 11) benoemt dat deze ruimtelijke praktijken een centrale rol spelen in zowel rapmuziek als straatcultuur, waarbij de “locality tends to be ‘repped’ (celebrated) and reified”. Ondanks dat jongeren, mede als gevolg van kleine behuizing en afwezige alternatieven, vaak veroordeeld zijn tot de openbare ruimtes in de lokale context van de buurt, beschrijft Hallsworth (2013: 147) dat deze ruimtes, en met name de straat, ook verleidelijke omgevingen zijn die opwinding, avontuur en plezier herbergen. In de wetenschappelijke literatuur is uitvoerig beschreven welke rol lokaliteit en fysieke plaatsen spelen voor identiteitsvorming (Pickering et al. 2013: 946-947). Verschillende studies benoemen daarbij expliciet het belang van buurten voor groepsvorming, identiteit, processen van betekenisgeving en het gedrag van individuen uit achtergestelde gemeenschappen en in het bijzonder voor jonge mannen (Papachristos et al., 2013: 419).

In een studie in zes steden in het Verenigd Koninkrijk, laten Kintrea et al. (2008) zien dat de lokale omgeving een belangrijke functie vervult in het dagelijks leven van jongeren. De onderzoekers spreken zelfs over een ‘super place attachment’ die zich manifesteert in de vorm van een sterke verbondenheid en identificatie met de buurt. Jongeren kunnen hierbij het gevoel hebben dat de openbare ruimtes van hun woonbuurten plaatsen zijn waar zij thuishoren en dat die plaatsen bovendien ook aan hen toebehoren (Kintrea et al. 2008: 49). In internationale studies naar gangs komt deze trots voor de buurt tot uitdrukking in de vorm van groepsnamen die ontleend zijn aan straten, straathoeken of andere lokale ruimtes waar door de leden van de gang veel tijd wordt doorgebracht (Ley & Cybriwsky, 1974: 495; Katz, 1988: 156;

72

Conquergood, 1994; Garot, 2007; Ilan, 2013: 6; Ilan, 2015: 75). Een Nederlands voorbeeld hiervan kan gevonden worden in de studie van Roks (2016) naar de Haagse Crips die naar hun buurt verwijzen als de “h200d”. De aanduiding ‘h200d’, waarbij de letters O in de Engelse term neighborhood worden vervangen door het getal 200, vormen een directe verwijzing naar de Rollin 200 Crips, geïnspireerd door het huisnummer (252) van het buurthuis waar de leden van de Crips in hun beginjaren veel tijd doorbrachten. Deze hyperlokale mentaliteit wordt door Rotterdamse drillrappers op social media geïllustreerd door op verschillende niveaus aan hun lokale context te refereren. Waar in sommige gevallen de trots voor Rotterdam als geheel wordt betoond, blijken jongeren het vooral belangrijk te vinden om hun eigen deel van de stad te representen. Rappers uit de verschillende windrichtingen van de stad doen dit in de eerste plaats door aan West, Noord, Oost of Zuid te refereren, terwijl dat bij de laatste groep ook zou kunnen verwijzen naar de oever waarop hun gedeelte van de stad gelegen is. In veel gevallen grijpen de rappers echter terug op nog (veel) kleinere lokale niveaus. Zo blijken in de performance van lokaliteit in veel gevallen hun OV-zones centraal te staan.

Met name op Rotterdam-Zuid worden – zoals we eerder zagen in het hoofdstuk over muziek – de RET-gebieden 5314 en 5324 veelvuldig geclaimd. Op een nog iets kleiner niveau blijken ook de wijken waar de jongeren vandaan komen van groot belang voor hun performance. De rappers in dit onderzoek representen onder andere ‘Delfshaven’, ‘Feyenoord’, ‘Charlois’, ‘Noord’ (wat natuurlijk tevens gebied is) en ‘IJsselmonde’. Nog een niveau lager blijken ook hun wijken, zoals ‘Tarwewijk’, ‘Zevenkamp’, ‘Zuidwijk’,

‘Spangen’

en

‘Pendrecht’,

vertegenwoordigen.

Voor

de

(‘Vierambachtstraat’),

dichtstbijzijnde

voor

de

jongeren

rappers

vormt

metrostation

(‘Slinge’),

meeste

een

groot

bovendien plein

belang hun

te

straat

(‘Prinsenplein’)

of

parkeerzone (‘530’) een belangrijk onderdeel van hun performance van lokaliteit. Deze verschillende niveaus van lokaliteit worden door de rappers binnen hun performance afwisselend naar voren gebracht. Zo kan het zijn dat een artiest het ene moment zegt ‘Rotterdam-Zuid’ te vertegenwoordigen, het volgende moment ‘5314’ claimt en op weer een ander moment ‘Pendrecht’ representeert. De rappers refereren op social media op verschillende plaatsen aan hun verschillende niveaus van lokaliteit. In de eerste plaats spelen hun profielnamen hier een belangrijke rol in. Veel rappers maken aan de hand van deze naam overduidelijk dat zij van ‘sd’ (SlingeDinge), ‘5324’ (of kortweg ‘24’), ‘obs’ (Oranjeboomstraat), ‘vieracht’ (Vierambachtstraat) of ‘bw’ (Binnenweg) komen. Deze aanduidingen zijn vaak achter hun profielnaam geplakt, in sommige gevallen voorafgegaan door een liggend streepje. In sommige gevallen vraagt deze toevoeging voor buitenstaanders om iets meer gepuzzel. Zo blijkt in de ‘14.71’ die een van de rappers achter zijn naam heeft geplakt, de ‘14’ te verwijzen naar OV-gebied 5314 en ‘71’ zijn lokale context verder te specificeren tot de plaats met de postcode die eindigt op 71: Oranjeboomstraat. Naast hun profielnamen, gebruiken de rappers hun bio’s (de ruimte op een social mediaprofiel waarop je persoonlijke informatie kwijt kunt), captions en locatievermeldingen

73

om te refereren aan hun verschillende niveaus van lokaliteit (afbeelding 37, 38, 39 en 40). Deze laatste optie is daarbij in het bijzonder interessant omdat social mediaplatformen gebruikers in staat stellen zelf hun locatie te kiezen. Jongeren kunnen dus – ook als zij zich niet (meer) op een bepaalde plaats bevinden – hun post vergezellen van een zogenaamde geotag van de door hen gewenste locatie. Opvallend vaak gebruiken de rappers emoji’s om te verwijzen naar hun lokale context. Zij tonen zich hierbij in sommige gevallen bijzonder creatief. Zo verwijst de emoji van een 24-uurswinkel ( emoji’s (

,

,

en

) naar gebied 24, refereren de ijs-

aan Icey (IJsselmonde) en wordt het ik hou van jou-handgebaar

) – dat lijkt op een ‘W’ – gebruikt als verwijzing naar Rotterdam-West.

Afbeelding 38

Afbeelding 39

Afbeelding 37

Afbeelding 40

Tot slot verwijst ook de content die de rappers plaatsen naar hun lokale context. De jongeren posten foto’s en video’s waarop herkenbare plaatsen in hun buurt – zoals pleinen, metrostations of wasserettes – in beeld komen. Bovendien bieden Instagram en Snapchat jongeren de mogelijkheid om stickers of filters toe te voegen aan hun content. Beeldmateriaal dat in principe niet refereert aan hun lokale context, kan op deze manier gemakkelijk worden voorzien van een verwijzing (afbeelding 41). Tot slot verbeelden ook de handgebaren van de jongeren – of in uitzonderlijke gevallen die van de wijkagent – in hun beeldmateriaal de lokale context (afbeelding 42 en 43).

74

Afbeelding 41

Afbeelding 42

Afbeelding 43

De manier waarop de drillrappers binnen hun performance van straatidentiteit gebruikmaken van de lokale context van de buurt gaat verder dan het enkele benoemen en uitspreken van hun trots voor de buurt. In sommige gevallen wordt daar bovenop de negatieve reputatie van de wijk door drillers expliciet benoemd, omarmd en zelfs uitvergroot (vgl. Robinson, 2000: 441) omdat dit hun performance van straatidentiteit zou bevorderen. In deze variant van ‘super place attachment’ valt het omarmen van wat Wacquant (2007) heeft aangeduid als ‘territoriale stigmatisering’ te herkennen. Met deze term verwijst Wacquant (2007: 63) naar delen van de stedelijke context die mensen over het algemeen maar wat graag vermijden, omdat ze bekend staan als plaatsen met een concentratie van grootstedelijke problemen zoals verwaarlozing, criminaliteit en geweld. De betekenis van de lokale context in onderzoeken naar gang- en straatculturen laat echter zien hoe jongeren deze territoriale stigma’s omarmen, benadrukken en gebruiken in de constructie van hun identiteit. Volgens Anderson (1999: 77) is de reden hiervoor gelegen in het feit dat “people are likely to assume that a person who comes from a ‘bad‘ area is bad”. In een aantal recente studies naar de manieren waarop jongeren gebruik maken van social media worden vergelijkbare processen beschreven.

De resultaten van het onderzoek van Urbanik & Haggerty (2018: 1353) illustreren dat jongeren uit Regent Park in Toronto social media gebruiken om op te scheppen over het feit dat hun buurt gezien moet worden als “the ‘hardest’ (toughest), most impenetrable neighbourhood”. Een vergelijkhaar proces was zichtbaar in Chicago waar – nadat het vanwege de 412 geregistreerde moorden in 2013 het predicaat ‘war zone’ kreeg opgespeld – jongeren de stad ‘Chiraq’ doopten, als verwijzing naar oorlogsgebied Irak (Roks, 2016: 67). Dichter bij huis hanteren de jongeren in een onderzoek van Van Hellemont (2012) de term ‘Bronxelles’, een samentrekking van Bruxelles – de Franse aanduiding voor Brussel – en ‘the Bronx’ om een geloofwaardige context voor Belgisch gangleven te creëren (Van Hellemont, 2012: 176). In het onderzoek van Roks (2017) komt iets soortgelijks naar voren in het gebruik van de hashtag #200 en andere gangsymbolen door jongeren uit Den Haag (Roks, 2017).

75

Ook onder Rotterdamse drillrappers vallen deze processen waar te nemen, zoals we eerder zagen in het hoofdstuk over muziek. Met termen als hood, block of bando schilderen de jongeren hun lokale context op social media af als achterstandswijk, een proces dat we eerder zagen in een onderzoek naar jongeren in Spangen (Van den Broek, 2013: 108-109). Ook de profielnamen van een aantal rappers kent verwijzingen naar deze woorden. Bovendien lijkt er onder Rotterdamse rappers concurrentie te bestaan met betrekking tot wiens gebied als het meest gevaarlijk mag worden gezien. Verwijzingen op social media als ‘Wilde Westen’ en ‘Noord gestoord’ en de bewering dat rappers uit IJsselmonde ijskoud of icekoud (onverschillig ten opzichte van geweld) zijn, kunnen in deze context worden bezien (afbeelding 44). Ook deze wedijver zagen we al eerder in het hoofdstuk over muziek, waarbij rappers van Rotterdam-Zuid beweren dat je het in hun gebied “niet gaat redden met [alleen] handen”, een verwijzing naar dat het dragen van een mes hoogstnoodzakelijk is. Rappers uit zowel West als Oost reageren hierop door te claimen dat je met die shank in hun gebied juist niet ver gaat komen: “je gaat hierzo niet halen met dat botte mes”.

Een treffend voorbeeld van de manier waarop de rappers het negatieve imago van hun (deel van de) stad omarmen en celebreren, valt te vinden in een post over een steekincident dat medio 2020 plaatsvond op de West-Kruiskade. De rapper begeleidt een screenshot van het nieuwsbericht over het steekincident met het bijschrift: “Rotterdam is zo active dat zelfs chikkies swingen met die shanks

” (afbeelding 45).

Afbeelding 44

Afbeelding 45

76

Het heeft er alle schijn van dat de Rotterdamse rappers er alles aan doen hun eigen gebied zo gevaarlijk mogelijk af te schilderen. Zij omarmen de reeds bestaande stigma’s die op hun buurt rusten, vergroten deze uit en gebruiken ze om een geloofwaardige context te schetsen voor de constructie van hun identiteit als driller. Deze territorialiteit dient daarmee vooral te worden gezien als symbolisch en in de context van de identiteitsconstructie van de rappers. De in gangstudies veelvuldig beschreven territoriumdrift van groepen waarbij zij op gewelddadige wijze en vanuit financieel oogpunt macht proberen uit te oefenen over een bepaald afgebakend gebied (Fraser, 2013: 972; Katz, 1988: 116) – onder andere om binnen deze grenzen criminele activiteiten uit te voeren – lijkt binnen Rotterdam geenszins aan de orde.

“Free […] gepakt voor 3 steekpartijen

”

Het laatste onderdeel van de performance van straatidentiteit dat we prominent terugzien op de social mediakanalen van de rappers, ligt in het verlengde van het communiceren van de betrokkenheid bij criminele activiteiten. Miedema (2002) concludeert dat Nederlandse studies naar ‘de onderkant’ of ‘rafelrand’ van de samenleving laten zien dat jongeren in achter‐ gestelde maatschappelijke posities in Nederland een weerspannige relatie kennen met gezagdragers en instanties (Miedema, 2002). In het bijzonder geldt dat voor de politie, die op straat beschouwd wordt als de ‘natuurlijke vijand’ (Kop & Eeuwema, 2007: 30; De Jong, 2007: 67; Roks, 2016: 103-126). Ook de drillers uit Rotterdam lijken een moeizame relatie te onderhouden met politie en justitie. Bij een deel van hen lijkt deze negatieve houding het product van (een reeks) problematische interacties met de vertegenwoordigers van het systeem, in het bijzonder omdat de jongeren zich bezighouden met criminele activiteiten (afbeelding 46). In een aantal gevallen werd de afkeer aangewakkerd door racistische uitlatingen in een Whatsappgroep van politie Rotterdam (afbeelding 47).

Afbeelding 46

Afbeelding 47

77

Bij een ander deel van de jongeren uit Spangen neemt de haat tegenover de politie vooral de vorm aan van een pose die op social media ge(re)produceerd wordt en een manier vormt om hun identiteit te construeren (vgl. Roks, 2016: 125-126). De aversie van de jongeren richting de sterke arm der wet zien we op de kanalen van de Rotterdamse rappers bijvoorbeeld terug in het bijschrift “we zijn nie echt cool met de popo (politie)” (afbeelding 48). Ook wordt gebruikers die zich te nieuwsgierig tonen toegeworpen dat zij sterk doen denken aan vertegenwoordigers van het politieapparaat (afbeelding 49), dat in de context van straatcultuur mag worden opgevat als een belediging.

Afbeelding 48

Afbeelding 49

De vijandige houding van jongeren tegenover de politie valt tevens op een meer impliciete manier waar te nemen. De zogenoemde FREE-uitdrukking, die wordt gehanteerd om iemand vrij te wensen die zich in detentie bevindt, is hier het meest duidelijke voorbeeld van. De term FREE, doorgaans gevolgd door de naam van degene die vastzit, kan naast een steunbetuiging aan de gedetineerde namelijk ook geïnterpreteerd worden als indicatief voor een problematische relatie met politie en justitie. Het free wensen van bekenden gebeurt binnen de Rotterdamse drillscene opvallend vaak. Rappers wensen hun kameraden vrij, maar in de meeste gevallen gaat het om vrienden en fans die juist de artiesten op vrije voeten willen zien. Niet zelden gaat het hierbij om rappers die voor serieuze delicten – zoals steekpartijen – zijn veroordeeld. Opvallend is dat de jongeren in sommige gevallen de strafbare feiten waarvoor de rapper vastzit expliciet benoemen (bijvoorbeeld door een nieuwsbericht over het delict te delen) en lijken te ‘vieren’, terwijl zij tegelijk vinden dat de dader op vrije voeten dient te worden gesteld (afbeelding 50). In sommige gevallen wenst een van de rappers

78

zichzelf vrij, waarbij het vermoeden bestaat dat het account van de betreffende artiest tijdens zijn detentie door iemand anders wordt beheerd (afbeelding 51).

Afbeelding 50

Afbeelding 51

De impliciete afkeer tegen de sterke arm der wet valt eveneens te herkennen in posts op social media waarin de op straat geldende zwijgnorm van ‘niet snitchen’ wordt benadrukt. Alhoewel in de wet het zwijgrecht in eerste instantie gericht is op de bescherming van verdachten en erop toeziet dat zij niet mee hoeven te werken aan zelfincriminatie, lijkt het recht om te zwijgen richting politie en justitie binnen de straatcultuur de vorm aan te nemen van een plicht. Deze zwijgplicht krijgt vooral vorm en betekenis richting anderen. Social media vormen daarbij een dankbaar podium om deze hooggehouden zwijgnorm te communiceren (Roks, 2015: 423).

4.4

Conclusie

In dit hoofdstuk hebben we gezien dat Rotterdamse drillers hun social mediaprofielen voor verschillende doelen gebruiken. In veruit de meeste gevallen blijken hun kanalen dienst te doen als podium voor hun muziek. De rappers promoten nieuwe video’s en muziek, delen successen en onderhouden contact met fans. Hun profielen lijken daarmee een belangrijke rol te spelen in de ontwikkeling van hun bekendheid. Opvallend is dat binnen de Rotterdamse scene een grote saamhorigheid valt te ontdekken, voornamelijk – maar zeker niet uitsluitend – tussen rappers uit hetzelfde gebied. De rappers werken veelvuldig samen, brengen elkaars muziek onder de aandacht en tonen zich trots op elkaars succes.

79

Naast ter promotie van hun muziek, gebruiken de drillers hun social mediakanalen voor het delen van alledaagse content. Net als bij de gemiddelde social mediagebruiker vinden we op hun profielen beeldmateriaal van huisdieren, kinderen, maaltijden en selfies. In veel gevallen zijn in hun alledaagse posts stijlelementen en symbolen te herkennen die vallen terug te voeren op een specifieke straatcultuur. Daarnaast vallen in de presentatie van een groot deel van de rappers een aantal prominente elementen van de performance van straatidentiteit te herkennen (Roks & Van den Broek, 2017: 38-45). In de eerste plaats lijken de rappers te zinspelen op hun betrokkenheid bij criminele activiteiten. Door om pinpassen te vragen, drugs aan te bieden of te alluderen op hun contact met politie en justitie meten zij zichzelf een crimineel imago aan. Daarnaast proberen de Rotterdamse drillrappers op social media de indruk te wekken dat zij er niet voor terugdeinzen geweld te gebruiken. Aan de hand van stoere poses, uitdagende bijschriften en het in beeld brengen van wapens zinspelen zij op hun bereidheid en gereedheid om geweld te gebruiken. Ook blijkt lokaliteit voor Rotterdamse rappers een belangrijk onderdeel van hun performance van straatidentiteit.

Het belang van hun lokale context wordt op social media duidelijk uit het feit dat de jongeren op allerlei creatieve manieren en op verschillende niveaus – waarbij verwijzingen vallen waar te nemen naar gebieden, OV-zones, straten, pleinen, metrostations en parkeerzones – refereren aan de plek die zij zeggen te vertegenwoordigen. Net als in andere onderzoeken naar straatcultuur lijken de jongeren het negatieve stigma dat op hun lokale omgeving rust te omarmen, uit te vergroten en te gebruiken om een geloofwaardige context te creëren voor hun performance van straatidentiteit. Tot slot vormt ook het afzetten tegen politie en justitie een belangrijk onderdeel van hun performance. Hoewel de afkeer richting de sterke arm der wet in sommige gevallen lijkt voort te komen uit negatieve ervaringen die de rappers met vertegenwoordigers van het systeem hebben gehad, neemt de haat tegenover politie en justitie vooral de vorm aan van een pose die op social media ge(re)produceerd wordt en zo een manier vormt om hun straatidentiteit te construeren (vgl. Roks, 2016: 125-126). Opvallend genoeg blijven twee prominente thema’s die we kennen uit de literatuur naar straatcultuur binnen hun online performance grotendeels buiten beeld. In de eerste plaats geldt dit voor opzichtige consumptie (Veblen, 2017 [1899]; Goverts en Roks, 2020).

Jongens die zich binnen een straatcultuur begeven – en die al dan niet onderdeel uitmaken van (problematische) jeugdgroepen – blijken uit onderzoek op social media vaak bezig met het construeren van “a moneyed lifestyle, characterised by designer clothes, expensive jewellery, and luxury cars” (Irwin-Rogers et al., 2018: 403-404). Ilan (2020: 8) beschrijft iets soortgelijks voor de UK drillvideo’s die hij analyseerde. Door luxeproducten in beeld te brengen of te berappen, claimen jongeren dat zij over financiële middelen beschikken en deze zonder problemen kunnen uitgeven. Deze opzichtige consumptie valt ook te herkennen in de dure merkkleding die de jongeren dragen, de juwelen die zij in beeld brengen en het feit dat sommige videoclips worden opgenomen in penthouses (Ilan, 2020: 8). In eerder onderzoek naar de manier waarop jongeren binnen de straatcultuur van Rotterdam zich online

80

profileren, zagen we met onder andere grote sommen cashgeld, luxe merkkleding, sieraden en dure flessen drank veel elementen van deze opzichtige consumptie terug (Van den Broek, 2017: 110-120). Hoewel we binnen de geanalyseerde profielen van Rotterdamse drillrappers af en toe dure kleding of stacks voorbij zagen komen, blijkt de nadruk van hun performance in veel mindere mate te liggen op het etaleren van financiële welvaart. Daarnaast is binnen de performance van straatidentiteit normaal gesproken een belangrijke plaats ingeruimd voor het etaleren van een zekere hypermasculiniteit. Jongeren gebruiken hun social mediaprofielen om te zinspelen op dat zij op seksueel vlak bijzonder actief, bedreven en succesvol zijn en vooral heel erg hetero. Binnen de online performance van de Rotterdamse drillers blijft dit onderdeel – en eigenlijk vrouwen in bredere zin – grotendeels achterwege. De keren dat op de social mediaprofielen van de rappers vrouwen te zien zijn, komt dit vaak doordat zij (ongewild) betrokken zijn geraakt bij ruzies waarin de jongens verwikkeld zijn. Als we de manier waarop de rappers zich online profileren in zijn geheel beschouwen, vallen twee zaken op. In de eerste plaats blijken er grote verschillen te bestaan tussen de manieren waarop de rappers zich op verschillende platformen presenteren.

Waar Instagram in grote mate dienstdoet als podium voor hun bestaan als artiest, lijkt Snapchat veel meer zicht te geven op de manier waarop de rappers zich als persoon willen presenteren. Op ‘Insta’ vinden we zodoende voornamelijk content over muziek, terwijl op ‘Snap’ – naast veel posts over muziek – meer (voor hen) alledaagse zaken in beeld komen. De performance van straatidentiteit blijkt dan ook voornamelijk op dit laatste platform plaats te vinden. Wie enkel Instagram zou gadeslaan zou daarmee weliswaar een goed beeld kunnen vormen van het muzikale aspect van Rotterdamse drill, maar zou essentiële inzichten mislopen over de (online) leef- en belevingswereld van jongeren die zich binnen deze scene begeven. Zoals zal blijken uit hoofdstuk 5 draait drill namelijk niet alleen om muziek. De tweede overkoepelende bevinding heeft specifiek betrekking op de manier waarop de rappers zich op Snapchat presenteren. Wat opvalt is de manier waarop verschillende typen content elkaar afwisselen. Zo volgt een van de rappers een foto van zijn kind direct op met een gewelddadige tekst en plaatst een andere rapper op de dag waarop hij een award in ontvangst mag nemen – waarvan hij een video deelt – veelvuldig oproepen voor pinpassen.

Door het ogenschijnlijke gemak waarmee de rappers deze content afwisselen, lijkt het alsof de gewelddadige en criminele uitingen op social media voor hen de normaalste zaak van de wereld zijn.

81

H5 | DE ONLINE DRILLCULTUUR: PROVOCATIES, BEDREIGINGEN EN BEEFS IN MUZIEK EN OP SOCIAL MEDIA Een wezenlijk deel van de maatschappelijke ophef rondom drill richt zich op de vermeende relatie tussen rapteksten en -videos en geweld. Voor de situatie in het Verenigd Koninkrijk beschrijven Pinkney en Robinson-Edwards (2018: 107) dat “the drill phenomenon is clearly intertwined with violence”. Volgens Fatsis (2019: 1302) komt dit in UK drill tot uitdrukking in de vorm van “taunting rivals in vividly shocking terms, describing the harm that awaits them, and keeping a tally of stabbings in YouTube ‘scoreboards’ as a sign of each collective’s transgressive capital”. Ook in Nederland zien we dat vetes of beefs tussen rappers of rapcollectieven verantwoordelijk zijn voor de nodige onrust en beroering. De Volkskrant (Bahara, 2020) gaf in augustus 2020 een beschrijving van drillgroepen in Nederland die “tot de ‘top’ van de drillrap in Nederland” worden gerekend en verantwoordelijk zouden zijn voor “het merendeel van de geweldsincidenten in de scene”. In een ander artikel in dezelfde krant geven Bahara en Stoker (2020) inzicht in een online drillcultuur waarin beelden worden verspreid van drillrappers en hun aanhang die elkaar, soms met een mes, te lijf gaan of elkaar te laten “dashen” (rennen).

Geïnspireerd door de voorbeelden van de scoreboards uit de UK drill zou er zelfs sprake zijn van (online) puntensystemen, waarbij betrokkenheid bij geweldsincidenten zou resulteren in punten die de status van drillrappers of -groepen ten goede zouden komen. Ook het NRC besteedt onder de kop “wie moordt, die scoort in drillrap” aandacht aan deze online puntensystemen in de Nederlandse drill (Bos en Van der Poel, 2020). In dit hoofdstuk richten we ons op de beefs die tijdens onze dataverzameling vielen waar te nemen, waarbij we in het bijzonder aandacht hebben voor de rol van drill en van posts op social media. Hierbij dient op voorhand opgemerkt te worden dat het aantal beefs dat resulteert in fysieke vormen van geweld in het door ons verzamelde materiaal beperkt blijft tot enkele gevallen. Hiervan springt het dodelijke steekincident op de Pier in Scheveningen van begin augustus 2020 het meest in het oog. Het gros van het empirische materiaal dat we in dit hoofdstuk zullen bespreken is afkomstig van een select aantal drillers in de onderhavige studie: in totaal gaat het om ongeveer een dozijn drillers uit Rotterdam en Amsterdam. We beginnen dit hoofdstuk met het geven van een overzicht van de manieren waarop de drillers in ons onderzoek gebruikmaken van muziek en social media om elkaar uit te dagen.

Daarna beschrijven we hoe de drillers elkaar online bedreigen, maar ook hoe zij via social media oproepen om geweld te gebruiken tegen vrienden en vriendinnen van drillrappers. Vervolgens besteden we aandacht aan de manieren waarop de drillers proberen elkaars gewelddadige poses te deconstrueren door allerlei privé-informatie over elkaar publiek te maken. We besluiten dit hoofdstuk met het geven van een overzicht van de verschillende soorten beefs die in het onderhavige onderzoek de revue zijn gepasseerd en welke onlineoffline dynamiek er in deze conflicten viel waar te nemen.

82

5.1

Muzikale en online provocaties

Wetenschappelijke studies besteden in toenemende mate aandacht aan wat wordt omschreven als “cyber banging” (Haut, 2014) of “internet banging” (Patton et al., 2013): vormen van geweld die zich in de eerste plaats vooral lijken af te spelen online, in het bijzonder op social media. Het beschikbare onderzoek naar de relatie tussen social media en geweld is tot op heden echter schaars te noemen (voor een overzicht zie Peterson en Densley 2017; Irwin-Rogers et al. 2018). Wel wordt beschreven dat deze vormen van “cyber violence” kunnen resulteren in angst die te vergelijken is met de dreiging van geweld zoals die offline vorm krijgt (Peterson en Densley, 2017: 194). Social media kunnen hiermee voor jongeren die zijn ingebed in een straatcultuur worden aangewend als effectief middel om anderen te bedreigen of te provoceren. Wetenschappelijke studies laten dan ook zien dat gangleden social media lijken te gebruiken om rivaliserende groepen uit te dagen tot gewelddadige confrontaties (Deuchar en Holligan 2010; Pyrooz et al., 2015; Patton et al., 2016; Patton et al., 2017; Lynes et al., 2020). In het door ons verzamelde empirische materiaal op de diverse social mediaplatforms en in de raps en video’s van de drillers in deze studies komen we verschillende voorbeelden tegen van online provocaties.

Allereerst behandelen we enkele voorbeelden uit drillrap die we in de loop van ons onderzoek zijn tegengekomen waarin rivaliserende drillrappers of buurten worden beledigd, uitgescholden of uitgedaagd. Vervolgens gaan we in op het documenteren en verspreiden van het betreden van zogenaamde opp blocks: buurten, wijken of pleinen die rivaliserende drillers of jeugdgroepen claimen als hun territorium. Ten slotte laten we zien hoe er online wordt opgeroepen om de daad bij het muzikale of digitale woord te voegen.

“We rijden met dingen, klaar om te chingen” In een analyse van UK drill beschrijft Ilan (2020: 9) hoe drillers in het Verenigd Koninkrijk zich in hun muziek en video’s presenteren als personen die conflicten met hun opps – hun rivalen of opponenten, wat zowel andere drillers, drillgroepen of personen uit andere buurten of steden kunnen zijn – nooit uit de weg gaan. Sterker, Ilan (2020: 9) omschrijft hoe “drillers vie to be the individuals who make their rivals run (‘do ten toes’)” en hoe zij zich presenteren “as ready to mete out violence in response to challenges and violations; indeed, sometimes they even profess enthusiasm for the prospect”. Ook in onze beschrijving van de Rotterdamse drillers in hoofdstuk 3 lieten we reeds zien dat de rappers in hun muziek een zekere bereidheid tot het gebruik van geweld communiceren. In drill vervaardigd door Rotterdamse rappers zijn, net als zoals dat geldt voor drillers uit andere delen van Nederland, diverse voorbeelden te vinden waarbij zij hun opps bedreigen, uitdagen of bespotten. Soms gaat dit om generieke bedreigingen die worden gericht aan het adres van niet nader gespecificeerde opps, waarbij in het bijzonder woorden worden gebruikt die bijna woordelijk gekopieerd

83

lijken uit UK drill. Een voorbeeld hiervan is de manier waarop Nederlandse drillers claimen een ‘shank on hip’ te hebben, oftewel een mes te dragen op hun heup. Ook komen we in de Nederlandse drill diverse slang-termen tegen voor steekgeweld die hun oorsprong vinden in de UK drill, zoals dippen, cheffen, chingen, splashen en kweffen. Drill uit zowel Chicago, het Verenigd Koninkrijk als Nederland kan echter vooral gekenmerkt worden door hele specifieke uitdagingen en provocaties van opps die met (straat)naam en toenaam worden genoemd, waarbij in sommige gevallen de naam in het editen van de muziek is vervormd of onherkenbaar wordt gemaakt. Voor de Rotterdamse context zijn hier diverse voorbeelden van te vinden. In een nummer van drie Rotterdamse drillers rapt een van hen bijvoorbeeld de zin: “We rijden met dingen, klaar om te chingen, fuck Capelle en Slinge”. We zien in deze zin een duidelijke muzikale bedreiging richting heel Capelle en de Rotterdamse wijk Slinge, zonder dat uit de context van het nummer duidelijk wordt wat de aanleiding van de belediging is. Over de oorsprong van dergelijke conflicten wordt online echter driftig gespeculeerd zoals we in het volgende hoofdstuk laten zien.

Naast dergelijke provocaties in muziek, zien we in drill uit Nederland ook hoe, wederom net als in drill afkomstig uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, door de rappers verslag wordt gedaan van het verloop van specifieke gewelddadige conflicten. Soms gebeurt dit heel vluchtig in een (bij)zin en is het voor buitenstaanders moeilijk te ontcijferen waar de drillers precies naar verwijzen. In andere gevallen is de beschrijving meer gedetailleerd, zoals in het volgende voorbeeld. In een nummer van een Rotterdamse driller dat te vinden is op YouTube verwijst hij naar twee specifieke conflicten, in twee verschillende Rotterdamse buurten. Het nummer begint met een beschrijving van de aanwezigheid van de driller in de eerste wijk: “we waren met twee en als die kleine van daar mij niet vasthield was mijn shank sowieso in chest of been”. De rapper lijkt hiermee te verwijzen naar een concreet voorval en claimt dat als hij niet zou zijn tegengehouden, hij iemand in zijn borst of been zou hebben gestoken met zijn mes (“was mijn shank sowieso in chest of been”). In het vervolg van het nummer geeft hij een beschrijving van zijn bezoek aan een andere Rotterdamse buurt: “Ben met [naam vriend], loop in die [naam Rotterdamse wijk] hood op zoek naar [naam C]’s bloed”.

Na deze zin meermaals herhaald te hebben, rapt hij: Misschien wordt [naam C] gechingt en ik heb schijt aan [naam C] broer. Want ik zweer ik kom om te blijven, haal een kapsalon tijdens opp block tour Hier alludeert de driller op het steken van een persoon die hij in het nummer bij zijn voornaam noemt en wekt hij bovendien de indruk zich dermate comfortabel te voelen in een andere, rivaliserende buurt (“tijdens opp block tour”) dat hij een kapsalon haalt. De Rotterdamse driller sluit het nummer af met enkele verwijzingen naar de eerste wijk die hij in het nummer noemde. Hiermee verwijst hij naar een specifieke locatie in de wijk en herhaalt hij diverse beledigingen aan het adres van jongeren die afkomstig zijn uit die buurt:

84

Waar zijn die goons van [naam groep]? Ik bedoel [naam buurt in Rotterdamse wijk]. Hey, I’m [naam buurt in wijk] k, want die [naam buurt in wijk] goons zijn gay Met de toevoeging van de letter ‘k’ aan een wijk of (drill)groep proberen rappers – of gangleden, omdat we hier te maken hebben een praktijk die valt terug te herleiden op de manier waarop gangs hun conflicten met rivalen communiceren (Roks, 2017; Stuart, 2020) – de indruk te wekken dat ze “killers” zijn van de personen die afkomstig zijn uit die specifieke buurt of onderdeel uitmaken van de (drill)groep waar de letter ‘k’ aan wordt toegevoegd. In de voorbeelden uit deze paragraaf herkennen we wat in de UK drill wordt omschreven als “postcode wars” (Ilan, 2020: 12), rivaliteiten tussen buurten met verschillende postcodes. De territoriale claims blijken doorgaans meer fluïde dan door jongeren op fysieke en digitale straten in Nederland (Roks, 2017) en het Verenigd Koninkrijk (Ilan, 2015; Ilan, 2020: 12) wordt gecommuniceerd, waarbij jongeren soms ook claimen een bepaalde buurt te representen zonder dat zij daar daadwerkelijk woonachtig zijn. In de (online) breed uitgemeten rivaliteit tussen een Rotterdamse en Amsterdamse drillgroep zien we een territoriale strijd die de stadsgrenzen lijkt te ontstijgen.

In een nummer van de Amsterdamse drillers wordt hiernaar verwezen: Als ik je catch ga je kanker crashen Loop met m'n tool en mn violent member Pak op me splash je belandt in back Maar fuck die [Naam Rotterdamse drillgroep] yutes ze zijn geen members Kom niet op block om te fucking snappen Kom naar m'n straat en we catchen bangen In deze passage worden jongere leden (“yutes”) van de Rotterdamse drillgroep opgeroepen om niet op de block van de Amsterdamse formatie te komen om een foto te nemen en op Snapchat te plaatsen (“kom niet op block om te fucking snappen”). Een andere manier waarop drillers elkaar proberen te provoceren zien we in het volgende voorbeeld, ditmaal afkomstig van een Rotterdamse driller en gericht op leden van een andere drillgroep: [Naam driller A] is gecheffed maar doet stoer op het net Is hij kanker gek, hij lag al op ziekenhuisbed En [naam driller B] heeft niemand gecheffed En [naam driller C] heeft niemand gekweffed En [naam driller D] die deed al de dash De Rotterdamse driller bestrijdt hier de claims van de andere drillers, door te stellen dat zij onterecht de indruk wekken betrokken te zijn geweest bij bepaalde geweldsincidenten (“En [naam driller B] heeft niemand gecheffed. En [naam driller C] heeft niemand gekweffed”).

85

“Ff een kijkje nemen” In de vorige paragraaf verwezen we naar een voorbeeld van een Rotterdamse driller die in zijn muziek de indruk wekte aanwezig te zijn in de rivaliserende buurt. Naast deze muzikale provocatie zien we dat social media vergelijkbare mogelijkheden bieden om rivalen uit te dagen zonder de directe dreiging van fysiek geweld. Patton et al. (2017: 1011) illustreert bijvoorbeeld hoe gangleden in Chicago gebruikmaken van social media om de geografische locatie van de buurt van hun rivalen te delen. Het betreden van het territorium van rivaliserende groepen – een fenomeen dat vooral wordt beschreven in onderzoeken naar gangs in de Verenigde Staten (zie, onder andere, Moule et al., 2017: 53) – dat in de vorige paragraaf terugkwam in de muziek, kent een online equivalent in de vorm van “spatial referencing” (Patton et al. 2016). Social mediaplatforms bieden jongeren namelijk de mogelijkheid om de buurt van hun vijanden of rivalen te betreden, zonder offline te worden waargenomen, hier foto’s of video’s van te maken en deze vervolgens online te plaatsen (Patton et al., 2016: 594). Ook Van Hellemont (2012: 175-177) beschrijft hoe jongeren in Brussel foto’s van zichzelf uploaden tegen de achtergrond van metrostations van rivaliserende groepen.

In hoofdstuk 3 en 4 lieten we reeds zien dat de hyperlokaliteit die kenmerkend is de drill in Chicago (Stuart, 2020) en het Verenigd Koninkrijk (Fatsis, 2019; Ilan, 2020), ook in de Nederlandse drill kan worden waargenomen. Deze trots op de buurt wordt op verschillende manieren gecommuniceerd, maar in het oog springt vooral dat de namen van de drillers of drillgroepen een symbolische verwijzing bevatten naar de buurt of wijk waaruit zij afkomstig zijn. Een manier voor de drillers in onze studie om een (rivaliserende) groep uit te dagen is dan ook – naast het rappen over dat zij in hun buurt aanwezig zijn geweest – het zichzelf of hun vrienden fotograferen of filmen terwijl ze aanwezig zijn in de buurt van die groep, zoals afbeelding 52 en 53 illustreren. Afbeelding 52 is een screenshot uit een video waar een Rotterdamse rapper zichzelf en zijn vrienden filmt terwijl ze in de buurt van een rivaliserende groep uit Amsterdam zijn. Er wordt hier gebruik gemaakt van dezelfde functionaliteiten van social media die de drillers gebruiken om via social media te communiceren dat ze in hun eigen wijk zijn. Hieronder vallen het gebruik van geotags om hun locatie kenbaar te maken en het gebruik van specifieke filters die de locatie weergeven, zoals ook valt te zien op afbeelding 37 en 41.

Op afbeelding 53 valt te zien hoe een jongeman – een yg, oftewel een young goon – wiens gezicht onherkenbaar is gemaakt door de persoon die dit beeld op Snapchat plaatste, zichzelf met opgestoken middelvingers laat fotograferen voor een metrobord dat verwijst naar de lokaliteit van een rivaliserende drillgroep.

86

Afbeelding 52

Afbeelding 53

Naast voorbeelden van Rotterdammers die naar Amsterdam reizen om foto’s te maken in de buurt van een rivaliserende groep, kwamen we in de onderzoeksperiode ook voorbeelden tegen van Amsterdamse drillers die vergelijkbare foto’s en video’s online plaatsten van hun bezoek aan buurten in Rotterdam. Op afbeelding 54 zien we eveneens een voorbeeld van het gebruik van een filter, maar door de volledig zwarte afbeelding wordt niet duidelijk of deze driller daadwerkelijk aanwezig was in een Rotterdamse wijk. Afbeelding 55, die direct na afbeelding 54 online werd geplaatst, laat daar echter geen misverstand over bestaan. Vanuit de auto wordt een foto gemaakt van een straathoek die leden van deze Rotterdamse drillgroep in muziek claimen als hun block. De voorbeelden in afbeeldingen 52 tot en met 55 kunnen worden geïnterpreteerd als provocaties. Toch valt op dat deze beelden van de aanwezigheid op opp block niet altijd als serieus of bedreigend worden ervaren. Als reactie op de afbeeldingen 54 en 55 deelt een Rotterdamse driller via Snapchat een conversatie met een drillrapper uit Amsterdam die blijkbaar zijn aanwezigheid in zijn Rotterdamse wijk direct met hem heeft gedeeld door een direct message te sturen met foto’s uit de buurt. Op de gedeelde screenshot valt te lezen hoe de Rotterdamse driller reageert met “Jatoch, om 6 uur ’s ochtends staat iedereen posted”.

Hiermee geeft hij aan dat het niet verwonderlijk was dat er niemand op straat te vinden was, simpelweg omdat het vroeg in de ochtend was. De Amsterdamse drillers worden om die reden in het bericht ook getypeerd als “cloutchaser”: zij zouden enkel uit zijn op sensatie en (online) populariteit (vgl. Stuart, 2020: 102).

87

In lijn met het documenteren van de aanwezigheid op opp block op momenten van de dag dat de kans bijzonder klein is dat leden van de rivaliserende groep eveneens in de buurt aanwezig zijn, zien we voorbeelden van drillers die zichzelf filmen of fotograferen – soms met capuchon op – in een rijdende auto. In beide gevallen is de kans dat het tot een daadwerkelijke confrontatie leidt klein en lijkt het hier vooral te gaan om symbolische provocaties. Dit herkennen we ten slotte ook in een praktijk die door jongeren ‘Snap en go’ wordt genoemd. Jongeren wekken daarmee vooral de indruk dat ze op opp block zijn geweest, maar zijn daar doorgaans slechts heel kort geweest om een foto te maken. Nadat zij snel weer zijn vertrokken, plaatsen zij op veilige afstand pas het bewijs van het betreden van het territorium van hun rivaal online.

Afbeelding 54

Afbeelding 55

88

“Sta nu hier chat niet veel!! Bel als je er bent” Het betreden en het filmen op opp blocks moet vooral gezien worden als symbolische provocatie. De tijdstippen, de vluchtigheid van de bezoeken en het filmen vanuit auto’s illustreren allemaal dat de drillers in beginsel niet uit zijn op een fysieke confrontatie met hun opps. Als reactie op deze meer symbolische uitdagingen komen we in ons onderzoek ook voorbeelden tegen waarin rivalen concreet worden opgeroepen om zich op specifieke momenten te begeven in hun buurt. Een voorbeeld hiervan is een post waarin een Rotterdamse jongen aangeeft “kom me halen ben op [verbastering van straatnaam] jullie weten waar ik ben”.

Afbeelding 56

Een vergelijkbaar voorbeeld zien we op afbeelding 56. Een drillrapper uit Den Haag die, zoals we later in dit hoofdstuk zullen bespreken beef kreeg met een Rotterdamse drillgroep, plaatste een foto online waarop vier rappers poseren, maar tegelijkertijd proberen hun gezichten voor een groot deel te bedekken. Door gebruik te maken van de functionaliteit van Instagram laat hij weten in de Amsterdamse wijk De Pijp te zijn, de buurt van een drillgroep die al langere tijd een conflict hadden met Rotterdamse drillers. Het onderschrift van de foto luidt: “En alle oppboys zijn welkom”, een uitdaging gericht aan zijn rivalen. Ook deze online provocatie lijkt een overwegend symbolisch karakter te hebben. De post kan immers gelezen worden als een provocatie richting rivalen, maar is tegelijkertijd ook weinig specifiek. Bovendien rijst de vraag of de driller op het moment van het plaatsen van de foto daadwerkelijk aanwezig was in Amsterdam en, vervolgens, waar precies hij zich dan in de wijk ophield.

89

We zien dit ook terug bij twee Rotterdamse drillers die via social media kenbaar maken dat ze in Amsterdam zijn, inclusief afbeeldingen van een uitgetekende route vanaf de locatie waar zij zich op dat moment zouden bevinden naar de wijk van een rivaliserende drillgroep. Na het delen van deze routeplanner plaatst een van de Rotterdamse driller het volgende bericht: “Dit is voor [naam muziekstudio]. 12 minuten van [naam Amsterdamse wijk] vraag jullie favo drillrappers waar ze waren”. Ook een ander lid van deze Rotterdamse drillrapformatie plaatst op dezelfde dag een vergelijkbaar bericht en schrijft: “Schaam jullie dood we waren 3/4 uurtjes stu en jullie weten t adres” gevolgd door twee lachende emoji’s (

). Ook in dit geval wordt niet duidelijk of de Rotterdamse drillers ook op het moment van

het plaatsen van deze content daadwerkelijk aanwezig waren in Amsterdam. We zien ook posts op social media die een stuk specifieker zijn dan de eerdergenoemde voorbeelden. Zo deelt een Amsterdamse driller een privé-gesprek via Snapchat met een Rotterdamse driller, waarbij de laatstgenoemde hem het volgende bericht had gestuurd: “Chat niet veel kom !”. We herkennen hierin wat Stuart (2019: 8-9; 2020: 134-136) “calling bluffs” noemt, een strategie waarbij jongeren die gewelddadige claims op social media plaatsen publiekelijk worden uitgedaagd om de daad bij het (digitale) woord te voegen. De Amsterdamse driller reageert echter niet door zich te begeven naar Rotterdam. In plaats daarvan deelt hij zelf zijn locatie, inclusief zijn vermeende huisnummer en postcode en voegt hij aan zijn bericht toe: “Sta nu hier chat niet veel !! Bel als je er bent !!!”. In het door ons verzamelende materiaal vinden we echter ook een voorbeeld van een Rotterdamse driller die wel ingaat op een online provocatie. Tijdens een conflict met een rapper uit het zuiden van het land, waarvan de ontstaansgeschiedenis in ons onderzoek niet duidelijk is geworden, zou de Rotterdamse driller een aantal locaties doorgegeven hebben gekregen. De Rotterdamse driller plaats een serie video’s online waarin hij documenteert dat hij op zoek is naar de persoon waar hij een conflict mee heeft.

In de eerste video zit hij op de bijrijdersstoel van een auto en filmt hij de omgeving terwijl hij zegt: “Kijk hier, je bent niet eens hier broertje, je bent niet hier. Rij naar achter, rij naar achter, rij naar achter, rij naar achter, rij naar achter. Rij naar achter. Deze kanker hoerenkind moet zien, ik ben hier bij die kanker BP mattie. Kijk hier, ik ben hier broertje, waar ben je? Huh? Waar ben je? Rij meer naar achter, rij meer, rij meer. Kanker hoerenkind” Vervolgens deelt de Rotterdamse driller een tweede video van een andere locatie en vraagt hij zich hardop af: “kijken of hij daar is” en “kijken of hij hier zit”. Nog steeds gezeten in de bijrijdersstoel sommeert hij de bestuurder van de auto om langs verschillende auto’s te rijden op een parkeerplaats. Omdat ze de rapper uit het zuiden van het land op de tweede locatie ook niet treffen, stelt de Rotterdamse rapper: “Ik ga hem bellen, wacht”. In het volgende filmpje is te horen hoe de Rotterdamse driller tegen zijn telefoon aan het schreeuwen is: “Pussy boy! je wilt in de stad

90

afspreken, je bent pussy boy, je bent pussy!”, waarop hij de naam van de rapper noemt en vermeldt in welke stad hij woonachtig is. Vervolgens zegt de Rotterdamse driller: “je stuurt drie verschillende locaties en ik kom bij alle drie de locaties en je bent er niet, je bent pussy!”, direct gevolg door: “Eh broer als ik jou catch mattie in de city, kankerhoerenkind, jouw kankermoeder, jouw kankerkinderen, jouw kankerzoon, zionist. Kankersukkel, wat is er broertje?”. Op dat moment verbreekt de rapper uit het zuiden van het land de verbinding en verplaatst de camera van de telefoon van de Rotterdamse driller zich naar ter hoogte van zijn buik. Heel vluchtig valt te zien dat er een vuurwapen achter zijn broeksband is verscholen. Tot een fysieke confrontatie komt het echter niet.

5.2

Online bedreigingen

In het door ons bestudeerde materiaal komen we ook voorbeelden tegen van digitale content die verder gaat dan het publiekelijk beschimpen of uitdagen van (andere) drillrappers. Johnson en Schell-Busey (2016: 73) beschrijven bijvoorbeeld dat gangleden social media en rapmuziek gebruiken als “a new bottle for old messages” in de vorm van het uitwisselen van bedreigingen met rivaliserende groepen, hetgeen in sommige gevallen resulteert in offline gewelddadige vergeldingen. In hoofdstuk 3 en het onderhavige hoofdstuk hebben we reeds diverse voorbeelden de revue laten passeren van het dreigen met geweld in drillmuziek of via social media. In het door ons verzamelde empirische materiaal komen we echter ook voorbeelden tegen van beloningen die online worden uitgeloofd om specifieke personen geweld aan te doen. Een Rotterdamse driller plaatst op Snapchat een afbeelding van een jongeman met het volgende bijschrift: [Naam jongen] van [naam school en locatie] (…) 500 euro wie hem klapt en filmt Dit gebeurd er Wnr ksb fans neppe accounts maken en dingen lullen over me kind Dan ga ik research naarje doen en geld opje hoofd zetten maakt niet uit hoe oud je bent (Juni 2020, Snapchat) In dit bericht looft de Rotterdamse driller een geldgedrag uit om een jongen, waarvan zijn voornaam en school wordt gedeeld, in elkaar te slaan en dit te filmen.

Dezelfde Rotterdamse driller plaats gedurende onze onderzoeksperiode meerdere van dit soort oproepen tot geweld. Naast het slaan van specifieke personen, looft hij ook beloningen uit om iemand neer te steken: “Wie die [naam] voor me steekt krijgt 1 kop (duizend). Hij hoeft niet dood maar cheff die man gwn haha. Zware onkruid die gast”, gevolgd door een lachende emoji. In een volgend bericht, geplaatst op dezelfde dag, spreekt hij zijn volgers toe door te schrijven “Voor me strijders die op hem willen rijden” en stelt hij een hogere som geld beschikbaar wanneer deze jongen binnen een week wordt gestoken en een extra beloning wanneer het incident wordt gefilmd. Hij sluit zijn bericht af met “Kijk maar wie de eerste is velen zijn hongerig !!!”

91

Tijdens de onderzoeksperiode kwamen we echter ook voorbeelden tegen van bedreigingen die een stap verder lijken te gaan dan (zware) mishandeling. In diverse groepen op Telegram werd een dodenlijst verspreid, waarop verschillende drillers uit Amsterdam, Rotterdam en Den Haag stonden opgesomd. Van wie de lijst nu echt afkomstig was en in hoeverre deze dodenlijst serieus moet worden genomen, kon in het onderhavige onderzoek niet worden vastgesteld. Ook over dit geval werd online bij herhaling gespeculeerd zoals we in het volgende hoofdstuk nader zullen toelichten. Wel plaatste een van de Rotterdamse drillers gedurende de onderzoeksperiode op Snapchat diverse berichten om te achterhalen wie de persoon was die achter het verspreiden van de dodenlijst zat waarop zijn naam prijkte. Zo plaatste hij een foto van een specifieke locatie met het bijschrift “Wie kijkt voor me of [naam] daar woont !!!! Je word betaald om te achterhalen of hij daar woont !!!”. In een volgend bericht loofde hij zelfs een beloning uit voor de persoon die de vermeende maker van de dodenlijst vindt en om het leven brengt: “7000,- [naam] Alsje hem dood maakt krijgje netjes 5 duizend per maand 5 maanden lang”.

Hetzelfde bericht bevatte nog twee namen waar de Rotterdamse driller eveneens een beloning voor uitloofde van respectievelijk 1.000 en 2.000 euro, zonder daarbij te expliciteren wat er met deze personen moest gebeuren. Naast dat de naam van de eerdergenoemde Rotterdamse driller op een dodenlijst stond, troffen we ook een voorbeeld van een post (zie afbeelding 57) die op social media werd verspreid die veel gelijkenis vertoont met de oproepen tot geweld die deze driller zelf gedurende de onderzoeksperiode meermaals plaatste. In dit bericht wordt er een geldbedrag aan degene die de Rotterdamse driller en nog iemand anders neersteekt of laat rennen, gevolgd door de opmerking “GEEN CAP JE KRIJGT DE BELONING ECHT”. Met de uitspraak “geen cap” – een gedeeltelijke Nederlandse vertaling van de uitspraak “no cap” die online ook wel wordt geschreven als “no

” of “✖

” – wil de driller aangeven dat hij niet liegt

en probeert hij de indruk over te brengen dat er daadwerkelijk een geldbedrag in het verschiet ligt voor de persoon die navolging geeft aan de oproep.

Afbeelding 57

92

De (online) conflicten die we in het onderhavige onderzoek tegenkwamen blijven echter niet beperkt tot de direct betrokkenen. Naast dat meerdere drillers geldbedragen in het vooruitzicht stelden om opps te laten rennen, in elkaar te slaan of neer te steken, kwamen we tijdens de onderzoeksperiode tevens drie verschillende voorbeelden tegen van bedreigingen aan het adres van vriendinnen van drillers. Deze posts bevatten een foto van de vrouw, een explicitering dat het hier ging om de vriendin van een specifieke driller en in één geval de locatie waar deze vriendin woonachtig zou zijn. In alle gevallen werden diverse geldbedragen beschikbaar gesteld om deze vriendinnen van de drillers te mishandelen, neer te steken, te verkrachten en zelfs in een geval om haar dood te maken.

5.3

Het exposen van drillers

Het etnografisch onderzoek van Stuart (2019; 2020) naar drill in Chicago laat zien hoe jongeren die opgroeien op zowel de fysieke als de digitale straat zich in toenemende mate rekenschap geven van de performativiteit van gedrag op social media, onder andere omdat zij zelf (ook) online content plaatsen waarin zij zichzelf beter, sterker en gevaarlijker voordoen dan ze in werkelijkheid zijn. In de onderhavige studie hebben wij Rotterdamse jongeren via de social media-accounts van jongerenwerkers van Stichting JOZ ook een tweetal stellingen voorgelegd over het online gedrag van jongeren. Allereerst lieten wij jongeren antwoord geven op de stelling of zij zich online stoerder en gevaarlijker voordeden dan ze waren. Jongeren konden antwoord geven op deze vraag door gebruik te maken van de functionaliteit op Instagram waarbij gebruikers kunnen swipen van links naar rechts om hun antwoord te geven. De gemiddelde score van de 127 jongeren was 1.6 op een vijfpuntschaal, hetgeen in dit geval wil zeggen dat jongeren aangeven zich slechts in beperkte mate gevaarlijker of stoerder voor te doen online. Jongeren konden hun antwoord op de stelling bovendien aanvullen met een reactie. Het grootste deel van de jongeren heeft hier geen gebruik van gemaakt. De meest in het oog springende opmerking was “Ik poseer met wapens op het net”.

We hebben de Rotterdamse jongeren ook gevraagd naar hun ideeën over het online gedrag van anderen door hen op een vergelijkbare wijze te laten swipen op de vraag of anderen zich volgens hen online stoerder of gevaarlijker voordoen. De in totaal 139 reacties toonden dat de Rotterdamse jongeren het in grote mate eens waren met deze stelling, met een gemiddelde score van 4.2 op een vijfpuntschaal. Op deze vragen kwamen aanzienlijk meer reacties van jongeren waarin bovendien een aantal maal expliciet de link werd gelegd met elementen uit de online drillcultuur zoals in reacties als “Met guns en machetes op de foto maar in het echt zijn ze poeslief”, “ze zeggen dat ze in je elkaar gaan slaan of neer gaan steken”, “Dat ze zeiden ik ga je shanken maar toen ik voor ze stond dede ze niks” en “Biggie praatjes maar in het echt lauw doen”.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9639405/1