CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Erasmusonderzoek Drillrap.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 28 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Resultaten onderzoek 'cappen voor clout? een verkennend onderzoek naar Rotterdamse jongeren, drill en geweld in digitale tijdperk' (ZD2021-000390)40.415 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

2.1

Onduidelijkheid over de cijfermatige ontwikkelingen

De kop van een artikel in de Volkskrant van eind oktober 2019 luidt: “Zit drillrap achter de recente geweldsgolf onder jongeren?” (Bahara, 2019). Voordat we nader ingaan op het belichten van de rol van drill op het geweld onder (Rotterdamse) jongeren is het belangrijk om eerst inzichtelijk te krijgen of er wel gesproken kan of moet worden over “een recente geweldsgolf”. Allereerst is het namelijk goed om te benoemen, zoals Van der Laan, Pleysier en Weerman (2020) recentelijk lieten zien, dat er zich op het gebied van jeugdcriminaliteit sinds 2007 enkele positieve ontwikkelingen voordoen. De auteurs laten zien dat niet alleen de geregistreerde criminaliteit onder jongeren sinds 2007 afneemt, maar dat een vergelijkbare dalende trend, zij het in mindere mate, eveneens valt waar te nemen op basis van slachtofferstudies en zelfrapportages onder jongeren (Van der Laan, Beerthuizen en Goudriaan, 2017). Wel benoemen zij dat de meest recente politiecijfers (over 2019 en 2020) in vergelijking met het jaar 2018 een lichte toename laten zien. Volgens Van der Laan et al., (2020: 119) kan hier sprake zijn van “bepaalde registratie-effecten, of van kleine, ‘toevallige’ schommelingen”, maar deze stijging zou ook indicatief kunnen zijn voor een voorlopig einde van de daling in de jeugdcriminaliteit. Specifiek besteden Van der Laan et al.

(2020: 119) aandacht aan een “toename van betrokkenheid van jongeren bij steekincidenten in de afgelopen twee jaar”, oftewel vanaf het jaar 2018. De Nationale Politie plaatst op 20 maart 2020 een bericht op haar website met als kop “Meer jongeren betrokkenen bij messteekincidenten”. Opmerkelijk is dat in het bericht geen concrete cijfers worden genoemd en dat wordt volstaan met het benoemen van “een toename van het aantal geregistreerde messteekincidenten in de laatste jaren”. Wel wordt toegelicht dat cijfers over incidenten met messen waar minderjarigen bij betrokken zijn niet eenvoudig te herleiden vallen uit het registratiesysteem van de politie:

23

De politie registreert dergelijke incidenten op verschillende manieren, afhankelijk van de zwaarte van het incident. Dat betekent dat elke andere zoekvraag leidt tot andere cijfers. Omdat in deze overzichten dezelfde zoekvraag is gebruikt voor meerdere jaren, is het wel mogelijk om trendmatige conclusies te trekken. (https://www.politie.nl/nieuws/2020/maart/20/00-meer-jongeren-betrokken-bijmessteekincidenten.html, laatst bezocht op dinsdag 10 november 2020). In het recente Actieplan Wapens en Jongeren wordt eveneens beschreven dat er op basis van politiecijfers niet met zekerheid valt vast te stellen of er sprake is van een toenemende trend van steekincidenten onder jongeren (Actieplan Wapens en Jongeren, 2020: 5). Dit komt doordat politiecijfers geen absoluut gegeven zijn, er kwalitatieve correcties worden doorgevoerd in de politiesystemen door het verwijderen van dubbele registraties of het aanpassen van delictcodes en omdat er sprake zou zijn van een “na-ijl effect” waarbij in sommige gevallen pas na verloop van tijd aangifte wordt gedaan. Met deze voorzichtigheid wordt in het Actieplan Wapens en Jongeren (2020: 5) beschreven dat de absolute aantallen “indicatief” zijn. Een analyse van de steekincidenten over de afgelopen zes jaar zou een grillig maar stabiel patroon laten zien, “ongeacht de leeftijd van de betrokken daders” (Actieplan Wapens en Jongeren, 2020: 5).

Wel wordt er gesignaleerd dat er in de categorie jonge verdachten – een categorie waar zowel minderjarigen als jongvolwassen tot 23 jaar onder vallen – vanaf 2017 op landelijk niveau een lichte toename van betrokkenheid bij steekincidenten kan worden waargenomen. Bovendien zou er een sterkere stijging zijn in de leeftijdsgroep van 0 tot 17 jaar dan in de groep jongvolwassen (Actieplan Wapens en Jongeren, 2020: 5). Ondanks het gebrek aan concrete cijfers op jaarbasis en het voorbehoud dat moet worden aangebracht vanwege registratie- en meetproblemen die inherent zijn aan de politiesystemen, lijkt er met andere woorden wel degelijk sprake van een toename van het aantal steekincidenten waar minderjarige jongeren als verdachte bij betrokken zijn. In de context van het onderhavige onderzoek is het vooral van belang om te zien hoe het in Rotterdam is gesteld met de ontwikkeling van het aantal steekincidenten onder jongeren. Op verzoek van de NOS zou de politie-eenheid Rotterdam handmatig alle steekincidenten uit 2018 en 2019 hebben nagelopen (Van Hulzen, 2020b). Een woordvoerder licht in het bericht op de website van de NOS toe dat “er is gekeken of de incidenten daadwerkelijk steekincidenten waren, naar de leeftijd van de stekende verdachte en of het steekvoorwerp een mes betrof".

In 2019 werden 36 steekincidenten onder minderjarigen in Rotterdam geregistreerd, een verdubbeling ten opzichte van de 18 in het jaar 2018. Cijfers van voor 2018 konden volgens de woordvoerder niet worden gegenereerd, waardoor het de vraag blijft of er daadwerkelijk gesproken kan worden van een stijging. Met enige voorzichtigheid beschrijft de Rotterdamse politie dat er ook ten opzichte van de periode voor 2018 sprake zou zijn van een stijging (Van Hulzen, 2020b).

24

Meer recente cijfers over het aantal steekincidenten in Rotterdam vinden we terug in de ‘Voortgangsbrief

aanpak

steekincidenten’

(Gemeente

Rotterdam,

2020).

In

deze

voortgangsbrief wordt beschreven dat er in de eerste negen maanden van 2020 door de politie 69 steekincidenten werden geregistreerd in de gemeente Rotterdam (zie tabel 1). In 2018 en 2019 ging het respectievelijk om 74 en 93 steekincidenten. Naast deze steekincidenten wordt er ook een overzicht gegeven van de hoeveelheid geregistreerde verdachten

van

steekincidenten,

inclusief

een

onderverdeling

naar

verschillende

leeftijdscategorieën. Het aantal minderjarige verdachten (12 tot 17 jaar) betreft 12 in 2018, 21 in 2019 en 16 in de eerste negen maanden van 2020. Tabel 1 illustreert dat in vanaf 2018 het merendeel van de verdachten van de steekincidenten 18 jaar of ouder is. Tabel 1: Aantal steekincidenten en geregistreerde verdachten in Rotterdam 2018-2020 2018

2019

2020 (t/m 30-09-2020)

Steekincidenten

74

93

69

Verdachten 12-17 jaar

12

21

16

Verdachten 18-24 jaar

13

11

8

Verdachten 25 jaar en ouder

41

48

42

De bovenstaande cijfermatige overzichten van geregistreerde incidenten met steekwapens maken een aantal zaken inzichtelijk. Met enige voorzichtigheid zou kunnen worden gesteld dat er de afgelopen jaren sprake lijkt van een stijging van het aantal messteekincidenten onder (minderjarige) jongeren, een ontwikkeling die zowel op landelijk niveau kan worden waargenomen als in Rotterdam. Tegelijkertijd illustreert het voorgaande dat het lastig is om hier verregaande conclusie aan te verbinden, simpelweg omdat deze cijfers handmatig uit de registratiesystemen van de politie zijn gehaald en andere zoekvragen – door de politie ook wel aangeduid als query’s – andere resultaten genereren en daarmee ook kunnen resulteren in andere cijfers.

2.2

Politieregistraties steekincidenten 2018-2019 in Rotterdam

Om in het onderhavige onderzoek iets te kunnen zeggen over de manier waarop drill – of social media en straatcultuur – een rol speelt bij de (toegenomen) steekincidenten in Rotterdam hebben wij een analyse verricht van de geregistreerde steekincidenten11 in Rotterdam uit 2018 en 2019. In het vervolg van dit hoofdstuk geven we een beeld van deze registraties. We beginnen met het toelichten van de query en de hoeveelheid registraties over 2018 en 2019 die deze zoekvraag heeft opgeleverd. Alvorens in de volgende paragraaf dieper in te gaan op wat er op basis van de informatie in deze registraties valt te zeggen over de aanleiding van deze steekincidenten, geven we eerst een overzicht van de hoeveelheid verdachten, hun leeftijden en geslacht. Waar mogelijk – en relevant – complementeren of contrasteren we deze inzichten met de resultaten van een eerdere analyse van 11 Zie hoofdstuk 1 voor een nadere toelichting van de manier waarop toestemming werd verkregen om deze

gegevens in het kader van wetenschappelijk onderzoek in te zien en te analyseren.

25

steekincidenten onder jongeren in Rotterdam in de periode 2018-2020, verricht door onderzoekers van de DRIO (Team Analyse en Onderzoek) van politie Rotterdam (DRIO, 2020).

Query en hoeveelheid registraties De registraties die in het kader van deze studie zijn bestudeerd zijn het product van dezelfde query – met dezelfde codes en steekwoorden – als in een eerder verricht onderzoek van de DRIO. In dat onderzoek werd gestart met een brutolijst van registraties die afkomstig was van de afdeling Control van politie-eenheid Rotterdam en waarvan de incidenten moesten voldoen aan een query12 waarbij werd gekeken naar de volgende categorieën – ook wel maatschappelijke klassen genoemd (DRIO, 2020: 9) – uit het politiesysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH): E15: steekpartij (zonder gevolg); F12: openlijke geweldpleging tegen personen; F540: doodslag/ moord en F551: zware mishandeling. Deze query werd gecombineerd met steekwoorden13 als “keukenmes”, “broodmes”, “machete“, “zwaard”, “stekende”, “steekpartij” en “steekwond” en incidentcodes waar in de modus operandi werd verwezen naar “steekwapens” en “mes steken”. In het onderzoek van de DRIO is vervolgens op basis van de brutolijst die deze zoekopdracht heeft opgeleverd een nadere selectie gemaakt van incidenten waarbij sprake was van “(een) bekend(e) slachtoffer(s) en verdachte(n) met een leeftijd van maximaal 23 jaar”.

Deze incidenten zijn vervolgens door een onderzoeker van de DRIO handmatig gescoord op de omstandigheden van het geval en of er in de registratie daadwerkelijk sprake was van een steekincident. Deze laatste filtering resulteerde in het DRIO-onderzoek in 77 incidenten. De registraties waarin wij in dit onderzoek inzage hebben verkregen, wijken hier op een aantal punten van af. Allereerst gaat het in het onderhavige onderzoek om daadwerkelijke steekincidenten, in tegenstelling tot het DRIO-onderzoek waar geen afbakening werd gemaakt en ook de intentie om te steken werd meegenomen. Daarnaast hebben de registraties in deze studie betrekking op incidenten waarbij sprake was van een mes als steekwapen en werden in het onderzoek van DRIO alle steekvoorwerpen meegenomen. Ten slotte heeft de selectie van de registraties in de onderhavige studie betrekking op incidenten die zich hebben voorgedaan in de plaats Rotterdam, waar de focus in het DRIO-onderzoek op de eenheid Rotterdam lag. Op basis van de bovenstaande query en selecties – waarin wij als onderzoekers geen inspraak hebben gehad – ontvingen wij eind juli 2020 twee bestanden met in totaal 56 registraties: 24 uit 2018 en 32 uit 2019. Het is direct belangrijk om te benadrukken dat wij in het vervolg van dit hoofdstuk een beeld zullen geven van deze 56 registraties en dat dit niet moet worden verward met 56 incidenten.

In het door ons aangeleverde bestand waren er in totaal zes registraties die betrekking hadden op dezelfde drie incidenten, bijvoorbeeld omdat meerdere 12 In het rapport van de DRIO wordt beschreven dat het hier gaat om een omschrijving van de query. 13 Het gaat hier om een selectie van steekwoorden.

26

betrokkenen aangifte deden van hetzelfde feit. In totaal hebben de door ons bestudeerde 56 registraties dus betrekking op 53 afzonderlijke incidenten: 23 in 2018 en 30 in 2019. We hebben er echter voor gekozen om de focus van onze analyse niet te leggen op de incidenten, maar op de registraties. Wij hebben hiertoe besloten omdat er in verschillende registraties over hetzelfde incident niet altijd dezelfde verdachten en slachtoffers werden benoemd en in de door ons bestudeerde gevallen uit de afzonderlijke registraties ook een ander beeld geven van een specifiek incident. Omdat er in het onderhavige onderzoek niet kan worden vastgesteld welk perspectief het beste de waarheid benaderde en wie er nu al dan niet (on)terecht als dader(s) of slachtoffer(s) werden aangemerkt, hebben wij ons gebaseerd op het totaal aantal registraties. In het vervolg van deze paragraaf geven we een beeld van de leeftijd en het geslacht van de betrokkenen in de 56 door ons bestudeerde politieregistraties over 2018 en 2019.

Leeftijd en geslacht Een wezenlijk deel van de zorg rondom het geweld met steekincidenten richt zich op de betrokkenheid van minderjarigen als dader of slachtoffer. Wat valt er over de leeftijd van de verdachten te zeggen op basis van de 56 politieregistraties die wij hebben bestudeerd? Van de 24 registraties over steekincidenten uit 2018 zien we dat in 10 gevallen sprake is van verdachten onder de 18 jaar en dat we in 14 registraties verdachten zien die meerderjarig zijn. Voor het jaar 2019 gaat het om een evenredige verdeling: 16 registraties waarin de verdachten minderjarig zijn en 16 registraties met verdachten die de leeftijd van 18 jaar reeds gepasseerd zijn. Zoomen we nader in op de minderjarige verdachten die in de 56 politieregistraties terugkomen, dan zien we dat de jongste verdachte uit de registraties uit 2018 werd geboren in 2006. Hij werd verdacht van het met een stanleymes steken van een andere jongeman, met een bloedende duim tot gevolg. Kijken we naar de registraties over 2019, dan zien we dat de jongste dader geboren is in 2006 en ten tijde van het steekincident 13 jaar was. Het gaat in dit geval om een jongeman die als medeverdachte betrokken was bij een groepsgevecht dat uiteindelijke uitmondde op een steekincident.

Deze verdachte was echter niet de (vermoedelijke) dader van het steekincident, een voorbehoud dat bij het merendeel van de verdachten in de door ons bestudeerde registraties moet worden gemaakt. Bovendien zien we dat meerdere verdachten in beeld kunnen komen in dezelfde registraties. In 2018 ging het om 10 registraties met in totaal 13 verschillende verdachten die juridisch gezien minderjarig zijn. In 2019 ging het in totaal om 16 registraties waar minderjarige verdachten bij betrokken waren. Opmerkelijk is dat er in totaal 49 verdachten naar voren kwamen in deze 16 registraties, hetgeen betekent dat een aantal van deze gevallen ging om registraties waarbij meerdere minderjarige jongeren als verdachte in beeld kwamen. Dit meerdaderschap wordt ook gesignaleerd in de analyse van de DRIO (2020: 14). We gaan hier in paragraaf 2.6 nader op in.

27

In de beeldvorming over steekincidenten, zeker wanneer deze in de media worden gekoppeld aan drill, lijkt het impliciete vertrekpunt dat het zou gaan om (jonge)mannen. In 2020 deden er zich in Rotterdam echter twee steekincidenten voor die illustreren dat deze vorm van geweld niet exclusief een mannelijke aangelegenheid betreft. In juli 2020 steekt een 17-jarig meisje uit Vlaardingen een 14-jarige jongen neer aan de West-Kruiskade in Rotterdam-Centrum (Van Vliet, 2020). Een maand later overlijdt een 15-jarig meisje uit Rotterdam nadat zij in een woning aan de Mathenesserdijk is neergestoken. De politie hield een 16-jarig meisje aan (Oosterom, 2020). In de door ons bestudeerde politieregistraties treffen we ook voorbeelden aan van steekincidenten waarbij meisjes als verdachte worden aangemerkt. Het gaat in totaal om 12 registraties die eerlijk zijn verdeeld over 2018 en 2019. Ook hier dient opgemerkt te worden dat deze meisjes verdachten zijn en dat dit niet altijd hoeft te betekenen dat zij ook daadwerkelijk de pleger van het steekincident zijn. Uit de door ons bestudeerde registraties blijkt echter dat in negen van de twaalf registraties over 2018 en 2019 het meisje wel degelijk verdacht wordt van het steekincident.

Het jongste meisjes uit deze registraties is geboren in 2005 en komt als verdachte naar voren in een registratie uit 2019 over een ruzie tussen twee meisjes over een voormalige liefdesrelatie die een van hen met een jongen zou hebben onderhouden. In andere registraties waarin meisjes als verdachte naar voren komen, zien we eveneens dat er aan het steekincident een ruzie met een ander meisje of een jongen is voorafgegaan. In de resterende gevallen lijkt er sprake te zijn van een conflict in de huiselijke of relationele sfeer. Deze informatie over de aanleiding van de steekincidenten van de registraties waar meisjes bij betrokken zijn, roept de vraag op wat er valt te zeggen over de achtergronden van de overige door ons bestudeerde politieregistraties.

2.3

Aanleiding steekincidenten op basis van politieregistraties

Voordat we ingaan op de vraag of er op basis van de politieregistraties iets valt te zeggen over de relatie tussen de geregistreerde steekincidenten en de opkomst van drill, geven we een algemeen overzicht van wat er op basis van de door ons bestudeerde politieregistraties kan worden gezegd over de aanleiding of achtergronden van de steekincidenten. In de rapportage van de DRIO wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde LOODS-model waarin bekeken wordt wat de rol is van Locatie, Object, Omstandigheden, Daders en Slachtoffers (DRIO, 2020: 11). Onder de Omstandigheden wordt aandacht besteed aan de vermeende motieven van de verdachten, waarbij onder andere een onderscheid wordt aangebracht naar diverse motieven als beroving, jaloezie en ruzie. Als meest voorkomende motief in het DRIOonderzoek wordt voor 2018 en 2019 gewezen op ‘rivaliteit/ruzie’: 9 incidenten in 2018 en 23 in 2019. Dit wordt door de onderzoekers vervolgens gespecificeerd naar ‘ruzies in de relationele sfeer’ (1 geval in 2018 en 2 in 2019), ‘ruzie om geld’ (geen gevallen in 2018 en 2 in 2019) en, ten slotte, de categorie ‘ruzie overig’ (8 incidenten in 2018 en 19 in 2019).

28

Ondanks dat dit een bruikbare manier is om een eerste beeld te verkrijgen van de mogelijke aanleiding(en), geeft het bovenstaande overzicht nog weinig zicht op wat er nu feitelijk ten grondslag lag aan het steekincident. De brede categorie ‘ruzie/ rivaliteit’ zou immers kunnen verwijzen naar een conflict tussen (jeugd)groepen, maar ook tussen buurten of wijken. Ook de subcategorie ‘ruzie overig’ biedt in dit opzicht weinig verduidelijking. Om deze reden hebben wij ervoor gekozen om tot een andere, meer inductieve indeling van de 56 politieregistraties te komen. Direct werden wij daarbij geconfronteerd met de moeilijkheden die inherent zijn aan het gebruik van politieregistraties voor wetenschappelijk onderzoek (zie, onder andere, Elffers en Bruinsma, 2005). Deze politieregistraties zijn immers vooral afhankelijk van wat er door de politie wordt geregistreerd, wat verdachten, slachtoffers en anderen betrokkenen over het incident loslaten en welke informatie er tijdens het onderzoek door de politie nog meer kan worden verzameld. In de door ons bestudeerde registraties viel er op dit vlak nogal een verschil waar te nemen tussen de politieregistraties, waardoor het soms lastig was om te achterhalen wat nu de exacte aanleiding was van het steekincident. We zien dit bijvoorbeeld in een registratie uit 2018.

Een man, die in eerste instantie wordt aangemerkt als slachtoffer, verklaart ’s nachts in Rotterdam gestoken te zijn nadat hem op straat drugs te koop werden aangeboden. Een van de verdachten verklaart echter dat het slachtoffer met een mes liep en hem wilde steken. Het initiële slachtoffer wordt daarop aangehouden wegens bedreiging. Over de achtergronden van het steekincident kon echter op basis van deze registratie niets worden gezegd. In een registratie uit 2019 zien we aan andere reden waarom niet direct duidelijk wordt wat de aanleiding van een steekincident is. Een moeder doet in deze registratie aangifte omdat haar zoon is gestoken. Haar zoon laat echter niets los over het voorval, ook niet tegen zijn moeder die beschrijft het verhaal van het voorval uit hem te moeten trekken. Ze beschrijft tevens dat ze het gevoel kreeg dat haar zoon iemand wilde beschermen. Doordat het slachtoffer in dit geval niet bereid is om zijn medewerking te verlenen, wordt niet duidelijk wat er precies aan het steekincident is voorafgegaan. Door deze beperkingen moeten we enige voorzichtigheid betrachten in wat de aanleiding of achtergronden van de steekincidenten in de door ons bestudeerde registraties waren.

Het handmatig doorlopen van alle 56 politieregistraties resulteerde in een meer inductieve onderverdeling, waarbij we een onderscheid maken tussen registraties waaruit blijkt dat er sprake was van een eerder conflict tussen de dader en het slachtoffer (32,1%), registraties waar het steekincident een resultaat was van een woordenwisseling of interactie tussen onbekenden (25%), registraties over ruzies in de relationele sfeer (19,6%), registraties waarin sprake lijkt van een ruzie in de criminele sfeer (12,5%) en, ten slotte, een restcategorie met overige registraties (10,7%). Ook deze indeling is niet zaligmakend en is primair ingegeven door de informatie die is opgenomen in de registraties, met alle beperkingen van dien. Belangrijk om hierbij op te merken is dat deze categorieën dus niet per definitie een weerspiegeling vormen van wat er zich feitelijk tussen dader(s) en slachtoffer(s) heeft

29

afgespeeld, maar dat deze indeling primair is gebaseerd op wat daders, slachtoffers of andere betrokkenen over dit steekincident hebben verklaard in aangiftes of verhoren. In 18 van de 56 gevallen (32,1%) blijkt uit de registratie dat dader(s) en slachtoffer(s) elkaar al langer kennen en dat er aan het steekincident ook al een korte ruzie of een langer conflict lijkt te zijn voorafgegaan. Hierbij valt te denken aan een jongeman die enigszins bij toeval op straat een andere jongeman treft die verwikkeld is een conflict met zijn nichtje en verhaal gaat halen. We zien in de registraties ook voorbeelden van jongeren die al wat langer verwikkeld lijken in een conflict en via social media of WhatsApp afspreken om elkaar ergens in het Rotterdamse te treffen. Soms gaat het hierbij om individuele conflicten, maar we zien ook registraties waarbij meerdere verdachten en slachtoffers betrokken zijn, een punt dat ook gemaakt wordt door DRIO (2020: 14) en waar we in het verloop van dit hoofdstuk nog op terug zullen komen. Hiernaast zien we dat uit 14 van de 56 door ons bestudeerde politieregistraties (25%) naar voren komt dat een steekincident vrijwel direct volgt op een interactie of woordenwisseling tussen twee of meerdere onbekenden.

In deze categorie scharen we, met andere woorden, politieregistraties waaruit uit niets valt af te leiden dat de verdachte(n) en slachtoffer(s) elkaar kenden. We zien dit in een aantal aangiftes in de registraties bijvoorbeeld terug in de beschrijving dat de aanleiding van het uiteindelijke steekincident kan worden teruggevoerd tot de opmerking: “Wat kijk je?”.14 Een ander voorbeeld hiervan vormt een ruzie op een metrostation, nadat een jongeman samen met het slachtoffer meeliep om zonder te betalen op het station te komen. Nadat het slachtoffer hem hierop aansprak kwam het tot een woordenwisseling en stak de dader het slachtoffer, die uiteindelijk zou komen te overlijden, neer. In deze politieregistraties springt in het oog dat de betrokkenen – soms de verdachte en soms ook het slachtoffer – in de publieke ruimte van de stad een steekwapen bij zich dragen en vervolgens ook bereid zijn om dit gebruiken om het conflict te beslechten. Slechts in één van de door ons bestudeerde registratie krijgen we zicht op deze overwegingen, omdat de verdachte hierover tijdens een verhoor het volgende verklaart: V: Waarom droeg jij een mes bij je? A: Ik werk tot en met 3 uur s' nachts. Ik wil me een beetje veilig voelen. Ik hoor verhalen dat jongens uit [Wijk X uit Rotterdam-Zuid] je zomaar komen beroven. Niet om te steken maar om me veilig te voelen.

(Registratie #10) Op basis van de overige registraties kan geen inzicht worden verkregen in de beweegredenen van jongeren om zich met een mes te bewapenen. In enkele mediaberichten wordt, vergelijkbaar met de verklaring van de bovenstaande verdachte, ook gewezen op het

14 We herkennen hierin de Nederlandse vertaling van wat Katz (1988: 110-112) beschrijft als “Whachulookinat?” als

startpunt van conflicten.

30

dragen van (steek)wapens door jongeren om zich veilig te voelen. Zo verklaart een jongeman uit Rotterdam-Zuid in een interview met Trouw: “Jonge gasten kunnen het idee krijgen dat iedereen met een mes rondloopt. Ze willen zichzelf verdedigen en gaan ook met een mes lopen.” (Dujardin, 2020). In een enquête die door ons via het Online Jongerenwerk van JOZ is uitgezet, hebben we een deel van de Rotterdamse jongeren hier naar gevraagd. Allereerst legden we hen de stelling voor “In mijn buurt moet je een mes bij je hebben voor je veiligheid”. Van de 232 reacties antwoordde 81% met nee en 19% met ja. De tweede stelling over het dragen van wapens luidde: “ik snap mensen die een mes bij zich dragen”. In de 260 reacties op deze stelling zagen we ook dat het overgrote deel deze vraag met nee beantwoordde (76%). Ongeveer een kwart van de jongeren (24%) antwoordde met ja op deze stelling. Ondanks de beperkingen van deze online enquête via Instagram geven de resultaten zicht op dat lang niet alle Rotterdamse jongeren een wapen bij zich dragen om zich veilig te voelen. De derde categorie in de politieregistraties hebben we getypeerd als ruzies in de relationele sfeer. Het gaat hier om 11 van de 56 registraties (19,6%).

Een deel van deze registraties kan worden getypeerd als geweld in de privésfeer, waarbij we zien dat dader en slachtoffer elkaar al langere tijd kenden en er sprake was van (voormalige) romantische relaties tussen beiden of van een familierelatie. In deze registraties vinden we voorbeelden van ex-geliefden waarvan de man of de vrouw na een langer patroon van mishandeling op de ander insteekt, maar ook ruzies tussen familieleden die uit de hand lopen. De vierde categorie bestaat uit registraties waarin vooral veel onduidelijkheid lijkt te bestaan over de achtergronden van het steekincident. In deze registraties wordt door de politie zelf opgeworpen dat het incident iets te maken zou kunnen hebben met criminele activiteiten waarbij de dader(s) of slachtoffer(s) betrokken zouden zijn. We zien dit terug in een registratie over een steekincident dat het product lijkt van een ruzie over een gokschuld, maar waarin te lezen valt dat de politie het vermoeden heeft dat het gebruikte geweld een manier is om het slachtoffer te bewegen om criminele activiteiten te plegen. In een andere registratie komt het tussen een aantal (jonge)mannen op straat tot een handgemeen en wordt een van hen gestoken.

Wanneer er gevraagd wordt naar de aanleiding van het handgemeen, geeft het slachtoffer aan niets over de aard van het conflict te willen verklaren, anders dan dat de verdachte hem nog een zekere som geld verschuldigd was. In totaal gaat het om 7 van de 56 registraties (12,5%). De laatste reeks registraties bestaat uit een zestal gevallen (10,7%) die niet vielen onder te brengen onder de bovenstaande categorieën. Hierbij valt te denken aan de jongeman die zijn kamergenoot met 27 messteken om het leven bracht, een leerling die een leerkracht neerstak en een begeleider werkzaam bij het Leger Des Heils die werd neergestoken door iemand uit de opvang.

31

2.4

De relatie tussen steekincidenten en drill op basis van registraties

Een van de centrale vragen die we op basis van onze analyse van de politieregistraties willen beantwoorden is in hoeverre er bij deze incidenten een relatie bestaat met drill. Ook in de rapportage van DRIO wordt hier aandacht aan besteed. Op basis van hun analyse komen de onderzoekers tot de volgende conclusie ten aanzien van de link tussen drill en steekincidenten in Rotterdam: “Hoewel drillmuziek in de eenheid Rotterdam wel zichtbaar is, kan het vaak nog niet worden gelinkt aan de steekincidenten die in de eenheid plaatsvinden” (DRIO, 2020: 5). In door hen bestudeerde incidenten wordt er nauwelijks een relatie gezien tussen drill en steekincidenten en blijft dit beperkt “tot het gegeven dat een bekende drillrapper als betrokkene naar voren komt of dat de betrokkene bekend is met de muziek” (DRIO, 2020: 5). Een vergelijkbaar beeld rijst op basis van de analyse van de 56 politieregistraties in het onderhavige onderzoek. In het restant van deze paragraaf geven we een beeld van de vijf registraties waarin drill op een of andere manier een rol lijkt te spelen. De meest duidelijke link die valt te leggen tussen drill en een steekincident zien we in een registratie waarin een van de betrokkenen – zoals blijkt uit aanvullende bronnen15 – een landelijk bekende driller is. Hij komt in deze politieregistratie niet als dader in beeld, maar als slachtoffer.

Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat hij zelf geen aangifte doet, maar dit door iemand uit zijn familie wordt gedaan. Dit familielid had een video onder ogen gekregen waarin te zien is hoe de driller door een jongen met een mes achterna wordt gezeten. Over deze casus circuleert de nodige informatie op social media, inclusief de video waar in de registratie naar wordt verwezen. In het bijzonder roept dit geval, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen laten zien, op social media de nodige discussie op over de vraag of de driller zich in dit geval al dan niet schuldig heeft gemaakt aan snitchen, een praktijk die nadrukkelijk zou breken met de zwijgplicht die op zowel de fysieke als de digitale straat wordt gecommuniceerd (Roks en Van den Broek, 2017: 45). De grootste categorie die we in de vorige paragraaf benoemden, betreft steekincidenten die het gevolg zijn van een ruzie of al langer lopend conflict. In deze 18 politieregistraties vinden we geen informatie waaruit kan worden afgeleid dat het hier gaat om conflicten die zich afspelen tussen drillers of tussen rivaliserende drillgroepen. Hiermee is niet direct gezegd dat er geen conflict tussen drillers aan vooraf zou zijn gegaan: het blijkt alleen niet uit de registratie. Dit komt doordat hier geen nadere informatie over werd gekregen, maar ook omdat hier niet naar gevraagd werd tijdens het verhoor.

Afgaande op de door ons bestudeerde registraties lijkt er bovendien voor verhoorders of rechercheurs geen (directe) noodzaak om een mogelijke link tussen het steekincident en drillmuziek nader uit te diepen, omdat dit in de context van de aanleiding van het incident niet relevant lijkt. Wel komen we in de door ons bestudeerde zaken twee voorbeelden tegen waaruit doorschemert dat de betrokkenen vermoeden dat de drillmuziek – in de volle breedte – een 15

Op basis van enkel de politieregistratie valt niet op te maken dat deze betrokkene zich bezighoudt met drill.

32

rol kan hebben gespeeld bij een specifiek steekincident, zoals uit de volgende passages uit een verhoor blijkt: V: Je gaf net aan dat je wel beïnvloed wordt door die drill? A: Als ik die drill luister dan kom het wel in mij op om messen te dragen. Ik doe het niet, maar sinds die drill heb ik het wel meer. (Registratie #55) Deze registratie had betrekking op een groepsconflict tussen jongeren en een vechtpartij op straat die hier het gevolg van was. Bovendien leek er sprake van een zekere (online) strijd tussen een tweetal Rotterdamse wijken en ruzies over verschillende drillgroepen uit Rotterdam: V: Waar heeft ie dan ruzie over? A: Vaak drill muziek. Uit de wijken. Vaak daarover. V: Wat is drill muziek? A: Dat is muziek waar jongens met messen zwaaien. V: Luister je daar ook naar? A: Nee. V: Welke rapper heb je in Bloemhof? A: Petje. En Blacka in IJsselmonde. V: En wat vind je van drill rap? A: Sommige wel leuk. V: En waarom denk je dat [naam verdachte] problemen maakt? A: Ik zag vaak in die Rotterdam app dat [naam verdachte] ruzie maakt. V: En waar heeft ie dan ruzie over? A: Gewoon ruzie over die drill muziek. Wat over de wijk gaat.

(Registratie #55) Deze passage geeft weer dat drill een onderwerp is waar jongeren met elkaar over praten en soms ook ruzie over maken, maar op basis van deze registratie kan niet gesteld worden dat het steekincident ook het product is van deze ruzies over drill of tussen rivaliserende drillgroepen. In het tweede voorbeeld hint een betrokkene bij een steekincident van middelbare leeftijd op de invloed die drill zou hebben gehad op de jongens waarmee hij ruzie kreeg: Ik weet dat er in de jongeren cultuur tegenwoordig veel Drill wordt geluisterd. Dit is een muziekgenre in Engeland waarin veel over steekpartijen wordt gezongen. Het is hele slechte shit. Het is rap, het neersteken van mensen wordt daarin verheerlijkt. Ze waren uit op het ondernemen van agressieve activiteiten. (Registratie #37) Een laatste link die gelegd kan worden tussen drill en de registraties over steekincidenten is nog indirecter dan de voorgaande voorbeelden. In een registratie over een ruzie en een steekincident op een school maakt de persoon die aangifte doet een verwijzing naar drillvideo’s om een beschrijving te geven van het soort mes dat gebruikt zou zijn tijdens het

33

steekincident: “Ik noem het een half lang mes. Je ziet die messen nu veel in die drill video's.” (Registratie #54). Vergelijkbare voorbeelden zien we in enkele andere registraties, waarbij door de betrokkenen gebruik wordt gemaakt van de specifieke slang die in verband gebracht kan worden met UK drill, zoals het woord shank: V: Wat is een shank? A: Drillrapps, een mes. Daar luister ik verder niet echt naar. V: Ken je mensen die een mes hebben? A: Nee. V: Heb jij ook een mes? A: Nee, alleen in de keuken voor mijn broodje. (Registratie #55) In deze zelfde registratie viel te lezen dat ook in een WhatsApp-gesprek tussen verdachten de term shank werd gebruikt. We zien dit ook terug in een registratie waar enkel meisjes bij betrokken zijn. Het slachtoffer verklaart namelijk: “ik hoorde dat [naam verdachte] op enig moment zei dat ze mij kon ‘shanken’, dit betekent steken” (Registratie #11). Het gebruik van het woord shanken zien we ook terug in de volgende afgetapte conversatie in een andere registratie: Wanneer ik buiten ben, ik ga [naam slachtoffer] 1 binnen met buitenkant geven en ik ga hem steken ook broer ik zeg gewoon eerlijk! Gewoon ik heb gewoon schijt broer! Wanneer ik buiten ben ik chef hem kankerhard in zijn been broer! Ik ga gewoon naar [straatnaam Rotterdamse wijk], ik ga effe gewoon die shank halen daar zo, ik kom...

ik ga gewoon precies zo zeggen; ik heb die shank gewoon, ik zet die gelijk. (Registratie #54) Naast de term shanken, zien we dat hier tevens gebruikt wordt gemaakt van het UK slangsynoniem cheffen. Deze passages illustreren dat sommige Rotterdamse jongeren bekend zijn met deze termen die van oorsprong afkomstig zijn uit de UK drill, maar die ook, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen laten zien, veelvuldig terugkomen in drill uit Nederland en Rotterdam. De link met drill, voor zover daarover in dit verband mag worden gesproken, beperkt zich in deze gevallen tot jongeren die gebruik maken van de symbolen die onderdeel uitmaken van de (mondiale) drillcultuur.

2.5

Rivaliserende Rotterdamse buurten of wijken

In de door ons bestudeerde politieregistraties valt de relatie met drill niet – of in een beperkt aantal gevallen slechts nauwelijks – te leggen. Wel geven een aantal registraties zicht op een breder onderwerp dat ook in de context van het onderhavige onderzoek relevant is: ruzies of conflicten tussen groepen. In de DRIO-rapportage wordt opgemerkt dat er sprake lijkt te zijn van een toename in incidenten waar meerdere dader(s) en slachtoffer(s) bij betrokken zijn en waar sprake lijkt van een zekere groepsdynamiek (DRIO, 2020: 14). In zeven gevallen van de

34

in totaal 69 incidenten is er in de analyse van de DRIO sprake van een jeugdgroep of problematiek die daaraan kan worden gerelateerd. Volgens de onderzoekers (2020: 14) heeft dit “vooral te maken gehad met rivaliteitskwesties waarin namen van bekende jeugdgroepen als [naam jeugdgroep A] en [naam jeugdgroep B] worden genoemd, maar ook wordt gerefereerd aan [naam jeugdgroep C] en [naam Rotterdamse wijk].” Ook in de door ons bestudeerde registraties komen we voorbeelden tegen van rivaliteiten tussen (jeugd)groepen, buurten of wijken, al valt er op basis van de informatie in de registraties lang niet altijd een goed en volledig beeld te geven van wat er zich nu tussen deze groepen, buurten of wijken heeft afgespeeld. In belangrijke mate komt dit doordat jongeren daar niet of maar in heel beperkte mate over (willen) verklaren. Een enkele keer wordt dit wel duidelijk, zoals in een registratie over een ruzie tussen jongens die online begint – iets waar we in de volgende paragraaf nog op terug zullen komen – en vervolgens resulteert in een steekincident. Het slachtoffer verklaart hierover het volgende: Volgens mij mag [naam verdachte] mij niet, omdat ik van [naam wijk X in RotterdamZuid] kom en hij van [naam wijk Y in Rotterdam-Zuid]. Dat had [naam verdachte] al 'gezegd', dat hij van [naam wijk Y in Rotterdam-Zuid] was.

(Registratie #55) Ook in een andere registratie lijkt er sprake te zijn van een rivaliteit tussen twee wijken, in dit geval in Rotterdam-Zuid. V: Wat weet je nog meer over die jeugdgroepen? A: Het is eigenlijk [wijk A uit Rotterdam-Zuid] tegen [wijk B uit Rotterdam-Zuid]. Die andere wijken bemoeien er zich niet mee. Ik ken die jongens van [wijk A uit RotterdamZuid] en [wijk B uit Rotterdam-Zuid]. Er was pas geleden, twee maanden geleden, ook iets bij de kermis gebeurd. Die jongens van [wijk A uit Rotterdam-Zuid] hadden toen iemand van [wijk B uit Rotterdam-Zuid] gepakt. Ik weet niet wie dit is geweest. Ik hoorde dat die jongen van [wijk B uit Rotterdam-Zuid] stoer deed via Snapchat. Daarom hadden ze hem gepakt. (Registratie #51) In een andere registratie lijkt eveneens verwezen te worden naar hetzelfde conflict tussen twee buurten. Deze registratie draait om een steekincident waarbij een jongen in zijn rug is gestoken en de volgende verklaring aflegt tijdens de aangifte: Ik ben best wel bang nu. Ik weet niet wie die jongens zijn en als ik weer buiten kom en stel dat ze mij weer zien, dan weet ik niet of ze het weer gaan doen. Ik blijf nu bij mijn moeder en misschien ga ik na 2 weken naar een tante van mij buiten Rotterdam, om daar te gaan wonen. Ik wil u nog zeggen dat ik geen ruzie heb met iemand. Ik ga ook niet vaak om met de jongens van deze wijk.

Ik ken sommige jongens van de wijk wel van gezicht en groet ze ook en dat is alles. Verder ga ik niet met ze om. Ik heb wel via via gehoord dat er een ruzie is tussen [wijk A uit Rotterdam-Zuid] en [wijk B uit

35

Rotterdam-Zuid]. Ik weet niet waar deze ruzie over gaat of wie met wie ruzie heeft. Ik vraag liever niet door, want ik wil me er niet mee bemoeien.” (Registratie #53). Van het steekincident in deze registratie bestaat het vermoeden dat dit de nasleep is van een conflict tussen groepen dat ook in de periferie van andere registraties een rol van betekenis lijkt te spelen. Ook een van de verdachten in deze zaak wijst erop dat dit conflict niet van recente datum is: A: Dit speelt al langer. Ik probeer mij er ook buiten te houden. Omdat zij denken dat ik bij [wijk B uit Rotterdam-Zuid] hoor. Als ik één dag in [wijk A uit Rotterdam-Zuid] zou lopen dan denken ze dat ik bij de groep van [wijk A uit Rotterdam-Zuid] hoor. Mijn moeder en vader wonen in [wijk B uit Rotterdam-Zuid] en ik woon in [wijk A uit Rotterdam-Zuid], op kamertraining. Daarom wordt er door beide groepen gedacht dat ik bij de andere groep hoor. (Registratie #53) De jongeman beschrijft hier te worden beschouwd als iemand uit de ene wijk, terwijl dit naar zijn idee onterecht is. Dat we hier te maken hebben met een langer conflict blijkt uit informatie uit de registratie waaruit naar voren komt dat partners in de integrale veiligheidsketen aangeven bekend te zijn met het conflict en ook met de jongeren die betrokken zijn bij dit conflict. Uiteindelijk resulteert dit conflict in een vechtpartij en een steekincident.

2.6

De rol van social media

Het laatste onderwerp dat in de context van deze studie de moeite waard is om nader te belichten is de rol van social media in de door ons bestudeerde politieregistraties. In de DRIO-rapportage (2020: 15) wordt beschreven dat in 38% van de door hen bekeken zaken het gebruik van social media kan worden waargenomen. Daarbij benoemen de onderzoekers dat de rol bij steekincidenten heel divers is: berichten die online worden geplaatst om een stoer of gevaarlijk imago te communiceren, ruzies die online beginnen, maar ook bedreigingen die online worden verspreid voorafgaand aan en na afloop van steekincidenten (DRIO, 2020: 14). In de door ons bestudeerde politieregistraties zien we de rol van social media in een aantal gevallen ook duidelijk naar voren komen. Ook in dit geval kan echter niet gezegd worden dat dit in de andere registraties geen rol heeft gespeeld, maar meer dat dit niet uit de aangifte, het verhoor of andere door de politie verkregen informatie is gebleken. In een aantal registraties zien we dat jongeren zelf verklaren over de rol van social media. Zij vertellen dan bijvoorbeeld over ruzies die op social media begonnen of waarbij gebruikt werd gemaakt van social media om af te spreken om offline gevolg te geven aan het conflict.

In een van de registraties (#55) zien we bijvoorbeeld hoe het slachtoffer van een steekincident beschrijft dat hij via Snapchat en Instagram een afspraak had gemaakt met een andere jongen om te

36

vechten. We lezen dit eveneens terug in de volgende, uitgebreidere passage uit een andere registratie: Gisteravond had ik omstreeks 21:00 uur ruzie over de Snapchat met een jongen [naam verdachte]. Ik weet verder niets van [naam verdachte], geen achternaam of waar hij woont. Ik ken hem alleen vanuit wijk D te Rotterdam en van Snapchat. Wij hadden ruzie over de Snapchat wat over een meisje ging. Ik vind dat [naam verdachte] veel meisjes gebruikt. [Naam verdachte] ging nu om met een meisje. Ik ken haar een beetje, maar zou graag vrienden met haar willen zijn. Ik wilde dat [naam verdachte] haar zou blokkeren en verwijderen uit Snapchat. Normaal praat ik eigenlijk niet met [naam verdachte]. Ik denk dat ik hem een paar maanden geleden voor het laatst heb gezien. Toen hadden we elkaar alleen gegroet. We hadden gisteravond dus ruzie over de Snapchat. We hadden grote woorden naar elkaar en scholden elkaar uit. [Naam verdachte] schreef op Snapchat "Kom naar [locatie]. Kom alleen". (Registratie 22) In het geval van deze registratie loopt de fysieke ontmoeting vrijwel direct uit de hand en resulteert dit in een steekincident. Bij een ander incident (registraties #15 en #16) ziet het uiteindelijke slachtoffer op social media dat iemand waar hij ruzie mee heeft verblijft in een hotel in het centrum van Rotterdam.

Hij begeeft zich naar deze locatie en communiceert via social media dat de jongeman in kwestie naar buiten moet komen. Deze komt naar buiten, de betrokkenen raken verwikkeld in een gevecht en het slachtoffer wordt gestoken. In een tweetal registraties over afzonderlijke steekincidenten (registraties #1 en #11) zien we dat jongeren ruziemaken in een WhatsAppgroep, zoals blijkt uit de volgende informatie over een van deze registraties waar enkel meisjes bij betrokken waren: V: Op zondag is groepsapp aangemaakt op Whatsapp door X, daar in is ook jouw nummer toegevoegd. Daarin wordt ruzie gemaakt via Whatsapp door meerdere meiden. Daarin zou jij gezegd hebben: 'Ik ga me tijd niet verdoen op internet jullie kunnen komen.' Wat bedoelde je daarmee? A: Ik heb niet in de groepsapp gezeten. V: Tevens zou je gezegd hebben: 'jullie zijn kkr zielige Netherlanders die niks te doen hebben kom in het echt' Wat bedoel je daarmee? A: Ik heb helemaal niet in een groepsapp gezeten (Registratie #11) Ook in een andere registratie (#1) wordt gesproken over een groepsapp die zou zijn aangemaakt door verschillende jongeren, in dit geval niet enkel meisjes, en blijkt een digitale ruzie uiteindelijk de opmaat voor een steekincident op de fysieke straat. Ten slotte worden er in de politieregistraties een aantal voorbeelden gegeven waarbij social media door de betrokkenen na het incident gebruikt wordt.

Allereerst zien we hierbij het eerdergenoemde voorbeeld van de video-opname van de Rotterdamse driller die achterna werd gezeten door een jongen met een mes. Deze video kwam via social media terecht bij

37

een familielid van de betrokkene, maar circuleert nog steeds op het internet. Naast dit concrete incident dat werd gefilmd en gedeeld, zien we in de door ons bestudeerde registraties ook een voorbeeld van beeldmateriaal van andere gewelddadige incidenten die via social media worden verspreid, zoals naar voren komt in een passage uit het volgende verhoor: V: Ik zag op Snap ook een foto van het slachtoffer op straat met de verwonding op zijn rug met daarbij de tekst. EINDSTAND [Naam groep] WINNENDE TEAM. A: Ja, ik had die foto in een groep gehad en vervolgens doorgestuurd. V: Maar daar staat weer bij [Naam groep] winnende team. Wat wordt daar mee bedoeld? A: Ik weet niet. Ik denk dat die jongens gewoon zeggen. Wij staan voor ofzo. Maar we zijn geen team ofzo. (Registratie #55) Dit voorbeeld geeft zicht op de manier waarop jongeren gewelddadige incidenten opnemen en verspreiden via social media, een onderwerp waar we in de komende hoofdstukken nog uitgebreider op in zullen gaan. Hiernaast zien we in een tweetal registraties ook hoe de betrokkenen gebruikmaken van digitale communicatiemiddelen om slachtoffers te bewegen hun aangifte in te trekken, veelal door te dreigen met geweld. We zien dit bijvoorbeeld terug in de volgende zin die via WhatsApp werd verstuurd: “Leuke shop waar je werkt mattie trek die aangifte in we weten waar je woont bang bang” (Registratie #45).

In een andere registratie zien we een vergelijkbaar dreigement, zij het wat minder direct en ditmaal geuit via social media: V: Ook duikt er een filmpje op met [naam verdachte] en [naam verdachte] op de Snapchat van [naam verdachte]. Dit filmpje eindigt met de tekst: Kom geen verhaal halen, weet niks van die dingen bradda? Wat wordt hiermee bedoeld? A: Heb ik niet gezien en weet ik niets van af. Ik weet ook niet wie [naam verdachte] is. Die [naam verdachte], dat ben ik in ieder geval niet. V: Ook stond op de Snapchat van [naam verdachte]: “Ik hoor dingen, dan doen ze onderzoek, ik ga parra worden, en die mannen die kanker getuige weten het, je zien hun namen en adrrs gewoon staan als je die dossier krijg?” Wat kun je hierover verklaren? A: Ook dat heb ik nooit gezien (Registratie #56) Bovenstaande passage geeft zicht op de manier waarop jongeren via social media informatie over lopende (straf)zaken delen, bijvoorbeeld door foto’s te maken van delen van verhoren of andere informatie uit politiedossiers. Hoe dergelijke informatie vervolgens gebruikt wordt in de context van conflicten tussen jongeren, in het bijzonder tussen drillers, lichten we in de volgende hoofdstukken nader toe.

38

2.7

Conclusie

In dit hoofdstuk stonden de geregistreerde steekincidenten in Rotterdam in het jaar 2018 en 2019 centraal. We zijn echter begonnen met het geven van een beeld van de cijfermatige ontwikkelingen op het gebied van steekincidenten onder jongeren, zowel op landelijk niveau als in Rotterdam. Alhoewel de in de media gecommuniceerde cijfers lijken te wijzen op een (lichte) stijging van het aantal steekincidenten onder jongeren in de afgelopen jaren, is enig voorbehoud op zijn plaats vanwege de afwezigheid van een eenduidige manier van registreren van steekincidenten in de politiesystemen en de verschillende zoekopdrachten die aan de basis liggen van de uiteindelijk geproduceerde en gepubliceerde cijfers. Deze achterliggende registratieproblemen staan het doen van harde uitspraken over de cijfermatige ontwikkeling van steekincidenten in de weg. Met enige voorzichtigheid kan echter wel gesteld worden dat er zowel op landelijk niveau als in Rotterdam sprake is van een (lichte) toename van het aantal steekincidenten onder minderjarige jongeren. Ook op basis van de door ons bestudeerde 56 politieregistraties van steekincidenten is het om bovengenoemde redenen niet mogelijk iets te zeggen over een trend, te meer omdat wij ons beperkt hebben tot registraties uit het jaar 2018 en 2019.

Een opmerkelijke constatering is de aanwezigheid van meisjes die als verdachten van steekincidenten in beeld komen. Ondanks dat de jongens en jongemannen nog steeds het merendeel van de registraties voor hun rekening nemen, is de betrokkenheid van meisjes bij steekincidenten noemenswaardig – ook in de context van maatschappelijke discussies over het geweld onder drillers – en verdient deze meer (wetenschappelijke) aandacht. De voornaamste reden om de 56 politieregistraties aan een nadere analyse te onderwerpen was om meer zicht te krijgen op de rol van drill. Onze analyse maakt allereerst duidelijk dat er, zoals eerder bleek uit een onderzoek van de DRIO (DRIO, 2020), geen sprake is van een link tussen drill en de specifieke steekincidenten in de door ons bestudeerde registraties. In het merendeel van de registraties gaat het om al langer lopende conflicten tussen individuen, interacties op straat die uit de hand lopen en ruzies in de relationele of huiselijke sfeer. Uit deze registraties blijkt op geen enkele wijze dat de dader(s) of slachtoffer(s) actief waren als driller, dat het conflict een product was van een beef tussen drillers of dat de betrokkenen op enige wijze beïnvloed zijn door of bekend zijn met drill.

Voor de registraties waarin tijdens het onderzoek door de politie wel het vermoeden rees dat drill relevant was om de totstandkoming van het steekincident te begrijpen of te kunnen duiden, zien we echter eveneens dat de invloed van drill beperkt blijft. De registratie waar de meest duidelijke relatie tussen drill en messengeweld valt te leggen, is een incident waarbij een van de betrokkenen – op basis van aanvullende bronnen – een bekende Rotterdamse driller is. Uit deze registratie blijkt echter niet dat de aanleiding voor het incident ook verband houdt met drill. Deze meer indirecte relatie zien we ook terug in de andere registraties waar drill als thema naar voren komt. Ook hier blijft de invloed van drill beperkt

39

en ook onduidelijk. In een aantal registraties zien we dat verhoorders de verdachten vragen naar hun bekendheid met drillmuziek, zonder dat daardoor duidelijk wordt of en hoe deze informatie gerelateerd kan worden aan het steekincident. Meer zichtbare voorbeelden blijven beperkt tot een nog indirectere invloed van drill, bijvoorbeeld omdat jongeren in registraties termen gebruiken uit de drillcultuur zoals shank(en). Dit kan het directe gevolg zijn van de populariteit van drill onder jongeren. Het kan echter ook zijn dat de betrokkenen zich hier niet bewust van zijn en het hier slechts gaat om termen die jongeren op de fysieke en digitale straten gebruiken wanneer ze praten over messen of geweld met messen. Op basis van de informatie uit de registraties valt hier niets over te zeggen. Ten slotte wijst de informatie uit de registraties op een laatste thema dat in de context van dit onderzoek relevant is. In het ontstaan en verloop van een aantal incidenten lijken social media een relevante rol te spelen. We zien hierbij dat een conflict of ruzie op social media of in een groepsapp op WhatsApp de voorbode kan zijn van een fysiek steekincident. Daarbij zien we in enkele registraties dat het gaat om een al langer langer conflict tussen groepen jongeren, uit een Rotterdamse buurt of wijk of van een school uit Rotterdam.

Daarnaast zien we voorbeelden van fysieke steekincidenten die voor een deel worden gedigitaliseerd, bijvoorbeeld omdat er foto’s van het incident of passages uit een politieonderzoek of verhoor door jongeren op social media worden verspreid. Tot slot zien we ook voorbeelden van jongeren die social media gebruiken om elkaar in de nasleep van een conflict te bedreigen. In hoofdstuk 5 zullen we aan deze veranderende online-offline dynamiek van geweld onder jongeren nader aandacht besteden. Ons vertrekpunt daarbij is niet het fysieke geweld, maar de communicatie van geweld in muziek en op social media door (Rotterdamse) drillers.

40

H3 | DRILLMUZIEK IN ROTTERDAM In dit hoofdstuk beschrijven we eerst hoe drillmuziek geleidelijk zijn intrede deed in Rotterdam en geven we vervolgens een schets van de spreiding en omvang van drill binnen onze stad.

3.1

Hoe drill neerdaalde langs de Maas

Nadat drill rond 2012 overwaaide naar het Verenigd Koninkrijk, heeft het nog zeker vijf jaar geduurd voordat het subgenre van rap ook in Nederland voet aan de grond kreeg. Deze ontwikkeling verliep geleidelijk. In eerste instantie sijpelden specifieke elementen uit de Britse (en in mindere mate Amerikaanse) drillcultuur de Nederlandse muziek binnen. Allereerst gebeurde dit met de muzikale elementen die drill definiëren. Begin 2016 verscheen met het album Fast van Rotterdamse rapper Jozo de eerste plaat waarop deze invloed merkbaar was. Dit debuutalbum kan qua thematiek – met nummers als ‘Erin Eruit’, ‘Heb Wat Verdiend’ en ‘In de Trap’ – volledig worden geschaard onder het genre trap. De van oorsprong Congolese artiest rapt zijn teksten waarin hij veelvuldig refereert aan verscheidene manieren om op illegale wijze aan geld te komen (“Ik doe echt alles voor buit”) echter over beats die overduidelijk dienen te worden gekwalificeerd als drill, zoals ook de producer van het album zelf betoogt. Na het verschijnen van Fast nam de invloed van UK drill op de Nederlandse scene geleidelijk toe. Steeds vaker rapten artiesten over drillbeats of beats met elementen van drillmuziek, bijvoorbeeld wanneer zij te gast waren bij hiphopplatform 101barz. Bovendien werden Britse drillartiesten uitgenodigd om in Nederland te komen optreden.

Zo stonden de drillers van 67 in 2017 op hiphopfestival Appelsap en waren zij vervolgens ook te gast bij 101barz voor het opnemen van een studiosessie. Niet veel later zagen we ook de meer uiterlijke verschijningsvormen van drill voor het eerst terug binnen muziek van Nederlandse bodem. Begin 2017 verscheen bijvoorbeeld het nummer BOA van Zaanse rapper C-Jay op YouTube, waarin grote groepen jongeren in donkere kleding uitdagend in beeld kwamen en in de teksten uitgebreid werd gedreigd met geweld. Bovendien werden in de clip veelvuldig steek-, vuur- en stroomstootwapens in beeld gebracht. De video werd meteen groot nieuws, nadat vlak na het verschijnen van de clip vier verdachten in de leeftijd van 16 tot 18 werden aangehouden voor het vertonen van deze wapens. Hoewel in de lyrics van het nummer en in de uiterlijke verschijningsvormen overduidelijk elementen van drill vallen te herkennen, doen zowel de muziek als de centrale thematiek van het nummer – de rapper betoogt onophoudelijk dat je hem kunt “bellen of appen” voor het kopen van drugs – toch vooral denken aan trapmuziek.

41

De echte doorbraak van drillmuziek in Nederland lijkt terug te voeren op eind 2017, toen Gaddafii’s16 hit 13 n*ggers in prison op YouTube verscheen. Wie de video zonder geluid afspeelt, waant zich in Londen. In beeld zijn grote groepen dreigende jongeren te zien, gehuld in donkere kleding van merken die we kennen uit zowel de Britse als Nederlandse straatcultuur. De gezichten van vrijwel alle jongens worden verhuld achter bivakmutsen, shawls, capuchons en maskers met angstaanjagende beeltenissen. De jongens gebruiken hun handen om hun eigen buurt te representen, de rechter duidelijk te maken dat hun gedetineerde vrienden op vrije voeten moeten worden gesteld en steek- en vuurwapens uit te beelden. In de handen van een aantal jongeren prijken zelfs echte wapens. Achtereenvolgens

worden

een

ploertendoder,

een

koevoet

en

verschillende

schroevendraaiers in beeld gehouden. Om het criminele imago van de jongens kracht bij te zetten wordt in de video verbeeld hoe iemand vrijkomt uit detentie, hoe een overval wordt gepleegd en hoe contraband de gevangenis in wordt gegooid. Bovendien wordt de enkelband van een van de jongens uitgebreid in beeld gebracht. De portieken en garages waartegen dit hele schouwspel zich afspeelt dienen te voorzien in een geloofwaardige context voor hun performance. Wanneer we het geluid van de videoclip inschakelen blijkt deze performance – in tegenstelling tot eerder bij bijvoorbeeld C-Jay – te worden begeleid door een onheilspellende drillbeat. De teksten die over deze beat galmen, blijken in lijn met wat de jongens met hun dreigende vertoning lijken te willen verbeelden. De titel van de track – die gedurende het nummer veelvuldig wordt herhaald – vormt het centrale thema. Met de zin “13 n*ggers in prison” wekt Gaddafii de indruk dat een groot deel van zijn vriendengroep op het moment achter de tralies verblijft. De overige teksten van het nummer zinspelen op de redenen van deze detentie en kennen opvallende gelijkenissen met de thematiek die we kennen uit Britse drill. Meer specifiek alludeert Gaddafii op de bereidheid tot het gebruik van geweld, met name van zijn vrienden: “het zijn mijn jongens die over jouw graf gaan lopen”.

Over een van zijn maten – door hem zelf aangeduid als ‘A’ – klinkt het: “als A trekt, hij trekt en hij tucht niet”, waarmee hij claimt dat de jongeman in kwestie niet twijfelt om een wapen te trekken en gebruiken. Een van zijn andere vrienden noemt hij ijskoud, waarmee hij eveneens zinspeelt op de bereidheid tot het gebruik van geweld. Over zichzelf rapt Gaddafii dat hij degene die hem dist zonder enige twijfel zal nakken, wat zoveel betekent als iemand gestrekt laten gaan. Naast het suggereren dat hij en zijn vrienden bereid zijn tot het gebruik van geweld, daagt de rapper binnen zijn teksten ook anderen uit. Zoals gebruikelijk binnen drill wordt hierbij expliciet gerefereerd aan personen en gebeurtenissen. Gaddafii provoceert een andere Rotterdamse rapper door claims over criminele activiteiten van laatstgenoemde in twijfel te 16

Op 6 februari 2020 kwam Gaddafii in de eerste aflevering van het NTR-programma Danny op Straat aan het woord over drillmuziek in Nederland. Volgens zijn eigen Instagrampagina zit hij momenteel vast. De rapper spelt zijn naam soms met één en soms met twee i’s, waardoor onduidelijk blijft hoe zijn artiestennaam werkelijk luidt.

42

trekken. Daarnaast stelt hij dat de rapper in kwestie “face to face verlegen [speelt]”, waarmee hij claimt dat deze in real life veel minder stoer blijkt dan zijn (online) performance doet vermoeden. In een van de regels van het nummer daagt Gaddafii anderen expliciet uit: “blijf maar testen tot de laatste druppel”. De Spijkse rapper lijkt hiermee de eerste Nederlandse artiest die muziek uitbracht die zowel qua uiterlijke verschijningsvorm en thematiek als op muzikaal gebied kan worden gekwalificeerd als drill. Nederlandse drill kent hiermee zijn oorsprong onder de rook van Rotterdam. 13 N*ggers in Prison lijkt het startschot van drill in de Nederlandse rapscene te markeren, waarna het genre zich in een razend tempo heeft ontwikkeld.

3.2

Rotterdamse drillrappers

Inmiddels kent Rotterdam een flink aantal drillrappers en drillgroepen. Vrijwel wekelijks verschijnen op verschillende kanalen als YouTube en Instagram nieuwe lokale artiesten. Het volgende overzicht is daarom – zeker door het gemak waarmee jongeren zichzelf kunnen uitroepen tot ‘rapper’ – niet uitputtend en vooral bedoeld om een indruk te geven van de omvang en spreiding van drill in onze stad.

Drillers op de Zuidoever Wie drillmuziek en Rotterdam zegt, komt snel uit bij rappers Qlas (89.000)17 en Blacka (97.000). Het uit IJsselmonde afkomstige duo haalde het afgelopen jaar veelvuldig het nieuws. Hun prominente aanwezigheid komt niet in de laatste plaats voort uit het feit dat zij voor verschillende media fungeerden als boegbeeld voor de opkomst van de ogenschijnlijk gewelddadige drillcultuur in ons land. Screenshots uit videoclips van de rappers worden steevast gebruikt bij artikelen over zorgen omtrent drill en de jongens kwamen in de media zelf uitgebreid aan het woord over hun gewelddadige imago. Wie googelt op ‘Qlas en Blacka’ leest echter vooral over het muzikale succes dat het duo behaalt. De rappers zijn afgelopen jaar definitief doorgebroken met wat door sommigen wordt omschreven als ‘melodische drill’. Zij worden daarom door sommige media – enigszins paradoxaal aan de hiervoor geschetste berichtgeving – omschreven als “artiesten die drillrap in een ‘vriendelijk jasje’ steken”. De nummers waarmee de jongens vanaf eind 2018 in korte tijd mateloos populair werden, zijn echter minder vredig dan deze typering doet vermoeden. Het debuutnummer Mijn Jongens, dat met een half miljoen views op YouTube meteen veel bekijks trok, bevat veel elementen die we kennen uit de Britse drillcultuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9639405/1