Eindrapportage KPMG tarieven Pgb-Jeugd Amsterdam - 20 Dec.pdf
Tekst van het document
Omdat het vergelijken van uurtarieven en maximale wekelijkse bedragen geen zuivere vergelijking is, is Rotterdam voor dit segment buiten beschouwing gelaten.
€ 37,20 € 39,60
30
35
40
€ 46,80
45
€ 53,04
50
55
Spiegelgemeenten
€ 61,61
60
65
Tarief in €
70
75
80
Amsterdam
€ 61,61 € 64,80
€ 53,04 30
35
40
45
50
Spiegelgemeenten
55
60
65
€ 67,60 70
€ 82,35 75
80
85
90
Tarief in €
Dagbehandeling/dagbegeleiding (dagbesteding) in groepsverband
Tarieven aanvullende individuele ondersteuning laagintensief, 2023 (in euro’s)
Amsterdam
Tarieven aanvullende individuele ondersteuning hoogintensief, 2023 (in euro’s)
85
90
Gemeente Amsterdam biedt een pgb aan voor praktische begeleiding in groepsverband (laagintensief) en specialistische behandeling in groepsverband (hoogintensief). Amsterdam biedt dus geen pgb aan voor specialistische begeleiding in groepsverband. Gemeente Den Haag biedt een pgb aan voor zowel dagbesteding (drie categorieën) als dagbegeleiding (twee categorieën). Omdat Amsterdam geen pgb biedt voor specialistische begeleiding in groepsverband, worden voor Den Haag alleen de tarieven voor dagbesteding en het tarief voor lage dagbegeleiding (variant 1) meegenomen in deze analyse. Variant 2 wordt buiten beschouwing gelaten. Ook de gemeente Haarlem biedt een pgb aan voor dagbesteding. Daarnaast biedt zij ook een pgb aan voor behandeling in groepsverband, net als Amsterdam. De tarieven voor zowel dagbesteding als behandeling van de gemeente Haarlem worden in deze analyse meegenomen. Utrecht en Almere gebruiken ook hier een vast tarief voor begeleiding in groepsverband. Gemeente Rotterdam expliciteert geen maximale pgb-weektarieven groepsverband en wordt daarom niet meegenomen in deze vergelijking.
voor
dagbehandeling
in
NB: vergelijkende analyse op basis van aannames categorisering en zonder rekening te houden met huidig beeld toepassing hardheidsclausules. © 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Document Classification: KPMG Confidential
24
2 5
De tarieven specialistische dagbehandeling in groepsverband zijn in Amsterdam vergelijkbaar met andere gemeenten Tarieven dagbehandeling/dagbegeleiding in groepsverband hoogintensief, 2023 (in euro’s)
Categorisering pgb-tarieven dagbehandeling/dagbegeleiding in groepsverband Gemeente
Laagintensief
Amsterdam
Hoogintensief
Praktische begeleiding en ondersteuning
Utrecht
Amsterdam
Spiegelgemeenten
Specialistische behandeling € 50,68
Eén vast tarief begeleiding in groepsverband
€ 74,77
€ 55,35 Haarlem behandeling groep
Variant A
Variant B
Haarlem dagbesteding
Variant A
Variant B
Den Haag dagbegeleiding
Variant 1
Variant 2 (niet meegenomen in vergelijking)
Den Haag dagbesteding
Variant 1
Almere
Variant 2
40
45
50
55
60
65
70
€ 75,77
75
€ 76,70
80
85
€ 95,56 90
95
100
Tarief in €
Variant 3
Alle vier de gemeenten hanteren voor dagbehandeling/begeleiding een tarief per dagdeel. Voor laagintensieve dagbehandeling/begeleiding in groepsverband (zie links) hanteert Den Haag het hoogste tarief van € 91,16. Het tarief van Amsterdam is hier ongeveer de helft minder.
Eén vast tarief; begeleiding in groepsverband
Tarieven dagbehandeling/dagbegeleiding in groepsverband laagintensief, 2023 (in euro’s) Amsterdam
Spiegelgemeenten
Spiegelgemeenten dagbesteding
€ 45,80 € 50,68 € 56,16 € 43,99 € 61,80 € 55,35 40
Spiegelgemeenten dagbesteding
45
50
55
60
65
€ 91,16 70
75
80
Tarief in €
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
85
90
95
100
Voor de hoogintensieve dagbehandeling/begeleiding in groepsverband (zie boven) ligt het tarief van Amsterdam dicht bij de tarieven die Haarlem en Den Haag hanteren voor dagbesteding (respectievelijk € 74,77 en €75,77). Haarlem hanteert in dit geval het hoogste tarief van € 95,56 voor hoogintensieve dagbehandeling. Het lagere tarief voor laagintensieve dagbehandeling/begeleiding in Amsterdam in vergelijking met Den Haag, en voor hoogintensieve dagbehandeling/dagbegeleiding in Amsterdam in vergelijking met Haarlem, kan mogelijk verklaard worden door het feit dat deze gemeenten afzonderlijke tarieven hanteren voor dagbesteding. Mogelijk vallen de lichtere vormen van dagbehandeling en dagbegeleiding door de gemeenten onder dagbesteding en de specialistische/zwaardere vormen van dagbesteding onder de categorie ‘dagbehandeling/begeleiding in groepsverband’. Amsterdam heeft geen aparte categorie dagbesteding; deze valt per definitie al onder de categorie ‘dagbehandeling/dagbegeleiding in groepsverband’.. NB Vergelijkende analyse op basis van aannames categorisering en zonder rekening te houden met huidig beeld toepassing hardheidsclausules. Document Classification: KPMG Confidential
25
2 6
Het tarief voor hoogintensiefverblijf is in Amsterdam gemiddeld € 46 hoger dan in de andere gemeenten Verblijf
Tarieven verblijf laagintensief, 2023 (in euro’s)
Onderstaande tabel geeft weer hoe de vijf gemeenten verblijf categoriseren. Amsterdam houdt drie categorieën aan, evenals Den Haag. Haarlem biedt alleen een pgb voor variant A van verblijf aan (licht). Utrecht en Almere hanteren weer één vast tarief. Rotterdam noemt geen maximaal pgb per week voor verblijf. Het is aannemelijk dat dit onder de categorie ‘overig’ valt voor deze gemeente. Ook hier wordt gerekend met maximaal pgb per week; deze worden niet meegenomen in de vergelijkingen.
Amsterdam
80
€ 195,81
€ 105,00
€ 83,15 60
Spiegelgemeenten
100
120
140
160
Amsterdam
Laagintensief
Middelintensief
Praktische begeleiding en ondersteuning
Utrecht
Almere
200
240
220
260
280
300
Hoogintensief Tarieven verblijf middelintensief, 2023 (in euro’s)
Specialistische begeleiding
Specialistische behandeling
Amsterdam
Spiegelgemeenten
€ 195,81 € 198,87
€ 237,06
€ 206,80
1 vast tarief
Haarlem Den Haag
€ 237,06
Tarief in €
Categorisering pgb-tarieven verblijf Gemeente
180
€ 200,66
Variant A Variant 1
n.v.t. Variant 2
150 155 160 165 170 175 180 185 190 195 200 205 210 215 220 225 230 235 240 Tarief in €
Variant 3
1 vast tarief
Alle gemeenten hanteren een tarief per etmaal. We zien grote verschillen in de tarieven voor laagintensief verblijf. Amsterdam en Den Haag brengen verblijf onder in drie categorieën. Amsterdam hanteert voor laagintensief verblijf het een-na-laagste tarief. Het is mogelijk dat de andere gemeenten hogere tarieven hanteren omdat zij dus ook de kosten voor zwaarder verblijf meenemen bij het vaststellen van de tarieven. Gemeente Amsterdam en Den Haag hebben aparte tarieven voor zwaarder verblijf en hoeven dit dus niet te doen, waardoor de tarieven voor laagintensief verblijf lager zijn. Wanneer we kijken naar de tarieven voor middelmatig intensief verblijf, zien we dat het tarief van Amsterdam nu een stuk dichter bij de tarieven van de andere gemeenten ligt. Tot slot, wanneer we het Amsterdamse tarief voor hoogintensief verblijf vergelijken, zien we dat deze gemiddeld € 46 hoger ligt dan in de andere gemeenten. © 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Tarieven verblijf hoogintensief, 2023 (in euro’s) Amsterdam
Spiegelgemeenten € 195,81
60
80
100
120
140
160
180
200
€ 237,06 220
€ 254,07 € 275,00 240
260
280
Tarief in € NB Vergelijkende analyse op basis van aannames categorisering en zonder rekening te houden met huidig beeld toepassing hardheidsclausules. Document Classification: KPMG Confidential
26
2 7
Amsterdam hanteert hogere tarieven voor vervoer dan de gemeenten Haarlem en Almere Vervoer
Categorisering pgb-tarieven vervoer Amsterdam, per etmaal
Er is aanzienlijke variatie tussen gemeenten in hoe de pgb-tarieven voor vervoer worden bepaald. Bijvoorbeeld, Rotterdam, Haarlem en Den Haag hanteren een vast tarief per eenheid, ongeacht of het gaat om individueel vervoer, speciaal vervoer (zoals rolstoelvervoer) of groepsvervoer. Deze gemeenten verschillen echter wel in de specifieke eenheid die ze gebruiken. Daarnaast rekent Rotterdam ook hier in maximale pgb per week. Gemeente Utrecht hanteert voor individueel vervoer een vast tarief per rit en voor groepsvervoer een vast tarief per etmaal. Gemeente Almere hanteert daarentegen een vast tarief per dag, maar maakt onderscheid tussen wel of geen rolstoelvervoer. Amsterdam maakt onderscheid tussen verschillende soorten vervoer, zoals individueel vervoer, groepsvervoer en groepsvervoer met rolstoel. Daarnaast hanteert het een tarief per afstand; naarmate de afstand toeneemt, neemt het tarief ook toe. Deze toename is echter niet evenredig per kilometer. De tarieven worden in een aparte tabel weergegeven.
0-4 km
5-9 km
10-19 km
20-29 km
30-39 km
40+ km
Individueel
€ 24,80
€ 34,20
€ 48,00
€ 48,00
€ 66,40
€ 98,40
Groep
€ 18,20
€ 24,80
€ 34,20
€ 34,20
€ 48,00
€ 66,40
Groep rolstoel
€ 24,80
€ 24,80
€ 34,20
€ 48,00
€ 66,40
€ 98,40
Categorisering pgb-tarieven vervoer Gemeente
Eenheid
Rotterdam
Aantal dagdelen per week
€ 19,83 (max. € 198,23 per week)
Haarlem
Kilometer
€ 0,19 (max. € 20 per dag)
Den Haag
Retourrit
€ 26,25
Utrecht
Rit
€ 32,37
-
N.v.t.
Etmaal
-
€ 8,28
N.v.t.
Dag
€ 7,99
-
€ 19,88
Almere
Individueel
Groep
Rolstoel
Doordat Den Haag per retourrit rekent, is de vergelijking lastig te maken. Amsterdam berekende tot 2022 pgb voor vervoer ook met retourrit; dit bedroeg € 26,00 per retourrit. Dat lijkt dus op het huidige tarief van Den Haag.
Noot: (A) Gemeente Utrecht lijkt geen onderscheid te maken tussen regulier vervoer en rolstoelvervoer, wat andere gemeenten wel doen.
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
De tarieven voor vervoer liggen in Amsterdam hoger dan in de gemeente Haarlem. Zo hanteert de gemeente Haarlem € 0,19 per kilometer, met een maximum van € 20 per dag. Vrijwel alle tarieven voor vervoer per etmaal in de gemeente Amsterdam liggen boven de twintig euro. De tarieven van Amsterdam liggen ook hoger dan de tarieven van Almere. Daarnaast zijn de tarieven voor groepsvervoer in Amsterdam ook hoger dan het tarief voor groepsvervoer in Utrecht.
Ook de vergelijking met Rotterdam is lastig te maken, doordat Rotterdam ook hier rekent met een maximaal pgb per week.
NB: vergelijkende analyse op basis van aannames categorisering en zonder rekening te houden met huidig beeld toepassing hardheidsclausules. Document Classification: KPMG Confidential
27
6.
Inschatting toereikendheid tarievenPgbJeugd
2 9
Dit hoofdstuk belicht de lokale situatie en bredere context van de pgb-tarieven in de Jeugdwet in Amsterdam Dit hoofdstuk geeft een inschatting van de toereikendheid van de huidige Pgb Jeugd-tarieven in Amsterdam. Daarvoor zijn drie stappen genomen: 1.
Allereerst zijn de belangrijkste kostencomponenten binnen de verschillende segmenten van het Pgb Jeugd bepaald. We identificeren de belangrijkste kostendragers en categoriseren deze in de categorieën personeelskosten, personele overhead en materiële overhead. Omdat we hierbij geen toegang hadden tot werkelijke kosten van aanbieders, is een inschatting gemaakt op basis van ervaring en kennis.
2.
Daarna is vastgesteld welke invloed landelijke trends hebben gehad op de kostendragers, en dus op het tarief. Dit vergelijken we met de daadwerkelijke ontwikkeling van de pgb-tarieven in Amsterdam.
3.
Voortvloeiend hieruit, geven we een inschatting van in hoeverre de pgb-tarieven toereikend zijn.
4.
Tot slot berekenen we de impact die een mogelijke stijging op de kosten van de gemeente Amsterdam heeft.
Voorbeeld verschil tussen bestaand tarief en tarief op basis van landelijke ontwikkelingen
Opbouw inschatting toereikendheid tarieven Pgb Jeugd
1. Bepalen belangrijkste kostendragers binnen de segmenten
2. De ontwikkelingen van de belangrijkste kostendragers binnen de segmenten
17% +6%
+8%
Personele overhead
€ 76 €8 € 10
€ 82 € 10 € 12
Personeelskosten
€ 58
€ 60
Materiële overhead
€ 87 € 10 € 13
3. Invloed van landelijke ontwikkelingen op de tarieven
€ 64 4. Impact van nieuwe tarieven op kostenpost gemeente Amsterdam
Pgb-tarief 2019
Pgb-tarief 2023
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Impact landelijke ontwikkelingen
Document Classification: KPMG Confidential
29
6.1 Bepalen belangrijkste kostendragers binnen de segmenten
3 1
De tarieven opgebouwd aan de hand van zes kostendrijvers, gescheiden in loonkosten en overhead Tarieven in de zorg zijn doorgaans opgebouwd uit zes kostendijvers
De mogelijke opbouw van een tarief voor aanvullende individuele ondersteuning
In de opbouw van de tarieven voor zorgproducten zijn onderstaande zes kostendrijvers te herkennen.
1.
2. 3. 4. 5. 6.
Salariskosten: de personeelskosten die de zorgaanbieder maakt voor het uitvoeren van de zorg. Hier wordt rekening gehouden met de productiviteit van personeel (het aantal uren in een fte / het aantal uren beschikbaar voor de cliënt). Personele overhead: de kosten voor het ondersteunend personeel komen voort uit directiekosten, kosten voor de assistentes en accountantskosten. Huisvestingskosten: de kostenposten huur of hypotheek, schoonmaak, gas water licht. ICT-kosten: (onderhouds)kosten en verschillende abonnementen (o.a. voor telefonie, internet, website). Materiële kosten: kosten voor materiaal dat eenmalig gebruikt wordt bij het leveren van de zorg. Overige overhead: kosten die gemaakt worden die niet toe te schrijven zijn aan een van eerdergenoemde kostencategorieën.
Overheadkosten: € 6 (10%)
Loonkosten: € 49 (90%) 3
1
1
10
Naast de kostendrijvers zijn er soms specifieke (sub)factoren van toepassing binnen een categorie. Denk aan een onregelmatigheidstoeslag (ORT) bij personele kosten. Afhankelijk van de bekostigingsafspraken is bekend in welke mate een kostprijs of tarief altijd of gemiddeld dient te kloppen. In de figuur rechts wordt een voorbeeld gegeven van hoe een tarief voor specialistische behandeling mogelijk opgebouwd is. Hierin zien we alle verschillende kostendrijvers terugkomen. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen loonkosten (kostendrijver 1) en overhead (kostendrijvers 2, 3, 4, 5 en 6).
1
65
49
Er zijn twee belangrijke kanttekeningen voor de interpretatie van de resultaten De tarieven die in dit subhoofdstuk berekend worden, zijn slechts een inschatting en daarmee een versimpelde weergave van de werkelijkheid op basis van geïnformeerde aannames. De bevindingen in dit hoofdstuk dienen als indicatie voor de ontoereikendheid van de huidige tarieven. Het is tevens van belang op te merken dat pgb-tarieven nooit hoger kunnen zijn dan ZIN-tarieven. Als de geschatte tarieven in dit hoofdstuk dus hoger uitvallen dan de tarieven voor zorg op natura, kan dit erop wijzen dat ook de huidige tarieven voor ZIN ontoereikend zijn.
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Personeelskosten
Personele Huisvestings- ICT-kosten overhead en facilitaire kosten
Materiële kosten
Overige Kosten per uur overhead direct cliëntgebonden tijd
Document Classification: KPMG Confidential
31
3 2
De opbouw van de tarieven van Pgb Jeugd is gemaakt op basis van aannames door gebrek aan beschikbare data Deze pagina geeft een korte toelichting op de opbouw van tarieven voor zorgaanbieders. Deze opbouw wordt regelmatig gehanteerd bij tarieven- en kostprijsonderzoeken. Opbouw van de tarieven per segment op basis van aannames De huidige tarievenopbouw van de pgb-tarieven van de gemeente Amsterdam is op dit moment niet bekend bij de gemeente. Om de impact van landelijke ontwikkelingen op de pgb-tarieven te bepalen, is het daarom noodzakelijk aannames te maken over hoeveel elke kostendrager bijdraagt aan het tarief. De kostendragers zijn door de aard van de zorgproducten binnen de verschillende segmenten anders verdeeld. Zo heeft materiële overhead door brandstof en vastgoed een groter aandeel in de tarieven voor vervoer en verblijf dan de tarieven van ambulante individuele begeleiding. De opbouw van de tarieven Pgb Jeugd op basis van geïnformeerde aannames over de kostendragers per segment zijn in de grafiek rechts weergegeven. De tarieven zullen naar verwachting een vergelijkbare structuur hebben, waarbij de belangrijkste component de personeelskosten zijn, met daarbovenop zowel de personele als materiële overheadkosten.
Kostprijsonderzoeken binnen de Wmo en Jeugdwet bevestigen dat personeelskosten inderdaad de grootste kostenpost vormen, tussen de 63% en 75%, afhankelijk van de aard van het product en opleidingsniveau. Bovendien wordt doorgaans een percentage van 35-40% gehanteerd voor de totale overhead.(1), (2), (3), (4), (5) Benchmarking uitgevoerd door Berenschot ondersteund deze bevindingen.(6) We verwachten nuances in de verhouding tussen deze drie categorieën voor de verschillende segmenten binnen pgb. Het is belangrijk te benoemen dat ondanks dat pgb en ZIN een soortgelijke basis kennen, waarbij een aanzienlijk deel van de kosten bestaat uit loonkosten, er tegelijkertijd bij pgb vaak een directere relatie is tussen de betaling en inzet van zorg. Daarom nemen wij in onze berekeningen aan dat het aandeel van personele kosten bij pgb iets hoger ligt dan in de Wmo en Jeugdwet, met 65% - 75%. Daarbij zouden de overheadkosten theoretisch gezien lager kunnen zijn voor pgb dan voor ZIN, omdat een deel van de coördinatie wordt uitgevoerd door de persoon met het budget, wat administratieve taken wegneemt (en daarmee dus ook kosten) bij de zorgaanbieder. Om deze redenen gaan wij uit van een overheadpercentage van 25-35%.
Aanvullende individuele ondersteuning is het meest inspanningsgericht, waardoor de personeelskosten vergeleken met de andere segmenten het grootste aandeel in de tariefopbouw hebben en een relatief kleine overhead. Omdat er bij dagbehandeling in groepsverband meerdere cliënten per begeleider zijn en waarschijnlijk materiaal nodig is voor de producten en huisvesting, is het aandeel personeelskosten iets kleiner dan bij individuele ondersteuning en de materiële overhead relatief groter. Voor verblijf is vastgoed een grotere component en voor vervoer brandstof en kosten voor het vervoersmiddel. Bij deze twee segmenten is het aandeel materiële overhead relatief groot.
Aannames verdeling kostendragers pgb-tarieven per segment (in %) Materiële overhead
10,0%
Personele overhead
15,0%
18,0%
25,0%
25,0%
10,0%
10,0%
65,0%
65,0%
Verblijf
Vervoer
10,0%
Personeelskosten
75,0%
Aanvullende individuele ondersteuning
72,0%
Dagbehandeling in groepsverband
Bron: 1) KPMG – Rapportage analyse bedrijfsvoering jeugdhulpaanbieders regio Samen voor Jeugd (2022); 2) KPMG – Onderzoek toetsing reële tarieven Wmo en Jeugdhulp SamenTwente/GGD Twente; 3) KPMG – Spiegelonderzoek tariefmodel SDA (2021); 4) KPMG – Tarieven Jeugdhulp 2023 voor de regio Alkmaar (2022); 5) KPMG – Kostprijsonderzoek Wmo & Jeugdhulp segment B en C (niet gepubliceerd); 6) Berenschot – Rapportage tarieven Wmo en Jeugdhulp (2022)
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Document Classification: KPMG Confidential
32
6.2 De ontwikkelingen van de belangrijkste kostendragers binnen de segmenten
3 4
Landelijke indexaties tonen een grote kostenstijging in 2022 en 2023; ook in 2024 wordt een kostenstijging verwacht door de NZa Deze pagina toont de landelijke indices waarop tarieven in de zorg doorgaans geïndexeerd worden. Deze indices richten zich op personele kosten, materiële kosten of een combinatie van beide. De OVA indexeert de personele kosten De indexering van de personele kosten gebeurt door de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA). De OVA wordt door het ministerie van VWS mede op basis van cijfers van het Centraal Planbureau vastgesteld. De NZa hanteert de OVA bij het aanpassen van de maximumtarieven binnen het gereguleerde segment.(1) De OVA is een belangrijke index binnen de zorg omdat de zorg een arbeidsintensieve sector is. Vaak zijn de personele kosten 2/3e van de kostprijs in de zorg. Het CEP indexeert de materiële kosten Een andere index die de NZa publiceert, is het prijsindexcijfer particuliere consumptie uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau(1). Deze index volgt de materiële kosten en investeringen in inventaris voor zorginstellingen en beroepsbeoefenaren. Het aandeel van de materiële kosten in de kostprijs in de zorg hangt sterk af van het zorgproduct.
en de actuele realiteit groot. Dit wordt nu gemerkt bij de tarieven voor Pgb Jeugd. Daarbij is de CPI-index niet gericht op de arbeidsintensieve zorgsector. De CPI wordt berekend op basis van vele producten, waar de tarieven in de jeugdhulp voornamelijk afhankelijk zijn van personeelskosten. Het CBS meldt dat de inflatie volgens de CPI in september 2023 0,2% bedraagt.(3) Deze lage inflatie wordt veroorzaakt door een daling in energie- en brandstofprijzen, die minder relevant zijn voor de zorgsector. De OVA toont daarentegen een prijsstijging van 6,3% voor personeelskosten. Omdat de CPI minder toepasbaar is op de zorgsector, is ook hier een risico dat de tarieven voor Pgb Jeugd niet overeenkomen met de werkelijke prijsstijgingen. De Pgb Jeugd-tarieven enkel indexeren op de CPI gaat in de nabije toekomst nog schever lopen door een stijging in de cao’s in de jeugdzorg. De bonden eisen een loonsverhoging van 10%, de werkgevers willen niet verder gaan dan 6,7%.(4) De onderhandelingen tussen de bonden en werkgevers is recent geklapt, maar dat er een verhoging gaat komen is duidelijk. Met de indexering van de tarieven voor 2024 kan de gemeente Amsterdam al rekening houden met deze aankomende stijging in kosten voor aanbieders.
De CPI is een indicator voor de inflatie
De figuur rechts geeft de ontwikkeling van OVA, CEP en CPI weer tussen 2018 en 2024. De CPI wordt pas in maart van het volgende jaar vastgesteld; daarom is het laatste datapunt in 2022. Te zien is dat tot 2022 de indices stabiel waren maar in 2022 alle indices sterk toegenomen zijn. CPI risicovol voor indexatie van Pgb Jeugd-tarieven Het indiceren van de Pgb Jeugd-tarieven op basis van de CPI zorgt voor een accurate indexatie maar levert wel vertraging op. Hierdoor geeft deze niet altijd het actuele prijsniveau weer. Met de ontwikkelingen in 2022 en 2023 loopt de indexatie scheef door deze vertraging en wordt het verschil tussen de indexatie
Ontwikkeling van OVA, CEP en CPI tussen 2018 en 2024 (voorlopig)(1,2) 12 OVA (NZa) 10
Index in %
Het CBS publiceert de consumentenprijsindex (CPI), de index die inzicht geeft in de prijsontwikkeling van goederen en diensten die consumenten aanschaffen.(2) De CPI wordt in Nederland regelmatig gebruikt om de inflatie te meten. De CPI geeft een pakket goederen en diensten weer, zoals voedingsmiddelen, huishoudelijke apparaten en auto’s, energie en woningdiensten (huren), en een aantal overheidsdiensten. Dit is dus een algemene index die wel onderdelen van de zorgsector in het pakket heeft, maar zich hier niet op focust.
CEP (NZa)
8
CPI (CBS)
6 4 2 0 2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024 (voorlopig)
Bron: (1) Prijsindexcijfers | Nederlandse Zorgautoriteit (nza.nl), (2) Consumentenprijsindex (cbs.nl), (3) Inflatie daalt naar 0,2 procent in september (cbs.nl), (4) Cao-onderhandeling jeugdzorg geklapt, acties op komst – FNV
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Document Classification: KPMG Confidential
34
3 5
2022 wordt gekenmerkt door een grote stijging in kosten voor vastgoed en brandstofprijzen Voor de segmenten verblijf en vervoer zijn specifieke kostendrijvers van belang. De kostprijs voor verblijf is sterk afhankelijk van de kosten voor huisvesting. Voor vervoer hebben brandstofkosten een groot aandeel in de kostprijs. Deze pagina beschrijft de landelijke ontwikkelingen van de kosten voor huisvesting en brandstof. De prijs voor bedrijfsmatig vastgoed stijgt in 2022 Het CBS houdt de ontwikkelingen in dienstprijzen bij, zo ook de prijzen voor bedrijfsmatig vastgoed. Deze index heeft 2015 als basisjaar; de index is dus relatief aan dat jaar. De verhuur en de taxatie van bedrijfsmatig vastgoed worden gevolgd met deze prijsindex. De figuur hieronder geeft de prijsindex voor bedrijfsmatig vastgoed weer als procentuele ontwikkeling ten opzichte van een jaar eerder. Deze ontwikkeling is berekend aan de hand van niet-afgeronde indexcijfers. Te zien is dat de taxatie van bedrijfsmatig vastgoed in de periode 2018 tot 2022 redelijk stabiel is en in 2019 zelfs wat afneemt voor de taxatie. In 2022 is echter een grote stijging te zien van 4,6% voor verhuur en 8,5% voor de taxatie van bedrijfsmatig vastgoed.
Brandstofprijzen stijgen met meer dan een kwart in 2022 Het CBS houdt dagelijks de pompprijzen van brandstof bij. De grafiek rechtsonder op deze pagina geeft de ontwikkelingen in prijs per liter weer in de periode 2018 tot 2023. In de periode 2018 tot en met 2021 blijven de prijzen stabiel. In 2021 liggen de prijzen voor brandstof zelfs lager dan in 2018. Dit is deels te verklaren door de Covid-19 pandemie. In 2020 werd veel minder brandstof verbruikt en de lagere vraag resulteerde in lagere brandstofprijzen. In 2022 is een enorme stijging te zien: 25% voor benzine, 29% voor diesel en 41% voor lpg. Dit kan verklaard worden door de oorlog in Oekraïne, die in februari van dat jaar begon. Nederland is afhankelijk van brandstof uit Rusland en de oorlog heeft de prijzen opgedreven. In 2023 is weer een lichte daling in de prijzen van benzine en lpg te zien, diesel blijft nog stijgen. Ten opzichte van 2018 zijn de prijzen voor benzine, diesel en lpg gestegen met respectievelijk 14%, 39% en 12%.
Ontwikkeling van de brandstofprijzen tussen 2018 en 2023(A)
Ontwikkeling van de prijzen bedrijfsmatig vastgoed tussen 2018 en 2022 10
2,0
8
Verhuur
Index in %
6 4 2 0
Benzine Euro95
Prijs per liter in €
Taxatie
Diesel
1,5
Lpg 1,0 0,5
-2 -4 2018
2019
2020
2021
2022
0,0 2018
2019
2020
2021
2022
2023
Noot: (A) Prijzen op 1 januari van de genoemde jaargang
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Document Classification: KPMG Confidential
35
6c. Invloed van landelijke ontwikkelingen op de tarieven
3 7
De tarieven voor aanvullende individuele ondersteuning, dagbehandeling in groepsverband en verblijf dienen in 2024 met zo’n 13% te stijgen In dit subhoofdstuk zetten we de verschillende kostencomponenten af tegen de landelijke ontwikkelingen en maken we een inschatting van de hoogte van, volgens de ontwikkelingen, toereikende tarieven.
Impact landelijke ontwikkelingen op tarieven Pgb Jeugd
De kosten voor aanvullende individuele ondersteuning, dagbehandeling in groepsverband en verblijf zijn 17% gestegen ten opzichte van 2019, de tarieven slechts 4%. De tarieven voor Pgb Jeugd worden voornamelijk bepaald door de kosten voor personeel. Voor de personeelskosten en personele overhead is de OVA de belangrijkste index om te volgen, voor de materiële overhead is dat de CEP-index. Wanneer we de OVA benutten om de personeelskosten en personele overhead te indiceren, en het CEP om de materiële overhead te indiceren, dan zijn de kosten voor aanvullende individuele ondersteuning, dagbehandeling in groepsverband en verblijf tussen 2019 en 2023 17-18% gestegen. De bandbreedte van 1% is het gevolg van de verschillende verhoudingen van de materiële en personele kosten tussen de drie segmenten, zoals aan het begin van dit hoofdstuk geïllustreerd. Maar omdat de verschillen tussen de verhoudingen klein zijn, en het CEP niet veel verschilt van de OVA, is dit slechts ~1%. De daadwerkelijke stijging van de tarieven voor aanvullende individuele ondersteuning, dagbehandeling in groepsverband en verblijf bedraagt 3-4% ten opzichte van 2019. Daarmee blijken de daadwerkelijke tarieven in 2022 13-14% lager dan dat ze zouden moeten zijn.(A) Om de tarieven in 2024 recht te trekken, moeten de tarieven met zo’n 13-14% geïndexeerd worden.
De grafiek rechts op de pagina geeft deze verschillen weer.
17% +13% 117%
+4% 100,0%
104%
Materiële overhead Personele overhead
Voor vervoer wordt een andere vergoedingssystematiek gehanteerd, maar lijkt tevens een verhoging van het tarief passend Binnen vervoer is de gemeente Amsterdam in 2022 overgestapt naar een andere systematiek van vergoeden; daarom is de vergelijking anders en wordt 2022 als peiljaar genomen. De tarieven Pgb Jeugd voor vervoer zijn in 2023 ten opzichte van 2022 niet gestegen, terwijl de kosten volgens de landelijke ontwikkelingen tussen 2022 en 2023 met 6,89% zijn toegenomen. Binnen dit segment bouwt dus ook een verschil op van tenminste 6,89% tussen de tarieven en de kosten voor aanbieders.
Personeelskosten
Variatie in tariefstijging tussen segmenten duidt op verschillende toepassing van de CPI Uit de analyse blijkt dat de procentuele stijging van de tarieven tussen 2019 en 2023 varieert tussen de aanvullende individuele ondersteuning, dagbehandeling in groepsverband en verblijf. Dit is een opvallend resultaat, omdat de gemeente Amsterdam aangeeft de tarieven volgens de CPI te indexeren. Dit zou moeten betekenen dat alle tarieven met hetzelfde percentage toenemen. Echter, dit is niet het geval. In de toepassing van de CPI als indexering lijkt dus nog variatie te zitten tussen de verschillende segmenten.
Pgb-tarief 2019
Pgb-tarief 2023
Impact landelijke ontwikkelingen
Noot: (A) Het feit dat de tarieven niet voldoende geïndexeerd zijn, impliceert niet automatisch dat cliënten recht hebben op compensatie met terugwerkende kracht. In de meeste gevallen is de ontoereikendheid van de tarieven echter al aangepakt door gebruik te maken van de hardheidsclausule
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Document Classification: KPMG Confidential
37
6d. Impact van nieuwe tarieven op kosten voor de gemeente
3 9
Als de gemeente de tarieven voor alle vier de segmenten met 13% ophoogt, resulteert dat in €~840k extra kosten (o.b.v. de kosten in 2022) De vorige subhoofdstukken illustreren de belangrijkste kostendragers binnen de segmenten en de landelijke ontwikkelingen die impact hebben op de kostendragers
Impact landelijke ontwikkelingen op tarieven Pgb Jeugd (in euro’s mln) € 0,84
Wanneer de tarieven met 13% worden verhoogd, zullen de totale kosten voor Pgb Jeugd toenemen In 2022 bedroegen de kosten voor de vier Pgb Jeugd-segmenten die in dit onderzoek zijn opgenomen € 6,43 miljoen. Indien de gemeente Amsterdam ervoor kiest de tarieven in lijn met de ontwikkelingen van de OVA en het CEP te verhogen, wat neerkomt op een gemiddelde stijging van 13%, zouden de totale kosten voor Pgb Jeugd naar verwachting met ongeveer € 840.000 toenemen. In onze berekeningen zijn we uitgegaan van het aantal cliënten in 2022. Hoewel het aantal cliënten een belangrijke rol speelt bij het beoordelen van de totale kosten, is het ook een aspect waarop de gemeente invloed kan uitoefenen om de kosten in te perken. In het volgende hoofdstuk wordt dit nader toegelicht. Deze kostenstijging wordt in de praktijk mogelijk iets afgezwakt omdat de hardheidsclausule minder vaak wordt toegepast als de tarieven worden verhoogd. Dit scheelt kosten voor de gemeente Amsterdam.
€ 7,26
€ 0,48 € 6,43
€ 0,27
€ 0,04 € 0,05
€ 2,05
Verdiepende analyse uitgevoerd op toepassing hardheidsclausule voor vervoer De gemeente ontving van het OKT vooral over de tarieven voor vervoer signalen dat deze ontoereikend zouden zijn. Daarom heeft het OKT aanvullende informatie verstrekt over de inzet van de hardheidsclausule voor vervoer en is hier een verdiepende data-analyse op uitgevoerd.
€ 0,28
Uit die gegevens blijkt dat dat de hardheidsclausule in de jaren 2021 t/m 2023 slechts vier tot vijf keer per jaar werd ingezet voor vervoer (in die jaren gebruikte 50-90 cliënten een Pgb voor vervoer – zie pagina 17). Het gaat dus om kleine aantallen.
Huidige kosten vier segmenten 2022
Daarnaast wijzen de achterliggende motiveringen uit dat in een deel van deze gevallen de persoonlijke situatie van de cliënt dusdanig uniek was, dat er een substantieel hoger tarief nodig was – soms het dubbele van het bestaande tarief. Voorbeelden zijn ouders die mee moeten reizen of het gebruik van openbaar vervoer. Verdere verhoging van de tarieven biedt in dergelijke situaties geen uitkomst. Toepassing van de hardheidsclausule is dan nog steeds de best passende oplossing voor zowel gemeente als cliënt.
Daarnaast wordt binnen vervoer de hardheidsclausule veelal toegepast voor autistische kinderen. De kosten voor dit specifieke vervoer zijn om twee redenen hoger dan die voor regulier vervoer. Ten eerste zijn er verhoogde personeelskosten, aangezien chauffeurs specifieke vaardigheden en bevoegdheden moeten hebben, wat opleiding en training vereist.
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
€ 0,41 Extra kosten na verhoging 13%
Totale kosten Pgb vier segmenten
Aanvullende individuele ondersteuning
Verblijf
Dagbehandeling/dagbesteding in groepsverband
Vervoer
Ten tweede zijn ook de materiële kosten hoger, omdat de kwaliteitseisen aan het vervoer hoger zijn, bijvoorbeeld met een zespuntsgordel. De pgb-tarieven voor vervoer zijn gebaseerd op de door de NZa vastgestelde staffels. Gemeente Amsterdam bepaalt vervolgens reële tarieven voor de ‘gemiddelde’ cliënt; bijzondere gevallen vallen hier dus buiten. Gemeente Amsterdam dient de afweging te maken of de bijzondere gevallen vergoed moeten worden via het pgb (via de hardheidsclausule) of dat het vervoer dat opgenomen is in ZIN, uitgebreid moet worden.
Document Classification: KPMG Confidential
39
4 0
Indexeren volgens de huidige systematiek betekent een stijging van de tarieven voor 2024 met 10%, dit ligt dichtbij de aanbevolen 13% De aanbevolen 13% ligt niet ver vanaf de indexering volgens de huidige methodiek voor 2024 De tabellen hieronder laten de tarieven voor het jaar 2024 zien indien ze worden geïndexeerd met 13%. Indien de tarieven voor 2024 conform de huidige systematiek worden vastgesteld, dus gebaseerd op de CPI en volgens het principe T-2, zou de indexering voor 2024 worden berekend op basis van de CPI van 2022, welke 10% bedraagt1. Dit brengt de tarieven al aanzienlijk dichter bij het aanbevolen percentage van 13%.
Tarieven Pgb Jeugd 2024 met 13% indexering Segment
Product
Aanvullende individuele ondersteuning in € per uur Dagbehandeling of dagbesteding in groepsverband in € per dagdeel
Verblijf (logeren) in € per etmaal
Tarief 2023 2
Tarief 2024 (13% indexering)
Praktische begeleiding en ondersteuning
€ 37,20
€ 42,04
Specialistische begeleiding
€ 67,60
€ 76,39
Specialistische behandeling
€ 97,20
€ 109,84
Praktische begeleiding en ondersteuning
€ 45,80
€ 51,75
Specialistische behandeling
€ 76,60
€ 86,56
Verblijf met lichte begeleiding
€ 105,00
€ 118,65
Verblijf met specialistische begeleiding
€ 206,80
€ 233,68
Verblijf met specialistische behandeling
€ 275,00
€ 310,75
Categorisering pgb-tarieven vervoer Amsterdam, per etmaal, 2024 met 13% indexering 0-4 km
5-9 km
10-19 km
2023
2024
2023
2024
2023
2024
Individueel
€ 24,80
€ 28,02
€ 34,20
€ 38,65
€ 48,00
€ 54,24
Groep
€ 18,20
€ 20,57
€ 24,80
€ 28,02
€ 34,20
€ 38,65
Groep rolstoel
€ 24,80
€ 28,02
€ 24,80
€ 28,02
€ 34,20
€ 38,65
Categorisering pgb-tarieven vervoer Amsterdam, per etmaal, 2024 met 13% indexering 20-29 km
30-39 km
40+ km
2023
2024
2023
2024
2023
2024
Individueel
€ 48,00
€ 54,24
€ 66,40
€ 75,03
€ 98,40
€ 111,19
Groep
€ 34,20
€ 38,65
€ 48,00
€ 54,24
€ 66,40
€ 75,03
Groep rolstoel
€ 48,00
€ 54,24
€ 66,40
€ 75,03
€ 98,40
€ 111,19
Bron: (1) Inflatie 10 procent in 2022 (cbs.nl) (2) Verordening van de raad van Amsterdam regelende de zorg voor jeugd (Verordening op de Zorg voor de jeugd Amsterdam 2018) | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Document Classification: KPMG Confidential
40
7.
Conclusieen aanbevelingen
4 2
De indexering van de tarieven loopt achter, maar de grondoorzaak van de klachten lijkt niet enkel te liggen in de hoogte van de tarieven Op basis van de resultaten van het onderzoek worden in dit hoofdstuk constateringen en aanbevelingen gedaan over de tarieven Pgb Jeugd in de gemeente Amsterdam. Na dit onderzoek kunnen vier conclusies worden getrokken. 1. Pgb is in de gemeente Amsterdam niet voldoende ingericht als laatste mogelijkheid maar wordt te snel als alternatief voor ZIN gepositioneerd De opvallende groei in kosten voor Pgb Jeugd lijkt voor een groot deel te verklaren door verkapte instroom vanuit ZIN. Daaruit blijkt dat het pgb in de gemeente Amsterdam onvoldoende is ingericht als laatste mogelijkheid, en te snel wordt gebruikt als alternatief voor ZIN. Cliënten zouden binnen het gecontracteerde aanbod passende ondersteuning moeten kunnen vinden. Het is belangrijk om hier voldoende aandacht aan te geven in het OKT om ervoor te zorgen dat goede triage en matching plaatsvindt. In principe zou het pgb een derde oplossing moeten zijn, na de eigen context van de jeugdige en ZIN. Maar er treedt een ‘waterbedeffect’ op naar pgb sinds de toegankelijkheid voor ZIN is begrensd tot een selectie van aanbieders en er wachttijden bestaan. Ook zien we dat niet-gecontracteerde ZINaanbieders alsnog zorg aanbieden via het pgb.
Dat zij daarbij niet uitkomen met de tarieven is een logisch gevolg; het pgb-tarief is daar immers niet voor bedoeld.
4. Conclusie over impactanalyse In 2022 bedroegen de kosten voor de vier Pgb Jeugd-segmenten die in dit onderzoek zijn opgenomen € 6,43 miljoen. Op basis van peiljaar 2022 laat een impactanalyse zien dat het verhogen van de tarieven met 13% resulteert in een stijging van de kosten van ~ € 0,84 miljoen. Een verdieping op de inzet van de hardheidsclausule laat zien dat de hardheidsclausule in 2023 vijf keer is ingezet, daarnaast lost een verhoging van de tarieven de problematiek rondom ontoereikendheid van de tarieven voor deze vijf cliënten niet op. Ook laat de verdieping op de inzet van de hardheidsclausule zien dat de ontoereikendheid vooral wordt veroorzaakt door unieke situaties van cliënten en niet zozeer door de hoogte van de tarieven. Het verhogen van de tarieven lost dus niet alle klachten op.
2. Het is onduidelijk hoe de tarieven Pgb Jeugd in Amsterdam zijn opgebouwd; daarbij zijn ze niet evenredig gestegen met de kosten voor aanbieders Het is niet duidelijk hoe de tarieven voor Pgb Jeugd in de gemeente Amsterdam zijn opgebouwd. Daarbij zijn de tarieven van Pgb Jeugd in Amsterdam niet evenredig gestegen met de kosten voor aanbieders. De tarieven van Pgb Jeugd zijn tussen 2019 en 2023 met ongeveer 4% gestegen op basis van indexatie door middel van de CPI. Belangrijk om te vermelden is dat de tarieven tussen 2019 en 2020 niet zijn veranderd. Bovendien zijn de tarieven voor vervoer sinds 2020 niet meer aangepast. Landelijke ontwikkelingen laten via de OVA en het CEP een veel hogere kostenstijging voor aanbieders zien over dezelfde periode, namelijk ongeveer 17%. Dit betekent dat er een verschil van ongeveer 13% zit tussen de stijging in de tarieven voor Pgb Jeugd en de kosten voor aanbieders van jeugdzorg in de gemeente Amsterdam. 3. Vergeleken met andere gemeenten hanteert de gemeente Amsterdam een normaal tarief Wanneer de tarieven voor Pgb Jeugd van de gemeente Amsterdam vergeleken worden met de tarieven van vergelijkbare gemeenten, hanteert de gemeente Amsterdam niet structureel hogere of lagere tarieven. Het is echter niet bekend of de tarieven bij andere gemeenten toereikend zijn.
Dit zou kunnen betekenen dat landelijk de tarieven in de afgelopen jaren die gekenmerkt zijn door een hoge inflatie, niet voldoende meegestegen zijn met de kosten van de aanbieders. © 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Document Classification: KPMG Confidential
42
4 3
Gemeente Amsterdam kan een nieuwe manier van indexeren overwegen maar dient in ieder geval inzicht te krijgen in de opbouw en totstandkoming van tarieven Op basis van voorgaande conclusies doen wij de volgende aanbevelingen voor de gemeente Amsterdam: Pas het systeem aan om het pgb juist te positioneren Het systeem binnen de gemeente Amsterdam moet dusdanig aangepast worden dat het pgb niet meer gepositioneerd wordt als alternatief naast ZIN. Pgb is een laatste optie als het reguliere systeem geen oplossing biedt voor de jeugdige. Jeugdigen in de gemeente Amsterdam dienen, waar mogelijk, in eerste instantie vanuit de context geholpen te worden en vervolgens richting het gecontracteerde aanbod verwezen te worden. Gemeente Amsterdam dient na te gaan of het huidige beleid rondom het pgb streng genoeg is en of het pgb daadwerkelijk als laatste optie en in uitzonderlijke gevallen wordt ingezet. Daarnaast kan de gemeente Amsterdam ook meer sturen op het gebruik van ZIN. Het OKT kan bijvoorbeeld meer tijd nemen voor triage en gesprekken met ouders/opvoeders, zodat er beter gezocht kan worden naar geschikte ondersteuning in het gecontracteerde aanbod. Corrigeer de huidige tarieven Pgb Jeugd en probeer de kostenopbouw inzichtelijk te krijgen
de OVA te hanteren voor de indexatie van de tarieven, kan het principe T-1 gebruikt worden omdat de CEP doorgaans in maart wordt gepresenteerd en de OVA wordt vastgesteld aan de hand van de CEP. Daarbij zijn deze indices meer gericht op de arbeidsintensieve zorgsector en minder algemeen dan de CPI-index. Onderzoek naar de opbouw en totstandkoming van de tarieven is noodzakelijk In voorliggend onderzoek is gewerkt met aannames op basis van beperkt beschikbare data. Bij twijfels in het veld over de toereikendheid van de tarieven is nadere transparantie en onderzoek naar de tarieven nodig. Om reële tarieven vast te stellen en deze te onderbouwen, dient de gemeente Amsterdam brondata uit te vragen, zoals opbouw van de specifieke kostencomponenten. Hiermee verkrijgt zij een gedetailleerd inzicht in de werkelijke kosten van aanbieders, die ze kan gebruiken voor de opbouw van de tarieven. Indien nodig kan de gemeente Amsterdam aanvullende waarnemingen doen om de totstandkoming van de hoogte van de kostencomponenten te valideren.
Onderhoud aan de tarieven op basis van OVA en CEP is een logische vervolgstap voor de gemeente Den Haag. Door deze correctie kan de gemeente Amsterdam alvast voorsorteren op een verdere stijging in de cao’s binnen de jeugdzorg. Op basis van de resultaten van dit onderzoek stellen wij een correctie van ongeveer 13% voor. Indien er behoefte is, kan de gemeente in de toekomst samen met aanbieders de reële tarieven voor Pgb Jeugd en de opbouw hiervan bepalen in een kostenonderzoek, maar daar is nu geen aanleiding toe gevonden in de vergelijking met andere gemeenten. Daarnaast wordt er landelijk een handreiking geschreven voor gemeenten waarin een methode wordt uitgewerkt om reële pgb-tarieven op te bouwen. Tot nu toe werden pgb-tarieven vaak afgeleid van de ZIN tarieven. Echter, het afleiden van de ZIN tarieven wordt moeilijker omdat we daar een trend zien naar meer taakgerichte bekostiging en bijpassende kostenopbouw. Het kan daarom beter zijn om het pgb landelijk te standaardiseren. Overweeg de OVA en het CEP voor de indexatie van Pgb Jeugd-tarieven In het vervolg kan de gemeente overwegen om de OVA en het CEP te hanteren voor de indexatie van de tarieven voor Pgb Jeugd. Deze indices zijn jaarlijks na publicatie toe te passen, waardoor de gemeente de tarieven indexeert die dichter bij de actuele kostenontwikkeling voor aanbieders ligt.
Amsterdam hanteert op dit moment het principe T-2 omdat gemeenten in oktober/november de nieuwe tarieven voor aankomend jaar aan de SVB moeten doorgeven. Wanneer de gemeente Amsterdam besluit het CEP en
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Document Classification: KPMG Confidential
43
Bijlage
4 5
Bijlage
Tarieven Pgb Jeugd 2023 vergelijkingsgemeenten (1/2) Pgb-tarieven gemeente Utrecht 2023
Pgb-tarieven gemeente Den Haag 2023
Zorgcategorie
Maximale tarief
Ambulante begeleiding individueel
Zorgcategorie
Variant 1
Variant 2
Variant 3
€ 61,61
Ambulante individuele begeleiding
€ 39,6
€ 54
€ 82,35
Ambulante begeleiding groep
€ 55,35
Dagbesteding
€ 43,99
€ 52,16
€ 75,77
Kortdurend verblijf
€ 237,06
Begeleiding in groepsverband
€ 91,16
€ 157
-
Vervoer individueel
€ 32,37
Vervoer
€ 26,25
€ 26,25
€ 26,25
Vervoer groep
€ 8,28
Verblijf
€ 83,15
€ 198,87
€ 254,07
Pgb-tarieven gemeente Haarlem 2023
Pgb-tarieven gemeente Almere 2023
Zorgcategorie
Variant 1
Variant 2
Begeleiding ambulant
€ 46,8
€ 64,8
Dagbesteding
€ 56,16
€ 74,77
Behandeling groep
€ 61,8
€ 95,56
Behandeling individueel
€ 76,2
€ 88,2
Kortdurend verblijf
€ 200,66
-
€ 0,19 pkm (max € 20)
€ 0,19 pkm (max € 20)
Vervoer
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
Zorgcategorie
Maximale tarief
Begeleiding groep basis
€ 50,68
begeleiding individueel basis
€ 53,04
persoonlijke verzorging basis
€ 48,33
kortdurend verblijf basis
€ 195,81
vervoer met rolstoel tot 12 jaar
€ 19,88
vervoer zonder rolstoel vanaf 12 jaar
€ 7,99
Document Classification: KPMG Confidential
45
4 6
Bijlage
Tarieven Pgb Jeugd 2023 vergelijkingsgemeenten (2/2) Pgb-tarieven gemeente Rotterdam 2023 Ambulante jeugdhulp
1
2
3
4
5
6
R1
€ 80,46
€ 139,84
€ 274,91
€ 468,39
€ 666,67
-
R2
€ 49,82
€ 97,70
€ 149,43
€ 201,15
-
-
R3
€ 87,16
€ 147,51
€ 235,64
€ 394,62
€ 684,86
-
O1
-
-
-
-
-
-
O2
€ 4,78
€ 98,60
€ 147,43
€ 205,82
€ 250,81
€ 315,91
O3
€ 52,68
€ 105,36
€ 210,74
-
€ 421,44
-
R1
€ 82,60
€ 143,57
€ 282,22
€ 480,87
€ 684,42
€ 999,10
€ 1.983,45
R2
€ 51,13
€ 100,30
€ 153,41
€ 206,51
€ 411,05
€ 614,60
€ 919,45
R3
€ 89,48
€ 151,44
€ 241,91
€ 405,15
€ 703,10
-
-
O1
-
-
€ 651,97
€ 730,64
€ 1.116,12
€ 1.310,83
-
O2
€ 4,92
€ 101,28
€ 151,44
€ 211,43
€ 257,64
€ 324,51
-
O3
-
-
-
-
-
-
-
Pgb-tarieven gemeente Rotterdam 2023 Overige jeugdhulp
1
2
3
4
5
6
7
Pgb-tarieven gemeente Rotterdam 2023 Vervoer
1 1 (1-2 dagdelen)
2 (3-4 dagdelen) 39,65
© 2023 KPMG Advisory N.V., alle rechten voorbehouden.
79,29
2 3 (5-6 dagdelen) 118,94
3 4 (7-8 dagdelen)
4 5 (9-10 dagdelen)
158,58
5 6 (9-10 dagdelen)
198,23
Document Classification: KPMG Confidential
198,23
46
kpmg.com/socialmedia Deze rapportage is opgesteld door KPMG Advisory N.V., een naamloze vennootschap en lid van het KPMG-netwerk van zelfstandige ondernemingen die verbonden zijn aan KPMG International Limited, een Engelse entiteit. KPMG International verleent geen diensten aan klanten. Geen enkel lid van het KPMG-netwerk heeft de bevoegdheid om KPMG International of enig ander lid jegens derden te binden of tot iets te verplichten, noch heeft KPMG International de bevoegdheid om enig ander lid te binden of tot iets te verplichten.
De naam KPMG en het logo zijn geregistreerde merken van KPMG International. Deze rapportage is uitsluitend bestemd voor de gemeente Amsterdam. Het document is niet bedoeld voor andere partijen, buiten deze doelgroep, en het gebruik van dit rapport door andere partijen is dan ook voor eigen risico. KPMG aanvaardt geen aansprakelijkheid voor het gebruik van dit document anders dan waarvoor het is opgesteld en aanvaardt geen aansprakelijkheid jegens andere partijen dan de gemeente Amsterdam. Documentclassificatie: KPMG vertrouwelijk
© 2023 KPMG N.V. Alle rechten voorbehouden.