Eindrapport Raadsenquête Afval Energie Bedrijf
Tekst van het document
Dit is ook in overeenstemming met het afvalbeleid, zoals geformuleerd in het Landelijk afvalbeheerplan 2002–2012 […] Voor het bepalen van de hoogte van het subsidiebedrag zijn uitsluitend de additionele investeringskosten ten opzichte van een standaard afvalverbrandingsinstallatie met een energetisch rendement van 22% bepalend. […] Op basis van bovengenoemde onrendabele top beperkingen is het MEP subsidiebedrag en de hoogte daarvan afhankelijk gemaakt van het rendement van de installatie.
243 Plafonnering en middelenverdeling in de MEP. ECN-KEMA, maart 2007, p. 12. Te raadplegen:
https://publicaties.ecn.nl/PdfFetch.aspx?nr=ECN-C--06-040 244 Kamerstuk Subsidieregeling “Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie” (MEP) 31 028 nr. 1, Tweede Kamer der Staten Generaal, 11 mei 2007, p. 33. 245 Memorie van Toelichting Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie. Ministerie van Economische Zaken, 6 november 2002. Te raadplegen: https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j4nvgs5kjg27kof_j9vvij5epmj1ey0/vi3aksmysmw5/f=/kst6416 7.pdf 246 Verdere detaillering hieromtrent wordt hier niet gegeven aangezien dit niet tot de bevoegdheid van Economische Zaken behoort. 247 Landelijk afvalbeheerplan 2002- 2012 Deel 3 Capaciteitsplannen. Ministerie van VROM, april 2004, p. 298. Te raadplegen: https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_142274_31/ 248 Ibid. p. 298. 249 Wijziging Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 en Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2007. Ministerie van Economische Zaken, 15 juni 2006, p. 14. Te raadplegen op: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2006-114-p14-SC75550.html
85
Dit gebeurt via een zogenaamde staffel met als minimum 22% en als maximum 30% en waarbij het MEP-subsidiebedrag per 1%- toename van het rendement oploopt.” Het MEP-rendement voor afvalverbranding wordt bepaald op basis van zowel elektriciteitsproductie als stoom- en warmteproductie maar wordt dus bijkomend begrensd tot maximaal 30%. 250 Dit aspect wordt nader toegelicht in 4.2.3. De opvolger van de MEP-subsidie is de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie, kortweg SDE, die in 2011 wordt hernoemd en gewijzigd in de SDE+. In 2011 alleen al gaat er € 1,248 miljard naar publiek-private samenwerkingen ten aanzien van projecten die van biomassa brandstoffen maken.251 SDE+ is vooral gericht op economische efficiëntie en is niet bedoeld voor particulieren. De doelstelling uit RED I voor Nederland om 14% energie uit hernieuwbare energiebronnen op te wekken, is niet direct verwerkt in landelijke wetgeving. Wel wordt de doelstelling genoemd in het Energieakkoord uit 2013252 en in Energierapporten uit 2011 en 2016.253 254 EU-lidstaten kiezen zelf de eigen indicatieve doelstelling voor 2030, die volgens de RED II gezamenlijk op 32% moet uitkomen.
Het Integrale Nationale Energie en Klimaatplan uit 2019 stelt voor Nederland het aandeel hernieuwbare energie vast op 27% voor 2030.255 In artikel 22 van RED I staat dat lidstaten vanaf 2011 elke twee jaar de voorgang moeten rapporteren aan de Europese Commissie. Het zesde en laatste stuk van deze reeks moet uiterlijk 31 december 2021 worden gerapporteerd. Daarna gaan de rapportages over op RED II. Nederland heeft overigens de doelstelling niet behaald en heeft ongeveer 11,1% energie uit hernieuwbare bronnen aan het eind van 2020. 256 Ondanks dat de procedure niet naar Nederlands recht is omgezet, is de doelstelling van 14% toch bindend, waardoor de Europese Commissie zou kunnen besluiten om de zaak aanhangig te maken bij het Europese Hof van Justitie. 257 In 2020 is tevens de SDE++ ingegaan, waarbij het zwaartepunt niet meer ligt op het opwekken van duurzame energie, maar op CO2-reductie.
250 “Het rendement van een afvalverbrandingsinstallatie […] bedraagt de som van de door de
afvalverbrandingsinstallatie […] per kalendermaand opgewekte en […] geleverde elektriciteit, en tweederde van de door de afvalverbrandingsinstallatie […] per kalendermaand opgewekte en nuttig aangewende warmte, gedeeld door het product van de massa van het in de afvalverbrandingsinstallatie […] per maand verwerkte afval en overige brandstoffen, en de calorische waarde van het verwerkte afval en overige brandstoffen.” Wijziging Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 en Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2007. Ministerie van Economische Zaken, 15 juni 2006, p. 14. Te raadplegen op: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2006-114-p14-SC75550.html 251 Subsidieregeling duurzame energie in 2012. Rijksoverheid. Te raadplegen op: https://web.archive.org/web/20120911191932/http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzameenergie/subsidieregeling-duurzame-energie-sde 252 Energieakkoord voor duurzame groei. Sociaal-Economische Raad, 6 september 2013. Te raadplegen op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2013/09/06/energieakkoord-voor-duurzame-groei 253 Energierapport 2011. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie, 10 juni 2011. Te raadplegen: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2011/06/10/energierapport-2011 254 Energierapport: Transitie naar duurzaam.
Ministerie van Economische Zaken, 18 januari 2016. Te raadplegen: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/01/18/energierapport-transitie-naar-duurzaam 255 Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan 2021-2030. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, november 2019. Te raadplegen op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/11/01/integraalnationaal-energie-en-klimaatplan 256 11 procent energieverbruik in 2020 afkomstig uit hernieuwbare bronnen. CBS, 31 mei 2021. Te raadplegen op: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2021/22/11-procent-energieverbruik-in-2020-afkomstig-uit-hernieuwbare-bronnen 257 Verdrag betreffende de werking van de Europese unie. EU, 25 maart 1957. Te raadplegen: https://wetten.overheid.nl/BWBV0001506/2013-07-01#Verdrag
86
Biomassabeleid Tot 2020 stimuleert het Nederlandse energiebeleid het gebruik van biomassa voor energie als onderdeel van de energietransitie. Er zijn wel kritische geluiden uit de hoek van sommige milieuorganisaties, maar het kabinet gaat ervan uit dat een CO2-arme en circulaire economie alleen haalbaar en betaalbaar is met de inzet van bio-energie. Dat staat in het Klimaatakkoord. Het kabinet wil meer biomassa uit Nederland gebruiken en minder afhankelijk zijn van biomassa uit het buitenland. Verder staan in het Energieakkoord afspraken over het opwekken van duurzame energie, zoals meer windenergie en bijstoken van biomassa in kolencentrales. De Nederlandse overheid ondersteunt nieuwe technieken voor gebruik van bio-energie dan ook, onder andere via de subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+). Bedrijven, zoals elektriciteitscentrales en afvalverwerkers, kunnen biomassa verbranden en zo elektriciteit en warmte opwekken. Ze kunnen biomassa ook vergisten en er zo brandbaar biogas van maken. Via de SDE+ zijn er subsidies voor de productie van energie uit biomassa. Een recent ijkpunt in Nederland wat betreft het biomassabeleid was het eindrapport “Niet alles kan overal” van de commissie Remkes.
In dit rapport, van 8 juni 2020, dus na de besluitvorming rond de Biomassacentrale van het AEB, stelt de commissie Remkes dat subsidies die bedoeld zijn om productie van duurzame energie door het verbanden van biomassa te bevorderen, zouden moeten worden beëindigd. Dit heeft te maken met de (hoge) stikstofuitstoot van deze energiebedrijven en de (hoge) emissies die vrijkomen bij verbranding van biomassa in gas- en kolencentrales als ook in de speciaal daarvoor gebouwde biomassa-installaties. Ten tijde van de publicatie van het rapport zijn er 219 biomassa-installaties operationeel, die alleen biomassa als brandstof gebruiken. Daarnaast zijn 153 nieuwe installaties in aanbouw, waarvoor een (omgevings-)vergunning reeds is afgegeven. Dit betreft onder andere de biomassacentrale van het AEB. De aanzienlijke toename van biomassa-installaties wordt bevorderd doordat biomassa in het klimaatbeleid wordt aangemerkt als een optie die CO 2 bespaart en doordat er vanaf 2016 overheidssubsidies voor dergelijke installaties beschikbaar worden gesteld. De commissie Remkes merkt op dat dit onterecht is: “gecertificeerde biomassa wordt ten onrechte als ‘CO2-neutraal’ meegeteld”.258 Uit het rapport van commissie Remkes blijkt namelijk dat de emissies van biomassa-installaties tweemaal hoger liggen dan die van een gascentrale en zo'n 20% hoger dan een kolencentrale.
De commissie merkt op dat gecertificeerde biomassa ten onrechte als CO2-neutraal wordt meegeteld. Als mogelijke emissiereductie suggereert commissie Remkes het verminderen of zelfs geheel stopzetten van stimuleringsmiddelen, zoals de subsidieregeling. Daarop wordt begin juni 2021 besloten door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat om voorlopig te stoppen met subsidies voor biomassa(centrales). De subsidies die al zijn afgegeven blijven ongemoeid. Dit geldt onder andere voor de biomassacentrale van het AEB.
3.2
Beleidsontwikkelingen gemeente Amsterdam
De doelen van het Amsterdams gemeentelijke beleid ten aanzien van de afvalverwerking verschuiven door de tijd heen door aanpassingen in beleid en wetgeving op hoger niveau, maatschappelijke veranderingen en ambities van de beleidsmakers. De beoogde ambities van het afvalbeleid moeten dan ook in die context worden gezien. Gemeenten zijn door de nationale wetgeving verplicht om huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. Artikel 10.21 van de Wet Milieubeheer stelt dat gemeenteraad en burgemeester en wethouders ervoor zorgen dat minstens een keer per week huishoudelijk afval wordt opgehaald. De belangrijkste wettelijke opgave van gemeentelijk afvalbeleid is dan ook het inzamelen van afval.
258 Niet alles kan overal. Adviescollege Stikstofproblematiek Remkes, 8 juni 2020, p. 77. Te raadplegen:
https://open.overheid.nl/repository/ronl-e1d98609-6f59-4245-8758ec00da553db5/1/pdf/niet%20alles%20kan%20overal.pdf
87
Bij de inzameling van het huishoudelijk afval is het aan de gemeenten zelf om te beslissen hoe zij dit organiseren. Gemeenten kunnen de afvalinzameling zelf uitvoeren of een private partij kan worden ingeschakeld. Inzameling van bedrijfsafval behoort niet tot de wettelijke taken van een gemeente. Daarnaast dient iedere gemeente op basis van Artikel 10.21 van de Wet Milieubeheer ervoor te zorgen dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn of komen door handelingen met afvalstoffen. Vanaf 1993 wordt het ingezamelde afval verbrand in de afvalenergiecentrale (AEC) van de Gemeentelijke Dienst Afvalverwerking (GDA)259. Vóór 1993 werd het afval verbrand in de AVI-Noord, maar door plaatsgebrek kiest de gemeente ervoor een nieuwe centrale te bouwen in het westelijk havengebied.260 AEB is een belangrijke stakeholder voor de gemeente Amsterdam omdat zij het afval van de gemeente Amsterdam verwerkt. De gemeente Amsterdam en een aantal partnergemeenten hebben AEB een “alleenrecht” verleend ten aanzien van de verwerking van hun huishoudelijk afval. Dit betekent dat afvalcontracten voor de verwerking van het huishoudelijk afval van de gemeente Amsterdam en partnergemeenten niet openbaar aanbesteed hoeven te worden en onderhands aan AEB kunnen worden gegund.
Naast haar bijdrage aan de verwerking van het Amsterdamse afval, draagt AEB ook bij aan andere ambities van de gemeente Amsterdam op het gebied van duurzaamheid, milieu, energie en klimaat. Het afvalbeleid is dan ook sterk verweven met andere ambities van de gemeente. Door de jaren heen zijn de ambities op deze gebieden onderhevig geweest aan veranderingen. In de volgende paragraaf wordt op basis van de coalitieakkoorden van de beleidsontwikkelingen een overzicht geboden.
3.2.1
Coalitieakkoorden
Bij aantreden van een nieuwe coalitie van de gemeente Amsterdam wordt programma- of coalitieakkoord opgesteld voor de komende collegeperiode. In het coalitieakkoord wordt aandacht geschonken aan de voor de coalitie relevante politieke thema’s en ambities, op het gebied van onder andere milieu, klimaat, afval, duurzaamheid en deelnemingen. Bij het opstellen van de akkoorden dient rekening te worden gehouden met het beleid en de regelgeving van hogere overheden en van de Europese Unie. Op basis van dit samenspel wordt het Amsterdams beleid vastgesteld. De kernpunten met betrekking tot de thema’s milieu, duurzaamheid en afval van de coalitieakkoorden vanaf 2006 staan op hoofdlijnen weergegeven in Figuur 3.5.
259 Naamswijziging in 2003 naar Afval Energie Bedrijf (AEB) Amsterdam. 260 Raadsvoordracht Nieuwbouw geïntegreerde afvalverwerkingsinrichting in het westelijk havengebied,
behandeld in de raadsvergadering op 12 november 1986. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4448009/1
88
Het betreft de volgende coalitieakkoorden: -
-
-
2006-2010 – Mensen maken Amsterdam. Het college bestaat in de periode 2006-2010 uit GroenLinks en PvdA. 2010-2014 – Kiezen voor de stad. Het college bestaat in de periode 2010-2014 uit GroenLinks, VVD en PvdA. Prioriteit van het college is gelegd op het onderwijs, economie, duurzaamheid en bereikbaarheid.261 2014-2018 – Amsterdam is van iedereen. Het college bestaat in de periode 2014-2018 uit D66, SP en VVD. Aandacht gaat uit naar duurzaamheid en verbeteren van de luchtkwaliteit wordt als een voorwaarde gezien om aantrekkelijk te blijven als vestigingsstad voor mensen en bedrijven. Op dat vlak zijn - volgens het college - veel (internationale) steden verder dan Amsterdam. Door van die steden te leren, denkt Amsterdam de achterstand te kunnen inhalen. 262 2018-2022 – Een nieuwe lente een nieuw geluid. Het college bestaat in de periode 2018-2022 uit GroenLinks, D66, PvdA en SP. Amsterdam streeft ernaar om de groene koploper van Nederland en Europa te worden. Volgens het college betekent dat gekozen moet worden voor aardgasvrije wijken, voor verdere verduurzaming en energiebesparing en het verbeteren van de luchtkwaliteit.263
Het coalitieakkoord 1998-2002 – Een stad voor allen; allen voor Amsterdam blijft vrij algemeen over milieu en duurzaamheid, over afval wordt niet gesproken. Ook het coalitieakkoord 2002-2006 – Alleen het resultaat telt (met VVD, CDA en PvdA in de coalitie) bevat naast het doel van Amsterdam als duurzame en leefbare stad geen kernpunten over de genoemde thema’s. De gemeente heeft tot 2010 geen specifieke doelstellingen benoemd in de coalitieakkoorden op het gebied van duurzaamheid, afval en deelnemingen. Vanaf 2010 worden de eerste stappen gezet en komt de nadruk meer te liggen op duurzame energieproductie, energiedistributie en het terugwinnen van grondstoffen. Het beoogde maatschappelijk effect dat hierbij in de begrotingen van de gemeente Amsterdam wordt genoemd is de volgende: “Een duurzaam, gezond en leefbaar Amsterdam. Een duurzame en gezonde stad tegen de laagst mogelijke kosten voor de bewoners en de bedrijven van de stad. Amsterdam is een geliefde plek om te wonen.”264 Zoals reeds aangegeven ontstaat er in de opvolgende jaren een grotere verwevenheid tussen het afvalbeleid en de duurzaamheidsambities. De eerste Amsterdamse wethouder met “duurzaamheid” in de portefeuille, wethouder Choho, zegt hierover: “De portefeuille afval is niet alleen gekoppeld aan duurzaamheid. Dat gaat ook over het verwerken en het ophalen van het afval in de stad.
Dat was een portefeuille die ook een zelfstandige vorm kreeg, wat mij betreft.”265 Een nadere invulling van de ambities uit de coalitieakkoorden wordt vastgelegd in het gemeentelijke beleid. In 3.2.2 wordt ingegaan op de ontwikkeling van dit beleid, de ambities en doelstellingen op het gebied van afvalverwerking.
261 Programakkoord Amsterdam 2010-2014: Kiezen voor de stad, Gemeente Amsterdam, 19 mei 2010, p. 3. Te
raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4199286/2 262 Coalitieakkoord 2014-2018 Amsterdam is van iedereen, Gemeente Amsterdam, 12 juni 2014, p. 26. Te raadplegen op: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/1373648/1 263 Coalitieakkoord 2018-2022: Een nieuwe lente een nieuw geluid. Gemeente Amsterdam, mei 2018, p. 6. Te raadplegen: https://www.amsterdam.nl/bestuur-en-organisatie/volg-beleid/coalitieakkoord-2018/ 264 Begroting 2010, Gemeente Amsterdam, 7 oktober 2009, p. 199. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4196176/7 265 Openbaar verhoor dhr. Choho. 22 juni 2021.
89
Figuur 3.5 Vergelijking van doelstellingen gemeente Amsterdam op het gebied van milieu, klimaat, duurzaamheid, afval en deelnemingen (2006-2022)
2006-2010
2010-2014
2014-2018
2018-2022
Een schoon milieu is belangrijk voor de
Milieu
gezondheid van de mens. Het college hecht
Amsterdam heeft de ambitie de eerste stad
grote waarde aan een gezonde en leefbare
in Europa te zijn waar elektrisch vervoer
Milieu/ klimaat/ duurzaamheid: Op het gebied
stad. Het milieubeleid van de gemeente
normaal is. Prioriteit krijgt het verschonen
van duurzaamheid maken we de komende
Milieu/ klimaat: Amsterdam wil een wezenlijke
Amsterdam vervult daarin een belangrijke
van het gemeentelijk wagenpark én de uitrol
vier jaar een inhaalslag. Amsterdam wil
bijdrage leveren aan het halen van de doelstellingen
rol. Het college besteedt aandacht aan
van oplaadpunten voor auto’s van bedrijven
klimaatneutraal en duurzaam zijn. Niet alleen
van Parijs, en heeft daarom de ambitie de CO2
geluidsoverlast, duurzaam gebruik van
en burgers. Om het binnenklimaat van de
omdat dit wonen, verblijven, werken en
uitstoot in Amsterdam terug te dringen met 55% in
grondstoffen, kwaliteit van het water en de
bestaande woningvoorraad te verbeteren
recreëren in de stad aantrekkelijk maakt, maar
2030 en 95% in 2050. We streven er naar dat
luchtkwaliteit. Daarnaast is er aandacht
(o.a. woningisolatie), maken we afspraken
ook omdat dit kosten bespaart, banen creëert
Amsterdam in 2040 aardgasvrij wordt.
voor
met corporaties om hun bestaande voorraad
en bedrijvigheid stimuleert.
klimaatbeleid
waaronder
energiebesparing, beperking uitstoot CO2
te isoleren.
en duurzame energie.
In 2014 is de stad duurzaam. De openbare
Duurzaamheid
-
ruimte blijft van hoge kwaliteit. We kunnen
De regels voor het Duurzaamheidsfonds worden
meer met minder energie, dankzij nieuwe
aangepast. Het Duurzaamheidsfonds wordt ingezet
technologie en woning-isolatie. Voor
om de transitie naar een energie neutrale stad,
projecten ten behoeve van klimaat,
waar afval als grondstof wordt gebruikt, te
duurzaamheid en luchtkwaliteit is een fonds
versnellen.
beschikbaar van € 60 mln.
90
2006-2010
2010-2014
2014-2018
2018-2022
Het Amsterdamse afval gaat Amsterdam zoveel mogelijk als grondstof hergebruiken. Amsterdam gaat met het Afvalenergiebedrijf (AEB) de samenwerking tussen stadsdelen en ophalers verbeteren. Daarnaast gaan we het AEB helpen zich te transformeren van Amsterdam
Afval
-
ontwikkelt
nieuwe
technologieën in afvalscheiding en past deze toe.
afvalverwerker tot producent van herwinbare grondstoffen. Het rioolwater en –slib gaat door Waternet
verder
grondstoffen
te
gebruikt
worden
winnen
voor
om
nieuwe
producten, zoals biobrandstoffen en fosfaten. Naast afval en rioolwater zal ook naar de betere benutting van restwarmte worden gekeken in het aanvalsplan Energie. De afvalstoffenheffing wordt met 15 mln. euro verlaagd.
Amsterdam investeert in een duurzame afvalketen. De afvalketen moet een grondstoffenfabriek worden. De maakindustrie die deze grondstoffen verwerkt krijgt de ruimte in de omgeving van het AEB. Waternet is een partner bij het terugwinnen van grondstoffen
uit
het
riool.
Gescheiden
afvalinzameling moet beter en zuiverder. De succesvolle pilots voor gft worden uitgebreid. Verenigingen, scholen, buurtinitiatieven kunnen worden beloond voor het inleveren van zuiver, gescheiden afval. Er komt een gerichte aanpak voor bedrijfsafval; afvalinzameling moet zo veel mogelijk gezamenlijk worden georganiseerd om onnodige ritten terug te dringen. De afvalstoffenheffing wordt kostendekkend gemaakt.
De Amsterdamse overheid heeft zich altijd innovatief getoond, vandaar dat we van oudsher een groot aantal gemeentelijke
Deelnemingen
-
bedrijven en deelnemingen kennen. Deze
Amsterdam
functioneren over het algemeen goed, ook
aandeelhouder.,
omdat zij de tucht van de markt voelen. De komende jaren zullen niet eenvoudig zijn, omdat de druk op de markt toeneemt en de concurrentie hevig is. Dat betekent dat we per bedrijfstak
zullen kijken naar
de
positionering,
het
en
functioneren
Amsterdam gaat voor een € 250 mln. aan vastgoed en deelnemingen verkopen (bezit voor bezit).
is
een
aandeelhouderschap
actief
We
en
betrokken
benutten om
ons
maatschappelijk
verantwoord ondernemen bij deelnemingen te bevorderen (mens, milieu, maatschappij); waar nodig stellen we ons activistisch op.
mogelijkheden van vernieuwing.
Bron: Programakkoord Amsterdam 2006-2010: Mensen maken Amsterdam; Programakkoord Amsterdam 2010-2014: Kiezen voor de stad; Coalitieakkoord 2014-2018 Amsterdam is van iedereen; Coalitieakkoord 2018-2022: Een nieuwe lente een nieuw geluid.
91
3.2.2
Amsterdamse beleidsontwikkelingen in de tijd
De gemeente Amsterdam heeft met betrekking tot de afvalverwerking en de daaruit voortgekomen voornemens voor de bouw en exploitatie van de afvalverwerkingsinstallaties een ontwikkeling in het gemeentelijke beleid laten zien die hieronder wordt besproken. Naast het meer formele beleid van de gemeente wordt in deze paragraaf ook beschreven welke belangwekkende keuzes door de gemeente zijn gemaakt die zijn gerelateerd aan afvalverwerking. Naast de wettelijke verplichting van de gemeentelijke overheid om te voorzien in de inzameling van afval, worden het afvalbeleid en de daaruit afgeleide besluiten ook gebruikt om andere milieu- en klimaatdoelstellingen van de gemeente te bereiken. Hieronder wordt die ontwikkeling in grote lijnen op chronologische wijze weergegeven. Het gemeentelijke beleid en de daaruit voortvloeiende visies op de belangen en de functies van het AEB voor de gemeente Amsterdam dienen te worden geplaatst in het kader van de Europese en landelijke beleidsontwikkelingen en regelgeving zoals hiervoor beschreven. Daarbij gaat het naast afvalverwerking om ambities van de gemeente Amsterdam op het gebied van milieu, duurzaamheid en klimaat.
1988 Bij de eerste voorstellen die in 1986 worden gedaan voor de bouw van Afvalverwerkingsinrichting (AVI)West ter vervanging van AVI-Noord, wordt door het college een duidelijk kader gegeven aan de functie van de te bouwen AVI-West: “…voor volumereductie is verbranding zeer belangrijk. <...> Afvalverwerkings-inrichtingen zijn in deze infrastructuur niets meer of minder dan volumeverminderingsbedrijven, die daarenboven nog energie leveren.”266 Met deze uitgangspositie geeft de gemeente aan dat de afvalverwerking in eerste instantie gericht moet zijn op het reduceren van de volumes afval. Het opwekken van energie bij deze verbranding werd gezien als een nuttige bijvangst. Tevens wordt door het college een harde grens gesteld met betrekking tot de regio die van de nieuwe afvalinstallatie gebruik zou mogen maken. Dat betrof naast de gemeente Amsterdam een viertal samenwerkingsgebieden in de directe regio van Amsterdam. De gemeente drong bij de provincie aan op de bouw van een tweede afvalverwerkingsinstallatie in de provincie Noord-Holland, zodat de Amsterdamse centrale niet belast zou worden met verwerking van afval van buiten de samenwerkingsregio.267 De gemeente is bij het ontwikkelen van de plannen voor AVI-West bewust bezig met het introduceren van bronscheiding.
Zo stelt het college in de raadsvoordracht van 1989: “Reeds in 1987 hebben wij plannen ontwikkeld voor een proefneming met het gescheiden inzamelen van GFT-afval. <…> Hiervoor hebben wij al aangegeven, dat ook het PAP-2268 de gescheiden inzameling van GFT-afval als voornaamste doelstelling hanteert. Voor onze gemeente moet het bij wijze van experiment daarop al vooruitlopen ook worden gezien in het licht van de AVI-West; immers meer gescheiden inzamelen en composteren vermindert de capaciteitsbehoefte voor verbranding. <...> Als belangrijkste conclusie van deze boven verwachting succesvolle proefneming menen wij te mogen stellen, dat op grond van de resultaten een gescheiden inzameling van GFT-afval binnen bereik kan worden gebracht, zodat een afbuiging in de Amsterdamse afvalstroom mogelijk en haalbaar moet kunnen zijn. Wij gaan uit van een afgescheiden hoeveelheid GFT-fractie van circa 79.000 ton in 1993 en circa 86.000 ton in 1998. Wij
266 Raadsvoordracht Bouw afvalverwerkingsinrichting in het westelijk havengebied (AVI-West), behandeld in de
raadsvergadering op 31 mei 1989, p. 9. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4457167/1 267 Ibid. p. 9. 268 Provinciaal Afvalstoffen Plan, dit is een van de voorlopers van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP).
92
menen dan ook met enige trots te mogen stellen, dat dit een succesvolle ontwikkeling is” 269. Een vorm van mechanische nascheiding bleek evenwel niet succesvol. Daarover schrijft het college: “In de praktijk functionerende mechanische scheidingsinstallaties bleken een niet of nauwelijks afzetbaar product op te leveren”.270
2001 Op initiatief van de GDA wordt een extern bureau gevraagd om te adviseren over de toekomstige koers van de GDA. Deze opdracht leidt in 2001 tot een rapport van Deloitte, Touche en Bakkenist 271 dat een belangrijke rol krijgt in de ontwikkelingen van het Amsterdamse afvalbeleid en de uitwerking van dat beleid. Een belangrijke wending in het denken over de Amsterdamse afvalverwerking vloeit voort uit de vertaling van het rapport van Deloitte, Touche en Bakkenist door de GDA met betrekking tot het toekomstige bedrijfsmodel van de GDA. Het rapport leidt volgens de GDA tot de conclusie dat de toekomst van de GDA en de belangen van Amsterdam gediend zijn als de GDA in de vorm van een zogenaamde “proactieve dienstverlener” streeft naar uitbreiding van de afvalverbrandingscapaciteit. Deze optie zou aantrekkelijk zijn, omdat zo kostenreducties mogelijk zijn in combinatie met een beter milieurendement. Daarmee is de continuïteit van de GDA gediend. Op basis van dit rapport werkt de GDA in 2001 een voorstel uit, dat door het college aan de raad voorgelegd. Uitgangspunt van dat voorstel is de wens om de capaciteit van de GDA uit te breiden. 272 De achterliggende visie is er daarbij op gericht te komen tot een hoger energetisch rendement van de afvalverbrandingsinstallatie.
Bij de voordracht aan de raad voor realisering van de uitbreiding met een HRC is exploitatiewinst een belangrijke doelstelling. In de uitbreiding zou naast het huishoudelijk afval van de gemeente Amsterdam, stedelijk afval worden verwerkt afkomstig van bedrijven van gedeeltelijk nieuwe contractpartners van het AEB. Opmerkelijk is evenwel de koersverlegging tussen de beide laatste raadsvoordrachten voor de HRC die in 2003 in de raad worden voorgelegd. Waar de eerste raadvoordracht 273 in maart spreekt over het verwerken van vooral huishoudelijk afval in de te bouwen HRC, geeft de tweede, finale raadsvoordracht274 aan dat de HRC bijna enkel zal worden gebruikt voor bedrijfsafval. Daarbij wordt tevens aangegeven dat het opereren van de HRC op een vollast – dat wil zeggen het volledig benutten van de capaciteit van de geplande verbrandingsovens – een kritische succesfactor is voor een gezonde financiële exploitatie van de HRC. Daarom wordt parallel aan de uitbreiding met een HRC een zekerheid ingebouwd in de vorm van langjarige contracten voor het toeleveren van voldoende afval. De eerder bij de bouw van de AEC gehanteerde beperking dat de GDA enkel is gericht op het verwerken van afval uit Amsterdam en de directe overweging, wordt in deze raadsvoordracht niet meer opgevoerd. Om
269 Raadsvoordracht Bouw afvalverwerkingsinrichting in het westelijk havengebied (AVI-West), behandeld in de
raadsvergadering op 14 juni 1989, pp. 19 – 20. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4457167/1 270 Ibid. p. 4. 271 Eindrapport Strategische Positie Gemeentelijke Dienst Afvalverwerking Amsterdam, Deloitte & Touche Bakkenist, 8 februari 2001. 272 Raadsvoordracht Opstellen van een technisch voorontwerp c.a. in verband met de mogelijkheid tot uitbreiding van de afvalverwerkingsinstallatie (AVI)-Amsterdam, behandeld in de raadsvergadering op 5 september 2001, p. 4. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4479865/1 273 Raadsvoordracht Opstellen definitief ontwerp voor de uitbreiding van de afvalverwerkingsinstallatie (AVI)Amsterdam met een hoogrendement-AVI, behandeld in de raadsvergadering op 26 maart 2003. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4485720/1 274 Raadsvoordracht Realisering uitbreiding van de afvalverwerkingsinstallatie (AVI-Amsterdam) met een hoogrendement AVI, Raad Amsterdam, behandeld in de raadsvergadering op 17 september 2003, pp. 3 – 4. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4486221/1
93
verzekerd te zijn van voldoende afvalstoffen die in de HRC verbrand kunnen worden, worden met drie grote landelijke inzamelbedrijven overeenkomsten afgesloten.275
2004 In de periode vanaf 2004 wordt het duurzaamheidsaspect sterker benadrukt binnen het afvalbeleid. Om milieu hygiënische redenen wordt er gekozen voor het nuttig gebruiken van de thermische energie die vrijkomt bij afvalverbranding. Dit wordt geëxpliceerd in het Milieubeleidsplan Amsterdam 2004-2007 uit 2004. In dit document komt de nadruk te liggen op reductie van CO2-emissies en een zo hoog mogelijk energetisch rendement uit afvalverbranding. Het verminderen van CO 2-uitstoot door het verhogen van het energetisch rendement van de AVI werd een belangrijk doel binnen het afvalbeleid. 276 Deze grotere focus op het herwinnen van energie uit zich onder andere in de naamsverandering in 2003 van Gemeentelijke Dienst Afvalverwerking naar Afval Energie Bedrijf. Daarnaast wordt in het milieubeleidsplan de uitkoppeling van warmte en elektriciteit benadrukt, met name de borging hiervan op langere termijn voor de eindgebruiker. Naast nuttig gebruik van de energie die vrijkomt bij verbranding van afval, wordt ook nuttig gebruik gemaakt van de bodemas die overblijft na verbranding. Uit deze bodemas worden metalen en zand teruggewonnen die weer als grondstof kunnen worden gebruikt.
Een grotere hoeveelheid teruggewonnen grondstoffen wordt ook als expliciet doel gesteld in het Milieubeleidsplan Amsterdam 2004-2007.277 Tenslotte streeft de gemeente een vermindering na van de hoeveelheid te verbranden bedrijfsafval door middel van gescheiden inzameling en het hergebruik van kunststoffolies.278 Dat neemt niet weg dat de aandacht en inspanningen van de gemeente vooral worden gedomineerd door het in bedrijf nemen van de HRC, die is gericht op integrale verbranding van afval. De gemeenteraad van Amsterdam stemt op 16 juni 2004 in met dit milieubeleidsplan, waarin concrete en resultaatgerichte acties staan opgesteld op het gebied van geluid, lucht, klimaat en duurzaam gebruik van grondstoffen, met de kanttekening dat de looptijd van dit milieubeleidsplan is beperkt tot de periode 2004- en 2005.279 Deze kanttekening komt voort uit een motie waarin wordt aangegeven dat het concept-Milieubeleidsplan Amsterdam 2004-2007 geen nieuw beleid wordt geformuleerd, maar dat wordt voortgebouwd op praktische thema’s uit het bestaande beleid. Deze thema’s zijn al geformuleerd in eerdere beleidsplannen vanaf 1994. Er worden verschillende moties ingediend.
275 Raadsvoordracht Realisering uitbreiding van de afvalverwerkingsinstallatie (AVI-Amsterdam) met een
hoogrendement AVI, Raad Amsterdam, behandeld in de raadsvergadering op 17 september 2003, pp. 3 – 4. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4486221/1 276 Milieubeleidsplan Amsterdam 2004-2006. Gemeente Amsterdam, p. 8. 277 Ibid. p. 11. 278 Ibid. p. 8. 279 Raadsbesluit Concept-Milieubeleidsplan Amsterdam 2004-2007 en concept Milieuprogramma Amsterdam 2004 centrale stad, genomen in raadsvergadering op 16 juni 2004. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4487418/1
94
2007 In het opvolgende Milieubeleidsplan Amsterdam 2007-2010 uit 2007 wordt de lijn uit het vorige Milieubeleidsplan voortgezet. Het uitgangspunt blijft energie besparen, het duurzaam opwekken van energie en het op efficiënte wijze gebruiken van fossiele bronnen. Dit wordt de trias energetica genoemd280. Dit milieubeleidsplan focust verder niet op het thema afvalverwerking.
2010 Begin 2010 komen een aantal ontwikkelingen samen die ertoe leiden dat een aanvoer van voldoende te verbranden afval naar het AEB onder druk komt te staan. Door de economische crisis neemt de hoeveelheid afval af. Daarnaast blijkt er een landelijk toenemend succes van gescheiden inzameling van diverse soorten te hergebruiken afval. De landelijke overcapaciteit voor het verbranden van afval versterkt de concurrentie op de afvalmarkt. Het AEB richt zich met een rapport tot het college waarin een voorstel wordt voorgelegd om met oplossing voor deze problemen te komen.281 Het college legt dit rapport ter bespreking en kennisname voor aan de Raadscommissie voor Economische Zaken, Personeel en Organisatie op 30 juni 2010. Het rapport van het AEB beschrijft dat als gevolg van de ontwikkelingen nieuwe aanbestedingen voor het verwerken van afval met 60% in prijs zijn gedaald. Ondanks de lange termijncontracten van het AEB, wordt ook het AEB geconfronteerd met een daling van de absolute hoeveelheid afval van contractpartners. Het rapport geeft aan dat het AEB in 2009 ongeveer 50.000 ton via externe bronnen heeft aangetrokken om een volledige bezetting te realiseren. Naar verwachting kan er desalniettemin in 2010 een onderbezetting in de twee centrales (AEC en HRC) ontstaan.
Het AEB geeft aan dat het belangrijk is de beschikbare overcapaciteit te vullen om de inkomsten uit de verwerking van afval en de opwekking van elektriciteit veilig te stellen. In datzelfde rapport wordt aangegeven dat de Europese Kaderrichtlijn het mogelijk maakt om afval uit het ene land te verwerken in een ander land, mits duurzaam (in bijvoorbeeld een R1-installatie). Tevens geeft het rapport aan “[dat] Minister Cramer van VROM– mede op aandringen van wethouder Gehrels – voornemens [is] om hoogwaardige Nederlandse AVI’s reeds in het eerste kwartaal van 2010 de R1status te geven. Daarmee wordt het voor deze Nederlandse installaties mogelijk om net als Duitsland afval uit het buitenland te verwerken. Zowel voor de HRC als voor de AEC (een installatie uit 1993) zal deze R1status gaan gelden. AEB geeft aan dat Amsterdam zo wordt beloond voor de investeringen in milieuvriendelijke installaties waartoe de gemeente steeds bereid is geweest”. In de Meerjaren Visie 2020 (2010) stelt het AEB: “Tegelijkertijd is sinds 2009 de afvalmarkt omgeslagen van een aanbod-gedreven naar een vraag-gedreven markt”282. Door het college wordt – in lijn met het rapport van AEB – voorgesteld om tijdelijk buitenlands afval te verwerken. Een permanent karakter van de import van buitenlands afval wordt in het rapport van het AEB als een beheersbaar risico gezien.
Het rapport zegt daarover: “De termijn betreft de periode tot in het betreffende buitenland een permanente oplossing is gevonden. Dit duurt hooguit enkele jaren. Tenslotte is de plaatselijke verwerking van afval integraal milieuvriendelijker en goedkoper dan het transporteren van afval over grotere afstanden”283.
280 Milieubeleidsplan Amsterdam 2007-2010. Gemeente Amsterdam, 10 mei 2007., p. 42. Te raadplegen:
https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4189515/3 281 Afval Energie Bedrijf Amsterdam - AEB Voornemen van AEB om buitenlands afval te verwerken: conceptversie 4. AEB, 13 januari 2009. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4199717/2 282 Meerjaren Visie 2020: Duurzaam Perspectief. AEB, 20 september 2010. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4216580/1 283 Afval Energie Bedrijf Amsterdam - AEB Voornemen van AEB om buitenlands afval te verwerken: conceptversie 4. AEB, 13 januari 2009. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4199717/2
95
De eerdere uitgangspositie voor het AEB, zoals die ten tijde van het gebruik van alleen de AEC uitdrukkelijk was gericht op afvalverwerking uit de directe regio van Amsterdam, wordt hiermee verlaten. De gemeente Amsterdam en het AEB besluiten zich in nieuwe richtingen te profileren. De ambitie is om bij te dragen aan de oplossing van het Europese afvalprobleem en het reduceren van de uitstoot van CO2 op Europees niveau. Daarmee voorziet het college meer inkomsten.284 Tevens is het de ambitie om het concept van de HRC internationaal te gaan vermarkten, waarmee het AEB een extra taakstelling toebedeeld krijgt naast het feitelijke verwerken van afval.
2012 In 2012 stuurt de interim-directeur van het AEB een nota naar het college met als titel “Noodzaak en urgentie voor transitie van het Afvalenergie Bedrijf.285 Deze nota wordt door het college “ter advisering aan de gemeenteraad’ op 7 februari 2013 besproken in de raadscommissie EZP (waaronder de dossiers Economische Zaken en Bedrijven vallen) met als onderwerp “AEB: Afronden onderzoeksfase verzelfstandiging Afvalenergiebedrijf”286. Daarbij geeft het college aan: “[Dat] AEB in 2010 een strategische verkenning heeft uitgevoerd naar de beste manier om op de[ze] veranderde marktomstandigheden in te spelen. Daarbij is nadrukkelijk breder gekeken dan afval alleen door ook de ontwikkelingen in energie en grondstoffen mee te nemen. Conclusie hiervan is dat AEB zich wil blijven ontwikkelen van een verwerker van afval tot een producent van duurzame energie en herwinbare grondstoffen, evenals regisseur van de afvalketen in de metropoolregio Amsterdam. Dit is vastgelegd in de “Meerjaren Visie 2020: Duurzaam Perspectief” die op 19 januari 2011 positief is ontvangen in de raadscommissie EZP. Inmiddels is de conclusie dat het structurele herstel op de markt niet meer zal terugkeren. De verwerkingscapaciteit voor brandbaar afval is de afgelopen jaren verder uitgebreid, terwijl het aanbodvolume door de crisis is afgenomen.
De verwachting is dat het aanbodvolume verder zal dalen als gevolg van verdere scheiding en recycling van afvalstromen. Dit betekent dat er – zonder sanering van de verwerkingscapaciteit – sprake is van structurele overcapaciteit.”287 Met het aanbieden van de nota van de interim-directeur AEB aan de raadscommissie, geeft het college te kennen: “De markt voor brandbaar afval blijft in Nederland een krimpmarkt. Het beleid van het rijk en Amsterdam is gericht op meer recycling en hergebruik van grondstoffen. Hierdoor daalt het volume brandbaar afval. Op dit moment is het volume in Nederland nog ca 6 mln. ton/jaar op een verwerkingscapaciteit van 7,5 mln. ton (overcapaciteit 1,5 mln. ton/jaar). Het binnenlandse aanbod van brandbaar afval zal door hergebruik dalen tot mogelijk 4 à 5 mln. ton in 2020.” Op basis van deze ontwikkelingen voorziet het college 3 opties voor de toekomst van het AEB: “Proberen het bedrijf te verkopen, het bedrijf afbouwen of het bedrijf transformeren tot een duurzaam grondstoffen- en energiebedrijf.” Het college stelt voor om de derde optie te kiezen en het AEB te doen transformeren naar een duurzaam grondstoffen- en energiebedrijf.288
284 Afval Energie Bedrijf Amsterdam - AEB Voornemen van AEB om buitenlands afval te verwerken:
conceptversie 4. AEB, 13 januari 2009. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/4199717/2 285 Nota aan College van Burgemeester en Wethouders Gemeente Amsterdam betreffende Noodzaak en urgentie voor transitie van het Afvalenergie Bedrijf. R. Kruize, 22 oktober 2012. 286 Nota Afronden onderzoeksfase verzelfstandiging Afvalenergiebedrijf, behandeld in raadscommissie EZP op 7 februari 2013, p. 1. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/630142/2 287 Ibid. p. 1. 288 Nota aan College van Burgemeester en Wethouders Gemeente Amsterdam betreffende Noodzaak en urgentie voor transitie van het Afvalenergie Bedrijf. R. Kruize, 22 oktober 2012.
96
2013 In 2013 onderschrijven college en raad het Strategisch Plan AEB 2018.289 Daarin wordt aangegeven dat het Strategisch Plan AEB 2018 is gebaseerd op een hybride strategie. Het AEB zet in op nieuwe duurzame producten en diensten, en zorgt voor een stijgende kostenefficiëntie. In het Strategisch Plan AEB 2018 wordt aangegeven dat de gemeenteraad de in 2013 aangegeven ambitie onderschreef dat het AEB in 2030 het meest duurzame afval- en grondstoffenbedrijf ter wereld is. In dat kader wordt aangegeven: “Voor de gemeente Amsterdam bepaalt dit streven mede hoe zij optreedt als aandeelhouder van een verzelfstandigd AEB”. De transitie van afvalbedrijf naar duurzaam grondstoffenen energiebedrijf wordt als cruciaal gezien voor de toekomst van AEB.
2014 Tussen 2014 en 2016 is het Rijksprogramma Van Afval Naar Grondstof290 een belangrijke leidraad, waarin verschillende doelstellingen worden geformuleerd richting de circulaire economie. Dit programma dient als voorloper van het nationale programma 'Nederland circulair in 2050'.291 Een belangrijk uitgangspunt is dat het minimaliseren van de hoeveelheid recyclebaar restafval in verbrandingsinstallaties moet worden verminderd. 292 Belangrijk hierbij is dat er meer afval wordt gescheiden aan de bron. Door middel van nascheiding kan er nog meer worden bereikt. Nederlandse gemeenten hebben vrijheid bij het gescheiden inzamelen van huishoudelijk afval, maar dienen deze ambities wel na te streven waarbij de nadruk dus komt te liggen op grondstoffen redden en alleen restafval verbranden. In een eerdere kabinetsperiode is de ambitie uitgesproken om te komen tot een scheidingpercentage van 60-65% in 2015. Voor veel gemeenten geldt dat zij op dit gebied nog een inhaalslag moeten maken.293
2015 Vanaf 2015 hebben de duurzaamheidsambities een prominente plaats gekregen in het Amsterdams beleid. Onder de verantwoordelijkheid van wethouder Duurzaamheid (Choho) wordt gewerkt aan de agenda Duurzaam Amsterdam. Volgens wethouder Duurzaamheid (Choho) is “De duurzaamheidsagenda een gezamenlijke opdracht voor de gemeente en alle andere betrokken partijen.”294 In deze nota worden de ambities en aanpak ten aanzien van duurzame energie, schone lucht, circulaire economie en een klimaatbestendige stad geformuleerd. 295 Een belangrijke ambitie is om meer duurzame energie op te wekken door de groei van de productie van afgelopen jaren te versnellen. Het AEB en Westpoort Warmte (WPW) spelen daarin een belangrijke rol. WPW heeft de ambitie om het stadswarmtenet te laten groeien tot 2030 duizend aansluitingen in 2040. Om deze doelstellingen te bereiken is het nodig om het aantal nieuwe aansluitingen per jaar te verhogen.
289 Strategisch Plan AEB 2018. AEB, 7 november 2013. Te raadplegen:
https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/2384129/1 290 Van Afval naar Grondstof – Uitwerking van 8 operationele doelstellingen. Ministerie van Infrastructuur en Milieu, januari 2014. Te raadplegen: https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_145080_31/ 291 Ibid. p. 10. 292 Ibid. p. 9. 293 Ibid. p. 10. 294 Verslag commissievergadering Infrastructuur en Duurzaamheid 28 januari 2015. P. 11. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/1892288/1/ 295 Amsterdam Duurzaam, Agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad, gemeente Amsterdam, december 2014. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/1945105/1
97
In de openbare vergadering van de Raadscommissie Infrastructuur en Duurzaamheid van 28 januari 2015296 wordt er gesproken over de Agenda Duurzaamheid en besloten door de voorzitter dat de agenda naar de raad kan. Voorafgaand aan de vergadering zijn er 206 technische vragen gesteld en beantwoord en ook in de vergadering worden er veel vragen gesteld aan wethouder Choho. Er wordt door een raadslid een voorstel opgebracht om een deel van het dividend van het AEB in te zetten voor onderzoek naar afval. Dit voorstel werkt zich uit in een door de raad aangenomen motie 297, die aangeeft dat AEB in staat gesteld moet worden wetenschappelijk onderzoek te verdiepen door bijvoorbeeld een of meerdere promovendi aan te stellen in samenwerking met de Amsterdamse universiteiten. Voor het financieren van de transities uit deze duurzaamheidsagenda wordt het op te zetten Energiefonds de drager voor alle investeringen, waarbij wordt onderzocht hoe het Energiefonds nog verder kan worden vergroot door ook de markt mee te laten doen in de financiering van initiatieven. Vervolgens wordt er in de gemeenteraad van 11 februari 2015 gestemd over de agenda Duurzaam Amsterdam.298 Gelijktijdig ontvangen de raadsleden adviezen van de leden van de Duurzaamheidsraad299 met betrekking tot de agenda. Deze adviezen gaan met name in op de haalbaarheid van verschillende doelstellingen.
Ten aanzien van de circulaire economie wordt aangegeven dat de gemeente de afvalambitie als integraal onderdeel van de transitie naar een circulaire economie beschouwd.300 Sommige leden van de gemeenteraad vinden de ambities uit de agenda Duurzaam Amsterdam niet vergaand genoeg om in 2025 de uitstoot in de stad gehalveerd te hebben. Er worden veel moties en amendementen ingediend om die ambities naar boven bij te stellen. Dit heeft tot gevolg dat de stemming over de moties en amendementen en de instemmen met de duurzaamheidsagenda wordt uitgesteld tot de raadsvergadering op 11 maart 2015. De gemeenteraad stelt op 11 maart 2015 de agenda Amsterdam Duurzaam vast.301
2016 In 2013 is het scheidingspercentage in Amsterdam 19%. 302 Dit staat ver af van het beoogde scheidingspercentage van het rijk. In lijn met de uitgangspunten van het Rijksprogramma en de agenda Duurzaam Amsterdam wordt in 2016 vanuit duurzaamheidsoverwegingen getracht om door afvalscheiding bij te dragen aan een duurzame/circulaire stad. In het Uitvoeringsplan Afval 2016, dat door de gemeenteraad van Amsterdam op 14 juli 2016 is bekrachtigd, is in samenwerking met het AEB onderzocht hoe dit kon worden bereikt. In het Uitvoeringsplan Afval wordt aangegeven dat de regie op de afvalketen zich richt op verduurzaming (meer afvalscheiding), optimale dienstverlening en een efficiënte organisatie.303 Amsterdam wil, waar dat kan, voorkomen dat afval ontstaat. Als dat niet (geheel) lukt is het doel ervoor te zorgen dat afval zoveel mogelijk wordt gescheiden, zodat het kan worden hergebruikt. Dat wordt onder meer gedaan door het scheiden van afval voor bewoners 296 Verslag commissievergadering Infrastructuur en Duurzaamheid 28 januari 2015. P. 11. Te raadplegen:
https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/1892288/1/ 297 Motie van de raadsleden mevrouw Shahsavari-Jansen, de heer Groen en mevrouw Bosman inzake de Agenda Duurzaamheid (inzetten op onderzoek – promovendi bij Afvalenergiebedrijf), Shahsavari-Jansen, Groen & Bosman, 20 maart 2015. 298 Raadsvoordracht Instemmen met de Agenda Duurzaamheid, behandeld in de raadsvergadering van 11 maart 2015. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/1945103/1/document 299 De Duurzaamheidsraad van Amsterdam is een adviesraad die actief meedenkt en -werkt aan een toekomstbestendige en duurzame stad. De raad geeft gevraagd en ongevraagd onafhankelijk advies en maakt deel uit van een belangrijk netwerk voor een duurzaam Amsterdam. 300 Advies Duurzaamheidsraad Amsterdam bij Agenda Duurzaam, Duurzaamheidsraad Amsterdam, 6 januari 2015. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/1945107/1 301 Amsterdam Duurzaam, Agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad, gemeente Amsterdam, december 2014, print 1.1 302 Uitvoeringsplan Afval: grondstoffen uit Amsterdam, Gemeente Amsterdam, 7 juni 2016, p. 3. Te raadplegen: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/3621284/1 303 Ibid.
98