discussienota over klimaatpolitiek.pdf
Tekst van het document
DISCUSSIENOTA OVER KLIMAATPOLITIEK
Aan
: de leden van de gemeenteraad van Amsterdam
Van
: Anton van Schijndel (FVD)
Datum : 6 juni 2024 Betreft : Discussienota klimaatpolitiek
INHOUD I. Inleiding II. Wat is wetenschappelijk? III. Vereiste van zorgvuldige voorbereiding IV. Waar hebben we het over? V. De onderscheidingen VI. Natuurlijke oorzaken VII. Menselijke oorzaken VIII. Tussenconclusie IX. Specifieke modellenkritiek X. Juridische overwegingen XI. Financiële overwegingen XII. Conclusie
Samenvatting. Over de deugdelijkheid van de IPCC modellen woedt een groot debat. IPCC miskent de wetenschappelijke methode. Zorgvuldig beleid vergt algehele herziening van het Europees klimaatrecht. Politieke gezagsdragers mogen zich niet achter IPCC verschuilen. Er is een veelheid van natuurlijke en menselijke invloeden waar het IPCC aan voorbij gaat (tweefactorenleer). Klimaatmodellen die zich uitstrekken over driekwart eeuw zijn notoir onbetrouwbaar en derhalve geen valide grondslag voor beleid. Urgenda is de bijl aan de wortel van de democratische rechtsstaat. Hoge Raad was geëquipeerd noch gelegitimeerd zijn arrest te wijzen. Kosten klimaatbeleid zijn astronomisch. Het grootscheeps wegdrukken van ruimte voor klassieke overheidstaken is onaanvaardbaar. Een nieuwe koers met focus alleen gericht op klimaatadaptatie, is aangewezen. I. Inleiding. Er bestaat een grote verscheidenheid aan theorieën over het veranderende klimaat op aarde. Zo zijn er de rapporten van het Intergouvernementele Panel inzake Klimaatverandering (Intergovernamental Panel on Climate Change, hierna: ‘IPCC’). Dit IPCC is een begin jaren ’90 opgerichte VN-organisatie. Zij geeft Beoordelingsrapporten (Assessment
Reports) uit over de stand van het klimaat. De rapporten van het IPCC staan wereldwijd als gezaghebbend te boek. Maar er is ook een uitgebreide wetenschappelijk literatuur waarin die rapporten worden bekritiseerd. De kritiek richt zich, in hoofdzaak, tegen de gehanteerde klimaatmodellen. Die modellen zouden ongeschikt zijn om de opwarming van de aarde tot het einde van deze eeuw – over een tijdspanne van driekart eeuw – te voorspellen. Belangrijk is dat, als de kritiek juist is, het fundament aan het Akkoord van Parijs (2015), de Europese Green Deal en de Nederlandse Klimaatwet komt te ontvallen. De kritiek op het IPCC behelst, ten principale, dat het door haar aanbevolen klimaatbeleid ineffectief is en in de geïndustrialiseerde wereld zal leiden tot grote, vermijdbare welvaartsverliezen. Tegelijk zou het in ontwikkelingslanden afbreuk doen aan hun kansen op economische groei en maatschappelijke ontwikkeling. Wie heeft gelijk? Naar alle waarschijnlijkheid de critici van het IPCC. Want het IPCC versimpelt de zaken op onaanvaardbare wijze. In essentie kijkt ze enkel naar een tweetal factoren: koolstofdioxide (CO2) en aerosolen. Er zijn echter nog andere oorzaken die, tezamen genomen, van grotere invloed zijn dan de uitstoot van CO2 door het gebruik van fossiele brandstoffen. Zie straks paragrafen VI en VII.
Ter inleiding is het nuttig de zaken in geologisch perspectief te plaatsen. Sinds het ontstaan van de aarde verandert het klimaat. Over de afgelopen honderden miljoenen jaren beschikken we over overvloedig geologisch bewijs van enorme klimaatveranderingen. En ook in de afgelopen millennia was er aantoonbaar sprake van klimaatverandering. Het was wat warmer in de tijd van de Egyptenaren en de Romeinen, er was opnieuw een piek in de Middeleeuwen, daarna was het een paar eeuwen wat kouder (de zogeheten Kleine IJstijd) en sinds 1850 werd het weer een beetje warmer: ongeveer één graad Celsius wereldwijd1. II. Wat is wetenschappelijk? Veel mensen hebben geen idee wat de wetenschappelijke methode behelst. Menigeen heeft het gevoel dat er enkel één Wetenschappelijke Waarheid bestaat; zelfs academisch gevormden gaan hier vaak vanuit2. Het is een fatale misvatting. Essentieel is dat bekwame en integere wetenschappers het met elkaar oneens kunnen zijn. Simpelweg omdat de wetenschap vaak geen eenduidige en volledige antwoorden heeft. Juist 1
In Europa is de opwarming iets hoger doordat de landmassa van het Noordelijk halfrond groter is dan die van het Zuidelijk halfrond; land absorbeert de warmte van de zon sneller dan de oceanen. 2
In het bijzonder sociale wetenschappers moeten beter weten. Wreekt zich hier de verschraling sinds de jaren ’90 van het onderwijs in het eertijdse ‘zak-vak’ Methoden & Technieken?
dít is wat wetenschappelijk onderzoek drijft – de ene wetenschapper neigt naar de ene hypothese, de ander naar een andere. Verhitte discussies en onderzoek brengen wetenschappers vervolgens een stapje verder, als de ene of de andere hypothese kan worden weerlegd. Dit is de moderne wetenschappelijke methode zoals uiteengezet door Karl Popper. Maar, als we kijken naar de IPCC rapporten, geldt deze methode niet meer, althans niet onverkort in de klimaatwetenschap. Daar heerst een post-normale wetenschap die teruggrijpt op de tijd vóór Popper; toen gingen wetenschappers op zoek naar bevestiging van hun hypothesen, in plaats van naar de weerlegging ervan. III. Vereiste van zorgvuldige voorbereiding. Dit is zowel een fundamenteel beginsel van behoorlijk bestuur als van behoorlijke wetgeving. Het behoort tot de bestuursrechtelijke traditie van (nagenoeg) alle landen van de westerse wereld. Het vergt het vaststellen van relevante feiten en wetenschappelijke inzichten. Het vergt óók het vaststellen van uiteenlopende wetenschappelijke theorieën en inzichten. Die zijn er bijna altijd. In het voor klimaatpolitiek cruciale Europees recht gaat het daarbij over de eisen die voortvloeien uit de Beginselen voor Goed Bestuur (Principles of Good Government). Zie hierover het memorandum van professor Pieter Kuypers (AKD Brussel).
Achteraf kan blijken dat bij het eertijds vaststellen van beleid, wetgeving en verdragen van onjuiste, c.q. wetenschappelijk eenzijdige opvattingen is uitgegaan. In dat geval vergt het zorgvuldigheidsbeginsel het eerder afgekondigde beleid, wetgeving en verdragen ongedaan te maken, c.q. de daarin vervatte rechtsregels te herzien. Terzijde en ter toelichting: maatstaven om de kwaliteit van een beleid te beoordelen, zijn rationaliteit en legitimiteit. Rationeel is wanneer de argumentatie houdbaar is, dat wil zeggen bestand is tegen gefundeerde kritiek. Er zijn drie vormen van rationaliteit: 1) Waardenrationaliteit: redeneringen over relaties tussen waarden en daaruit afgeleide normen; 2) Doelrationaliteit: redeneringen over relaties tussen doeleinden en middelen; doelrationaliteit heeft drie lagen: a. Doelgerichtheid: of de doeleinden weloverwogen zijn gekozen (soms is dat niet zo) en of de middelen voor het bereiken van die doeleinden geschikt zijn b. Doeltreffendheid: of de ingezette middelen daadwerkelijk zullen leiden tot het bereiken van de doeleinden c. Doelmatigheid: hoe de doeleinden kunnen worden bereikt met de inzet van zo min mogelijk middelen (efficiëntie); 3) Causale rationaliteit: redeneringen over de relatie van oorzaken en gevolgen in de empirie.
In politieke situaties verdwijnt ‘evidence-based’ beleid naar de achtergrond. Men valt terug op (juridische) kennis uit beleidsdocumentatie, zoals verdragsteksten en de zogeheten Samenvatting voor beleidsmakers (Summary for Policymakers) van het IPCC. Dit is een door diplomaten opgestelde en uitonderhandelde samenvatting van een Assessment Report van doorgaans duizend pagina’s. Het is een in hoge mate politiek stuk voor de ‘beleidsmakers’. Onze wetgevers, zowel de nationale als de Europese, en ook de Hoge Raad zeiden de op wetenschappelijk bewijs (evidence-based) beleid gestoelde aanpak vaarwel door geheel en al uit te gaan dwz. zich te verlaten op de IPCC rapporten als zijnde De Ware Wetenschap. In het geval van de Hoge Raad bewees het dat zelfs hooggekwalificeerde rechters weinig benul hebben van wat wetenschap behelst (buiten hun juridisch vakgebied). Het toonde aan dat de rechterlijke macht in deze geëquipeerd noch gelegitimeerd is uitspraken te doen. IV. Waar hebben we het over? Het thema klimaat is de afgelopen tien jaar prominenter geworden. Alleen al in Nederland zullen de klimaatplannen tot 2050 meer dan 1.000 miljard euro kosten; omgerekend € 230.000,- per vierpersoonshuishouden gedurende een kwarteeuw. Dit is onvoorstelbaar veel geld.
De voorziene uitgaven werken in de hand dat reguliere overheidstaken – zoals onderwijs, zorg, politie en defensie – worden weggedrukt. In dat kader zijn álle politieke gezagsdragers – volksvertegenwoordigers en bestuurders – gehouden zich te vergewissen van de stand van de klimaatwetenschap, nu het middelenbeslag de budgettaire ruimte van de genoemde spending departments structureel fors vermindert. Men moet zich van de stand der klimaatwetenschap op de hoogte stellen om álle in het geding zijnde waarden en belangen te kunnen afwegen. Voor politici geeft het geen pas hun oordeel over te laten aan een of ander fractielid die optreedt als ‘klimaatwoordvoerder’, dan wel aan rekenmeesters van de planbureaus. Evenmin is aanvaardbaar het IPCC als de enige gezaghebbende bron van De Wetenschap aan te merken. Dat is op zichzelf al onwetenschappelijk, nu het voortschrijden van wetenschappelijke kennis het resultaat is van debat tussen wetenschappers. Over nut en noodzaak van de modellen woedt momenteel een groot debat. Het is hier dat de publieke ambtseed goed moet worden begrepen. Die gebiedt de publieke taak naar eer en geweten te vervullen. Bij een qua middelenbeslag kolossaal onderwerp als klimaat sluit dit het zélf doen van onderzoek in. Op z’n minst zal men advies omtrent de sterke en zwakke punten van de modelmatige benadering van het IPCC moeten inwinnen.
V. De onderscheidingen. Fundamenteel zijn twee onderscheidingen. Ten eerste, het verschil tussen weer en klimaat. ‘Weer’ is een momentopname: temperatuur en neerslag veranderen van dag tot dag, van jaar tot jaar. En dus zeggen van het gemeten gemiddelde afwijkende periodes van droogte of regenachtigheid gedurende een paar jaar, op zichzelf niets. ‘Klimaat’ is de gemeten temperatuur en neerslag gedurende dertig jaar in een bepaald gebied. Bijvoorbeeld Noord-West Europa kent sinds het kwartair een gematigd zeeklimaat. Ten tweede, het verschil tussen natuurlijke en menselijke invloeden (die invloeden worden ook wel forcings genoemd). Sinds het ontstaan van de aarde, viereneenhalf miljard jaar geleden, hebben zich enorme klimaatveranderingen voorgedaan. Die veranderingen kunnen – uit de aard der zaak – enkel door natuurlijke oorzaken teweeg gebracht zijn. Na het sinds 1850 op stoom komen (n.p.i) van de industiële revolutie zijn die natuurlijke oorzaken niet plotseling verdwenen. Het IPCC gaat er nochtans vanuit dat na 1850 uitsluitend menselijke oorzaken ertoe doen. Het gaat dan om twee factoren: 1. de toenemende uitstoot van koolstofdioxide (CO2), waarvan een opwarmende werking uitgaat, en 2. het door menselijke activiteiten in de atmosfeer brengen van aerosolen, waarvan, in het algemeen, een afkoelende werking uitgaat.
De twee-factorenleer van het IPCC is een onaanvaardbare versimpeling van de oorzaken van klimaatverandering. In essentie komt het neer op een antropocisme, oftewel ‘klimaatnarcisme’: alle klimaatverandering is man-made. Er zijn echter meer factoren in het spel. Eerst volgt hier een catalogus van de natuurlijke oorzaken. Daarna stip ik de menselijke oorzaken aan. VI. Natuurlijke oorzaken 1. CO2 uitstoot. In beperkte mate (vergeleken met de uitstoot door verbranding van fossiele brandstoffen) vindt er ook natuurlijke uitstoot van koolstofdioxide plaats door respiratie (uitademing) en decompositie (ontbinding) van dieren en planten, verwering van (carbonaat)gesteenten en grote bosbranden. 2. Oceaanstromingen. De oceanen vervullen een centrale rol in het klimaatsysteem, doordat ze meer dan 90% van de warmte van de zon opslaan. De atmosfeer reageert dynamisch op diverse invloeden vanuit de oceanen, zowel op dagelijkse als op jaarlijkse basis. Een voorbeeld van een oceanische invloed is El Niño. Dit omvat een sterke opwarming rond de
evenaar in de Stille Oceaan, waardoor het oppervlak van de oceaan met circa drie graden kan opwarmen, in vergelijking met het gemeten gemiddelde voor de tijd van het jaar. Andere belangrijke oceaanstromingen zijn de Pacific Decadal Oscillation en de Atlantic Multidecal Oscillation; ze leiden tot warme en koude stromingen over een tijdsbestek van circa dertig jaar3. 3. Zonnewarmte. Variaties in de balans tussen de door de aarde geabsorbeerde zonnewarmte en de warmte die via infrarode straling terug de ruimte in wordt gestraald, beïnvloeden de aardse temperaturen. Er is een groep wetenschappers die van oordeel is dat zonneactiviteit van (zeer) grote invloed is op het klimaat. De zon is de primaire energiebron van de aarde, en variaties in zonneactiviteit, zoals zonnevlekken en zonnevlammen, kunnen veranderingen in de hoeveelheid zonne-energie die de aarde bereikt veroorzaken. Ook beargumenteren zij dat de astronomische aardbaan en schommelingen van de aardas aanzienlijke effecten hebben op het klimaat, c.q temperauur- en neerslagpatronen. 4. Vulkanische activiteit. Zeer grote vulkaanuitbarstingen kunnen aanzienlijke hoeveelheden aerosolen en stof in de atmosfeer brengen, waardoor koelingseffecten ontstaan door het blokkeren van zonlicht.
Dit kan leiden tot korte-termijnveranderingen over een periode van één tot twee jaar waarin de wereldtemperatuur ongeveer één graad Celsius daalt. Voorbeelden zijn de uitbarstingen van de Krakatau in Nederlands-Indië (1883) en Mount Pinatubo (1991). Hier trad een zogeheten albedo-effect op, dat wil zeggen een sterkere weerkaatsing van het zonlicht door de uitgestoten aerosolen, waarvan een afkoelende werking uitgaat. 5. Wolkenvorming. Het albedo-effect speelt ook een vitale rol bij de reflectie van zonlicht door wolken. Zo kan zelfs een kleine stijging van de albedo door meer wolkenvorming ertoe leiden dat gletchers en het Noordpoolijs afkalven. De klimaatwetenschap is er evenwel nog lang niet uit hoe dit proces in z’n werk gaat. In een voortreffelijk artikel in Het Parool staat er dit over te lezen (fragment)4: Wolken zijn er in allerlei vormen en maten en hebben een complex effect op het klimaat op aarde. Zo reflecteren dikke, witte wolken veel zonlicht, waardoor ze een verkoelend effect hebben. Maar andersoortige, ijlere wolken laten juist een deel van het zonlicht door en vormen vervolgens een soort deksel waardoor de warmte niet kan ontsnappen, terug de ruimte in.
Om het nog ingewikkelder te maken zwermen er tal van natuurlijke en door menselijk handelen ontstane aerosolen (kleine deeltjes of vloeistofdruppeltjes) rond in de atmosfeer, die dan wel het reflecterende, dan wel het absorberende vermogen van
3
J. De Waart, Geloof niet alles (2022), pp. 149-151 https://www.parool.nl/wereld/europees-japanse-satelliet-gaat-wolken-onderzoeken-om-klimaatmodellen-teverbeteren~bf9fd62e/ 4
een wolk vergroten. En dan is er nog de aarde zelf die zonnestraling reflecteert en infrarode straling uitzendt, die al dan niet door het wolkendek wordt doorgelaten. Het is dus een ingewikkelde driehoek, waarvan de drie poten elkaar op allerlei manieren beïnvloeden en zo een stevige stempel op het klimaat en onze temperatuur op aarde drukken. Kortom, hoe wolkenvorming, aerosolen en de reflectie van de aarde zelf (albedo-effect) op elkaar inwerken, staat nog allerminst vast. 6. Methaan. Methaan is als broeikasgas circa 27 keer krachtiger dan CO2. Het speelt een rol in de klimaatverandering. Als natuurlijke oorzaak wordt uitstoot van methaan vooral teweeg gebracht door het rotten van planten in moerassen. VII. Menselijke oorzaken 7. Verbranding fossiele brandstoffen. Het is onomstreden dat de hierdoor veroorzaakte CO2 uitstoot enigermate bijdraagt aan het opwarmen van de aarde. CO2 wordt gemeten in partsper-million (ppm). Sinds 1850 is het CO2-gehalte gestegen van 280 ppm naar 420 ppm; ongeveer 0,04 % van de atmosfeer bestaat dus uit CO2. Het IPCC schrijft de opwarming van de wereldtemperatuur na 1850 met circa 1 graad Celsius toe aan deze stijging van CO2 in de atmosfeer. Andere wetenschappers zien evenwel de gemeten opwarming als hoofdzakelijk een gevolg van natuurlijke oorzaken, in het bijzonder, zie hierboven: punten 2. (oceaanstromingen), 3. (zonne-energie) en 5.
(wolkenvorming). 8. Verstedelijking. Een andere menselijke oorzaak van klimaatverandering is verstedelijking. Hier komt het hitte-eilandeffect bij kijken: het fenomeen dat de temperatuur in stedelijk gebied gemiddeld aanzienlijk hoger is dan in het omliggende landelijke gebied; dikwijls vijf tot tien graden Censius hoger! Het is plausibel dat de wereldwijde ‘trek naar de stad’ significant bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Stedelijke aglomeraties zijn een soort afgiftepunten voor de wereldwijde opwarming. Het IPCC noemt deze factor niet; het is niet verwerkt in de modellen. 9. Asian brown clouds; ontbossing. ‘Asian brown clouds’ is een laag luchtvervuiling bestaande uit roet en stof die zich over een groot deel van Zuid-Azië en China uitstekt. De voornaamste oorzaak is houtstook op grote schaal in landen als India en China. Deze laag hangende luchtvervuiling op continentale schaal absorbeert inkomende zonnestraling én dempt de terugstraling van warmte de ruimte in. Met name klimaatwetenschappers uit ontwikkelingslanden benadrukken het opwarmende effect van dit fenomeen. De traditionele houtstook in Azië gaat ook gepaard met ontbossing, wat op zichzelf reeds een opwarmend effect heeft, nu de albedo van bossen sterker is dan dat van ontboste gronden.
10. Methaan. Er is ook uitstoot van methaan als gevolg van menselijke activiteiten. Oorzaken zijn in het bijzonder aardgaswinning, grootschalige veeteelt en grote rottende vuilnisbelten in ontwikkelingslanden. VIII. Tussenconclusie. De IPCC modellen strekken zich uit over ruim driekwart eeuw, tot het einde van deze eeuw. In feite stelt het IPCC maar één factor centraal: Koolstofdioxide (CO2)5. Dit is hét grote gebrek van de modelmatige benadering van het IPCC. Er zijn evident méér factoren dan alleen CO2, en het staat allerminst vast hoe al de hierboven benoemde factoren op elkaar inwerken. Neem bijvoorbeeld de interacties tussen de atmosfeer, oceanen, landoppervlak en biosfeer. Het modelleren van al deze processen en hun onderlinge feedback vereist vereenvoudigingen en aannames, wat inherent leidt tot substantiële verschillen in de modeluitkomsten. In het bijzonder is de toekomstige uitstoot van broeikasgassen en verontreinigende stoffen met een klimaat-impact onzeker. Dit hangt af van diverse factoren, waaronder onder meer economische groei, technologische ontwikkeling en beleidsbeslissingen van overheden. De scenario’s over bijvoorbeeld CO2-emissies en sociaaleconomische ontwikkelingen berusten op aannames over toekomst.
Op het eerste gezicht kleine, bijna minieme verschillen in de parameters van gehanteerde modellen, leiden op dit punt tot forse verschillen in uitkomsten voor mogelijke temperatuurstijgingen aan het eind van deze eeuw. Terzijde: essentieel is dat CO2 een voedingsstof voor het leven op aarde is, met name voor planten en bomen. De uitstoot van CO2 leidt daardoor tot een aarde met meer bomen en planten en tot hogere landbouwopbrengsten. Merk op dat het grotere bladerdak van bossen de albedo zal versterken, waar dus een afkoelende werking van uitgaat. Misschien is het beter direct te stoppen met het klimaatbeleid en ons te richten op adaptatie, voor zover nodig, zoals dijkenbouw, kustbescherming, rivierbeheer en gewasontwikkeling? Het IPCC zet dus bijna geheel en al in op beperking van CO2-uitstoot. In parts-per-million (ppm) steeg CO2 in de atmosfeer sinds 1850 van 280 naar 420 ppm. Het is op z’n minst discutabel alle opwarming sinds 1850 daaraan toe te schrijven. Maar als we er desniettemin vanuit gaan berekent Koonin dat bij een verdubbeling van CO2 naar 800 ppm er een verzadigingseffect optreedt: de dubbel zo hoge CO2 waarde heeft enkel nog een geringe invloed op de afname van de koeling van de aarde6. Op 400 ppm is de extra afname van de
5
De afkoelende werking van aerosolen wordt door het IPCC overigens beperkt in de modellen meegenomen. Deze wordt geraamd op ongeveer minus een halve graad Celsius. 6 S.Koonin, Onbeslist, 2e druk, pp. 33-37, i.h.b. p. 36
koeling (vergeleken met het pre-industriële niveau van 280 ppm) ongeveer 7,6%. Als we op 800 ppm zitten is de afname van het afkoelingsvermogen nog maar 0,8%7. Maar er is meer. Het is het IPCC zélf die erkent dat er een uitermate grote onzekerheidsmarge is. De Waart wijst op deze passage in het laatste Assessment Report 6, uit 20218. Merk op dat over de mate van waarschijnlijkheid het AR 6 tot een heel voorzichtig oordeel komt. Het IPCC acht de toegeschreven (marge in de) bijdrage aan opwarming likely, dat wil zeggen tweederde kans dat deze juist is. A.1. Global surface temperature in the first two decades of the 21st century (20012020) was 0,99 C higher than 1850-1900. A.1.3. It is likely that well-mixed greenhouse gasses contributed to a warming of 1,0 C to 2,0 C, other human drivers (principally aerosols) contributed to a cooling of 0.0 to 0,8 C, natural drivers changed global temperatures by minus 0,1 to + 0,1 C and internal variability by minus 0,2 to + 0,2 C. Wat staat hier? Het IPCC acht het waarschijnlijk (likely) dat broeikasgassen bijdroegen aan een opwarming van 1 tot 2 graden Celsius; dat andere menselijke factoren (vnl. aerosolen) bijdroegen aan een afkoeling van 0 tot 0,8 graden Celsius; natuurlijke factoren droegen bij van min 0,1 tot plus 0,1; en dat de natuurlijke internal variability (van het klimaatsysteem, AvS) tussen minus 0,2 tot plus 0,2 Celsius beliep.
De mogelijke variatie in de opwarming door broeikasgassen vanaf 1850 tot nu toe is dan van 0,7 tot 2,1 graden Celsius; een factor 3, dus. Dit is een uitermate grote onzekerheid in de inschatting van het IPCC zelf. Maar daar blijft het niet bij. Er zijn de door het IPCC grotendeels genegeerde natuurlijke oorzaken: - het zgn. natuurlijke broeikaseffect (de dampkring) zorgt voor 33 graden Celsius opwarming; als die er niet was, was de aarde een ijsklomp - er zijn de astronomische factoren (variatie van aardas en aardbaan) - en ook de oceaanstromingen. Zie hierboven de lijst met de niet te negeren natuurlijke invloeden, paragraaf VI. Dan zijn er de menselijke invloeden. Het IPCC kijkt eigenlijk enkel naar het versterkt broeikaseffect door de broeikasgassen (zoals CO2, methaan, O3, N2O en halogeenkoolwaterstoffen), waarbij CO2 als verreweg de belangrijkste wordt beschouwd. Maar het kan niet anders dan dat er ook andere menselijke factoren spelen. Zie hierboven paragraaf VII met catalogus van menselijke invloeden, bijv. veranderend grondgebruik en urbanisatie; Atmospheric Brown Clouds enz.
7 8
S. Koonin, Onbeslist, p. 34 (bovenaan) De Waart, p. 169
Koonin heeft de volgende hoofdpunten van kritiek op de door het IPCC gehanteerde modellen. Het betreft: 1 - tussen de modellen varieert de (gesimuleerde) gemiddelde mondiale oppervlaktetemperatuur met ongeveer 3 graden Celsius. Dat is drie keer groter dan de opwarming sinds 1850. Hier is dus een uitermate grote onzekerheidsmarge. 2 - de spreiding van modeluitkomsten is bij de nieuwere generatie modellen GROTER dan bij de oudere. Met het voortschrijden der wetenschap had het juist kleiner moeten zijn. Dit is overtuigend bewijs dat 'De Wetenschap' er nog lang niet uit is. 3 - de niet verklaarde Dust Bowl episode in Noord-Amerika (1920-1940) bewijst dat eveneens. 4 - de interne variabiliteit (dwz. de natuurlijke schommelingen van het klimaatsysteem) zijn voor de klimaatmodellering juist een groot probleem. In dat verband is (onder veel meer) het negeren van het repeterend gedrag van oceaanstromingen onwetenschappelijk. 5 - de interne variabiliteit van het gehele klimaatsysteem (dat we dus nog niet goed kennen) kan mogelijk de opwarming van de wereldtemperatuur sinds 1850 verklaren. Alles overziende: het Europees klimaatbeleid werd na het Akkoord van Parijs (2015) in de Green Deal nogal halsoverkop in elkaar gezet, namelijk in een paar jaar tot 2019.
De vraag is daarbij of Europese Beginselen van goed bestuur (Principles of Good Governance) meebrengen dat de jegens de EU-lidstaten dwingend opgelegde CO2-uitstooteisen moeten worden heroverwogen, c.q. moeten worden herzien. Een en ander klemt te meer bij een vergelijking met gehanteerde modellen op andere terreinen, zoals Covid-19 en in de macro-economie. Ook een jurist zonder inhoudelijke kennis van deze domeinen kan er naar mijn mening desalniettemin iets over zeggen. We zitten hier op het terrein van de algemeen erkende feiten en de ervaringsregels. Feit is dat de klimaatmodellen driekwart eeuw beslaan, waarbij minieme verschillen in de aannames heel grote verschillen in de modeluitkomsten per ultimo 21e eeuw veroorzaken. Allereerst de vergelijking met corona: de modelperiode was extreem kort: circa een half jaar. En het aantal factoren was héél klein. Het waren er welgeteld vier9. Cruciaal: de RIVM modellen over het mogelijke aantal ziekenhuisopnames zaten er regelmatig volkomen naast. Dat is ook voor een leek eenvoudig vaststelbaar door te kijken naar de modelleur van het RIVM opgestelde prognoses en het feitelijke verloop van het beslag op de ziekenhuizen.
9
1. het gemiddelde aantal contactmomenten (ivm. het R getal), 2. of het zomer of winter is, 3. hoe besmetting verloopt (via de druppeltjes en/of via aerosolen), en 4. hoe gevaarlijk de dominante variant is (Wuhan was aanzienlijk virulenter dan omikron).
Dan de macroeconomie. In paragrafen VI en VII benoem ik precies 10 factoren van klimaatverandering. In de modellering van de macroeconomie zijn er een (in orde van grootte) even groot aantal factoren ter verklaring van de ontwikkeling van rentes, inflatie, groei BBP, werkgelegenheid etc. Die modellen hebben evenwel een vooruitkijktijd van maximaal twee tot drie jaar. Het een feit van algemene bekendheid dat macro-economische modellen een uitermate gebrekkig voorspellend vermogen hebben. Waarom zou dat in de klimatologie –gezien de véél langere tijdspanne– niet ook zo zijn? IX. Specifieke modellenkritiek. De kritiek is vierledig. Het betreft: (i) de inhoud van de modellen, (ii) het proces van werken met gemiddelden van de modellen (de ensembles), (iii) de ontoereikende verklarende kracht van de modellen ten aanzien van historische data, en (iv) het tunen van gehanteerde modellen. Ad (i) Koonin legt er de nadruk op dat we voor het ontwarren van natuurlijke en menselijke invloeden, plus hoe die op elkaar inwerken “héél véél precies moeten begrijpen”(mijn accenten en cursivering, AvS)10. Zonder die kennis ís er geen voor het beleid bruikbare klimaatmodellering mogelijk. En de modellen hebben een tijdspanne van -mind you- ruim driekwart eeuw. Zijn conclusie: de voor bruikbare modellering benodigde kennis is er nog niet.
Derhalve zal het enig verdedigbare en ook aan te bevelen klimaatbeleid moeten focussen op klimaatadaptatie, in plaats van de huidige focus op peperdure ‘klimaatmitigatie’. Zie straks paragraaf XI over financiële en economische effecten. Ad (ii) Wereldwijd bestaan er momenteel ongeveer veertig toonaangevende klimaatmodellen. Die zijn afkomstig van gerenommeerde universiteiten, zoals Cambridge, Oxford, Harvard, Stanford, Columbia University, Universiteit van Utrecht, Max Planck Institut enz enz. De modellen van deze instellingen verschillen. Het door het IPCC nemen van een gemiddelde van de in de beschouwing betrokken modellen (via een zogeheten ensemble) is ten enenmale onwetenschappelijk, nu duidelijk is dat tamelijk minieme verschillen in aannames en parameters tot forse verschillen in geprognotiseerde temperaturen per ultimo deze eeuw leiden. Ad (iii) Als een model niet in staat is in het (relatief recente) verleden opgetreden stijgingen van temperaturen te verklaren, is dat een rode vlag voor het voorspellend vermogen tot het einde van deze eeuw van dat model.
10
S. Koonin, Onbeslist, p. 40
Koonin noemt in dat verband de jaren ’30 van de vorige eeuw, de periode van de Dust Bowl in Noord-Amerika waarin de temperatuur ongeveel 1 procent Celsius steeg. De IPCC modellen kunnen die aanmerkelijke stijging slechts ‘voor de helft’ verklaren, dus tot circa 0,5 graden Celsius. Ad (iv) Indien gehanteerde modellen de historische data niet adequaat kunnen verklaren, wordt overgegaan tot het zogeheten tunen van de modellen. Tunen is het achteraf aanpassen van modellen om de in het verleden opgetreden klimaatverschijnselen, zoals gemeten temperaturen, te kunnen ‘vangen’11. Deze handelwijze is volkomen onwetenschappelijk. X. Juridische overwegingen. Het klimaatrecht is voornamelijk geregeld in Europese wetgeving. In hoofdzaak betreft dit verordeningen en richtlijnen in het kader van de zgn. Green Deal. Daarnaast is er de sinds kort in Nederland van kracht geworden Klimaatwet. Ook het Akkoord van Parijs (2015) maakt er deel vanuit, plus Nederlandse jurisprudentie in de Urgenda-zaak en de Shell-zaak, alsmede de recente uitspraak van het EHRM inzake de KlimaSeniorinnen12. Het Akkoord van Parijs heeft tot doel de opwarming van de aarde te beperken tot onder de 2 graden Celsius en bij voorkeur tot maximaal 1,5 graden Celsius boven het pre-industriële niveau van 1850. Dit verdrag heeft geen bindende werking13. Andere verdragspartijen kunnen naleving niet afdwingen.
Het verdrag kan jegens onderdanen geen staatsaansprakelijkheid scheppen. Ondanks de uitdrukkelijke bepalingen van het Akkoord van Parijs heeft de Hoge Raad in zijn Urgenda-arrest geoordeeld dat het per ultimo 2022 niet behalen van bepaalde CO2emissienormen in strijd is met de mensenrechten, in het bijzonder de artikelen 2 (recht op leven) en 8 (recht op privéleven) van het EVRM. Daarmee handelde de Hoge Raad in strijd met het Nederlands staatsrecht14, en wel in het bijzonder een structureel kernelement: de scheiding der machten15. Hier geldt het verbod bij algemene dispositie recht te spreken (artikel 12 Wet Algemene Bepalingen16). De uitspraak 11
S. Koonin, pp. 68-71 Vgl. Kustaw Bessems, 12 april 2024, de Volkskrant - https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/rechters-gaante-ver-met-hun-klimaatpolitiek-en-je-bent-geen-orban-als-je-dat-vindt~b3bdf0dc/ 13 Dieperink, M., Intreerede - Zonder visie geen transitie (2022) 14 Zie: W. Voermans, Staat moet wél in hoger beroep, de Volkskrant, 15 augustus 2015; L.F.M. Besselink, Rechter en politiek: Machtenscheiding in de Urgenda-zaak, TvCR, 11 (2), pp. 128-151; P.P.T. Boven d’Eerd, Machtenscheiding en rechtsstaat (of rechtersstaat?) na Urgenda , RegelMaat 2021 (37) 3, pp. 132-144 15 Aldus de (zwaar bekritiseerde) AIVD-notitie inzake ant-institutioneel extremisme (2023), pp. 12-13 16 Artikel 12 Wet algemene bepalingen – “Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.” 12
van de Hoge Raad was in strijd met de door de leden van het rechtscollege afgelegde ambtseed17. Vermeldenswaard is dat de bepalingen van het Akkoord van Parijs, waarin expliciet de juridische onverbindendheid ervan en de uitsluiting van aansprakelijkheid van de Staat is geregeld, wordt genegeerd. Uit het door de Hoge Raad overwogene blijkt dat hij uitgaat van de ‘tweefactorenleer’ van het IPCC, hetgeen, zoals betoogd, in wezen onwetenschappelijk is. Ik citeer: ‘Nederland is partij bij het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (VNKlimaatverdrag). Dat verdrag heeft tot doel om de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau te houden waarop een door menselijk handelen veroorzaakte verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Het verdrag berust op het uitgangspunt dat alle aangesloten landen maatregelen moeten treffen om klimaatverandering te voorkomen, in overeenstemming met ieders specifieke verantwoordelijkheden en mogelijkheden. [..] Ieder land is dus voor zijn deel verantwoordelijk. Daarom kan het argument dat de eigen uitstoot, op wereldschaal bezien, een relatief geringe omvang heeft en dat een reductie van de eigen uitstoot op wereldschaal slechts een gering effect heeft, een land niet ontslaan van de op hem rustende deelverantwoordelijkheid om maatregelen te nemen.
De Staat is dan ook verplicht om, overeenkomstig zijn aandeel, de uitstoot van broeikasgassen vanaf zijn grondgebied te verminderen.’ In de procedure konden argumenten omtrent de stand van de klimaatwetenschap niet worden aangevoerd, nu de Staat de ‘levensbedreigende’ impact van klimaatverandering in talloze beleidsdocumenten had erkend. Naar mijn oordeel moet de Staat het ertoe leiden dat de Urgenda-uitspraak (2019) in een nieuwe procedure opnieuw ten toets komt. Daarbij gaat het, in hoofdzaak, om herstel van de bevoegdheid van de formele wetgever om in beleidsvrijheid gestalte te geven aan zijn verantwoordelijkheid en bevoegdheid integrale afwegingen te maken omtrent het door de Staat te voeren beleid. Op dit punt zal de onderschikking van de wetgevende macht aan de rechterlijke macht ongedaan moeten worden gemaakt. Met andere woorden, de omverwerping van de machtenscheiding door de Hoge Raad moet worden geredresseerd. Het is de taak en plicht van parlement en regering daartoe alles in het werk te stellen18.
17
Bij voordracht tot toelating van nieuwe leden tot de Hoge Raad moet de Tweede Kamer erop toezien dat voorgedragen kandidaten afstand nemen van de hapax, i.e. de Urgenda jurisprudentie.
XI. Financiële en economische overwegingen. Door FVD is in 2019 aangevoerd dat de kosten van het behalen van de klimaatdoelen in 2050 minstens 1000 miljard euro zullen bedragen. De Volkskrant kwam uit op een bedrag van ongeveer 700 miljard. Door de na de oorlog in Oekraïne veroorzaakte inflatie en hogere materiaalkosten zullen de totale kosten naar redelijke verwachting nog aanzienlijk hoger uitvallen. De kosten tot het jaar 2150 voor enkel en alleen de woningsector werden in 2019 door het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) geraamd op een bedrag van minstens 235 miljard euro.19 Taco van Hoek (directeur EIB) stelde dat voor de niet-woning bebouwing (kantoren, scholen, fabrieken enz.) hetzelfde bedrag nodig zal zijn om ook aan de eis van klimaatneutraliteit te voldoen.20 Maar Van Hoek wees er toen al in 2019 ook op dat het daarmee gestelde doel nog lang niet wordt gehaald: in 2050 zou alle energie afkomstig moeten zijn uit duurzame bronnen. De investeringen daarvoor kosten tenminste het dubbele en, in sommige schattingen, zelfs het driedubbele: 400 tot 600 miljard euro.21 22 Vijf jaar na dato constateert hij dat (uitgaande van de ‘officiële’ klimaatwetenschap van het IPCC) dat we in Nederland door de relatief geringe CO2 uitstoot in de EU – op wereldschaal 6%, terwijl het stormachtig groeiende Azië nu al goed is voor 60% – bezig zijn met een enorme kapitaalvernietiging.
‘Maar wij moeten onder ogen zien dat wij het doen voor het klimaat, want puur economisch is het voor een groot deel eigenlijk kapitaalvernietigingom ons huidige energiesysteem af te breken en iets nieuws op te bouwen. De rekening gaat de komende jaren verder omhoog. (..) Je kan je veel zorgen maken over het klimaat, maar je kunt geen ijzer met handen breken. Bovendien kunnen klimaatproblemen alleen op wereldschaal worden opgelost. De sleutel ligt dan ook in Azië, wij kunnen het verschil niet meer maken’23.
18
Vgl. Bovend’Eert, Machtenscheiding en rechtsstaat (of rechtersstaat?) na Urgenda, p/ 141. Hij haalt in dat verband C.W. Opzoomer in diens klassieke commentaar op de Wet houdende algemene bepalingen, aan: ‘De wetgevende macht kan zich niet de handen binden en van haar eigen recht van oordeel en beslissing afstand doen’. 19 https://www.eib.nl/pdf/EIB-notitie_Klimaatbeleid_en_de_gebouwde_omgeving.pdf 20 T. van Hoek in debat in debatcentrum De Balie in Amserdam: https://www.elsevierweekblad.nl/nederland/achtergrond/2018/06/live-gasdebat-626794 21 https://www.forbes.com/sites/michaelshellenberger/2018/04/23/if-solar-and-wind-are-so-cheap-whyare-they-making-electricity-more-expensive 22 Zie ook Bjorn Lomborg, New York Post - https://nypost.com/2024/04/09/opinion/taxpayer-subsidies-haventmade-wind-and-solar-power-cheaper-or-better-for-americans/ 23 https://www.telegraaf.nl/financieel/665264921/nederland-klimaatneutraal-er-zijn-veel-te-weinig-handjesom-van-het-gas-af-te-gaan
Dit alles heeft kolossale welvaartsverliezen tot gevolg. Dat gaat als volgt in z’n werk. Het afknijpen van investeringen in fossiele brandstofwinning leidt tot schaarste en dus structureel hogere energieprijzen. Op de lange termijn is dit goed voor de winstgevendheid van olie- en gassector, Big Oil; dus vinden ze de strijd tégen fossiele investeringen best okay.. Voor ontwikkelingslanden ligt dit gans anders: hogere energieprijzen zetten een rem op hun welvaartsgroei. Het wekt dan ook geen verbazing dat alleen al India en China de komende jaren vele honderden kolencentrales zullen bijbouwen24. Voor de bevolking van geïndustrialiseerde landen, zoals Nederland, is er één zeer groot nadeel: het klimaatbeleid leidt tot een structureel hoger prijspeil doordat de hogere energieprijzen doorsijpelen in de prijzen van vrijwel alle goederen en diensten. Voor de EU-landen dreigt hierdoor een forse de-industrialisatie, nu de energieprijzen in de Verenigde Staten en ook Azië structureel lager liggen dan in de Europese Unie. Voor multinationals is dat een sterke prikkel hun energieintensieve activiteiten naar (met name) Noord-Amerika te verplaatsen. In dit licht is het ongelooflijk dat het parlement bij de behandeling van de Klimaatwet geen doorrekening van het CPB betreffende de economische effecten heeft geëist.
Dit was een manifeste en grove schending van de fundamentele eis van goed bestuur om de effecten van voorgenomen wetgeving in kaart te brengen. Het huidige klimaatbeleid vloeit voort uit het maatregelenpakket van de zogeheten Green Deal van vóór 2019. Dat was het laatste -zorgeloze- jaar voordat de coronapaniek en de oorlog in Oekraïne uitbrak. We leven nu in een andere tijd die zonneklaar om een herschikking van prioriteiten vraagt. Een parlement en regering die de schouders ophalen over het huidige klimaatbeleid, falen. XII. Conclusie De klimaatmodellen en de daarop gebaseerde scenario’s zijn niet het alpha en omega van De Wetenschap. Het is volkomen onwetenschappelijk te denken dat er maar één wetenschappelijke waarheid is en dat een intergouvernementele VN-organisatie die in pacht zou hebben.
24
https://www.economist.com/briefing/2018/08/02/india-shows-how-hard-it-is-to-move-beyond-fossil-fuels
De Urgenda-jurisprudentie zet de bijl aan de wortel van de democratische rechtsstaat, nu ze de scheiding der machten omverwerpt. De onderschikking van de wetgever aan de Hoge Raad is onaanvaardbaar en moet worden geredresseerd. De kosten van het dwingende klimaatrecht zijn astronomisch. Het is onaanvaardbaar dat ze de ruimte voor klassieke overheidstaken grootscheeps en structureel inperken. Een wetgevende macht die onverdroten doorgaat met het ingezette klimaatbeleid, faalt.