CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

defititief rapport Robert Scott.pdf

Raadscommissie Algemene Zaken 23 januari 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Opvolging onderzoeksrapport aanloop dodelijk steekincident Robert Scottstraat Amsterdam (VN2024-017966)18.662 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het afloopbericht van het schoringstoezicht van Inforsa staat dat de GGDVA en de toezichthouder van Inforsa – naar alle waarschijnlijkheid eind 2020 – contact hebben gehad over de overlastmeldingen van begin 2020. Daarbij heeft de toezichthouder van Inforsa aangegeven niet meer betrokken te zijn, aangezien de rechtbank op zitting in februari 2021 geen toezicht heeft opgelegd.

Op 8 december 2020 wordt een reclasseringsadvies uitgebracht door Inforsa voor de rechtszitting. Daarin wordt ook teruggeblikt op het lopende schorsingstoezicht. Daaruit blijkt dat O. meewerkt aan het aan het lopende schorsingstoezicht en zich aan de toezichtsafspraken houdt. Verder wordt aangegeven dat O. op 28 oktober 2020 is aangemeld voor ambulante behandeling en op de wachtlijst staat bij Inforsa. De ambulante behandeling is niet gestart vanwege de wachttijden bij de behandelaar. Op zitting op 16 februari 2021 geeft O. aan dat hij geen medewerking zal verlenen aan toezicht of andere vormen van hulpverlening als deze door de rechtbank zouden worden opgelegd. De rechtbank legt vervolgens geen toezicht op, maar een gevangenisstraf, ondanks het feit dat in het Pro Justitia onderzoek is

O. heeft op vrijwel alle momenten geweigerd mee te werken aan toezicht en de onderzoeken en weigerde alle vormen van hulp. Door de categorische zorgmijding van O. was het niet mogelijk om een duidelijke diagnose te stellen. Ook behandelvoorwaarden (zoals agressie-regulatie en ambulante behandeling) zijn om verschillende redenen niet van de grond gekomen. De informatie over het reclasseringstoezicht is gedeeld met de regisseur Top600. De informatie over uitgevoerde onderzoeken door NIFP en Pro Justitia in de periode dat O. in de Top600-aanpak zat, was niet beschikbaar voor de regisseur van de Top600-aanpak. Dat geldt zowel voor het bestaan van de adviezen en onderzoeken als voor de inhoud van de adviezen. Deze informatie mag wettelijk niet worden gedeeld met de regisseur AcVZ, terwijl deze informatie mogelijk wel relevant kan zijn voor adequate regie. We constateren dat alle toezicht- en zorginterventies niet effectief zijn geweest, met name omdat O. in vrijwel alle gevallen hulp en zorg weigerde. Daardoor was ook een mogelijke zorgmachtiging in het kader van de WvGGZ niet in beeld11.

11 Om voor en zorgmachtiging in aanmerking te komen moet voldaan zijn aan een aantal

stringente voorwaarden die door de rechter worden getoetst.

22

Hulpverleners hebben bij categorische weigering om hulp en zorg te aanvaarden binnen de huidige context niet instrumenten om effect te sorteren. Er was vanwege het niet meewerken van O. ook onvoldoende basis om een zorgmachtiging in het kader van de WvGGZ af te geven. De ambulante behandeling gedurende het laatste reclasseringstoezicht is niet van de grond gekomen wegens de bestaande wachtlijsten bij Inforsa. Dat is een breder probleem binnen de hulpverlening. 3.5 Verschillende probleemdefinities Uit de reconstructie blijkt dat er in de onderzochte periode sprake is geweest van verschillende probleemdefinities. In de periode voorafgaand aan de opname in de Top600-aanpak en tijdens de Top600 periode was vooral sprake van crimineel gedrag. Er was in die periode sprake van opeenvolgende geweldsincidenten, te weten straatroof, bedreiging, mishandeling en vernieling. De nadruk in deze periode lag noodzakelijkerwijs op het voorkomen van nieuwe geweldsdelicten ter bescherming van de omgeving en pogingen om hulp te bieden aan O. De regie lag bij het AcVZ. De belangrijkste betroken partijen rond O. waren politie, OM en reclassering. Nadat O. in oktober 2020 uitstroomt uit de Top600-aanpak verandert het speelveld. Er komen gedurende een periode van iets meer dan een jaar 17 (geregistreerde) meldingen binnen van overlast door O. De meldingen starten in februari 2020.

De door het MZWO uitgezette regiecheck levert geen relevante informatie op voor de duiding van de achterliggende context (geweldsincidenten en opname Top600). De meeste meldingen komen binnen bij Eigen Haard en het MZWO fungeert als procesregisseur voor interventies door partners zoals de GGD, politie en Eigen Haard. Daarbij ligt in deze casus het zwaartepunt van de

interventies bij Eigen Haard. We constateren dat de nadruk bij de interventies in deze periode ligt op het tegengaan van overlast in de directe woonomgeving van O. Er wordt overwogen om over te gaan tot het opzeggen van de huurovereenkomst van de moeder door Eigen Haard. Complicerend daarbij is dat O. formeel op een ander adres woont en de moeder van O. in zekere zin ook als slachtoffer wordt gezien. Uiteindelijk komt het niet tot beëindiging van de huurovereenkomst, aangezien het na het geven van een laatste waarschuwing (betrekkelijk) rustig wordt (mede door verblijf van O. in het buitenland). Uit het onderzoek blijkt dat in alle gesprekken over de overlast en ingezette interventies weinig concrete aanleiding werd gezien voor de mogelijkheid dat de situatie op korte termijn zou escaleren tot geweld. Het valt niet uit te sluiten dat het ontbreken van kennis over eerdere geweldsincidenten daar een rol in heeft gespeeld. 3.6 Regie, coördinatie en doorzettingsmacht In bijlage 2 is op hoofdlijnen een beschrijving gegeven van de rollen, taken en verantwoordelijkheden van het AcVZ en MZWO. AcVZ In de periode oktober 2016 – oktober 2020 was O. opgenomen in de Top600aanpak. Het AcVZ voerde in deze periode als netwerkorganisatie regie op de integrale persoonsgerichte aanpak op het snijvlak van straf en zorg.

De daarvoor aangewezen regisseur beheert een of meer basisdossiers van personen die aan hem of haar zijn toebedeeld, draagt zorg voor een integraal actieplan met interventies, coördineert de interventies, verstrekt gegevens aan interventieplegers en registreert de voortgang en de resultaten van de

23

interventies. De regisseur voor O. was afkomstig van Inforsa, aangezien de problematiek van O. verslavingsgerelateerd was. Het AcVZ is organisatorisch ondergebracht bij de gemeente Amsterdam. Uit het dossier van AcVZ blijkt dat de regisseur gedurende de Top600 periode op veel verschillende momenten getracht heeft contact te zoeken met O. en hulp te bieden, maar dat dit contact steeds werd afgehouden door O. Hij wilde met niemand spreken en wilde geen hulp. Hoewel de Top600-aanpak vergaande mogelijkheden biedt om informatie te delen tussen convenantpartners en te komen tot gezamenlijke interventies, waren de mogelijkheden van de regisseur van het AcVZ door het weigeren van elk contact door O. in de praktijk beperkt. MZWO In de periode van overlastmeldingen was het MZWO procesregisseur voor de partners die betrokken waren bij de meldingen. Het doel van het MZWO is om woonoverlast te doen beperkten, hulp aan te bieden aan bewoners met meervoudig problemen, het verbeteren van de leefomgeving, zorgen voor een sociaal veilige omgeving en het voorkomen van een ontruiming wegens huurschuld. De partners van het MZWO vormen gezamenlijk een lokaal netwerk op gebied van zorg en overlast.

De betrokken partners dragen een gedeelde verantwoordelijkheid om hulp en zorg aan te bieden voor kwetsbare bewoners in de wijk, ook als zij daar zelf niet om hebben gevraagd, en daarmee de woonoverlast aan te pakken. De instanties dragen vanuit hun eigen rol bij om dit doel te behalen. Een belangrijk instrument van het MZWO is de zogenaamde ‘regiecheck’. Bij een melding van een nieuwe zaak voert het MZWO een regiecheck uit. Bij een regiecheck wordt binnen de gemeente en bij convenantpartijen door het MZWO nagegaan of de persoon bij de desbetreffende instantie bekend is.

Convenantpartners gaan dus na of de persoon in kwestie bij hen bekend is en geven deze informatie door. Convenantpartners kunnen daarbij opmerkingen meegeven. In deze specifieke casus heeft de regiecheck weinig bruikbare informatie opgeleverd. Uit het onderzoek blijkt dat het MZWO vooral een faciliterende rol heeft in het uitvoeren van interventies door de partners. Die faciliterende rol uit zich vooral in regelmatige afstemming tussen kernpartners (GGD, politie en in deze casus Eigen Haard) in het zogenaamde ‘Klein overleg’ (driewekelijks), het ‘Uitvoeringsoverleg’ (op aanvraag door één van de partners) of het ‘Groot overleg’ (afstemming over inzet van een Einde Interventie of een Laatste Kans als de overlast niet stopt). Het MZWO heeft daarbij een coördinerende rol en geen doorzettingsmacht; elke partner bepaalt afzonderlijk de eigen inzet. Er is een mogelijkheid om meldingen op te schalen. Wanneer een melding bij het MZWO blijkt te gaan om structurele treiterijen, bedreigingen en overlast gericht tegen een specifiek persoon of huishouden, dan kan worden besloten om de casus op te nemen in de zogenaamde `Treiteraanpak’ (onder regie van de treiterregisseur van het stadsdeel). In deze specifieke casus is eind 2021 wel gekeken of de meldingen konden worden opgenomen in de treiteraanpak en is de treiterregisseur wel geconsulteerd.

Uiteindelijk is er niet voor gekozen om deze casus op te nemen in de treiteraanpak. Uit het dossier wordt niet helemaal duidelijk waarom daar niet voor is gekozen. Meest waarschijnlijke verklaring is dat de keuze is gemaakt om eerst een buurtonderzoek uit te voeren en daarna verder te kijken wat nodig was.

24

4. Conclusies 4.1 Vooraf In hoofdstuk 2 is op hoofdlijnen de reconstructie van de aanloop naar het dodelijk steekincident weergegeven. In hoofdstuk 3 hebben we duiding gegeven aan de reconstructie vanuit een aantal perspectieven. In dit hoofdstuk formuleren we de belangrijkste conclusies die volgen uit de feiten en omstandigheden en de duiding daarvan. Het dodelijk steekincident op 1 augustus 2023 was heel traumatisch en heeft heftige emoties losgemaakt. Dat geldt uiteraard voor de nabestaanden van het dodelijk slachtoffer, het slachtoffer dat het incident ternauwernood heeft overleefd, de familie van O. en de buurtbewoners. Maar ook voor de professionals die bij deze casus waren betrokken. De interviews hebben ons duidelijk gemaakt dat alle betrokkenen zich naar eer en geweten hebben ingespannen om het dodelijke steekincident te voorkomen. Dat het niet gelukt is, heeft heftige emoties losgemaakt. We hebben veel emotionele gesprekken gevoerd met slachtoffers en medewerkers van betrokken instanties. Deze medewerkers hebben zichzelf vaak ook afgevraagd wat ze anders en beter hadden kunnen doen om dit heftige voorval te voorkomen. Dit onderzoek is gericht op leren en verbeteren, niet op afrekenen. De conclusies en aanbevelingen zijn als zodanig geformuleerd.

4.2 De conclusies Op basis van de analyse van documenten en interviews met betrokkenen komen we tot de volgende zeven conclusies. Conclusie 1: de leefwereld wordt niet begrepen en de systeemwereld is soms onmachtig. Het gezin van O. worstelde al jaren met gedrag van O. In de loop van de jaren zijn er bij verschillende instellingen diverse (soms wisselende) signalen geweest over de gesteldheid van O. en het effect van zijn handelen op het gezin waar O. deel van uitmaakte. De betrokken instanties (de systeemwereld) zijn ondanks verschillende signalen uit het gezin en gepleegde inzet niet in staat gebleken om de familie van O. adequaat te helpen. Instanties hebben meldingen nodig om te kunnen acteren. De meldingen van overlast concentreerden zich rond de tweede helft van 2020 en de eerste helft van 2021. Vanaf medio 2021 vonden geen overlastmeldingen meer plaats, waardoor betrokken instanties aannamen dat het rustig was. In de praktijk blijkt dat niet zo te zijn. Meldingsmoeheid en onduidelijkheid wat er met meldingen gebeurt, hebben gezorgd voor het opdrogen van meldingen. Op papier was het dus rustig, in de praktijk was volgens melders nog steeds sprake van (momenten van) overlast. Daarnaast is de uitkomst van het buurtonderzoek niet met melders gecommuniceerd en ook het sluiten van het dossier door MZWO is niet bekend gemaakt bij de melders.

Ook is er enige tijd na het sluiten van het dossier door MZWO geen contact opgenomen met de eerdere melders om vast te stellen dat er

25

daadwerkelijk geen overlast meer was. Ook hier is sprake van onvoldoende verbinding tussen de leefwereld en de instanties in de systeemwereld.

gevallen wel relevant was om risico’s in te schatten en te beoordelen welke interventies effectief konden zijn.

Instanties maken te weinig gebruik van de kennis en ervaringen van de (gezamenlijke) melders en personen in de directe omgeving van een overlastgever om een goed beeld te krijgen van de onderliggende problematiek en de aard, omvang en ernst van de meldingen en de gewenste/mogelijke interventies. Juist de melders en personen in de directe omgeving hebben vaak een goed beeld van de werkelijke overlast die aanvullend op de formele meldingen kan worden gebruikt om (zorg)professionals te ondersteunen bij het verzamelen van de informatie die nodig is voor het bepalen van de (eigen) inzet die nodig is om de overlast te stoppen.

Rondom de verschillende gedragingen van O. en de meldingen over hem was sprake van een opeenstapeling van verontrustende signalen: zorgen en angst bij de moeder en de melders, zorgen bij de wijkagent, een geschiedenis van geweldpleging en intimidatie door O. en een mogelijke psychische stoornis, gevaar voor recidive zonder de juiste maatregelen en volledige hulp- en zorgmijding door O. De afzonderlijke signalen over O. waren bij verschillende instanties bekend, maar zijn uiteindelijk niet samengebracht tot een integraal beeld van de situatie. Met de kennis van nu concluderen we dat de samenhangende signalen een duidelijke indicatie hadden moeten zijn dat de overlastsituatie door onderliggende problemen op enig moment zou kunnen escaleren. Het had ook een indicatie moeten zijn dat hulpverleners mogelijk een veiligheidsrisico liepen bij het afleggen van een huisbezoek.

Conclusie 2: uitwisseling van informatie tussen verschillende betrokken instanties is beperkt. Daardoor ontbreekt het aan integratie van afzonderlijke signalen tot een samenhangend beeld en een integrale risicoanalyse. Tijdens het onderzoek is gebleken dat de registratie van gebeurtenissen door de verschillende betrokken instanties op diverse vlakken onvolledig is. In een aantal gevallen was sprake van registraties die met elkaar in tegenspraak waren. Het heeft veel tijd gekost om een ‘sluitende’ reconstructie te maken van relevante feitelijke gebeurtenissen. We constateren dat bij geen enkele instantie een toereikend overzicht van relevante gebeurtenissen om een goede analyse te maken om vandaaruit effectief te kunnen handelen. Ook binnen een aantal instanties was sprake van een gefragmenteerde informatiepositie. Dat betekent dat betrokken professionals moesten werken met onvolledige informatie, terwijl deze informatie in een aantal

Het delen van privacygevoelige informatie tussen en binnen instanties ligt gevoelig. In de gesprekken met professionals is meermaals aangegeven dat van belang is om zorgvuldig om te gaan met het delen van informatie. Ze geven vaak aan dat de mogelijkheid om persoonsgerichte informatie te delen zeer beperkt is. Er bestaat terughoudendheid bij het delen van informatie; vooral in de zorg rondom tuchtklachten. Dat geldt zowel voor ‘buitenkant-informatie’ als ‘binnenkant-informatie’. We constateren verder dat er geen eenduidige opvatting is welke informatie in welke omstandigheden mag worden gedeeld tussen en binnen instanties.

26

Conclusie 3: door het bestaan van verschillende subsystemen met hun eigen criteria verdwijnt O. uit beeld en komt het niet tot doorlopende (persoonsgerichte) aandacht O. stroomde uit de Top600-aanpak in oktober 2020 omdat hij niet meer voldeed aan de vastgelegde criteria. Daarna verdwijnt O. uit beeld van het AcVZ. Bij Veilig Thuis wordt geen opvolging gegeven aan de twee meldingen van het gezin uit 2018, aangezien de melding werd opgepakt door een andere instantie (Blijf-groep). Ook bij Inforsa reclassering verdwijnt O. uit beeld na de uitspraak van de rechtbank in februari 2021, waarin geen toezicht wordt opgelegd. Bij het MZWO verdwijnt O. uit beeld na het uitblijven van formele overlastmeldingen en de daaropvolgende afsluiting van het dossier in februari 2022. Er is sprake van een patroon. O. wordt opgenomen in een aanpak en stroomt op enig moment weer uit om vervolgens in een andere aanpak terecht te komen. Hoewel de instanties die een rol spelen in de verschillende aanpakken deels dezelfde zijn, is nauwelijks sprake van enige overdracht van relevante informatie tussen verschillende aanpakken en regelingen, laat staan het verrijken van informatie. Het bestaan van verschillende subsystemen met hun eigen criteria en werkwijze leidt ertoe dat er van doorlopende (persoonsgerichte) aandacht geen sprake is. Conclusie 4: door het categorisch weigeren van hulp en zorg door O.

stonden hulverleners machteloos. Rode draad door het dossier van O. is dat hij categorisch elke hulp en zorg uit de weg ging. Daardoor was het voor professionals niet mogelijk om de hulp te bieden die waarschijnlijk nodig was. Voor zover we hebben kunnen nagaan is in deze casus

nooit expliciet overwogen om een zorgmachtiging of een crisismaatregel op te leggen. En de opgelegde (niet verplichte) ambulante behandeling van O. in het reclasseringstoezicht in 2020 kwam niet van de grond, wegens het bestaan van wachtlijsten. Er waren wel aanwijzingen voor psychische stoornissen bij O. In het in 2020 uitgevoerde psychologisch onderzoek valt te lezen dat er (voldoende) aanwijzingen zijn voor psychische stoornissen, maar dat niet kon worden vastgesteld of een eventuele psychische stoornis gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed. Daarnaast hield de onderzoeker het gehele spectrum van toerekenbaarheid open, waarbij een verminderde toerekeningsvatbaarheid het meest waarschijnlijk werd geacht, maar onvoldoende kon worden onderbouwd. Verder concludeerde de onderzoeker dat er een hoog recidiverisico is bij het uitblijven van passend risicomanagement. Ondanks deze conclusie krijgt O. in februari 2021 door de rechter geen toezicht opgelegd. Daarin heeft naar alle waarschijnlijkheid meegespeeld dat O. voorafgaand aan de zitting al aangaf nergens aan mee te zullen werken.

Conclusie 5: door pieken en dalen in de mate van overlast is het lastig om het goede moment te kiezen voor professionals om in te grijpen Uit de reconstructie ontstaat het beeld dat er pieken en dalen zijn in de overlastmeldingen vanaf begin 2020 tot het moment van het dodelijk steekincident in augustus 2023. Dat maakt het lastig voor betrokken professionals om op het juiste moment adequate maatregelen te treffen die proportioneel zijn. Uit de verschillende tijdlijnen van Eigen Haard en MZWO blijkt dat het zwaartepunt van de overlastmeldingen ligt in de periode van eind 2020 tot mei 2021. In de

27

periode na september 2021 zijn er geen overlastmeldingen meer tot het moment van het dodelijk steekincident. Er waren dus geen recente signalen bekend bij instanties die erop konden wijzen dat de situatie zo zou escaleren op 1 augustus 2023. De meldingen vanaf eind 2020 tot mei 2021 waren zorgelijk en namen in heftigheid toe. Er zijn beeld- en geluidsopnamen gestuurd naar Eigen Haard en MZWO en de politie heeft kennis genomen van de opnamen. Ook de wijkagent geeft in deze periode aan dat hij zich zorgen maakt. Er heeft in die periode een aantal fysieke confrontaties plaatsgevonden tussen O. en de melder(s). Een van de melders gaf aan angstig te zijn en zich onveilig te voelen en de moeder van O. verblijft in deze periode deels op een ander adres omdat ze zich onveilig voelde. Eigen Haard heeft met de partners in het MZWO in deze periode de moeder van O. meermaals aangesproken op het gedrag van O. en de moeder van O. een laatste waarschuwing gestuurd. Eigen Haard kon ook alleen de moeder van O. aanspreken als huurder en had geen titel om O. aan te spreken. Daar zat spanning op, aangezien niet de moeder, maar O. de overlast veroorzaakte. Er bestond daarom ook terughoudendheid om een juridische procedure te starten om de huur van moeder op te zeggen, aangezien ze in zekere zin ook slachtoffer was van het gedrag van haar zoon.

Conclusie 6: de meldingen van overlast vanaf begin 2020 werden vooral gezien als een woonprobleem door onvoldoende zicht op onderliggende oorzaken en patronen Rode draad uit de interventies vanaf het begin van de meldingen begin 2020 was dat sprake was van een woonprobleem dat werd veroorzaakt door het gedrag van O, die geen huurder was. Dat betekende dat Eigen Haard in de praktijk dossierhouder was en als primair verantwoordelijke werd beschouwd om het overlastprobleem op te lossen. De GGD werd op een aantal momenten wel ingeschakeld om de psychische gesteldheid van O. te beoordelen. Dat geldt ook voor de wijkagent om vanuit veiligheid de melding te beoordelen. Maar primair werden de meldingen als een overlastprobleem gezien. Uit de reconstructie blijkt dat er veel meer aan de hand was en het gedrag van O. – gelet op eerdere (gewelds)incidenten en weloverwogen en berekenend gedrag door O. bij de vernieling van de garageboxen – potentieel kon escaleren. Bij geen van de betrokken partijen bij de overlastmeldingen was voldoende zicht op de historie van O. en onderliggende oorzaken en patronen.

De casus is in deze periode een aantal maal in het klein overleg besproken en de casus is op een UVO besproken. Vlak voor een juridische procedure wordt opgestart door Eigen Haard is het ineens rustig. O. blijkt met zijn moeder te zijn vertrokken naar het buitenland. Daardoor wordt de juridische procedure door Eigen Haard om de moeder van O. de woning te ontnemen niet doorgezet.

28

Conclusie 7: Er is bij lokale overlastmeldingen geen sprake van regie met doorzettingsmacht Het MZWO heeft formeel de rol van procesregisseur bij lokale overlastmeldingen. In de praktijk zien we in deze casus dat het MZWO vooral als platform opereert gericht op uitwisselen van informatie tussen de partners en te overleggen over (gezamenlijke) interventies. Het MZWO heeft dus met name een faciliterende rol. Het MZWO kan partners aanspreken, maar partners bepalen uiteindelijk zelf welke informatie ze delen en welke (samenhangende) interventies worden ingezet. Het MZWO heeft dus geen doorzettingsmacht. Uit de reconstructie blijkt het met name op twee momenten aan doorzettingsmacht te ontbreken. Het eerste moment is na de eerste melding in februari 2020. In het huisbezoek begin maart 2020 door de wijkagent en Eigen Haard geeft de moeder van O. aan dat ze radeloos is en niet weet wat ze met de situatie aan moet. In het daarop volgende klein overleg in april 2020 wordt afgesproken dat de GGD telefonisch contact gaat opnemen met de moeder van O. Door allerlei omstandigheden vindt dat telefonisch contact pas een half jaar later plaats op 16 oktober 2020. Dat is opmerkelijk, aangezien het signaal van de moeder van O. in maart 2020 weinig aan duidelijkheid te wensen overliet. Een tweede voorbeeld van het ontbreken van doorzettingsmacht betreft het buurtonderzoek.

Op 27 januari 2021 wordt naar aanleiding van overlastmeldingen en ontvangen geluidsopnamen door Eigen Haard geopperd om een buurtonderzoek uit te voeren. In de periode daarna tot mei 2021 neemt het aantal en de ernst van de overlastmeldingen toe. Pas op 1 oktober 2021 wordt besloten tot uitvoering van het buurtonderzoek dat op 18 november 2021 zijn beslag krijgt. Op dat moment is het echter rustig, aangezien O. op dat moment niet in de woning

verblijft. De uitkomst van het buurtonderzoek is dat het rustig is. Indien het buurtonderzoek eerder zou zijn uitgevoerd, zou de uitkomst naar alle waarschijnlijkheid anders zijn geweest en mogelijk hebben geleid tot ten uitvoer brengen van de ingezette actie om de moeder van O. uit de woning te zetten. Het is overigens maar de vraag of dat iets had opgelost of dat het probleem alleen maar zou zijn verplaatst. Binnen het MZWO worden verschillende stappen (Klein overleg, Uitvoeringsoverleg, Groot overleg) onderkend om interventies te bespreken met partners. De aard van het overleg verandert in deze overleggen, maar er is geen sprake van escalatie in de inzet van de partners. Daarnaast is er de mogelijkheid om een casus op te nemen in de treiteraanpak. Daarnaast had het MZWO deze casus kunnen aanbrengen bij het loket AcVZ om (kortdurend) hulp te vragen bij de casus. Deze hulpvraag is niet uitgezet bij het loket AcVZ. Daarbij heeft ongetwijfeld meegespeeld dat de historie rond geweldplegingen door O. en de opname van O. in de Top600 in de periode 20162020 niet bekend waren bij het MZWO. De laatste jaren wordt in een aantal stadsdelen gewerkt met de zogenaamde Lokale Aanpak Overlast Veelplegers. In stadsdeel West was en is deze aanpak nog niet operationeel.

Het is ook maar de vraag of deze casus in deze aanpak terecht zou zijn gekomen, aangezien de doelgroep van deze aanpak vooral betrekking heeft op overlastgevers in de openbare ruimte.

29

5. Aanbevelingen 5.1 Inleiding In het vorige hoofdstuk zijn zeven conclusies weergegeven op basis van de dossieranalyse, de reconstructie en de interviews. In dit hoofdstuk beschrijven we de aanbevelingen die uit dit onderzoek voortvloeien. Er zijn veel regelingen en aanpakken, waarin partners samenwerken om de problematiek rond criminaliteit, onbegrepen gedrag en overlast aan te pakken. Elke regeling kent net weer een andere werkwijze en doelgroep. Dat maakt dat het zorg- en veiligheidslandschap in de gemeente op onderdelen versnipperd is. Dat is een gegeven. We pretenderen met dit onderzoek niet om op systeemniveau grote wijzigingen of nieuwe regelingen en protocollen voor te stellen. Dat gaat ook niet helpen; elke andere indeling in doelgroepen, benaderingswijze, coördinatie en regie en verdere protocollering van werkwijzen gaat volgens ons niet bijdragen tot effectievere inzet van professionals. 5.2 De aanbevelingen We komen tot de volgende vijf aanbevelingen. Aanbeveling 1: zorg dat de kennis van de leefwereld beter kan worden benut bij de oordeelsvorming en inzet van professionals bij aanhoudende ernstige overlastmeldingen

Maak als professionals beter gebruik van de specifieke kennis van melders en personen in de directe omgeving bij ernstige overlastmeldingen. Melders en personen in de directe omgeving weten uit de eerste hand wat er speelt, wat de ernst van de situatie is en kunnen ook meedenken over adequate interventies. Het is in geval van meerdere melders ook van belang om melders gezamenlijk te betrekken in overleg met de betrokken professionals. Overweeg ook of een begeleid gesprek tussen melder(s) en overlastgever op enig moment een optie is. Daarnaast is het van belang dat melders binnen de wettelijke mogelijkheden op de hoogte worden gehouden over de opvolging van meldingen door professionals en over de afsluiting van een dossier. En het is van belang om enige tijd na afsluiting van een dossier bij melders na te gaan of de overlast daadwerkelijk is afgenomen of verdwenen. Aanbeveling 2: borg met partners in het zorg- en veiligheidsdomein dat personen in beeld blijven als professionals indicaties hebben dat dit noodzakelijk is, ook als ze uitstromen uit een aanpak of regeling. Draag zorg dat partners de noodzakelijke informatie delen die daarvoor nodig is. Het is aan professionals om indicaties te wegen en te beoordelen en zich een beeld te vormen over de ernst van de een casus.

Daarbij geldt dat lang niet altijd sprake is van hele duidelijke indicaties, maar vaak sprake is van een optelsom van veel (kleine) signalen die leiden tot zorgen. Stel in dat geval vast op basis een dialoog van betrokken professionals en de leefomgeving hoe personen niet uit beeld verdwijnen als ze uitstromen uit regelingen of aanpakken, terwijl de onderliggende problematiek nog aanwezig is en doorlopend (persoonsgerichte) aandacht noodzakelijk wordt geacht. Daarbij is

30

het van belang dat alle betrokken instanties vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid beoordelen welke informatie gedeeld kan en moet worden ter verrijking van het informatiebeeld om een zo goed en integraal mogelijk beeld te krijgen van de situatie en omstandigheden. Dat geldt zowel voor het delen van formele persoonsgerichte informatie tussen instanties als het meer informeel delen van aandachtspunten en zorgen tussen partners.

ook ambtelijke en bestuurlijke escalatie bij. Overweeg in dat kader om het huidige driehoeksoverleg periodiek uit te breiden naar een bestuurlijk overleg met de wethouder Zorg, de wethouder Sociale Zaken en bestuurlijke vertegenwoordiging vanuit de stadsdelen om bestuurlijke dekking te geven aan mogelijke maatwerkoplossingen voor zorg en veiligheid. Organiseer ook een equivalent ambtelijk overleg.

Aanbeveling 3: versterk de effectiviteit van het MZWO door meer gewicht te geven aan de regiecheck en het MZWO meer doorzettingskracht te geven in de timing van interventies

Aanbeveling 5: richt leerwerkplaatsen in om structureel leren te bevorderen tussen professionals

De regiecheck is een belangrijk instrument voor het MZWO voor de duiding van een overlastmelding. Het is van belang om nogmaals nut en noodzaak van de regiecheck te bevestigen met de huidige partners. Daarnaast adviseren wij om de regiecheck uit te breiden met andere partners, zoals bijvoorbeeld het AcVZ, OM en reclassering. Ook kan overwogen worden om de leefomgeving van een overlastgever te betrekken bij het ophalen van beelden rond de regiecheck. Partners van het MZWO zijn zelf verantwoordelijk voor het delen van informatie en het inzetten van interventies. Dat moet zo blijven. Uit deze casus blijkt wel dat het MZWO meer doorzettingskracht zou moeten krijgen in de timing van interventies om interventies effectiever in te kunnen zetten. Aanbeveling 4: geef professionals in de eerste lijn een meldingsmogelijkheid bij onmacht/handelingsverlegenheid in een casus

Organiseer met de partners die betrokken zijn in het zorg- en veiligheidsdomein structureel leerwerkplaatsen. In deze leerwerkplaatsen gaat het niet alleen om te reflecteren op cases waar knelpunten zijn en al hebben geleid tot noodlottige incidenten, maar ook lopende complexe cases en cases waar goede interventies zijn gepleegd waar van geleerd kan worden. Gebruik deze leerwerkplaatsen ook om dilemma’s en oplossingen te bespreken rond gegevensuitwisseling tussen ervaringsdeskundigen en professionals uit de praktijk. Gebruik de uitkomsten van deze gesprekken om afspraken te maken over de ruimte die binnen de wettelijke kaders mag worden genomen om informatie te verrijken die uitstijgt boven de standaard gegevensuitwisseling. Ook het doordenken in welke gevallen sprake is van een cocktail aan alarmerende signalen die leiden tot een ‘rode vlag’-situatie kan onderwerp van dialoog zijn van de leerwerkplaatsen. Het is van belang om de uitkomsten van deze leerwerkplaatsen te borgen bij de betrokken instanties.

Organiseer dat professionals die vastlopen in een casus, ruimte hebben om dat te melden, zonder dat in bureaucratische procedures te gieten. Mogelijk hoort daar

31

Bijlage 1: werking van de systeemwereld Inleiding In deze bijlage gaan we in op de werking van de systeemwereld. We beschrijven de systeemwereld door te kijken naar de opzet en werking van het samenspel tussen betrokken instanties. Daarbij kijken we ook specifiek naar de wijze waarop informatie-uitwisseling plaatsvindt. In de bijlage beschrijven we twee perioden: • Periode 2016 – 2020 (Top600; AcVZ) • Periode 2020 – 2023 (overlastmeldingen; MZWO)

Periode 2016 – 2020 (Top600; AcVZ) Inleiding In 2011 is Amsterdam gestart met de zogenaamde Top600 aanpak. Het doel van deze aanpak is als volgt geformuleerd: • vermindering van recidive • verbeteren (toekomst) perspectief en • het voorkomen van afglijden van broertjes, zusjes en minderjarige kinderen in de criminaliteit. De Top600 aanpak houdt zich bezig met zowel opsporing en vervolging (waar nodig lik op stuk) als het bieden van zorg (naar aanleiding van een GGD-screening) of begeleiding op de leefgebieden werk, dagbesteding, inkomen, schulden en scholing. Ook wordt gekeken welke hulp en begeleiding nodig is voor de broertjes of zusjes. In 2013 is de aanpak samen met de samenwerkingspartners geëvalueerd en besloten de Top600 aanpak voort te zetten en het Actiecentrum Veiligheid op te

richten van waaruit regie wordt gevoerd op de integrale persoonsgerichte aanpak. Op 1 oktober 2015 is het convenant Aanpak Top600 getekend door de convenantpartners. Dit convenant was ten tijde dat O. in de Top600-aanpak instroomde het geldende kader. Inhoud van het convenant uit 2015 Doel Top600 aanpak De Top600 aanpak is gericht op personen die de afgelopen jaren betrokken zijn geweest bij high-impactdelicten. Het gaat dan om overvallen, straatroven, woninginbraken, zware mishandeling, openlijke geweldpleging en moord/doodslag. Deze strafbare feiten hebben een grote impact op de slachtoffers en leiden tot gevoelens van onveiligheid. Het convenant Aanpak Top600 van 1 oktober 2015 is op het moment dat O. in de Top600-aanpak wordt opgenomen van toepassing.

In het convenant hebben convenantpartners met elkaar afspraken gemaakt om “…de aanpak Top600 voort te zetten binnen het Actiecentrum Veiligheid en daartoe opnieuw een samenwerkingsverband aan te gaan met enerzijds het doel het aantal high-impact delicten significant terug te dringen door een persoonsgebonden integrale aanpak van de degenen die verdacht zijn van of veroordeeld zijn voor deze feiten en bovendien verdere schade aan deze personen, aan hun eventueel aanwezige minderjarige broers, minderjarige zussen en minderjarige kinderen en aan de samenleving te voorkomen en anderzijds de privacy van de betrokkenen zo veel mogelijk te waarborgen…”. Convenantpartners

32

In het convenant zijn afspraken gemaakt met ruim 30 convenantpartners, zoals: de Amstelland-gemeenten (Amsterdam, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, OuderAmstel, Uithoorn), diverse GGZ instellingen, het Openbaar Ministerie, Politie, Jeugdbescherming, Raad voor de Kinderbescherming, Dienst Justitiële Inrichtingen, reclassering, diverse PI’s Regio Amsterdam en een aantal maatschappelijke organisaties. Kernpartners in het convenant uit 2015 zijn de gemeente Amsterdam, de Amstelland gemeenten, het Openbaar Ministerie, Jeugdbescherming Regio Amsterdam, de reclasseringsorganisaties en de William Schrikker Groep (Jeugdzorg). Delen van informatie De gemeente Amsterdam werkt vanuit de Top600 met (o.a.) de politie, het openbaar ministerie, de reclassering en jeugdzorg samen om de high-impact delicten terug te dringen. Het doel is om (een herhaling van) strafbare feiten te voorkomen. Tussen de organisaties die betrokken zijn bij de Top600 vindt in dit verband uitwisseling van persoonsgegevens plaats. Daarbij wordt de privacy van de betrokkenen zo veel mogelijk gewaarborgd.

• Indien geen toestemming van betrokkene wordt verkregen, beoordeelt die partij of er sprake is van een noodzaak tot het delen van buitenkantinformatie • in de aanpak Top600 worden persoonsdossiers samengesteld. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is daarop van toepassing12 • partijen dragen zorg voor voldoende kennis van de privacywet- en regelgeving bij degenen die persoonsgegevens verwerken. Ten aanzien van betrokkenheid van minderjarigen rond personen op de lijst Top600 zijn specifieke afspraken gemaakt over het delen van informatie. Als uit het basisdossier blijkt dat sprake is van minderjarige broertjes, minderjarige zusjes of minderjarige kinderen van personen op de lijst Top600 kan besloten worden Vangnet van de GGD Amsterdam en het PIT direct in te schakelen, om te voorkomen dat verdere schade aan de betreffende minderjarige(n) wordt aangericht. Persoonsgegevens die verwerkt worden in het persoonsdossier worden uiterlijk vijf jaar na de laatste verwerking vernietigd, tenzij een gerechtelijke procedure tot langere bewaring noopt.

In het convenant zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop informatie wordt gedeeld tussen de convenantpartners. Op hoofdlijnen zijn de volgende afspraken gemaakt: • persoonsgegevens van betrokkenen worden uitsluitend verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor het doel of de doeleinden van de aanpak Top600 • partijen die gebonden zijn aan het medisch beroepsgeheim spannen zich in om toestemming van de betrokkene te krijgen voor het verwerken van persoonsgegevens in verband met de aanpak Top600.

Inrichting van de samenwerking Top600 aanpak Het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (AcVZ)13 is een netwerkorganisatie. Het AcVZ voert voor personen in de Top600-aanpak regie op de integrale persoonsgerichte aanpak op het snijvlak van straf, zorg en het sociaal domein. Het Actiecentrum Veiligheid en de partners hebben de taak om regisseurs te leveren, in gezamenlijkheid basisdossiers op te stellen, interventierichtingen te bepalen, verzoeken tot interventie bij andere partijen neer te leggen, de resultaten van de

12 Vanaf 2018 is dat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)

13 Inmiddels heet het AcV (Actiecentrum Veiligheid) het AcVZ (Actiecentrum Veiligheid en Zorg)

33

interventies te monitoren en zijn gezamenlijk verantwoordelijkheid voor gegevensverwerking. Het AcVZ valt onder regie van de gemeente Amsterdam. Voor de bestuurlijke regie is een stuurgroep ingesteld. De stuurgroep is bestuurlijk (eind)verantwoordelijk voor het samenwerkingsverband en stelt de criteria vast op grond waarvan een persoon op de Top600 lijst wordt geplaatst. De stuurgroep staat onder voorzitterschap van de burgemeester van Amsterdam en bestaat verder uit de leden van het Driehoeksoverleg Amsterdam, betrokken portefeuillehouders van Amsterdam, een aantal vertegenwoordigers van de Amstellandgemeenten, een vertegenwoordiger van de Penitentiaire Inrichtingen en van de reclasseringspartijen en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming. Daarnaast is er een directeurenoverleg die de stuurgroep adviseert en optreedt als escalatieforum voor het AcVZ. Er bestaan verschillende (overleg)gremia bij het AcVZ. Hier volgt een opsomming van de belangrijkste gremia: • Het programmateam is een overleg van vertegenwoordigers van de kernpartners, waarin op subjectniveau wordt gesproken en besluiten worden voorbereid. Het programmateam heeft als taak te bepalen welke kernpartners regie moeten pakken en bewaken voor hun eigen organisatie de voortgang van de plannen van aanpak en adviseren (de regisseur van) het AcVZ over interventies.

• Onder de verantwoordelijkheid van het programmateam stelt de Informatieverzamelgroep (IVG) het basisdossier samen en adviseert het programmateam welke kernpartner het beste de regie op zich kan nemen. • Het programmateam stelt een regisseur aan (werkzaam bij één van de kernpartners). De regisseur beheert een of meer basisdossiers van personen die aan hem of haar zijn toebedeeld, draagt zorg voor integraal actieplan met

interventies, coördineert de interventies, verstrekt gegevens aan interventieplegers en registreert de voortgang en de resultaten van de interventies. De regisseur is tevens verantwoordelijk voor afstemming van de aanpak indien een persoon uit de Top600 tevens onder de aanpak van een ander samenwerkingsverband valt. • Het Interventie Toets en Adviesteam (ITAT) beoordeelt de conceptplannen van aanpak van de regisseur en fungeert als klankbord voor de regisseur. Het ITAT bestaat uit deskundigen van de kernpartners. • Interventies bij Top600 personen worden uitgevoerd door een zogenaamde interventiepleger. Een interventiepleger is een medewerker bij een van de in het convenant genoemde partijen. • De ITAT Expertgroep helpt de regisseur bij complexe vastgelopen casuïstiek. Werkwijze Top600 Iedere zes maanden wordt op basis van selectiecriteria de Top600 vastgesteld. Het Actiecentrum maakt hierbij gebruik van informatie van politie en het OM. Daarbij gaat om high-impact delicten (bijv.

in de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer aangehouden voor high-impact delict, in de afgelopen twee jaar verdachte geweest van een misdrijf én in de afgelopen vijf jaar voorgeleid aan officier van justitie) in combinatie met (justitiële) criteria van verschillende groepen (veelplegers die in de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer in aanraking zijn gekomen met justitie en waarbij een straf/maatregel is opgelegd, potentiële jeugdige veelplegers (jonger dan 21 jaar) die twee keer in aanraking zijn gekomen en ‘first offender’ jeugd (jonger dan 21 jaar) die één keer aanraking zijn gekomen). In 2019 zijn instroomcriteria op het gebied van drugs en geweld aan de Top600 toegevoegd, zodat integrale persoonsgerichte regie ook beschikbaar werd voor een doelgroep die op dat vlak veel delicten pleegt.

34

In de bijlage bij het convenant 2015 is aangegeven op basis van welke criteria personen op de lijst Top600 worden geplaatst. Daarbij is sprake van een eerste selectie op basis van criteria (de zogenaamde A-criteria of politiecriteria) en een selectie op basis van nadere criteria (de zogenaamde B-criteria of justitiële criteria). In de eerste selectie (de A-criteria)14 komen alle personen naar voren: 1. die in de afgelopen vijf jaar ten minste drie keer aangehouden verdachte zijn geweest voor één van de volgende feiten (inclusief pogingen): a. Overval b. Straatroof c. Inbraak woning d. Zware mishandeling e. Moord/doodslag f. Openlijke geweldpleging tegen personen 2. én die in de afgelopen twee jaar verdachte zijn geweest van een misdrijf; 3. én die in de afgelopen vijf jaar ten minste één keer zijn voorgeleid aan de officier van justitie ter voorgeleiding aan de rechter-commissaris. Daarnaast (de tweede selectie) komen alle personen naar voren: 1. die in de afgelopen vijf jaar ten minste één keer aangehouden verdachte zijn geweest voor één van de volgende feiten (inclusief pogingen): a. Overval b. Straatroof c. Inbraak woning d. Zware mishandeling

e. Moord/doodslag f. Openlijke geweldpleging tegen personen 2. én die in de afgelopen twee jaar aangehouden verdachte zijn geweest van een misdrijf; 3. én die: a. óf in die vijf jaar ten minste één keer zijn voorgeleid aan de officier van justitie ter voorgeleiding aan de rechter-commissaris én ten minste 33 politiecontacten hebben gehad als verdachte, aangehouden verdachte of betrokkene bij een incident (niet zijnde slachtoffer, getuige of aangever); b. óf in die vijf jaar ten minste één keer zijn voorgeleid aan de officier van justitie ter voorgeleiding aan de rechter-commissaris én ten minste 38 registraties van aandachtsvestiging op hun naam hebben staan én in die vijf jaar ten minste twee keer zijn aangehouden voor misdrijven; c. óf in die vijf jaar ten minste drie keer zijn voorgeleid aan de officier van justitie ter voorgeleiding aan de rechter-commissaris. Voor personen die aan de (politiële)A- criteria voldoen, geldt daarnaast dat ze moeten voldoen aan één van de volgende (justitiële) criteria: 1. Veelplegers: personen die in de afgelopen vijf jaar tenminste drie keer in aanraking zijn gekomen met justitie en waarbij een veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of taakstraf heeft plaatsgevonden of een OM-taakstraf is opgelegd.

Niet vereist is dat de sanctie(s) onherroepelijk zijn en evenmin is vereist dat het om drie afzonderlijke sancties gaat (mag gevoegd zijn). 2. Potentiële jeugdige veelplegers: jeugdige personen (jonger dan 21 jaar) die in de afgelopen vijf jaar tenminste twee keer in aanraking zijn gekomen met justitie en waarbij een veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of

14 Op basis van informatie uit Basisvoorziening Handhaving (BVH) van de politie

35

maatregel of taakstraf heeft plaatsgevonden of een OM-taakstraf is opgelegd. Niet vereist is dat de sanctie(s) onherroepelijk zijn en evenmin is vereist dat het om twee afzonderlijke sancties gaat (deze mogen gevoegd zijn). 3. ‘First offender’ jeugd: jeugdige personen (jonger dan 21 jaar) die in de afgelopen vijf jaar tenminste één keer in aanraking zijn gekomen met justitie en waarbij een veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of taakstraf heeft plaatsgevonden of een OM-taakstraf is opgelegd vanwege een HIC-delict. Personen die voldoen aan de onder A en B genoemde criteria worden op de lijst Top600 worden geplaatst. De lijst Top600 wordt iedere zes maanden geactualiseerd. Personen die bij de actualisatie niet meer aan zowel de A- en Bcriteria voldoen, worden van de lijst Top600 geschrapt. Daarbij wordt een zogeheten detentiecorrectie toegepast: een subject stroomt niet uit indien hij de afgelopen twee jaar tenminste 100 dagen (al dan niet achtereen) in detentie (hechtenis of gevangenisstraf) heeft doorgebracht. Plaatsing op de lijst Top600 kan tussentijds geschieden indien vaststaat dat een persoon aan de onder A en B genoemde criteria voldoet.

Periode 2020 – 2023 (overlastmeldingen; MZWO) Inleiding Sinds een aantal jaar zijn er in Nederland verschillende meldpunten zorg en overlast in het leven geroepen. Sommige meldpunten zijn opgezet door gemeenten, andere door GGD’s of door Zorg- en Veiligheidshuizen. Bij dergelijke meldpunten kunnen inwoners en professionals van instanties terecht om meldingen te doen 1) wanneer zorgen bestaan over de (geestelijke) gezondheid van een buurtbewoner en/of 2) sprake is van woonoverlast in hun eigen

woonomgeving, zoals lawaai- en stankoverlast, vervuiling, bedreigingen, agressie, intimidatie etc. In Amsterdam is per stadsdeel een Meldpunt Zorg en Woonoverlast (MZWO) in december 2015 het leven geroepen. Dit is op initiatief van de gemeente Amsterdam. Inmiddels maakt een MZWO vast onderdeel uit van elk team Veiligheid in alle stadsdelen. Doelen van het samenwerkingsverband Het MZWO is een netwerksamenwerkingsverband tussen publieke en private partijen, zoals organisatieonderdelen van de gemeente Amsterdam, GGD, Werk, Participatie en Inkomen, Jeugd, Zorg en Diversiteit, politie, Amsterdamse woningcoöperaties, hulp- en dienstverlenende instanties (zoals GGZ InGeest, Arkin, HVO Querido, Leger des Heils, Cordaan) en maatschappelijke dienstverleners (PerMens, Regenboog Groep) voor de aanpak van ketenoverstijgende zorg en woonoverlastproblematiek. De partners vormen gezamenlijk een netwerk waarbij ieder vanuit de eigen taak en bevoegdheid maar wel in gezamenlijkheid een combinatie van repressie, bestuurlijke interventie en zorg biedt. De betrokken instanties dragen een gedeelde verantwoordelijkheid om hulp en zorg aan te bieden voor kwetsbare bewoners in de wijk, ook als zij daar zelf niet om hebben gevraagd, en daarmee de woonoverlast aan te pakken. De instanties dragen vanuit hun eigen rol bij om dit doel te behalen.

Zij zetten samen in om de acties op elkaar aan te laten sluiten. De MZWO’s werken ook nauw samen met het Advies- en Meldpunt OGGZ van de GGD, dat wel 24 uur per dag bereikbaar is voor inwoners en professionals. Waarbij de verhouding is dat een MZWO de niet-acute OGGZ-meldingen verwerkt en de GGD de acute meldingen. De MZWO’s werken samen met de directie Openbare Orde en Veiligheid. Met name met de afdeling bestuurlijke maatregelen en gebieden vanwege inzet van het bestuurlijk instrumentarium dat bijvoorbeeld de Wet aanpak woonoverlast aan een burgemeester biedt. Denk aan de bevoegdheid om een gedragsaanwijzing

36

te geven aan een overlastgever in zowel een koop- als huurwoning of een daartoe behorend erf. Verder werkt elk MZWO nauw samen met het zorg- en veiligheidshuis van Amsterdam-Amstelland, het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (AcVZ). Het AcVZ is eveneens een samenwerkingsverband waarin de gemeente met netwerkpartners uit het strafrecht, de zorg en het sociaal domein samenwerkt aan complexe casuïstiek waarbij crimineel gedrag speelt en er zorgen zijn op meerdere leefgebieden. Het gaat qua samenwerking met name om de procesregisseurs van het Loket AcVZ. Zij kunnen de procesregisseurs, informatiemakelaars en treiterregisseurs direct helpen. Zoals samen bespreken hoe de volgende stap te bepalen, opnieuw focus aanbrengen of patronen inzichtelijk maken. De MZWO’s hebben hun reguliere rol binnen de Tien Werkafspraken (denk aan goed huurderschap en geen overlast veroorzaken) rondom het publiek-private programma Huisvesting Kwetsbare Groepen. De gemeente, politie, zorgaanbieders, woningcorporaties en organisaties van huurders en cliënten werken hierbij samen. Het gaat om mensen met vaak meerdere problemen tegelijk. Zoals problemen met financiën, wonen, werk, gezondheid en huiselijke relaties. Zolang het woonprobleem niet is opgelost, lukt het vaak niet om de andere problemen aan te pakken. Wat op zichzelf weer kan leiden tot overlastgevende of zorgelijke situaties.

Het gaat om inwoners die met begeleiding zelfstandig wonen. Zorg op maat krijgen en die zijn gekoppeld aan een passende woning. Zowel de meldpunten van de woningcorporaties als de MZWO in het desbetreffende stadsdeel zijn het eerste aanspreekpunt voor bewoners die overlast ervaren van hun kwetsbare buur. Waarbij met name de zorgpartijen aan zet zijn om na een melding snel te handelen. En samen met woningcorporatie maatregelen moeten treffen om de overlast beheersbaar te krijgen. Buurtbemiddeling is een van de opties. Ook kan een zorgaanbieder schriftelijk afspraken maken met diens client via een zogenaamde waarschuwingsbrief hoe mee te werken aan het tegengaan van overlastgevend gedrag.

In het convenant MZWO staan de belangrijkste afspraken tussen de samenwerkende organisaties omschreven. Het biedt ook de grondslag om onderling gegevens uit te kunnen wisselen. Het MZWO streeft in ieder geval de volgende doelen na, namelijk woonoverlast doen beperkten, hulp aanbieden aan bewoners met meervoudig problemen, het verbeteren van de leefomgeving, zorgen voor een sociaal veilige omgeving en het voorkomen van een ontruiming wegens huurschuld. Als opschaling binnen het MZWO-proces is er de integrale persoonsgerichte aanpak (Treiteraanpak, verder TRAP) wanneer sprake is van ernstige overlast of intimidatie in en om de woonomgeving. De TRAP wordt onder de vlag van een MZWO uitgevoerd door een regisseur. De bestuurlijke verantwoordelijkheid van een MZWO of TRAP ligt bij het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen en stadsgebied. Verantwoordelijkheden van het MZWO en de partners Het MZWO heeft een regiefunctie op het proces. Het MZWO vervult zodoende verschillende taken: 1. Het meldpunt coördineert de acties en werkzaamheden die door de convenantpartijen moeten worden verricht. Het meldpunt heeft de verantwoordelijkheid om aan te kaarten als er onvoldoende voortgang wordt geboekt. Ook spreekt het meldpunt partijen aan als zij hun afspraken onvoldoende nakomen. 2. Het meldpunt onderhoudt contact met de melder. Dit kan een inwoner zijn, maar ook een professional.

Ook informeert het MZWO de melder als de zaak zal worden afgesloten. 3. Het meldpunt gaat bij de betrokken instanties na of de geboden hulp resultaat heeft gesorteerd.

37

4. Het meldpunt beoordeelt of het bestaande ‘plan’ van een hulpverlener, die al hulp aanbiedt, voldoende oplossingen biedt voor de gehele melding en alle betrokkenen. De convenantpartijen en het meldpunt hebben samen de verantwoordelijkheid om informatie uit te wisselen over elkaars werkwijze, inzet en resultaat ten aanzien van de melding, om actief mee te werken aan onderlinge afstemming tussen partijen, om indien van toepassing op te schalen naar de Treiteraanpak en om de samenwerking en knelpunten halfjaarlijks tussen de partijen te bespreken. Werkwijze van het MZWO Zoals eerder vermeld kunnen zowel bewoners als professionals melding doen bij het MZWO. Een melding kan ook anoniem worden gedaan. Bij een melding van een nieuwe zaak voert het MZWO vervolgens een regiecheck uit. Bij een regiecheck wordt binnen de gemeente en bij convenantpartijen door het MZWO nagegaan of de persoon bij de desbetreffende instantie bekend is. Convenantpartners gaan dus na of de persoon in kwestie bij henzelf bekend is en geven deze informatie door. Convenant partners kunnen daarbij opmerkingen meegeven. Indien dat het geval is en de melding in bestaande ‘plan’ van de hulpverlener past, wordt de zorgmelding overgedragen aan de desbetreffende hulp- en dienstverlenende instantie(s). Het MZWO beoordeelt of het bestaande ‘plan’ een oplossing biedt voor de hele melding en alle betrokkenen.

Als dat niet het geval is, wordt de melding geagendeerd in het Klein Overleg. Bij het Klein Overleg sluiten in ieder geval de GGD en politie aan. Soms sluiten andere partijen aan, zoals de woningcorporaties. Mocht de persoon, waar de melding over gaat, niet bekend zijn, dan bespreekt het MZWO met relevante convenantpartijen welke hulp aangeboden kan worden.

Bij een melding van een bestaande zaak wordt de melding aan het dossier toegevoegd. Bij een melding van een gesloten zaak (langer dan drie maanden gesloten) moet een nieuwe zaak wordt aangemaakt. In het geval van een zaak die korter dan drie maanden is gesloten wordt de zaak heropend door het MZWO. Indien de persoon, waar de melding over gaat niet bekend is, wordt dit teruggekoppeld aan de GGD, die de melding verder oppakt. Dit kan in de vorm van een huisbezoek zijn (eventueel samen met politie). De terugkoppeling van de bevindingen van de GGD wordt in het Klein Overleg samen besproken. Vervolgens verzamelen professionals informatie en voeren ze vervolgacties uit. Met als doel om de persoon naar zorg toe te leiden en/of de overlast te laten afnemen. De betrokken professionals voeren casusregie op de inhoud, terwijl het MZWO de procesregie op het geheel behoudt. Er kan besloten worden om de zaak te sluiten als de overlast is gestopt of tot een aanvaardbaar niveau is teruggebracht, het zorgtraject ‘onder controle’ is of stabiel verloopt of bij Einde Interventie nadat ontruiming heeft plaatsgevonden. In het Klein Overleg wordt gezamenlijk besloten om een zaak te sluiten. Bij het afsluiten van een zaak wordt de melder hier telefonisch over geïnformeerd. Nieuwe informatie van een melder, bij dit telefoontje, kan dan weer leiden tot heropening van de zaak.

Als daar geen sprake van is, bevestigt het MZWO de afsluiting van de zaak per brief. Daar voegt het MZWO een tevredenheidsonderzoek voor de melder aan toe. Indien er geen brief wordt verstuurd, moet in het informatiesysteem een motivering worden opgenomen. Daarnaast informeert het MZWO andere relevante partijen over het sluiten van de zaak. Wanneer een melding bij het MZWO blijkt te gaan om structurele treiterijen en/of ernstige bedreigingen en overlast gericht tegen een specifiek persoon of huishouden, dan is opschaling naar de TRAP mogelijk. Het Meldpunt doet het vooronderzoek voor de Treiteraanpak. Vervolgens schakelt het MZWO met de

38

regisseur Treiteraanpak van het betreffende stadsdeel. De treiterregisseur doet samen met een informatiemakelaar verder onderzoek en bepaalt of een zaak als treitercasus kan worden bestempeld. Als dat het geval is, dan blijft een informatiemakelaar van het MZWO gedurende het proces betrokken om gegevens vast te leggen, te verzamelen en te delen). Het instrument van de TRAP is een zwaarder middel waarbij een combinatie van straf en zorg mogelijk is. En is om die reden met de nodige waarborgen omkleed. Er vindt tussentijdse evaluatie plaats waarbij ook gekeken wordt naar de proportionaliteit en subsidiariteit. De TRAP is een zelfstandig proces dat kan bestaan naast het reguliere MZWO-proces.

Gegevensuitwisseling bij samenwerking rond casuïstiek op het snijvlak tussen zorg en veiligheid Informatievoorziening is een wezenlijk onderdeel van het werkproces van een team Veiligheid en daarmee ook van een MZWO. Om tot een goede aanpak van probleemsituaties te komen, is het immers essentieel om over de juiste informatie te kunnen beschikken.

Afstemmingsoverleggen Het MZWO kent verschillende overlegmomenten: • De meest voorkomende is het Klein Overleg (KO). Dit overleg vindt 3-wekelijks plaats, in ieder geval tussen het meldpunt (een medewerker van het MZWO), de GGD (Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige; SPV’er) en politie (een van de wijkagenten). Tijdens dit overleg wordt de voortgang van alle zaken besproken. Tijdens dit overleg kan ook besloten worden dat een zaak kan worden gesloten of dat er behoefte is aan een uitvoerdersoverleg. Ook kunnen andere partners worden uitgenodigd voor dit overleg. • Het uitvoerdersoverleg (UVO) vindt alleen op aanvraag plaats. Alle betrokken partijen worden gevraagd mee te denken over hoe de zaak, waar onvoldoende voortgang in zit, het beste opgepakt kan worden en door wie. • Het Groot Overleg (GO) vindt alleen indien noodzakelijk plaats. In dit overleg wordt afgestemd over de inzet van een Einde Interventie of een Laatste Kans als de overlast niet stopt. • Caseloadoverleg vindt minimaal één keer per kwartaal plaats tussen het MZWO en woningbouwcoöperaties in het betreffende stadsdeel. Het doel van deze overleggen is om elkaar op de hoogte te houden van nieuwe en lopende zaken.

Voor informatie-uitwisseling tussen de samenwerkende partijen gelden de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking (UAVG). In de UAVG worden de regels uit de AVG nader uitgewerkt. Naast de AVG en de UAVG zijn er ten aanzien van de verwerking en het verstrekken van persoonsgegevens ook andere wetten van toepassing. Dit zijn voornamelijk materiewetten die bepalingen bevatten op grond waarvan een partner gegevens mag verwerken en onder welke voorwaarden. Organisaties die samenwerken bij het behandelen van casussen in het zorg- en veiligheidsdomein hebben bijvoorbeeld te maken met de Wet verplichte ggz (Wvggz), de Wet forensische zorg (Wfz), de Wet zorg en dwang (Wzd), Wet publieke gezondheid (Wpg), de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Wet politie gegevens (Wpg) en andere specifieke wetten vanuit hun eigen organisatie. De regels die in deze (materie)wetten zijn opgenomen gaan vóór op de regels van de AVG.

Ook gaat het om samenwerkingsverbanden in het zorg- en veiligheidsdomein die zijn gericht op persoonsgerichte aanpak van complexe casuïstiek (TRAP).

Het MZWO legt de basisinformatie van de persoon in kwestie vast. Ook wordt generieke informatie over de aard van de melding opgenomen. De besproken punten uit Klein Overleg worden op hoofdlijnen in het systeem vastgelegd. Deze verslagen worden anoniem rondgestuurd aan de partners die bij het overleg betrokken waren.

39

Het MZWO verwerkt geen bijzondere persoonsgegevens, tenzij dit is toegestaan op grond van o.a. AVG. Alleen medewerkers van het MZWO en medewerkers voor wie het functioneel noodzakelijk is, hebben toegang tot deze gegevens. De persoonsgegevens worden maximum 5 jaar bewaard vanaf de datum van de laatste verwerking. Bij de uitwisseling van gegevens tussen partijen wordt er onderscheid gemaakt in ‘dat’ informatie (feitelijk) en ‘wat’ informatie (inhoudelijk). In het geval van de regiecheck wordt ‘dat’ informatie opgevraagd. Bij het delen van ‘wat’ informatie moeten betrokken medewerkers zich indringender afvragen of het noodzakelijk is. Bij het delen van medische persoonsgegevens moet de betrokken medewerker zich inspannen om toestemming van desbetreffende persoon te krijgen. Indien er geen toestemming wordt verleend, beoordeelt de betrokken partij of er sprake is van een noodzaak tot het delen van buitenkantinformatie. Onder buitenkantinformatie wordt verstaan: relevante persoonsgegevens, met inbegrip van bejegeningsadviezen, die betrekking hebben op hulpverleningscontacten of mogelijkheden daartoe en die ondanks het beroepsgeheim in bepaalde gevallen, mede in het belang van de cliënt, gedeeld kunnen worden.

40

Bijlage 2: lijst van afkortingen • AcVZ: Actiecentrum Veiligheid en Zorg (voorheen ACV: Actiecentrum Veiligheid) • AOL: Afspraak op locatie • AVG: Algemene Verordening Gegevensverwerking • FAZ: Forensisch Ambulante Zorg • GGD: Gemeentelijke Gezondheidsdienst • GGDVA: GGD afdeling Vangnet en Advies • GO: Groot overleg • ITAT: Interventie Toets en Adviesteam • IVG: Informatieverzamelgroep • KO: Klein overleg • MRA: Metropoolregio Amsterdam • MZWO: Meldpunt Zorg en Woonoverlast • NIFP: Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie • OGGZ: Openbare Geestelijke Gezondheidszorg ofwel bemoeizorg • OM: Openbaar Ministerie • OvJ: Officier van Justitie • PaG: Parket Generaal • PI: Penitentiaire Inrichting • PIT: Preventief Interventie Team • SPV’er: sociaal psychiatrisch verpleegkundige • Tbs: terbeschikkingstelling) • TRAP: Treiteraanpak • UAVG: Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking • UVO: Uitvoeringsoverleg • Wbp: Wet bescherming persoonsgegevens

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14976055/1