Definitief verslag OZA 17-01-2024
Tekst van het document
Gemeente Amsterdam Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Raadscommissieverslag, 17 januari 2024 DEFINITIEF Openbare vergadering van de Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding Vergaderdatum Woensdag 17 januari 2024 van 09.03 tot 21.08 uur in de Willem Kraanzaal Verslag vastgesteld op: Woensdag 14 februari 2024 Vergadering
Voorzitter: het lid Alberts Portefeuillehouders: wethouder Moorman, wethouder Scholtes Commissiegriffie: K. van Klooster Verslaglegging: M. Kuiper (Notuleerservice Nederland) Aanwezige commissieleden: Alberts (SP), Bouhassani (PvdA), Broersen (Volt), Emmerik (Partij voor de Dieren), Von Gerhardt (VVD), De Jong (JA21), Kabamba (Lijst Kabamba), Mangal (DENK), Perdok (BIJ1), Van Pijpen (GroenLinks), Runderkamp (PvdA), Yemane (GroenLinks), Wehkamp (D66), Wijmenga (CDA), Williams (D66) Afwezige commissieleden: Haijen (SP) Overige aanwezigen: P. van der Linden (Odensehuis), B. Weggeman (Cliëntenbelang Amsterdam), S. Nikshomar (Neighborhood Feminists)
ALGEMEEN GEDEELTE
1. a. Opening De VOORZITTER opent de vergadering om 09.03 uur en heet iedereen welkom. Zij stelt vast dat er een quorum is. b. Mededelingen De VOORZITTER verwelkomt het lid Broersen van Volt in deze commissie. • Het lid Haijen laat zich afmelden wegens ziekte. • Met ingang van dit jaar wordt er gewerkt met een vierwekelijkse vergadercyclus. De volgende vergadering van deze commissie is dan ook op 14 februari a.s. De daaropvolgende raad is in verband met het voorjaarsreces op 28-29 februari. Wethouder SCHOLTES meldt naar aanleiding van de vragen van het lid Wehkamp over het verbod op nieuwe tabakszaken en wat er in Utrecht is gebeurd dat er nog steeds naar gekeken wordt. Het kost meer tijd omdat breder gekeken wordt naar de inzet van ruimtelijke instrumenten voor het gezonder maken van de omgeving. Een nieuw onderzoek van UMC Amsterdam en de UvA lijkt de gemeente meer instrumenten in handen te geven om daarop in te grijpen. De keuzevrijheid voor gezond voedsel wordt daarmee beter beschermd. Er wordt gewerkt aan een bredere afwegingsnotitie over de wijze waarop de gemeente daarop kan acteren. De vraag van het lid Wehkamp wordt daarbij meegenomen en er zal zeker ook gekeken worden naar de ervaring van de G4. Naar verwachting zal die afwegingsnotitie in het tweede kwartaal van dit jaar gereed komen. De commissie zal daarover dan nader geïnformeerd worden.
1
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
Het lid WEHKAMP is blij met de brede afweging. Volgens een artikel in het FD openen er nu nieuwe tabakszaken naast supermarkten, die zelf geen tabak meer mogen verkopen. Het zou fijn zijn als gezocht wordt naar manieren om dit tegen te gaan. Wethouder SCHOLTES antwoordt dat daaraan zeker aandacht zal worden gegeven. Het zou mooi zijn als het huidige of volgende kabinet werk gaat maken van de in de Kamer aangenomen motie, waarin gevraagd wordt om een vergunningsplicht in te voeren voor de verkoop van tabak. De Haagse context wordt dus zeker meegenomen in de afwegingsnotitie. c. Vaststellen agenda De VOORZITTER peilt de meningen over een mogelijk avonddeel van de vergadering. Zij constateert dat de commissie een avondgedeelte wenst. De spreektijden worden daarop aangepast. Van het lid Yemane kwam het verzoek om de agendapunten 6 en 8 door te schuiven naar de volgende vergadering. Zij constateert dat de commissie daarmee akkoord gaat. Met inachtneming van het voornoemde wordt de agenda conform vastgesteld. d. Conceptverslag van de vergadering van de raadscommissie OZA d.d. 13 december 2023 Het verslag wordt conform vastgesteld. e. Termijnagenda, per portefeuille Er worden geen opmerkingen gemaakt. f. TKN-lijst De VOORZITTER maakt melding van de volgende verzoeken voor agendering. De motivatie heeft gestaan in de dagmail.
• TKN-1 op verzoek van het lid Wehkamp • TKN-7 op verzoek van het lid Wehkamp • TKN-11 op verzoek van het lid Wehkamp Het lid VAN PIJPEN begrijpt de behoefte van het lid Wehkamp om TKN-7 te agenderen, maar het is meer een procesbrief waarin staat dat de referentienormen worden herzien. Er staat bij dat het college erover besluit. Zij vraagt zich echter af of het niet een raadsbevoegdheid is. Zij wil het stuk nu nog niet agenderen, maar wachten tot die referentienormen er zijn om ze dan inhoudelijk te bespreken. Zij vraagt hoe het lid Wehkamp daarover denkt. Het lid WEHKAMP antwoordt dat zij het punt wil agenderen in verband met de rol van de kinderopvang. De vraag is hoe die meegenomen kan worden. Je kunt dan dus beter niet wachten tot die referentienormen al klaar zijn. Misschien kan het ook meegenomen worden in de brief of in de uitwerking. De VOORZITTER stelt vast dat het lid Wehkamp ervoor kiest om TKN-7 te agenderen.
2
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
Het lid VAN PIJPEN dankt met betrekking tot TKN-4 de wethouder voor uitvoering van de motie. Het lid VON GERHARDT verzoekt TKN-12 te bespreken bij de volgende vergadering. De VOORZITTER constateert dat de commissie met de verzoeken akkoord gaat. g. Ingekomen stukken stadsdeelcommissies Er zijn geen stukken binnengekomen. INHOUDELIJK DEEL 2. a. Opening inhoudelijk gedeelte De VOORZITTER opent het inhoudelijk gedeelte van de vergadering. b. Inspreekmoment publiek Bij agendapunt 3 P. VAN DER LINDEN spreekt namens het Odensehuis. Hij constateert dat Nederland vergrijst. Er is sprake van een dementiegolf. Dementie is een hersenziekte waaraan iemand in vijf tot tien jaar langzaam doodgaat. Hij is ongerust over dit beleidskader. Het betreft vooral een systemische verandering waarbij kernallianties worden gevormd door de grotere aanbieders binnen welzijn. Beter zou het zijn om het beleid te beginnen bij de inwoners zelf, dus bij de vaak informele organisaties waarin zij zich organiseren. Er wordt van de organisaties in de sociale basis meer verwacht. Het is geen bezuiniging, maar meer doen voor hetzelfde geld. In dit beleidskader wordt weinig aandacht gegeven aan de groeiende groep van mensen met dementie. Het aanbod is nu al beperkt; men staat voor een enorme uitdaging. Gevolg daarvan is dat de ondersteuning voor deze mensen verder verslechtert.
Er komt een verdubbeling van het aantal mensen met dementie tot 2040. Het ontbreekt aan voldoende mensen voor betaalde zorg. De beroepsbevolking blijft daarbij gelijk. Daarmee zal de professionele zorg verder onbetaalbaar worden of verslechteren. De laagdrempelige inloophuizen worden in dit beleidskader onvoldoende herkend. Iets dergelijks zag je ook al bij de Wmo-aanbesteding dagbesteding, waarbij verschillende groepen in het beleidskader op één hoop gegooid werden. Dat heeft een bepaald risico in zich. Als de gemeente de aandacht voor de groeiende groep dementerenden wil vergroten en ook het actieplan dementie wil uitvoeren, dan is het noodzakelijk om in dit beleidskader iets op te nemen voor deze groep. Er moet dan ook een budget aan toegekend worden. Hij roept op om dit kader te gebruiken om de onbedoelde effecten van de Wmodagbesteding op de laagdrempelige inloopvoorzieningen, zoals van mantelzorg en dementie van de Odensehuizen, te herstellen. Elk stadsdeel moet zijn eigen Odensehuis gegund worden. Dat moet fatsoenlijk gefinancierd worden. Het lid WEHKAMP vindt de aandacht die voor dementie wordt gevraagd terecht. Er staat echter een hele paragraaf over dementie in het beleidskader. Onderwerpen daarbij zijn het toegankelijker maken van ontmoetingsplekken, het informeren van de omgeving. Zij wil het daarover graag nog hebben.
3
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
P. VAN DER LINDEN antwoordt dat er gestuurd zal worden op ‘speelveldvereenvoudiging’. Er moeten minder aanbieders komen. Je ziet dat onvoldoende terugkomen in de acht criteria. Het is duidelijk dat de groep demente mensen groeit, maar dat was ook al bekend bij de Wmo-aanbesteding dagbesteding. Daarop is eigenlijk niet gehandeld. Hij vraagt dat te repareren. Het lid VAN PIJPEN merkt op dat de stadsdelen een belangrijke rol hebben bij de uitvoering van dit kader. Zijn er signalen dat er minder of een ander soort aandacht komt voor de inloop, zoals het Odensehuis? P. VAN DER LINDEN antwoordt dat Stichting Odensehuis de oudste aanbieder is in Nederland op dit vlak, in Amsterdam in vier stadsdelen. Dat het een gewenste formule is, blijkt uit het feit dat er in zestig andere gemeenten zestig stichtingen zijn die dit type aanbod nadoen. De komende weken is hij voor heel wat avonden en voorlichtingsbijeenkomsten in stadsdelen uitgenodigd. De stadsdelen wachten op de raad. Daarom zit hij hier, om in het centrale document een budgettaire bescherming voor deze doelgroep op te laten nemen. Daarmee zou gerepareerd moeten worden wat in de Wmo-aanbesteding dagbesteding niet gelukt is voor deze groep. Het lid DE JONG vraagt welke suggestie de heer Van der Linden heeft voor de verordening. Het zal lastig zijn om via deze verordening de uitvoering van de Wmo recht te trekken.
Maar zou er specifiek in deze verordening nog iets aangepast kunnen worden? P. VAN DER LINDEN kan deze vraag niet beantwoorden. Verordeningen schrijven is niet zijn expertise. Het lid DE JONG zal hierop verder terugkomen in zijn bijdrage bij het betreffende agendapunt. Bij agendapunt 4 B. WEGGEMAN spreekt namens Cliëntenbelang Amsterdam. Hij is blij dat vandaag in deze commissie de voortgangsrapportage toegankelijkheid 2022 besproken wordt. Het toont aan dat de gemeenteraad toegankelijkheid en inclusie belangrijk vindt. Cliëntenbelang Amsterdam heeft vooraf kunnen reageren op de rapportage. Hij spreekt zijn waardering uit voor de toegenomen aandacht voor toegankelijkheid en de goed leesbare rapportage. Er is wel een zorgpunt, dat eerder gedeeld is met de wethouders Zorg en Verkeer. Het gaat over de toegankelijkheid bij de planvorming inrichting, beheer en handhaving in de openbare ruimte. Daarbij is te weinig voortgang zichtbaar. Sinds twee jaar geleden de Centrale Verkeerscommissie opgeheven werd, ontbreekt het aan een goede borging van de toegankelijkheid. De inbreng van lokale ervaringskennis en -deskundigheid is weggevallen. Bewoners met een beperking, al dan niet verenigd op stadsdeelniveau, hebben geen goed aanspreekpunt meer en voelen zich onvoldoende gehoord. Ze missen actie op de gesignaleerde knelpunten.
Toegankelijke stoepen, veilig oversteken en toegankelijk ov staan niet voor niets in de Amsterdamse lokale inclusieagenda waar de gemeente werk van moet maken. Verwezen kan worden naar het recente raadsadres van Cliëntenbelang Amsterdam over de verkeersdrempel op de Haarlemmerdijk en het rapport met voetgangersknelpunten van Onbeperkt West. Hij roept op om de toegankelijkheidslacune die is ontstaan tussen beleid en uitvoering en tussen centrale stad en stadsdelen te dichten. Ervaringsdeskundigheid moet opnieuw een plek krijgen. Toegankelijkheid moet niet alleen een integraal onderdeel zijn bij de afweging en de planvorming, maar ook bij beheer, onderhoud, handhaving en gedragsbeïnvloeding. Hiervoor zijn investeringen in voldoende kennis en in een goed netwerk nodig, maar ook in daadwerkelijke verbeteringen zoals het actieplan om bushaltes toegankelijk te maken. Hij is ervan overtuigd dat deze investeringen zichzelf
4
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
zullen terugverdienen. Daarvan profiteren immers alle Amsterdammers die naar eigen behoefte kunnen meedoen in de samenleving in een toegankelijke stad. Het lid VAN PIJPEN vraagt wat de heer Weggeman wil. Opnieuw een toetsingscommissie in het leven roepen? B. WEGGEMAN antwoordt dat Cliëntenbelang Amsterdam wil dat lokale ervaringskennis weer een plek krijgt in de plantoetsing en in het beheer en onderhoud. Die kennis is er in het expertiseteam openbare ruimte onvoldoende, of in ieder geval functioneert het te vrijblijvend. Naar zijn mening is de toets achteraf onvoldoende om het gat aan de voorkant te dichten. Het lid PERDOK vraagt of de heer Weggeman ideeën heeft over de wijze waarop ervaringsdeskundigheid en -kennis een plek zouden moeten krijgen bij het uitvoeren van plannen en beleid. B. WEGGEMAN antwoordt dat de ervaringskennis aan de voorkant goed geregeld moet zijn. Die moet vervolgens in het project bewaakt worden. Het is ook belangrijk dat de lokale kennis ingebracht wordt, en niet verdwijnt op het moment dat er een beoordeling plaatsvindt in het ambtelijke circuit. Je moet voorkomen dat er achteraf nog gerepareerd dient te worden. Een herprofilering doe je voor twintig of dertig jaar. Als daarin grote lacunes ontstaan, kost het veel geld om dat achteraf te repareren, of het gebeurt niet.
En in dat laatste geval zit je bijvoorbeeld twintig jaar met een ontoegankelijke voetgangersoversteek. Bij agendapunt 5 S. NIKSHOMAR spreekt namens Neighborhood Feminists (NF), een samenwerkingspartner van de gemeente in de strijd tegen menstruatiearmoede. Dat brengt NF dagelijks in praktijk door enerzijds informatie te verstrekken aan Amsterdammers over het onderwerp en het stigma op menstruatiearmoede aan te pakken. Anderzijds doet NF het door menstruatieproducten direct aan te bieden aan de mensen die dat nodig hebben, via een van de 61 locatie-uitgiftepunten, verspreid door de stad. De nood is heel erg hoog. Ruim een op de vier mensen die menstrueren heeft te maken met menstruatiearmoede. Dat betekent dat zij niet in staat zijn om menstruatieproducten zoals maandverband of tampons aan te schaffen. Of zij doen het door te besparen op andere basisbehoeftes, zoals boodschappen. Daardoor gaan mensen over op onveilige of ongezonde alternatieven. Of ze passen vanzelfsprekende activiteiten in hun leven aan. Ze gaan niet meer naar school, of verzuimen op het werk. Het gaat dus verder dan alleen een armoedeprobleem. Dit raakt ook de volksgezondheid en de participatie en emancipatie van Amsterdammers. Gelukkig staat NF er bij deze grote uitdaging niet alleen voor. Het doet deugd dat het onderwerp weer op de politieke agenda staat.
NF is dankbaar voor de financiële ondersteuning van de gemeente om een deel van de voorzieningen in stand te houden. Hopelijk lukt het met de middelen in ieder geval 20 van de huidige 61 locaties te kunnen laten voortbestaan in 2024. Voor de overige 41 locaties hoopt NF via private financiering het onderhoud te kunnen doen. NF is vastberaden om mee te groeien met de stijgende vraag naar menstruatieproducten. De ambitie is om 2024 af te sluiten met 100 locaties en nauwer samen te werken met de gemeente en andere maatschappelijke organisaties om tot een toekomstbestendige oplossing te komen. Er liggen kansen op verbetering van de voorlichting, zeker voor kwetsbare groepen zoals jongeren en ongedocumenteerden. Het succes van dit alles hangt af van twee factoren: de mate waarin het lukt om private financiering aan te trekken en de mate waarin nauwere samenwerking met de gemeente en andere maatschappelijke organisaties gerealiseerd kan worden. Zij hoopt dat de gemeente bereid is om hierbij mee te denken en de nauwere samenwerking te faciliteren.
5
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
Het lid WILLIAMS is benieuwd of NF voornemens is om net als in 2022 kwantitatief onderzoek te doen naar het probleem van menstruatiearmoede in de stad. NF heeft een groot aantal Menstruation Stations in de stad, ook in de stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost. Hij vraagt of er specifieke barrières waarneembaar zijn in die stadsdelen, gezien de armoedecijfers daar. S. NIKSHOMAR antwoordt dat op 16 maart een initiatiefvoorstel aangenomen werd met de aankondiging dat er een onderzoek zou komen. Dat is uitgevoerd door NF samen met het onderzoeksbureau Opinion. Dit onderzoek is verbonden aan bepaalde middelen. Die komen op korte termijn niet opnieuw ter beschikking van NF. Wel kijkt NF zelf naar de gang van zaken bij haar Menstruation Stations. Elk jaar wordt daarvan een verslag gemaakt met de toe- of afname van gebruik. Dat probeert NF dan in een context te plaatsen. Dat is ook dit jaar zo gedaan. Zij deelt die onderzoeken graag met de gemeenteraad. Daarin wordt heel goed zichtbaar gemaakt hoe de af- en toename in de verschillende stadsdelen werkt. Haar organisatie ziet dat er in Zuidoost een verdubbeling is van het gebruik van menstruatieproducten. Het is moeilijk daarvoor een reden te geven, maar wel kan een context geschetst worden. Waar de armoedecijfers hoger zijn, is in de regel ook de vraag naar menstruatieproducten groter. Maar dat is niet altijd zo.
Of mensen die producten bij NF komen halen, is afhankelijk van de grootte van het taboe in de gemeenschap. Maar ook vragen mensen zich af of ze wel arm genoeg zijn voor deze voorziening. De stigma op armoede en die op menstruatie zorgen ervoor dat mensen het moeilijk vinden over de drempel heen te gaan. Het lid YEMANE vraagt voorbeelden te geven van kansen op verbetering, zoals bij de voorlichting. S. NIKSHOMAR antwoordt dat de raad het initiatiefvoorstel met bijbehorende bestuurlijke reactie hierover heeft aangenomen. Voorlichting was een belangrijk onderdeel van dat initiatiefvoorstel. Het college stelde toen voor dat op te nemen in het voorlichtingsbeleid van verschillende instanties. Daarbij werd verwezen naar de GGD, het CSG, de Gezonde School en de jgz. Daarmee zou de voorlichting echter beperkt te blijven tot de mensen die proactief genoeg zijn om zich tot die instanties te wenden. Mensen die niet bekend zijn met die instanties, zoals statushouders, illegale migranten, maar ook mensen die niet durven vanwege de taboes, blijven daarmee buiten beeld. Het zou een grote meerwaarde hebben als voor die kwetsbare groepen buiten die instanties een aparte voorlichtingscampagne gestart wordt. Het lid PERDOK leest in de armoedemonitor dat vrouwen sowieso meer last hebben van armoede. Opvallend zijn de verschillen tussen de uitgiftes. Bij de OBA is het heel open en toegankelijk.
Zij vraagt welke uitdagingen daarbij worden ondervonden. Ook vraagt zij hoe de inspreker denkt over de uitgifte bij de locaties. Menstruatie is meer dan het fysieke aspect. Zij vraagt wat er nodig is voor NF om die voorlichting te geven. S. NIKSHOMAR antwoordt dat menstruatiearmoede inderdaad niet alleen gaat over de fysieke armoede in middelen, maar ook over de armoede in kennis over een gezonde menstruatie. Er zijn voldoende middelen nodig om zo’n voorlichtingscampagne op te kunnen zetten. Het is wel begrijpelijk dat de gemeente keuzes moet maken. NF wil inzetten op een nauwere samenwerking tussen de verschillende maatschappelijke organisaties. Er is al heel veel kennis in huis bij NF. Zij hoopt dat de gemeente een faciliterende rol wil innemen om NF in contact te brengen met andere maatschappelijke organisaties, zodat er een nauwere samenwerking kan ontstaan. De verschillende maatschappelijke organisatie kunnen dan met de beperkte middelen tot een maximaal rendement komen.
6
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
Het lid KABAMBA vraagt hoe die faciliterende rol van de gemeente eruit zou moet zien. En kan de inspreker voorbeelden geven van die nauwere samenwerking? S. NIKSHOMAR antwoordt dat de faciliterende rol van de gemeente heel veel verschillende vormen kan hebben. Er zijn instanties zoals de GGD en het Armoedefonds, naast de al genoemde organisaties. De gemeente zou een regisserende rol op zich kunnen nemen. Ze zou een aanzetje kunnen geven voor een goed netwerk. Informatie en netwerk zouden gedeeld kunnen worden. c. Actualiteiten Er zijn geen actualiteiten ingebracht. d. Rondvraag Het lid MANGAL leest in een nieuw rapport van het KIS dat discriminatie en vooroordelen een rol spelen bij te lage schooladviezen voor basisschoolleerlingen. Ouders die dat vermoeden, kunnen er praktisch niets tegen doen. Hij vraagt welke conclusies de wethouder uit het KIS-onderzoek herkent en erkent. Welke concrete maatregelen volgen om de schoolbesturen hierop aan te spreken? Hij vraagt de raad blijvend te informeren over deze sluipende ondermijning en discriminatie van leerlingen. Wethouder MOORMAN antwoordt dat dit jaar voor de eerste keer de doorstroomtoets gedaan wordt. Binnenkort komen de schooladviezen voor leerlingen weer, en die zijn zeer bepalend voor de toekomstkansen die ze krijgen. Het is belangrijk dat het advies aansluit bij wat een kind in zijn mars heeft.
Dat is sowieso heel lastig te bepalen als kinderen elf of twaalf jaar oud zijn. Helaas is een bias zichtbaar in de wijze waarop kinderen een schooladvies krijgen. Kinderen van hoger opgeleide ouders krijgen hogere adviezen dan hun score aangeeft, terwijl kinderen uit minder kansrijke gezinnen vaak ondergeadviseerd worden. Daar is al vaak onderzoek naar gedaan, zoals door het schoolbestuur AMOS. Het blijkt vaak niet te komen door slechte intenties, meer vanuit het idee van ‘begin maar rustig’. Het effect daarvan kan echter desastreus zijn. Het is helemaal niet zo makkelijk om daarna nog te gaan stapelen. Dat is zelfs steeds ingewikkelder gemaakt. De gemeente gaat er natuurlijk niet over, maar het gesprek hierover wordt regelmatig gevoerd. Het wordt ook onder de loep genomen in de Staat van het Onderwijs. Iedereen moet zich realiseren dat het onderadviseren van kinderen kansen ontneemt. Overigens is het omgekeerde, dus het kansrijk adviseren, ook gevaarlijk. De kwaliteit van het onderwijs staat momenteel sterk onder druk. Als een kind een advies krijgt waarvoor het niet de basis heeft meegekregen, kan dat tot schrijnende gevolgen leiden. Jongeren komen ervan onder grote mentale druk. Het onderwerp moet dus steeds breed geagendeerd worden in deze commissie. Daarvoor is zij het lid Mangal dankbaar.
Het lid MANGAL vraagt welke maatregelen de wethouder wil nemen om de schoolbesturen hierop aan te spreken. Wethouder MOORMAN antwoordt dat de gemeente niet over de adviezen gaat. Zij kan dus geen concrete maatregelen nemen. Het is wel heel belangrijk dat het in de raad besproken wordt. Po- en vo-schoolbesturen hebben inmiddels de gewoonte om een eigen Staat van het Onderwijs te maken. Daarbij is dit een onderdeel van gesprek. Daarvoor moet het probleem gezien en in kaart gebracht worden. Het lid MANGAL memoreert het besluit om de As-Siddieq-scholen in de komende maanden met 40% te korten op het budget. Dat kan oplopen tot 100% in juni. DENK maakt zich grote zorgen om de leerlingen en docenten van die scholen. Het is onacceptabel dat het onderwijs van de leerlingen komt te lijden onder deze crisis. Hij
7
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
vraagt in hoeverre de wethouder rekening houdt met een noodscenario. Hoe gaat zij zich inzetten om de gevolgen voor de leerlingen zoveel mogelijk te beperken? Om hoeveel leerlingen gaat het? Waar gaan die heen als de scholen worden gesloten? Heeft de wethouder het al besproken met de schoolbesturen? Wethouder MOORMAN kan weinig zeggen over de maatregelen, maar zij deelt de zorgen volledig. Het gaat hierbij om maar liefst 1200 leerlingen. Ouders, docenten en leerlingen mogen niet het slachtoffer zijn van een bestuursruzie die al veel te lang voortduurt. Hopelijk zullen de verantwoordelijken daarvoor zich dat ook realiseren. Ieder kind heeft recht op goed onderwijs in de stad. De gemeente heeft een nauw contact met de scholen. Er zijn voor de gemeente maar beperkte mogelijkheden, maar ze doet het maximale. Het belang van de kinderen moet altijd voorop staan. Het lid MANGAL vraagt of de wethouder met andere scholen heeft gesproken om deze leerlingen zo nodig op te vangen. Wethouder MOORMAN antwoordt dat deze vraag teveel vooruitloopt op de zaak. Zij hoopt dat het opgelost wordt binnen het ISA zelf. Het lid YEMANE merkt op dat de stadsdeelcommissie Zuidoost gisteravond met betrekking tot de OBA Next unaniem heeft gestemd voor de locatie in Kraaiennest.
Hoe kijkt de wethouder daarnaar? En wat is het vervolgproces? Het advies van de stadsdeelcommissie zou immers heel zwaar gaan wegen? Wethouder MOORMAN heeft ook gehoord dat men unaniem voor Kraaiennest heeft gestemd. Zij begrijpt die keuze. Er liggen daar enorm veel kansen. De procedure is omgedraaid omdat de stem van Zuidoost cruciaal is. Het zou raar zijn als het college zich weinig aan zou trekken van de keuze van het stadsdeel. Het college als geheel zal hierover een beslissing nemen. De K-buurt wijkt af van de Omgevingsvisie, dus de wethouder RO zal er ook iets over moeten zeggen. Het college zal een afweging maken met inachtneming van het oordeel van het stadsdeel. De kans lijkt groot dat het college het oordeel van de stadsdeelcommissie overneemt. Het lid KABAMBA is blij met de keuze van de stadsdeelcommissie voor Kraaiennest. Zij vraagt of er nog een moment voor de K-buurt komt om zich erover uit te spreken. Of is het wachten op de vervolgstappen die het stadsdeel wil zetten? Wethouder MOORMAN antwoordt dat een van de twee locaties, in dit geval de Kbuurt, afwijkt van de Omgevingsvisie. De raad kan zich daarover uitspreken voor het college het uiteindelijke besluit neemt. Dat geeft een moment waarop ingesproken kan worden. BESPREEKPUNTEN Zorg en Maatschappelijke Ontwikkeling 3.
Vaststellen van het beleidskader sociale basis Amsterdam 2025-2030 en subsidieverordening sociale basis Amsterdam 2025 (VN2023-027092) De VOORZITTER licht toe dat deze raadsvoordracht meerdere portefeuilles betreft. Over dit onderwerp zijn naast het inspraaktraject onder andere ook een stadsconferentie en een technische sessie georganiseerd. De focus ligt nu op het politieke debat. Het lid STAARTJES merkt op dat behalve het beleidskader, waarop inspraak gegeven is, ook nog een subsidiekader voorligt dat een uitwerking is van dat beleidskader. Het is niet eenvoudig in te zien hoe zich de twee tot elkaar verhouden. Er is
8
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
een spannend tijdspad. Volgende week moet dit vastgesteld worden in de raad en daarna zal er een grote herziening plaatsvinden. Zijn fractie is blij met die herziening. De VVD weet niet wat ze momenteel vindt van de sociale basis. De doelen in het huidige beleidskader zijn relatief vaag en er is gebrek aan monitoring. In juist die twee aspecten voorziet de stelselwijziging, met onder andere een vereenvoudiging van het speelveld. Zijn fractie kan zich daarin vinden. Dit is een grote regeling waarvoor voor dit jaar 108 miljoen euro uitgegeven wordt. Ook is er sprake van grote apparaatkosten. In de stadsdelen wordt een bedrag van 14 miljoen euro ingezet om alle subsidieaanvragen en -verlengingen te verwerken. Dat is niet gek, want het gaat echt om een ‘subsidiefabriek’ waarbij veel werk komt kijken. Hij is blij dat in dat opzicht een stap gezet wordt naar meerjarige subsidies en een verlichting van de administratieve druk. Hij vraagt hoe men de inzet die vrijkomt zodanig besteed dat die terechtkomt bij de mensen in het veld. In het beleidskader staat dat de sociale basis van de stad zelf is; het zijn de Amsterdammers die de sociale basis maken. Het is ook een echo naar de ‘veerkrachtige stad’, afkomstig uit meer liberale tijden. Hij onderschrijft die volledig. Tegelijkertijd heeft dit college eigen doelstellingen, die het college denkt te behalen met de sociale basis.
Een opvallend punt daarbij is De Gezonde Stad. In artikel 1.10 van de verordening staat dat activiteiten waarvoor subsidie verleend wordt, moeten plaatsvinden in een gezonde leefomgeving. Dat lijkt op het eerste gezicht prima, maar in de toelichting blijkt in die gezonde leefomgeving geen plaats te zijn voor een broodje bal met mosterd en een biertje. Alcohol kan niet genuttigd worden in de omgeving waar de activiteiten plaatsvinden. Ook is het de bedoeling dat plantaardig voedsel wordt geserveerd. Dat is niets nieuws; het bleek al uit andere beleidsdocumenten van de gemeente. Maar het gaat hier wel om activiteiten die voor en door Amsterdammers georganiseerd worden. Hij vraagt of het gepast is om te proberen dit soort andere doelen via dit instrument te realiseren. De VVD kijkt daar fundamenteel anders naar. Het is logisch dat de gemeente niet vanuit de sociale basis een Beiers bierfeest wil subsidiëren, maar het gaat hier vaak om buurtaccommodaties waar mensen lekker een wijntje drinken bij de ontmoeting na de activiteiten. Het andere punt is de manier waarop de volksvertegenwoordiging hierbij wordt betrokken. Dit is complex en er zijn veel partijen bij aanwezig. Zijn fractie kan zich vinden in het voorstel om elke twee jaar de stadsdeelcommissie alle informatie op te sturen, en die dan ook voor de commissievergadering uit te nodigen.
De commissie moet dan wel goed scherp hebben hoe dat belangrijke moment wordt ingevuld. Het is goed daar nu al over na te denken. Zijn fractie zal misschien met een voorstel komen in dit verband. Het lid RUNDERKAMP complimenteert alle betrokken ambtenaren met hun werk voor dit beleidskader. Er waren 121 inspraakreacties en er kwamen adviezen van 7 stadsdelen, van de Wmo-adviesraad en Cliëntenbelang Amsterdam. Daarbij kwam dan nog een brede stadsconferentie, naast meerdere technische sessies voor de raadsleden. Ook zijn fractie kan zich goed vinden in de uitwerking van de verschillende uitgangspunten. In het conceptbeleidskader ging men uit van een termijn van acht jaar. In dit definitieve beleidskader is de termijn voor de meerjarige subsidieverlening teruggebracht naar zes jaar. Wat is hierbij de politieke afweging geweest? Hij onderschrijft het belang van meerjarig subsidiëren, maar wat gebeurt er als bij een meerjarige subsidierelatie met een partner er niet goed wordt gepresteerd? Wat als de afspraken herhaaldelijk, over meerdere jaren, niet nagekomen worden? Hij vraagt de wethouder te garanderen dat het niet kan gebeuren dat de gemeente voor jaren vast komt te zitten aan een partner die niet conform de afspraken levert. Eind vorig jaar is de subsidieregeling integraal maatschappelijk initiatief afgelopen.
Die was opgetuigd voor maatschappelijke initiatieven die tussen wal en schip dreigden te vallen. Hij vraagt of dit nieuwe beleidskader mogelijkheden biedt voor dit soort maatschappelijke initiatieven. Kunnen ze er ook aanspraak op maken? Er is aandacht voor de ontmoetingsfunctie in het nieuwe beleidskader, maar toch wordt die ondergeschikt gemaakt aan bijvoorbeeld de gezondheidszorg en de bestaanszekerheid. Wat dat betreft kon hij zich vinden in het sentiment van de inspreker
9
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
Van der Linden. Hij vraagt om een reactie van de wethouder, ook met betrekking tot diens eigen ervaringen bij het inloophuis. Hoe het verder gaat met de meerjarige termijn dat de subsidies zijn verleend, ligt nog vrij open. Hij vraagt of nog verder wordt uitgewerkt op welke wijze de betrokken directies en stadsdelen met elkaar in contact blijven en samenwerken als de subsidies zijn verleend. Er is te weinig aandacht voor Amsterdammers met een fysieke beperking in dit beleidskader. Ze worden niet genoemd als focusgroep. Maar de sociale basis is juist voor deze groep het podium waar die mensen zich zouden moeten kunnen ontplooien en ontmoeten. Hij vraagt een reflectie. Hij is blij met het aangekondigde onderzoek van de Rekenkamer, waarbij juist deze groep expliciet wordt meegenomen. In de sociale basis werken bewoners, vrijwilligers samen aan een breed, laagdrempelig en vrij toegankelijk aanbod van activiteiten en voorzieningen in de buurt. Het is een plek waar Amsterdammers elkaar kunnen vinden en waar ze zich kunnen ontplooien. Dat is een groot goed dat gekoesterd moet worden. Het lid BROERSEN complimenteert de wethouder met dit stuk, en ook de ambtenaren die eraan mee hebben gewerkt. Hoe je het ook inricht, de sociale basis kan besparingen elders in het stelsel nooit volledig opvangen. Dat mag niet vergeten worden. De sociale basis heeft ook een preventiezorgfunctie.
Dus laagdrempelige zorg om te voorkomen dat iemand niet verder afglijdt. Hopelijk is het voor de vrijwilligers duidelijk dat ze snel aan de bel moeten trekken als de sociale basis in de zorg niet genoeg is. Een voorbeeld is mentale zorg. 45% van de Amsterdammers kampt met mentale klachten, en daaronder bevindt zich een grote groep jongeren. Jongeren zijn niet altijd in beeld, maar doen misschien wel mee aan bepaalde activiteiten. Somberheid kan leiden tot een glijdende schaal. Zonder de juiste zorg, ben je zo iemand zo kwijt. Maar wanneer weet een vrijwilliger dat hij aan de bel moet trekken? Het lid VAN PIJPEN vindt het opvallend dat het lid Broersen de sociale basis ‘zorg’ noemt. Wat verstaat zij onder zorg? Het lid BROERSEN antwoordt dat zorg een breed begrip is. Af en toe een kopje koffie drinken bij de buurman is ook een vorm van zorg. De sociale basis kan ook preventief werken. Mentale zorg wordt genoemd als focus in het beleidskader. Als een luisterend oor wordt geboden aan iemand die eenzaam is, noemt zij dat zorg. Het lid VAN PIJPEN vraagt of je het niet beter over ‘welzijn’ kan hebben. Het lid BROERSEN antwoordt dat de term ‘zorg’ vaker terugkomt in dit beleidskader. Die term komt ook hier en daar voor in de uitleg van de sociale basis. Vrijwilligers zijn binnen de sociale basis onmisbaar.
In het beleidskader wordt ook het tekort aan vrijwilligers genoemd en de enorme druk die op hen rust. Er staat dat er meer ondersteuning wordt georganiseerd voor vrijwilligers. Dat houdt in dat men oog heeft voor het moment dat vrijwillige inzet ophoudt om plaats te maken voor professionele inzet. Maar hoe moet zij dat zien? Zij vraagt een reactie. Zij is blij dat de regeldruk voor de kleine initiatieven vermindert. Toch viel het op dat onder deze categorie iedereen een subsidieaanvraag kan doen, terwijl het dus bedoeld is voor kleine initiatieven. Kunnen grote organisaties met meer menskracht dan ook een subsidieaanvraag doen die is bedoeld voor kleine initiatieven, zonder teveel regeldruk? Dat zou zij minder goed in vinden. Verder vraagt zij of kleine initiatieven, zoals bewonersinitiatieven, hulp krijgen bij hun subsidieaanvraag. Of kan een subsidieaanvraag op verschillende manieren worden ingediend, bijvoorbeeld ook door middel van video? Zij kan zich voorstellen dat kleine maatschappelijke initiatiefnemers die minder goed zijn met de pen, wel goed zijn in het verbinden van mensen met de juiste ideeën. Zij zouden dus ook mee moeten kunnen doen. Het moet geen beleidskader worden dat vooral werkt voor geclusterde grote partijen, maar juist voor de kleine bewonersinitiatieven. Uit de nota van beantwoording blijkt dat bewoners op alle vlakken betrokken moeten worden.
Bij het definiëren van de opgave in gebieden, maar ook bij het evalueren
10
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
van hoe het gaat in het gebied. Het aanbod moet ook aansluiten bij wat nodig is. Dat laatste punt vindt zij niet terug in het beleidskader, en niet in de monitor in hoofdstuk 3. Het lid MANGAL merkt op dat met het nieuwe beleidskader een solide fundament wordt gelegd voor de sociale basis. Zijn fractie spreekt haar waardering uit voor de brede opzet van dit kader, waarbij de partners uitvoerig betrokken zijn en inspraak hebben gehad. DENK kan zich vinden in de uitgangspunten voor dit beleidskader. Te waarderen valt de aandacht voor inclusie en de strijd tegen discriminatie. De inzet mag echter intensiever zijn. Hij denkt daarbij aan het aanbieden van cursussen over het herkennen van en de omgang met discriminatie, met speciale aandacht voor sleutelfiguren, professionals en leidinggevenden. Wat is de visie van de wethouder op dit punt? Terecht staat in het beleidskader dat cohesie en verbinding niet vanzelf ontstaan. De dialoog is essentieel, vooral als het gaat om ervaringen met discriminatie of maatschappelijke spanningen. Is de wethouder daarom bereid om de verbinding te leggen met het initiatiefvoorstel van DENK en Volt, waarin gevraagd wordt om het bevorderen van dialoog, empathie en wederzijdse acceptatie? De inzet van vrijwilligers neemt af terwijl de behoefte juist groeit.
DENK stelt een maatschappelijke diensttijd voor achttienjarigen voor, maar wel op vrijwillige basis. Is het mogelijk dat achttienjarigen een uitnodiging van de gemeente krijgen om vrijwilliger te worden bij een organisatie uit de sociale basis, bij voorkeur in een ander stadsdeel? Jongeren zijn vaak bereid mee te doen, maar hebben net een klein zetje nodig, of ze weten de weg naar de sociale basis niet te vinden. Is de wethouder bereid deze optie verder te onderzoeken? De aandacht voor ouderen, met name voor ouderen van de eerste generatie arbeidsmigranten is zeer terecht. Het lid DE JONG vraagt of er inspraak geboden is aan jongeren voor het idee van die sociale dienstplicht. Of moet het in de verordening vastgelegd worden? Het lid MANGAL antwoordt dat zijn collega’s erover gesproken hebben met jongeren. In de commissie is al eerder gesproken over de groep ouderen van de eerste generatie arbeidsmigranten. Het blijkt dat die groep vaak moeilijk is te bereiken, met eenzaamheid en sociaal isolement als gevolg. Hij is benieuwd hoe dit beleidskader deze groep gaat benaderen en vraagt de wethouder hierop verder in te gaan. Er is aandacht voor verslavingsproblematiek en middelengebruik waaronder alcohol. Toch blijkt men in het beleidskader deze onderwerpen niet te beschouwen als belangrijke preventieve maatregelen.
Uit de beantwoording op eerdere vragen van DENK kreeg je de indruk dat alcoholontmoediging wel een prominente rol zou krijgen. Hoe zit dat? Het beleidskader sociale basis bevat diverse maatregelen, maar het is niet duidelijk welke maatregelen met welke budgetten worden gefinancierd. Sommige lijken duidelijk uit andere beleidsterreinen te komen, zoals het jongerenwerk. Het is dus niet inzichtelijk wat er precies gefinancierd gaat worden. Hij vraagt wat het beoogde bereik is van de genoemde maatregelen en wanneer daarin inzicht wordt geboden. Hij complimenteert de wethouder met deze verbeterde versie. Het lid WEHKAMP dankt de ambtenaren voor hun werk. Ook dankt zij de vrijwilligers in de sociale basis. Zij is op hoofdlijnen blij met het kader. Zij is verder blij met de aandacht voor de administratieve druk, en dat gevraagd wordt te kiezen voor werkwijzen die bewezen werken. Ook is zij blij dat men keuzes maakt en richting geeft. De raad heeft in een motie onderzoek gevraagd om een onderzoek voor een sociale kaart. Dat wordt nog niet genoemd in het beleidskader. Misschien is dat omdat het onderzoek nog loopt, maar dat duurt onderhand wel lang. De sociale basis is van alle Amsterdammers, maar die moeten die dan wel weten te vinden. Ook voor buurtteams en OKT’s is niet altijd inzichtelijk wat er gebeurt in de sociale basis. De sociale kaart kan daarbij helpen.
Als dit kader vastgesteld wordt, kunnen misschien geen voorwaarden
11
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
meer gesteld worden aan de organisaties om mee te werken aan een systeem om het inzichtelijker te maken. Zij vraagt of men niet te laat is door na vaststelling toch die sociale kaart in te voeren. Er zijn veel zienswijzen ingediend. Er is zorg vanuit de kleinere organisaties en zij is blij dat men daaraan gedacht heeft. Een organisatie gaf aan dat zij eigenlijk de rol van corporaties en bedrijven miste. Ze worden niet genoemd, terwijl bedrijven toch echt een aanvullende rol kunnen spelen. Zo maakt ‘Oma’s Soep’ soep met oma’s die vaak eenzamer zijn. Het lid VAN PIJPEN vraagt toe te lichten op welke manier aandacht die bedrijven betrokken moeten worden. En aan wat voor soorten bedrijven denkt het lid Wehkamp? Het lid WEHKAMP antwoordt dat ‘Oma’s Soep’ zegt oma’s te missen voor de projecten. Het is niet de bedoeling om bedrijven met dit budget te gaan sponsoren. Wel is het interessant om te kijken hoe je kunt samenwerken als er toch al initiatieven bestaan vanuit bedrijven, om eenzaamheid tegen te gaan. Daarover zou zij graag iets terugzien in het kader. Het lid VAN PIJPEN ziet een rol voor het MKB, contacten in de buurten tussen de kapper of de kroeg. Maar het lid Wehkamp lijkt ook te doelen op grotere bedrijven die een rol zouden moeten spelen.
Bedoelt zij dat inderdaad? Het lid WEHKAMP antwoordt dat de grootte van bedrijven niet veel uitmaakt als ze een bijdrage kunnen leveren aan het welzijn van de Amsterdammers. In het beleidskader zou moeten staan dat het genoemde soort bedrijven van toegevoegde waarde kan zijn. Dus dat organisaties de contacten kunnen zoeken met die bedrijven om de eenzaamheid tegen te gaan. Het lid STAARTJES wijst op het bestaan van lokale bierbrouwerijen in Amsterdam. Die hebben ook een sociale missie en doen veel aan welzijn. Hoe staat D66 tegenover een bijdrage van deze bierbrouwerijen aan de sociale basis? Het lid WEHKAMP kan zich vinden in de liberale waarden van de VVD. Maar er moet wel een keuze zijn. Alcohol is niet altijd een goede keuze. Als een bierbrouwerij bier 0.0 maakt en daar iets leuks mee wil doen, zijn er zeker mogelijkheden. Het lid STAARTJES begrijpt dat een MKB’er iets goeds mag doen voor de samenleving voor zover het past binnen wat D66 fatsoenlijk vindt. Het lid WEHKAMP antwoordt dat je als liberaal keuzes moet geven en je kunt tegelijkertijd gezonde keuzes bevorderen. Bier geven aan mensen in de sociale basis is niet per se een gezonde keuze. Dat hoef je niet te bevorderen. Mensen die lichamelijke of mentale klachten hebben en somber zijn, krabbelen vaak op als ze een activiteit ondernemen die bij ze past.
Dat werd ook meerdere keren aangegeven in de inspraak, zoals door stadsdeel Oost en Cliëntenbelang Amsterdam. Zij mist die aandacht voor kunst en cultuur in het kader. Sport en beweging worden wel genoemd voor algemeen welzijn, maar kunst en cultuur is weggelaten. Zij vraagt of de wethouder bereid is om het belang van kunst en cultuur expliciet te noemen in het kader. Het zou een duurzaam onderdeel moeten zijn van de sociale basis om op die manier projecten zoals Kunst op Recept structureel mogelijk te maken. Zij is blij met de goede plek voor jeugd in het kader, inclusief de naschoolse talentontwikkeling. D66 is voor een rijke schooldag met naschoolse talentontwikkeling. Juist in minder welvarende buurten zorgen personeelstekorten voor een verschraling bij zorg en onderwijs. Het is de taak van de gemeente om meer kansen te bieden aan de mensen die het het meest nodig hebben. Op dit moment wordt gewerkt aan het beter in kaart brengen van de verschillende stromen in de naschoolse talentontwikkeling. Zij vraagt of de wethouder een overzicht daarvan kan leveren.
12
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
Het lid DE JONG geeft een toelichting op de begrippen ‘sociale basis’ en ‘sociale cohesie’. Sociale basis gaat uit van mensen die wat voor elkaar doen. Belangeloos, omdat je elkaar kent en het voor de ander over hebt. Je laat je buurtmeisje niet op het station staan als de laatste bus al weg is. Misschien leg je voor de ander een stopcontact aan omdat je dat goed kan. Dat kost de ander dan niets. Dat is sociale cohesie. In veel regio’s bestaat daarvoor een woord. Bekend is ‘noaberschap’. In Amsterdam is die sociale basis weg. Dit document is dan ook het failliet van Amsterdam. De Wlz is niet meer goed geregeld, dus moeten meer mensen langer thuis wonen met zorg die ook niet goed geregeld is. Omdat de jeugdzorg niet goed loopt, kunnen minder mensen daarop aanspraak maken. Je krijgt dan minder zware vormen van zorg. Dat is het doel dat door de sociale basis hopelijk bewerkstelligd gaat worden. In Amsterdam moet je dus iets voor een ander, die je niet kent, doen in ruil voor subsidie. Dat is het tegenovergestelde van sociale cohesie. Vormen van die minder dure zorg zijn het OKT, de buurtteams. Die moeten ervoor zorgen dat er minder escalatie komt naar de zwaardere vormen van zorg. Dat wordt in dit document als een goed punt beschouwd.
Voor het kerstreces kwam in de commissie nog naar voren dat de effectiviteit van de OKT’s en de verdeelsleutel van interventie en preventie eigenlijk helemaal niet duidelijk was. Daarover was men bezorgd. Toen zijn de inzichten voor de OKT’s aangescherpt, zodat je dat in de toekomst wel ging krijgen. In dit document wordt het echter al als een goed punt naar voren gebracht. Een sterke sociale basis moet zorgen dat er minder aanspraak wordt gemaakt op zorg. Er wordt op die manier bijna een soort taakstelling gelegd bij dit losvaste netwerk van vrijwillige initiatieven van Amsterdammers. Als je een aanvraag doet, weet je niet dat je onderdeel wordt van het zorgstelsel van Amsterdam. En dan wordt ook nog afgerekend op de effectiviteit van je eigen cohesie. Anders krijg je de volgende keer geen subsidie meer. Op pagina 11 staat een mooie figuur die deze beweging laat zien. Je hebt de zware zorg, de buurtteams en OKT’s en dat moet allemaal een beweging maken richting de sociale basis. Men zegt dat het alleen kan als er sprake is van veiligheid in de stad, maar het aantal inbraken stijgt nergens in Nederland, behalve in Amsterdam. Er zijn hier geen handhavers en de politie is onderbezet. Je moet normaal kunnen wonen. Er is bij het onderwijs sprake van het grootste lerarentekort ooit. De werkloosheid in Amsterdam is 11,8% en landelijk is het 3,3%. Dat gaat dus ook niet heel goed.
Wat betreft participatie moet je eens teruglezen in hoeverre inspraakmomenten ook daadwerkelijk tot een verandering van het document geleid hebben. Insprekers krijgen meestal ‘nee’ te horen. Het besteedbaar inkomen in Amsterdam is ongeveer 10.000 euro lager dan gemiddeld over Nederland. Amsterdam voldoet dus niet aan één voorwaarde om die beweging te kunnen maken. En dan verwacht Amsterdam eigenlijk van mensen in een sociale huurwoning dat ze nog eens wat belangeloos voor een ander doen. Hij vraagt de wethouder of je sociale cohesie kan kopen. Want dat is wat er gebeurt als je subsidie aanvraagt voor je sociale cohesie. Het lid STAARTJES kijkt als liberaal anders aan tegen het vrijwillig initiatief. Dat is dat mensen zelf iets willen doen, vanuit een intrinsieke motivatie voor de ander. Je gaat langs met een pannetje soep. En dan heeft de gemeente toevallig wat budget om te faciliteren. Hoe kijkt JA21 daartegenaan? Komt die vrijwillige inzet niet vanuit de mensen zelf? Het lid DE JONG antwoordt dat zelfredzaamheid betekent dat je het vanuit jezelf doet. Zelfredzaamheid die betaald wordt door de overheid is geen zelfredzaamheid. Het wordt eigenlijk staatsbemoeienis en dan ook nog met sturing op wat sociale cohesie zou moeten zijn.
Iemand die te weinig sociale cohesie heeft getoond, wordt daar dan ook nog op afgerekend doordat hij minder subsidie krijgt, of zelfs helemaal afgewezen wordt. Het lid RUNDERKAMP hoort een lange tirade tegen dit beleidskader. Maar wat wil het lid De Jong dan wel? Wil hij de hele sociale basis afschaffen?
13
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
Het lid DE JONG antwoordt dat de sociale basis al praktisch afgeschaft is. Er zijn in Amsterdam 56% niet-westerse migranten. Het percentage sociale huurwoningen ligt in Amsterdam ver boven het landelijk gemiddelde. De verzorgingshuizen zijn afgeschaft. Er ontstaat in Amsterdam daarmee een situatie waarbij je elkaar niet meer kent. Maar omdat er wel een grote zorgvraag is die beteugeld moet worden, ga je allemaal gekke bewegingen maken. Het lid RUNDERKAMP vraagt wat het lid De Jong dan wel wil. Het lid DE JONG antwoordt dat hij de migratie wil beteugelen, zodat er meer integratie ontstaat binnen de buurten. Natuurlijk moeten de verzorgingshuizen heropend worden. De aanspraak op zorg moet teruggedrongen worden, maar die aanspraak ontstaat door problemen die de gemeente zelf heeft gekozen. Het lid BROERSEN hoort een lange tirade. Het gaat steeds over ‘moeten’. Kleine organisaties moeten inhoudelijk laten zien wat ze gedaan hebben. Maar ze hoeven als kleine vrijwilligersorganisaties geen subsidie aan te vragen. Grotere organisaties leveren volgens het lid De Jong zorg voor een subsidie. Zij vraagt hem eens langs te gaan bij kleine bewonersinitiatieven die subsidie vanuit de sociale basis ontvangen. Het lid De Jong moet eens kijken met hoeveel plezier ze zorg leveren. Er is inderdaad niet voldoende zorg. Er zijn enorme wachtlijsten, waar Amsterdam echter niet zoveel aan kan doen.
Dat heeft met het Rijk te maken. Het lid DE JONG is voorstander van een sociale basis en van sociale cohesie, maar dat is iets anders dan subsidie verlenen aan kleine initiatieven. Die kleine initiatieven komen wat in het gedrang, want er worden zesjarige contracten aangegaan voor de grote projecten. Voor een klein project is het maar de vraag of je na een jaar nog steeds in aanmerking komt voor het geld. Een klein buurtinitiatief is een mooie vorm van sociale cohesie, als je de rest uitgehold hebt. Het lid BROERSEN erkent dat er een kern van waarheid zit in wat het lid De Jong zegt, maar de kleine buurtinitiatieven kunnen per jaar subsidie aanvragen met veel minder regels. Er is minder administratieve last. Heeft het lid De Jong het stuk wel gelezen? Het lid DE JONG antwoordt dat men niet voldoende opkomt voor de kleine initiatieven. Ze moeten jaarlijks subsidie aanvragen, terwijl de grote initiatieven voor zes jaar vastgelegd worden. Natuurlijk is hij voor iets wat vrijwillig georganiseerd wordt. Het lid BROERSEN vraagt de wethouder hoe de kleine initiatieven meer ondersteund kunnen worden bij subsidieaanvragen. Misschien kunnen ze de aanvraag doen via video. Is het lid De Jong dat met haar eens? Het lid DE JONG is dat met haar eens. Het lid VAN PIJPEN heeft de indruk dat het lid De Jong geen enkele weet heeft van wat er in Amsterdam speelt in de sociale basis.
Hij lijkt geen enkele weet te hebben van de organisatiegraad van bewoners. Mensen met een migratieachtergrond zijn heel goed georganiseerd. Het is tijd dat JA21 zich gaat interesseren voor Amsterdam. De sociale basis is van en voor iedereen. Zij zag de afgelopen maanden in de stad fantastische activiteiten, buurthuizen, bewonersinitiatieven, levendigheid. Zij zag de noodzaak van de sociale basis. Zij bedankt iedereen daarvoor, want het bruist. Toch waren er ook problemen. Het is moeilijk financiering rond te krijgen, om huisvesting te realiseren, om samen te werken of de effecten van het werk te laten zien. Dit kader moet een goed fundament zijn. Het geld moet naar goede dingen gaan, naar zaken die de stad verbinden, voor verbonden bewoners en sterke buurten, vermindering van ongelijkheid, versterking van gezondheid en welzijn. Het is mooi om te zien dat de inspraakronde veel
14
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
heeft opgeleverd, waarmee het kader behoorlijk is aangepast. GroenLinks is heel blij met die wijzigingen. De toevoeging van samenredzaamheid en de focus op zorgzame buurten is essentieel. De uitwerking van dit begrip verdient echter meer aandacht, zowel in de tekst als in de uitvoering. Zorgzame buurten betekenen eigenaarschap door bewoners, en meer dan vrijwilligers die alleen iets voor anderen doen. Goed opbouwwerk is nodig, maar ook moet gebouwd worden op gemeenschap, organisaties en vaak al bestaande initiatieven in de buurt. Dat hoort een plek te krijgen in de gebiedsgerichte uitwerking. Er is over zorgzame buurten al veel geschreven en onderzocht. Er zijn veel ervaringen mee opgedaan in de rest van het land. Die ervaringen moeten benut worden. Hoe kijkt de wethouder daarnaar? Hoe zie je dat terug in de uitvoering? Er is aparte aandacht nodig voor de ouderen. Meer zal zij daarover zeggen bij de behandeling van de Age Friendly City, die zij graag om wil dopen in de ‘generatievriendelijke stad’. Zij vraagt waarom ouderenwerk niet als onderdeel van de kernfunctie wordt benoemd. Verder vraagt zij of het organiseren van intergenerationeel contact niet een doelstelling is die je op kan nemen bij de gebiedsgerichte opgave. Generatievriendelijk beleid moet gaan landen in de sociale basis.
Moet dat dan niet in het kader vastgelegd worden? Het lid DE JONG vindt het jammer dat het lid Van Pijpen met een beknopte versie van haar betoog komt en de rest bewaart voor de behandeling van de Age Friendly City. Het lid Van Pijpen wilde voor deze vergadering toch een uitloop in de avond? Hij hoopt dat zij toch nog de uitgebreide versie van haar betoog laat horen. Het lid WEHKAMP vindt dat ouderen heel wat aandacht krijgen in het stuk. Het lid Van Pijpen vraagt de Age Friendly City om te dopen in de ‘generatievriendelijke stad’, maar vervolgens vraagt zij niet meer in generaties te denken. Het lid VAN PIJPEN zei niet dat je niet meer in generaties moet denken. Zij wil meer intergenerationeel contact realiseren. Het is vaak nodig om in generaties te denken, want er zit verschil tussen de verschillende generaties. In Nederland ontbreekt het echter aan intergenerationeel contact. Dat lijkt haar een goed punt voor de sociale basis. Zij kan zich goed vinden in de gekozen vierdeling bij organisatie en inrichting. De vraag blijft dan wel hoe je, ondanks de verschillen, het basisaanbod en de kwaliteit voor alle stadsdelen borgt. Het is goed dat het opbouwwerk specifiek naar voren komt, maar het is ook duidelijk dat het aandacht nodig heeft doordat het in de afgelopen decennia verwaarloosd is. Professionalisering en ontwikkeling is dus noodzakelijk. Zij vraagt hoe men dat wil doen.
In het kader jongerenwerk zat ook een academie. Het lijkt mooi om daaraan ook aandacht te geven voor opbouwwerk in den brede. Het is de vraag hoe je voor voldoende huisvesting zorgt voor initiatieven en hoe je zorgt voor een goed benutten van de huizen van de wijk. Hoe geef je letterlijk de ruimte, en wie bepaalt dat op die manier? Het is fijn dat onderzoek en monitoring een goede plaats heeft gekregen in het kader. Het zal nog verder worden uitgewerkt. Zijzelf denkt daarbij ook aan participerend en antropologisch onderzoek en vraagt hoe de raad daarbij wordt betrokken. In het kader van doelgroepen worden stedelijke functies genoemd, terwijl in de subsidieverordening maar melding gemaakt wordt van één doelgroep, namelijk sporten voor mensen met een beperking. Zij kan zich echter voorstellen dat meer activiteiten of doelgroepen niet per se gebiedsspecifiek zijn, maar wel gebiedsspecifiek worden uitgevoerd. Een voorbeeld daarvan zijn digitale vaardigheden. Die taak moet eigenlijk overal uitgevoerd worden, maar moet men dan toch in alle stadsdelen apart subsidie aanvragen? Bij de 100 miljoen euro gaat het om het budgetrecht van de raad met een bijzondere delegatie naar de stadsdelen. De verdeling van die middelen over de vier verschillende onderdelen wordt helemaal aan de stadsdeelbestuurders overgelaten. De stadsdeelcommissie heeft daarin niet direct een rol.
Maar hoe bepaalt het dagelijks bestuur dat? In de gebiedsgerichte uitwerking staan tot nu toe geen prioriteiten. Die is nu vooral een analyse van de problematiek van het stadsdeel. Het is evident dat het
15
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
stadsdeel enige ruimte moet hebben, maar er zijn ook ondergrenzen voor de bepaalde middelen nodig. Het lid STAARTJES vindt het vanzelfsprekend dat stadsdelen hierbij enige ruimte moeten hebben. De kern van de systematiek is toch de optimale mix van activiteiten die door het dagelijks bestuur wordt vastgesteld? Het lid VAN PIJPEN ziet dat niet anders. Het lid STAARTJES lijkt het dan goed dat de dagelijks bestuurder zelf op basis van die rangschikking kan bepalen hoe hij de optimale mix aan activiteiten ziet. Dan is een ondergrens of verdeelsleutel toch niet nodig? Het lid VAN PIJPEN antwoordt dat het haar gaat om het democratisch proces. Er moet verantwoording over worden afgelegd. Voor het stadsdeel worden drie verschillende vormen van financiering vastgelegd: de kernfunctie, gebiedsspecifiek en het sociaal weefsel. In theorie zou een stadsdeelbestuurder dan kunnen besluiten dat hij niets uitgeeft aan het sociaal weefsel, omdat hij de andere functies belangrijker vindt. Dat zou niet wenselijk zijn. Het lid STAARTJES vraagt of het de taak van de gemeenteraad is om die verdeling aan te brengen. Of zou ook de stadsdeelcommissie daarin een grote rol moeten hebben? Het lid VAN PIJPEN antwoordt dat het wat haar betreft de stadsdeelcommissie kan zijn. Helaas heeft het stadsbestuur daar geen formele bevoegdheden meer, want de Gemeentewet staat niet toe om een budgetrecht te geven.
In de financiering van de sociale basis zit nu een stukje SPUKS, dus de tijdelijke uitkeringen vanuit het Rijk die gekoppeld zijn aan de uitvoering van het integraal zorgakkoord. Men verwacht daarin wonderen van de sociale basis, maar toch wordt er nooit geld bij geleverd. Dat is bizar. Zij vraagt daarom hoe je samen zorgt voor meer structurele middelen voor de sociale basis. Het lid BROERSEN heeft opgezocht wat de sociale basis precies is. Dat is ‘het fundament van ons stelsel voor zorg, ondersteuning en meedoen’. Zij vraagt het lid Van Pijpen daarom of niet beter gesproken kan worden van ‘zorg’ in plaats van ‘welzijn’. Het lid VAN PIJPEN vindt dat niet. Het lid BROERSEN vraagt wat de wethouder daarvan vindt. Het lid WIJMENGA leest voor: ‘Zonder vrijwillige inzet is er geen sociale basis. Wat Amsterdammers met en voor elkaar doen, is het sociale weefsel van de stad. Vinden en winnen van vrijwilligers is steeds moeilijker.’ Met dit beleidskader en de subsidieregeling wil Amsterdam de sociale basis verstevigen. Dat is urgent en noodzakelijk. Amsterdam is een stad voor gemeenschappen, een stad waarin mensen naar elkaar omkijken. In kwetsbare bouwwerken werken dagelijks duizenden vrijwilligers. Om de structuren beter op orde te krijgen en de administratieve last te verlagen ligt er nu dit beleidskader.
Raad en stadsdelen worden hierbij betrokken, maar zij vraagt zich af hoe het er dan precies uit gaat zien. Zij hoorde eerder dat stadsdelen vaak niet wisten hoe er getoetst moest worden. Zij hoopt dat dit nu een betere uitwerking gaat krijgen. Hoe krijgt de raad die tweejaarlijkse informatie aangeleverd? Zij leest verder in het beleidskader dat men verwacht van hen dat zij hun eigen inzet ook periodiek toetsen aan wat bewoners daarvan vinden en hoe ze het nog beter kunnen doen. Zij vraagt hoe de raad wordt betrokken bij de uitwerking van die monitoring. De PvdA vroeg naar de borging van de langjarige subsidies. Zij vindt dat hoofdstuk 5 op dat punt scherper kan. Is er iets van een onafhankelijk toetsingsorgaan?
16
Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding
OZA
Definitief Raadscommissieverslag, 17 januari 2024
Een wetenschappelijke adviesraad om de praktijk scherp te houden en te interveniëren bij eventuele conflicten bij allianties? Het samenwerken en opbouwen van een alliantie kost tijd. Hoe gaat de wethouder daarmee om? Op welke wijze is er aandacht voor het opzetten van zo’n alliantie en het bouwen aan vertrouwen vanuit de overheid? En wat als blijkt dat zo’n alliantie niet of onvoldoende functioneert? Het lid PERDOK sluit zich aan bij de gestelde vragen en de complimenten voor de ambtenaren. Opvallend is dat de gemeente bij aanbestedingen commerciële partijen verkiest boven sociale initiatieven. In Amsterdam kunnen sociale ondernemingen niet opboksen tegen goedkopere aanbieders. In het coalitieakkoord van het vorige college stond dat er zorgcoöperaties zouden worden opgericht, zodat de zorg veel concreter kan worden aangeboden zonder de grote partners. Waarom is dat niet gebeurd? Er is veel geld in geïnvesteerd en het voorziet in een behoefte. Ziet de wethouder dat nog als een juiste interventie op de aanbestedingsproblematiek? Wat gaat de wethouder eraan doen? De veelgeprezen FIXbrigade legt het af tegen grote commerciële partijen. Als goedkopere commerciële partijen zonder lokale wortels met de opdrachten aan de haal gaan, zal veel meer waarde verloren gaan. Dat zie je terug op meerdere gebieden.