CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Definitief concept Amsterdamse participatieverordening

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 13 december 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief over de conceptparticipatieverordening (VN2023-025361)7.979 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Concept Participatieverordening gemeente Amsterdam

Concept Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam houdende regels over burger,- overheids- en netwerkparticipatie

De raad van de gemeente Amsterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum….], gelet op artikel 149 en 150 Gemeentewet, gezien de inspraakreacties en de nota van beantwoording van [datum], de adviezen van de dagelijks besturen van de bestuurscommissies van stadsdelen [stadsdeelnamen] van [data] en de adviezen van [eventuele adviesorganen noemen] van [datum], overwegende dat het wenselijk is om met inwoners en andere betrokkenen aan de publieke zaak te werken, waarbij de samenwerking bewust, transparant, voorspelbaar en zorgvuldig geregeld is; overwegende de noodzaak van procedurele rechtvaardigheid in die samenwerking, waarbij niet alleen weloverwogen het inhoudelijke doel van een visie, beleid, plan, programma of project wordt bepaald, maar even bewust en weloverwogen de route daar naartoe wordt bepaald; overwegende dat voor het ‘wat’ ook het ‘hoe’ van groot belang is en inwoners en betrokkenen daar een belangrijke rol in hebben, besluit de volgende verordening vast te stellen: Hoofstuk 1 – Algemene bepalingen Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: 

  

adviseren: het als onderdeel van een participatieproces voorleggen van een of meerdere adviesvragen aan daartoe uitgenodigde deelnemers ten behoeve van een plan, visie, beleid, programma, of project; beleid: het geheel aan schriftelijk vastgelegde keuzes van een bestuursorgaan voor de uitoefening van een bestuursbevoegdheid; bestuursorgaan: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of een bestuurscommissie; burgerparticipatie: het deelnemen van inwoners en belanghebbenden aan de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid of gemeentelijke plannen;

  

 

  

deelfase: een afgebakend deel van een meeromvattende visie, plan, project of programma dat afzonderlijk openbaar wordt gemaakt; informeren en luisteren: het als onderdeel van een participatieproces door de gemeente geven van duidelijke informatie en op de hoogte houden van betrokkenen; meebepalen: als onderdeel van een participatieproces onder verantwoordelijkheid van het betreffende bestuursorgaan meebeslissen en sturen op een door een bestuursorgaan geformuleerde vraag; netwerkparticipatie: de manier waarop de gemeente samenwerkt met buurtplatformen en hen ondersteuning of een bijdrage biedt; overheidsparticipatie: de manier waarop de gemeente ondersteuning of een bijdrage geeft aan publieksinitiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden; participatie: een proces waarbij individuen, groepen of organisaties betrokken worden bij, invloed uitoefenen op of controle delen over collectieve vraagstukken, beslissingen of diensten die hen aangaan; programma: een uitwerking van te voeren beleid of maatregelen gericht op het nastreven van bepaalde doelen, die bijdragen aan het verwezenlijken van de gemeentelijke doelen of de strategie van de gemeentelijke organisatie, dan wel een van de gemeentelijke taken; project: een in tijd en middelen begrensde activiteit met een eenmalig karakter om een concreet resultaat te realiseren; reageren: het

als onderdeel van een participatieproces door de gemeente uitnodigen van betrokkenen om hun mening of reactie te geven in reactie op een voorstel van de gemeente; samenwerken (co creatie): het als onderdeel van een participatieproces door de gemeente en daartoe uitgenodigde deelnemers in gezamenlijk overleg en op basis van gelijkwaardigheid ontwikkelen van een plan, visie, beleid, programma, of project met inachtneming van vooraf meegegeven kaders; visie: het schriftelijk vastgelegde beeld of de schriftelijk vastgelegde verwachting of wens die de gemeente heeft van of voor de toekomst.

Artikel 2 Doel verordening 1. De verordening regelt de betrokkenheid van inwoners en andere belanghebbenden bij de ontwikkeling van gemeentelijk beleid, van voorbereiding tot en met uitvoering. 2. De verordening beoogt aan te zetten tot het vormgeven van een helder, transparant en zorgvuldig participatieproces met expliciete keuzes en afwegingen over doel, vorm en beïnvloedingsruimte van inwoners en andere belanghebbenden. 3. Deze verordening regelt de manier waarop de gemeente reageert op of ondersteuning biedt aan initiatieven van inwoners, lokale ondernemers en maatschappelijke organisaties in het kader van buurtrechten. Hoofdstuk 2 - Burgerparticipatie Artikel 3 Reikwijdte 1. Het verantwoordelijk bestuursorgaan stelt bij de start van een (deelfase van een) proces voor een visie, beleid, plan, verordening, programma of project een participatieplan vast waarin staat of en op welke manier burgerparticipatie wordt toegepast. 2. Het eerste lid is niet van toepassing in de volgende gevallen: a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; 2

d. inzake de vaststelling van de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. ten aanzien van interne aangelegenheden van de gemeente; f. als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat participatie niet kan worden afgewacht; g. als het belang van participatie niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving; h. als andere zwaarwegende belangen het afzien van participatie vergen. 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op vormen van participatie die al zijn geregeld in andere gemeentelijke verordeningen of regelingen vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan, indien daarmee een specifieke, afgebakende doelgroep wordt bediend. Aanvullend op deze vormen van participatie kan bij deze participatie de inzet van ervaringskennis en of ervaringsdeskundigheid worden toegepast. In de participatieparagraaf in college- en raadsvoordacht wordt toegelicht welke vastgelegde vormen van participatie zijn toegepast en welke aanvullende inzet vanuit ervaringskennis en/of ervaringsdeskundigheid is toegepast. 4. Indien een beroep wordt gedaan op de uitzonderingsgronden in het tweede of derde lid wordt dit bij de besluitvorming toegelicht.

Artikel 4 Uitgangspunten participatieplan Bij het opstellen van een participatieplan wordt beschreven op welke manier de volgende uitgangspunten in acht zijn genomen: a. de impact van het voorgenomen besluit op inwoners en andere belanghebbenden vertaalt zich in de inspanningen die worden geleverd in de voorbereiding op en gedurende de uitvoering van het participatieplan; b. de impact van het voorgenomen besluit op inwoners en andere belanghebbenden vertaalt zich in de wijze van besluitvorming, c. impact van het voorgenomen besluit op een specifieke groep wordt vertaald in een gerichte aanpak hen te betrekken; d. de gemeente spant zich in om groepen waarvan bekend is dat zij ondervertegenwoordigd zijn in participatieprocessen te betrekken; e. de beschikbare beleidsruimte is indicatief voor de mate van invloed van inwoners en andere belanghebbenden, waarbij veel beleidsruimte eerder leidt tot een grotere mate van invloed. Artikel 5 Inhoud participatieplan 1. In een participatieplan wordt met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 van deze verordening, in ieder geval opgenomen: a. een expliciete en onderbouwde keuze voor een helder en haalbaar doel van de participatie, waarbij: i. een keuze wordt gemaakt tussen zeggenschap, eigenaarschap, kwaliteit van aanpak en beleid, belangen in beeld of bewustwording en; ii.

wordt toegelicht wat de ingeschatte wensen of belangen van inwoners en andere belanghebbenden zijn; b. een toelichting op welke inwoners en belanghebbenden de participatie zich richt; c. de mate van invloed van deelnemers, waarbij een keuze wordt gemaakt tussen meebepalen, samenwerken (co creatie), adviseren, reageren, informeren en luisteren, of een combinatie hiervan; d. met welke kaders er, in ieder geval juridisch, financieel en beleidsmatig, in het participatietraject rekening mee moet worden gehouden; e. wijze waarop en tijdvak binnen een (deel)fase waarin inwoners en belanghebbenden hun inbreng kunnen leveren; 3

f. wanneer en hoe de opbrengsten van de participatie worden teruggekoppeld en wanneer deze opbrengsten worden afgewogen en meegenomen in besluiten; 2. bij onderhouds- en vervangingswerkzaamheden in de openbare ruimte is participatie in principe gericht op informeren en luisteren, omdat de werkzaamheden gericht zijn op instandhouding: herstel of vernieuwing van de bestaande situatie, hoogstens met enkele kleine wijzigingen binnen de huidige inrichting. 3. Het vastgestelde participatieplan wordt openbaar gemaakt en gepubliceerd op de website van de gemeente. 4. Het eerste lid is niet van toepassing indien uit het participatieplan blijkt dat geen participatietraject wordt georganiseerd. Artikel 6 Inspraakprocedure met toepassing van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht 1. Indien, op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, in een participatieplan wordt gekozen voor ‘reageren’, kan inspraak volgens de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht worden georganiseerd. 2. Voor inspraak wordt niet gekozen als de belangen van betrokkenen al voldoende in beeld worden gebracht door middel van andere vormen van participatie die in het participatieplan zijn opgenomen. 3. Voor inspraak wordt wel gekozen als op voorhand niet duidelijk is of de belangen van betrokkenen voldoende in beeld gebracht kunnen worden, of sprake is van een op voorhand onbepaalde doelgroep.

Hiervan is in ieder geval sprake bij een voorgenomen wijziging van de Algemene plaatselijke verordening. Artikel 7 Betrokkenheid verantwoordelijk bestuurder De verantwoordelijk bestuurder is minimaal op de volgende momenten in het participatieproces betrokken: a. het vaststellen van het participatieplan en het tussentijds wijzigen daarvan; b. het wegen, beoordelen en vastleggen van de opbrengst van het participatietraject; c. wanneer het participatietraject dreigt vast te lopen. Artikel 8 Afronding burgerparticipatie 1. Ter afronding van een participatieproces stelt het verantwoordelijk bestuursorgaan (per fase) een verslag vast. 2. Het verslag bevat in ieder geval: a. een overzicht van de gevolgde participatieprocedure; b. indien van toepassing een weergave op hoofdlijnen van de inbreng die tijdens het participatieproces naar voren is gebracht; c. indien van toepassing een reactie van het bestuursorgaan op de inbreng bedoeld in onderdeel b, waarbij wordt aangegeven welke punten al dan niet worden overgenomen; d. een reflectie of de doelen van het participatieplan zijn bereikt en wat hier wel en niet aan heeft bijgedragen. 3. Het verslag wordt openbaar gemaakt en gepubliceerd op de website van de gemeente. Artikel 9 Randvoorwaarden voor een goed participatieproces (Potentiële) deelnemers aan een participatieproces mogen rekenen op: a.

een toelichting in begrijpelijke taal op de plannen voor een visie, beleid, plan, verordening, programma of project en de wijze waarop zij daarbij betrokken worden; b. verslaglegging over wat er met de door deelnemers gedeelde inbreng en inzichten is gebeurd en tot welk besluit dit heeft geleid;

4

c. inzicht in de voor het participatieproces relevante stukken. Uitzondering hierop zijn de stukken waarop een weigeringsgrond op grond van de Wet open overheid van toepassing is; d. heldere en begrijpelijke communicatie door de gemeente; e. transparantie over de vaststaande kaders, respectievelijk de ruimte voor participatie; f. een benaderbare gemeente die een tijdige en indien nodig een deskundige reactie geeft op vragen of opmerkingen. Hoofdstuk 3 - Overheidsparticipatie (buurtrechten) Artikel 10 Doel buurtrechten Het doel van buurtrechten is: a. het stimuleren van initiatieven van inwoners en lokale maatschappelijke partijen; b. samenwerking tussen de gemeente en inwoners of lokale maatschappelijke partijen; c. het bieden van adequate begeleiding en budget; d. ruimte bieden in beleidskaders om initiatieven te realiseren; e. eigenaarschap en verantwoordelijkheid voor opgaven in de stad overdragen aan bewoners. Artikel 11 Onderwerp van buurtrechten 1. Alle autonome taken van de gemeente Amsterdam kunnen onderwerp zijn van een buurtrecht, met uitzondering van taken die naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan zijn voorbehouden aan de overheid en taken zoals benoemd in artikel 14. 2. Het bestuursorgaan wijst inwoners en lokale maatschappelijke partijen actief op het van toepassing zijn van het buurtrecht.

Artikel 12 Varianten buurtrecht Aanvraag van een buurtrecht is mogelijk in de volgende varianten: a. Het indienen van een plan om bestaande taken van de gemeente zelf uit te voeren of te coproduceren, wanneer de indieners menen beter aan te kunnen sluiten bij wat er speelt in de buurt of stad (uitdaagrecht); b. Het doen van een bod voor de huur of koop van een pand in eigendom van de gemeente voor de realisatie van een maatschappelijke functie (biedingsrecht); c. Het indienen van een plan voor de inrichting van de openbare ruimte (buurtplan recht). Artikel 13 Procedure en voorwaarden buurtrechten 1. Initiatiefnemers dienen een aanvraag in die voldoet aan de volgende eisen: a. beschrijft welke resultaten beoogd worden; b. bevat een begroting van de verwachte kosten; de kosten voor de uitvoering zijn bij voorkeur lager, maar in ieder geval niet hoger dan de huidige kosten; c. geeft aan welke rechtsvorm de initiatiefnemers hebben; d. geeft de maatschappelijke meerwaarde aan en maakt inzichtelijk op welke opgaven het plan inspeelt; e. bevat een social handprint aangemaakt op de Maatschappelijke AEX (MAEX). Deze social handprint maakt duidelijk aan welke maatschappelijke doelstellingen en sustainable development goals (SDG’s) bijgedragen wordt; f. omschrijft met welke partijen wordt samengewerkt en wie betrokken zijn of gaan worden; g.

maakt duidelijk welke kennis en capaciteit de initiatiefnemers in huis hebben om het initiatief te realiseren; h. maakt aannemelijk dat de initiatiefnemer de prestatie kan leveren en continuïteit kan garanderen. 5

2. Het initiatief voldoet daarnaast aan de volgende voorwaarden: a. De initiatiefnemer is geworteld in en wordt gedragen door de buurt; b. De initiatiefnemer is een rechtspersoon; c. Het initiatief is inclusief en toegankelijk; d. Het buurtrecht wordt uitgevoerd zonder winstoogmerk. 3. Voor het uitdaagrecht zoals omschreven in artikel 12 onder a geldt de aanvullende voorwaarde dat de kosten van het plan niet hoger zijn dan de kosten die hiervoor op de gemeentelijke begroting staan. 4.Voor het biedingsrecht gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. Bieding kan alleen als een pand in eigendom van de gemeente is. b. Voor huur van een pand geldt de kostprijsdekkende huur en bij koop is de prijs marktconform. 5. Voor het buurtplanrecht gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. Plannen voor de inrichting van de openbare ruimte kunnen alleen ingediend worden als er regulier onderhoud of herprofilering in de planning staat. b. De kosten van het plan zijn niet hoger dan de kosten die hiervoor op de gemeentelijke begroting staan. c. Voor kleinere projecten in de openbare ruimte kunnen plannen worden ingediend als ze kunnen worden bekostigd met bestaande subsidieregelingen, buurtbudgetten, gebiedsmiddelen of middelen uit (tijdelijke) programma’s, of als het initiatief externe financiering weet te genereren. 6. Het bestuursorgaan beslist binnen 26 weken op het verzoek.

Bij complexe verzoeken die bijvoorbeeld ook personele consequenties binnen de gemeente kunnen hebben, beslist het bestuursorgaan uiterlijk binnen 52 weken. Artikel 14 Uitzonderingen van overname door een buurtrecht Overname van de uitvoering van de volgende taken is in ieder geval niet mogelijk: a. als het een lopend uitvoeringstraject of ondergeschikte herzieningen daarvan betreft; b. als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat het benutten van het buurtrecht niet kan worden afgewacht; c. als het belang van het buurtrecht niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. d. als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde uitkomt; f. als het buurtrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten. Artikel 15 Het inwilligen van een buurtrecht 1. Als het verzoek wordt ingewilligd, voorziet het bestuursorgaan de initiatiefnemers van gepaste ondersteuning. 2. Het bestuursorgaan maakt met de initiatiefnemers afspraken over het proces, het resultaat, het budget, de financieringswijze en de looptijd.

De initiatiefnemer is gehouden de taak gedurende een afgesproken periode uit te voeren. 3. Het bestuursorgaan maakt het besluit ten aanzien van een gehonoreerd verzoek binnen veertien dagen openbaar. 4.Gedurende de looptijd van het buurtrecht onderhoudt de gemeente contact over de uitvoering van het buurtrecht. Als blijkt dat de initiatiefnemers de afspraken over de uitvoering onvoldoende nakomen, worden afspraken gemaakt over de termijn waarop de afspraken wel volledig worden 6

nagekomen. Mocht binnen de gestelde termijn niet voldoende verbetering plaatsvinden, dan kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten het bestuursrecht in te trekken. Artikel 16 Het weigeren van een buurtrecht Bij een weigering van een buurtrecht gelden voor de gemeente de volgende eisen: a. Er is aantoonbaar binnen de wettelijke mogelijkheden actief gezocht naar alle mogelijkheden om overname mogelijk te maken. Er wordt de indiener een helder onderbouwde toelichting gestuurd voor de reden van weigering. b. De aanvraag is aantoonbaar onderzocht vanuit de maatschappelijke waarde van het initiatief, niet enkel vanuit bestaande beleidskaders

Hoofdstuk 4 - Netwerkparticipatie (buurtplatformrechten) [gereserveerd]

Hoofdstuk 5 - Slotbepalingen Artikel 17 Evaluatie en monitoring 1. De uitvoering van deze verordening wordt in het eerste, tweede en derde jaar na de inwerkingtreding geëvalueerd. Het college van burgemeester en wethouders zendt hiertoe aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. 2. Ten behoeve van de evaluatie wordt jaarlijks een monitor opgesteld met inbreng van de gemeentelijke organisatie en bewoners. Artikel 18 Overgangsrecht 1. Artikel 3 van deze verordening is niet van toepassing op een proces voor een visie, beleid, plan, programma of project waarvan de startdatum voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt en dat al zo ver gevorderd is dat het maken van een participatieplan niet in redelijkheid kan worden gevraagd. 2. Als de visie of het beleid, plan, programma of project bestaat uit deelfasen, is artikel 3 in elk geval van toepassing vanaf de start van een nieuwe deelfase. Artikel 19 Intrekking Algemene inspraakverordening De Algemene inspraakverordening (Gemeenteblad 2016, 38212) wordt ingetrokken. Artikel 20 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van [datum inwerkingtreding]. Artikel 21 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Amsterdam. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van [datum (maand voluit geschreven)].

De voorzitter Femke Halsema De raadsgriffier Jolien Houtman 7

Toelichting Deze toelichting is bedoeld om de verordening, de artikelen en rechtsgevolgen beter te begrijpen. Daarom bestaat de toelichting uit een algemeen deel (aanleiding en bedoeling van de hele verordening) en een artikelsgewijs deel (bedoeling en praktijk per artikel). Algemeen deel Deze tijd kent veel complexe vraagstukken, die de gemeente alleen samen met bewoners, organisaties en ondernemers kan hanteren. Vaak neemt de gemeente hierin initiatief, steeds vaker komen Amsterdammers zelf met ideeën. Voor allerlei uiteenlopende trajecten richt de gemeente participatietrajecten in, zodat de ideeën van Amsterdammers hier een plek in kunnen krijgen en de plannen beter worden: bewonersparticipatie. De manier waarop dat gebeurt, is aan het veranderen. Niet alleen op momenten dat de gemeente de inbreng van inwoners vraagt maar ook om Amsterdammers met goede ideeën te faciliteren bij het ontplooien van hun initiatieven. Met aandacht voor een meer structurele samenwerking met bewoners(groepen): overheidsparticipatie en netwerkparticipatie. Voor het eerst legt de gemeente in een verordening spelregels vast hoe zij burgers invloed geeft en eigenaarschap verleent bij het maken van plannen en beleid. We leggen kwalitatieve eisen vast waarop de gemeente aanspreekbaar is. Een belangrijk moment, dat markeert hoe cruciaal de inbreng van de Amsterdammers is.

Participatie biedt ook een mogelijkheid om tot een zorgvuldig proces te komen, waarin tegemoet wordt gekomen aan de gerechtvaardigde behoefte van betrokkenen om te weten wat ze mogen verwachten bij participatie, waarin de gemeente en deelnemers aan het proces openstaan voor en in gesprek gaan over - de soms tegenstrijdige standpunten en belangen. Natuurlijk gaat dat niet altijd goed. Ondanks vele inspanningen en goede voorbeelden leidt participatie soms ook tot teleurstelling. Uit evaluaties en vanuit onze ervaring blijkt dat bewoners van mening zijn dat de gemeente niet altijd voldoende transparant is in de afwegingen die zij maakt bij besluiten. Of dat het onduidelijk is voor bewoners wat hun invloed en rol in het proces is. Als er onvrede is, is dat niet altijd over de uitkomst maar vaak ook over het gevoerde proces. De Amsterdamse participatieverordening wil daarom inzetten op betere participatie. Dat betekent niet per definitie meer participatie of meer zeggenschap, maar participatie die zorgvuldig, transparant en eenduidig is. Met deze verordening wordt de beweging gemaakt van toetsend en controlerend achteraf naar een expliciete en bewuste afweging voorafgaand aan het proces. Een stap in het toewerken naar meer mede-eigenaarschap van de stad door bewoners, wijken en buurten.

Inclusieve participatie is daarbij een voorwaarde, Amsterdammers die daar het grootste belang bij hebben moeten goed worden betrokken en daar moet extra inspanning op worden geleverd. Bij een goed participatietraject moet sprake zijn van procedurele rechtvaardigheid. Onderdeel daarvan is dat er ten minste vanaf de start van een participatietraject duidelijkheid is over het doel van de participatie, welke vraag aan betrokkenen wordt gesteld, wat daarbij hun mate van invloed is en wat met hun inbreng gebeurt. Ook bij overheidsparticipatie staat aan de voorkant de uitkomst niet vast, maar moet er wel duidelijkheid zijn over het proces en de verantwoordelijkheid daarin van de gemeente én initiatiefnemer. Deze verordening is daarmee een bouwsteen voor het vergroten van de legitimiteit van de besluiten die de gemeente neemt. En dit is cruciaal met het oog op de grote opgaven waar we met elkaar voor staan.

8

Een goed participatietraject leidt niet per se tot een voor iedereen bevredigende uitkomst, tegenstellingen blijven altijd bestaan. Maar juist daarom is het inzetten op een zorgvuldig proces van groot belang. Bij participatie gaat het om het openstaan voor verandering, in samenwerking en verbinding met de stad. Dat vraagt een open houding van alle Amsterdammers; bewoners, ondernemers, bestuurders en ambtenaren. Artikelsgewijze toelichting Artikel 3 Reikwijdte Dit artikel regelt de reikwijdte van het hoofdstuk over burgerparticipatie. Het uitgangspunt in het eerste lid is dat bij alle processen waarbij de gemeente voor de stad iets nieuws ontwikkelt – dat wil zeggen een visie, beleid, plan, programma of project – er een participatieplan wordt geschreven. In dit participatieplan wordt de keuze voor de vorm en het proces van de participatie expliciet gemaakt. Door deze werkwijze wordt gewaarborgd dat altijd een overwogen keuze wordt gemaakt over de manier waarop de stad wordt betrokken. De artikelen 4 en 5 bevatten een nadere invulling van de inhoud van het participatieplan en de keuzes die daarbij komen kijken. Het artikel legt vast dat het verantwoordelijk bestuursorgaan het participatieplan vaststelt. In de praktijk kan ervoor gekozen worden om deze bevoegdheid te mandateren, bijvoorbeeld aan de wethouder, wanneer dat passend is.

Zo kan ervoor worden gezorgd dat het proces niet onnodig wordt vertraagd. In het tweede en derde lid zijn een aantal uitzonderingen opgenomen. De uitzonderingen in het tweede lid voorkomen dat er een participatieplan moet worden geschreven in situaties die daarvoor niet geschikt zijn. De uitzondering in onderdeel h is bedoeld voor situaties waarin er zwaarwegende belangen spelen die niet onder één van de andere uitzonderingsgronden vallen. Met de uitzonderingsgronden wordt terughoudend omgegaan. Als er een uitzonderingsgrond van toepassing is, hoef je hier geen gebruik van te maken. Participatie inrichten kan en mag ook als er bijvoorbeeld weinig tijd is. Er zijn gevallen denkbaar waarin intensiever informeren en luisteren (het minimale niveau van participatie) juist dan behulpzaam is. Om zicht te houden op de situaties waarin een beroep wordt gedaan op een uitzonderingsgrond en ervoor te zorgen dat altijd een bewuste afweging gemaakt is over het al dan niet inrichten van participatie, wordt het beroep op een uitzonderingsgrond altijd toegelicht in de besluitvorming, namelijk in de participatieparagraaf van de bestuurlijke voordracht. Als een beroep wordt gedaan op een uitzonderingsgrond, dan vervallen de proces- en kwaliteitseisen die in hoofdstuk 2 staan beschreven. Er hoeft dan dus bijvoorbeeld ook geen eindverslag te worden gepubliceerd met daarin een reflectie.

In het derde lid is bepaald dat de verordening niet van toepassing is als al een structurele vorm van participatie voor een bepaalde situatie of onderwerp in een ander voorschrift is vastgelegd. Dit is om te voorkomen dat bij structurele vormen van participatie er iedere keer een verplichting is om toch een participatieplan op te stellen. Deze uitzondering geldt voor structurele adviesraden of platforms in het sociaal domein die over de advisering en inbreng vaste afspraken hebben gemaakt en vastgelegd met het bevoegd bestuur en die een specifieke doelgroep vertegenwoordigen zoals Amsterdammers die gebruik maken van de Wmo-voorzieningen, of Amsterdammers die gebruik maken van de Participatiewet. Wel kan bij deze vormen van participatie de inzet van ervaringskennis en of ervaringsdeskundigheid worden toegepast. In de participatieparagraaf in college- en raadsvoordacht wordt toegelicht welke vastgelegde vormen 9

van participatie zijn toegepast en welke inzet vanuit ervaringskennis en/of ervaringsdeskundigheid is toegepast. Artikel 4 Uitgangspunten participatieplan Bij het opstellen van een participatieplan wordt een aantal uitgangspunten voor participatie in acht genomen. Deze zijn geformuleerd op basis van uiteenlopende evaluaties en onderzoeken naar de ervaringen met participatie in de praktijk. Bij het opstellen van het participatieplan wordt nagegaan op welke manier invulling wordt gegeven aan deze uitgangspunten. Er is instrumentarium beschikbaar om te helpen bij het ontwerpen van een goed proces. Onderdeel a moet zo worden gelezen dat hoe meer impact er is op bewoners, hoe meer inspanningen er in beginsel moeten worden geleverd in het participatietraject. De intensiteit van participatie is dus gekoppeld aan de mate van impact en niet aan het niveau van participatie. In tegendeel, de ervaring leert dat juist als bewoners geconfronteerd worden met een ingrijpende ontwikkeling waar weinig aan is te veranderen, het van belang is dat de gemeente zich inspant om betrokkenen te informeren en te betrekken waar dat wèl mogelijk is. Ter illustratie: bij groot onderhoud aan wegen en straten is er soms sprake van een grote impact op bewoners en ondernemers. Bijvoorbeeld omdat de toegang tot hun huis of onderneming langere tijd (of zelfs permanent) moeilijker wordt.

Maar vaak is er ook weinig tot geen ruimte voor het uitoefenen van invloed of het verleggen van zeggenschap. Straten moeten nou eenmaal onderhouden en vervangen worden. Juist in een situatie met een grote impact en weinig zeggenschap is het van belang dat de gemeente zich inspant om de betrokkenen goed te informeren (waarbij de standaard informatiebrief niet altijd volstaat) en in gesprek gaat over de mogelijkheden die er wèl zijn om de impact voor betrokkenen te verbeteren. Bijvoorbeeld door de fasering van de werkzaamheden iets aan te passen, waardoor de verkeershinder in de wijk iets minder lang duurt of beter gespreid wordt. Onderdeel b moet zo worden gelezen dat het bij plannen met een zeer grote impact die onder de stedelijke bevoegdheid vallen, voor de hand ligt dat de gemeenteraad, als het hoogste besluitvormende orgaan in de representatieve democratie, zich kan uitspreken over de omvang en mate van invloed in het participatietraject. De gemeenteraad kan daartoe ook actief zelf beslissen. Als het gaat om een bevoegdheid van het college, dan kan het College ervoor kiezen het participatieplan actief te delen met de gemeenteraad zodat de gemeenteraad in de gelegenheid om het College te adviseren over de wijze van participatie.

Onderdeel c en onderdeel d zijn beide uitwerkingen van het algemene uitgangspunt dat de gemeente zich bij participatie inspant om alle belanghebbenden met diverse perspectieven actief te betrekken. Daarbij verplicht onderdeel c bij impact op een specifieke groep, een aanpak te hanteren om specifiek die groep te betrekken. Daarbij wordt dus gedacht vanuit de activiteit die gepland wordt. Op welke groep(en) heeft die vooral impact? Onderdeel d verplicht de gemeente zich in te spannen om ook groepen te betrekken die tot op heden moeilijk bereikt worden om deel te nemen aan participatietrajecten. Bij zowel onderdeel c als onderdeel d, kunnen de conclusies bijvoorbeeld zijn om specifieke instrumenten of een wijze van communicatie te gebruiken die bij deze groep aansluit (denk aan meertaligheid, de tijdstippen of locaties van eventuele georganiseerde gesprekken) en/of extra inspanningen te verrichten om deze groepen te bereiken.

10

Onderdeel e moet zo worden gelezen dat veel beleidsruimte eerder leidt tot een grotere mate van invloed en dus meer zeggenschap bij betrokkenen. Omgekeerd werkt dat ook zo; bij weinig beleidsruimte is eerder sprake van een lage mate van invloed. Er zijn dan ook opgaven waarbij niet kan worden meegedacht over de inhoud (bijvoorbeeld de vervanging van de straat zoals hiervoor beschreven), maar waar wel kan worden meegedacht in de uitvoering: op welke manier sluiten we de straat af zodat bewoners daar zo min mogelijk last van hebben? Artikel 5 Inhoud participatieplan In dit artikel zijn de onderdelen opgenomen die in elk geval in een participatieplan moeten staan. Het gaat om het doel van de participatie, op wie de participatie zich richt, de invloed van de deelnemers, de kaders waarmee rekening moet worden gehouden, de wijze waarop inbreng geleverd kan worden en de terugkoppeling van het participatietraject. Dit sluit niet uit dat er ook andere zaken in het participatieplan worden opgenomen. De vorm van het participatieplan is vrij. Het is mogelijk om een participatieplan op te nemen als beslispunt in een voordracht of een losstaand document te maken, zo lang de in artikel vijf opgesomde onderdelen beschreven zijn. In sommige gevallen schrijft bestaande wetgeving voor dat inspraak moet worden georganiseerd, zoals in de Omgevingswet.

In dat geval wordt dat ook in het participatieplan opgenomen en het effect beschreven dat het voorschrift heeft op de inrichting van het participatietraject. De verordening biedt ruimte om naar het wettelijk voorgeschrevene ook mogelijk andere passende activiteiten te ondernemen. Een voorbeeld hiervan is de voorgeschreven route voor het vaststellen van omgevingsplannen, die aangevuld zou kunnen worden met intensievere en andere vormen van informeren en luisteren. Onderdeel a schrijft voor dat dat er een bewuste keuze wordt gemaakt over het doel van participatie en dat die keuze wordt onderbouwd in het participatieplan. Dat doel kan per fase van het participatietraject verschillen en een participatietraject kan ook verschillende doelen dienen. In het eerste lid van het artikel staan de doelen beschreven waaruit gekozen kan worden. Hieronder staan die doelen nader toegelicht:  Zeggenschap: bevorderen van het democratisch proces; betrokkenen kunnen meebeslissen over eigen leefwereld.  Eigenaarschap: het stimuleren van eigenaarschap en actief burgerschap.  Kwaliteit van aanpak en beleid: kennis, expertise en ervaring (collectieve wijsheid) laten inbrengen waarmee het project of beleid inhoudelijk en kwalitatief beter wordt.

 Belangen in beeld: over en weer ontdekken en onderzoeken welke perspectieven, belangen en behoeften er zijn rond de opgave waardoor er begrip ontstaat voor elkaars standpunten en legitimiteit voor gemaakt keuzes.  Bewustwording: helderheid scheppen, kennis opdoen en onduidelijkheden wegnemen. Naast het vanuit de gemeente bepalen van een doel, vereist de verordening ook een inschatting van de wensen en belangen vanuit burgerperspectief (op hoofdlijnen). De bedoeling hiervan is dat de gemeente zich bij de keuze voor een doel verplaatst in de groep van betrokkenen, zich rekenschap geeft van wat burgers voor ogen zouden kunnen hebben met de participatie en zich bewust is van eventuele verschillen in participatiedoelen. Hierbij kun je denken aan een groep bewoners die graag hun kennis over de buurt willen inbrengen om de aanpak van overlast van een groep jongeren kwalitatief te verbeteren (doel: ‘kwaliteit van aanpak en beleid’). Terwijl de gemeente met het doel ‘belangen in beeld’ de groep bewoners wil bevragen. Onderdeel c verplicht in het participatieplan de mate van invloed van de betrokkenen te bepalen. Het niveau kan per projectfase en belanghebbende verschillen. Er wordt onderscheid gemaakt in 11

verschillende niveaus in de mate van invloed, namelijk: informeren en luisteren; reageren; adviseren; samenwerken (co-creatie) en meebepalen. Aan de mate van invloed zijn aanwijzingen gekoppeld voor bijvoorbeeld de wijze van terugkoppeling en het effect op besluitvorming. Onderdeel e geeft aan dat in het participatieplan ook de kaders worden opgenomen die op voorhand meegegeven zijn of al vaststaan. Daarbij gaat het in ieder geval om de juridische, financiële en beleidsmatige kaders waar rekening mee gehouden moet worden. Onder kaders kunnen ook bestuurlijke ambities worden verstaan die invloed hebben op het participatietraject. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de bestuurlijke wens tot co-creatie. Als gevolg daarvan is het ook denkbaar dat andere kaders, die normaliter gelden, juist niet meer van toepassing zijn. Een voorbeeld hiervan zou kunnen zijn dat omwille van co-creatie van de standaard voor inrichting van de openbare ruimte afgeweken mag worden. Ook dat wordt in dat geval opgenomen in het participatieplan. Het tweede lid geeft aan dat als er toch meerdere kleine wijzigingen (‘plussen’) worden meegenomen bij onderhoudswerk, die tezamen maken dat er wel een behoorlijke impact is op de omgeving, dan kan er een vorm van actievere participatie worden toegepast door het voorleggen van enkele varianten voor invulling of detaillering van de betreffende wijzigingen.

Het uitgangspunt blijft dat de werkzaamheden als geheel zijn gericht op onderhoud of vervanging en niet op een algehele herinrichting van de openbare ruimte. De participatieruimte is daarom beperkt tot de invulling van de plussen. Het identificeren van de onderhoudsprojecten waarvoor dit speelt, gebeurt via de programmering van werkzaamheden (die wordt vastgelegd in de begroting). Artikel 6 Inspraakprocedure met toepassing van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht In afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is een inspraakprocedure opgenomen. De gemeente kan besluiten om gebruik te maken van deze procedure. Een dergelijke procedure bestaat uit het ter inzage leggen van stukken voor een bepaalde tijd, waarop betrokkenen (schriftelijk dan wel mondeling via bijeenkomsten) hun reactie kunnen geven. Na sluiting van de reactietermijn geeft de gemeente een terugkoppeling wat er met de reacties is gedaan. De inspraakprocedure is een mogelijke vorm van participatie die past bij de mate van invloed ‘reageren’. In het eerste lid wordt daarom beschreven dat in het geval van ‘reageren’ dus gekozen kan worden voor inspraak. Dat is echter geen verplichting. Er kan ook gekozen worden voor een andere vorm om reacties te peilen.

De formele inspraakprocedure is niet verplicht als op basis van het participatieplan de inschatting kan worden gemaakt dat de belangen van betrokkenen al eerder in het traject in beeld worden gebracht. Het is dan wel mogelijk om (nog steeds) voor de formele inspraakprocedure te kiezen. De enige uitzonderingen hierop zijn situaties waarin het moeilijk is voor te stellen dat de belangen van betrokkenen via een andere vorm van participatie al voldoende in beeld worden gebracht. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de wijziging van de Algemene plaatselijke verordening. In aanvulling hierop zijn er gevallen waarin wetgeving een inspraakprocedure voorschrijft, te weten in het geval van de Omgevingswet. In dat geval wordt dus inspraak georganiseerd. De verordening biedt ruimte om inwoners en andere belanghebbenden daarnaast op andere manieren te betrekken. Artikel 7 Betrokkenheid verantwoordelijk bestuurder De betrokkenheid van de verantwoordelijk bestuurder is een randvoorwaarde voor goede participatie. Dit artikel beschrijft op welke manier die betrokkenheid vorm krijgt. De bestuurder heeft een belangrijke rol in het waarborgen van de kwaliteit van een participatietraject, onder 12

andere door de spanningen die spelen op tafel te krijgen en te voorkomen dat een ambtenaar politieke afwegingen moet verwoorden wanneer spanning ontstaat tussen de omgeving en de politieke wens. De betrokkenheid van de bestuurder is daarnaast om te voorkomen dat participatie een substituut wordt voor de representatieve democratie. Bij besluiten met een fundamentele tegenstelling in belangen, waarbij het dienen van het belang van de ene groep bijvoorbeeld ten koste gaat van het belang van een andere groep, dient het besluit niet door middel van participatietrajecten gedepolitiseerd te worden. Voor zulke onderwerpen geldt dat de representatieve democratie hiervoor de verantwoordelijkheid neemt, hierover heldere uitspraken doet en daarop ook via de reguliere wegen aanspreekbaar is. Onderdeel b beschrijft dat de bestuurder betrokken wordt bij het vaststellen van het participatieplan en het tussentijds wijzigen daarvan. Met wijzigingen worden in dit geval drastische wijzigingen bedoeld, die het participatieplan wezenlijk veranderen en daarom opnieuw voorgelegd dienen te worden. Onderdeel c stelt dat ook wanneer het participatietraject dreigt vast te lopen, de bestuurder betrokken wordt.

In de praktijk betekent dit dat er bij onenigheid met of tussen deelnemers gebruik wordt gemaakt van een escalatieladder, waarbij de bestuurder het laatste niveau is als de onenigheid dan nog niet is opgelost. Artikel 8 Afronding burgerparticipatie Dit artikel gaat over het eindverslag dat opgesteld wordt door het verantwoordelijke bestuursorgaan ter afronding van het participatietraject. Onder overzicht van de gevolgde participatieprocedure wordt een overzicht verstaan van hoe de procedure feitelijk is verlopen, bijvoorbeeld wanneer bepaalde stappen uit het participatieplan zijn uitgevoerd, wanneer stukken ter inzage zijn gelegd of welke bijeenkomsten zijn georganiseerd. Het eindverslag dient een overzicht op hoofdlijnen te bevatten van de inbreng. Daarbij kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en eventueel vermelding van de organisaties die hun opvatting naar voren hebben gebracht. Verder is van belang dat voor de inwoners en organisaties die hebben geparticipeerd en andere geïnteresseerden herkenbaar is wat is ingebracht tijdens het proces en helder is wat het bestuursorgaan met de inbreng heeft gedaan. Net als bij het overzicht van de inbreng is het niet noodzakelijk om per individuele reactie een terugkoppeling te geven.

Tenslotte wordt gereflecteerd of de doelen van het participatieplan zijn bereikt en wat hier wel/niet aan heeft bijgedragen. Een dergelijke reflectie biedt het meeste inzicht als ook de deelnemers aan het participatietraject daaraan bijdragen. Daarom is de aanbeveling om het traject samen met deelnemers te evalueren, van de praktijk te leren en inzichten te gebruiken voor de reflectie in het eindverslag. Met het bekend maken van de resultaten van de participatieprocedure wordt het participatietraject ook daadwerkelijk afgerond. Het verslag wordt in elk geval gepubliceerd op de website van de gemeente Amsterdam. Daarnaast kan aan degenen die hebben geparticipeerd een exemplaar van het eindverslag worden gestuurd. Als het aantal participanten omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met

13

een algemene bekendmaking. Het is belangrijk om aan het begin van het participatietraject al duidelijkheid over de wijze van communicatie te verschaffen als dat mogelijk is. Artikel 9 Randvoorwaarden voor een goed participatieproces Dit artikel beschrijft welke voorwaarden nodig zijn voor een goed participatieproces. Onderdeel b specificeert dat (potentiële) deelnemers mogen rekenen op verslaglegging van wat er met de gedeelde inbreng en inzichten is gebeurd en tot welk besluit dat heeft geleid. Artikel 10 Doel Buurtrechten In dit artikel wordt omschreven wat het doel van buurtrechten is. Door ruimte te maken binnen de gemeentelijk kaders voor initiatief van bewoners en door betere samenwerking tussen de gemeente en bewoners, vergroten we het eigenaarschap van Amsterdammers. Met het vergroten van eigenaarschap in de buurten ontstaat er een grotere betrokkenheid en worden meer Amsterdammers actief. Ook maakt de gemeente zo beter gebruik van de aanwezige kennis en kunde bij bewoners. Ook wordt in dit artikel aangegeven wie in aanmerking komen voor een buurtrecht: inwoners en lokale maatschappelijke partijen. De volgende artikelen geven de kaders aan waarbinnen een buurtrecht kan worden ingediend, welke voorwaarden gelden en volgens welke procedure het buurtrecht wordt beoordeeld. Het bevoegde bestuursorgaan besluit uiteindelijk over het al dan niet toekennen van het buurtrecht.

Dat betekent dat ook als aan alle voorwaarden voldaan wordt door de aanvragende partij, het bevoegde bestuursorgaan het recht heeft om een aanvraag beargumenteerd af te wijzen. Artikel 11 Onderwerp van Buurtrechten Buurtrechten kunnen alleen toegepast worden bij taken waar de gemeente zelf over gaat (autonome taken). Medebewindstaken zijn taken die de Rijksoverheid wettelijk aan gemeenten opdraagt uit te voeren. Deze medebewindstaken kunnen door de gemeente dus niet worden overgedragen aan bewoners en zijn daarom geen onderwerp van buurtrechten. Binnen de autonome taken van de gemeente, wordt aanvullend nog een aantal uitzonderingen gemaakt voor taken die vanwege verschillende redenen ook geen onderwerp kunnen zijn van buurtrechten. Deze zijn vastgelegd in artikel 14. Het bestuursorgaan wijst inwoners en lokale maatschappelijke partijen actief op het van toepassing zijn van het buurtrecht. Dit betekent dat op het moment dat een initiatief baat heeft bij het gebruikmaken van een buurtrecht, het initiatief actief op deze mogelijk wordt gewezen door de gemeente. Artikel 12 Varianten Buurtrechten In dit artikel wordt toegelicht welke vormen van buurtrechten er zijn:  Het uitdaagrecht gaat om de uitvoering van publieke taken waar de gemeente verantwoordelijk voor is.

Er zal bij deze vorm van buurtrecht een relatie tussen de gemeente en het initiatief blijven bestaan, waarbij afspraken worden gemaakt over samenwerking, verdeling van taken en verantwoordelijkheid. Bij het uitdaagrecht worden naast de taken ook het bijbehorende budget dat daarvoor op de begroting staat overgedragen aan het initiatief. Dit betekent dat de gemeenten de initiatiefnemers behandelen als een volwaardige en gelijkwaardige partner. Zij voeren immers een publieke taak uit.

14

Het biedingsrecht geeft bewoners het recht om te mogen bieden op een vrijgekomen gemeentelijk pand van de gemeente met een maatschappelijke bestemming. Voorwaarde is dat het pand voor een maatschappelijke functie worden gebruikt. Gaat het om een pand dan kan het gaan om huur of koop. Voorbeelden van initiatieven zijn een buurtkamer of een opleidingscentrum met leer-werktrajecten. Met het buurtplan recht kunnen bewoners een plan indienen voor de inrichting van de openbare ruimte, bijvoorbeeld een park, plein of straat. Bewoners hebben dan concrete wensen en ideeën over inrichting en voorzieningen zoals meer groen of parkeerplekken, speelruimte voor kinderen, bredere stoepen, meer lichtpunten, andere zichtlijnen of gebruik van specifieke duurzame materialen. Als het verzoek wordt ingewilligd, krijgen bewoners de ruimte om in samenwerking met de gemeente de ruimte ontwerpen of zij komen zelf met een ontwerp.

Artikel 13 Procedure en voorwaarden Buurtrechten De aanvraag voor een buurtrecht moet aan een aantal vereisten voldoen, voordat het in behandeling wordt genomen. In dit artikel wordt omschreven wat die vereisten zijn. Om in aanmerking te komen voor het uitvoeren van een buurtrecht, gelden verschillende voorwaarden, zoals in het artikel beschreven. Een van de belangrijke voorwaarden is dat het initiatief dat wordt ingediend maatschappelijke meerwaarde heeft en op maatschappelijke opgaven inspeelt. De maatschappelijke organisatie die in aanmerking wil komen voor maatschappelijke ruimte dient een beleidsdoel. Dit wordt zichtbaar in de beleidsplannen van de directies of in de gebiedsagenda’s van de stadsdelen. In elk gebied zal aan de hand van de beleidsdoelen en gebiedsopgaven een goede afweging worden gemaakt, zodat de voorzieningen die nodig en urgent zijn een plek krijgen in de buurt. Onderdeel 4 beschrijft welke voorwaarden gelden bij het biedingsrecht. Als het daarbij gaat om koop kan ook erfpacht in rekening worden gebracht. Artikel 14 Uitzonderingen van overname door een buurtrecht In dit artikel wordt in lid 1 omschreven welke uitzonderingen er zijn binnen de autonome taken van de gemeente, die worden uitgesloten van het buurtrecht. Het verlenen van een buurtrecht is niet mogelijk: 

Bij al lopende uitvoeringstrajecten of ondergeschikte herzieningen daarvan betreft. Denk bijvoorbeeld aan een grote herinrichting van een park die al is gestart en het buurtrecht is een right to plan op (een deel van) de inrichting van het park; Bij spoedeisende uitvoering: het komt voor dat de situatie in de stad vraagt om snel handelen. Als de uitvoering van een beleidsvoornemen zo spoedeisend is dat het benutten van het buurtrecht niet kan worden afgewacht, dan gaat de snelheid boven het buurtrecht. De gemeente is dan wel verplicht duidelijk te onderbouwen wat deze spoedeisendheid precies inhoudt en hoe dit is afgewogen tegen het belang van het buurtrecht; Als het belang van het buurtrecht niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. De gemeente dient kwetsbare Amsterdammers te beschermen. Op het moment dat de doelgroep van een buurtrecht een kwetsbare doelgroep is, zal dit dus zorgvuldig worden gewogen. Er geldt nadrukkelijk een uitzondering voor individuele specialistische (jeugd)zorg voor het toepassen van het buurtrecht;

15

In gevallen waarbij sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft: als de gemeente betrekkelijk weinig autonomie heeft, komt het buurtrecht niet in aanmerking. Voor alle taken die betrekking hebben op de begroting, (het vaststellen van) tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet. Deze financiële taken van de gemeente kunnen niet worden overgenomen.

Artikel 15 Het inwilligen van een buurtrecht Als het verzoek wordt ingewilligd, voorziet het bestuursorgaan de initiatiefnemers van gepaste ondersteuning. We bieden als gemeente initiatiefnemers in ieder geval samenwerking en budget. Dat betekent dat de gemeente capaciteit beschikbaar stelt om die samenwerking vorm te geven. Wat kunnen initiatiefnemers nog meer verwachten:  Eén aanspreekpunt: Het Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief (BIMI) zorgt ervoor dat er een accounthouder aan het initiatief wordt gekoppeld. Deze accounthouder zorgt voor coördinatie in de gemeente, het betrekken van collega’s wiens inbreng nodig is en het agenderen van complexe vraagstukken op de juiste plek.  (Inzicht in) budget of kosten van een pand: bij het uitdaagrecht en het buurtplan recht stellen we als gemeente de voorwaarde dat de kosten van het initiatief niet hoger uitkomen dan de kosten die voor de desbetreffende taak of taken op de begroting staan. Zijn er afspraken gemaakt over de overdracht van taken dan wordt het daarvoor bestemde budget overgeheveld aan de initiatiefnemers. We proberen zo goed als mogelijk inzicht te geven in dit budget. Voor huur van een pand geldt de kostprijsdekkende huur en bij koop is de prijs marktconform. In het geval van koop zal ook erfpacht in rekening worden gebracht.

 Aanbestedingen: zijn de over te nemen taken via aanbestedingen ondergebracht bij externe partners dan zal de gemeente zich inspannen een pragmatische oplossing te vinden door in gesprek te gaan met deze externe partners of te onderzoeken of er een aanjaagbudget beschikbaar is.  Samenwerkingsovereenkomst: wordt het initiatief dat een buurtrecht heeft ingediend kansrijk bevonden dan zal er een samenwerkingsovereenkomst worden opgesteld waarin afspraken worden gemaakt over wederzijdse prestaties, aansprakelijkheid, beschikbaar budget, verantwoording, looptijd en kwaliteitseisen. De gemeente en de inwoners van Amsterdam hebben er belang bij dat de taken die zijn overgenomen, goed worden uitgevoerd. Mocht gedurende looptijd van het buurtrecht blijken dat het buurtrecht de afspraken over de uitvoering onvoldoende nakomt of niet meer na kan komen, dan krijgt een initiatief de ruimte om te werken aan verbetering. Lukt het binnen de afgesproken termijn niet om de afspraken wel volledig na te komen, dan kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten het bestuursrecht in te trekken. Artikel 16 Het weigeren van een buurtrecht In dit artikel wordt omschreven waar de gemeente aan moet voldoen bij het afwijzen van een buurtrecht. Het gaat om:  goede onderbouwing en toelichting: er kunnen altijd goede reden zijn om een verzoek tot buurtrechten niet in te willigen.

De gemeente is echter wel verplicht om te kunnen aantonen dat er binnen de wettelijke mogelijkheden actief is gezocht naar alle mogelijkheden om overname mogelijk te maken. Dit betekent dat initiatiefnemers een helder onderbouwde toelichting ontvangen voor de reden van weigering met daarin ook duidelijk aangegeven welke opties zijn onderzocht. 16

de aanvraag is aantoonbaar onderzocht vanuit de maatschappelijke waarde van het initiatief, niet enkel vanuit bestaande beleidskaders. Met maatschappelijke waarde doelen we op de waarde die het brede publiek toekent aan de bijdrage die het initiatief wil leveren. Dit wil zeggen dat het initiatief niet enkel wordt getoetst aan de hand van bestaande beleidsdoelen, maar ook aan de bredere waarde van het initiatief: zoals economische waarde, sociale waarde, ecologische waarde. Daarnaast weegt mee in de maatschappelijke waarde of een initiatief aantoonbaar bijdraagt aan een (actuele) opgave in de stad, of er bij betrokkenen in de buurt of wijk draagvlak is voor het buurtrecht én of het initiatief met, door en voor Amsterdammers wordt uitgevoerd. Door deze bredere weging kan tijdens de procedure duidelijk worden dat voor de realisatie van een initiatief gedeeltelijk, tijdelijk of permanent beleid aangepast moet worden of gewijzigd beleid nodig is. Dit vraagt wel instemming van het college en/of gemeenteraad.

Artikel 17 Evaluatie en monitoring Participatie is een onderwerp dat nog volop in ontwikkeling is. Mede daarom is het van belang om de werking van de verordening goed bij te houden en de verordening periodiek te evalueren. Op deze manier kan worden geleerd van de werking van de verordening in de praktijk en kan de verordening ook worden aangepast als dat nodig blijkt te zijn. Artikel 18 Overgangsrecht In artikel 3 van de verordening is opgenomen dat een participatieplan moet worden vastgesteld bij de start van een (deelfase van een) proces voor een visie, beleid, plan, programma of project. Het overgangsrecht in dit artikel regelt dat het niet altijd verplicht is om alsnog een participatieplan te maken wanneer op het moment dat de verordening in werking treedt, al begonnen is met het proces. Dit is om te voorkomen dat het maken van een participatieplan een puur administratieve handeling is die voor bijvoorbeeld het project in kwestie weinig zin meer heeft omdat het project al in volle gang is. Deze uitzondering geldt alleen als het project al zo ver is, dat het maken van een participatieplan echt geen zin meer heeft of disproportioneel veel tijd kost of vertraagt. Indien een visie, beleid, plan, programma of project uit meerdere deelfasen bestaat, geldt artikel 3 wel wanneer na de inwerkingtreding van de verordening wordt gestart met een nieuwe fase.

Artikel 19 Intrekking Algemene inspraakverordening De Algemene inspraakverordening gaat op in deze verordening. Met deze participatieverordening worden de mogelijkheden om betrokkenen bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid te betrekken verbreed. Een aantal elementen uit de inspraakverordening zijn opgenomen in artikel 6.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13551413/2