Bijlage Eindverslag HvdK wetenschappelijke begeleidingscommissie
Tekst van het document
Eindverslag wetenschappelijke begeleidingscommissie Onderzoek Hart voor de K buurt Prof. dr. Femke Kaulingfreks, hoogleraar Grootstedelijke Vraagstukken, Wibautleerstoel, Universiteit van Amsterdam Prof. dr. Floris Vermeulen, UHD politicologie, Universiteit van Amsterdam, hoogleraar Stedelijke Politiek Ongelijkheid, Public Administration, Universiteit Twente
Van augustus tot oktober 2025 heeft BMC in opdracht van de Gemeente Amsterdam onderzoek gedaan naar de omgang van de stichting Hart voor de K-buurt (HvdK) met subsidies en opdrachten die zij van de gemeente heeft ontvangen in de periode van 2019 tot en met 2023. Doel van het onderzoek was om te kijken of het geld rechtmatig is besteed, of afspraken zijn nagekomen en of de afgesproken doelen en effecten zijn bereikt. Daarnaast wilde de gemeente leren hoe zij en bewonersorganisaties zoals HvdK in de toekomst betere afspraken kunnen maken. Wij hebben gedurende dit onderzoek opgetreden als onafhankelijke, wetenschappelijke begeleidingscommissie van het deel van het onderzoek dat gaat over doelmatigheid. Dit deel van het onderzoek richtte zich op de volgende drie deelvragen: - Hebben de subsidies die HvdK heeft ontvangen bijgedragen aan de doelen waarvoor ze bedoeld waren? - Is de gemeente efficiënt omgegaan met de inzet van bewoners? - Wat zijn mogelijke verbeteringen? We hebben drie bijeenkomsten gehad met de onderzoekers van BMC, waarin we achtereenvolgens de onderzoeksopzet, de tussentijdse resultaten en het conceptrapport hebben besproken. Ook hebben we een aantal keer telefonisch en per mail contact gehad met de onderzoekers over de voortgang van het onderzoek.
In dit eindverslag leggen we de bevindingen uit het onderzoek van BMC naast ons eigen onderzoek en actuele wetenschappelijke bronnen. Zo beogen we bij te dragen aan het duiden van de bevindingen in een bredere context van onderzoek naar democratiseringsprocessen en collaboratieve beleidspraktijken. Pionieren in democratiseringspocessen en collaboratieve beleidspraktijken HvdK is sinds 2018 een van de meest zichtbare bewonersinitiatieven in Amsterdam Zuidoost dat samenwerkt met de gemeente in het ontwikkelen en uitvoeren van democratiseringsbeleid. Van het werken met buurtbudgetten in Model C voor buurtcollectieven, tot het buurtplatformrecht dat is vastgelegd in de participatieverordening van 2024. HvdK heeft in deze periode steeds een pioniersrol gehad in het uitvinden en doorontwikkelen van nieuwe instrumenten voor directe zeggenschap van bewoners over activiteiten in de buurt en nieuw beleid in relatie tot stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan meer directe democratische participatie is ontstaan in een tijd waarin de participatieve ongelijkheid in Amsterdam sterk is toegenomen. Vooral in Zuidoost is het opkomstpercentage bij de gemeenteraadsverkiezingen al jaren veel lager dan elders in de stad. Dit verschil is in de afgelopen decennia groter geworden, omdat de opkomst in de buurten met lage opkomstpercentages meer is gedaald dan in buurten
waar de opkomst gemiddeld hoog is (Vermeulen et al. 2020; Vermeulen et al. 2022; Zweegman et al. 2023a). Dit heeft effect op het democratisch mandaat van de stadsdeelcommissie en heeft de behoefte versterkt om de zeggenschap van bewoners via nieuwe instrumenten voor directe democratische participatie te vergroten. In de ambtelijke uitvoeringspraktijk blijkt het echter lastig om samen met bewoners heldere verwachtingen, werkwijzen en doelstellingen te ontwikkelen die passen bij deze nieuwe instrumenten van directe, democratische participatie. Directe democratische participatie werkt immers anders dan representatieve democratie, en vraagt om andere verhoudingen tussen bewoners en ambtenaren van de gemeente, en andere werkprocessen binnen de gemeente. In de relatie tussen bewonersinitiatieven met een pioniersrol zoals HvdK en de gemeente leidt dit tot spanningen, teleurstellingen en onduidelijkheden die we terug hebben gezien in dit onderzoek naar de doelmatigheid van de activiteiten van HvdK. In de afgelopen jaren is HvdK niet alleen een bewonersinitiatief geweest dat met subsidie van de gemeente activiteiten organiseerde met en voor bewoners in de wijk, maar ook partner van de gemeente in het ontwikkelen van nieuw beleid en stedelijke ontwikkelingsprojecten.
Van de Transitie Hub en OBA Next tot het K-middentraject en het buurtplatformrecht, HvdK neemt samen met verschillende afdelingen van de gemeente deel aan verschillende praktijken van collaborative governance. In een praktijk van collaborative governance gaan stakeholders ervan uit dat partijen die sterk van elkaar verschillen elkaar nodig hebben om tot een passende oplossing te komen voor complexe grootstedelijke vraagstukken, omdat één type stakeholder niet alleen voor benodigde systemische doorbraken kan zorgen (Emerson et al., 2012). De overheid kan niet langer alleen oplossingen ontwikkelen voor hardnekkige, meerlagige patronen van achterstelling, maar moet daarbij samenwerken met bewoners, partners uit het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven. Het perspectief van bewoners die in hun alledaagse leven de directe uitwerking van beleid ervaren, is daarbij onmisbaar. Om goed te kunnen samenwerken in zulke praktijken van collaborative governance, moeten institutionele partners zoals de gemeente beslissingsbevoegdheid delen met bewonersinitiatieven zoals HvdK, zorg dragen voor een gelijke informatiepositie van bewoners, en investeren in het gezamenlijk bepalen van uitgangspunten, omgangsvormen en doelstellingen.
Ook dit blijkt in de praktijk vaak lastig, omdat de verschillen in macht, werkwijze en ervaring tussen institutionele partners en bewonersinitiatieven vanzelfsprekend groot is. Het is heel moeilijk om een gelijkwaardige samenwerking te realiseren tussen ongelijksoortige partijen, die zich in ongelijke machtsverhoudingen tot elkaar verhouden (Kaulingfreks en Van Kempen 2025). Het onbegrip en de fricties die bij deze uitdaging komen kijken zien we ook terug in dit onderzoek naar de doelmatigheid van de activiteiten van Hart voor de K. In het vervolg van dit verslag gaan we aan de hand van vijf thema’s nader in op de spanningen en uitdagingen die naar voren komen in dit onderzoek naar de relatie tussen HvdK en de gemeente in het ontwikkelen van nieuwe democratische verhoudingen.
Macht en tegenmacht in een proces van belangenbehartiging De onderzoekers concluderen dat er functionele knelpunten zijn ontstaan in de samenwerkingsrelatie tussen HvdK en de gemeente, zoals een ‘verticale disconnectie’ tussen de bestuurlijke, stedelijke visie op democratisering, en de praktische uitvoering hiervan op stadsdeel- en projectniveau. ‘Bestuurlijk was er de wens tot experimenteerruimte, ambtelijk was men zeer bezorgd over de aspecten van grip en controle. Zo hoort bij een emancipatieproces soms ook het opzoeken van conflict terwijl het ambtelijk frame meer gericht is op ‘de boel bij elkaar houden’. Dit vraagt om elkaars manier van belangenbehartiging beter te begrijpen.’
Deze bevinding geeft aan dat het in de ontwikkeling van een nieuw, directer democratiseringsproces nog onvoldoende lukt om binnen bestaande ambtelijke kaders en procedures begrip en ruimte te creëren voor een bewonersinitiatief als HvdK dat zich niet alleen richt op het creëren van onderlinge sociale cohesie tussen bewoners in de buurt (community building), maar ook op het behartigen van de collectieve belangen van bewoners richting de overheid (grassroots community organizing) (Kaulingfreks en Mathijssen 2024). Zeker in een context zoals de K-buurt, waarin bewoners vaak al generaties te maken hebben met institutionele verwaarlozing, gaan praktijken van grassroots community organizing en belangenbehartiging die de emancipatie van bewoners tot doel hebben, per definitie gepaard met een bepaalde mate van politiek conflict tussen bewonersinitiatieven en overheidsinstanties (Alinsky, 1971; Staples, 2016; Meade en Shaw, 2016). Het bewonersinitiatief dat zich opstelt als belangenbehartiger heeft immers een verandering van de institutionele status quo voor ogen. Bestuurlijke bereidheid om bewonersinitiatieven op een meer directe manier te betrekken bij beleidsvorming en stedelijke ontwikkeling leidt niet vanzelfsprekend tot het doorbreken van ongelijke machtsverhoudingen en een gelijkwaardige samenwerking.
Verloo laat op basis van jarenlang etnografisch onderzoek naar praktijken van participatieve democratie, en theorieën rond de politieke betekenis van erkenning (Fraser, 2000; McNay, 2008), zien dat institutionele partners in de samenwerking met bewonersinitiatieven vaak een dominant narratief van inclusie en gelijkwaardige samenwerking uitdragen, terwijl in de alledaagse praktijk van onderlinge ontmoetingen, bewoners weinig ruimte ervaren om de agenda mede te bepalen of beslissingsbevoegdheid te delen, en zelfs regelmatig ervaren dat hun expertise en inbreng niet serieus wordt genomen of wordt genegeerd (Verloo 2023). Om toch erkenning af te dwingen, maakt het genereren van politiek conflict vaak onderdeel uit van een direct democratiseringsproces. Bewonersinitiatieven beogen dan bewust en strategisch tegenmacht te organiseren om hun positie ten opzichte van institutionele partners te versterken. Wanneer het doorbreken van structurele patronen van achterstelling het doel is, is het zoeken naar consensus in de samenwerking met de gemeente niet altijd mogelijk, of niet in het belang van een bewonersinitiatief.
Schuring en conflict kan productief zijn om de verschillen in positie tussen de overheid en achtergestelde gemeenschappen te analyseren, bespreekbaar te maken en te veranderen, zodat deze gemeenschappen uiteindelijk meer invloed krijgen op de beleidsbeslissingen die bepalend zijn voor hun welzijn en leefomgeving (Kaulingfreks en Matthijsen 2024). Het doelbewust opzoeken van ‘agitation’, tegenspraak of opschudding, om de ervaringen van mensen die benadeeld worden in relatie tot instituties - van woningbouwcorporaties en de politie, tot de gemeente en grote bedrijven – in de eerste plaats te erkennen en vervolgens te veranderen, maakt onderdeel uit van strategieën van community organizing die emancipatie en sociale verandering tot doel hebben (Alinsky 1971, Kaulingfreks 2025). In de wetenschappelijke literatuur over sociale bewegingen wordt dit ‘contentious politics’ genoemd (Tilly en Tarrow 2015). Wanneer de gemeente daadwerkelijk wil inzetten op nieuwe, meer directe democratiseringsprocessen is het belangrijk dat zowel op bestuurlijk, als op uitvoeringsniveau erkend wordt dat strategieën van ‘contentious politics’ horen bij de belangenbehartiging en emancipatie van achtergestelde bewonersgemeenschappen.
Het aangaan van politiek conflict en het organiseren van tegenmacht kan geen reden zijn om een bewonersinitiatief zoals HvdK een gebrek aan professionaliteit te verwijten of uit te sluiten van samenwerking. Wanneer het politieke conflict echter persoonlijk wordt, kunnen betrokkenen beschadigd raken en gaat de effectiviteit van het proces van belangenbehartiging verloren. Uit het onderzoek blijkt dat zowel betrokkenen van HvdK als de gemeente hebben bijgedragen aan een situatie waarin
mensen elkaar niet meer vertrouwden en zich persoonlijk aangevallen of gediskwalificeerd voelden. Om tot een vruchtbaar democratiseringsproces te kunnen komen zullen deze relaties hersteld moeten worden. Dit vraagt van betrokkenen bij HvdK een verdiept inzicht in het onderscheid tussen effectieve strategieën van belangenbehartiging en ineffectieve vormen van escalatie. Het vraagt van betrokkenen bij de gemeente meer interesse in en openheid voor nietconsensusgerichte inbreng in de democratische samenwerking. Van alle partijen vraagt dit de bereidheid om te investeren in open, onderlinge communicatie en werkafspraken die politieke onenigheid toelaten, maar persoonlijk wantrouwen en beschadiging uitsluiten. Wederzijdse waardering in de samenwerking Uit het onderzoek blijkt ook dat de samenwerkingsrelatie tussen bepaalde onderdelen van de stadsdeelorganisatie Zuidoost en HvdK ernstig verstoord is geraakt. De intense samenwerkingsstijl van HvdK en het negatief framen van bepaalde ambtenaren in de communicatie naar bewoners toe heeft enerzijds geleid tot gevoelens van onveiligheid bij ambtenaren.
Anderzijds hebben anonieme brieven, een gebrek aan vertrouwen in de plannen van HvdK, en vervolgens een beperking van de samenwerking tussen bepaalde onderdelen van de stadsdeelorganisatie en HvdK, geleid tot het negatief framen van HvdK en daarmee tot oplopende frustraties over stroperige procedures en geblokkeerde plannen, toenemende stress en gevoelens van onveiligheid bij het bewonersinitiatief. Deze situatie is heel zorgelijk en moet zo snel mogelijk doorbroken worden. De onderzoekers constateren ook dat het inleven in elkaars perspectief ontbreekt, net als een gesprek over een gezamenlijke maatstaf van professionaliteit en deskundigheid (in relatie tot kennis, werkwijze, normen en waarden). In een hersteltraject moet zo snel mogelijk ingezet worden op beiden. Een overheid die goed luistert, zo laat recent onderzoek in Rotterdam zien, versterkt niet alleen haar democratische legitimiteit, maar herstelt ook de relatie met bewoners die zich vaak niet gehoord of erkend voelen (Vermeulen en Verhoeven 2025). Luisteren in de publieke context betekent meer dan het registreren van signalen of klachten: het is een actieve vorm van erkenning, gevolgd door betekenisvolle opvolging. Het vereist een houding van openheid, empathie en gelijkwaardigheid, waarbij professionals zich bewust zijn van hun rol als schakel tussen bewoners en instituties.
Werkelijk luisteren ontstaat pas wanneer tijd en aandacht worden besteed aan het begrijpen van iemands verhaal zonder oordeel, en wanneer de verkregen informatie leidt tot concrete actie of terugkoppeling. Alleen dan ervaren bewoners dat hun stem ertoe doet. De uitdaging ligt erin dat overheden structureel beter luisteren naar mensen die minder goed vertegenwoordigd zijn in het formele, representatieve democratisch proces. Vaak zijn dit bewoners van kwetsbare wijken die minder taalvaardig zijn, beperkte netwerken hebben of negatieve ervaringen met instituties meedragen. Juist daarom vraagt luisteren om democratische professionaliteit: professionals moeten niet slechts beleidsuitvoerders zijn, maar ook vertolkers van maatschappelijke ervaringen. Dit houdt in dat zij actief contact leggen met alle bewoners — ook degenen die niet vanzelf deelnemen — en dat zij signalen uit de leefwereld vertalen naar acties binnen het bestuurlijke systeem. Daarnaast vereist goed luisteren dat de overheid zich aanpast aan het tempo en de logica van bewoners. Vertrouwen ontstaat niet in één gesprek, maar door herhaalde ontmoetingen, duidelijke terugkoppeling en zichtbare resultaten. Wanneer bewoners merken dat hun vragen serieus worden genomen en dat er daadwerkelijk iets verandert, groeit hun vertrouwen in de overheid.
Zo wordt luisteren een wederkerig proces van erkenning, vertegenwoordiging en responsiviteit — een noodzakelijke voorwaarde voor een inclusieve en rechtvaardige democratie waarin iedere stem telt (Vermeulen en Verhoeven 2025).
Of een democratiseringsproces nu leidt tot constructief conflict of consensus, in de relatie tussen betrokken partijen is wederzijdse erkenning en waardering een essentiële randvoorwaarde. Die wederzijdse erkenning en waardering kan ontstaan wanneer betrokken ambtenaren bewust kiezen voor het ontwikkelen van een vorm van ‘democratisch professionalisme’ dat past bij een directe, democratische samenwerking tussen bewonersinitiatieven en representanten van de overheid. Politicoloog Albert Dzur beschrijft in zijn werk uit welke elementen zo’n democratisch professionalisme van ambtenaren bestaat die op een vruchtbare, direct democratische manier met bewonersinitiatieven samenwerken. Het gaat om het actief luisteren naar en geven van erkenning aan de ervaringen en belangen van bewoners. Dit kunnen ambtenaren doen door hun eigen oordeel tijdelijk op te schorten, zichzelf naar de achtergrond te verplaatsen, en hun aandacht volledig op de ander te richten. Niet alleen rationele argumenten, maar ook de emoties van mensen – zoals woede over ervaren onrecht - verdienen het om gehoord te worden. Ten tweede dienen ambtenaren tegenstand te bieden tegen de dehumaniserende effecten van beleid, en ten derde dienen ze te investeren in structureel overleg met burgers en tussen burgers onderling.
Ten slotte dienen zij zich diepgaand te verdiepen in de standpunten van minder mondige burgers om hen waar nodig te kunnen vertegenwoordigen, en zich in te zetten voor het verbinden van burgers met elkaar en met instituties (Verhoeven 2025). De gemeente kan de komende tijd inzetten op het ontwikkelen van deze houdingselementen en vaardigheden bij ambtenaren en beleidsmakers die met HvdK samenwerken. Wederzijdse erkenning en waardering ontstaat ook niet zonder een constructief kritische houding van bewonersinitiatieven, die kennis hebben van de beleidsprocedures en werkprocessen waar ambtenaren in opereren, en genoeg rust, tijd en ruimte ervaren om een partnerschap in collaboratieve beleidspraktijken op zich te nemen. HvdK heeft hier een duurzame en consistente investering in de eigen organisatieontwikkeling voor nodig. Op dit moment komt te veel werk op de schouders neer van één persoon. Dat is kwetsbaar voor de organisatie zelf, en voor de externe relaties. In eerder onderzoek hebben we ook geconstateerd dat bewonersinitiatieven alleen op een constructieve manier kunnen deelnemen aan directe democratiseringsprocessen en collaboratieve beleidspraktijken als er voldoende ruimte is voor hun capaciteitsopbouw (Kaulingfreks en Van Kempen, 2025). Initiatieven kunnen hier zelf aan werken door in te zetten op de ontwikkeling van gedeeld lokaal leiderschap en intervisie.
Het is hierbij van groot belang dat er vanuit de bewonersinitiatieven constructief gewerkt wordt aan contacten en verbindingen met verschillende onderdelen van de lokale overheid. Dit draagt uiteindelijk bij aan wat sociaal wetenschappers linking sociaal kapitaal noemen (horizontale verbindingen tussen bewoners en de overheid). Dit type van sociaal kapitaal is cruciaal voor bewoners van kwetsbare wijken waar het wantrouwen in de overheid over het algemeen hoog is en de politieke participatie laag (Zweegman et al. 2023b). Bewonersinitiatieven kunnen dit niet alleen en hebben hulp nodig. De gemeente kan hier aan bijdragen door middelen vrij te maken voor de organisatieontwikkeling van bewonersinitiatieven en zorg te dragen voor een gelijke informatiepositie en regelmatig contact. Verkokering en een versnipperd subsidielandschap Bewonersinitiatieven ervaren in veel Amsterdamse stadsdelen, niet alleen Zuidoost, de nadelige effecten van verkokering binnen de overheid. Het komt regelmatig voor dat verschillende ambtenaren op dezelfde dag contact zoeken met hetzelfde initiatief, elk vanuit hun eigen beleidsdomein — veiligheid, jeugd of gezondheid — zonder onderlinge afstemming. Deze gefragmenteerde aanpak leidt tot onnodige belasting van bewoners en een gebrek aan samenhang in het beleid.
Juist de decentralisatie was bedoeld om dergelijke verkokering tegen te gaan en integrale, gebiedsgerichte oplossingen te bevorderen. Stadsdelen beschikken over
lokale kennis en staan dichter bij de leefwereld van bewoners, waardoor zij beter in staat zijn maatwerk te leveren. Dat vraagt echter om een geïntegreerde werkwijze waarin verschillende beleidsdomeinen en afdelingen samenwerken rond gemeenschappelijke doelstellingen. De stadsdeelorganisatie moet in goede verbinding staan met de centrale gemeente, voor eenduidige communicatie naar bewonersinitiatieven. Alleen door over de grenzen van sectoren heen te werken, kan de lokale overheid recht doen aan de complexiteit van stedelijke vraagstukken en bewonersinitiatieven daadwerkelijk versterken. De onderzoekers constateren dat er naast de eerder genoemde verticale disconnectie ook een horizontale disconnectie is die een functioneel knelpunt vormt in de samenwerking tussen HvdK en de gemeente. De gemeente is in de samenwerking geen eenduidige partner. Vanuit verschillende afdelingen wordt op verschillende manieren contact onderhouden met HvdK en vanuit verschillende domeinen zijn er verschillende verwachtingen van de samenwerking. ‘Zo werkt de ene afdeling enthousiast samen met HvdK en beperkte de andere afdeling de samenwerking tot het minimaal noodzakelijke.
Het werken vanuit domeinen is een gangbare logica bij gemeenten, maar sluit niet goed aan bij het ecosysteem van buurten.’ Uit ons onderzoek blijkt ook dat de verkokerde structuur van de gemeente vaak niet goed matcht met de leefwereld van bewoners, die niet netjes in aparte domeinen te verdelen is. De ambitie om meer integraal en gebiedsgericht te werken is sterk aanwezig bij de gemeente Amsterdam, maar toch zijn ambtenaren van verschillende afdelingen vaak onvoldoende op de hoogte van elkaars plannen en de opdrachten die ze aan bewonersinitiatieven verstrekken. Dit kan tot grote druk leiden bij een initiatief als HvdK, dat met heel veel verschillende ambtenaren van verschillende afdelingen contact moet onderhouden om haar eigen wensen voor de wijk te realiseren en zich voor verschillende projecten en opdrachten vanuit verschillende subsidiestromen steeds apart moet verantwoorden. Armoedebestrijding, kansengelijkheid in het onderwijs, gezondheidsbevordering en verbetering van huisvesting hangen in het leven van bewoners allemaal met elkaar samen. De verkokering in beleid kan leiden tot institutionele keuzes die niet aansluiten bij wat bewoners nodig hebben. Daarom kan het inbrengen van ervaringskennis in collaboratieve beleidspraktijken bijdragen aan het ontwerpen van meer holistische beleidsoplossingen (Ghorashi et.al. 2023).
Een bewonersinitiatief als HvdK kan onderbelichte ervaringen, ongehoorde stemmen en perspectieven van minderheden inbrengen. Het inbrengen van alternatieve perspectieven en kennisbronnen hoeft daarbij niet altijd representatief te zijn, maar kan leiden tot het belichten van kanten van een bepaald vraagstuk die voor beleidsmakers vaak onbekend blijven.
Doelmatigheid en impact Uit het onderzoek komt een positief beeld naar voren van de doelmatigheid van de aan HvdK verstrekte subsidies. De onderzoekers merken daarbij wel op dat ‘acht van de negen subsidieregelingen van de gemeente brede doelen beschreven en geen specifieke, meetbare resultaten. HvdK vertaalde in haar aanvragen en rapportages deze brede doelen consequent naar concrete activiteiten en uitkomsten.’ Het kan de zeggenschap en het eigenaarschap van bewonersinitiatieven ten goede komen wanneer de gemeente het aan bewoners over laat om brede doelen te vertalen naar concrete activiteiten en uitkomsten. Daar is dan wel het vertrouwen voor nodig dat bewonersinitiatieven weten wat bewoners nodig hebben en hier goed op in kunnen spelen. Dit vertrouwen blijkt in ieder geval in de relatie tussen bepaalde onderdelen van de stadsdeelorganisatie Zuidoost en HvdK niet aanwezig te zijn. Wanneer de gemeente er niet op vertrouwt dat een bewonersinitiatief als HvdK op een passende manier brede doelen in concrete activiteiten vertaalt, kan er onvrede over de uitkomsten en doelmatigheid van verstrekte subsidies ontstaan, ook wanneer deze volgens de regels benut en verantwoord worden. Dit levert voor het bewonersinitiatief een onwerkbare situatie op. In dat
geval is het nodig om een gezamenlijke visie op impact te ontwikkelen, die niet alleen door het bewonersinitiatief gedragen wordt, maar ook door de gemeente. Het is belangrijk om daarbij uit te gaan van wat bewoners zelf aan verandering gerealiseerd willen zien in de buurt. Welke wensen hebben verschillende bewoners in relatie tot de ontwikkeling van hun eigen welzijn, de onderlinge verhoudingen in de buurt en de fysieke leefomgeving? Om te komen tot een heldere, consistente en uitvoerbare visie op impact is het verstandig om methodisch te werk te gaan, bijvoorbeeld middels een Theory of Change model. Een Theory of Change kan een breed gedragen visie bieden op de gewenste langetermijnimpact in de wijk, en een helder overzicht van de stappen die nodig zijn om die impact te realiseren. Vanuit de opgestelde langetermijndoelen kunnen betrokkenen samen terugredeneren welke uitkomsten of resultaten nodig zijn om deze doelen te behalen, en welke korte termijn activiteiten tot die uitkomsten of resultaten kunnen leiden. Op basis van de Theory of Change kunnen de gemeente en bewoners samen de voortgang monitoren en waar nodig elkaar ter verantwoording roepen. De verantwoording moet daarbij nadrukkelijk wederkerig zijn. Niet alleen het bewonersinitiatief committeert zich aan de afgesproken langetermijndoelen, ook de gemeente moet zich naar bewoners toe kunnen verantwoorden.
Een gedeelde Theory of Change zorgt er bovendien voor dat institutionele verantwoordingsmechanismen minder ervaren worden als een doel op zich, en meer als een middel om de impact van beleid, subsidies en buurtactiviteiten zichtbaar te maken voor de bewoner om wie het uiteindelijk gaat. Het onderzoek van BMC geeft inzicht in de doelmatigheid van door HvdK benutte subsidies, maar geeft maar beperkt inzicht in de impact die met deze activiteiten is gerealiseerd in de wijk. Wel wordt uit het onderzoek duidelijk dat HvdK impact in de wijk heeft gerealiseerd die met alleen de bestaande verantwoordingsmechanismen van de gemeente niet voldoende zichtbaar wordt. ‘Er gebeurt significant meer dan waar de gemeente voor betaalt’, constateren de onderzoekers. HvdK is actief op veel verschillende beleidsterreinen die binnen de gemeente nog afzonderlijk van elkaar bekeken worden, terwijl de impact die HvdK beoogt te realiseren in de wijk een meer holistisch karakter heeft. Om zicht te krijgen op deze impact zou toekomstgericht vervolgonderzoek aan te raden zijn. Wanneer de gemeente samen met HvdK een visie op impact ontwikkelt, kan er de komende jaren gemonitord worden op de realisatie van die impact.
Dit impact onderzoek zou niet alleen inzicht moeten bieden in de doelmatigheid van de toegekende subsidies, maar moeten bijdragen aan een holistisch perspectief op de maatschappelijke waarde die HvdK toevoegt aan de wijk, gebaseerd op de veranderdoelen van bewoners zelf. In een recente publicatie over impact constateert Movisie dat het alleen kwantificeren van impact met KPI’s niet langer voldoende is om de ervaren impact van interventies rond complexe maatschappelijke uitdagingen inzichtelijk te maken (Sobczyk et al., 2025). Met KPI’s kan aangetoond worden hoeveel geld er is uitgegeven aan hoeveel activiteiten, en hoeveel bewoners daarmee bereikt zijn, maar niet welke kwalitatieve verandering er in het leven van deze bewoners is opgetreden. Het alleen kwantitatief meten van impact aan de hand van KPI’s levert bureaucratische verantwoordingen op, en werkt het mijden van risico’s in de hand, terwijl het ontwikkelen van vernieuwende en out of the box benaderingen niet wordt uitgenodigd. Om te komen tot een meer compleet beeld van de impact die in de wijk gerealiseerd wordt door een bewonersinitiatief als HvdK moeten kwantitatieve impactmetingen gecombineerd worden met kwalitatief onderzoek dat zicht geeft op het ervaren welzijn van bewoners in de wijk. Daarbij is het doen van een beroep op de ervaringskennis van bewoners essentieel.
In Amsterdam Zuidoost worden al veelbelovende resultaten geboekt met het welzijnsdashboard, waarbij bewoners zelf indicatoren opstellen om de ontwikkeling van brede welvaart in hun buurt te monitoren, en ook zelf betrokken zijn bij de uitvoering van het onderzoek (Van Beek, Pouw en
Verrest 2025). Deze manier om brede welvaart te monitoren legt de nadruk op de veranderdoelen van bewoners zelf, én maakt het mogelijk om verschillende domeinen in samenhang met elkaar te onderzoeken. Om naast de doelmatigheid ook echt goed zicht te krijgen op de impact van de activiteiten van HvdK in de wijk zou zo’n soort onderzoek uitgevoerd moeten worden, waarbij bewoners veel breder betrokken worden in een mix van dialogen, cocreatie sessies, interviews en surveys. Te denken valt aan een actieonderzoek waarbij het realiseren van impact in de wijk ook meteen onderdeel van het onderzoeksproces is, en waarbij bewoners zelf onderzoeker zijn. Representatie of meervoudige perspectieven inbrengen Uit het onderzoek blijkt dat HvdK zich ervan bewust is dat de bewoners in de K buurt geen homogene groep zijn. De organisatie zet zich in om zo vaak mogelijk en zo veel mogelijk met bewoners in gesprek te gaan om te horen wat er leeft en welke ideeën en wensen mensen hebben. HvdK doet haar best om zoveel mogelijk verschillende, soms tegenstrijdige perspectieven op te halen en met elkaar in gesprek te brengen. De onderzoekers constateren ook dat niet alle bewoners zich vertegenwoordigd voelen door HvdK. Dit kan ook niet verwacht worden van een bewonersinitiatief dat middels instrumenten voor directe democratie samenwerkt met de gemeente.
In een wijk waar de diversiteit groot is zal niet elke bewoner zich thuis voelen bij en aangesproken voelen door hetzelfde bewonersinitiatief. Bovendien behartigen bewonersinitiatieven altijd specifieke buurtgebonden belangen in processen van collaborative governance, en niet het algemeen belang, zoals de taak is van de overheid. Het is voor bewonersinitiatieven zoals HvK wel van groot belang dat zij open staan voor en samenwerken met andere bewonersinitiatieven om op die manier te werken aan een zo representatief mogelijke vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld. De onderzoekers constateren dat deze open houding er was bij HvdK en dat op verschillende manieren de samenwerking met andere initiatieven in de buurt is aangegaan. Hierbij is het wel van belang op te merken dat over het algemeen bewonersinitiatieven die een wat bredere en meervoudige leiding hebben beter in staat zijn dit op lange termijn te blijven doen dan initiatieven die sterk leunen op één of enkele boegbeelden. Gemeenschapsleiders die de taken en verantwoordelijkheden die horen bij hun leiderschapsrol kunnen delen met anderen zijn vaak inspirerend en betrokken, en kunnen anderen empoweren om ook de leiding te nemen over een collectief proces van community development (Maton 2008).
De voordelen van het samenwerken met bewonersinitiatieven in achtergestelde wijken is voor de overheid dat deze initiatieven onderbelichte ervaringen en perspectieven van meer gemarginaliseerde groepen bewoners kunnen inbrengen die anders niet zo makkelijk bereikt worden. Bijvoorbeeld omdat het gaat om mensen die niet stemmen, weinig institutioneel vertrouwen hebben of hun weg naar instituties minder goed weten te vinden om zelf voor hun belangen op te komen (Vermeulen, Kaulingfreks & Redan 2022; Zweegman et al 2023b). Het stimuleren van de samenwerking blijft daarom voor de lokale overheid een belangrijk doel, maar ook hier geldt dat dit organisatiekracht en capaciteit vraagt van bewonersinitiatieven die apart ondersteund en gestimuleerd dient te worden. Dat gaat niet vanzelf. Het direct inbrengen van de ervaringen, perspectieven en belangen van deze gemarginaliseerde groepen door middel van directe democratie kan bovendien bijdragen aan rechtvaardiger beleid en daarmee van grote democratische waarde zijn. Dit is een ander type democratische waarde dan de waarde van een organisatie of initiatief dat een meerderheidsperspectief van een brede verzameling van zoveel mogelijk bewoners vertegenwoordigt.
Wat de gemeente kan doen om instrumenten van directe democratie van waarde te laten zijn in de buurt, is niet bewonersinitiatieven dwingen om zo representatief mogelijk te worden, maar om in verbinding
met de buurt te onderzoeken of verschillende gemeenschappen voldoende mogelijkheden ervaren om zich te organiseren en voor hun belangen op te komen, ook als dit via verschillende bewonersinitiatieven is. Daarbij is het wel zaak dat de gemeente verantwoordelijkheid neemt om verschillende bewonersinitiatieven met elkaar in contact te brengen en om onderlinge samenwerking te faciliteren. Het bij elkaar brengen van verschillende bewonersinitiatieven in één buurtplatform kan de positie van bewoners versterken richting de gemeente, indien zowel bewoners als de gemeente de legitimiteit van deze alliantie erkennen en onderlinge concurrentie bestrijden. Zo kan de democratische veerkracht van de wijk versterkt worden en het draagvlak voor buurtgerichte ontwikkelingen vergroot worden. Wanneer de gemeente buurtinitiatieven laat concurreren om dezelfde subsidies of buurtbudgetten, of om een positie aan bepaalde overlegtafels, dan ondermijnt dit het democratische organisatievermogen en de sociale binding in de wijk. Uit het onderzoek blijkt dat HvdK zich wil inzetten om veel verschillende perspectieven en belangen van verschillende groepen bewoners te inventariseren en met elkaar in verbindingen te brengen. Het onderzoek laat echter niet zien welke groepen en belangen wel en niet door HvdK vertegenwoordigd worden.
Hoe meerstemmig de meerstemmigheid is die HvdK laat horen wordt uit dit onderzoek niet duidelijk. Dat is niet verwonderlijk, aangezien hier een ander type onderzoek voor nodig zou zijn, met meer tijd en ruimte om direct met veel verschillende bewoners in gesprek te gaan.
Referenties:
Alinsky, S. (1971). Rules For Radicals: A Practical Primer for Realistic Radicals. Vintage Books. Beek, J. E. van, Pouw, N. R., & Verrest, H. J. (2025). Co-creation to measure what matters: The case of Venserpolder, Amsterdam. Journal of Urban Affairs, 1-20. Fraser N (2000) Rethinking recognition. New Left Review 3: 107–120. Ghorashi, H., Boersma, K., & Azarhoosh, F. (2023). ‘Tussen-denken en inclusief besturen rond armoede’. In T. Overmans, Honingh, M., & M. Noordegraaf (red.), Werken aan maatschappelijke vraagstukken: verbindende bestuurskunde? (pp. 97-113). Uitgeverij Boom. Kaulingfreks, F. & Matthijsen, K. (2024). Gemene Delers. Theoretische verkenning van community development. Crafting Resilience. Bron: https://www.craftingresilience.nl/images/documents/Gemene-Delers-Working-Paper1.pdf Kaulingfreks, F., & Van Kempen, H. (2025). Alleen ga je sneller maar samen kom je verder. Onderzoek & Statistiek, Gemeente Amsterdam. https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/alleen-ga-je-sneller-maar-samen-kom-je-verder Kaulingfreks, F. (2025). ‘Richtlijnen voor nieuwe radicalen: Lessen uit de geschiedenis van community organizing voor hedendaagse sociale actie’. In: Crafting Resilience Magazine 2. Bron: https://www.craftingresilience.nl/images/documents/6-Richtijnen-voor-nieuweradicalen-CR2.pdf Meade, R. and Shaw, M. (2016). Politics, Power and Community Development. Policy
Press Maton, K. I. (2008). Empowering Community Settings: Agents of Individual Development, Community Betterment, and Positive Social Change. American Journal of Community Psychology, 41, 4-21. https://doi.org/10.1007/s10464-007-9148-6 McNay L (2008) The trouble with recognition: subjectivity, suffering, and agency. Sociological Theory 26(3): 271–296. Sobczyk, A., Jansen, C., Engbersen, R. en Pijpers, R. (2025). Impact in de marges van het meetbare. Movisie. bron: https://www.movisie.nl/sites/movisie.nl/files/2025-10/Impact-in-demarges-van-het-meetbare-2025.pdf Staples, L. (2016). Roots to Power. ABC-CLIO, LLC. https://doi.org/10.5040/9798216010050 Tilly, C., & Tarrow, S. G. (2015). Contentious politics. Oxford University Press. Verloo, N. (2023). Ignoring people: The micro-politics of misrecognition in participatory governance. Environment and Planning C: Politics and Space, 41(7), 1474-1491. Vermeulen, F., Harteveld, E., & Michon, L. (2020). Opkomst in Amsterdamse buurten bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. https://pure.uva.nl/ws/files/44497054/2020_opkomst_verkiezingen_2018_amsterdamse_buurt en.pdf; Vermeulen, F., Kaulingfreks, F., & Redan, S. (2022). Lage lokale betrokkenheid en grote ongelijkheid. Geraadpleegd op 23 september 2023, van https://openresearch.amsterdam/ image/2023/1/9/onderzoek_naar_opkomst_amsterdamse_gemeenteraadsverkiezingen.pdf.
Vermeulen, F., & Verhoeven, I. met medewerking van Marianne de Koning (2025). Een democratisch professional aan het werk. Het samenbrengen van bewoners en publieke instanties in kwetsbare wijken. In M. Spierts, I. Verhoeven, M. van Pelt & M. Ham (Red.), Beter verbinden. Theorie en praktijk van democratische professionals (werktitel). Amsterdam: Van Gennep. Zweegman, S., Rosalina, Z., Redan, S., Vermeulen, F., & Kaulingfreks, F. (2023a). Ongemakkelijke ontmoetingen: Politieke participatie van jongeren in Amsterdam. Journal of Social Intervention: Theory and Practice, 32(4). Zweegman, S., Kaulingfreks, F., Vermeulen, F., Redan, S., Rosalina, Z. en Ponzoni, E. (2023b). Link Jong Amsterdam. Grote afstand en grote betrokkenheid: politieke participatie van jongeren in Amsterdam. Inholland. Bron: