Bijlage 7. 20211006 Samenvatting Effectenstudie Tramstalling.pdf
Tekst van het document
Effectenstudie Tramstalling Zeeburgereiland Samenvatting Aanleiding Om de bereikbaarheid van Zeeburgereiland en IJburg voor het groeiende aantal bewoners de komende jaren te kunnen blijven garanderen, is in 2018 een mobiliteitsplan voor dit gebied opgesteld. Daarin staat een samenhangend pakket aan maatregelen voor openbaar vervoer, fiets, auto, en smart mobility. Eén van de genoemde maatregelen voor een goed werkend openbaar vervoer-systeem is de aanleg van een nieuwe, definitieve tramstalling, die op termijn de huidige IJtramstalling op het Zeeburgereiland moet gaan vervangen. De huidige stalling ligt in de open lucht in Baaibuurt-Oost en biedt met 32 opstelplaatsen de komende jaren voldoende opstelcapaciteit voor de IJtram. Maar de ontwikkeling van het Zeeburgereiland tot hoogwaardig en dichtbebouwd woongebied en een mogelijke uitbreiding van het tramnetwerk, vragen erom dat de tramstalling in de toekomst stedenbouwkundig beter wordt ingepast, en zo nodig wordt vergroot. Mogelijke locaties Uit een inventarisatie van 13 mogelijke locaties voor een nieuwe tramstalling zijn na het Principebesluit Programma HOV Oostflank (2018) en het Principebesluit Cruciale Mijl (2019) vijf potentiële locaties overgebleven: 1) Flevopark; 2) Oor A10 (in de lus van de westelijke oprit naar de rijksweg); 3) Baaibuurt-Oost; 4) Oostpunt Zeeburgereiland; 5) Strandeiland.
De locaties Flevopark (stedenbouwkundig onwenselijk) en Oor A10 (te krap) zijn later alsnog afgevallen. Ook de locatie Strandeiland is niet geschikt voor een volwaardige stalling, maar hooguit voor een kleine, aanvullende tramstalling. Daarmee blijven de locatie Baaibuurt-Oost en Oostpunt als volwaardige mogelijkheden over. Uitwerking varianten Beide scenario’s (Baaibuurt-Oost en Oostpunt) zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, uitgaande van de bouw van een toekomstbestendige definitieve tramstalling die past binnen de ruimtelijke ambities van het Zeeburgereiland, met meervoudig ruimtegebruik. Daarbij biedt de nieuwe tramstalling voldoende opstelplaatsen – inclusief ondersteunende voorzieningen – voor de IJtram en voor eventueel aanvullend materieel van een nieuwe tramverbinding. Uitgangspunt is 44 opstelplaatsen (32 huidig, 12 uitbreiding). Op de Oostpunt wordt uitgegaan van een gebouw dat naast een inpandige tramstalling ook geschikt is voor andere stedelijke functies, zoals bijvoorbeeld een goederenhub, een dakpark, of een afvaloverslagpunt. In de Baaibuurt-Oost is het dak van de inpandige stalling geschikt voor bijvoorbeeld een park of kantoren. Afweging Uit een vergelijking van stedenbouwkundige, vervoerkundige en financiële effecten volgt dat de Oostpunt de meest geschikte locatie lijkt voor een nieuwe, toekomstvaste tramstalling.
Deze locatie ligt op enige afstand van huidige/toekomstige woningbouw en conflicteert daardoor niet met een hoogwaardig en rustig woonklimaat. Een tramstalling op de Oostpunt biedt, mede door de ligging aan de A10, ruimtelijke en programmatische kansen, voor bijvoorbeeld de realisatie van een mobilteits-/stadshub. Een tramstalling op de Oostpunt sluit aan bij het scenario van de Cruciale Mijl met een noordligging van de trambaan op de IJburglaan.
Baaibuurt-Oost wordt op termijn ontwikkeld tot een gemengde woon-werkwijk in hoge dichtheden, wat slecht te combineren is met een industriële functie als een grote tramstalling. Een dergelijke functie levert een barrièrewerking op in het gebied. Weliswaar kan een tramstalling stedenbouwkundig worden ingepast, maar de kans op overlast voor bewoners (trillingen, geluid en visuele hinder) is groot, met als risico dat het gebruik van de tramstalling in de toekomst moet worden beperkt vanwege de leefbaarheid. Kosten De totale investeringskosten voor een tramstalling worden geschat op circa € 200 miljoen voor Baaibuurt-Oost, en circa € 225 miljoen voor Oostpunt. Dit zijn de totale kosten voor een gebouw met een volledig functionerende tramstalling, geschikt voor meervoudig ruimtegebruik en landschappelijk ingepast in het stedelijk gebied. De kosten voor beide varianten zijn dus vergelijkbaar te noemen (verschil ca. 10%). Vanuit die optiek lijkt de keuze voor een tramstalling op de Oostpunt voordehand liggend, aangezien er vanuit ruimtelijke kwaliteit geen redenen zijn om hem in Baaibuurt-Oost te willen. Vervolg De uiteindelijke keuze van de voorkeurslocatie voor de tramstalling hangt samen met de keuzes die worden gemaakt in andere projecten: de Cruciale Mijl (verbetering IJburglaan), de Verbinding Zeeburgereiland (HOV en fiets), en het Ruimtelijk Kader Zeeburgereiland.
De samenhang tussen deze projecten wordt via een bestuursopdracht de komende tijd uitgewerkt. Daarin wordt ook een “nul-plus” variant onderzocht: kan voor de toekomst ook worden volstaan met het opwaarderen van de huidige IJtramstalling? Het resultaat van deze bestuursopdracht is leidend voor de verdere uitwerking van de Nota van Uitgangspunten (NvU) voor de tramstalling. Uiteindelijk zal in de NvU een afgewogen voorkeursvariant voor de tramstalling worden beschreven. Daarin zullen in elk geval de volgende onderwerpen nader worden uitgewerkt: - Het definitieve functionele programma vanuit de exploitatie van de stalling, waaronder het definitieve aantal opstelplaatsen voor trams, dat afhankelijk is van de gewenste mate van uitbreidbaarheid in de toekomst. - Het programma op de Oostpunt. De technische, landschappelijke en financiële haalbaarheid van een inpandige stalling op de Oostpunt met meervoudig ruimtegebruik hangt sterk af van de combinatie met andere stedelijke functies. - De fasering van de noodzakelijke investeringen. Kan een nieuwe tramstalling gefaseerd in de tijd worden gebouwd, afhankelijk van beschikbare dekking en behoefte aan functies? - Medefinanciering vanuit andere stedelijke functies. Uitgangspunt voor de financiële dekking was in het mobiliteitsplan (2018) een verdeling tussen SMF, VEF/grex en BDU, in de verhouding 1/3 – 1/3 – 1/3.
Afhankelijk van de toekenning van de investeringskosten aan bereikbaarheidsmaatregelen, ruimtelijke kwaliteit, of andere functies, moeten hierover nieuwe afspraken worden gemaakt.