CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Toelichting en Regels bestemmingsplan Purmerweg 46.pdf

RAAD 17 juli 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Purmerweg 46 (VN2024-006115)27.385 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 63

Gebruik materialen Voor de nieuwbouw worden géén materialen gebruikt die de kwaliteit van het regen- en oppervlaktewater negatief beïnvloeden, zoals uitloogbare materialen als koper, zink, lood of geïmpregneerd hout. Nabij plangebied is een (verbeterd) gemengd rioolstelsel aanwezig. Dit stelsel blijft in de huidige vorm aanwezig. Kabels en leidingen Het bestemmingsplan heeft geen invloed op planologisch relevante kabels en leidingen. Grondwater Er worden geen kelders, ondergrondse parkeergarages of andere ondergrondse bebouwing gerealiseerd. Het bestemmingsplan heeft daarom geen gevolgen voor de grondwaterstromen in en nabij het projectgebied.

5.3

Archeologie en cultuurhistorie

5.3.1

Kader

In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getredeng op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet to behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waardoor deze delen van de Monumentenwet1988 ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaalbelang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en

Gemeente Amsterdam

blz. 64

expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen.

Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016).

Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. Plangebied De locatie Purmerweg 46 kent geen archeologische verwachtingswaarde, waardoor geen archeologisch onderzoek is uitgevoerd en in het bestemmingsplan geen dubbelbestemming Waarde - Archeologie wordt opgenomen. Aanvaardbaarheid ontwikkeling ten opzichte van het beschermd stadsgezicht Hoewel op het eerste oog de hoeveelheid woningen op dit perceel aan de hoge kant lijkt te zijn, moet worden opgemerkt dat het om relatief kleine woningen gaat. Als dezelfde hoeveelheid BVO zou worden gedeeld door grotere gezinswoningen dan zou het aantal op vijf woningen uitkomen. Toch zijn deze kleinere woningen de typen die veel gevraagd worden in de stad en ze zijn ook van toegevoegde waarde

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 65

om het woningaanbod in dit deel van de stad meer divers te maken. Wat betreft de hoeveelheid BVO is het niet onaanvaardbaar. Het perceel Purmerweg 46 is onderdeel van het organisch gegroeide dijklint. En langs dit dijklint komen dergelijke volumen vaker voor. De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft geen ontwikkeling waarin een hoogstedelijk appartementenblok wordt gerealiseerd. Er is rekening gehouden met het beschermde stadsgezicht. Zo worden aanwezige rooilijnen gerespecteerd, worden kapvormen afgewogen die bij het organische karakter passen, is een maximum van twee bouwlagen toegestaan, wordt een bewoonbare kap voorgesteld, worden balkons die in het zicht staan beperkt, worden doorzichten tussen de panden geintroduceerd, etc. Cultuurhistorie beleid Amsterdam Bij het maken van bestemmingsplannen dient een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten) rekening is gehouden” (artikel 3.1.6 lid 5 Besluit ruimtelijke ordening). Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden.

Bij cultuurhistorische waarden (bovengronds) gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of -gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Het is van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied. Beschermde stads- en dorpsgezichten Beschermde stads- en dorpsgezichten zijn een ruimtelijk en architectonisch geheel van historische waarde. Bij beschermde gezichten wordt onderscheid gemaakt tussen van rijkswege beschermde gezichten en van gemeentewege aangewezen gezichten. Aanwijzing van beschermd stads- of dorpsgezicht Met de aanwijzing van een beschermd stadsgezicht wordt een erkenning gegeven aan de uitzonderlijke cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden van een gebied. Het gaat om waardevol erfgoed waarvan de bijzondere waarden voor nu en in de toekomst behouden zouden moeten blijven.

De bestaande kwaliteiten zijn vaak een belangrijke reden dat men graag in deze wijken of gebieden woont en werkt, bewoners zijn vaak trots op hun omgeving en voelen zich ermee verbonden. De bescherming van een gezicht heeft betrekking op de historisch waardevolle structuren. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en kleinere ingrepen die passen in de historische omgeving, mogelijk blijven. Ook kan het gebruik van een gebouw veranderen, wanneer dit past in het historisch gegroeide karakter. Het is dus niet zo dat er straks na de aanwijzing niets meer mag veranderen in het gebied. De ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijzen van rijkswege beschermde gezichten aan. De gemeenteraad of stadsdeelraad, en de Raad voor Cultuur, Gedeputeerde Staten en de Rijksplanologische Commissie hebben daarbij een adviserende rol. Gemeentelijk beschermde gezichten worden aangewezen door de raad. Deze kan zich laten adviseren door Monumenten en Archeologie.

Gemeente Amsterdam

blz. 66

Amsterdam heeft drie rijksbeschermde stadsgezichten en drie rijksbeschermde dorpsgezichten. Weesp heeft een rijksbeschermd stadsgezicht. Dit zijn de blauwe gebieden op onderstaande kaart. Het centrum van Amsterdam binnen de Singelgracht (op 1 februari 1999), Amsterdam-Noord (op 3 maart 2014), Plan Zuid (op 4 oktober 2017) en Stadsgezicht Weesp (op 21 juni 1982) zijn aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. Durgerdam, Ransdorp en Holysloot zijn in 1976 aangewezen als rijksbeschermde dorpsgezichten. Daarnaast heeft Amsterdam vier gemeentelijk beschermde stadsgezichten en een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Dit zijn de rode en gele gebieden op onderstaande kaart. Het Van Eesterenmuseum (sinds 2008) en de Noordoever van de Sloterplas (op 18 oktober 2017) in Amsterdam Nieuw-West, het Bijlmermuseum (sinds 2019) in Amsterdam Zuidoost en het IJplein (sinds 2020) in Amsterdam Noord zijn aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Het dorp Sloten is (op 18 oktober 2017) aangewezen als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht.

Gebiedsbescherming gericht op behoud van kwaliteit Met de aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht wordt beoogd om de historische structuur en ruimtelijke karakteristieken van een gebied te behouden, maar vooral ook te versterken en te benutten bij ontwikkelingen. Uitgangspunt bij een beschermd stads- of dorpsgezicht is de bescherming van een gebied, het gaat dus niet om de bescherming van afzonderlijke gebouwen of objecten. Hiervoor bestaat de aparte status van bescherming als monument. De cultuurhistorische waarde van het beschermd stads- of dorpsgezicht wordt beschermd door bij veranderingen rekening te houden met het bijzondere karakter. Een belangrijk gevolg van de aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht is dat de gemeente 'beschermende bestemmingsplannen' moet opstellen voor het aan te wijzen gebied, zodat de cultuurhistorische waarden worden beschermd via ruimtelijke en stedenbouwkundige bepalingen.

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 67

5.3.2

Plangebied

Op 3 maart 2014 is Amsterdam-Noord aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. Het omvat de belangrijkste dragers van de historische ontwikkeling, die dit gebied doormaakte. Ten 1e de Waterlandse Zeedijk met de dijkdorpen Schellingwoude, Nieuwendam, Buiksloot en de lintbebouwing Oostzanerdijk. Uniek vanwege hun karakteristieke silhouet van kleine, lage dijkwoningen met houten gevels, her en der kerktorens, en het alom aanwezige water met bruggen, haventjes vol woonschepen en bedrijvigheid, de rietlanden en weilanden in het benedendijkse land. Als 2e het 19e-eeuwse ontwikkelingsgebied, met name de Volewijk en delen van de Nieuwendammer- en Buiksloterhampolder, met het Noordhollands Kanaal als belangrijkste as. En ten slotte de reeks tuindorpen, die tussen 1910 en 1940 binnen deze structuur tot stand kwam. Deze kwalitatief hoogwaardige arbeiderswijken zijn gebouwd volgens het tuindorpconcept dat zich kenmerkt door intieme wijken met pleintjes, kleine, afwisselende woonblokken, gezinswoningen met tuintjes en overal veel groen en voorzieningen op loopafstand. Dit unieke complex van tuindorpen tonen het vooruitstrevende ideaalbeeld van stadsbestuur en architecten voor de stadsontwikkeling en volkshuisvesting van Amsterdam en Nederland. Het plangebied Purmerweg 46 ligt binnen dit beschermde stadsgezicht.

Cultuurhistorische verkenning De afdeling Monumenten en Archologie van de gemeente Amsterdam heeft in oktober 2019 een verkenning van het perceel Purmerweg 46 gemaakt zie Bijlage 6. Voor wat betreft de cultuurhistorische context concludeert de afdeling Monumenten en Archeologie het volgende: Het in 1964 door Publieke Werken ontworpen GGD-gebouw Purmerweg 46 is van cultuurhistorische betekenis als herinnering aan de gezondheidszorg in de jaren zestig op wijkniveau in de uitbreidingswijk Nieuwendam-Noord. Naast winkels, scholen en kerken voorzag het stedenbouwkundig plan van de AUP wijk ook in gebouwen voor de gezondheidszorg. De GGD aan de Purmerweg was speciaal ingericht voor de afdeling 'Jeugdhygiëne' en gericht op zuigelingen en kinderen en was de voorloper van het huidige 'consultatiebureau'. Purmerweg 46 is van cultuurhistorisch belang, omdat de functie van GGD-gebouw zowel aan het exterieur als in het interieur nog redelijk goed herkenbaar is. Het oorspronkelijke ontwerp, dat eenvoudig doch zeer verzorgd was, is door latere wijzigingen echter in behoorlijke mate aangetast. Het pand is van stedenbouwkundig belang als onderdeel van de dorps aandoende, kleinschalig opgezette omgeving, waarop het pand goed aansluit door zijn opzet, schaal en vormgeving.

Het pand is daarnaast van kunsthistorisch belang als drager van het speciaal voor dit gebouw ontworpen en gaaf bewaard gebleven kunstwerk van Lex Horn. Purmerweg 46 is aangemerkt als orde 3 pand, hetgeen betekent "een architectuureenheid met een voor de periode kenmerkende vormgeving en/of kenmerkende typologie en / of belangrijke bijdrage aan de compositie van de verkaveling en het veld." Op basis van de geconstateerde architectuur- en cultuurhistorische, stedenbouwkundige en kunsthistorische waarden stelt Monumenten en Archeologie dat de status als orde 3-pand passend is voor Purmerweg 46. De meerwaarde van het gebouw is vooral gelegen in de wijze waarop het stedenbouwkundige volume zich verhoudt tot de pre-stedelijke bebouwing aan de Nieuwendammerdijk en het tuindorp Nieuwendam. Hoewel het pand niet monumentwaardig is, gaat er met de eventuele sloop van dit gebouw in deze buurt wel een karakteristiek, cultuurhistorisch herkenningspunt van de naoorlogse verzoringsstaat verloren. Bij eventuele sloop / nieuwbouw is het van belang dat het kunstwerk van Lex Horn behouden blijft en herplaatst wordt in de nieuwbouw. Op deze wijze kan het kunstwerk een bijdrage leveren aan het Gemeente Amsterdam

blz. 68

levendig houden van de herinnering aan het voormalig GGD-gebouw. Gezien de bijzondere stedenbouwkundige ligging in het Rijksbeschermd Stadsgezicht is het van belang dat er aangestuurd wordt op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van nieuw programma. Hierbij de opmerking dat het pand verkocht is en daarmee ook het kunstwerk. Het behoud van het kunstwerk kan niet via het bestemmingsplan afgedwongen worden. Omdat er geen sprake is van een monument geldt tevens geen vergunningplicht. Afspraken zijn hierover privaatrechtelijk gemaakt. In de stedenbouwkundige randvoorwaarden die zijn opgenomen in de koopovereenkomst is als uitgangspunt opgenomen dat het kunstwerk terugkomt. Het is de verantwoordelijkheid van de nieuwe eigenaar om het kunstwerk her te bestemmen. Aanvaardbaarheid ontwikkeling ten opzichte van het beschermd stadsgezicht Hoewel op het eerste oog de hoeveelheid woningen op dit perceel aan de hoge kant lijkt te zijn, moet worden opgemerkt dat het om relatief kleine woningen gaat. Als dezelfde hoeveelheid BVO zou worden gedeeld door grotere gezinswoningen dan zou het aantal op vijf woningen uitkomen. Toch zijn deze kleinere woningen de typen die veel gevraagd worden in de stad en ze zijn ook van toegevoegde waarde om het woningaanbod in dit deel van de stad meer divers te maken. Wat betreft de hoeveelheid BVO is het niet onaanvaardbaar.

Het perceel Purmerweg 46 is onderdeel van het organisch gegroeide dijklint. En langs dit dijklint komen dergelijke volumen vaker voor. De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft geen ontwikkeling waarin een hoogstedelijk appartementenblok wordt gerealiseerd. Er is rekening gehouden met het beschermde stadsgezicht. Zo worden aanwezige rooilijnen gerespecteerd, worden kapvormen afgedwongen die bij het organische karakter passen, is een maximum van twee bouwlagen toegestaan, wordt een bewoonbare kap voorgesteld, worden de balkons die in het zicht staan beperkt, worden doorzichten tussen de panden geïntroduceerd, etc.

5.4

Natuurbescherming

5.4.1

Kader

Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante effecten heeft op de beschermde habitats in de natuurgebieden. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen.De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Rode lijstsoorten, landelijk beleid

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 69

Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstrcutuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid In de structuurvisie van Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011) is de hoofdgroenstructuur opgenomen.

Voor functiewijzigingen, die buiten de vastgelegde kaders vallen moet advies worden gevraagd aan de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur. Eventuele wijzigingen kunnen aan de Gemeenteraad worden voorgelegd. Ecologische structuur, Amsterdams beleid Een uitwerking van de "Structuurvisie 2040" is de ecologische visie. Deze is in juli 2012 door de Gemeenteraad vastgesteld. De onderstaande kaart laat de ecologische structuur zien, zoals die door (grondgebonden) dieren wordt gebruikt. Er is de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in de ecologische zones, behalve voor de versterking van de biodiversiteit is het voor bewoners een belangrijke mogelijkheid om in de buurt te recreëren of even te bekomen van de bruisende stad. De ecologische hoofdstructuur is al voor een groot deel ingericht, echter zijn er nog wel een aantal knelpunten in de vorm van infrastructuur of onvoldoende natuurlijke inrichting. Doel is om deze barrières voor dieren weg te nemen en waar mogelijk de kwaliteit van het groen te verbeteren. 5.4.2

Plangebied

Het plangebied Purmerweg 46 maakt geen onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur en Ecologische structuur. Het Natuur-Wetenschappelijk Centrum heeft in maart 2020 een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. De quickscan bestaat uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Deze quickscan is in maart 2024 geactualiseerd. Hieronder wordt een samenvatting van de quickscan gegeven. De volledige quickscan en actualisatie is als Bijlage 7 en Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Beschermde soorten Uit de quickscan blijkt dat op basis van habitateisen, verspreidingsgegevens en kenmerken van het plangebied geen beschermde dagvlinders, libellen, amfibieen en reptielen worden verwacht. Het pand Purmerweg 46 heeft enkele vleermuisgeschikte gevels. Het perceel zal naar verwachting geen onderdeel uitmaken van een vliegroute, want er zijn slechts enkele bomen aanwezig in de tuin. Mogelijk Gemeente Amsterdam

blz. 70

wordt het perceel gebruikt als foerageergebied, maar is het geen essentieel foerageergebied, omdat er voldoende alternatieve foerageergebieden in de omgeving aanwezig zijn.

Afbeelding 5.1: Vleermuisgeschikte gevels binnen het plangebied (gele lijn) (bron: NWC) Op het perceel zijn geen bomen aanwezig met nesten van vogelsoorten met een vaste verblijfsplaats. Ook zijn geen sporen aangetrofffen die duiden op de aanwezigheid van vogelsoorten met een vast verblijfplaats. Ook bevat het perceel geen onderdelen vande functionele leefomgeving voor andere beschermde vogelsoorten. Het gebouw biedt geen geschikte nestgelegenheid voor de huismus of gierzwaluw door het ontbreken van dakpannen of andere geschikte openingen. In de omgeving is weinig huismusgeschikte vegtatie aanwezig. Op het perceel zijn geen holen gevonden die gebruikt kunnen worden door beschermde grondgebonden zoogdieren. Ook zijn geen geschikte openingen, sporen of uitwerpselen aangetroffen. Er is weinig schuilgelegenheid en voedsel beschikbaar voor deze soorten. De voorgenomen ontwikkeling op het perceel zal geen negatieve effecten opleveren op de functionele leefomgeving van beschernde vogelsoorten. Het perceel is niet geschikt als functionele leefomgeving voor kleine marterachtigen. Om de funties van het plangebied voor vleermuizen in kaart te brengen is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Nader onderzoek vleermuizen Door ABO Milieuconsult is in 2020 een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd.

Tijdens het onderzoek zijn verschillende soorten vleermuizen waargenomen, waaronder gewone dwergvleermuizen, ruikge vleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Geconstateerd is dat in het plangebied twee zomerverblijfplaatsen van gewone vleermuizen aanwezig zijn.

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 71

Afbeelding 5.2: locaties zomerverblijven gewone dwergvleermuis (bron: Milieuconsult) Het is aannemelijk dat deze verblijfplaats tijdens sloopwerkzaamheden wordt vernietigd. Voor deze werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. In het plangebied is geen vliegroute en ook geen essentieel foerageergebied aanwezig. Het volledige onderzoek is als Bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Uit de actualisatie van de quickscan Flora en Fauna is niet gebleken dat de situatie substantieel is gewijzigd, waardoor het niet noodzakelijk is het nader onderzoek vleermuizen te actualiseren. Beschermde gebieden Het perceel Purmerweg 46 grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het perceel ligt op ongeveer 4 kilometer afstand van Natura 2000-gebied 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske'.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Afbeelding 5.2: ligging Purmerweg 46 t.o.v. Natura 2000-gebied 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske' (bron: NWC) Aeriusberekening Om te beoordelen of de ontwikkeling van maximaal 17 woningen op het perceel Purmerweg 46 tot significant negatieve effecten leidt in beschermde gebieden is door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum een Aeriusberekening uitgevoerd. De berekening en het begeleidende rapport zijn als Bijlage 10 bij deze toelichting bijgesloten. Bouwfase De bouwfase van de 17 woningen heeft een toale emmissie NOx van 669,9 kg/ jaar. De emissie NH3 bedraagt 4,5 kg/jaar. De stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000 gebieden is berekend door AERIUScalculator als een toename van 0,01 mol/ha/j. Hieruit blijkt dat de bouwwerkzaamheden een bijdrage hebben aan de totale stikstofdepositie in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Gebruiksfase Voor de berekening van de stikstofdepostie tijdens de gebruikersfase is er van uitgegaan dat de 17 woningen niet aangesloten worden op het gasnetwerk. Er wordt per etmaal uitgegaan van 40 vervoersbewegingen met een personenauto naar het noorden en 40 vervoersbewegingen met een personenauto naar geheel Amsterdam. Andere vervoersbewegingen zullen plaatsvinden met het OV of met de fiets. Deze vervoersbewegingen leiden tot een totale emissie NOx van 8,9 kg/jaar en minder dan 1 kg/jaar NH3.

De stikstofdepostitie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied heeft gedurende de gebruikersfase geen depositieresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar. De uitstoot, als gevolg van vervoersbewegingen tijdens de gebruiksfase, heeft geen significant nadelige effecten op de kritische depositiewaarden van bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 73

nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ecologische voortoets Vanwege mogelijke gevolgen voor beschermde natuurwaarden en habitatypen op nabij gelegen Natura 2000-gebied gedurende de bouwfase is er middels een ecologische voortoets een beoordeling van effecten op natuurwaarden gedaan, zie ook Bijlage 11 bij deze toelichting. Het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is een uitgeveend laagveengebied ten noorden van Amsterdam. Het gebied wordt gekenmerkt door de langdurige invloed van brak water. Het gebied is van internationale betekenis doordat het uitermate geschikt is voor de Noordse woelmuis en vanwege het relatief grote oppervlak aan trilvenen. Uit de AERIUSberekening is gebleken dat de grootste toename van stikstofdepositie plaatsvindt in het zuidelijke deel van het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Hexagoon 5621255 wordt hierbij het meest belast. Deze hexagoon heeft de kritische depositiewaarde (KDW) al overschreden. Het betreft een matige overschrijding.Dit houdt in dat de overschrijding meer dan 70 kg is, maar minder dan 2 keer de KDW (de KDW in dit gebied bedraagt 714 kg). De toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de werkzaamheden vindt plaats in het habitattype veenmosrietlanden (H7140B). De totale depositie binnen dit habitattype heeft een dalende trend.

Door de relatief korte duur van de werkzaamheden en de ontwikkelingen binnen het gebied (de depostie heeft een dalende trend) en omdat de stikstoftoename als gevolg van de werkzaamheden tamelijk klein is wordt niet verwacht dat deze significant negatieve gevolgen met zich mee zullen brengen op de ontwikkeling van stikstofdepostie, zowel op de korte als lange termijn. Er kan daardoor worden uitgesloten de voorgenomen plannen aan de Purmerweg 46 in Amsterdam een negatieve invloed zullen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Conclusie Berkend is dat de gebruiksfase geen significant nadelige effecten op de kritische depositiewaarden van nabijgelegen Natura 2000-gebieden heeft. De bouwfase brengt een toename in stikstofdepositie met zich mee van 0,01 mol/ha/j. Door de relatief korte duur van de bouwwerkzaamheden en ontwikkelingen binnen het Natura 2000-gebied (er is sprake van een dalende stikstofdepositie) en omdat de stikstoftoename als gevolg van de bouwwerkzaamheden relatief klein is, wordt niet verwacht dat de bouw van de 17 woningen significant negatieve gevolgen met zich zullen meebrengen, zowel op de korte als op de lange termijn.

Er kan worden uitgesloten dat de bouw van de 17 woningen een negatieve invloed zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 75

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

6.2

De bestemmingen

6.2.1

Tuin

Binnen de bestemming 'Tuin' liggen de gronden die zijn aangewezen voor tuinen en erven. Op deze gronden mogen alleen, ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gebouwd worden. Bijgebouwen geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen zijn eveneens niet toegestaan. 6.2.2

Wonen

De plaats waar de woonblokken gerealiseerd worden hebben de bestemming 'Wonen' gekregen. Binnen deze bestemming mogen minimaal 15 en maximaal 17 woningen gebouwd worden. De maximale hoogtes staan op de verbeelding aangegeven.

Gemeente Amsterdam

blz. 76

Verder geldt, in verband met de aanwezigheid van zomerverblijven voor vleermuizen, de verplichting dat een omgevingsvergunning voor het bouwen pas wordt verleend wanneer er zicht is op verlening van de vergunning Wet natuurbescherming benodigd voor sloop van het pand Purmerweg 46. 6.2.3

Algemene regels

In de algemene regels zijn de voorwaarden verbonden aan de 'Geluidzone - industrie' en gebiedsaanduiding 'Overige zone - 1' opgenomen. Deze komen er op neer dat voorkomen moet worden dat er een te hoge geluidsbelasting ter plaatse van de woningen optreedt en dat het verboden is kelders te bouwen.

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 77

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geldt onder bepaalde voorwaarden de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan gelijktijdig met het vaststellen van een bestemmingsplan. Het exploitatieplan is een instrument voor de gemeente gericht op kostenverhaal in het kader van de grondexploitatie. Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, waarvan de gemeente de kosten kan en mag verhalen op de ontwikkelaar(s). In afdeling 6.4 van de Wro wordt de verdeling van kosten en opbrengsten bij de ontwikkeling van een bouwlocatie geregeld in het geval dat de gemeente niet de ontwikkelende partij is. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via locatie-eisen regels te stellen ten aanzien van bijvoorbeeld de fasering van bouwactiviteiten en de wijze van bouw- en woonrijpmaken. Ingevolge artikel 6.12 Wro, besluit de gemeenteraad of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam volledig eigenaar is van de grond waarop het bestemmingsplan van toepassing is. Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie, zoals bedoeld in de Wro, is daarom anderszins verzekerd via het erfpachtstelsel.

Daarnaast wordt geen noodzaak gezien om een tijdvak of fasering te bepalen of nadere eisen, regels of een uitwerking van regels te stellen zodat kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 78

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 79

Hoofdstuk 8 8.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voortraject

Het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Noord heeft op 1 maart 2022 het concept ontwerp bestemmingsplan vrijgegeven in het kader van het wettelijke vooroverleg.

8.2

Inspraak

Er heeft geen inspraak op grond van de inspraakverordening plaats gevonden op het voorontwerpbestemmingsplan. Artikel 2 van de inspraakverordening geeft aan dat er geen inspraak verleend wordt op bestemmingsplannen ( = voorbereiding van besluiten betreffende waarvan op grond van de Wet ruimtelijke ordening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard). Het ontwerp bestemmingsplan is conform de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd.

8.3

Vooroverleg

Het plan is in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening) aan de volgende instanties gezonden: 1. 2. 3. 4.

Omgevingsdienst Provincie Noord-Holland Ymere Waternet

Daarnaast is het plan voor advies toegezonden aan het stadsdeel Noord. Reacties: Tijdens de gestelde termijn is er een reactie ontvangen van Waternet. Waternet In haar email van 1 juni 2022 stelt Waternet: in paragraaf 5.2.1, Kader, staat het ouder gemeentelijke rioleringsplan vermeld evenals het oude waterbeheersplan. Deze zijn inmiddels vervangen door het Omgevingsprogramma Riolering 2022 2027 en het waterbeheersprogramma 2022 - 2027; Onder 5.2.1 Kader en 5.2.2. Plangebied staat AGV/Waternet Keur genoemd, maar die is niet van toepassing. De Keur vanuit Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is hier van toepassingen, aangezien de Purmerweg 46 in het oppervlakte beheersgebied van HHNK ligt. In dit gebied is Waternet enkel verantwoordelijk voor de gemeentelijke watertaken, zoals grondwater, afvalwater, hemelwater en drinkwater. blz 63: Hemelwater & Waterberging. Hierbij het verzoek om de paragraaf Hemelwater aan te passen zodat het in overeenstemming is met de Hemelwaterverordening (HMV) van de gemeente Amsterdam. Eventueel kan dit samengevoegd worden met de paragraaf over Waterbering, want vanuit HWV moet de berging op orde zijn.

Gemeente Amsterdam

blz. 80

reactie gemeente Amsterdam Naar aanleiding van de reactie van Waternet zijn de teksten in paragraaf 5.2.1, onder 'kader' en paragraaf 5.2.2. onder 'algemeen' en 'hemelwater' aangepast.

8.4

Zienswijzen

Van 9 februari 2023 tot 23 maart 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 3 zienswijzen ingediend. Voor een samenvatting van de zienswijzen evenals beantwoording van de zienwijzen wordt verwezen naar de Nota beantwoording zienswijzen. Deze zal te vinden zijn op https://amsterdam.raadsinformatie.nl/ (zoeken in de raadsagenda op de datum van behandeling van het bestemmingsplan).

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 81

Bijlagen bij de toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 82

bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)

blz. 83

Bijlage 1

mer-beoordelingsnotitie 150623

Gemeente Amsterdam

M.e.r.-beoordeling Purmerweg 15 juni 2023

Kenmerk

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Verantwoording Titel

M.e.r.-beoordeling Purmerweg

Opdrachtgever

Gemeente Amsterdam

Projectleider

Paul Lammers

Auteur(s)

Elza van der Meer

Tweede lezer

Renze Haitsma

Projectnummer

1282897

Aantal pagina’s

15

Datum

15 juni 2023

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/15

Kenmerk

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

Procedure vormvrije m.e.r.-beoordeling ............................................................................. 5

1.2

Leeswijzer .......................................................................................................................... 6

Plaats en kenmerken van het project ........................................................................................ 6 2.1

Plaats van het project ......................................................................................................... 6

2.2

Kenmerken van het project ................................................................................................ 7

Beschrijving van milieueffecten (kenmerken van potentiële effecten) ....................................... 7 3.1

Ecologie ............................................................................................................................. 7

3.2

Bodem .............................................................................................................................. 10

3.3

Water ................................................................................................................................ 10

3.4

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................................. 11

3.5

Archeologie ...................................................................................................................... 11

3.6

Landschap en cultuurhistorie ........................................................................................... 12

3.7

Effecten op overige milieuaspecten ................................................................................. 13

Conclusie ................................................................................................................................. 14

3/15

Kenmerk

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

1 Inleiding De gemeente Amsterdam is voornemens het pand aan de Purmerweg 46 te herontwikkelen. Het plan is om op deze locatie circa 17 nieuwbouwwoningen te realiseren. Momenteel heeft het gebouw een maatschappelijke functie. Het pand is in antikraakbeheer. Naar verwachting wordt het bestaande pand in 2023 gesloopt en wordt er vanaf eind 2023 nieuw gebouwd. Figuur 1.1 geeft de globale ligging van het plangebied weer.

Figuur 1.1 Globale ligging plangebied

De bij het plangebied betrokken gronden hebben op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Tuindorpen Nieuwendam en Buiksloot’ de bestemming ‘maatschappelijke voorzieningen’. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Om die reden is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming van het bestemmingsplan, moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.beoordeling moet worden uitgevoerd. In deze aanmeldingsnotitie is de vormvrije m.e.r.beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen. De m.e.r.-beoordeling betreft de bouw- en gebruiksfase van het project.

4/15

Kenmerk

1.1

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Procedure vormvrije m.e.r.-beoordeling

De Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. maken onderscheid tussen activiteiten die m.e.r.plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C‐activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.‐ beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D‐activiteiten). M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor het bevoegd gezag (in dit geval gemeente Amsterdam) moet beoordelen of de aard en kenmerken van de activiteit zodanig zijn dat een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Beoordeling nadelige milieugevolgen Het project omvat de sloop van het huidige pand en vervangende nieuwbouw van circa 17 woningen. Dit wordt geclassificeerd als een stedelijk ontwikkelingsproject, waardoor het onder de D lijst, artikel 11.2, van het Besluit m.e.r. valt. Artikel 11.2 luidt als volgt: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De volgende drempelwaarden worden hierbij gehanteerd: 1. 2. 3.

Een oppervlakte van 100 ha of meer Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer

De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een totaaloppervlakte van circa 500 m 2. Daarnaast omvat de ontwikkeling de realisatie van circa 17 woningen. De geplande ontwikkeling blijft dus ver beneden de drempelwaarden van de m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor activiteiten die op de D lijst voorkomen maar onder drempelwaarden liggen, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn er twee mogelijke uitkomsten: • Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden: er dient een m.e.r.•

procedure doorlopen te worden Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op: er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure hoeft te wordt doorlopen

Aanmeldingsnotitie Het nut van voorliggende aanmeldingsnotitie is dat in een vroeg stadium beoordeeld wordt of een activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. De beslissing van het bevoegd gezag of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, vindt plaats op basis van deze notitie. Deze aanmeldingsnotitie is vormvrij, maar heeft wel een aantal inhoudelijke voorwaarden. De aanmeldingsnotitie moet in ieder geval informatie bevatten over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van de activiteit, conform bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Binnen zes weken nadat de initiatiefnemer deze informatie heeft verstrekt, moet het bevoegd gezag (Gemeente Amsterdam) beslissen of een MER moet worden opgesteld.

5/15

Kenmerk

1.2

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Leeswijzer

De rapportage is opgebouwd aan de hand van bovenstaande criteria. In hoofdstuk 2 worden de plaats en kenmerken van het project beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op de kenmerken van de potentiële effecten. Het vierde en laatste hoofdstuk concludeert of het op basis van de resultaten van deze toetsing noodzakelijk is een m.e.r.-procedure te doorlopen.

2 Plaats en kenmerken van het project 2.1

Plaats van het project

Het plangebied ligt in de wijk Amsterdam Noord, op ongeveer 2 km ten noordoosten van het centrum en wordt omringd door bebouwing met woningen. Ten zuiden van het plangebied is een jachthaven aanwezig en op circa 300 m afstand ligt het Vliegenbos. Ten westen van het pand is het Brede Kerkpad gelegen met aangrenzend een klein stukje groen. Figuur 2.1 geeft de locatie van het plangebied weer.

Figuur 2.1 Begrenzing plangebied

6/15

Kenmerk

2.2

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Kenmerken van het project

De voorgenomen ontwikkeling betreft een totaaloppervlakte van circa 500 m2. Op de planlocatie staat momenteel een pand die in anti-kraak beheer is. Het pand is ruim 50 jaar oud en toe aan vernieuwing. Gezien de leeftijd van het huidige pand is het aantrekkelijk om nieuwbouw te realiseren in plaats van levensduur rekkende maatregelen toe te passen. Het voordeel van nieuwbouw is dat het de panden duurzamer en passend gemaakt kunnen worden voor toekomstig gebruik.

3 Beschrijving van milieueffecten (kenmerken van potentiële effecten) Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de ontwikkeling voor het milieu. Het gaat hierbij zowel om de positieve als de negatieve effecten in het plangebied en omgeving, en de mate van het effect. Deze notitie behandelt de milieuaspecten die van belang zijn bij de voorgenomen activiteit. De milieuthema’s in deze beoordeling zijn: • Ecologie (inclusief stikstofdepositie) • • •

Bodem Water Bedrijven en milieuzonering

• • •

Archeologie Cultuurhistorie en landschap Effecten op overige aspecten (dit betreft de thema’s externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit en verkeer en parkeren)

3.1

Ecologie

Huidige situatie De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Markermeer en IJmeer) is circa 3,5 km. Daarnaast ligt het plangebied op circa 4 km afstand van Natura 2000-gebied ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske’. Voor de herontwikkeling van het plangebied is wetgeving met betrekking tot de bescherming van de natuur van toepassing. Om die reden is ecologisch onderzoek1 uitgevoerd voor toetsing aan de Wet natuurbescherming (Wnb).Daarin wordt onderzocht of de ontwikkeling mogelijk (significante negatieve effecten geeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek is uitgevoerd om te bepalen wat de effecten van de gebruiksfase zijn op Natura 2000-gebieden. Ook is beoordeeld wat de effecten van de aanleg- en gebruiksfase binnen en buiten de Natura 2000gebieden zijn. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is een toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig. Effecten op het NNN zijn uitgesloten.

1

NWCadvies (2020). Quickscan flora en fauna

7/15

Kenmerk

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet combineert de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet. Deze wet regelt de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Provincie Gelderland heeft een vergunning gebiedsbescherming verleend in het kader van Wet natuurbescherming. Effecten Soortenbescherming Vleermuizen De locatie is geschikt als vaste verblijfplaats voor vleermuizen door de aanwezigheid van een spouw en geschikte invliegopeningen. De bomen in de tuin bevatten geen holten. De voorgenomen werkzaamheden hebben mogelijk een negatieve invloed op vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een vliegroute, aangezien er slechts twee bomen aanwezig zijn in de tuin. Mogelijk wordt het plangebied ook gebruikt als foerageergebied. Dit is echter geen essentieel foerageergebied. Er is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving. Ook zal er tijdens de voorgenomen werkzaamheden geen vegetatie verwijderd worden of bomen worden gekapt. De voorgenomen werkzaamheden hebben mogelijk een negatieve invloed op vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Om de functie(s) van het plangebied voor vleermuizen in kaart te brengen, is aanvullend onderzoek uitgevoerd2. Hieruit blijkt dat in het plangebied twee zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn.

Het is daarom aannemelijk dat de gewone dwergvleermuis wordt verstoord en dat de verblijfplaats tijdens de werkzaamheden wordt vernietigd. Voor de sloopwerkzaamheden is daarom een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De ontheffing is reeds aangevraagd en begin dit jaar is een alternatieve broedplaats gerealiseerd op de naastgelegen begraafplaats. Verder heeft het aanvullend onderzoek aangetoond dat het plangebied geen essentieel foerageergebied is en geen vliegroutes bevat. De werkzaamheden hebben daarom geen effecten op de vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is vanuit die aspecten niet noodzakelijk. Beschermde vogelsoorten Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Het plangebied maakt daarnaast ook geen onderdeel uit van de functionele leefomgeving van soorten zoals de Huismus. Het gebouw biedt ook geen geschikte nestgelegenheid voor Huismus of Gierzwaluw, door ontbreken van dakpannen of andere geschikte openingen. Tijdens de werkzaamheden worden geen ecologisch waardevolle bomen gekapt worden of vegetatie verwijderd. De voorgenomen werkzaamheden leveren daarom geen negatieve effecten op de functionele leefomgeving van beschermde vogelsoorten.

Vanuit de Wet natuurbescherming zijn daarom geen verdere verplichtingen voor deze soorten noodzakelijk.

2

ABO Milieuconsulent b.v. (2020). Nader onderzoek vleermuizen

8/15

Kenmerk

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Kleine marterachtigen Het plangebied is ook niet geschikt als functionele leefomgeving voor kleine marterachtigen. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van beschermde grondgebonden zoogdieren. Algemene zorgplicht Voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) geldt de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: • Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen •

Vanwege verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd

Conclusie Voor het aspect soortenbescherming worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht, mits wordt voldaan aan de hierboven genoemde eisen. Gebiedsbescherming (inclusief stikstof) Voor de beoogde ontwikkeling heeft onderzoek naar stikstofdepositie3 plaatsgevonden. De depositiebijdragen zijn berekend voor zowel de aanleg- als gebruiksfase met behulp van AERIUS Calculator (versie 2023). Hieruit blijkt dat de gebruiksfase geen significante nadelige effecten heeft op de kritische depositiewaarden van de naastgelegen Natura 2000-gebieden. De depositiewaarden voor deze fase levert geen resultaten boven de 0,00 mol/ha/j op. Uit de berekening blijkt dat de aanlegfase wel een significante toename in stikstofdepositie met zich meebrengt. Het gaat om een toename van 0,01 mol/ha/j. Daarmee kunnen negatieve effecten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan niet worden uitgesloten. De eerste stap om dit te voorkomen is het inzetten van duurzamer/elektrisch materieel om de stikstofdepositie te verlagen. Wanneer dit (na berekening) nog steeds een toename van meer dan 0,00 mol/ha/k oplevert dient een Passende Beoordeling opgesteld te worden om te bepalen of daadwerkelijk sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om dit te voorkomen/compenseren.

Conclusie Voor het aspect gebiedsbescherming worden mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht door stikstofuitstoot in de aanlegfase. Een andere invulling van de aanlegfase en/of aanvullend onderzoek is nodig om deze effecten te voorkomen.

3

NWCadvies (2023). AERIUS-berekening t.b.v. woningbouw aan de Purmerweg 46 te Amsterdam. Update naar aanleiding nieuwe berekening verkeersbewegingen in de gebruikersfase. Juni 2023 P22-154/W2251

9/15

Kenmerk

3.2

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Bodem

Huidige situatie Uit informatie van Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied blijkt dat op de locatie een niet gespecificeerde ophooglaag bekend is. In 1998 is bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. Uit die resultaten blijkt dat in de ondergrond (1,5 tot 2,0 m -mv) een matig verhoogd kopergehalte is gemeten. Het plangebied heeft een globale hoogteligging van circa 5,2 m +NAP. Op en in de directe omgeving van de locatie zijn geen gegevens bekend van verdachte (bedrijfs-) activiteiten of puntbronnen, waaronder tanks4. Effecten Voor de beoogde ontwikkeling heeft een milieuhygiënisch bodemonderzoek4 plaatsgevonden. Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond ter plaatse van de binnenplaats van het huidige gebouw (ten zuiden van het plangebied) een licht verhoogd gehalte aan PCB bevat. De bovengrond aan de noordzijde van de locatie bevat geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen. In de ondergrond op de locatie van de binnenplaats zijn licht verhoogde gehalten aan kwik en lood aangetoond. Voor overige stoffen zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Daarnaast is de grond zowel zintuigelijk als analytisch beoordeeld op de aanwezigheid van asbest. Hierbij is geen asbest aangetroffen. Nader onderzoek is hiervoor niet nodig. De bovengrond ter plaatse van de binnenplaats voldoet indicatief aan de klasse ‘industrie’ op basis van het licht verhoogde gehalte aan PCB.

De bovengrond aan de noordzijde van de locatie voldoet aan de achtergrondwaarden. De ondergrond voldoet aan de klasse ‘wonen’. Voor het thema bodem worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht.

3.3

Water

Huidige situatie Het freatisch grondwater bevindt zich op een diepte van 1,15 m -mv (NAP -1,41 m). In het plangebied wordt geen grondwater onttrokken. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Op het terrein is geen oppervlaktewater aanwezig. Effecten Uit de resultaten van het onderzoek4 blijkt dat het freatisch grondwater hoogstens een licht verhoogde concentratie aan barium. Hiervoor is geen aanvullend onderzoek nodig. De

4

CRUX (2018). Rapport bodemonderzoek Purmerweg 46 Amsterdam

10/15

Kenmerk

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

ontwikkeling van woningbouw heeft verder geen effecten op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. In de huidige situatie bestaat ongeveer 115 m2 van het terrein uit verhard oppervlak. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak naar verwachting toe (bouwoppervlak wordt groter dan in de huidige situatie). De openbare ruimte wordt groen ingericht. Het extra oppervlak aan verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van wateropvang, om mogelijke wateroverlast te voorkomen. Dit wordt meegenomen in de nadere uitwerking van het plan. Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht voor het thema water.

3.4

Bedrijven en milieuzonering

De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkel bedrijven met een kleine milieucategorie zoals een restaurant/afhaal, tandheelkundig centrum, psycholoog, makelaar en kerk gelegen. De afstand tussen het plangebied en bedrijven in de omgeving is ruim voldoende (meer dan 10 m). Hierdoor kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor bedrijven en milieuzonering worden niet verwacht.

3.5

Archeologie

Huidige situatie Op de archeologische monumentenkaart is het plangebied aangemerkt met een hoge archeologische waarde. Het plangebied maakt onderdeel uit van de historische kern van het dorp Nieuwendam. De archeologische waarde van historische kernen bestaat uit de reeds aangetroffen of te verwachten aanwezigheid, boven of onder de grond, van bouwhistorische resten en archeologische sporen en voorwerpen. Samen bevatten zij een veelheid aan historische informatie over de ouderdom en ruimtelijke ontwikkeling van de kern5. Volgens bureauonderzoek BO 14-020 ‘Plangebied Tuindorp Nieuwendam Buiksloot II’ (MenA 2014) ligt de planlocatie in een gebied met hoge archeologische verwachting. Uitzondering van archeologisch onderzoek geldt bij bodemingepen kleiner dan 100 m2 of ondieper dan 0,5 m onder maaiveld. Effecten Door de eerder uitgevoerde werkzaamheden en sanering zijn eventuele archeologische resten naar verwachting verstoord. Toch heeft het gebied een hoge archeologische verwachting. Bij bodemingrepen dieper dan 0,5 m of groter dan 100 m2 dient archeologisch onderzoek te worden gedaan om negatieve effecten van de ontwikkeling op archeologie uit te sluiten.

Op het moment dat toch archeologische waarden worden aangetroffen, dient de gemeentelijke archeoloog ingeschakeld te worden om de waarden veilig te stellen door middel van opgraven of bouwbegeleidend documenteren (‘behoud ex situ’). Met opvolging van de regelingen uit het bestemmingsplan worden geen belangrijk nadelige milieugevolgen verwacht voor het thema archeologie.

5

Bron: Archeologische Monumentenkaart (2014)

11/15

Kenmerk

3.6

R001-1282897EZM-V06-kzo-NL

Landschap en cultuurhistorie

Huidige situatie Het plangebied maakt onderdeel uit van Amsterdam-Noord, dat op 3 maart 2014 is aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht6. Met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht wordt beoogd om de historische structuur en ruimtelijke karakteristieken van een gebied te behouden, maar vooral ook te versterken en te benutten bij ontwikkelingen. Het pand aan de Purmerweg werd in 1964 ontworpen als GGD-gebouw en is van cultuurhistorische betekenis als herinnering aan de gezondheidszorg in die tijd. Het pand vormt een schakel tussen het AUP (algemeen uitbreidingsplan)-gebied en de historische bebouwing aan de Nieuwendammerdijk. De functie van GGD-gebouw is zowel in het exterieur als interieur van het pand nog redelijk goed herkenbaar. Daarnaast bevat het pand een tegelmozaïek van kunstenaar Lex Horn. Op basis van de architectuur- en cultuurhistorische, stedenbouwkundige en kunsthistorische waarden is het pand aan de Purmerweg aangemerkt als orde 3 pand. Dit houdt in: ‘een architectuureenheid met een voor de periode kenmerkende vormgeving en/of kenmerkende typologie en/of belangrijke bijdrage aan de compositie van de verkaveling en het veld’. Uitgangspunt bij een beschermd stadsgezicht is de bescherming van de karakteristieke stedenbouwkundige en bouwhistorische kenmerken van een gebied.

Het gebouw is niet beschermd als gemeentelijk- of rijksmonument en daarmee niet wettelijk beschermd7. Effecten Het plangebied kent geen Rijks- of gemeentelijke monument dat door de werkzaamheden beïnvloed wordt. Het oorspronkelijke ontwerp van het pand is door latere wijzigingen in behoorlijke mate aangetast. De meerwaarde van het gebouw is vooral gelegen in de wijze waarop het stedenbouwkundig zich verhoudt tot de pre-stedelijke bebouwing aan de Nieuwedammerdijk en het tuindorp Nieuwendam. Hoewel het pand geen monument is, gaat er met de sloop van het gebouw wel een karakteristiek, cultuurhistorisch herkenningspunt verloren. Bij sloop/nieuwbouw is het van belang dat het kunstwerk van Lex Horn behouden blijft en herplaatst wordt in de nieuwbouw. Op deze wijze herinnert het kunstwerk aan het voormalig GGD-gebouw. Gezien de ligging in een bijzondere stedenbouwkundige ligging in het Rijksbeschermd Stadsgezicht is het van belang dat nieuwbouw zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast in de omgeving7. De nieuwbouw leidt niet tot aantasting van bijzondere landschapselementen omdat deze niet in het plangebied liggen. Wanneer bij de nadere uitwerking van het plan rekening gehouden wordt met de cultuurhistorische waarde van het beschermd stadsgezicht is het plan uitvoerbaar wat betreft cultuurhistorie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14382308/1