Bijlage 6 Toelichting en Regels bestemmingsplan Purmerweg 46.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Purmerweg 46
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Purmerweg 46
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.N2106BPSTD-VG01
Datum print
19 April 2024
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
7
Aanleiding Crisis- en herstelwet Doel bestemmingsplan Ligging plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
7 7 7 7 9 10
Het plangebied
11
Bestaande situatie Herontwikkeling Stedenbouwkundige situatie Ambities Randvoorwaarden voor ontwikkeling Toekomstige bebouwing Voorbeelden Technische vereisten
11 11 12 12 13 13 16 19
Beleidskader
23
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
23 27 30 31
Milieuaspecten
37
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Milieueffectrapportage Milieuzonering bedrijven Luchtkwaliteit Geluidhinder Externe veiligheid Bodemkwaliteit
37 38 41 44 52 57
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
59
Mobiliteit en Parkeren Water Archeologie en cultuurhistorie Natuurbescherming
59 60 63 68
Juridische toelichting
75
Algemeen De bestemmingen
75 75
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
77
Hoofdstuk 8
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
79
Voortraject
79
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4
5.1 5.2 5.3 5.4 Hoofdstuk 6 6.1 6.2
8.1
Gemeente Amsterdam
blz. 4
8.2 8.3 8.4
Inspraak Vooroverleg Zienswijzen
79 79 80
Bijlagen bij de toelichting
81
Bijlage 1
mer-beoordelingsnotitie 150623
83
Bijlage 2
Geluid, EV en bedrijven en milieuzonering 140324
99
Bijlage 3
Bodemonderzoek
185
Bijlage 4
Verkeersonderzoek oktober 2021
255
Bijlage 5
Actualisatie verkeersgevens 080523
273
Bijlage 6
Advies M&A
275
Bijlage 7
Quick scan F&F 2020
279
Bijlage 8
Update ecologisch onderzoek 190324
313
Bijlage 9
nader vleermuizenonderzoek 2020
331
Bijlage 10
Aeriusberekening 131023
343
Bijlage 11
Ecologische voortoets september 2023
373
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Hoofdstuk 4
413 Inleidende regels
414
Begrippen Wijze van meten
414 418
Bestemmingsregels
419
Tuin Wonen Waarde - Archeologie Waarde - Cultuurhistorie
419 420 422 424
Algemene regels
425
Algemene aanduidingsregels Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
425 427 428 429 430
Overgangs- en slotregels
431
Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
431 432
blz. 5
Toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 7
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In 2017 is bestuurlijk besloten het pand Purmerweg 46 te verkopen op basis van een sloopnieuwbouw scenario en is besloten het project in te vullen met 100% woningen. Op de kavel kunnen circa 17 woningen worden gerealiseerd. De kavel heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Tuindorpen Nieuwendam en Buiksloot' de bestemming 'Maatschappelijke voorzieningen', waardoor het bouwen van woningen niet zondermeer mogelijk is. Met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in een passende bestemming.
1.2
Crisis- en herstelwet
De Crisis- en herstelwet beoogt een versnelling in de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke projecten te bewerkstelligen, teneinde bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis. Hiertoe zijn tijdelijke wijzigingen in de ruimtelijke procedures zoals het bestemmingsplan van toepassing verklaard op verschillende soorten projecten. In bijlage I van de Crisis- en herstelwet is als categorie van gevallen onder andere genoemd de 'ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden'. Voorliggend bestemmingsplan moet worden gezien als een onderdeel van deze categorie, aangezien het voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen.
1.3
Doel bestemmingsplan
Met het voorliggende bestemmingsplan streeft het stadsdeel de volgende doelen na: 1. het komen tot uniformiteit in regels en wijze van bestemmen; 2. het mogelijk maken van een nieuwe ontwikkelingen op de locatie Purmerweg 46; 3. het komen tot digitaal raadpleegbare en uitwisselbare bestemmingsplannen.
1.4
Ligging plangebied
Het voorliggende bestemmingsplan wordt opgesteld voor het plangebied Purmerweg 46. Dit perceel ligt aan de zuidzijde van tuindorp Nieuwendam-Noord, aan de zuidzijde van de Purmerweg, op de hoek met het Brede Kerkepad. Zie ook onderstaande afbeeldingen.
Gemeente Amsterdam
blz. 8
Afbeelding 1.1: perceel Purmerweg 46 (bron: gemeente Amsterdam)
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 9
Afbeelding 1.2: ligging van het perceel Purmerweg 46 in Amsterdam Noord (bron: gemeente Amsterdam)
1.5
Geldende bestemmingsplannen
In het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan Purmerweg 46 is momenteel het bestemmingsplan Tuindorpen Nieuwendam en Buiksloot van kracht (onherroepelijk geworden op 27 mei 2005).
Afbeelding 1.5.1: uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Het plangebied heeft grotendeels de bestemming Maatschappelijke voorzieningen Mx. Daarnaast ligt een klein deel van het planbied binnen de bestemming Verkeersareaal (Vka). Gemeente Amsterdam
blz. 10
De toegestane bouwhoogte bedraagt deels 6 meter en deels 3 meter. Bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals schuttingen, mogen worden gebouwd tot 2 meter hoogte. Het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd. De gronden met de bestemming Maatschappelijke voorzieningen (Mx) mogen worden gebruikt voor 'overheids-sociale-culturele, medische- onderwijs-, religieuze en vergelijkbare maatschappelijke voorzieningen' met bergingen en nevenruimten. Geen geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen zoals apotheken, groene kruisinstellingen, kerken en verenigingsgebouwen zijn eveneens toegestaan. De voor Verkeersareaal (Vka) aangewezen gronden zijn bestemd voor rijwegen, fiets en voetpaden met inbegrip van bijbehorende ongebouwde parkeervoorzieningen en bermen, verblijfsareaal, groenvoorzieningen en water, ondergronse vuilcontainers met bovengrondse stortkokers. Deze gronden mogen uitsluitend worden ingericht en bebouwd met bouwwerken geen gebouwen zijnde, waarbij voor bouwwerken geen gebouwen zijnde een maximale bouwhoogte van 6 meter geldt en voor lichtmasten een maximale bouwhoogte van 12 meter geldt.
1.6
Leeswijzer
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven. De toelichting bestaat uit 8 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de stedenbouwkundige context in het plangebied en omgeving en geeft een omschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. De voor het plan relevante beleidsuitspraken van rijk, provincie en regio en het eigen gemeentelijke beleid zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en hoofdstuk 5 behandelt de relevante omgevingsaspecten. Hierbij vindt er een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspect plaats. Een toelichting op het juridische systematiek, een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedures.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 11
Hoofdstuk 2
Het plangebied
In dit hoofdstuk is de ruimtelijke structuur van het plangebied beschreven aan de hand van de huidige situatie, de historische ontwikkeling en de keuze om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te kunnen maken en de randvoorwaarden hiervoor.
2.1
Bestaande situatie
Het plangebied heeft betrekking op het gebied van het voormalige GGD-gebouw. Het is gesitueerd op het hoekpunt van de Purmerweg en het Brede Kerkepad en bevindt zich langs twee belangrijke stedenbouwkundige structuren. Enerzijds bevindt het zich langs de zuidzijde van de uitbreidingswijk Nieuwendam-Noord - een van de tuindorpen van het herziene Algemene Uitbreidingsplan (AUP) uit 1958. Anderzijds bevindt het zich langs het Brede Kerkepad, wat een pad is dat vanuit de Nieuwendammerdijk in verbinding stond met het agrarische veenweidegebied van de streek Waterland, waar later het tuindorp is verschenen. Huidig pand Het pand Purmerweg 46 is een voorzieningengebouw, een voormalig GGD-gebouw. Het gebouw werd in 1964 ontworpen door H. 't Hoen, architect van de Dienst der Publieke Werken, als gebouw van de Gemeentelijke Geneeskundige & Gezondheidsdienst (G.G.& G.D). Het gebouw werd speciaal ingericht voor de afdeling 'Jeugdhygiëne / Jeugdzorg', de voorloper van het huidige 'consultatiebureau'. Als gevolg van de naoorlogse bevolkingsgroei was er, naast woningen, grote behoefte aan dit soort voorzieningen. Het is een vrijstaand pand op een L-vormig grondplan met aan de achterzijde een binnenplaats die voorzien is van een hoog (transparant) hekwerk. De hoofdingang bevindt zich tegenwoordig aan de Purmerweg, maar was oorspronkelijk gelegen aan de zuidzijde.
In stedenbouwkundig, architectonisch en programmatisch opzicht vormt het pand een schakel tussen tussen het AUP-gebied en de historische bebouwing aan de Nieuwendammerdijk. Het is een alzijdig ontworpen gebouw met een maat, schaal en hoog-laag verhouding die op zorgvuldige wijze aansluit op de diverse bebouwing in de directe omgeving. Met het verplaatsen van de hoofdingang van het Brede Kerkepad naar de Purmerweg en het open maken van de gevels in de jaren tachtig is het oorspronkelijke ontwerp echter vertroebeld waardoor het exterieur van het gebouw bovendien aan architectonische kwaliteit heeft ingeboet.
2.2
Herontwikkeling
Gezien de grote woningnood en het daaropvolgende gemeentelijke beleid om woningbouw te stimuleren, en de leegstand van het voormalige GGD-gebouw, is dit pand in beeld gebracht voor een nadere studie voor woningbouw. Waarden huidig pand in relatie tot ambitie woningbouw Het pand is geen monument en heeft vanuit dit opzicht geen wettelijke bescherming. Om ervoor te zorgen dat zorgvuldig wordt omgegaan met waardevolle panden die niet wettelijk beschermd zijn, heeft Amsterdam waarderingskaarten opgesteld. In deze ordewaarderingskaarten is het pand gewaardeerd met een orde-3, wat een middelhoge waardering is. Hierbij vormt het behoud niet het uitgangspunt. Het pand bevindt zich echter in het Rijksbeschermde stadsgezicht Amsterdam Noord. Volgens de cultuurhistorische verkenning (d.d. 30 oktober 2019) die is opgesteld door Monumenten en Archeologie is er mogelijkheid voor sloop. Bij de vervangende nieuwbouw wordt aandacht geschonken aan de karakteristieken van het beschermd stadsgezicht evenals inpassing van het plan.
Gemeente Amsterdam
blz. 12
Keuze herontwikkeling Gezien het bovenstaande is de keuze gevallen op sloop/nieuwbouw van het pand. Gezien het bestemmingsplan uit 2005 conserverend van aard is en weinig mogelijkheden biedt anders dan het terug bouwen van het bestaande volume, is gekozen voor het laten opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan.
2.3
Stedenbouwkundige situatie
Het Brede Kerkepad lag vroeger als pad in het open veenweidelandschap en verbond de Nieuwendammerdijk met het achterliggende landschap. Het maakt onderdeel uit van de drie doorsteken aan de Nieuwendammerdijk die elkaar relatief snel opvolgen. Het Brede Kerkepad is na de aanleg van Tuindorp Nieuwendam omringd door een planmatig ontworpen woonwijk. Het contrast tussen de dijk en dijkdorpen enerzijds en het tuindorp anderzijds is groot. De eerste zijn organisch van opzet en kennen een individuele verkavelingsprincipe. De tweede kent een planmatige, weliswaar weelderige, opzet met veel repetitie. Het perceel Purmerweg 46 ligt in de verkaveling van het dijkpad, maar grenst ook aan het tuindorp. Waarbij moet worden opgemerkt dat het niet grenst aan het rijksbeschermde deel van het tuindorp, maar aan de latere naoorlogse uitbreiding van het tuindorp welke in een sobere architectuur is uitgevoerd. Het gehele dijkpad en de achtergelegen Nieuwendammerdijk zijn in hun geheel wel onderdeel van het Rijksbeschermde stadsgezicht. Brede Kerkepad 1, 6 en 8 zijn rijksmonumenten. In de gemeentelijke welstandsnota wordt dit perceel tevens ingedeeld in het organisch gegroeide dijklint namelijk in het deelsysteem: Historische kernen, linten en fragmenten.
Hierin wordt vermeld dat de linten worden gekenmerkt door een gevarieerde bebouwing in een compacte structuur met als basis het individuele pand met een dorps karakter.
2.4
Ambities
Als uitgangspunt voor de ontwikkeling op het perceel Purmerweg 46 gelden de volgende ambities: Herstellen afleesbaarheid Brede Kerkepad Het plangebied ligt historisch gezien binnen de organische verkavelingsopzet van het Brede Kerkepad, maar grenst aan de noordzijde aan de Purmerweg en dus het tuindorp. Het bevindt zich op een kruispunt van deze twee stedenbouwkundige structuren. Vanaf de Purmerweg is het Brede Kerkepad momenteel echter nauwelijks afleesbaar. Het voormalige GGD-pand heeft zijn gesloten gevel aan dit pad liggen, waardoor de verbinding met het pad zoek is. De ambitie is om de relatie met het Brede Kerkepad te herstellen en de bebouwing weer te oriënteren op dit pad. De ambitie is om voetgangers te verleiden om gebruik te maken van dit pad, door een vriendelijk en alzijdig hoekpand te realiseren. Toevoegen woningen Het Brede Kerkepad is een woonlint waarin een verdere toevoeging van woningen geschikt is. Op deze wijze dragen we tevens bij aan de woningopgave van de stad. Om deze mogelijkheid maximaal te benutten, biedt dit nieuwe bestemmingsplan een groter bouwvlak dan het voorgaande. Ook is het perceel verruimd, waarbij aansluiting is gezocht met de stedenbouwkundige structuren van de omgeving. Toevoegen groene ontmoetingsruimten Het verdichten van een stad dient gepaard te gaan met een kwalitatieve impuls van de
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 13
openbare/collectieve ruimte. De druk op deze ruimten neemt namelijk toe. Het plan heeft de ambitie om het achtergelegen hofje te vergoenen en te laten dienen als collectieve ruimte voor de bewoners.
2.5
Randvoorwaarden voor ontwikkeling
De locatie Purmerweg 46 biedt mogelijkheden voor herontwikkeling. Herontwikkeling is binnen randvoorwaarden mogelijk. Zo dient de nieuwe ontwikkeling aan te sluiten op de beschermde stadsgezichten, zowel aan het Brede Kerkepad als aan de Purmerweg. Het algemene uitgangspunt bij sloop/nieuwbouw is dat de nieuwe situatie een verbetering vormt ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast stelt de gemeente de volgende randvoorwaarden: Het totale bouwvolume bestaat uit drie gebouwen met elk een eigen unieke uitwerking. Waarbij twee gebouwen aan de Purmerweg gewenst zijn, met elk een eigen entree aan deze weg. De bebouwing bestaat uit maximaal twee bouwlagen plus een kapverdieping. De bebouwing aan de Purmerweg sluit meer aan op het tuindorp en heeft een groter bouwvlak. Het plaatsen van een geschikte kap is tevens een randvoorwaarde. De gebouwen dienen aan te sluiten bij de korrelgrootte van de dorpse bebouwing van respectievelijk zowel het pad als het tuindorp. De maximale bouwhoogten zijn opgenomen in de bouwenvelop en het bestemmingsplan. De plint van gebouw 2, op het kruispunt van de Purmerweg en het Brede Kerkepad, dient uitnodigend te zijn en de toegang tot het Brede Kerkepad moet beter leesbaar gemaakt worden. Een accent in de uitwerking door bijvoorbeeld een groter percentage gevelopeningen is een mogelijkheid.
De buitenruimte binnen het perceel heeft een groen collectief karakter en beschikt over gecompenseerde bomen, die moeten wijken aan de Purmerwegzijde. Minimaal de helft van het terrein dient te beschikken over een groen oppervlak. De bomen worden zo geplaatst dat men zicht heeft op het groen vanuit het Brede Kerkepad. Vanuit de woningen is teven toegang te krijgen tot de collectieve ruimten. Herstel van openbare ruimte rondom het te herontwikkelen perceel is voor rekening van de ontwikkelende partij. Waarbij een beplantingsplan moet worden opgesteld om de voorgestelde groene strook aan de Purmerweg opnieuw mee in te richten. De voorgestelde technische vereisten dienen in het project te worden opgelost. Behoud en betekenisvolle inpassing op locatie van het tweezijdige kunstwerk van Lex Horn.
2.6
Toekomstige bebouwing
De toekomstige bebouwing is gebonden aan de maximale kavelgrootte (710 m2 perceel en ongeveer 1.230 m2 BVO woonbebouwing). Een kavel van een dergelijke omvang biedt mogelijkheden voor een wonigbouwprogramma van circa 17 woningen. Afbeelding 2.3 en 2.4 geven een impressie van de toekomstige invulling van het perceel.
Gemeente Amsterdam
blz. 14
Afbeelding 2.3: impressie toekomstige invulling Purmerweg 46 (bron: gemeente Amsterdam)
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 15
Afbeelding 2.4: impressie toekomstige invulling Purmerweg 46 (bron: gemeente Amsterdam) De hoeveelheid aan BVO is vanuit de ontwikkelaar, een woningcorporatie, benodigd om een haalbaar project te kunnen realiseren. Er is hierbij gekeken hoe het belang van het bewaren van de cultuurhistorische waarden samen kan gaan met de gevraagde hoeveelheid BVO. Er is sprake van een groter bouwvlak dan de overige bebouwing langs het Brede Kerkepad, maar dit wordt vanuit een stedenbouwkundig perspectief als passend beschouwd in het organische karakter van het pad. Hierbij wordt toegevoegd dat het huidige pand ook een sterk afwijkende vorm en bouwdiepte heeft ten opzichte van de overige bebouwing langs het pad. Er is een afweging gemaakt tussen het benodigde en haalbare volume, het woningbeleid van de gemeente, de stedenbouwkundige structuur en de opgegeven cultuurhistorische waarden. De stedenbouwkundige structuur is bestudeerd waarbij het verplaatsen van de rooilijn als acceptabel wordt beschouwd. Langs de Purmerweg staan meerdere woningen direct aan de stoep, zonder een voortuin of groenstrook. Een ruime stoep heeft op deze plek een lage gebruikswaarde. Door het verplaatsen van de rooilijn kunnen meer woningen gerealiseerd worden. Gezien de forse opgave van de stad om woningen binnen het bestaande bebouwde gebied te realiseren, is er voor gekozen om de rooilijn op te schuiven.
Het verlies van het groene voorerf wordt gecompenseerd met een groen achtererf. Dit biedt de toekomstige bewoners een hogere gebruikskwaliteit, omdat aan deze zijde dan een collectieve tuin gemaakt kan worden, wat tevens aan de geluisluwe zijde zal liggen en tevens meer op het zuiden is georiënteerd. Ook moet worden benadrukt dat dit perceel niet alleen onderdeel uitmaakt van de Purmerweg, maar ook van het Brede Kerkepad. Het is de stedenbouwkundige ambitie om juist niet volledig aan te sluiten op de Purmerweg. Een licht afwijkende vorm zal de herkenbaarheid van dit perceel vergroten, waardoor de leesbaarheid van de entree van het Brede Kerkepad zal worden verhoogd. Het Brede Kerkepad is een unieke structuur langs de Purmerweg en deze uniciteit zal deels worden benadrukt.
Gemeente Amsterdam
blz. 16
2.7
Voorbeelden
Afbeelding 2.5: overzicht bebouwing en buitenruimtes
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 17
2.7.1
Voorbeelden inrichting groene passage
Het Brede Kerkepad wordt gekenmerkt door vrijstaande bebouwing met groen kleinschalige zijerven. Een versteend straatbeeld dient dan ook voorkomen te worden. De voorgestelde passage biedt voldoende ruimte om geveltuinen aan te brengen, met mogelijkheden voor straatmeubilair. Het is tevens het beleid van de gemeente om zoveel mogelijk te vergroenen. 2.7.2
Voorbeelden collectieve groene ruimte
De groene ruimte bevat zowel individuele buitenruimtes van de woningen op de begane grond als een collectieve buitenruimte.
De relatief grote hoeveelheid aan woningen vraagt ook om een kwaliteitsimpuls in de omliggende ruimte. De geselcteerde doelgroep, blijkt tevens behoefte te hebben aan collectieve ruimten dicht in de buurt. Het hofje aan de achterzijde biedt de potentie om een groene collectieve ruimte te maken voor de nieuwe bewoners. Eventueel hekwerk dient zorgvuldig mee te worden ontworpen. Het plaatsen van schuttingen rondom de individuele buitenruimtes is niet toegestaan. In de regels is dan ook bepaald dat ter plaatse van de bestemming Tuin het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde niet is toegestaan.
Gemeente Amsterdam
blz. 18
2.7.3
Voorbeelden bergingen
Groene daken dragen bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente. Het is dan ook wenselijk dat de bergingen worden voorzien van een groen dak. Het is tevens mogelijk om een deel van het dak bij de groene collectieve ruimte te voegen en toegankelijk te maken voor de bewoners door middel van een trap. Op deze wijze wordt efficient omgegaan met de ruimte.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 19
2.8
Technische vereisten
2.8.1
Bomen
Door het verschuiven van het bouwvlak wordt meer BVO mogelijk gemaakt, maar hiervoor moeten bomen wijken. Het gaat om minimaal 4 bomen van een lage orde. Twee bomen lijken op voldoende afstand te staan. Het behoud van deze twee bomen moet nader worden onderzocht. Het is een vereiste om de gerooide bomen te compenseren op het voorgestelde groene achererf, dat dienst zal doen als collectieve ruimte.
Gemeente Amsterdam
blz. 20
2.8.2
Kabels en kasten
De datakabels liggen voornamelijk rond het nieuwe bouwvlak, waarbij enkele traces op de grens liggen. Hier moet rekening mee worden gehouden tijdens de bouw (dit lijkt geen probleem te vormen). Binnen het nieuwe bouwvlak bevinden zich twee datakasten, van twee verschillende grootten. Beide lijken eigendom van KPN te zijn. Na een vooroverleg met KPN blijkt het mogelijk te zijn om de kleine kast op het oosten (2) op te heffen en de grotere kaste op het westen (1) lijkt verplaatsbaar te zijn. Aan de overzijde van de steeg (naast nr. 32) bevindt zich een openbare groenstrook, waar de kast naar verplaatst kan worden.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 21
2.8.3
Lichtmasten
Twee lichtmasten hebben nader onderzoek nodig. De noordelijke mast lijkt geen probleem te vormen, maar verplaatsing zal de looproute ten goede komen. De westelijke mast zal dicht tegen de voorgevel komen te staan als deze zijn positie behoudt. In de huidige situatie ligt deze mast dicht tegen een geslote gevel aan. In de toekomst komt hier een gevel met raamopeningen. Verplaatsing heeft de voorkeur. Enkele meters richting het zuiden aan de zijde van de groene passage lijkt een oplossing te zijn.
Gemeente Amsterdam
blz. 22
2.8.4
Geluid en privacy
Alle verdiepingen van gebouw 1 en 2 kunnen beschikken over een stille zijde aan de hof- en passage zijde. De geluidsgevoelige vertrekken dienen aan deze zijde komen te liggen. Ook dienen de buitenruimten aan deze zijde te worden georiënteerd. Gebouw nummer 3 heeft niet op elke vloer een geluidsstille zijde, waardoor een oplossing wordt gevonden in het aanwijzen van de doelgroepen. Deze doelgroepen hoeven tevens niet te beschikken over een individuele buitenruimte. gebouwen nummer 1 en 2 wel. Omdat gebouw nummer 2 een stille zijde en zijn buitenruimten aan de groene passage zal hebben, is het wenselijk dat de noordelijke gevel van gebouw 3 beperkte gevelopeningen zal hebben. Dit om de privacy binnen het naastgelegen gebouw te waarborgen.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 23
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is begin 2012 in werking getreden en geeft de ambities voor Nederland weer die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) beschrijft een aantal projecten en stelt per project regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat onder meer om het borgen van nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Consequentie plangebied Het project raakt geen nationaal belang en is daarmee niet in strijd met het rijksbeleid uit de SVIR. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Op 1 oktober 2012 is het Barro gewijzigd en treden delen van het Barro in werking die al waren vastgesteld, maar die voor hun inwerkingtreding wachtten op deze wetswijziging. Met deze aanpassingen in de regelgeving is de wettelijke borging van het beleid in de SVIR nagenoeg voltooid. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Natuurnetwerk Nederland (NNN), elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Consequenties voor dit bestemmingsplan Het project raakt geen nationaal belang en is daarmee niet in strijd met het rijksbeleid uit het Barro.
Gemeente Amsterdam
blz. 24
3.1.3
Ladder Duurzame verstedelijking
In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, waaronder bestemmingsplannen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft voor dat gemeenten bestemmingsplannen vaststellen voor een "goede ruimtelijke ordening". De ladder voor duurzame verstedelijking is een hulpmiddel, dat een bijdrage levert aan een goede ruimtelijke ordening.
In trede 1 wordt de regionale ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) voor wonen, werken, detailhandel en overige voorzieningen bepaald. Er is een regionale vraag naar woningbouw, dus trede 2 is aan de orde. In trede 2 gaat het om de vraag: "Kan de beoogde ontwikkeling plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door een andere bestemming van een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden?" Op 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd op de volgende punten: het begrip 'actuele regionale behoefte' wordt geschrapt en is in de nieuwe Ladder vervangen door 'behoefte'; de nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt; voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht; Woningen In de laatste 10 jaar was de groei van het aantal inwoners van Amsterdam groter dan ooit. Naar verwachting zal de groei aanhouden. Amsterdam zal in 2025 meer dan 900.000 inwoners hebben en tot 2050 doorgroeien naar 922.000. Uit de prognose van de woningbehoefte en de woningvoorraad blijkt dat in 2025 het grootste tekort zit in de gereguleerde huurvoorraad: een voorraad van 39% terwijl 49% van de huishoudens behoefte heeft aan deze woningen.
De voorraad middeldure huur groeit volgens de prognose naar 9%, waardoor de voorraad meer in de buurt komt van de behoefte (11%). Er is in algemene zin behoefte aan huurwoningen, dit is als beleid ook vastgelegd in onder andere de Woonagenda 2025. Met voorliggend bestemmingsplan worden circa 17 woningen toegevoegd. Deze woningen zullen bijdragen aan de woningbehoefte in Amsterdam. Ook kwalitatief gezien sluiten de woningen aan op de behoefte in het beoogde segment, zowel qua type als het woonmilieu. Consequenties voor dit bestemmingsplan Het project is niet in strijd met de Ladder Duurzame Verstedelijking
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 25
3.1.4
Luchthavenindelingbesluit Schiphol
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke beperkingen die gesteld worden in verband met het Luchthaven Schiphol. Deze beperkingen worden enerzijds gesteld vanwege externe veiligheidsrisico's en geluidbelasting vanwege het luchtverkeer. Anderzijds hebben de beperkingen te maken met waarborgen van veilig luchtverkeer (beperking aan hoogte en aan functies die vogels aantrekken). Het plangebied valt binnen het beperkingengebied van het LIB. 3.1.4.1 Hoogtebeperkingen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de toetshoogtes van het LIB in acht worden genomen. Er zijn twee toetshoogtes: de algemene of maatgevende toetshoogte (bijlage 4 bij het LIB) en de toetshoogte in verband met radar (bijlage 4a bij het LIB). Met een bestemmingsplan kan van de maatgevende toetshoogte van het LIB worden afgeweken indien van de minister van Infrastructuur en Waterstaat de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft; de zogenoemde verklaring van geen bezwaar (VVGB). Indien (de bouwhoogten van) het bestemmingsplan is strijd zijn met de radartoetshoogte, is het vaststellen van het bestemmingsplan mogelijk indien uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer.
Het voorliggende plan valt binnen het beperkingengebied voor hoogte zoals opgenomen in bijlage 4 (maatgevende toetshoogte) en/of 4a (maatgevende toetshoogte radar) bij het LIB. Maatgevende toetshoogte Op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4 bij het LIB geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.
Gemeente Amsterdam
blz. 26
Afbeelding 3.1: maatgevende toetshoogte (bron: LIB) De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de maatgevende toetshoogte van 146 meter + N.A.P. Ter plaatse van het plangebied wordt een maximum bouwhoogte voorzien van ca. 10 meter + N.A.P. Dit is inclusief ondergeschikte bouwdelen als technische ruimten en technische installaties. Aangezien de maximale bouwhoogte de toetshoogte onderschrijdt, staat de maatgevende toetshoogte niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg. Toetshoogte i.v.m. radar Op grond van artikel 2.2.2a, eerste lid, van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 4a bij het LIB objecten toegestaan die hoger zijn dan de in die bijlage aangegeven maximale waarden, mits uit een positief advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer. In onderstaande figuur is voor het plangebied aangegeven welke maximale waarden zijn toegestaan.
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 27
Afbeelding 3.2: maatgevende toetshoogte ivm radar (bon: LIB) De maximaal toelaatbare bouwhoogtes op basis van de toetshoogte in verband met de radar lopen op van 77 meter + N.A.P. tot ongeveer 81 meter + N.A.P. Ter plaatse van het plangebied wordt een maximum bouwhoogte voorzien van ca. 10 meter + N.A.P. Dit is inclusief ondergeschikte bouwdelen als technische ruimten en technische installaties. Aangezien de maximale bouwhoogte de radartoetshoogte onderschrijdt, staat de radartoetshoogte niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050
Provinciale Staten hebben op 19 november 2018 de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 geeft inzicht in de ruimtelijke ambities van de provincie Noord-Holland. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Economische groei en een gezonde leefomgeving moeten op elkaar zijn afgestemd en houden elkaar in evenwicht. De vele ontwikkelingen die de komende jaren op de samenleving zullen afkomen zijn in de Omgevingsvisie NH2050 aangestipt. Er zijn acht urgente ontwikkelingen geformuleerd waar de samenleving mee te maken zal krijgen: Klimaatverandering: bescherming bieden tegen de (extra versnelde) zeespiegelstijging. Bodem-, water- en luchtkwaliteit: verdere verbetering van de kwaliteit van bodem, water en lucht op alle plekken in de provincie. Biodiversiteit en natuur: investeren en vergroten van de biodiversiteit om andere doelen te bereiken zoals een gezonde leefomgeving, economisch duurzame landbouw, bodem en waterkwaliteit, aantrekkelijke verstedelijking en klimaatadaptatie. Economische transitie: ruimte te bieden aan ontwikkelingen van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten door de overgang naar duurzame economie.
Gemeente Amsterdam
blz. 28
Energie transitie: overgaan naar een samenleving in de provincie die volledig klimaatneutraal is en is gebaseerd op hernieuwbare energie. Mobliliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland verplaatsen zichzelf of producten effectief, veilig en efficient; het versterken van mobiliteitsopties zoals goede OV-verbindingen en ontwikkelen van basisbereikbaarheid voor kleine kernen. Verstedelijking: vraag en aanbod van woon-en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming brengen, waarbij duurzaamheid het uitgangspunt is voor de totale woningvoorraad. Landschap: benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. In de Omgevingsvisie NH2050 zijn ontwikkelprincipes geformuleerd die helpen om in samenhang te kijken naar de bovengenoemde acht hoofdthema’s. Verder heeft de provincie vijf samenhangende bewegingen beschreven die samen met de hoofdthema’s richting geven aan de ontwikkeling van de leefomgeving. De samenhangende bewegingen zijn: Dynamisch schiereiland: de provincie Noord-Holland is aan drie zijden omgeven door water. Het benutten van deze unieke ligging is leidend, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling.
Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en waarin de kernen de herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving; centraal staat het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector. De hoofdthema’s en de samenhangende bewegingen vormen de belangrijkste maatschappelijke opgaven voor de komende jaren. Ontwikkelprincipes bieden houvast voor iedereen die iets wil doen dat raakt aan de fysieke leefomgeving. Aan de ruimtelijke beslissingen van de provincie zal daarom altijd een afweging van deze belangen voorafgaan. Metropool Amsterdam maakt onderdeel uit van de metropoolregio Amsterdam, een regio die zich uitstrekt tot Zaanstad, Almere, Zuid Kennemerland en de Gooi- en Vechtstreek. De metropool moet tot 2050 verder groeien als een belangrijke en duurzame internationale concurrerende stedelijke regio. Er moeten daarom voldoende kantoren, bedrijven en woningen zijn, die vooral binnen het binnenstedelijk gebied gerealiseerd worden.
De regionale verschillen tussen de grotere en kleinere kernen binnen de metropool moeten hun sterke identiteit behouden, terwijl het geheel in sterkere mate als een systeem functioneert. Er moet functiemenging zijn, een goede bereikbaarheid en er wordt geïnvesteerd in een samenhangend netwerk van openbaar vervoer tussen woon- en werklocatie. De provincie ziet hierin niet de rol van trekker voor zichzelf, maar dit zal gezamenlijk met partners die daar mede voor verantwoordelijk zijn, worden opgepakt. Primaire waterkering Primaire waterkeringen beschermen Noord-Holland tegen overstromingen vanuit de Noordzee, Waddenzee, IJssel- en Markermeer. De provincie streeft bij dijkverbeteringen robuustheid en ruimtelijke kwaliteit na, inclusief versterking van cultuurhistorische, landschappelijke, recreatieve en ecologische waarden van waterkeringen en aangrenzende zones. Nieuwe ontwikkelingen moeten klimaatbestending
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 29
en waterrobuust zijn. Bereikbaarheid Verder vindt de provincie een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid van natuur- en recreatiegebieden via groenblauwe verbindingen voor haar bewoners en bezoekers belangrijk, zowel voor de leefbaarheid als voor het vestigingsklimaat. De provincie stelt zich ten doel dat in het jaar 2050 de fiets een nog belangrijker rol speelt in de regionale mobiliteit van Noord-Holland. Er is dan één compleet, herkenbaar en veilig netwerk van fietspaden: op de belangrijkste regionale verbindingen tussen gemeenten, werklocaties, OV-knooppunten, onderwijsinstellingen en natuurgebieden. Verdichting De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande, verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Er moet voldoende ruimte en budget zijn voor de ontsluiting van grote woongebieden door te verdichten op goed bereikbare plekken nabij knooppunten van openbaar vervoer. Groen en (water)recreatie Ten slotte dient er voldoende groen om de stad te zijn in het kader van recreatie. Met de provincies Utrecht en Zuid-Holland is in het kader van de Groene Hartsamenwerking het Perspectief Groene Hart 2040 vastgesteld. Daarmee hebben deze provincies zich gecommitteerd aan samenhangend beleid voor het Groene Hart, wat in uitwerkingen verder vorm zal worden gegeven.
Kern van de beweging zijn twee grote veranderprocessen die vragen om samenwerking, innovatie en gebiedsgericht maatwerk: de ontwikkeling naar een natuurinclusieve landbouw en de bodemdaling in veenweidegebied. Waterrecreatie is als belangrijk thema in Noord-Holland in een gezamenlijk met alle partners opgestelde Visie Waterrecreatie Noord-Holland 2030 benoemd. Zowel vanuit het economisch als maatschappelijk belang dient de positie van Noord-Holland als vooraanstaande waterprovincie te worden behouden en versterkt. Het Blauwe Hart (het gebied van Markermeer en IJmeer) is een belangrijke locatie voor de groeiende behoefte aan waterrecreatie. De woningbouw op de locatie Purmerweg 46 wordt in- en aansluitend op bestaand stedelijk gebied gepland en is in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de kaders uit de Omgevingsvisie NH2050. 3.2.2
Omgevingsverordening Noord Holland 2020
Het ruimtelijke beleid uit de provinciale omgevingsvisie is doorvertaald naar de regels van Omgevingsverordening Noord Holland 2020. Daarnaast bevat de Omevingsverordening regels die voortvloeien uit het Barro. Bij de gemeentelijke planologische besluitvorming, zoals over de vaststelling van een bestemmingsplan, moeten de regels uit de Omgevingsverordening in acht genomen worden. Bestaand Stedelijk Gebied (BSG) Het hele plangebied van het onderhavige bestemmingsplan ligt in het 'Bestaand Stedelijk Gebied' (BSG) zoals benoemd in de verordening. De herontwikkeling tot woningbouwontwikkling past binnen de kaders van de provinciale ruimtelijke verordening.
Gemeente Amsterdam
blz. 30
Nieuwe stedelijke ontwikkeling Een bestemmingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Concequenties voor dit plan Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijke gebied. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de binnen de regio gemaakte afspraken. 3.2.3
Woonakkoord 2021 - 2025
Het woonakkoord 2021 - 2025 bevat de gedeelde ambities en gezamenlijke inzet voor het woonbeleid van Amsterdam en de provincie Noord Holland is onderdeel van de 'regionale afspraken' als bedoeld in artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH 2020. Prioriteit ligt bij het vergroten van de woningvoorraad, op het behouden en creeren van betaalbare woningen voor lage- en middeninkomens en op het versterken van de kwaliteit van het wonen in zowel nieuwbouw als bestaande woningvoorraad. Amsterdam kiest ervoor in het bouwprogramma een sterker accent te leggen op sociale huur en middensegment en minder op het dure segment. Consequenties voor dit plan Met voorliggend plan worden 15-17 woningen mogelijk gemaakt in het sociale segment. Daarmee sluit voorliggend plan aan op het woonakkoord 2021- 2025
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Metropoolregio Amsterdam
De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincies. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk. Op basis van de MRA Agenda stemmen gemeenten fasering en programmering van de woningbouwplannen met elkaar af. Die afstemming bestaat uit het uitwisselen van informatie en inzicht in de feitelijke ontwikkelingen op de regionale woningmarkt.
Dit gebeurt onder meer door het monitoren van zowel de beschikbare harde en zachte plancapaciteit en van de daadwerkelijke jaarlijkse woningproductie. Ook wordt voor het eerst het regionale woonwensenonderzoek Wonen in de Metropoolregio Amsterdam (WiMRA) in de gehele MRA gehouden. Op basis van het gezamenlijk
bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 31
inzicht worden opgaven geformuleerd waaraan gezamenlijk gewerkt wordt. MRA agenda 2016-2020 Samenwerking op het niveau van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) wordt steeds belangrijker. De gemeenten in de MRA hebben afgesproken dat tot 2040 circa 250.000 woningen gebouwd moeten worden. In het kader van de Woningwet heeft Amsterdam samen met de andere gemeenten het voorstel bij het Rijk ingediend om de MRA aan te wijzen als woningmarktregio. 3.3.2
Regionaal actieprogramma (RAP) wonen 2016-2020
De gemeenten in de Stadsregio Amsterdam werken met elkaar samen om de woningbouwproductie af te stemmen. Daarbij is een aantal opgaven benoemd: Het bevorderen van de woningbouwproductie om tegemoet te komen aan de snel groeiende woningbehoefte. Doel is om 20.000 woningen naar voren te halen in de periode 2016-2020. Nieuwe plekken voor woningbouw te zoeken, vooral in binnenstedelijk gebied. Transformatie en het benutten van (leegstaand) vastgoed spelen hier een belangrijke rol in. Het werken aan een gezonde en diverse woningmarkt. Doel is een 'complete metropool'. Aanvullend daaraan worden in dit RAP bouwstenen aangeleverd die gemeenten kunnen gebruiken bij het opstellen van de onderbouwing voor woningbouwplannen in het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De samenwerking op het gebied van wonen vindt plaats in drie deelregio's; Amsterdam, Amstel-Meerlanden en Zaanstreek-Waterland en in de versterkte samenwerking in de Metropoolregio Amsterdam. Waarbij actiepunten zijn geformuleerd over de beschikbaarheid van betaalbare woningen, woonruimteverdeling en het bevorderen van de bouwproductie. Consequenties voor dit plan Het regionaal beleid vormt geen belemmering voor dit plan.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Amsterdam 2040
Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 "Economisch Sterk en Duurzaam" (17 februari 2011) legt de gemeente Amsterdam zichzelf regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde. De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen, efficiënter omgaan met energie en vervoer zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast.
De ambities zijn om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, de haven en huidige bedrijventerreinen intensiever te gebruiken en ruimte te creëren voor waterberging.
Gemeente Amsterdam
blz. 32
Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de structuurvisie opgesteld. Het plan levert een bijdrage aan de woningbouwopgave en de ambitue om de huidige stad intensiever te gebruiken. 3.4.2
Koers 2025
De 'Structuurvisie Amsterdam 2040' (2011) schetst in grote lijnen hoe de vraag naar bouwlocaties opgevangen kan worden. Hierin staat de ambitie woningen toe te willen voegen door 'verdichting' en 'transformatie'. Amsterdam groeit elk jaar met gemiddeld 11.000 inwoners. Om deze groei mogelijk maken en de druk op de woningmarkt te verlichten is in het actieplan Woningbouw de ambitie geformuleerd om tot 2025 de bouw van 50.000 woningen binnen de stadsgrenzen mogelijk te maken, grotendeels door nieuwbouw en voor een gedeelte door transformatie. Koers 2025 is vastgesteld door college van B&W in juni 2016 en operationaliseert de Structuurvisie en het actieplan Woningbouw in een ontwikkelstrategie voor de stad tot 2025. Koers 2025 gaat in op welke locaties en onder welke condities en voorwaarden gebiedsontwikkeling en woningbouw wenselijk zijn. Consequenties voor dit plan Met voorliggend plan vindt transformatie en verdichting plaats. Een voormalig GGD pand wordt gesloopt en vervangen door woningbouw. 3.4.3
Woonagenda 2025
Op 20 juli 2017 heeft de gemeenteraad de Woonagenda 2025 vastgesteld. Uit de prognose van de woningbehoefte en de woningvoorraad blijkt dat in 2025 het grootste tekort zit in de gereguleerde huurvoorraad: een voorraad van 39% terwijl 49% van de huishoudens behoefte heeft aan deze woningen. De voorraad middeldure huur groeit volgens de prognose naar 9%, waardoor de voorraad meer in de buurt komt van de behoefte (11%). Er is in algemene zin behoefte aan huurwoningen. De woonagenda 2025 zet concreet in op de betaalbaarheid van woningen in Amsterdam, waarbij de komende jaren substantieel wordt ingezet op de bouw van sociale huurwoningen en huurwoningen in het middensegment. Amsterdam wil een inhaalslag maken en vooral bouwen voor huishoudens met een inkomen tot 1,5 maal modaal. Het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen is: 40% sociale huur 40% middelduur en 20% dure huur en koop. Aan de hand van spelregels voor woningbouwprogrammering wordt per plangebied bepaald welk programma gerealiseerd wordt. Consequenties voor dit plan Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van 15 - 17 woningen in het sociale segment. Hiermee wordt afgeweken van de Woonagenda 2025. Op basis van de spelregels, met name spelregel 8, wordt deze mogelijkheid geboden. Per ruimtelijk project wordt op gond van specifieke omstandigheden bepaald welk woningbouwprogramma wordt gerealiseerd. 3.4.4
Agenda Duurzaamheid
De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 33
kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid is uitgewerkt met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen, langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar. In de agenda zijn de volgende kwantitatieve doelen opgenomen: Duurzame energie: in 2020 wordt per inwoner 20% meer duurzame energie opgewekt dan in 2013; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie stikstof-dioxide 35% lager dan in 2015; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie roet 30% lager dan in 2015; Scheiden van afval: in 2020 wordt 65% van het huishoudelijk afval gescheiden; In 2025 is de CO2-uitstoot van de gemeente 45 procent minder dan in 2012. Circulaire economie Het thema circulaire economie is veelomvattend. Voor gebiedsontwikkeling ligt de focus op circulair bouwen en op de wijze waarop wordt omgegaan met huishoudelijk afval. Circulair bouwen Bij circulair bouwen gaat het om het slim omgaan met materialen en het rekening houden met veranderingen door de tijd. Het gebouw moet zich aan de tijd kunnen aanpassen net als de functie van het gebouw. Gebouwen dienen flexibel te kunnen worden heringericht.
Hergebruik van materialen verdient de voorkeur. Ook lokale materialen die zonder veel energie zijn te winnen, scoren relatief goed. Gebouwen zijn demontabel en materialen worden gedocumenteerd, zodat materialen elders kunnen worden hergebruikt. Hoogwaardige materialen die lang meegaan worden ingezet voor de schil van gebouwen met een lange levensduur. Bij het tenderen van kavels is circulair bouwen het onderscheidend criterium voor duurzaamheid. Duurzaamheid telt voor 1/3e mee bij de selectie van inschrijvingen. Daarvoor wordt op het moment van tenderen de laatste stand van zaken met betrekking tot deze maatlat gebruikt. Hierin worden de ervaringen met de MPG (MilieuPrestatieGebouwen) en de circulaire maatlat voor Buiksloterham meegenomen. Los daarvan bestaat een minimum-eis van een Epc (energieprestatiecoëfficiënt) van 0,15, conform de Amsterdamse standaard. Huishoudelijk afval De gemeente heeft in de Agenda Duurzaam Amsterdam het doel opgenomen om het scheidingspercentage voor huishoudelijk afval van 19% in 2013 omhoog te brengen naar 65% in 2020. Dit gebied sorteert voor op de nieuwe gemeentelijke afvalrichtlijnen voor nieuwbouwgebieden. Per afvalstroom is aangegeven per hoeveel huishoudens een afvalbak dient te worden geplaatst. Dit is opgenomen in het stedenbouwkundig plan 'Amstelkwartier 2e fase Weststrook' hoofdstuk 11, Beheer en exploitatie openbare ruimte.
Klimaatbestendigheid Voor een klimaatbestendig plan is een pakket van samenhangende maatregelen gedefinieerd. Dit zijn maatregelen die meestal zowel ten gunste komen aan de regenbestendigheid, hittebestendigheid en goed zijn voor de flora en fauna. De maatregelen hebben te maken met de aanwezigheid van groen, de mogelijkheid om water vast te houden in tijden van regen en om water te verdampen in tijden van hitte. In de huidige situatie is er een aantal groenvoorzieningen, dat positief werkt voor de klimaatbestendigheid: aanwezigheid park; aanwezigheid water in omgeving; bestaande bomen. Gemeente Amsterdam
blz. 34
Voorwaarden en aandachtspunten gebouwen Om de klimaatbestendigheid verder te verhogen, gelden de volgende randvoorwaarden voor de gebouwen: Daarmee hebben deze daken ook een functie voor de natuur. Bovendien kijken de gebruikers van de hogere gebouwen in de omgeving op de mooie intensief groene daken en genieten zo van een mooi uitzicht. Dit past ook bij het natuurinclusief bouwen. Consequenties voor dit plan Met voorliggend plan wordt de bouw van 15-17 woningen mogelijk gemaakt. Voorzover mogelijk en van toepassing wordt aangesloten op de Agenda Duurzaamheid. Dit wordt via de gronduitgifte geregeld. 3.4.5
Beleidsnotitie short-stay
Het Amsterdamse shortstaybeleid is erop gericht om voldoende woningen te bieden aan (voornamelijk buitenlandse) werknemers en Amsterdam zo aantrekkelijk te houden als vestigingslocatie voor bedrijven. Het verblijf van shortstayers in de stad mag echter niet ten koste gaan van de leefbaarheid in de buurt en van het aanbod van goedkope huurwoningen. Naar aanleiding van de evaluatie van het Shortstaybeleid in 2013 is besloten om geen nieuwe short-stayvergunningen meer verleend. Reeds verleende vergunningen lopen door op basis van de bestaande voorwaarden. Het aantal shortstay-appartementen was op 1 januari 2014 ongeveer 800. Hiermee is het streefgetal uit 2009 bereikt. De effecten van het nieuwe beleid worden in 2017 geëvalueerd. Voor shortstayvergunningen die voor 14 januari 2014 zijn verstrekt blijft de beleidsnotitie shortstay 2012 van kracht. Daarnaast biedt het uitvoeren van het short stay beleid een instrument om het te veel onttrekken van woningen te beperken. Met het vaststellen van het beleid kan er gehandhaafd worden. Consequenties voor dit plan Binnen de woonfuncties in het voorliggende bestemmingsplan wordt op basis van het voorgaande geen nieuwe short stay toegelaten. 3.4.6
Parkeerbeleid
Auto De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid. Parkeerbeleid heeft invloed op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar ze hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden. Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad, het lijken tegenstrijdige doelstellingen. Een oplossing om deze doelstellingen te verenigen, is het verplaatsen van een groot deel van de parkeerplaatsen op straat naar parkeergarages. In het Parkeerplan uit 2012 staat de aanpak om de auto minder op straat te parkeren, de openbare ruimte te verbeteren en het verkeer te laten doorstromen door het verminderen van zoekverkeer. In de Uitvoeringsagenda Mobiliteit is die lijn doorgetrokken met de aankondiging meer ruimte op straat te maken voor voetgangers en fietsers door de bouw van parkeergarages en het opheffen van parkeerplaatsen op straat. Parkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) garages op te lossen, door bestemmingsplan_Purmerweg 46 (vastgesteld)
blz. 35
ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Hiervoor heeft de gemeenteraad op 8 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Deze Nota is op 29 november 2017 gewijzigd vastgesteld. In de Nota staan beleidsregels en parkeernormen voor nieuwbouw- en transformatieplannen. Ook is aangegeven wanneer de regels en beleid worden toegepast. Het nieuwe beleid treedt in werking voor alle ontwikkelingen waarvoor de eerste grondprijsovereenkomst wordt gesloten, na moment van vaststelling van de nieuwe Nota Parkeernormen Auto. Over bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van de nota reeds zijn vastgesteld en waarin een eigen parkeernormering is opgenomen is aangegeven dat de parkeernorm van het bestemmingsplan het toetsingskader blijft. Dit geldt ook voor bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsverplichting is opgenomen en waarvan de uitwerking plaats vindt nadat de nota in werking is getreden. Het belangrijkste uitgangspunt van deze nota is dat bij nieuwbouw, bewoners en werknemers geen parkeervergunning krijgen. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oude beleid zijn: De verplichte minimumparkeernorm voor sociale woningbouw en middeldure huurwoningen komt te vervallen. De verplichte minimumparkeernorm voor vrije sectorwoningen wordt lager.
Waar in het oude beleid een minimumverplichting geldt van 0,6 tot 1 parkeerplaats per woning, is dit nu afhankelijk van de woninggrootte (< 30 m2 geldt een norm van 0,1-1 pp per woning, 30-60 m2 geldt een norm van 0,3-1 pp per woning en woningen >60 m2 geldt een norm van 0,6-1 pp per woning). Er komt in de hele stad een maximumparkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. Nu geldt in grote delen van de stad geen maximumparkeernorm. De verplichte minimumparkeernorm voor kantoren komt te vervallen er geldt nu alleen een maximumnorm. Voor voorzieningen wordt in het nieuwe beleid maatwerk geleverd. In de 'Nota Parkeernormen Auto' wordt voor parkeernormen onderscheid gemaakt in drie soorten typen locaties: A-, B-, en C-locaties genoemd. Onderhavig plangebied is aangemerkt als B-locatie. De B-locaties hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Voor sociale huur op B-locaties geldt geen minimale parkeernorm. Het maximum aantal parkeerplaatsen bedraagt 1 parkeerplaats per woning. Het parkeerbeleid kan in de toekomst wijzigen. Voor de toepassing van het parkeerbeleid dient op grond van de bepalingen van dit bestemmingsplan uitgegaan te worden van de meest recente versie van het vastgestelde en inwerking getreden beleid. Het parkeerbeleid is voor een ieder raadpleegbaar op internet.
Consequenties voor dit plan Voorliggend plan maakt de ontwikkeling van 15-17 sociale huurwoningen op een B-locatie mogelijk. Op basis van het parkeerbeleid geldt geen minimale parkeernorm. Wel geldt een maximum van 1 parkeerplaats per woning. Bij de uitwerking van het bouwplan zal hier rekening mee moeten worden gehouden. Parkeren fiets en scooter Op 14 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 vastgesteld. De nota 'Parkeernormen Fiets en Scooter' is het beleidskader op basis waarvan we bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stellen aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Deze eisen zijn
Gemeente Amsterdam
blz. 36
vertaald in bindende beleidsregels voor fietsen. Voor scooters zijn de normen voor parkeervoorzieningen niet bindende richtlijnen. Uitgangspunt voor zowel fiets- als scooterparkeren is dat dit op eigen terrein wordt geregeld, al dan niet inpandig. Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Het vaststellen van het minimaal vereiste aantal parkeerplekken is volgens de nota een fietsparkeereis, waarbij maatwerk wordt toegepast. Het Bouwbesluit 2012 verplicht ontwikkelaars om bij nieuwe woningen een individuele (fietsen)berging te realiseren, maar biedt ook ruimte voor gelijkwaardige alternatieven. In de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 wordt de voorkeur uitgesproken voor een gelijkwaardig alternatief; een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. Zo voorkomen we dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten. Consequenties voor dit plan Bij de uitwerking van het bouwplan zal aangesloten moeten worden op de eisen uit het bouwbesluit, dan wel de richtlijnen uit het parkeerbeleid 'fiets en scooter'. 3.4.7