CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6.Geo93-algemene bepalingen amsterdam verzameld a5-toegankelijk

RAAD 10 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsadres van een burger inzake herziening van het erfpachtstelsel. Nr. VN 2021-00648163.322 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 7 van 7

2

3

4

artikel 3 De Gemeente is bij de eerste uitgifte van het goed jegens den erfpachter tot vrijwaring gehouden in de gevallen en met de gevolgen, als in het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van den verkooper is bepaald.

5

artikel 4 Burgemeester en Wethouders kunnen, indien daartoe naar hun meening aanleiding bestaat, alvorens een voorstel tot uitgifte in behandeling te nemen, storting van een waarborgsom vorderen tot ten hoogste het bedrag van de vermoedelijke jaarlijksche pachtsom, onder door hen nader te bepalen voorwaarden, betreffende het eventueel vervallen van de waarborgsom ten bate van de Gemeente en betreffende eventueele terugbetaling of verrekening van die som.

176

 e erfpachter is bevoegd, de nog niet verschenen erfpachtstermijnen geheel D of gedeeltelijk af te koopen, met dien verstande, dat een canon van ten minste ƒ 1 per jaar voor ieder erfpachtsrecht verschuldigd blijft. De afkoop geschiedt bij onderhandsche akte, welke de Gemeente doet overschrijven in de openbare registers. De afkoopsom wordt door Burgemeester en Wethouders in overleg met den erfpachter bepaald op zoodanig bedrag als noodig is om de Gemeente schadeloos te stellen wegens derving van canon. Tusschentijdsche beëindiging van het erfpachtsrecht geeft geen recht op terugbetaling van een gedeelte van de afkoopsom, behoudens in geval van beëindiging van het recht, als bedoeld in art. 16 (het algemeen nut) en in art. 17 (afstand na weigering verlenging). Het bedrag, hetwelk in het geval, voorzien in het voorgaande lid, zal worden terugbetaald, zal gelijk zijn aan de afkoopwaarde van de erfpachtstermijnen, die na den datum van ingang der beëindiging van het erfpachtsrecht nog zouden moeten worden betaald, indien zij niet waren afgekocht en het recht niet tusschentijds ware beëindigd, welk bedrag zal worden berekend met gebruikmaking overigens van dezelfde factoren, als voor het bepalen van de afkoopsom hebben gegolden.

Indien het erfpachtsrecht en de opstallen met hypotheek zijn bezwaard, zullen de hypotheekhouders een zelfstandig vorderingsrecht hebben op de terugbetaling, bedoeld in het vorige lid, tot een bedrag als aan ieder van hen zou toekomen, indien het gold een verdeeling van den koopprijs in geval van executie van het erfpachtsrecht en de opstallen, gelijk dit bedrag door Burgemeester en Wethouders zal worden vastgesteld. De erfpachter zal op het overblijvende bedrag recht hebben.

artikel 7 1

 e erfpachter kan, nadat drie jaren zijn verstreken sedert de uitgifte van het D onroerende goed of sedert het tijdstip, waarop de akte betreffende een verlenging, als in dit artikel bedoeld, is verleden, doch uiterlijk drie jaren vóór het einde van het erfpachtsrecht, van den Gemeenteraad een beslissing vorderen omtrent de verlenging van het erfpachtsrecht met een termijn, ten hoogste gelijk aan dien, welke reeds sedert de erfpachtsuitgifte of de laatstelijk plaats gehad hebbende verlenging van het erfpachtsrecht is verstreken.

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

177

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

2

3

4

5

6

7

8

9



178

 ij richt daartoe een met redenen omkleed schrijven tot Burgemeester en H Wethouders, onder vermelding van het aantal jaren, waarvoor de verlenging gevraagd wordt. Binnen zes maanden nadat een schrijven, als bedoeld in het voorgaande lid, is ingekomen, berichten Burgemeester en Wethouders den erfpachter, welk voorstel zij voornemens zijn ter zake bij den Gemeenteraad in te dienen. Indien dat voorstel strekt tot geheele of gedeeltelijke inwilliging, doen Burgemeester en Wethouders daarbij mededeeling van het bedrag, dat zij als canon voor den duur der verlenging zullen voorstellen, alsmede van de algemeene bepalingen, welke niet van toepassing zullen zijn, en van de bijzondere bepalingen, welke worden gesteld. Indien Burgemeester en Wethouders den erfpachter hebben bericht, dat zij niet bereid zijn bij den Gemeenteraad een voorstel tot verlenging van den erfpachtstermijn tot den door den erfpachter gevraagden tijdsduur in te dienen, of indien de erfpachter bezwaren heeft, hetzij tegen het bedrag van den gevraagden canon, hetzij tegen de bijzondere bepalingen, kan de erfpachter binnen drie maanden na de ontvangst van het in het vorige lid bedoelde bericht zijn verzoek rechtstreeks bij den Gemeenteraad indienen.

Indien de erfpachter niet binnen drie maanden na de ontvangst van het in het derde lid bedoelde bericht in een aan Burgemeester en Wethouders gericht schrijven verklaart, zich met het door Burgemeester en Wethouders bij den Gemeenteraad in te dienen voorstel te kunnen vereenigen, noch gehandeld heeft op de wijze als in het vorige lid bedoeld, wordt zijn verzoek geacht te zijn vervallen. Indien de erfpachter gehandeld heeft op de wijze als in het vierde lid bedoeld, neemt de Gemeenteraad geen beslissing, dan nadat ter zake het advies is ingewonnen van een uit zijn midden benoemde commissie van ten minste drie personen, welke commissie zich doet voorlichten door het college van deskundigen, bedoeld in art. 29. Het advies der commissie en de conclusie van het college van deskundigen worden overgelegd bij de desbetreffende voordracht aan den Raad en ter kennis van den betrokken erfpachter gebracht. Bij de bepaling van den canon voor den duur der verlenging wordt in geen geval rekening gehouden met de waarde van de door den erfpachter uitgevoerde werken. De verlenging van het erfpachtsrecht geschiedt bij akte, te verlijden ten overstaan van een van gemeentewege, na overleg met de wederpartij, aan te wijzen notaris.

artikel 8 De erfpachter is verplicht, het bedrijf, tot de uitoefening waarvan de grond met de daarop gebouwde opstallen krachtens de akte van uitgifte bestemd is, binnen drie jaren na den datum van die akte in werking te stellen.

artikel 9 Het is den erfpachter niet geoorloofd: a. in het gebruik van het goed en van de daarop te stichten opstallen verandering te brengen zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, welke vergunning ook voor bepaalden tijd of tot wederopzegging kan worden verleend; b. het bedrijf, tot de uitoefening waarvan de grond met de daarop gebouwde opstallen bestemd is, langer dan drie achtereenvolgende jaren buiten werking te laten; c. het hem in erfpacht uitgegeven goed te splitsen en zijn recht op een gedeelte daarvan over te dragen zonder medewerking en voorafgaande schriftelijke goedkeuring van Burgemeester en Wethouders, die alsdan de pachtsom zullen vaststellen, welke voor elk der gedeelten zal moeten worden voldaan; d. het erfpachtsrecht en het op het hem in erfpacht uitgegeven goed gebouwde te splitsen in appartementen, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van Burgemeester en Wethouders, door wie desgevraagd en zo daartoe naar hun mening termen bestaan, in afwijking van het bepaalde bij art. 5, zal worden vastgesteld, voor welk gedeelte der pachtsom iedere medegerechtigde tot het erfpachtsrecht aansprakelijk zal zijn.

artikel 10 1

De erfpachter heeft het recht, een beslissing van den Gemeenteraad te vragen: a. indien Burgemeester en Wethouders op een verzoek om vergunning, als bedoeld in art. 9, onder a, niet hebben beslist binnen drie maanden nadat dit bij het Gemeentebestuur is ingekomen, indien de vergunning door Burgemeester en Wethouders wordt geweigerd, of indien de erfpachter zich bezwaard gevoelt door den aan een vergunning verbonden termijn of door de daaraan verbonden voorwaarden; b. indien Burgemeester en Wethouders op een verzoek om medewerking, als bedoeld in art. 9, onder c, niet hebben beslist binnen drie maanden na indiening van het verzoek, indien de gevraagde medewerking door Burgemeester en Wethouders wordt geweigerd, of indien de erfpachter bezwaar heeft tegen de voor elk der gedeelten vastgestelde pachtsom. c. indien Burgemeester en Wethouders op een verzoek om goedkeuring of vaststelling, als bedoeld in art. 9, onder d, niet hebben beslist binnen drie

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

179

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

2

3

maanden na de indiening van het verzoek, indien de gevraagde goedkeuring of vaststelling door Burgemeester en Wethouders wordt geweigerd, of indien de erfpachter bezwaar heeft tegen het voor elk appartement vastgestelde gedeelte der pachtsom. De Gemeenteraad beslist omtrent het verleenen van de vergunning of medewerking en de daaraan te verbinden voorwaarden, na ingewonnen advies van een uit zijn midden benoemde commissie van ten minste drie personen, welke commissie zich doet voorlichten door het college van deskundigen, nader omschreven in art. 29. De adviezen van de commissie en van het college van deskundigen worden door Burgemeester en Wethouders met hun advies ter zake aan den Raad overgelegd en ter kennis van den betrokken erfpachter gebracht.

artikel 11 1

2

3

4

 e betaling der pachtsom geschiedt zonder eenige korting uit welken hoofde D ook, bij vooruitbetaling in halfjaarlijksche termijnen, op de vervaldagen, in de akte van uitgifte te bepalen, en ter plaatse, door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen. Alle rijks-, provinciale, gemeente- of waterschapslasten, alsmede alle andere lasten, welke op of ter zake van den eigendom van den grond worden geheven, komen ten laste van den erfpachter. De lasten, die de Gemeente voor den erfpachter mocht hebben betaald, komen in meerdering van den eerstvolgenden te betalen termijn der pachtsom en worden geacht daarmede één geheel uit te maken. Heeft een betaling van het aan de Gemeente verschuldigde niet plaats gehad binnen 14 dagen na den vervaldag, dan zal een boete verschuldigd zijn ten bedrage van 1/2% van den verschuldigden termijn. Deze boete zal voor elke volle maand, waarmede de betaling wordt uitgesteld na verloop van bedoelde 14 dagen, genoemd in den voorgaanden zin, met 1/2 % van den verschuldigden termijn worden verhoogd. Indien afkoop van de nog niet verschenen erfpachtstermijnen, overeenkomstig art. 6, heeft plaats gehad, zal in afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid, indien de jaarlijksche pachtsom ƒ 100 of minder bedraagt, in plaats van 1/2 % van den verschuldigden termijn, telkens een boete verschuldigd zijn van ƒ 1.

artikel 13 1

2

3

4

5

artikel 14 1

artikel 12 De erfpachter vrijwaart de Gemeente voor alle vergoeding van kosten, schade en interessen, waartoe zij, ingevolge het bepaalde bij art. 1405 van het Burgerlijk Wetboek, wegens de geheele of gedeeltelijke instorting van de, op den in erfpacht uitgegeven grond staande, opstallen mocht worden veroordeeld.

180

De erfpachter is verplicht, zich te onthouden van al datgene, wat: a. ten gevolge kan hebben, dat derden op den grond en op de opstallen zakelijke of persoonlijke rechten verkrijgen, welker voortbestaan niet afhankelijk is van het bestaan van het erfpachtsrecht; b. een overgang van het erfpachtsrecht kan veroorzaken of tengevolge hebben, waardoor de bepalingen van het erfpachtscontract op dat erfpachtsrecht niet van toepassing zouden zijn. Overdracht van het erfpachtsrecht in zijn geheel of voor een onverdeeld aandeel, splitsing van het erfpachtsrecht, verdeling van de pachtsom bij splitsing in appartementen breng in een vennootschap, alsmede scheiding van dat recht tusschen gezamenlijke rechthebbenden, moet bij authentieke akte geschieden. Van overgang van het erfpachtsrecht, waaronder voor de toepassing dezer voorwaarden mede begrepen wordt overgang ten gevolge van inbreng in een vennootschap en van scheiding, wordt binnen zes maanden aan Burgemeester en Wethouders kennis gegeven onder overlegging van bewijsstukken, waaruit die overgang blijkt, alsmede van een behoorlijk ingevulde en onderteekende verklaring, opgemaakt volgens formulier A, behoorende bij deze bepalingen, en een authentiek afschrift of uittreksel van den in de openbare registers overgeschreven titel, hetwelk ook de dagteekening, het deel en het nummer der overschrijving vermeldt.

Zoolang een kennisgeving, als bedoeld in het voorgaande lid, niet is gedaan, alsmede indien het voorschrift, vervat in het tweede lid, niet in acht is genomen, kan de erfpachter aan het feit van den overgang geenerlei rechtsgevolg tegenover de Gemeente ontleenen. De erfpachter is verplicht, bij splitsing in appartementen van het erfpachtsrecht en het op het hem in erfpacht uitgegeven goed gebouwde aan de Gemeente een afschrift dersplitsingsakte te verstrekken.

2

Indien het erpachtsrecht en/of de opstallen met hypotheek zijn bezwaard, zal de hypotheekhouder het in de openbare registers ingeschreven borderel aan Burgemeester en Wethouders toonen, met overgifte van een authentiek afschrift der akte van hypotheekverleening, alsmede een afschrift van het borderel en een verklaring, opgemaakt volgens formulier B, behoorende bij deze bepalingen, waarbij de hypotheekhouder verzoekt, het te zijnen behoeve in de artt. 6, 5de lid, 18, 4de en 8ste lid, 19, 3de en 4de lid, 26, 2de lid, 27 en, voor zoover hij eerste hypotheekhouder is, het in de artt. 17, 1ste lid, en 28 bepaalde te zijnen aanzien van toepassing te achten. De in het voorgaande lid genoemde artikelen zullen niet van toepassing zijn

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

181

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

ten opzichte van hypotheekhouders, die de in het vorige lid genoemde stukken niet hebben getoond en ingeleverd.

artikel 18 1

artikel 15 Indien het erfpachtsrecht eindigt door het verstrijken van den termijn, waarvoor het recht is verleend, kan de Gemeente vorderen, dat het terrein alsdan wordt opgeleverd, ontdaan van opstallen en zooveel mogelijk in den toestand, waarin het werd uitgegeven.

artikel 16 1

2

 an het erfpachtsrecht kan te allen tijde bij raadsbesluit een einde worden A gemaakt, indien de Gemeenteraad zal hebben bepaald, dat het algemeen nut de beëindiging tegen een in het desbetreffende besluit genoemden datum wenschelijk maakt. Tusschen dien datum en den datum van het raadsbesluit zal een termijn van ten minste drie jaren liggen.

artikel 17 1

2

3

 e erfpachter kan met medewerking van den eerst ingeschreven D hypotheekhouder van zijn recht afstand doen, indien de Gemeenteraad op een verzoek om verlenging van het erfpachtsrecht, als bedoeld in art. 7, afwijzend heeft beschikt, dan wel voor den duur der verlenging een hoogere canon of bezwarender bepalingen worden gesteld, dan waartoe het college van deskundigen, nader omschreven in art. 29, ingevolge het 6de lid van genoemd art. 7, adviseert. De afstand van het erfpachtsrecht, bedoeld in het vorige lid, geschiedt bij, mede door den in het vorige lid bedoelden hypotheekhouder onderteekende, schriftelijke verklaring aan het Gemeentebestuur volgens formulier C, behoorende bij deze bepalingen, binnen drie jaren na dagteekening van het raadsbesluit, bedoeld in het vorige lid, tegen een door den erfpachter te bepalen tijdstip, hetwelk zoodanig door hem moet worden vastgesteld, dat tusschen bedoeld tijdstip en de inzending der verklaring een termijn van ten minste drie jaren wordt gelaten, met dien verstande, dat het tijdstip moet vallen binnen den termijn, waarvoor het erfpachtsrecht was verleend. De erfpachter zal het goed op het in de verklaring genoemde tijdstip geheel vrij en ontdaan van de na de uitgifte gestichte opstallen opleveren, zooveel mogelijk in den toestand, waarin het werd uitgegeven.

2

3

4

5

6

182

 nverminderd de bijzondere straffen, gesteld op niet-voldoening aan een der O bepalingen, welke voor het erfpachtsrecht gelden, kan het erfpachtsrecht of het onverdeelde aandeel in het erfpachtsrecht, voor het geval, dat splitsing in appartementen, als bedoeld in art. 9, onder d, heeft plaats gevonden, bij besluit van den Gemeenteraad worden vervallen verklaard: a. indien de erfpachter gedurende een tijdsverloop van zes maanden in gebreke is gebleven, het ter zake van de erfpacht verschuldigde te voldoen en hij tot betaling per deurwaardersexploit is aangemaand; b. in geval een gebruik van den grond en den opstal in strijd met hetgeen voorgeschreven is, wordt voortgezet, niettegenstaande bij deurwaardersexploit is aangezegd, zoodanig gebruik te staken; c. indien het erfpachtsrecht is gesplitst zonder inachtneming van het bepaalde in art. 9, onder c of het erfpachtsrecht en het op het in erfpacht uitgegeven goed gebouwde zijn gesplitst in appartementen zonder inachtneming van het bepaalde in art.

9, onder d, en op de splitsingen goedkeuring niet alsnog wordt verkregen, nadat de overtreding van genoemd voorschrift bij deurwaardersexploit aan den erfpachter is aangezegd; d. indien overgang van het erfpachtsrecht heeft ten gevolge gehad, dat de bepalingen van het erfpachtscontract niet op het erfpachtsrecht van toepassing zijn en deze na een aan den erfpachter bij deurwaardersexploit beteekende sommatie daarop niet alsnog van toepassing zijn verklaard. De exploiten, bedoeld in het voorgaande lid, geschieden op kosten van den erfpachter, tenzij de erfpachter bij het verzet, bedoeld in het 5de lid van dit artikel, in het gelijk wordt gesteld. Een voordracht, strekkende tot vervallenverklaring, zal aan den Gemeenteraad niet kunnen worden gedaan binnen een termijn van 3 maanden na beteekening van een exploit, als bedoeld in het 1ste lid van dit artikel onder a, b, c en d. Van de beteekening van zoodanig exploit wordt binnen 8 dagen kennis gegeven aan de hypotheekhouders op het erfpachtsrecht en de opstallen, aan het door hen, ingevolge art. 1231 jo art. 1234 van het Burgerlijk Wetboek gekozen domicilie. Tegen zoodanig exploit kan de erfpachter binnen 14 dagen schriftelijk bij Burgemeester en Wethouders in verzet komen. Dit verzet houdt in de gronden, waarop het steunt.

Burgemeester en Wethouders lokken op dit verzet een voor partijen bindend advies uit van het college van deskundigen, nader omschreven in art. 29. Wordt daarbij de erfpachter in het ongelijk gesteld, dan begint de termijn van drie maanden, bedoeld in het 3de lid van dit artikel, te loopen van den dag,

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

183

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

7

8

9

10

waarop het advies ter kennis van den erfpachter is gebracht. De voordracht, in het 3de lid van dit artikel bedoeld, wordt door den Gemeenteraad in behandeling genomen binnen twee maanden, nadat deze bij hem is ingekomen. Indien de grond van de voorgenomen vervallenverklaring door den erfpachter, door een der ingeschreven hypotheekhouders of door derden wordt weggenomen vóór den dag, voorafgaande aan dien, waarop de Raad de voordracht in behandeling neemt, en tevens zijn voldaan de kosten van de exploiten en die, welke zijn verbonden aan het uitbrengen van een advies door het college van deskundigen, nader omschreven in art. 29, zullen Burgemeester en Wethouders hiervan kennis geven aan den Gemeenteraad, die de in het 3de lid van dit artikel bedoelde voordracht alsdan buiten verdere behandeling zal stellen. Het raadsbesluit, waarbij de vervallenverklaring wordt uitgesproken, stelt den datum vast, waarop het goed en de opstallen ter vrije beschikking van de Gemeente moeten worden gesteld, en wordt geacht volledig bewijs op te leveren van het bestaan van een der feiten, genoemd in het 1ste lid van dit artikel, alsmede van het vervuld zijn van alle formaliteiten ten deze gesteld, welke feiten ieder voor zich zullen gelden als ontbindende voorwaarde voor de erfpachtsovereenkomst. In het geval, dat splitsing in appartementen, als bedoeld in art.

9, onder d, heeft plaats gevonden, zal vervallenverklaring van het gehele erfpachtsrecht wegens het in het 1ste lid onder b genoemde gebruik slechts plaats vinden, indien het daarbedoelde gebruik betrekking heeft op een, blijkens de akte van splitsing in appartementen, gemeenschappelijk gedeelte.

artikel 19 1

2 3

184

 nverminderd het bepaalde in het voorgaande artikel heeft de Gemeente te O allen tijde het recht, in de gevallen, in het 1ste lid van het voorgaande artikel, onder a, b, c en d omschreven, de ontbinding der overeenkomst of de vervallenverklaring van het erfpachtsrecht met of zonder schadevergoeding in rechte te vragen. In het geval, in het voorgaande lid omschreven, is art. 1302, 4de lid, van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk. Een vordering tot ontbinding der overeenkomst of tot vervallenverklaring van het erfpachtsrecht, als in het 1ste lid van dit artikel bedoeld, zal niet kunnen worden ingesteld binnen een termijn van 3 maanden na beteekening van een exploit, als bedoeld in het 1ste lid van art. 18, onder a, b, c en d, gedurende welken termijn de erfpachter van de bevoegdheid, hem toegekend in het 5de lid van art. 18, kan gebruik maken. De kosten van een exploit, als bedoeld in dit lid, worden gedragen overeenkomstig de bepaling van het 2de lid van art.

4

18, terwijl aan de hypotheekhouders, in het 4de lid van dat artikel bedoeld, een kennisgeving zal worden gedaan, als aldaar nader is omschreven. De grond van de voorgenomen ontbinding of vervallenverklaring zal onder de in het 8ste lid van art. 18 gestelde bepalingen kunnen worden weggenomen tot op den dag, waarop het vonnis, strekkende tot ontbinding der overeenkomst of vervallenverklaring van het erfpachtsrecht, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, mits dan tevens aan de Gemeente alle kosten zullen zijn vergoed, welke deze, in verband met de inroeping van rechterlijke tusschenkomst, mocht hebben beloopen.

artikel 20 Indien het erfpachtsrecht op een der wijzen als bedoeld in de artt. 15, 16, 17, 18 en 19 is geëindigd, zal de Gemeente daarvan aanteekening laten doen in de openbare registers.

artikel 21 1

2

3

4

5

6

In geval van beëindiging van het erfpachtsrecht door het verstrijken van den termijn, als bedoeld in art. 15, alsmede door afstand van het recht, als bedoeld in art. 17, kan de erfpachter ontheven worden van de verplichting tot slooping der opstallen. Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek tot het Gemeentebestuur uiterlijk drie jaren vóór het verstrijken van den termijn, bedoeld in art. 15, dan wel gelijktijdig bij het indienen van de verklaring van afstand, bedoeld in art. 17. Het verzoek zal worden ingewilligd, indien aannemelijk is, dat een nieuwe gegadigde zal worden gevonden, aan wien bij de hernieuwde uitgifte de opstallen zullen kunnen worden overgedragen. In geval van inwilliging van een verzoek, als bedoeld in het vorige lid, zal de erfpachter uiterlijk drie maanden vóór het eindigen van het recht zekerheid stellen tot een door de Gemeente te bepalen bedrag voor de kosten van onderhoud en voor de betaling van de op de opstallen drukkende lasten, alsmede voor de kosten van slooping. De Gemeente aanvaardt, nadat het erfpachtsrecht zal zijn geëindigd, geen aansprakelijkheid voor waardevermindering of te niet gaan van de opstallen, door welke oorzaak ook ontstaan.

De Gemeente is, nadat het erfpachtsrecht zal zijn geëindigd, te allen tijde bevoegd, tot slooping van de opstallen over te gaan en de door haar gemaakte kosten en betaalde lasten met de gestorte waarborgsom te verrekenen. Hetgeen na aftrek van die waarborgsom en van de opbrengst der slooping overblijft, wordt aan den vroegeren erfpachter of diens rechtverkrijgende uitbetaald.

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

185

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

artikel 22 1

2

Indien het erfpachtsrecht of het onverdeelde aandeel in het erfpachtsrecht, voor het geval, dat splitsing in appartementen, als bedoeld in art. 9, onder d, heeft plaats gevonden, ingevolge het bij art. 18 bedoelde besluit of ingevolge de bij art. 19 bedoelde rechterlijke uitspraak, is geëindigd, zal de Gemeente naar haar keuze, in openbare veiling of bij publieke inschrijving, een – ook wat den duur betreft – in alle opzichten gelijk recht op den grond en den opstal verkoopen, als door den erfpachter, wiens recht is vervallen verklaard, daarop kon worden uitgeoefend. Indien zich in openbare veiling voor zoodanig recht geen kooper opdoet, zal de Gemeente van de verplichting tot hernieuwde uitgifte zijn ontheven, zonder tot eenige uitkeering gehouden te zijn.

artikel 23 1

2

3

4

5

6

7

186

Indien aan het erfpachtsrecht een einde wordt gemaakt krachtens het bepaalde in art. 16 (het algemeen nut), zal de Gemeente vergoeden de schade, welke het gevolg is van de beëindiging van het recht. Wordt ten aanzien van deze vergoeding geen overeenstemming tusschen partijen verkregen, dan wordt het bedrag van de schadeloosstelling bepaald door drie scheidslieden, wier uitspraak voor partijen bindend is. De aanwijzing van de in het vorige lid van dit artikel bedoelde scheidslieden geschiedt op aanzegging van Burgemeester en Wethouders, zoo mogelijk in eenstemmigheid tusschen Burgemeester en Wethouders eenerzijds en den erfpachter, ten behoeve van wiens goed de aanwijzing plaats vindt, anderzijds. Indien, ter zake van de aanwijzing van scheidslieden, partijen niet tot overeenstemming kunnen geraken binnen één maand na dagteekening van de aanzegging, bedoeld in het vorige lid, zal binnen 6 weken na genoemde dagteekening één scheidsman moeten zijn aangewezen door ieder der partijen. De beide aldus aangewezenen zullen binnen drie maanden na dagteekening van de aanzegging, in het 2de lid van dit artikel genoemd, een derden scheidsman hebben aan te wijzen. De aanwijzing van een scheidsman door de Gemeente wordt schriftelijk ter kennis van den erfpachter gebracht. De aanwijzing van een scheidsman door den erfpachter wordt schriftelijk ter kennis van de Gemeente gebracht.

Van de aanwijzing van den derden scheidsman wordt schriftelijk kennis gegeven gelijktijdig aan de Gemeente en aan den erfpachter. Indien binnen den termijn, gesteld in het 4de lid van dit artikel, door den erfpachter de aanwijzing van den scheidsman niet schriftelijk ter kennis van de Gemeente is gebracht, zal de Gemeente den President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam verzoeken, dien scheidsman,

8

9 10

11

alsmede den derden scheidsman, zoo spoedig mogelijk aan te wijzen. Indien binnen den termijn, gesteld in het 5de lid van dit artikel, de aanwijzing van den derden scheidsman niet ter kennis is gebracht overeenkomstig de laatste zinsnede van het 6de lid van dit artikel, zal de meest gereede partij den President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam verzoeken, den derden scheidsman zoo spoedig mogelijk aan te wijzen. De uitspraak der scheidslieden moet ter kennis van partijen worden gebracht binnen twee maanden na de aanwijzing van den derden scheidsman. Zoo dikwijls aan het bepaalde in het voorgaande lid niet is voldaan, zal zoo spoedig mogelijk na afloop van den aldaar gestelden termijn de meest gereede partij den President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam verzoeken, zoo spoedig mogelijk drie nieuwe scheidslieden te benoemen. De kosten, op een uitspraak van scheidslieden vallende, worden voor de helft door de Gemeente en voor de andere helft door den erfpachter gedragen.

artikel 24 1

Indien het erfpachtsrecht is geëindigd door het verstrijken van den termijn, als bedoeld in art. 15, dan wel door afstand, als bedoeld in art. 17, en indien de erfpachter, met inachtneming van het bepaalde in art. 21, is vrijgesteld van de verplichting tot slooping der opstallen, zal de koopprijs, welke bij hernieuwde uitgifte van den grond eventueel kan worden bedongen voor het recht op de opstallen, door de Gemeente worden uitgekeerd, onder aftrek van haar ter zake van den verkoop gemaakte kosten en onder aftrek van andere ter zake van de opstallen gemaakte kosten en betaalde lasten, voor zoover die niet kunnen worden verhaald op de waarborgsom, bedoeld in art. 21.

artikel 25 Indien het recht op den grond en de opstallen, met inachtneming van het bepaalde in art. 22, in openbare veiling of bij inschrijving is verkocht, zal de opbrengst, verminderd met hetgeen verschuldigd is wegens achterstalligen canon en daarop gevallen boeten, met alle kosten, verbonden aan den verkoop, alsmede met de kosten, voorafgaande aan en in verband met de vervallenverklaring of ontbinding gemaakt, door de Gemeente worden uitgekeerd.

artikel 26 1

2

 e vergoeding en uitkeering, bedoeld in de artt. 23, 24 en 25, geschieden D tegen volledige kwijting aan den erfpachter, wiens recht is geëindigd, of diens rechtverkrijgenden, onder voorbehoud nochtans van het bepaalde in het 2de lid van dit artikel. Indien het erfpachtsrecht en de opstallen met hypotheek waren bezwaard,

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

187

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

3

zullen de opbrengst, bedoeld in art. 21, 6de lid, de schadeloosstelling, bedoeld in art. 23, de bedongen koopprijs, bedoeld in art. 24, en de opbrengst, bedoeld in art. 25, alleen worden verminderd met het bedrag van den achterstalligen canon en van de boete, bedoeld in art. 11, 3de en 4de lid; op het overblijvende zullen de hypotheekhouders een zelfstandig vorderingsrecht hebben tot een bedrag, als aan ieder van hen zou toekomen, indien het gold een verdeeling van den koopprijs in geval van executie van het erfpachtsrecht en de opstallen, gelijk dit bedrag door Burgemeester en Wethouders zal worden vastgesteld. De erfpachter of diens rechtverkrijgenden zal (zullen) op het overblijvende bedrag recht hebben. Geen betaling, als in dit artikel bedoeld, zal geschieden, voordat het terrein en de opstallen geheel vrij ter beschikking van de Gemeente zijn gesteld.

Indien na het eindigen van het erfpachtsrecht de in erfpacht uitgegeven gronden en de daarop staande opstallen niet vrijwillig worden ontruimd, zal de Gemeente de ontruiming uit krachte van de grosse der akte van uitgifte kunnen doen bewerkstelligen.

artikel 31 Voor zooveel in de bepalingen, waaronder een erfpachtsuitgifte heeft plaats gevonden, een termijn is gesteld of naar een termijn wordt verwezen, zal de Gemeente nimmer tot eenige ingebrekestelling of gerechtelijke aanmaning gehouden zijn, doch zal de erfpachter steeds in gebreke zijn enkel door het verloop van den termijn.

artikel 27

artikel 32

1

1

2

Indien de Gemeente, uitgezonderd in de gevallen, bij de artt. 16, 17, 18 en 19 voorzien, tot een overeenkomst medewerkt, of een rechtshandeling verricht, waardoor het erfpachtsrecht ten nadeele van hypotheekhouders eindigt, is zij tegenover dezen gehouden tot vergoeding van de kosten, schaden en interessen, voortspruitende uit het eindigen van het erfpachtsrecht. De Gemeente is tot bedoelde vergoeding eveneens gehouden, indien zij een erfstelling of legaat, waarin een door haar verleend erfpachtsrecht begrepen is, niet verwerpt.

artikel 28

2 3

 oo dikwijls volgens de bepalingen, welke voor het erfpachtsrecht gelden, Z stukken aan Burgemeester en Wethouders moeten worden ingeleverd, wordt van die inlevering door of namens hen een bewijs afgegeven. Indien zoodanig bewijs van ontvangst niet kan worden getoond, zal aan de Gemeente de inlevering van stukken niet kunnen worden tegengeworpen. In bijzondere gevallen, waarin daartoe naar hun oordeel termen zijn, kunnen Burgemeester en Wethouders verlenging van de bepaalde termijnen voor inlevering van stukken of afwijking van de bij deze bepalingen behoorende formulieren toestaan.

Slechts bij onderlinge overeenstemmening tusschen Gemeente en erfpachter, alsmede den eerst ingeschreven hypotheekhouder, waarvan schriftelijk moet blijken, zal: a. een schadeloosstelling, als omschreven in art. 23, worden bepaald, zonder tusschenkomst van scheidslieden; b. een wijziging kunnen worden gebracht in de algemeene en bijzondere bepalingen, welke bij de uitgifte respectievelijk toepasselijk zijn verklaard en gesteld.

artikel 33

artikel 29

2

1 2

3

188

artikel 30

 et college van deskundigen, bedoeld in de artikelen 7, 10,17, 18 en 33, H bestaat uit negen personen. De leden van het onder 1 bedoelde college, worden door den Gemeenteraad benoemd. Drie van hen treden bij toerbeurt om de drie jaar af. De aftredenden kunnen onmiddellijk worden herbenoemd. In het geval, bedoeld in art. 18, lid 6 en 8, komen de kosten van het college van deskundigen voor rekening van den erfpachter. In alle overige gevallen worden deze kosten door de Gemeente gedragen.

1

3

4

 ij elke niet-nakoming van een der verplichtingen, welke den erfpachter ter B zake van de hem verleende erfpacht zijn opgelegd, verbeurt deze, hetzij hij de erfpachter is, aan wien oorspronkelijk het erfpachtsrecht door de Gemeente is verleend, hetzij hij dezen krachtens algemeenen of bijzonderen titel in dat recht is opgevolgd, een door Burgemeester en Wethouders op te leggen en te bepalen boete tot een maximum van tien maal het bedrag van de jaarlijksche pachtsom ten bate van de gemeentekas, te betalen binnen één maand na daartoe strekkende aanmaning van Burgemeester en Wethouders. De verplichting tot betaling van een boete, als bedoeld in het 1ste lid van dit artikel, is persoonlijk. Een boete, als bedoeld in het 1ste lid van dit artikel, kunnen Burgemeester en Wethouders kwijtschelden of, indien ze reeds is betaald, teruggeven, indien daarvoor naar hun meening reden aanwezig is. Tegen het opleggen van een boete, als bedoeld in het 1ste lid van dit artikel, kan de erfpachter in beroep komen bij den Gemeenteraad. Deze neemt op een ingesteld beroep geen beslissing dan na ingewonnen advies van een uit

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

189

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

FORMULIER A* zijn midden benoemde commissie van ten minste drie personen, welke commissie zich doet voorlichten door het college van deskundigen, bedoeld in art. 29. Wordt de erfpachter in zijn beroep in het ongelijk gesteld, dan begint de termijn van één maand, gesteld in het 1ste lid van dit artikel, te loopen van den dag der beslissing door den Gemeenteraad af.

artikel 34 Voor zooveel in de bepalingen, waaronder de erfpachtsuitgifte heeft plaats gevonden, aan Burgemeester en Wethouders eenige bijzondere bevoegdheid is toegekend, laat deze bevoegdheid onaangetast het recht der Gemeente, alle andere rechtsmiddelen of vorderingen, welke haar ten dienste staan of toekomen, aan te wenden of in te stellen, voor zoover deze bevoegdheid niet uitdrukkelijk is beperkt.

artikel 35 Ter zake van de erfpacht moet de erfpachter bij de akte van uitgifte domicilie kiezen binnen de gemeente Amsterdam. Het staat den erfpachter altijd vrij, in de plaats van een vroeger gekozen domicilie een ander binnen de gemeente Amsterdam te kiezen, mits hiervan aan de Gemeente worde kennis gegeven bij deurwaardersexploit.

artikel 36 Alle kosten en rechten, vallende op een uitgifte, splitsing of verlenging of verdeling van de pachtsom bij splitsing in appartementen, waaronder begrepen die van het aan de Gemeente te verstrekken, op zegel gestelde afschrift der desbetreffende akte en alle kosten en rechten der kadastrale opmeting van het onroerende goed zullen door den erfpachter worden gedragen.

artikel 37 De bepalingen, waaronder de erfpachtsuitgifte heeft plaats gevonden, zullen mede van toepassing zijn op de onverdeelde aandelen in het erfpachtsrecht afzonderlijk, voor het geval, dat splitsing in appartementen, als bedoeld in art. 9, onder d, heeft plaats gevonden, voor zover deze bepalingen niet uitsluitend van toepassing zijn op het erfpachtsrecht in zijn geheel.

De ondergeteekende(n)

(naam, beroep, woonplaats) verklaart het erfpachtsrecht dat , verleend op verklaren, een onverdeeld gedeelte in het erfpachtsrecht het onroerend goed, bij het kadaster bekend als gemeente , Sectie

, aan ,

voor den Notaris en overgeschreven ten kantore van de Hypotheken en het Kadaster te Amsterdam, den

, in deel

, No.

,

, No.

,

uit krachte van: (omschrijving van den titel)

overgeschreven ten kantore van de Hypotheken en het Kadaster te Amsterdam, den , in deel hem ondergeteekende is overgegaan op onder dezelfde bepalingen, hen ondergeteekenden als daarop ten tijde van den overgang ingevolge de bepalingen van de akte van uitgifte van toepassing waren, zoodat alle rechten en verplichtingen, welke uit de gemelde akte van uitgifte voor den erfpachter voortvloeien, sedert den hem ondergetekeende. komen ten bate en ten laste van hen ondergetekeenden.

Amsterdam, den

*

190

, No.

door de gemeente Amsterdam bij akte, verleden den

Behoort bij art. 13 der Algemeene bepalingen voor tijdelijke erfpacht voor industrieele doeleinden.

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

191

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

FORMULIER B*

FORMULIER C*

De ondergeteekende(n)

De ondergeteekende(n)

(naam, beroep, woonplaats)

(naam, beroep, woonplaats) verklaart, dat hij/zij afstand doet/doen van het erfpachtsrecht, verleend verklaren

uit kracht der akte van hypotheekverleening, verleden den voor den Notaris

, ingeschreven

ten kantore van de Hypotheken en het Kadaster te Amsterdam, den

, in deel

, No.

, houder(s)

van een hypotheek op het recht van erfpacht, verleend door de gemeente Amsterdam bij akte, verleden den Notaris

voor den , aan

,

op het onroerend goed, bij het Kadaster bekend als gemeente , Sectie

, No.

, overgeschreven

ten kantore van de Hypotheken en het Kadaster te Amsterdam, den

, in deel

, No.

,

op het onroerende goed, bij het Kadaster bekend als gemeente , Sectie

, No.

,

voor den Notaris en overgeschreven ten kantore van de Hypotheken en het Kadaster te Amsterdam, den

, in deel

, No.

bepalingen voor tijdelijke erfpacht voor industrieele doeleinden, gelijk deze zijn vastgesteld bij besluit van den Gemeenteraad van

,

hij/zij zich verbindt/verbinden het onroerend goed, onder overlegging

art. 14 der Algemeene bepalingen voor tijdelijke erfpacht voor industrieele

heid, geheel vrij van persoonlijke en zakelijke rechten en ontdaan van

doeleinden, gelijk deze zijn vastgesteld bij besluit van den gemeente-

opstallen en zooveel mogelijk in den toestand, waarin het werd uit-

raad van

gegeven, op te leveren. Hij verzoekt, met toepassing van art. 24 der bovengenoemde voor Zij verzoeken

vervat in de artt. 6, 5de lid, 18, 4de en 8ste lid, 19, 3de en 4de lid, 26, 2de lid, 27 en, voor zoover hij eerste hypotheekhouder is, in de artt. 17, le lid, en 28 der genoemde Algemeene bepalingen, te zijnen (hunnen) aanzien van toepassing te achten.

Amsterdam, den

,

zulks met inachtneming van het bepaalde in art. 17 der Algemeene

en op de op dat goed staande verzoekt, opstallen, onder overlegging der stukken, genoemd in verzoeken

, de bedingen ten behoeve van hypotheekhouders,

,

verleend door de gemeente Amsterdam bij akte, verleden den

No. 51, en wel met ingang van

op welken datum

van een door den hypotheekbewaarder afgegevenbewijs van onbezwaard-

waarden ontheven te worden van de verplichting tot slooping der opstallen. De mede ondergeteekende, houder van het recht van eerste hypotheek op het voorgeschreven onroerende goed, verklaart, de medewerking, bedoeld in art. 17, 1ste lid, der bovenbedoelde Algemeene bepalingen, bij dezen te verleenen. Amsterdam, den

*

192

Behoort bij art. 14 der Algemeene bepalingen voor tijdelijke erfpacht voor industrieele doeleinden.

*

Behoort bij art. 17 der Algemeene bepalingen voor tijdelijke erfpacht voor industrieele doeleinden.

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

193

Algemeene bepalingen voor tijdelijke erfpacht voor andere dan industrieele doeleinden 1955 Deze Algemeene bepalingen zijn vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam bij zijn besluit van drie maart negentienhonderd zevendertig nummer 51 en gehecht aan een notarieel verleden akte van depot en met die akte overgeschreven ten hypotheekkantore te Amsterdam op eenentwintig januari negentienhonderd achtendertig in deel 3059 nummer 101 zoals die Algemeene bepalingen zijn gewijzigd door voornoemde Raad bij zijn besluit van vijfentwintig mei negentienhonderd vijfenvijftig nummer 528 gehecht aan een notarieel verleden akte van depot en met die akte overgeschreven ten voormelde hypotheekkantore op dertig september negentienhonderd vijfenvijftig in deel 3770 nummer 126.

194

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

195

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR ANDERE DAN INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR ANDERE DAN INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

3

4

artikel 1

5

Het onroerend goed wordt in erfpacht uitgegeven voor een tijdvak, dat als regel op 50 jaren wordt gesteld.

6

artikel 2

7

1

2

 e uitgifte geschiedt bij akte, te verlijden ten overstaan van een van D gemeentewege, na overleg met de wederpartij, aan te wijzen notaris. In de akte wordt bepaald: a. het gebruik, dat van het goed en de daarop te stichten opstallen, met inachtneming van de krachtens wettelijke voorschriften daaraan gegeven bestemming, mag worden gemaakt; b. de jaarlijksche pachtsom (canon); c. welke algemeene bepalingen op het erfpachtsrecht niet van toepassing zijn en de bijzondere bepalingen, welke worden gesteld. Een door partijen voor echt erkende en ten bewijze daarvan door haar gewaarmerkte kaart van het uit te geven goed wordt aan de akte van uitgifte gehecht.

artikel 5 Indien het erfpachtsrecht aan meer personen toekomt, is ieder van hen hoofdelijk aansprakelijk voor de naleving der bepalingen, welke ingevolge de akte van uitgifte voor die erfpacht gelden.

artikel 6 1

artikel 3 De Gemeente is bij de eerste uitgifte van het goed jegens den erfpachter tot vrijwaring gehouden in de gevallen en met de gevolgen, als in het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van den verkooper is bepaald.

2

artikel 4 1

2

196

 ij, die een aanvraag doet om onroerend goed in erfpacht te verkrijgen, stort, H voordat het desbetreffende voorstel in behandeling wordt genomen, in de gemeentekas een waarborgsom tot een bedrag van tweemaal de vermoedelijke jaarlijksche pachtsom. Indien binnen een door Burgemeester en Wethouders te bepalen termijn geen overeenstemming is verkregen omtrent de, met inachtneming van de wettelijke voorschriften, op het goed te stichten bebouwing, is de helft van het bedrag, dat als jaarlijksche pachtsom zou worden gesteld, ten behoeve van de Gemeente verbeurd.

In afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid kan de geheele waarborgsom worden teruggegeven, indien, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders, omstandigheden aanwezig zijn, welke dit wettigen. De waarborgsom zal ten behoeve van de Gemeente zijn verbeurd, indien de aanvrager, door Burgemeester en Wethouders opgeroepen om tot het verlijden der erfpachtsakte mede te werken, op die oproeping niet verschijnt of wel verklaart, tot die medewerking niet bereid te zijn. Met uitzondering van de gevallen, hierboven bedoeld, wordt de waarborgsom teruggegeven, bijaldien de erfpacht niet wordt verleend. Heeft de aanvrager tot het verlijden der akte medegewerkt, dan strekt de waarborgsom ter voldoening van de pachtsom voor de eerste twee jaar. Is in het besluit, waarbij tot de uitgifte werd besloten, de pachtsom per vierkanten meter bepaald en blijkt bij de kadastrale opmeting van het terrein, dat dit grooter of kleiner is dan aanvankelijk is aangenomen, dan moet het te weinig gestorte op eerste aanmaning van Burgemeester en Wethouders worden bijbetaald of zal het te veel betaalde teruggegeven worden.

3

4

 e erfpachter is bevoegd, de nog niet verschenen erfpachtstermijnen geheel D of gedeeltelijk af te koopen, met dien verstande, dat een canon van ten minste ƒ 1 voor ieder erfpachtsrecht verschuldigd blijft. De afkoop geschiedt bij onderhandsche akte, welke de Gemeente doet overschrijven in de openbare registers. De afkoopsom wordt door Burgemeester en Wethouders in overleg met den erfpachter bepaald op zoodanig bedrag als noodig is om de Gemeente schadeloos te stellen wegens derving van canon. Tusschentijdse beëindiging van het erfpachtsrecht geeft geen recht op terugbetaling van een gedeelte van de afkoopsom, behoudens in geval van beëindiging van het recht, als bedoeld in art. 14. Het bedrag, hetwelk in het geval, voorzien in het voorgaande lid, zal worden terugbetaald, zal gelijk zijn aan de afkoopwaarde van de erfpachtstermijnen, die na den datum van ingang der beëindiging van het erfpachtsrecht nog zouden moeten worden betaald, indien zij niet waren afgekocht en het recht niet tusschentijds ware beëindigd, welk bedrag zal worden berekend met gebruikmaking overigens van dezelfde factoren, als voor het bepalen van de afkoopsom hebben gegolden.

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

197

ALGEMEENE BEPALINGEN VOOR TIJDELIJKE ERFPACHT VOOR ANDERE DAN INDUSTRIEELE DOELEINDEN 1955

5

Indien het erfpachtsrecht en de opstallen met hypotheek zijn bezwaard, zullen de hypotheekhouders een zelfstandig vorderingsrecht hebben op de terugbetaling, bedoeld in het vorige lid, tot een bedrag als aan ieder van hen zou toekomen, indien het gold een verdeeling van den koopprijs in geval van executie van het erfpachtsrecht en de opstallen, gelijk dit bedrag door Burgemeester en Wethouders zal worden vastgesteld. De erfpachter zal op het overblijvende bedrag recht hebben.

artikel 7 1

198

De erfpachter is verplicht: a. binnen den tijd, bij de akte van uitgifte bepaald, den grond te bebouwen en dezen nadien bebouwd te houden, met inachtneming van de wettelijke voorschriften en overeenkomstig de teekeningen, welke eventueel in de akte bindend zijn verklaard; b. bij lateren herbouw, vernieuwing, verbouw, slooping of stichting van opstallen, in acht te nemen, de bovenbedoelde wettelijke voorschriften en teekeningen; c. het niet door bebouwing en door bij die bebouwing behoorende schuren, tuinhuizen en dergelijke ingenomen gedeelte van den uitgegeven grond, binnen den onder a bedoelden termijn, als tuin aan te leggen en vervolgens als tuin aangelegd te houden, een en ander ten genoegen van Burgemeester en Wethouders; d. bijaldien het onder c bedoelde gedeelte van den uitgegeven grond in verschillende tuinen mocht worden verdeeld, deze onderling af te sluiten op de door Burgemeester en Wethouders te bepalen wijze; e. den uitgegeven grond, voor zoover de afsluiting niet plaats heeft door gevelmuren, binnen den onder a bedoelden termijn, van den openbaren weg en van de overige belendingen af te sluiten en vervolgens daarvan afgesloten te houden; f. de onder d en e bedoelde afsluitingen te vernieuwen, zoodra en voor zoover Burgemeester en Wethouders zulks noodig achten, en wel binnen een door hen te stellen termijn; g. de overeenkomstig het bepaalde onder d en e

gemaakte, alsmede de eventueel vernieuwde afsluitingen in goeden staat te onderhouden ten genoegen van Burgemeester en Wethouders; h. den uitgegeven grond en de zich daarop bevindende opstallen, ten genoegen van Burgemeester en Wethouders, behoorlijk te onderhouden; i. te gedoogen: dat aan hetgeen op de uitgegeven grond zich bevindt, worden aangebracht zoovele electrische geleidingen, draden, isolatoren, muurrozetten en steunijzers (een en ander met toebehooren) als door Burgemeester en Wethouders noodig wordt geacht, met dien verstande,

2

dat hieronder niet is begrepen het aanbrengen van telefoontorens; dat deze geleidingen, draden, isolatoren, muurrozetten en steunijzers (een en ander met toebehooren) worden hersteld of vernieuwd, wanneer dit door Burgemeester en Wethouders zal worden gelast; j. al hetgeen ingevolge het bepaalde onder i van dit artikel is aangebracht, bevestigd te laten. Alle schade, welke een onmiddellijk gevolg is van het aanbrengen, bestaan, herstellen of vernieuwen der electrische geleidingen, draden, isolatoren, muurrozetten en steunijzers (een en ander met toebehooren), zal door de Gemeente, naar haar keuze, op haar kosten worden hersteld of aan den rechthebbende worden vergoed.

artikel 8 Het is den erfpachter niet geoorloofd: a. in het gebruik van het goed en van de daarop te stichten opstallen veranderingen aan te brengen zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, welke vergunning ook voor bepaalden tijd of tot wederopzegging kan worden verleend; b. in het op den grond gebouwde veranderingen aan te brengen, indien daardoor zou worden afgeweken van de in de akte van uitgifte bindend verklaarde teekeningen, zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders; c. de op den grond bij den aanvang van zijn recht aanwezige of daarop later gebouwde opstallen, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, te sloopen zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, aan welke vergunning de door dat college noodig geachte voorwaarden kunnen worden verbonden; d. op den grond en in hetgeen daarop is of zal worden gebouwd, werkzaamheden te verrichten of een bedrijf uit te oefenen, waarvan, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders, gevaar, schade of hinder dan wel bezwaar uit een oogpunt van welstand te duchten is, zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, welke vergunning ook voor bepaalden tijd of tot wederopzegging kan worden verleend; e. aan of tegen de afsluiting langs den openbaren weg, alsmede binnen den afstand van 2 meter daarvan,

doode voorwerpen, van welken aard ook, aan te brengen of te plaatsen, tenzij daarvoor, behalve de volgens wettelijke voorschriften eventueel vereischte vergunning, de schriftelijke toestemming van Burgemeester en Wethouders is verkregen; f. het hem in erfpacht uitgegeven goed te splitsen en zijn recht op een gedeelte daarvan over te dragen zonder medewerking en voorafgaande

Algemene Bepalingen voor erfpacht in Amsterdam

199

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9856309/1