CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam (Basisregeling).pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 4 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling (VN2024-007102)21.495 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Versie 14 mei 2024

Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling Inleiding Het college heeft bij besluit van 5 december 2023 het Ontwerp Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling (hierna: het Ontwerp Wijzigingsbesluit) vrijgegeven voor terinzagelegging. Van de terinzagelegging is op 31 januari 2024 kennisgegeven in het Gemeenteblad (2024, 48475) en op de webpagina Kennisgevingen en bekendmakingen van de Gemeente Amsterdam. Het Ontwerp Wijzigingsbesluit heeft met ingang van 1 februari 2024 gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging is een ieder de mogelijkheid geboden zienswijzen over het Ontwerp Wijzigingsbesluit naar voren brengen bij de gemeenteraad van Amsterdam. Het Ontwerp Wijzigingsbesluit is bekendgemaakt in het Gemeenteblad (2024, 33950). Daarnaast is een geconsolideerde versie van het omgevingsplan (het omgevingsplan zoals dat zou komen te luiden nadat het wijzigingsbesluit in werking zou zijn getreden) raadpleegbaar geweest via de viewer ‘Regels op de kaart’. Het Ontwerp Wijzigingsbesluit heeft gedurende de hiervoor genoemde termijn van zes weken ook ter inzage gelegen bij de stadsloketten. Het ontwerpbesluit en de bijbehorende algemene en artikelgewijze toelichting zijn als pdf-bestand tevens geplaatst op de gemeentelijke website.

Voorafgaande participatie Begin 2023, dus ruim voorafgaand aan ter inzagelegging van het ontwerpbesluit, heeft reeds participatie plaatsgevonden. Daarbij is gekozen voor informeren en meedenken (zie collegebesluit van 6 december 2022 (VN2022-041277)). De gemeenteraad is hierover geïnformeerd per raadsinformatiebrief van 6 december 2022, ter kennisname geagendeerd voor de commissie RO van 11 jan 2023. In het kader van de participatie zijn een voorontwerp en aanvullende stukken gedurende acht weken ter inzage gelegd, waarbij iedereen de mogelijkheid is geboden hierop te reageren. Diverse rijksdiensten, waterschappen, de provincie en omliggende gemeenten zijn in de gelegenheid gesteld te reageren. Tijdens die periode zijn drie informatiebijeenkomsten georganiseerd. Ook zijn de stadsdelen om advies gevraagd. Van de informatiebijeenkomsten is verslag gemaakt. De reacties en adviezen die zijn binnengekomen zijn opgenomen en van een reactie voorzien in de Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties voorontwerpwijziging Omgevingsplan Amsterdam (Omgevingsplan Amsterdam, Basisregeling) (hierna: de Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties) en de Nota van reactie op de adviezen van de stadsdelen en stadsgebied op de eerste wijziging omgevingsplan 1

Versie 14 mei 2024 (basisregeling) (hierna: de Nota van reactie adviezen stadsdelen en stadsgebied) vastgesteld. Het college heeft bij besluit van 11 juli 2023 (VN2023-016004) beide nota's vastgesteld. De gemeenteraad is hierover geïnformeerd per raadsinformatiebrief van 11 juli 2023, ter kennisname geagendeerd voor de commissie RO van 27 september 2023. De indieners van de inspraak en vooroverleg reacties hebben schriftelijk bericht ontvangen met daarin de Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties alsmede een concept planning voor de verdere procedure van de eerste wijziging van het omgevingsplan. Ook de stadsdelen en het stadsgebied hebben een reactie ontvangen met daarbij de Nota van reactie adviezen Stadsdelen en stadsgebied. Het verslag van de informatiebijeenkomsten en beide nota’s worden als bijlagen bij de raadsvoordracht gevoegd.

Zienswijzen Van de volgende adressanten is een zienwijze ontvangen: 1. Stichting Olympisch Stadion Amsterdam 2. Adressant 1 3. Havenbedrijf Amsterdam NV 4. Adressant 2 5. Stadion Amsterdam N.V., Stadion Amsterdam C.V. en Amsterdam Exploitatie B.V. 6. Adressant 3 7. CBRE Investment Management (NL) BV (CBREIM), optredend namens eigenaar van WTC Amsterdam (WTC) 8. Bond van volkstuinders 9. Tennet TSO BV 10. Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties Alle zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn binnengekomen, dan wel is aannemelijk dat deze tijdig zijn ingediend. In deze nota van beantwoording worden de binnengekomen zienswijzen in samengevatte vorm weergegeven en van een beantwoording voorzien, waarbij wordt aangegeven of de zienswijze aanleiding heeft gegeven tot aanpassingen. De zienswijzen zijn integraal als bijlage aan deze nota van beantwoording toegevoegd.

2

Versie 14 mei 2024

Beantwoording binnengekomen inspraakreacties 1. Stichting Olympisch Stadion Amsterdam (SOSA) Aan SOSA is op 16 oktober 2023 een omgevingsvergunning milieu verleend. Onder de nieuwe Omgevingswet zijn de milieuactiviteiten van SOSA niet langer vergunningplichtig. Ingevolge art. 4.13, lid 3 van de Invoeringswet Omgevingswet ('InvW') gelden de voorschriften van de omgevingsvergunning, vanaf het moment dat deze onherroepelijk is, als zg. maatwerkvoorschriften, `voor zover het voorschrift gaat over een onderwerp waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet'. Deze voorschriften prevaleren dan ook aan de regels uit het Ontwerpplan. SOSA hecht er evenwel aan zienswijzen in te dienen tegen het Ontwerpplan en, bij wijze van zienswijze, om toelichting te vragen omtrent aspecten van het Ontwerpplan.

a. Maatwerkvoorschriften In artikel 9.5 van het Ontwerpplan staat dat een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over hoofdstuk 9. In het tweede lid staat dat met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van hoofdstuk 9, met uitzondering van de artikelen 9.3, 9.4 en 9.12. In artikel 9.52, eerste lid, wordt bepaald wat de bevoegdheid van artikel 9.5 'in ieder geval' inhoudt, namelijk dat andere waarden dan die uit hoofde van de artikelen 9.42 t/m 9.51 kunnen worden vastgesteld. In het tweede lid wordt bepaald dat in afwijking van artikel 9.25 kan worden bepaald dat de waarden uit hoofde van de artikelen 9.42 t/m 9.51 niet van toepassing zijn. In artikel 9.54 wordt bepaald dat bij maatwerkvoorschrift gedurende twee dagen kan worden afgeweken van de artikelen 9.42 t/m 9.51 in geval van 'incidentele festiviteiten en andere evenementen binnen een horecabedrijf'. In artikel 9.55 wordt bepaald dat met een maatwerkvoorschrift van de waarden als bedoeld in artikelen 9.42 t/m 9.51 kan worden afgeweken voor ten hoogste twaalf dagen of delen van dagen per kalenderjaar ten behoeve van incidentele festiviteiten of andere evenementen binnen een sport- of recreatiebedrijf. Met betrekking tot deze bepalingen heeft SOSA de volgende zienswijzen c.q. vragen: a.

In hoeverre vormen de artikelen 9.52, 9.54 en 9.55 een afwijking, aanvulling en/of beperking op de maatwerkbevoegdheid van artikel 9.5, eerste en tweede lid? b. In hoeverre vormt artikel 9.52, tweede lid, een afwijking, aanvulling en/of beperking op de maatwerkbevoegdheid van artikel 9.52, tweede lid? Wat is het verschil tussen kunnen afwijken van de artikelen 9.42 t/m 9.51 en het niet van toepassing zijn van die artikelen? c. Wat wordt verstaan onder de begrippen 'festiviteit, 'evenement, 'horecabedrijf' en 'sportbedrijf'? SOSA zou meer in het bijzonder willen weten of haar activiteiten gelden als activiteiten van een sportbedrijf. In de toelichting op artikel 9.10, eerste lid, onder e, staat: "Uit onderdeel 3 volgt dat evenementen als bedoeld in artikel 9.53, 9.54 en 9.55 ook niet worden uitgezonderd. Dat zijn evenementen die bij een horecabedrijf of sportvereniging kunnen worden gehouden. Dergelijke bedrijven vallen onder deze afdeling, inclusief de incidentele festiviteiten." Hier wordt met betrekking tot het begrip `sportbedrijf' (dat immers in artikel 9.55 wordt genoemd) gesproken over 'sportvereniging'. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het begrip 'sportbedrijf' beperkt is tot sportverenigingen. Nog daargelaten dat SOSA een stichting is, lijkt het begrip `sportvereniging'

3

Versie 14 mei 2024 slecht toepasbaar op SOSA. Bij een sportvereniging wordt eerder gedacht aan kleinschaliger activiteiten. SOSA zou dit graag verhelderd zien. d. Verder staat in artikel 9.56 dat de artikelen 9.53 t/m 9.55 buiten toepassing blijven zolang artikel 5.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening nog niet is komen te vervallen. Daarbij gaat het kennelijk om zg. APV-evenementen. Artikel 5.6 van de APV verwijst naar regels uit het vervallen Activiteitenbesluit. Daarmee is echter nog niet het artikel uit de APV vervallen. Dit creëert onduidelijkheid omtrent de toepasselijke regels.

Beantwoording Ad a. De maatwerkbevoegdheid in de artikelen 9.52, 9.54 en 9.55 vormt een verbijzondering van de generieke bevoegdheid zoals opgenomen in artikel 9.5. Een te stellen maatwerkvoorschrift moet in ieder geval in overeenstemming zijn met artikel 9.5. Artikel 9.5 geeft een ruime bevoegdheid aan het bevoegd gezag (doorgaans het college van burgemeester en wethouders) om per maatwerkvoorschrift van de algemene regels van hoofdstuk 9 af te wijken of die nader uit te werken. In verschillende artikelen (zoals in de artikelen 9.52, 9.54 en 9.55) is geconcretiseerd hoe het bevoegd gezag met die bevoegdheid in een specifiek geval om kan gaan. Dit biedt meer houvast, zowel voor exploitanten van milieubelastende activiteiten als voor omwonenden. In enkele gevallen bevat de specificering van de maatwerkbevoegdheid aanvullende eisen. Dat is bijvoorbeeld het geval in de artikelen 9.54 en 9.55. In deze artikelen wordt het aantal dagen waarop ten behoeve van festiviteiten of andere evenementen kan worden afgeweken van de geluidwaarden van de artikelen 9.42 tot en met 9.51 beperkt. In zoverre houden de artikelen 9.54 en 9.55 een beperking in van de generieke maatwerkbevoegdheid van artikel 9.5.

Om de samenhang tussen de artikelen 9.5 en 9.54/9.55 te verduidelijken wordt artikel 9.5, tweede lid gewijzigd in: “Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk, tenzij elders in dit hoofdstuk anders is bepaald. Van de artikelen 9.3, 9.4 en 9.12 kan niet worden afgeweken.” In de artikelsgewijze toelichting wordt aangegeven dat artikel 9.54 en artikel 9.55 voorbeelden zijn van een beperking als bedoeld in de laatste zinsnede van de eerste volzin. Ad b. De vraag is in hoeverre artikel 9.52, tweede lid, een afwijking, aanvulling en/of beperking vormt op de maatwerkbevoegdheid van artikel 9.52, eerste lid. De genoemde leden bevatten twee verschillende mogelijke toepassingen van de generieke maatwerkbevoegdheid van artikel 9.5. Het eerste lid biedt de mogelijkheid om een andere, afwijkende geluidwaarde te stellen. De andere, afwijkende geluidwaarde kan zowel hoger als lager zijn dan de betreffende geluidwaarde. Artikel 9.52, tweede lid, biedt de mogelijkheid om de geluidwaarden helemaal buiten toepassing te laten. In dat geval wordt in het maatwerkvoorschrift bepaald dat de geluidwaarden niet gelden voor een specifiek aangewezen milieubelastende (deel)activiteit. Voor die aangewezen deelactiviteit geldt in dat geval dus geen enkele geluidwaarde.

Wel kan het bevoegd gezag op grond van artikel 9.52, derde lid, beperkingen aan de (deel)activiteit stellen om de aanvaardbaarheid van dat geluid te borgen. Deze mogelijkheid geldt voor andere activiteiten dan festiviteiten en andere evenementen als bedoeld in de artikelen 9.54 en 9.55.

4

Versie 14 mei 2024 Ad c. Uit de redactie van artikel 9.54 en 9.55 blijkt al dat ‘festiviteit’ een soort evenement is. Het is hetzelfde als een feest. Festiviteiten gaan doorgaans gepaard met muziek, zingen en dansen. Er zijn ook andere type evenementen waarbij de kernactiviteit niet feest vieren is, maar de focus meer ligt op cultuur, sport of iets anders. Onder horeca wordt in dit artikel cafés, restaurants en dergelijke verstaan. Het gaat om bedrijfsmatige activiteiten waar dranken worden geschonken of eetwaren worden bereid of verstrekt voor directe consumptie ter plaatse. Bij sportbedrijven is de kernactiviteit gerelateerd aan sporten. Een sportbedrijf kan de vorm van een vereniging hebben, maar ook commerciële exploitatievormen vallen hieronder. SOSA kan inderdaad als een sportbedrijf gezien worden. De toelichting op artikel 9.10 wordt aangepast. Ad d. Artikel 5.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) regelt ‘incidentele festiviteiten of activiteiten’ bij horeca-, sport- en recreatie-activiteiten (de zogenaamde festiviteitenregeling). Dit artikel maakt het mogelijk om af te wijken van de geluidnormen voor activiteiten waarvoor de geluidnormen uit de algemene regels van het omgevingsplan gelden.

Voor SOSA gelden de geluidvoorschriften van de omgevingsvergunning milieu, die vanaf 1 januari 2024 zijn gaan gelden als maatwerkvoorschriften op grond van het Omgevingsplan. Deze maatwerkvoorschriften bevatten het kader voor evenementen en festiviteiten bij SOSA. Artikel 5.6 APV is daarom voor SOSA niet relevant. Onder de Omgevingswet moet de festiviteitenregeling onderdeel van het omgevingsplan uitmaken. Gelet hierop zijn de artikelen 9.53 t/m 9.55 opgenomen. Daarbij is ervoor gekozen om artikel 5.6 APV niet tegelijkertijd met de basisregeling in te trekken maar pas op een later moment nadat de artikelen 9.53 t/m 9.55 onherroepelijk zijn geworden. Hiermee wordt voorkomen dat bij een eventuele vernietiging van die bepalingen een juridische gat valt (namelijk dat artikel 5.6 APV niet meer geldt, maar de nieuwe bepalingen in het omgevingsplan ook niet). Gevolg van deze keuze is dat dit onderwerp voor een beperkte tijd dubbel is geregeld. Gelet hierop is artikel 9.56 opgenomen om de artikelen 9.53 t/m 9.55 tijdelijk buiten toepassing te houden. Na het onherroepelijk worden van de artikelen 9.53 t/m 9.55 kan artikel 5.6 APV en artikel 9.56 Omgevingsplan worden ingetrokken. Dit soort overgangsrechtelijke bepalingen maken het omgevingsplan op onderdelen complex. Dat is echter inherent aan de overgang van het ene juridische stelsel naar het andere.

De rechtszekerheid (het voorkomen van een juridische gat) noopt tot oplossingen die wellicht wat minder duidelijk zijn.

b. Evenementen Artikel 9.10 van het Ontwerpplan bepaalt dat de milieuregels van afdeling 9.2 van toepassing zijn op milieubelastende activiteiten ('mba's') met uitzondering van o.a.: "c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; [...] e. een evenement: 1. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening; 2. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; of 3. dat geen festiviteit of ander evenement is als bedoeld in de artikelen 9.53, 9.54 of 9.55;" Met betrekking tot deze bepaling heeft SOSA de volgende zienswijzen c.q. vragen: a. Wat wordt bedoeld met een 'locatie voor evenementen'? In het bestemmingsplan 'Olympisch Stadion e.o' uit 2014 (thans onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) heeft het 5

Versie 14 mei 2024 stadion en directe omliggende percelen (het omliggende buitenterrein) de aanduiding 'evenemententerrein'. Voor het buitenterrein zijn ook zg. locatieprofielen vastgesteld. Betekent dit dat met betrekking tot het buitenterrein sprake is van een 'locatie voor evenementen' in de zin van artikel 9.10? SOSA ziet dit graag verduidelijkt. b. Indien het buitenterrein van het Olympisch Stadion heeft te gelden als een 'locatie voor evenementen, welke regels zijn daar dan op van toepassing? Kennelijk valt het terrein dan onder de regeling van afdeling 9.2 van het Ontwerpplan. Daarin lijken echter geen specifieke geluidsnormen voor evenementen te staan. SOSA vraagt zich in dit verband ook af of er geluidsregels zijn vastgesteld bij of krachtens de APV (i.z.v. artikel 9.10, onder e, sub 1). SOSA vindt de regeling onduidelijk en de tijdelijke verwijzingen naar andere regelingen die op hun beurt weer verwijzen naar reeds vervallen besluiten ondoorzichtig en onnodig complex.

Beantwoording Ad a. Onder een locatie voor evenementen als bedoeld in artikel 9.10, eerste lid, aanhef en onder e, en onder punt 2, van het Omgevingsplan wordt een locatie verstaan waar met enige regelmaat evenementen worden gehouden. In de toelichting op dat artikel worden permanente evenemententerreinen of evenementenhallen als voorbeelden genoemd. Met dit begrip sluiten we aan bij artikel 5.63, tweede lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het buitenterrein van het Olympisch Stadion kan inderdaad als een locatie voor evenementen gezien worden als bedoeld in artikel 9.10, eerste lid, aanhef en onder e, en onder punt 2. Voor evenementen op het buitenterrein zal doorgaans een evenementenvergunning op grond van hoofdstuk 2 van de APV benodigd zijn (tenzij in die regeling een uitzondering geldt). Gelet op punt 1 van artikel 9.10, eerste lid, aanhef en onder e worden die evenementen uitgezonderd van het toepassingsbereik van afdeling 9.2. De geluidregels in dit omgevingsplan gelden dus niet voor evenementen op het buitenterrein. Voor de volledigheid merken we op dat evenementen binnen het Olympisch Stadion wel onder de werking van afdeling 9.2 vallen. Het stadion kan namelijk worden aangemerkt als een locatie voor evenementen. Het geluid van die evenementen werd gereguleerd door de omgevingsvergunning milieu.

De voorschriften van die vergunning blijven onder de Omgevingswet als maatwerkvoorschriften gelden. Daarom zijn voor de evenementen binnen het stadion die voorschriften bepalend. Ad b. Zoals hierboven reeds aangegeven, ondanks het feit dat het buitenterrein van Olympisch Stadion wel een locatie voor evenementen is, valt het niet onder de geluidregels van afdeling 9.2. Voor het houden van evenementen is een vergunning op grond van de APV benodigd (behoudens de daarin genoemde uitzonderingen). Aan de APV- evenementenvergunning kunnen voorschriften verbonden worden om geluidhinder te beperken. Hiernaast bevat het vigerend bestemmingsplan dat inmiddels van rechtswege onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, ook regels ten aanzien van evenementen. Die regels zullen op termijn vervangen worden door nieuwe regels. Paragraaf 2.3.22 van het omgevingsplan is gereserveerd voor ‘ruimtelijke’ regels voor evenementenlocaties. Onder punt a.d is aangegeven dat overgangsrecht inderdaad een complexe materie is. Daar is tevens de gemeentelijke keuze voor deze regeling toegelicht.

c. Best Beschikbare Technieken (BBT) Artikel 9.4 betreft een specifieke zorgplicht. Deze zorgplicht geldt kennelijk doorlopend (zolang de mba wordt verricht). Artikel 9.12 betreft een uitwerking van deze zorgplicht. Lid 1 van dat artikel bepaalt: 6

Versie 14 mei 2024 "De plicht, bedoeld in artikel 9.4 houdt met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 9.10 in ieder geval in dat: [...] c. de beste beschikbare technieken worden toegepast (...)" SOSA leidt uit deze artikelen af dat de best beschikbare technieken derhalve ook doorlopend dienen te worden toegepast. Dat zou impliceren dat herzieningen van de BBT-documenten direct en automatisch van toepassing zijn op mba's, en wel zonder dat ter zake voorafgaand eerst een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit wordt genomen over die toepassing. Dat was tot nog toe niet de praktijk: BBT-en werden van toepassing verklaard in omgevingsvergunningen ex artikel 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ('Wabo'). De verlening van die vergunning was het toetsen toepassingsmoment. Inrichtingen dienden zich te houden aan de in de vergunning beschreven BBT. Indien deze BBT niet meer voldeden, diende het bevoegd gezag bij afzonderlijk besluit te besluiten omtrent de toepassing van herziene BBT (zie artikel 2.30 en 2.31 van de voormalige Wabo). Daartegen stond dan altijd de mogelijkheid open om bezwaar en beroep in te stellen tegen een wijzigingsbesluit. Die mogelijkheid wordt in artikel 5.12 van het Omgevingsplan ten onrechte aan bedrijven onthouden. BBT-herzieningen worden kennelijk automatisch van toepassing.

SOSA meent dat dat in strijd is met, bijvoorbeeld, artikel 6 van het EVRM. Zij dient wijzigingen van haar rechten en plichten te kunnen voorleggen aan een rechterlijke instantie.

Beantwoording De artikelen 9.4 en 9.12 zijn de opvolger van artikel 22.44 van het Omgevingsplan dat als ‘bruidsschat’ per 1 januari 2024 automatisch onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. De wetgever heeft met artikel 22.44 aangesloten bij artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In hoofdstuk 9 wordt die lijn voortgezet. Dit past immers in de systematiek van de Omgevingswet waarin de wetgever aan de zorgplicht een belangrijke rol heeft toegekend, ‘met name in het omgevingsplan’. Voor de keuzes van de wetgever en de rol van de specifieke zorgplicht in de systematiek van de Omgevingswet verwijzen we graag naar de Nota van Toelichting van het Besluit activiteiten leefomgeving (Staatsblad 2018, nr. 293, pagina 518 en verder). De zorgplicht impliceert inderdaad een eigen verantwoordelijkheid voor ondernemers om zich steeds af te vragen of zij die plicht voldoende in acht nemen. Hierbij dienen de beste beschikbare technieken te worden toegepast. Wat onder de beste beschikbare technieken moet verstaan worden is in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet bepaald. In de uitgebreide begripsbepaling wordt geen koppeling gelegd met BBTdocumenten. De zorgplicht om BBT toe te passen betekent dus niet automatisch de plicht om de BBTdocumenten toe te passen.

Die BBT-documenten zijn met name van belang bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (zie artikel 8.9, vierde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Ook in de algemene regels van Besluit activiteiten leefomgeving wordt verwezen naar de informatiedocumenten. SOSA dient gelet op de zorgplicht van artikel 9.4 en 9.12 in het algemeen aan BBT te voldoen, maar dat betekent dus niet dat als er een nieuw relevant BBT-document verschijnt SOSA automatisch dat document moet toepassen. Mocht het bevoegd gezag van oordeel zijn dat SOSA een bepaalde maatregel uit een BBT-document zou moeten toepassen, dan ligt het voor de hand om dat in een maatwerkvoorschrift vast te leggen (zie in dit verband de toelichting op artikel 9.4 over overtreding van de zorgplicht en handhaving daarop). Tegen een maatwerkvoorschrift staat bezwaar en beroep open.

7

Versie 14 mei 2024

2. Adressant 1 a. Beoordeling op volledigheid en ontvankelijkheid van vergunningaanvragen In de systematiek van de beoordelingsregels met betrekking tot aanvragen ontbreekt in het Omgevingsplan een beoordeling op de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag, voorafgaand aan in behandeling name. Verzocht wordt een aparte beoordeling op de ontvankelijkheid van de aanvraag toe te voegen. Beantwoording Op alle vergunningaanvragen is artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dat artikel bevat een beoordeling op ontvankelijkheid, en de mogelijkheid een aanvraag in de daar aangegeven gevallen niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Hiermee is reeds in de gevraagde ontvankelijkheidstoets voorzien.

b. Aanvraagvereiste participatieverslag Bij de aanvraagvereisten ontbreekt de verplichting uit artikel 16.55 lid 7 van de Omgevingswet en uit artikel 7.4. van de Omgevingsregeling (ministeriële regeling op basis van artikel 16.55 lid 2) om bij de aanvraag-documenten een verslag van de (al dan niet) ondernomen participatie te voegen. Verzocht wordt bij de aanvraagvereisten het participatieverslag toe te voegen. Beantwoording Artikel 7.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling bepaalt dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. Het tweede lid bepaalt dat als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, de aanvrager bij de aanvraag gegevens verstrekt over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Of er een vorm van participatie is geweest, moet dus worden aangegeven bij de aanvraag. Als dat het geval is, dan moeten bij de aanvraag de resultaten worden overlegd. Daarmee voorziet de Omgevingsregeling reeds in het gevraagde aanvraagvereiste.

Artikel 16.55, lid 7, van de Omgevingswet bepaalt kort gezegd dat de gemeenteraad gevallen van activiteiten kan aanwijzen waarin participatie verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden ingediend. De gemeenteraad heeft bij raadsbesluit van 10 november 2022, gemeenteblad 2022, 519489, participatie verplicht gesteld bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarvoor geldt dus dat participatie moet plaatsvinden. Gelet op artikel 7.4, tweede lid, van de Omgevingsregeling moet in die gevallen bij de aanvraag worden aangegeven hoe partijen zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

c. Participatieformulier Artikel 16.55 lid 4 Omgevingswet biedt straks gelegenheid om, al dan niet vrijblijvend, een formulier te ontwerpen en beschikbaar te stellen aan initiatiefnemers, waarin de gemeente kan laten doorschemeren wat behoorlijke informatie en overleg meebrengt tussen initiatiefnemers en de betrokken personen en partijen die effecten van hun plannen op de leefomgeving gaan ondervinden. Een voorstel voor een dergelijk formulier treft u in de bijlage.

8

Versie 14 mei 2024

Beantwoording Zoals onder b aangegeven bevat artikel 7.4, tweede lid, van de Omgevingsregeling reeds het vereiste dat als participatie heeft plaatsgevonden bij de aanvraag worden aangegeven hoe partijen zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. De wijze waarop geparticipeerd wordt, is niet in de Omgevingswet geregeld en daarmee vormvrij. Reden hiervoor is dat elke situatie, locatie en activiteit anders is en de participatie daarop afgestemd moet worden. De wet geeft daarom ruimte voor een eigen invulling. Er is (voor zover al mogelijk) geen aanleiding dit in het omgevingsplan in juridische regels in te perken. Het Beleidskader Participatie en de Participatiehandreiking geven inzicht in de wijze waarop participatie kan worden vormgegeven. Daarmee laat de gemeente aan initiatiefnemers weten wat behoorlijke informatie en overleg tussen initiatiefnemers en de betrokken personen en partijen die effecten van hun plannen op de leefomgeving gaan ondervinden, meebrengt. d. Beperkingen participatie Omgevingswet Betreurd wordt dat de Omgevingswet niet meer bemoeienis toestaat als het gaat om participatie. Juist in Amsterdam leeft de belofte van dialoog en co-creatie de laatste jaren sterk en er wordt nu serieus aan gewerkt.

Het is tegenstrijdig dat juist bij de effecten op de leefomgeving de handen van de sturende gemeente door de rijksoverheid worden gebonden door juist elke nadere regeling van de lokaal wenselijk geachte participatie te verbieden. Beantwoording Nu dit onderdeel van de zienswijze betrekking heeft op de Omgevingswet en niet het wijzigingsbesluit, wordt van de opmerking kennis genomen. e. Participatie bij veranderingen in de fysieke leefomgeving Bewoners hebben onvoldoende invloed op veranderingen in de fysieke leefomgeving. In de Participatiehandreiking 2024 wordt hetgeen van initiatiefnemers wordt verwacht gekoppeld aan de aard en ingrijpendheid van de impact van plannen op de leefomgeving. Nog niet is vermeld dat bij buitenplanse activiteiten participatie zelfs verplicht is. Beantwoording Vooropgesteld wordt dat dit geen betrekking heeft op voorliggend besluit, maar op de wijze waarop participatie binnen Amsterdam is geregeld. Daarover is onder meer een handreiking opgesteld. De handreiking is niet bedoeld om te bepalen óf participatie moet plaatsvinden, maar om inzicht in de wijze waarop participatie kan worden vormgegeven. De handreiking heeft betrekking op zowel verplichte als niet-verplichte participatie. Het raadsbesluit van 10 november 2022 bepaalt of participatie moet plaatsvinden. Dat besluit is bekendgemaakt in het gemeenteblad (gemeenteblad 2022, 519489).

Initiatiefnemers worden in het betreffende geval van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit actief op de participatieplicht gewezen. Omdat in dat geval participatie verplicht is, moet de aanvrager informatie verstrekken over de gehouden participatie (artikel 7.4, tweede lid, Omgevingsregeling). Verstrekt de aanvrager hier geen informatie over, kan het college (na de mogelijkheid tot aanvulling te hebben geboden) de aanvraag buiten behandeling laten (artikel 4.5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht). f. Lacunes participatiehandreiking Voor het overige bevat de zienswijze een beschrijving van veronderstelde lacunes voor het realiseren van de met de Participatie-handreiking voor bewoners en andere betrokkenen beoogde situatie, en wordt verzocht die op de in de zienswijze aangegeven wijze op te vullen. Die lacunes betreffen:

9

Versie 14 mei 2024 1. de communicatie in de pre-fase voordat een initiatief met impact op de leefomgeving wordt gestart; 2. de begeleiding en concretisering van de gewenste participatie tijdens de voorbereiding van en verslaglegging daarvan in de aanvraag (zie het in de bijlage voorgestelde formulier voor dat verslag); 3. bij de toetsing van de aanvraag mag het bevoegd gezag alleen bij de buitenplanse afwijkingen verplichtingen opleggen; bij de binnenplanse afwijkingen wel informeel feedback geven. Zo kan de passage in de Nota VTH beleid in de fysieke leefomgeving op blz. 48 ook worden uitgelegd.

Beantwoording Dit onderdeel van de zienswijze heeft geen betrekking op het wijzigingsbesluit, maar op de wijze waarop het participatieproces is ingericht en naar inzicht van de indiener te kort schiet. De zienswijze wordt in het kader van onderhavige procedure voor kennisgeving aangenomen, en is ter kennis gebracht van het organisatieonderdeel dat verantwoordelijk is voor het participatiebeleid en de evaluatie daarvan.

3. Havenbedrijf Amsterdam NV a. Algemeen Het Havenbedrijf verwijst naar de op het voorontwerp gegeven reactie en heeft deze voor de volledigheid bijgevoegd als bijlage. Geconstateerd wordt dat de strekking van het ontwerp, en daarmee de betekenis van de basisregeling, overwegend gelijkluidend is aan het voorontwerp. Daarom wordt verwezen naar de eerder meegegeven algemene aandachts- en zorgpunten, met name over de toegankelijkheid en toepasbaarheid van de geldende en gewijzigde omgevingsplanregels voor bedrijf en burger naar die reactie. Het college is uitgebreid ingegaan op onze eerdere reactie in de Nota van Antwoord. Geconstateerd wordt dat diverse onderdelen in regels en met name de toelichting zijn verhelderd en verbeterd. Beantwoording Voor zover in het kader van de participatie eerder een reactie is gegeven, wordt kortheidshalve verwezen naar de daarop betrekking hebbende Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties, die als bijlage bij de toelichting op het raadsbesluit is gevoegd. De verwijzing naar de eerdere reactie wordt verder voor kennisgeving aangenomen. b. Doorschuiving naar toekomstige wijzigingsprocedures Veel inhoudelijke gebiedsregels die om verandering en afstemming vragen worden doorgeschoven naar de toekomstige wijzigingsprocedure omgevingsplan voor het vervangen van aldaar geldende bestemmingsplannen.

De noodzaak van deze fasering is begrijpelijk, maar er is behoefte aan duidelijkheid en zekerheid over de (toekomstig) geldende regels in relatie tot ontwikkelingen in en rondom het havengebied. Zolang dit niet gebeurt bestaan oude en nieuwe wetgeving naast elkaar en zijn veel overgangsregelingen nodig. Dit creëert onduidelijkheid en remt ontwikkeling. Om dit snel weg te nemen wordt samen met de gemeente onder andere gewerkt aan het gebiedsgericht omgevingsprogramma. Dit programma zal mede de grondslag gaan vormen voor een gebiedsgewijze

10

Versie 14 mei 2024 omgevingsplanwijziging voor het havengebied en de Havenverordening. Het is van belang dit project gezamenlijk en voortvarend uit te voeren.

Beantwoording Zoals aangegeven in de eerdere Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties, is het gelet op de enorme opgave onontkoombaar dat het omgevingsplan gefaseerd wordt opgebouwd. Dat betekent inderdaad dat er gedurende langere tijd nog bestemmingsplannen blijven voorbestaan als onderdeel van het omgevingsplan. Dat geldt ook voor het Havengebied. Op dit moment is nog niet duidelijk wanneer voor dat gebied de bestemmingsplannen zullen worden vervangen. Wanneer dat aan de orde is, zal dat zoals te doen gebruikelijk in goed overleg met alle betrokken partijen gebeuren, dus ook met het Havenbedrijf. c. Afstemming tussen de bedrijfscontinuïteit in het havengebied en ontwikkelingen in omliggende (woon)gebieden Bij gebiedsgewijze wijzigingen, waaronder gebiedsaanwijzingen voor veiligheid, geluid, geur etc., dient vanuit het vereiste van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het gebruik binnen en buiten het betreffende wijzigingsgebied. Beantwoording Zoals aangegeven in de eerdere Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties brengt het wettelijk vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties mee dat onder meer met de betreffende aspecten rekening wordt gehouden. d.

Afstemming van wijzigingen van het omgevingsplan met de Havenverordening De Havenverordening behartigt het nautisch belang van het scheepvaartverkeer, en kent zijn eigen context en dynamiek. Aandacht daarvoor in de algemene toelichting, net als voor APV of Huisvestingsverordening, achten wij daarom nodig. Beantwoording Niet duidelijk is waarin de toelichting op dit moment inhoudelijk tekort zou schieten. Zoals aangegeven in de eerdere Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties geldt voor verordeningen of onderdelen daarvan dat deze zelfstandig blijven bestaan, en dat de opgave is om te komen tot een goede onderlinge afstemming met het omgevingsplan. Dit is ook beschreven in de Algemene toelichting bij het omgevingsplan, paragraaf 3.3, 3.4 en 6.3.3. Die afstemming is voor wat betreft de Havenverordening (net als voor heel veel andere verordeningen) op dit moment nog niet aan de orde. Zodra een wijziging van het omgevingsplan daarom vraagt, zal daaraan in de motivering van het wijzigingsbesluit aandacht worden besteed. Waar nodig wordt de algemene toelichting dan aangevuld. e. Stapelen van vergunningen en andere verplichtingen De eerdere reactie heeft ertoe geleid dat een in het voorontwerp opgenomen vergunningplicht rondom veiligheid is geschrapt.

De gemeente wordt in algemene zin verzocht alert te blijven op onnodige stapeling van regels en verplichtingen voor bedrijven bij het verder ontwikkelen van het omgevingsplan.

Beantwoording Uitgangspunt voor het omgevingsplan is om alleen regels te stellen waar dat nodig is. En als regels nodig zijn, wordt een vergunningplicht alleen in het leven geroepen, wanneer daartoe aanleiding 11

Versie 14 mei 2024 bestaat. In hoofdstuk 5 van de algemene toelichting worden deze uitgangspunten voor de regeling besproken.

f. Geluidproductieplafonds: toelichting Er is meer aandacht nodig voor de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden voor Westpoort op alle relevante plekken in de toelichting. In paragraaf 5.8 (Omgevingswaarden) van de algemene toelichting ontbreekt dit aspect. Ons verzoek is daar ten minste een verwijzing naar par 9.2.5.2 op te nemen. Beantwoording Hoofdstuk 5 van de algemene toelichting bevat een algemene beschrijving van het instrumentarium, en hoe daarmee in zijn algemeenheid wordt omgegaan. In paragraaf 5.8 wordt het instrument omgevingswaarde toegelicht. Het daarbij verwijzen naar paragraaf 9.2.5.2, waarin het specifiek gaat over geluidproductieplafonds als omgevingswaarden, is niet wenselijk, omdat het dan slechts één van de vele mogelijke omgevingswaarden er uit zou lichten. Dan zou in paragraaf 5.8 op termijn naar alle paragrafen elders in het omgevingsplan moeten worden verwezen waarin een specifieke omgevingswaarde wordt besproken. En in paragraaf 5.3, waarin het instrument omgevingsvergunning wordt besproken, zou naar elke paragraaf elders in het omgevingsplan moeten worden verwezen waarin een specifieke vergunningplicht wordt besproken. Dat gaat juist ten koste van de leesbaarheid van hoofdstuk 5. Het is ook niet nodig, want de betreffende omgevingswaarde wordt immers reeds besproken in paragraaf 9.2.5.2. g.

Geluidproductieplafonds: doorkijk Gelet op het belang van de nieuwe regeling met geluidproductieplafonds voor de industrie en de omgeving ervan, wordt verzocht een doorkijk te geven naar de opname ervan in het omgevingsplan en de afstemming daarover met de provincie Noord-Holland, die verantwoordelijk is voor -alleen- de eerste vaststelling van deze geluidproductieplafonds voor Westpoort. Beantwoording Zoals aangegeven in de eerdere Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties is de vaststelling van de geluidproductieplafonds voor Westpoort een bevoegdheid van Provinciale Staten. Dat is omdat het een industrieterrein van regionaal belang is. Het gemeentelijk apparaat is op dit moment niet betrokken bij of op de hoogte van concrete stappen van de provincie. Hoewel gevraagd is om een planning, is die nog niet gegeven. Er zal nogmaals naar gevraagd worden. Zodra hierover meer bekend is, wordt het Havenbedrijf hierover geïnformeerd. h. Geurhinder Verzocht wordt om een aanpassing van artikel 9.85 (Voorkomen of beperken van geurhinder). 1. Lid 2 van dat artikel geeft de bevoegdheid om indien het redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van geurhinder, in een maatwerkvoorschrift voor te schrijven dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd.

In de Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties staat dat als een bedrijf aantoonbaar voldoet aan alle vergunningvoorschriften, geuronderzoek niet gauw voor de hand ligt, maar dat er situaties denkbaar zijn wanneer een verzoek zelfs in dat geval redelijk kan zijn. Bijvoorbeeld als de vergunning geen geurvoorschriften bevat en in de omgeving ineens veel geurklachten ontstaan. Verzocht wordt in de toelichting op te nemen dat in geval van oprukkende woningbouw, de verantwoordelijkheid daarvoor niet ligt bij het vergunde 12

Versie 14 mei 2024 bedrijf. En dat dit een aandachtspunt is bij het veranderen van een omgevingsplandeel in de omgeving van het havengebied naar woongebied. 2. Lid 3 van dat artikel bepaalt dat bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder, voor zover relevant, onder meer rekening kan worden gehouden met de volgende aspecten: a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid; b. < … > Geconstateerd wordt dat de beoordelingscriteria voor het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder in art. 9.85 ten opzichte van het voorontwerp nog vager zijn geworden, met termen als ‘kan, voor zover relevant’ en ‘onder meer’, terwijl ‘rekening worden gehouden met’ de enige juridisch betekenisvolle term is in deze bepaling. Verzocht wordt de bepaling en de toelichting aan te scherpen.

Beantwoording Ad. 1 Het is inderdaad de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer (gemeente of private partij) om bij het toelaten van nieuwe woningen de geursituatie in beeld te brengen, en niet van de geurveroorzakende bedrijven. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat voor het uitvoeren van een geuronderzoek in voorkomende gevallen gegevens over de bedrijfsvoering van het geurveroorzakende bedrijf nodig zullen zijn. Het bevoegde gezag kan die gegevens op grond van artikel 9.5 per maatwerkvoorschrift vorderen. Het bedrijf dient de benodigde gegevens aan te leveren opdat de initiatiefnemer het geuronderzoek uit kan voeren. Het artikelsgewijze toelichting wordt met deze passage niet aangevuld. Deze beschouwing vormt immers geen toelichting op de regeling zichzelf. Ad. 2 Het derde lid bevat een niet-limitatieve opsomming van aspecten waarmee bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt rekening gehouden. Door te kiezen voor een nietlimitatieve opsomming van aspecten behoudt het bevoegd gezag de mogelijkheid om daarbij ook aspecten te betrekken die op het moment van vaststelling van de regel niet voorzienbaar, maar wel relevant zijn. Het belang van het kunnen betrekken van alle relevante aspecten weegt in dit geval zwaarder dan het belang van voorafgaande kenbaarheid van welke aspecten het betreft.

Niet alle aspecten die worden opgesomd zijn altijd relevant. Om die reden is de betreffende bepaling inderdaad aangevuld met de zinsnede ‘voor zover relevant’. Dit is gedaan naar aanleiding van de eerdere inspraakreactie van het Havenbedrijf om aan te geven dat niet alle beoordelingscriteria relevant hoeven te zijn in een concrete situatie (zie hierover ook het volgende punt). Dat betekent dat aspecten die niet relevant zijn, achterwege kunnen blijven.

i. Schrappen verwijzing naar ‘lokaal geurbeleid’ Het eerdere verzoek om een verwijzing naar ‘lokaal geurbeleid’ in art. 9.85 te schrappen zolang dat beleid er niet is, is terzijde gelegd, onder verwijzing naar geurbeleid van de provincie dat van toepassing is op provinciale bedrijven. Provinciaal beleid is echter geen lokaal beleid; zodra de provincie bevoegd is, bepaalt de provincie of onderzoek nodig is, de gemeente behoort daarin niet te treden via het omgevingsplan. Dit punt is ook in algemene zin relevant, vanuit het oogpunt om juiste 13

Versie 14 mei 2024 bevoegdheidsverhoudingen bij het omgevingsplan in acht te nemen. Verzocht wordt artikel 9.85 en de toelichting op bovengenoemde punt aan te passen. Verzocht word vroegtijdig betrokken te worden wanneer de gemeente voorbereidingen treft voor het opstellen van lokaal geurbeleid.

Beantwoording Naar aanleiding van de participatiereactie van het Havenbedrijf is de betreffende regeling aangevuld met de zinsnede ‘voor zover relevant’. Zolang er nog geen gemeentelijke geurbeleid is, hoeft men daarmee ook geen rekening te houden. Zodra dat er wel is, dan is het wel relevant en wordt daarmee wel rekening gehouden. Ten aanzien van de bevoegdheidsverhoudingen wordt opgemerkt dat ten aanzien van sommige milieubelastende activiteiten het college van gedeputeerde staten (GS) bevoegd is voor verlening van de ‘milieuvergunning’ (omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Bal). Bij dergelijke ‘provinciale bedrijven’ houden GS toezicht ook op de naleving van de algemene regels in het Bal. Hiernaast is de gemeente bevoegd om in het omgevingsplan regels te stellen ten aanzien van milieuaspecten zoals geur of geluid. Die regels gelden ook voor provinciale bedrijven. Ten aanzien van geur is het zelfs verplicht gelet op artikel 5.92, lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving om in het omgevingsplan te borgen dat de geur door een milieubelastende activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is, ook al is dat een provinciaal bedrijf.

De toezicht en handhaving van de algemene regels in het omgevingsplan (die in aanvulling op de ‘milieuvergunning’ en het Bal gelden) ligt bij de gemeente (het college van burgemeester en wethouders). Daarom kan de gemeente wel degelijk een geuronderzoek vragen, ook van provinciale bedrijven. Deze bevoegdheid staat overigens los van de bevoegdheid van de provincie om in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een ‘milieuvergunning’ een geuronderzoek te vragen. Bij de beoordeling houden GS rekening met de geurregels in het omgevingsplan. Ook dienen GS rekening te houden met eventueel gemeentelijk beleid, gelet op artikel 2.2, lid 1 van de Omgevingswet. Ten aanzien van het begrip ‘lokaal beleid’ merken we op dat dit een term is die is overgenomen uit het Activiteitenbesluit. Dat was een landelijke regeling. Onder die term viel ook provinciaal beleid. Het kan misverstand wekken als in het omgevingsplan worden gesproken van lokaal beleid, als daarmee ook provinciaal beleid wordt bedoeld. Het omgevingsplan is aangepast, in de zin dat de term ‘lokaal beleid’ is vervangen door ‘provinciaal en gemeentelijke beleid’. Tot slot wordt bevestigd dat het Havenbedrijf bij het opstellen gemeentelijk geurbeleid vroegtijdig betrokken wordt.

j. Lozingen bij opslaan en overslaan van goederen Met betrekking tot subparagraaf 9.3.2.8 worden enkele kleine aanvullingen op de artikelsgewijze toelichting voorgesteld. Beantwoording De toelichting wordt conform verzoek aangepast.

14

Versie 14 mei 2024

k. Vroegtijdige betrokkenheid bij relevante wijzigingen Nogmaals wordt verzocht vroegtijdig betrokken te worden bij de voorbereiding van nieuwe (ruimtelijke) regels voor zowel het havenindustriegebied als in de directe omgeving ervan. Beantwoording Zoals aangegeven in de eerdere Nota van beantwoording inspraak- en vooroverlegreacties ligt het bij toekomstige wijzigingen waarbij het Havenbedrijf een specifiek belang heeft, zoals bij het vervangen van de bestaande bestemmingsplannen, voor de hand dat het Havenbedrijf vroegtijdig wordt betrokken.

4. Adressant 2 a. Verzoek om schriftelijke reactie met mogelijkheid tot aanvullende zienswijze Adressant verzoekt in haar in eerste instantie naar voren gebrachte zienswijze beantwoording van een aantal vragen, voordat inhoudelijk een aanvullende zienswijze kan worden gegeven. Verzocht wordt daarbij een termijn te stellen. Beantwoording Per brief van 2 april 2024 is adressant schriftelijk voorzien van een antwoord op de gestelde vragen. De brief is als bijlage 2 toegevoegd. Daarbij is tot 22 april 2024 de gelegenheid gegeven om de zienswijze aan te vullen. Per email van 1 april 2024 is hiervan gebruik gemaakt. Deze is ook schriftelijk ingediend. De mail is als bijlage 3 toegevoegd. De zienswijzen worden hierna samengevoegd behandeld. De zienswijzen gaan in hoofdzaak over de viewer. De landelijke viewer is in de plaats gekomen van ruimtelijkeplannen.nl. Het is zeker zo dat de viewer nog voor verbetering vatbaar is. Daaraan wordt door het Kadaster, dat verantwoordelijk is voor de viewer, ook gewerkt. Met het oog op verbetering is het Kadaster ambtelijk van de (geanonimiseerde) zienswijze op de hoogte gesteld. Ondanks dat de viewer voor verbetering vatbaar is, is het omgevingsplan via de viewer in voldoende mate raadpleegbaar.

Omdat het omgevingsplan behalve locatiegerichte regels ook heel veel algemeen geldende regels bevat, vraagt het raadplegen wel andere zoekmethoden dan die golden voor ruimtelijkeplannen.nl. Op de weblocatie waar de viewer raadpleegbaar is, wordt uitleg gegeven over hoe de viewer te gebruiken. Hieronder wordt een aantal aanvullende suggesties voor het gebruik gegeven.

b. Viewer Regels op de kaart Adressant geeft aan het een raadsel te vinden wat het omgevingsrechtelijk regiem voor het eigen perceel behelst. De van het Omgevingsloket deel uitmakende voorziening Regels op de kaart verschaft geen duidelijkheid. Er gelden maar liefst 96 aanduidingen ter plaats van het perceel. Wat die allemaal qua toepasselijke regels behelzen, valt niet te doorgronden. Beantwoording Adressant verwijst hier naar de zoekingang ‘Plekinfo’ in de landelijke viewer Regels op de kaart. Om de verschillende regels van het omgevingsplan goed te ontsluiten, zijn in de viewer diverse ingangen naar de regels gebouwd: Plekinfo, Overzicht en Regels. Onder Plekinfo zijn voor het betreffende perceel 101 (in plaats van 96) aanduidingen te zien: 15

Versie 14 mei 2024

De functie van Plekinfo is vergelijkbaar met hoe het bestemmingsplan onder oud recht via ruimtelijkeplannen.nl werd ontsloten. Bij ‘Plekinfo’ waren de bestemmingen, dubbelbestemmingen, bouwaanduidingen en gebruiksaanduidingen te zien. Via ‘Documenten’ kwam men bij de daarop betrekking hebbende regels. In de viewer Regels op de kaart kun je door op een aanduiding te klikken, naar regels die zijn gekoppeld aan die aanduiding. Onder Plekinfo is zichtbaar dat er verschillende typen aanduidingen zijn: Locaties, Activiteiten Ambtsgebied en Activiteiten Beperkt Gebied. In de toekomst komen daar nog meer typen aanduidingen bij, waaronder in elk geval Omgevingsnormen en Gebiedsaanwijzingen. Wanneer het gaat om de weergave van een ontwerpaanduiding, staat het woord Ontwerp ervoor. Hierin verschilt Regels op de kaart van ruimtelijkeplannen.nl. Want niet al deze aanduidingen zijn relevant voor de juridische betekenis van de regeling. Anders dan bij ruimtelijkeplannen.nl moet bij Regels op de kaart een onderscheid worden gemaakt tussen aanduidingen die juridisch relevant zijn, en aanduidingen die een servicefunctie hebben. Beide worden getoond. Juridisch relevant zijn alleen die aanduidingen die een geometrisch element aan de juridische regel toevoegen. Dit wordt uitgebreid beschreven in hoofdstuk 7 van de Algemene toelichting.

Bijvoorbeeld de regel ‘wonen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding wonen’ krijgt juridisch betekenis door de aanduiding wonen. Ter plaatse van dat vlak is wonen toegestaan, daarbuiten niet. Alleen de Locaties en (in de toekomst) Omgevingsnormen hebben die juridische betekenis. Die bepalen samen met de regel waar iets wel of niet mag, of waar welke norm geldt. Alle overige aanduidingen zijn servicegericht. Ze moeten de gebruiker helpen het omgevingsplan te raadplegen. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is vanuit Amsterdam ambtelijk gewaarschuwd voor een overkill aan informatie bij plekinfo. Dat heeft er in elk geval toe geleid dat er de mogelijkheid is om een ‘compacte weergave’ weer te laten geven, waarbij uitsluitend de juridisch relevante aanduidingen worden getoond:

16

Versie 14 mei 2024

Wanneer dat is aangekruist, worden alleen de juridische relevante Locatieaanduidingen (de (ontwerp)locaties) weergegeven:

Alle overige aanduidingen zijn bedoeld om de regeling voor de gebruiker beter toegankelijk te maken, of om aanvraagformulieren aan te maken. Maar ze hebben geen juridische betekenis. Deze zijn in de compacte weergave niet zichtbaar. Om te weten welke regels er allemaal op een bepaalde locatie gelden, wordt overigens afgeraden uitsluitend af te gaan op de aanduidingen die zijn weergegeven onder Plekinfo. Beter is het te kijken onder ‘Overzicht’ (dat de inhoudsopgave van het omgevingsplan toont) en/of ‘Regels’. Het aantal Activiteiten-aanduidingen zal overigens na vaststelling groter zijn dan in het ontwerp. Dat heeft ermee te maken dat voor aanvraagformulieren een Activiteit-aanduiding moet zijn aangemaakt. Het aantal Activiteiten-aanduidingen is na vaststelling dus groter, maar dit wijzigt de regeling niet.

c. Onduidelijk welke algemeen geldende regels er zijn En dan zal het Omgevingsplan ook nog bol staan van regels, die niet locatiespecifiek zijn en daarom overal zullen gelden. Onduidelijk is om welke regels het hier dan gaat.

17

Versie 14 mei 2024

Beantwoording Het omgevingsplan bevat inderdaad heel veel algemeen geldende regels. Anders dan het bestemmingsplan lijkt het daarmee veel meer op een gemeentelijke verordening. Deze regels zijn gekoppeld aan de onder plekinfo weergegeven Locatie-aanduiding gemeente Amsterdam. Om te weten welke regels er op een bepaalde locatie gelden, is het echter beter onder het tabblad Regels in de regels zelf te kijken:

Wanneer gekozen wordt voor Gekozen locatie, worden alleen de daar geldende regels weergegeven. Wanneer gekozen wordt voor Gehele document, dan worden alle regels weergegeven, waarbij de regels die ter plaatse niet gelden niet zwart maar grijs worden weergegeven. Juist omdat er zo veel meer regels over sterk uiteenlopende onderwerpen in het omgevingsplan komen te staan, is het van belang om ook goed op onderwerp te kunnen zoeken. Want niet alle algemene regels zijn voor iedereen even relevant. Daarvoor kan het best gezocht worden vanuit de inhoudsopgave. Die staat onder Overzicht. Bij het formuleren van opschriften van de verschillende regelonderdelen (hoofdstukken, afdeling, paragrafen etcetera) is ervoor gekozen daarin zo veel mogelijk betekenis over de inhoud van het betreffende onderdeel op te nemen.

d. Viewer werkt bij voortduring niet De viewer Regels op de kaart werkt bij voortduring niet. Het is dus ook niet goed mogelijk het omgevingsplan te raadplegen. Beantwoording Van tijd tot tijd wordt kortstondig onderhoud aan de viewer gepleegd. Dat wordt ruim vooraf aangekondigd. Dat onderhoud is nodig om de werking en snelheid van de viewer steeds verder te verbeteren. Dat neemt niet weg dat het gepubliceerde ontwerpbesluit in voldoende mate raadpleegbaar is geweest ten tijde van terinzagelegging. e. Betekenis aanduiding ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen Adressant geeft aan dat voor het eigen perceel onder meer de aanduiding ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen gaat gelden. Voor zover dat te begrijpen valt, betekent dat - kort gezegd - dat in het omgevingsplan opgenomen regels buiten toepassing blijven, voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijke plan daarvan afwijkt. Hier rijzen vragen als: •

om welk geldend ruimtelijk plan gaat het dan?;

•

kan thans niet tegen de van het ruimtelijk plan afwijkende regels, als opgenomen in het omgevingsplan - de thans aan de orde zijnde wijziging daarvan - worden opgekomen, omdat deze (nog) niet op mijn perceel gelden?;

•

maar wanneer kan dat dan wel?; en 18

Versie 14 mei 2024 •

kan dan worden opgekomen tegen de thans nog niet voor mijn perceel geldende regels uit het omgevingsplan (de aan de orde zijnde wijziging daarvan)?

Beantwoording Het betreft hier een Locatie-aanduiding. Deze heeft dus juridische betekenis. Die juridische betekenis volgt uit de regels waarin de Locatie-aanduiding wordt genoemd. In hoofdstuk 7 van de Algemene toelichting wordt de relatie tussen deze aanduidingen en de juridische regel uitgebreid toegelicht. De naam van de betreffende aanduiding zelf maakt duidelijk dat daar waar die aanduiding geldt, de ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet zijn vervallen. Niet de naam van de aanduiding, maar de regels waaraan de aanduiding is gekoppeld, bepalen het rechtsgevolg. In de regels die gelden ter plaatse van deze specifieke aanduiding, wordt gerefereerd aan de regels in het ‘ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan’. Juridisch is dat gedefinieerd als ‘ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen.’ Feitelijk betekent dit het bestemmingsplan. Maar het kunnen ook andere besluiten zijn die onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor het gebied zijn vastgesteld, zoals een wijzigingsplan, uitwerkingsplan, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit.

Ook die nog geldende plannen, die van rechtswege onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan, zijn raadpleegbaar vanuit Regels op de kaart. De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan bevat veel generieke regels die overal binnen Amsterdam moeten gaan gelden, maar die gaan over onderwerpen waarover ook bijvoorbeeld bestemmingsplannen regels kunnen bevatten. Die regels kunnen onderling afwijken. Omdat ook bestemmingsplannen onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan (zie paragraaf 6.2 van de algemene toelichting) staan er dan onderling tegenstrijdige regels in het omgevingsplan. Om dat te voorkomen, wordt dan met een voorrangsregel bepaalt welke regel voor gaat. In verreweg de meeste gevallen is dat de regel uit het bestemmingsplan. Dat is gedaan omdat dan bij het vervangen van bestemmingsplannen kan worden afgewogen of de afwijkende regel voor het betreffende gebied moet blijven bestaan. Is dat niet het geval, dan kan de generieke regel gaan gelden. Is dat wel het geval, dan kan voor het betreffende gebied met een van de generieke regel afwijkende regel maatwerk worden geboden. Dat betekent dat het rechtsgevolg pas ontstaat nadat het bestemmingsplan is vervangen.

Voor zover adressant het bij het vervangen niet eens is met de bestuurlijke keuze om geen afwijkend maatwerk te bieden, dan kan in het kader van die procedure tegen het rechtsgevolg dat dan ontstaat worden opgekomen.

f. Onduidelijk welke wijzigingen zijn voorzien Het is onduidelijk welke wijzigingen ten opzichte van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de daarvan deel uitmakende planologische maatregelingen op het eigen perceel en de omgeving ervan zijn voorzien. Beantwoording Waar adressant spreekt van ‘planologische maatregelen’ wordt blijkens de strekking van de zienswijze gedoeld op planologische regelingen, die van rechtswege onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan, zoals bestemmingsplannen.

19

Versie 14 mei 2024 Adressant lijkt ervan uit te gaan dat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan wordt vervangen dan wel gewijzigd. Dat is niet het geval. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan, dat van rechtswege onderdeel is geworden van het omgevingsplan, blijft ondanks dit eerste wijzigingsbesluit onverkort van kracht. Dat geldt voor heel Amsterdam. De rechten en beperkingen op grond van de geldende bestemmingsplannen blijven dus bestaan, zowel voor het eigen perceel, als voor de omgeving, als voor heel Amsterdam. Wel worden heel veel regels vastgesteld en daarmee als het ware klaargezet waarmee op een later moment bestaande bestemmingsplannen op geharmoniseerde wijze kunnen worden vervangen. Die regels (die hoofdzakelijk staan in de hoofdstukken 2, 3, 5 en 6) gaan met dit eerste wijzigingsbesluit echter nog nergens gelden. Op enkele uitzonderingen na. Over een beperkt aantal onderwerpen waarover ook bestemmingsplannen regels kunnen bevatten, zijn in afdeling 3.2 regels opgenomen, die in beginsel direct over gaan gelden. Het gaat om regels over de volgende onderwerpen: • • • • • •

Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing (paragraaf 3.2.2 van de regels) Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling (paragraaf 3.2.3 van de regels) Ondergeschikt kantoorgebruik (paragraaf 3.2.4 van de regels) Ondergeschikte detailhandel (paragraaf 3.2.5 van de regels) Huisvesting in verband met mantelzorg (paragraaf 3.2.7 van de regels) Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof (paragraaf 3.2.8)

Ook hoofdstuk 5 bevat enkele onderdelen die direct overal gaan gelden (afdeling 5.1 tot en met 5.4). Het gaat daarbij met name om regels over bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan, zoals voorheen opgenomen in artikel 2 van bijlage II van het toenmalige Bor (de vergunningvrije bouwwerken). De reden om deze regels direct over te laten gelden, is dat niet alle bestemmingsplannen over deze onderwerpen regels bevatten. Die regels zijn wel nodig, en zijn (op grond van vastgesteld beleid) in principe overal gelijk. Voor deze onderdelen is wel bepaald dat áls het nog geldende bestemmingsplan hierover wel regels bevat, dat dan die regels voorgaan. Bevat het bestemmingsplan deze regels niet, dan gelden de regels in de betreffende paragrafen. In paragraaf 11.3 van de algemene toelichting bij het omgevingsplan wordt hier nader op ingegaan. Om te zien of de betreffende regels wel of niet gaan gelden, zal dus óók het nog geldende bestemmingsplan geraadpleegd moeten worden. Maar dat geldt, zolang het bestemmingsplan voor een locatie nog niet is vervangen, in zijn algemeenheid. Het omgevingsplan bestaat daar uit zowel het nieuwe deel en tijdelijke onderdelen zoals het bestemmingsplan. Dit gedurende de transitiefase helaas onontkoombaar.

g. Per perceel moeten de voorgenomen wijzigingen in beeld worden gebracht De raad moet concreet aangeven welke wijzigingen voor het eigen perceel en de omgeving daarvan zijn voorzien. Van een burger kan niet worden verlangd met een niet goed te hanteren instrument als de planviewer naar de voor hem/haar relevante omgevingsrechtelijke wijzigingen op zoek moet gaan? Als de raad tot een wijziging van het omgevingsrechtelijk regiem wenst over te gaan, dan rust op de raad de verplichting om kenbaar en begrijpelijk te maken wat die wijziging voor een betreffend perceel inhoudt. Zeker als een burger daarom vraagt. Niet kan worden volstaan met te verwijzen naar het instrument van een planviewer dat een dergelijk inzicht niet op een duidelijke en toegankelijke wijze verschaft. 20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14446369/1