Bijlage 5 ARVO 2024 publieksversie 20231003.pdf
Tekst van het document
|
ARVO 2024
Analyses per vak per laag
0,50 t/m 2,5 m
Het vooronderzoek moet worden uitgevoerd zoals staat beschreven in hoofdstuk 2. Indien blijkt dat er puntbronnen aanwezig kunnen zijn in het tracé moeten deze worden onderzocht volgens de onderzoeksstrategie puntbron. Bij werkzaamheden aan gasleidingen moet men ook bedacht zijn op (nog niet gerepareerde) gaslekkages. Lekkages kunnen leiden tot verhoogde gehalten met benzeen en tetrahydrothiofeen (odorant) in grond, grondwater en bodemlucht. Voor verder onderzoek kan gebruik worden gemaakt van het Kiwa-rapport Vervolgonderzoek correlatie tussen gaslek en bodemverontreiniging door benzeen [Lit. 20].
20
Boringen per vak 2
gekozen voor uniformiteit: alle boringen doorzetten in de ondergrond en zowel voor toplaag als diepe laag 1 analyse per vak op het ARVO standaardanalysepakket. De grond in een onverharde berm of groenstrook wordt verdeeld in: • toplaag onder maaiveld onverharde berm 0,0 tot 0,5 m-mv; • diepe laag onder maaiveld onverharde berm 0,5 tot 1,0 m-mv. Afhankelijk van de omvang van het werk kan een andere maatvoering gekozen worden, waarbij max. 1,0 m mag worden samengevoegd tot één mengmonster (0,5 tot 1,5 m; 1,5 tot 2,5 m etc.). Meerdere bermen mogen tot één vak worden samengevoegd, per berm worden dan minimaal 2 boringen gezet tot het totaal per vak volgens tabel 3.5. De toplaag en de diepe laag worden onderzocht volgens tabel 3.5. Boomgrond Bij aanwezigheid van bomen kan aanvullend boomgrond onderzoek nodig zijn om de groeiomstandigheden te bepalen. De opzet van het boomgrond-onderzoek wordt altijd afgestemd met een boomspecialist. Het aantal mengmonsters is afhankelijk van de uniformiteit in grondsoort (richtlijn is 1 mengmonster op 5.000 m2). Het uit te voeren boomgrond onderzoek bevat minimaal: • Granulaire samenstelling; • Voedingsstoffen en zuurgraad (NPK en pH); • Profielonderzoek.
3.4.8 Onderzoeksstrategie openbare ruimte verharde berm
3.4.9 Onderzoeksstrategie openbare ruimte elementen op zand (voetpad, fietspad)
De elementen die aanwezig zijn in een verharde berm dienen visueel beoordeeld te worden op aanwezigheid van verontreinigingen zoals minerale olie. Hierbij moet ook de herkomstlocatie meegenomen worden, bijvoorbeeld straatstenen afkomstig van een benzinestation kunnen niet zonder keuring worden hergebruikt. Voor de visuele beoordeling bestaat geen vast protocol. Indien de elementen verontreinigd zijn, moeten ze worden afgevoerd naar een verwerker. Indien de elementen visueel schoon zijn, kunnen ze opnieuw worden toegepast in hetzelfde werk of in een ander werk.
Het wegdek van een voetpad of fietspad bestaat uit een constructie van elementen (bijvoorbeeld tegels 300 x 300 x 50 mm) op zand, zonder funderingsmateriaal. In de regel bestaat de bovenste laag uit opgebracht zand en is hieronder deels zand, deels de natuurlijke ondergrond aanwezig.
Een kenmerkende opbouw van een verharde berm is: • Elementenverharding 0,0 tot 0,07 m-mv; • Toplaag onder wegdek 0,07 tot 0,5 m-mv; • Diepe laag onder wegdek 0,5 tot 1,0 m-mv. Voor grondlagen onder het wegdek wordt een diepte van maximaal 1,0 meter beschouwd. Afhankelijk van het werk kan een andere maatvoering gekozen worden, waarbij een laagdikte van maximaal 1,0 meter mag worden samengevoegd tot één mengmonster (0,5 tot 1,5 m-mv, 1,5 tot 2,5 m-mv etc.).
Het onderzoek van de elementenverharding vindt plaats middels visuele beoordeling, zoals beschreven in 3.4.8. Voor grondlagen onder het wegdek wordt een diepte van maximaal 1,0 meter onderzocht. Afhankelijk van het werk kan een andere maatvoering gekozen worden, waarbij een laagdikte van maximaal 1,0 meter mag worden samengevoegd tot één mengmonster (0,5 tot 1,5 m-mv, 1,5 tot 2,5 m-mv etc.). Het bodemonderzoek van het zand onder de elementen verharding wordt uitgevoerd volgens tabel 3.6. De toplaag onder het wegdek en de diepe laag onder wegdek worden onderzocht op het ARVO standaardanalysepakket. Indien de lagen puinhoudend of anders verdacht zijn op het voorkomen van asbest dan is eveneens asbestonderzoek nodig.
De toplaag onder wegdek en de diepe laag onder wegdek worden onderzocht op het ARVO standaardanalysepakket. Indien de lagen puinhoudend of anders verdacht zijn op het voorkomen van asbest dan is eveneens asbestonderzoek nodig.
Tabel 3.6 Onderzoeksstrategie openbare ruimte – elementen op zand (voetpad, fietspad) Totale oppervlak constructie
Vooroorlogse wijk Vakgrootte
Boringen per vak
Naoorlogse wijk
Analyses per vak en laag
Vakgrootte
Boringen per vak
Analyses per vak en laag
≤ 8.000 m2
1.000 m2
2
1
2.000 m2
2
1
> 8.000 m2
2.000 m2
3
1
4.000 m2
3
1
Nb.1 bij aanwezigheid van bekende verontreinigingen in het tracé of mobiele verontreinigingen <25 meter van het tracé moeten aanvullende boringen en analyses worden uitgevoerd; Nb.2 bij sommige wegdekken kan het zijn dat de toplaag geheel afwezig is, omdat de dikte van de wegverhardingsconstructie (asfalt of beton + fundering) al 0,5 meter bedraagt. In dit geval wordt dus alleen de diepe laag onderzocht vanaf 0,5 m-mv.
21
|
ARVO 2024
3.4.10 Onderzoeksstrategie openbare ruimte elementen op zand (parkeerstrook)
3.5 Analytisch-chemisch onderzoek
Een parkeerstrookconstructie is in het algemeen als volgt opgebouwd: • Elementenverharding (betonstraatsteen of klinkers); • Zandbed.
Het analytisch-chemisch onderzoek wordt uitgevoerd door een laboratorium dat beschikt over de benodigde accreditaties en certificeringen. Tevens dient het laboratorium door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat erkend te zijn voor de Analyse milieuhygiënisch bodemonderzoek (AS3000) en geaccrediteerd te zijn voor de analyses (NEN-ENISO/IEC 17025). Voor onderzoek naar bouwstoffen dient het laboratorium erkend te zijn voor de Analyse van bouwstoffen (AP04) en geaccrediteerd te zijn voor de analyses (NEN-ENISO/IEC 17025). Voorafgaand aan de analyses worden de juiste voorbehandelingen uitgevoerd.
Het onderzoek van de elementenverharding vindt plaats middels een beoordeling met het blote oog, zoals beschreven in paragraaf 3.4.8) Het onderzoek van de grond bij een parkeerstrook wordt per vak benaderd, waarbij een vak maximaal 500 m² groot mag zijn, dit komt ongeveer overeen met 33 parkeerplaatsen. Per vak wordt een mengmonster onderzocht van 5 boringen. Voor het zandbed onder de elementenverharding wordt dezelfde aanpak gekozen als voor de verharde berm. Ook hier moet de diepte beschouwd worden vanaf het maaiveld. Voor het onderzoek van de grond bij een parkeerterrein wordt de grond ook per vak benaderd, een vak is hier maximaal 1000 m2 groot. Per vak wordt een mengmonster onderzocht van 5 boringen. Voor het zandbed onder de elementenverharding wordt dezelfde aanpak gekozen als voor de onderzoeksstrategie verharde berm. Ook hier moet de diepte beschouwd worden vanaf het maaiveld. Een kenmerkende opbouw van een elementenparkeerstrook is: • Elementenverharding 0,0 tot 0,07 m-mv; • Toplaag onder wegdek 0,07 tot 0,5 m-mv; • Diepe laag onder wegdek 0,5 tot 1,0 m-mv. Voor grondlagen onder het wegdek wordt een diepte van maximaal 1,0 meter beschouwd. Afhankelijk van het werk kan een andere maatvoering gekozen worden, waarbij een laagdikte van maximaal 1,0 meter mag worden samengevoegd tot één mengmonster (0,5 tot 1,5 m-mv, 1,5 tot 2,5 m-mv etc.).
De toplaag onder wegdek en de diepe laag onder wegdek worden onderzocht op het ARVO standaardanalysepakket. Indien de lagen puinhoudend of anders verdacht zijn op het voorkomen van asbest dan is eveneens asbestonderzoek nodig.
22
|
ARVO 2024
In tabel 3.7 is weergegeven op welke bestanddelen de grond(meng)- en grondwatermonsters worden onderzocht. Voor de strategie verdacht kan hiervan afgeweken worden en wordt het standaardanalysepakket uitgebreid met de te verwachten stoffen. Als in een grondmengmonster een overschrijding van de interventiewaarde wordt vastgesteld die niet gangbaar is voor het gebied, worden de afzonderlijke grondmonsters, waaruit het mengmonster is samengesteld, op het betreffende bestanddeel onderzocht (uitsplitsing). Bij een overschrijding van de tussenwaarde wordt het mengmonster uitgesplitst als het gaat om een sterke afwijking van de bodemkwaliteit van het gebied of zone. Bij niet uitzonderlijke interventiewaarde-overschrijdingen van zware metalen of PAK in grondmengmonsters (afkomstig van de diffuus verontreinigde oudstedelijke ophooglaag) hoeft geen uitsplitsing plaats te vinden. Alleen bij een sterk afwijkende onderzoeksuitkomst zal een herbemonstering of een heranalyse na uitsplitsing worden gedaan.
Tabel 3.7 Analytisch-chemisch onderzoek Parameter
Grondmengmonster top 1 0 - 0,5 m-mv
Grondwater
diep 1 en diep 210) >1,0 m-mv
top 2 0,5 - 1,0 m-mv
zware metalen1)
#
#
#
PAK (10 VROM)
#
(#)
#
minerale olie
#
(#)
#
2)
vluchtige kws som-PCB4)
#
(#)
#
asbest5)
(#)
(#)
(#)
MTBE, ETBE PFAS
(#) (#)
Chloride
7)
Lutum, organische stof8)
# #
3)
6)
#
(#)
# #
(#)
(#)
# #
# #
NTU, pH, pe en EC9)
# het gehalte van deze parameter wordt chemisch-analytisch bepaald (uitzonderingen bij voetnoot 8 en 9). (#) het gehalte van deze parameter wordt chemisch-analytisch bepaald als uit het vooronderzoek of uit het veldonderzoek blijkt dat de bodemlaag verdacht is op deze parameter. 1) Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; arseen aanvullend in grondwater. 2) Identificatie van een minerale olieverontreiniging met een oliechromatogram en bij tankstations ook gehalten vluchtige oliën (C5-C10) bepalen. 3) Vluchtige aromatische- en gechloreerde alifatische koolwaterstoffen. 4) Polychloorbifenylen: PCB28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180. 5) Asbestgehalte wordt bepaald in de verdachte lagen en de laag daar onder. 6) Poly- en PerFluor Alkyl Stoffen. Alle kritische PFAS die verwacht kunnen worden, moeten chemisch-analytisch bepaald worden, in ieder geval PFOS en PFOA. 7) Alleen wanneer chlorideverdacht, b.v. ophoging met zeezand of zoute kwel, etc. 8) Parameters in deze rij zijn bepalingen in grond (in laboratorium): lutum en organische stof. 9) Parameters in deze rij zijn bepalingen in grondwater (in het veld): NTU (nephelometric turbidity unit, eenheid voor troebelheid), pH (zuurgraad) pe (electropotentiaal, alleen als er een indicatie is voor afwijkingen zoals H2S, methanogene omstandigheden) en EC (elektrische geleidbaarheid).
10) Afhankelijk van de bereikte boordiepte en geldt voor zowel diep 1 (>1,0 m-mv) en diep 2 (tot 0,5 m onder ontgraving).
Het analyseschema wordt uitgebreid met andere para meters als de uitkomsten van het vooronderzoek en/of het verkennend onderzoek daar aanleiding toe geven (bijv. met chloorfenolen, 6-waardig chroom, styreen). Ook kan een GCMS-screening worden gebruikt voor een nadere bepaling van vluchtige en niet vluchtige stoffen. Bij twijfel dient afstemming plaats te vinden met de Omgevingsdienst. Het is niet uit te sluiten dat het analyseschema in de toekomst uitgebreid zal worden met (een aantal van de) ‘zeer zorg wekkende stoffen’ en/of microplastics.
23
|
ARVO 2024
3.6 Rapportage De uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek worden vastgelegd in een rapport. Ten behoeve van opname van het bodemonderzoek in het bodeminformatiesysteem wordt het onderzoeksrapport als pdf bestand aangeleverd samen met het bijbehorende XML-bestand. Dit is een verplicht onderdeel en van belang voor het actueel houden van het bodeminformatiesysteem van de gemeente (Nazca). De vereisten voor het XML-bestand zijn opgenomen in Bijlage 2. Het onderzoeksrapport wordt ingediend via het nieuwe omgevingsloket, onderdeel van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
De rapportage wordt in de Nederlandse taal opgesteld. In de rapportage zijn minimaal de volgende punten opgenomen: • Resultaten van het vooronderzoek; • Gegevens van gebouwen/tuinen/sloten ter plaatse (huidige en toekomstige situatie); • Uitkomsten van inspectie onderzoekslocatie op voor komen groeilocatie Duizendknoopfamilie; • Uitkomsten van het veldonderzoek (boorpunten, graaf gaten, sleuven), weergegeven op een tekening; • Uitkomsten van beoordeling opgeboorde grond op asbestverdacht materiaal en asbest; • Foto’s van veldinspectie (puin, asbest, vulpunten, groeiplaatsen Duizendknoopfamilie etc.) en van afwijkende bodemlagen (bij voorkeur gekoppeld aan de boorstaat in de veldapplicatie); • Bij woning met tuin: foto’s van de inrichting van de tuin (verhard, onverhard, plantvakken, gazon); • Nulhypothese en beschrijving strategie ten behoeve van toetsing nulhypothese; • Boorpunten, graafgaten, sleuven ingemeten t.o.v. rijksdriehoekscoördinaten (X,Y,Z) (Z t.o.v. maaiveld en NAP); • Terreinhoogte, grondwaterstanden en oppervlaktewaterpeil ingemeten t.o.v.
maaiveld en NAP; • Beschrijving van de grondtextuur volgens de meest recente versie van NEN-EN-ISO 14688 en een schatting per boring van het percentage zand, silt, klei, veen, bodemvreemd materiaal (aard en hoeveelheid), organische stof en de zintuiglijke waarnemingen, die een aanwijzing kunnen zijn voor bodemverontreiniging. Dit alles weer gegeven in een overzichtelijke tabel;
24
|
ARVO 2024
• Boorstaten met daarin diepte van de boringen, diepte en lengte peilfilters e.d.; • Mengschema van grondmonsters; • Verantwoording van de monsterkeuze voor de analyse; • Vermelding naam erkende veldwerker; • Analyse-uitkomsten in overzichtelijke tabellen, inclusief toetsing aan de ter zake dienende normeringen; • Vermelding of de vastgestelde verontreiniging is veroorzaakt door een bedrijfsmatige activiteit of dat er sprake is van een verhoogd achtergrondniveau; • Verwerpen of accepteren van de nulhypothese; • Beschrijving en motivering van afwijkingen t.o.v. de onderzoeksstrategie van de ARVO en een uitspraak over de representativiteit als gevolg van de afwijkingen; • Conclusies over de verontreini¬gingstoestand van de locatie; • Uitspraak of voldoende onderzoek is uitgevoerd. Zo nee, beschrijven waar vervolgonderzoek aan moet voldoen.
4 NADER ONDERZOEK 4.1 Doel Uit een verkennend bodemonderzoek blijkt of op de locatie een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Het doel van het nader onderzoek is het verzamelen van voldoende informatie van een verontreiniging in de grond en/of in het grondwater, om een uitspraak te kunnen doen over de aard, mate, omvang en mogelijke risico’s van de verontreiniging. Het nader onderzoek is een logisch vervolg op eerder uitgevoerd verkennend onderzoek, waarin vragen rondom aanwezige verontreiniging zijn gerezen. Het doel van het nader bodemonderzoek hangt af van de situatie en is daarmee altijd maatwerk. Bij het uitvoeren van een nader onderzoek dient de werkwijze van NTA 5755 [Lit. 11] gevolgd te worden.
4.2 Toepassingsgebied Centraal in het uitvoeren van nader onderzoek volgens de NTA 5755 staat het vaststellen van een conceptueel model, een zo compleet mogelijke beschrijving van de verontreinigingssituatie en aspecten die daarop betrekking hebben. Op basis van dit model worden de onderzoeksvragen geformuleerd en daarmee tevens een onderzoeksdoel. Op basis van het conceptueel model wordt een onderzoeksstrategie gekozen, waarvan er drie in NTA 5755 zijn beschreven: • voor de bepaling van de omvang van de bodemverontreiniging (hoe ver strekt de verontreiniging zich in horizontale richting en in verticale richting); • voor een locatiespecifieke risicobeoordeling van de bodemverontreiniging (risicotoolbox); • voor het opstellen van onderzoeksvragen in het kader van de zorgplicht. Als in het verkennend onderzoek verontreinigingen boven de interventiewaarden zijn aangetoond die veroorzaakt worden door de oudstedelijke ophooglaag, dan is het in de meeste gevallen niet nodig een nader onderzoek uit te voeren om de omvang in kaart te brengen. Het aantonen van verontreinigingen met zware metalen en PAK en het beschrijven van de ophooglaag volstaat. Het hangt echter af van de situatie. Bij civieltechnische graafwerkzaamheden kan
25
|
ARVO 2024
nader onderzoek achterwege blijven, maar ten behoeve van het bepalen van gezondheidsrisico’s of het bepalen van de kwaliteitsklasse voor afzetdoeleinden kan het wel nodig zijn. Voor graafwerkzaamheden in een bodemverontreiniging of een saneringsaanpak afdekken waarbij alleen de stofgroepen metalen, overige anorganische stoffen, PAK, organochloorbestrijdingsmiddelen en minerale olie aan de orde zijn, kan een nader onderzoek achterwege blijven bij: • de milieubelastende activiteit Graven boven en onder de interventiewaarde; • de milieubelastende activiteit Saneren, saneringsaanpak afdekken. Tenzij de omstandigheden op de onderzoekslocatie anders zijn, waardoor een nader onderzoek nodig is. NTA 5755 is niet van toepassing bij: • Onderzoek naar een bodemverontreiniging met asbest. Hiervoor geldt NEN 5707, NEN 5897 en NEN 5720; • Onderzoek van waterbodems. Hiervoor geldt NEN 5720; • Vragen gerelateerd aan juridische kwesties, zoals wie de veroorzaker van een bodemverontreiniging is of wanneer een bodemverontreiniging is ontstaan; • Onderzoek naar gebiedsgericht beheer van verontreinigd grondwater of een gebiedsgerichte aanpak van een sanering of een programma als bedoeld in de Omgevingswet. De resultaten van het nader bodemonderzoek worden in een PDF- en een XML-bestand aangeleverd.
5 RISICOCHECK LOOD MET XRF 5.1 Onderzoeksstrategie risicocheck lood 5.1.1 Doel Het doel is het bepalen van het loodgehalte in de contactlaag van onverharde terreindelen om te bepalen of er humane risico’s zijn door diffuus bodemlood. 5.1.2 Toepassingsgebied Van alle mogelijke bodemverontreinigingen met een risico is lood de meest voorkomende. Lood kan negatieve gevolgen hebben op het leervermogen van kinderen tot en met 6 jaar. Het loodgehalte in de bodem waar kinderen in kunnen spelen zou bij voorkeur lager moeten zijn dan de terugsaneerwaarde van 100 mg/kg ds. De risicocheck lood is bedoeld voor het controleren van percelen met gevoelige bodemfuncties zoals plaatsen waar kinderen spelen en tuinen van woningen. Bij overschrijding van de grenswaarde kunnen passende maatregelen overwogen worden om blootstelling van jonge kinderen aan bodemlood te voorkomen. De risicocheck is onderdeel van het programma Aanpak loodverontreinigingen bodem. Als het loodgehalte onbekend is kunnen Amsterdammers een lood in de bodem-check aanvragen op de website van de gemeente. Er worden dan gratis metingen verricht en advies gegeven. 5.1.3 Onderzoeksstrategie Deze strategie wordt gebruikt om een indicatie te krijgen van het loodgehalte in de contactlaag. Dit is de bovenste 20 centimeter van de bodem waarmee een kind direct in aanraking kan komen bij het spelen.
Kinderen zullen met name in aanraking kunnen komen met verontreinigde grond op niet-afgedekte, onverharde terreindelen, waar volle grond zichtbaar is. Hiertoe worden ook versleten grasvelden gerekend, waar delen intensief bespeeld zijn en kale plekken zijn ontstaan.
(handmatig mengen). Een risicocheck kan zowel door de loodadviseur van de gemeente als door een bodemonderzoeksbureau worden uitgevoerd. Onderzoekers die gebruik maken van de handheld XRF-meter dienen te beschikken over aantoonbare ervaring of instructie aangaande de inzet van de handheld XRF-meter bij bodem onderzoek. Met een guts worden grondmonsters van de bovenste 20 cm genomen van de onderzoekslocatie. Door XRF-meting worden de loodgehalten bepaald. Hieronder zijn richtlijnen opgenomen voor het onderzoek: • De aantallen boringen en metingen worden bepaald aan de hand van tabel 5.1; • Er hoeft geen onderscheid te worden gemaakt in bodem opbouw en grondsoort; • Het gehalte aan organisch stof, lutum en pH hoeft voor een risicocheck niet te worden bepaald; • Om een vochtcorrectie te kunnen toepassen, wordt het vochtgehalte van de grond bepaald; • De grondmonsters worden voorbehandeld (mengen en verwijderen grove delen) en minimaal in duplo gemeten op lood; • Alleen de onverharde terreindelen van de onderzoekslocatie worden onderzocht, inclusief (dicht)begroeide terreindelen; • Als afgeweken wordt van de onderzoeksdiepte van 20 cm wordt dit in de rapportage vermeld en gemotiveerd. Eventueel kan ook een meer uitgebreide risicocheck worden uitgevoerd. Hierbij kan de SIKB-handreiking 8102 [18] worden aangehouden.
Deze handreiking richt zich op het bepalen van loodgehalten in de contactzone van onverharde terreindelen van kinderspeelplaatsen en (moes)tuinen door XRF-metingen of handboringen.
5.2 Rapportage Bij een risicocheck wordt gebruik gemaakt van een handheld XRF-meter. Met een dergelijk meetapparaat wordt het loodgehalte in een grondmonster gemeten tijdens het veldonderzoek (on site) door röntgen fluorescentie. De betrouwbaarheid van de meetresultaten is afhankelijk van het vochtgehalte in de grond (hoe vochtiger, hoe lager het loodgehalte) en de homogeniteit van het grondmonster
26
|
ARVO 2024
In de rapportage risicocheck worden de volgende punten opgenomen: • Gegevens uit eerder uitgevoerd bodemonderzoek op de locatie; • Beschrijving van de onderzoekslocatie (voor tuin of kinderspeelplaats, zie tabel 5.2);
• Uitkomsten van het veldonderzoek (uitgewerkt op een tekening); • Zintuiglijke waarnemingen van bodemvreemd materiaal die een aanwijzing kunnen zijn voor bodemverontreiniging zoals olie, puin, asbestverdacht materiaal, sintels, kooldeeltjes etc.; • Foto’s van tuin of kinderspeelplaats (verharding, begroeiing, etc.); • Plaats (t.o.v. bestaande bebouwing) en diepte van de boringen of gutssteken en diepte (weergegeven in boorstaten of boorbeschrijvingen);
• Beschrijving en motivering als wordt afgeweken van de onderzoeksstrategie; • Uitkomsten van analyses of metingen in overzichtelijke tabellen, inclusief toetsing aan de ter zake dienende normeringen; • Conclusies verontreinigingssituatie en eventuele risico’s. Het aantal boringen en XRF-metingen kan worden bepaald met onderstaande tabel 5.1'
Tabel 5.1 Onderzoeksstrategie risicocheck lood Oppervlakte in m2 #
#
27
Minimaal aantal boringen Tot 10
1
2
10 -20
2
4
20 - 30
3
6
30 - 40
4
8
40 - 50
5
10
50 – 60
6
12
60 – 70
7
14
70 – 80
8
16
80 – 90
9
18
90 – 100
10
20
100 – 200
12
24
200 – 300
13
26
300 – 400
14
28
400 – 500
15
30
500 – 600
16
32
600 – 700
17
34
700 – 800
18
36
800 – 900
19
38
900 – 1000
20
40
1000 – 1500
25
50
1500 – 2250
30
60
2250 – 3000
35
70
3000 – 4000
40
80
4000 – 5000
45
90
5000 – 6000
50
100
6000 – 7250
55
110
7250 – 8500
60
120
8500 – 10000
65
130
10000 – 12000
70
140
12000 – 15000
75
150
15000 – 20000
80
160
voor onverharde en onbedekte bodem.
|
ARVO 2024
Aantal XRF-metingen (minimaal)
Tabel 5.2 Rapportage onderdelen bij beschrijving van tuin of kinderspeelplaats1) Gebruik
Verharding
Telen van gewas
speelplaats voor kinderen
geheel/gedeeltelijk verhard (%)
soort gewas
tuinieren (siertuin)
elementen/aaneengesloten
mate van eigen consumptie
gewasteelt (moestuin)
soort begroeiing (gras, struiken)
frequentie van eigen consumptie
opslag
halfverharding (houtsnippers, grind)
terras recreatie
1) alleen de onderdelen beschrijven die van toepassing zijn.
28
|
ARVO 2024
6 ONDERZOEK VOOR MILIEUVERKLARING BODEMKWALITEIT VOOR BOUWSTOFFEN VAN WEGCONSTRUCTIES 6.1
Achtergrond
Bij werkzaamheden aan de weg in de openbare ruimte (veelal herprofilering) komen bouwstoffen vrij waarvoor een milieu hygiënisch onderzoek nodig is om de hergebruiksmogelijk heden te bepalen. Het milieuhygiënisch onderzoek voldoet als milieuverklaring bodemkwaliteit en is daarmee bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen bouwstof binnen de gemeente of daarbuiten. Een wegconstructie bestaat vrijwel altijd uit de volgende lagen (en bouwstoffen, zowel vormgegeven als niet vorm gegeven): • verharding van het wegdek (asfalt, klinkers, tegels); • fundering van het wegdek (granulaat); • grond (zand). Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is het toepassen van bouwstoffen een milieubelastende activiteit (MBA). De algemene regels voor de MBA toepassen van bouwstoffen zijn ondergebracht in paragraaf 4.123 (artikelen 4.1257 tot en met 4.1264) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In hoofdstuk 7 van het beleidskader [Lit. 5] is beschreven waarmee rekening gehouden moet worden bij de MBA toepassen van bouwstoffen. Dit hoofdstuk bevat een overzicht met verschillende onderzoeksstrategieën voor een milieuverklaring bodemkwaliteit voor bouwstoffen van wegconstructies. Hierbij is rekening gehouden met de wens van de wegbeheerders binnen de gemeente Amsterdam om het aantal boorgaten in het wegdek tot een minimum te beperken.
6.2 Doel Doel van het onderzoek is het bepalen van de milieu hygiënische kwaliteit van vormgegeven en niet-vormgegeven bouwstoffen, waaruit een wegconstructie bestaat. De uitkomst van dit onderzoek is een milieuverklaring bodemkwaliteit voor bouwstoffen van wegconstructies.
29
|
ARVO 2024
6.3 Toepassingskader Als toepassingskader gelden de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De wegbeheerder past bij voorkeur één boorplan toe voor onderzoek van het asfalt, de fundering en het ondergelegen zandpakket, en niet per laag een ander boorplan. Ook wil de wegbeheerder zo min mogelijk beschadigingen van het wegdek. Dit is eenvoudiger gezegd dan gedaan, want er moet rekening gehouden worden met alle geldende protocollen, zoals CROW publicatie 210, NEN 5897, afhankelijk van het soort werk. Voor asbest geldt voor in gebruik zijnde en blijvende asbest houdende of asbestverdachte wegen specifiek het Besluit Asbestwegen (BAW). Hierin is opgenomen dat er geen vrijstelling is voor het hergebruiken van asbesthoudende bouwstof of grond. Het in stand houden van een asbestweg is verboden, sanering is een vereiste. Het BAW heeft een ander bevoegd gezag: de Inspectie Leefomgeving en Transport. Uitzonderingen Het is niet nodig om voor elke partij bouwstof een milieu verklaring bodemkwaliteit te hebben. Er hoeft niet altijd onderzoek gedaan te worden. De uitzonderingen zijn beschreven in paragraaf 4.123 Toepassen van bouwstoffen (artikel 4.1259) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Deze uitzonderingen hebben betrekking op bouwstoffen die zodanig van aard zijn of die onder zodanige omstandigheden (opnieuw) worden toegepast dat er geen risico bestaat van verontreiniging van de bodem of het oppervlakte waterlichaam. De uitzonderingen gelden voor de volgende bouwstoffen: • Metselmortel of natuursteenproducten (met uitzondering van breuksteen of steenslag); • Vormgegeven bouwstoffen die zonder verandering van eigenschappen of samenstelling in ongewijzigde vorm (bijvoorbeeld dakpannen, bestratingsmateriaal als stoeptegels en bakstenen) en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast;
• Asfalt of asfaltbeton, waarvan volgens de in het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) gestelde regels is vastgesteld dat het niet teerhoudend is en die opnieuw in dezelfde wegverharding wordt toegepast; • Bouwstoffen die tijdelijk uit een werk zijn weggenomen, en in dat werk op of nabij dezelfde locatie in ongewijzigde vorm en onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast zonder dat het eigendom daarvan wordt overgedragen. Bij tijdelijke uitname van bouwstoffen is geen onderzoek nodig; • Bouwstoffen die worden toegepast door een natuurlijk persoon, anders dan in het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, en de in het werk toegepaste hoeveelheid bouwstoffen in totaal ten hoogste 25 m3 bedraagt. De inhoudelijke verplichtingen, waaronder kwaliteitseisen van deze bouwstoffen, blijven van toepassing. Bij transport van bouwstoffen naar een verwerker geldt er geen verplichting voor uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek want dit wordt beschouwd als het zich ontdoen van afvalstoffen en niet als toepassen van bouwstoffen. De
afvalstroom dient voor transport gemeld te worden bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA).
6.4 Uitvoeren milieuhygiënisch onderzoek voor bouwstoffen Het milieuhygiënisch onderzoek voor bouwstoffen bestaat uit de volgende stappen: • Het vaststellen van dikte van de lagen waaruit de wegconstructie is opgebouwd en uit welke bouwstoffen deze bestaat (verharding, fundering, grond); • Het uitvoeren van een visuele inspectie van de elementenverharding (indien van toepassing); • Het milieuhygiënisch onderzoek van het materiaal waaruit de bouwstof bestaat volgens de richtlijnen uit onderstaande tabel; • Het onderzoeken van de grond onder de fundering volgens de eisen uit hoofdstuk 2 en 3 van deze ARVO (indien van toepassing).
Tabel 6.1 Benodigd milieuhygiënisch onderzoek voor toepassen van bouwstoffen Bouwstof
Soort bouwstof
Toepas sing
Keuren op
Richtlijn
Opmerkingen
Elementen (klinkers, tegels, banden etc.)
Vorm gegeven
Wegdek
Visuele keuring op minerale olie en andere verontreinigingen
Geen
Als visueel geen verontreinigingen worden waargenomen, kan beton zonder te breken worden hergebruikt en elementen zonder melding opnieuw worden toegepast.
Asfalt en Agrac
Niet vorm gegeven
Wegdek
PAK4)
CROW Publicatie 210
TAG /Tagrac naar erkende thermische reinigingsinstallatie3). Asfalt zonder teer (PAK <75 mg/kg ds) mag koud hergebruikt (Agrac) of warm (in nieuw asfaltmengsel met PR)
Recyclinggranulaten (MG, BG, HMG)5)
Niet vorm gegeven
Wegdek
Asbest, PAK, koper, minerale olie, chloride en sulfaat
Partijkeuring niet vormgegeven bouwstof (AP04)1) NEN 5897
Herkomst nagaan a.h.v. historische gegevens wegaanleg; KOMO-certificaat afgegeven voor juiste aantal tonnen; productiedatum voor 1 juli 1999 dan mogelijk verdacht2)
Brekerzand
Niet vorm gegeven
Fundering
Minerale olie en andere verontreinigingen
Partijkeuring niet vormgegeven bouwstof (AP04)1)
AVI-bodemas
Niet vorm gegeven
Fundering
Asbest, antimoon, koper, molybdeen, bromide en chloride
Partijkeuring niet vormgegeven bouwstof (AP04)1)
Naar erkende verwerker of naar IBC-toepassing.
Immobilisaat
Niet vorm gegeven
Fundering
Partijkeuring niet vormgegeven bouwstof (AP04)1)
Naar erkende verwerker. Bij toepassen geldt informatieplicht
Vet gedrukt zijn de stoffen die in > 90 % van de gevallen voor die bouwstof de hergebruikmogelijkheden bepalen. 1) Het asbestonderzoek in fundering wordt zoveel mogelijk uitgevoerd conform NEN 5897. Hierdoor kan het zijn dat het aantal boringen groter is dan het aantal asfaltboringen conform CROW publicatie 210 omdat deze NEN een grotere boordiameter voorschrijft en men bij funderingen van geringe dikte anders niet aan het noodzakelijlke monstergewicht komt. Conform NEN 5897 wordt een grotere boordiameter gekozen indien ook de fundering bemonsterd moet worden, anders kan men terugvallen op 10 of 15 cm. 2) Voor asbest geldt NEN 5725 (tussen 1998-2005 incidenteel kans op asbest en na 2005 is kans op asbest nihil). 3) Amsterdam haalt teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) uit de keten conform protocol Code Milieuverantwoord Wegbeheer. 4) PAK wordt niet indicatief gekeurd maar door analyse in het laboratorium bepaald (HPLC of GCMS). 5) MG menggranulaat, BG betongranulaat en HMG = hydraulisch mengranulaat
30
|
ARVO 2024
Het is niet toegestaan asfalt indicatief met een marker te keuren. Asfaltmolens accepteren alleen TAG-vrij asfalt dat gekeurd is volgens CROW publicatie 210.
Alleen met asbestonderzoek conform NEN 5897 kan definitief bepaald worden of het funderingsmateriaal van een wegconstructie als asbestverdacht moet worden beschouwd.
Om te bepalen of een locatie asbestverdacht is moet vooronderzoek gedaan worden volgens hoofdstuk 2 van deze ARVO. Bij infrastructuur zijn puinfunderingslagen de belangrijkste bron van verdenking. Als in de puinfunderingslaag asbest wordt aangetroffen >100 mg/kg ds moet het bodemonderzoek naar de kwaliteit van de onderliggende zandlaag aangevuld worden met minimaal verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707.
In onderstaande tabel 6.2 zijn de bouwstoffen per soort wegconstructies te vinden. In tabel 6.1 is te vinden welk milieuhygiënisch onderzoek voor de bouwstof moet worden uitgevoerd.
Tabel 6.2 Overzicht bouwstoffen van wegconstructies 1 Onverharde berm/groenstrook
2 Verharde berm2)
3 Voetpad/ fietspad op zand
Rijbaan/voetpad/ fietspad op fundering: 4 Elementen 5 Beton 6 Asfalt
7 Parkeerstrook op zand1)
Bermgrond3
Elementen4
Elementen4
Elementen / Beton / Asfalt4
Elementen4
Zand3
Zand3
Fundering4
Zand3
Zand3
1) 2) 3) 4)
Parkeerstroken/parkeervakken zijn meestal ook met een funderingslaag uitgevoerd. Inclusief middenberm en begeleider. Zie hoofdstuk 3 voor onderzoeksstrategie grond/zand. Zie tabel 6.1 voor onderzoeksstrategie bouwstof
Teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) Bij het uitvoeren van onderhoud aan asfaltverhardingen kan teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) vrijkomen. Vanwege de milieuhygiënische en arbotechnische risico’s van dit materiaal is het beleid van het rijk er op gericht om TAG definitief uit de keten te verwijderen. De Code Milieuverantwoord Wegbeheer geeft invulling aan het Landelijk afvalbeheerplan (LAP). In de code is vastgelegd dat TAG altijd wordt verwerkt door een thermische verwerkingsinrichting waarvoor een geldende omgevingsvergunning van kracht is. In juni 2008 heeft de gemeente Amsterdam de code ondertekend en handelt daarnaar als wegbeheerder. De code houdt onder andere in dat de CROW-richtlijn 210 Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt - selectief verwijderen van teervrij en teerhoudend asfalt [Lit. 15] wordt nageleefd.
31
|
ARVO 2024
In Amsterdam zijn in het verleden maar enkele teerhoudende asfaltwegconstructies aangelegd. De gebieden waar deze constructies aangetroffen kunnen worden zijn: • Amsterdamse Bos (slijtlagen op voet- en fietspaden); • Landelijk Noord (op oude dijk- en verbindingswegen); • Voormalige polderwegen in Nieuw-West; • Enkele dijk-, polder- en oude provinciale wegen in Zuidoost en Weesp.
7 TERMINOLOGIE AVI-bodemas Bodemas die overblijft na verbranden in een rooster- of een wervelbedoven in een installatie die in hoofdzaak is bestemd voor het verbranden van huishoudelijke afval en bedrijfsafvalstoffen. Bodem Vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen. Bodemvreemd materiaal Materiaal dat zich in een partij grond bevindt en dat niet voldoet aan de definitie van grond. Bouwstof Materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast (volgens Besluit bodemkwaliteit art. 1) BRL-SIKB Beoordelingsrichtlijn die door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer is uitgegeven.
Granuliet Een vast materiaal met een korrelgrootte van 63 µm en kleiner, afkomstig uit een breekproces van graniet en zandsteen/ kwartsiet die meer dan 10% silicium bevatten, en in mindere mate ook calcium en aluminium. Verder bestaat granuliet uit organische stof in een verhouding en met een structuur zoals die van nature in de bodem wordt aangetroffen. Granuliet voldoet daarmee aan de definitie van grond. Grond Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter en ten hoogste 20% bodemvreemd materiaal, niet zijnde baggerspecie (volgens Besluit bodemkwaliteit, art. 1). Grondwater Water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat.
Diffuse bodemverontreiniging Bodembelasting die zich uitstrekt over grote oppervlakten, vaak uit meerdere en niet duidelijk te lokaliseren bronnen.
Immobilisaat Mengsel van een of meerdere (afval)stoffen met toevoeging van een bindmiddel en overige additieven. Door toevoeging van het bindmiddel worden de verontreinigingen in de verschillende (afval)stoffen fysisch en/of chemisch gebonden.
Erkende grondverwerker Activiteit bestaande uit het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.185 waarvoor een erkenning is afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Interventiewaarde Waarde waarboven significante risico’s voor mens, plant of dier bestaan als gevolg van verontreiniging van de bodem.
Erkenning bodemkwaliteit Erkenning als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodem kwaliteit.
32
|
ARVO 2024
Kwalibo Kwalibo staat voor Kwaliteit Bodemgegevens en is onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit dat de kwaliteit regelt van de uitvoering van bodembeheeractiviteiten. Dit gebeurt door onder andere eisen te stellen aan certificerende instellingen, certificaathouders, producten en diensten.
Locatie Een locatie is een geografische eenheid (bestaande uit één of meer kadastrale percelen) met een vermoede of bewezen verontreiniging in de bodem, die als één geheel wordt onderzocht in het vooronderzoek of verkennend onderzoek. De geografische eenheid omvat de contouren van alle onderzoeken die zijn uitgevoerd als voorbereiding op (of afronding van) een activiteit in het kader van de Omgevingswet, of voor de aanpak van bodemverontreiniging in het kader van overgangsrecht Wet bodembescherming of in het kader van een grondtransactie. De geografische eenheid volgt zoveel mogelijk de kadastrale perceelsgrenzen (definitie volgens invoerprotocol BIS van de Omgevingsdienst). Milieubelastende activiteit (MBA) Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Milieuverklaring bodemkwaliteit Milieuverklaring bodemkwaliteit, afgegeven op grond van het besluit bodemkwaliteit. Mobiele verontreiniging Een verontreiniging in de bodem die, al dan niet via de vaste fase van de bodem, in het grondwater terecht is gekomen en zich in of met het grondwater kan verspreiden. Omgevingsplan Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Per gemeente is er één omgevingsplan. Onverdachte locatie Locatie zonder concrete aanwijzingen voor één of meer verontreinigende stoffen in de bodem.
Dit blijkt uit het vooronderzoek volgens de NEN 5725 of de ARVO. Openbare weg Volgens de Wegenverkeerswet: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Oudstedelijke ophooglaag Ophooglaag waarbij het ophoogmateriaal van lokale oorsprong is, zoals grachtenslib of slib uit het IJ, en door bedrijfsmatige activiteiten en het dumpen van stadsafval in het verleden verontreinigd is geraakt (zware metalen en PAK). De oudstedelijke ophooglaag is soms enkele meters dik, de verontreinigingen zijn zeer heterogeen.
33
|
ARVO 2024
Puntbron Volgens begrippenlijst bijlage 1, artikel 1.1. van het Bal: een gefixeerde en gekanaliseerde bron van emissie. Volgens NEN 5740: een ruimtelijk goed af te bakenen, niet lijn- of lintvormige bron van verontreiniging met een beperkte omvang ten opzichte van de onderzoekslocatie. Toevalsvondst Onverwachte vondst van milieuhiënische verontreiniging op of in de bodem met onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan die verontreiniging. Een toevalsvondst betekent dat een reeds aanwezige, maar tot dan toe onbekende verontreiniging wordt ontdekt, waarvan de veroorzaker niet direct bekend is. Tussenwaarde de optelsom van de achtergrondwaarde grond plus de interventiewaarde grond gedeeld door twee, ofwel (AW + I)/2. De tussenwaarde is een pragmatische toetswaarde die niet wettelijk is vastgelegd. Als de tussenwaarde is overschreden, is de kans aanwezig dat sterke bodemverontreiniging aanwezig is. Het kan aanleiding zijn voor een nader onderzoek. Verder worden verontreinigingen tussen de achtergrondwaarden en de tussenwaarden lichte verontreinigingen genoemd en verontreinigingen tussen de tussenwaarden en de interventiewaarden matige verontreinigingen. Alles boven interventiewaarde wordt als ernstig verontreinigd beschouwd. Verdachte locatie Locatie met concrete aanwijzingen voor één of meer verontreinigende stoffen in de bodem.
Dit blijkt uit vooronderzoek volgens de NEN 5725 of de ARVO. Vooronderzoek Onderzoek met als doel informatie te verzamelen over het vroegere en huidige gebruik van een locatie, gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodemverontreiniging die de locatie met één of meer stoffen kunnen hebben verontreinigd.
8 BRONVERMELDINGEN Bij het opstellen van de ARVO is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: 1. 2. 3. 4.
Wet bodembescherming; Besluit Uniforme Saneringen (BUS); Regeling Uniforme Saneringen (RUS); Circulaire bodemsanering 2013, Staatscourant 2013 nr 16675, 27 juni 2013; 5. Beleidskader bodem onder de Omgevingswet, hoe omgaan met grondverzet en bodemsanering, gemeente Amsterdam, 2022; 6. NEN 5707 - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, NEN, 1 december 2017; 7. NEN 5725 - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN, 2022; 8. NEN 5740 - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, NEN, 2022; 9. NEN 5896 - Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie, NEN, 1 mei 2003; 10. NEN 5897+C2:2017 - Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, NEN, 1 december 2017; 11. NTA 5755 – Strategie voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging, NEN, 2022; 12. SIKB protocol 2001 Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen (www.sikb.nl/ bodembeheer/richtlijnen/brl-2000); 13. SIKB protocol 2002 Het nemen van grondwatermonsters; 14. SIKB protocol 2018 Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem; 15. CROW-publicatie 210 - Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt – Selectief verwijderen van teervrij en teerhoudend asfalt, 2015; 16.
CROW-publicatie 400 – Werken in en met verontreinigde bodem, 2023; 17. TNO-rapport – Statistische analyse van de relatie puin in de bodem en de aanwezigheid van asbest, rapport 2018 R10825, 15 augustus 2018; 18. SIKB-handreiking 8102 – onderzoeksstrategie diffuus lood in de bodem van kinderspeelplaatsen en (moes) tuinen, versie 1, 13 december 2018; 19. Beleidsregel PFAS gemeente Amsterdam 2023, gemeenteblad nr. 244615
34
|
ARVO 2024
20. Kiwa-rapport GT-100136 – Vervolgonderzoek correlatie tussen gaslek en bodemverontreiniging door benzeen, Netbeheer Nederland, 24 september 2018; 21. Rapportage UBI-lijst ReGister – historisch onderzoeksbureau, 15 november 2000; 22. Richtlijn voor risicogestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest en puinhoudende bodem, publicatie website Bodemplus, 30 april 2020 23. Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, ministerie I&W, december 2021 24. Omgevingswet 25. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) 26. Handreiking PFAS bemonsteren, gezamenlijke uitgave expertisecentrum PFAS, VVMA en VKB, versie 1.0, 25 juni 2020 27. Richtlijn voor risicogestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem, publicatie werkgroep van decentrale overheden, inspectie leefomgeving en transport en rijkswaterstaat bodem+, april 2020
BIJLAGE 1 Overzichtskaart voor- en naoorlogse gebieden
45
|
ARVO 2024
BIJLAGE 2 Inhoud XML-bestand Bodemonderzoeksgegevens worden na beoordeling ingevoerd in een bodeminformatiesysteem. Alle bodemgegevens zijn openbaar en zijn door iedereen online te raadplegen. Veel waarde wordt gehecht aan een efficiënte en kwalitatief correcte overdracht van bodemonderzoeksgegevens. Digitale juistheid en volledigheid is van groot belang. Om bodeminformatie te kunnen hergebruiken, in bijvoorbeeld de bodemkwaliteitskaart, zijn sommige gegevens onmisbaar. Daarom is een minimale dataset vastgesteld voor de digitale aanlevering. Het resultaat van een bodemonderzoek wordt als volgt geleverd: • 1 × digitale rapportage in PDF. Het aan te leveren PDF-bestand bevat slechts 1 bodemrapportage. Zijn er meerdere onderzoeken uitgevoerd, dan betekent dit ook aanlevering van meerdere PDF’s. Het aan te leveren XML-bestand voldoet aan een aantal voorwaarden: 1. Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Bestanden van oudere versies kunnen niet worden verwerkt en zullen niet worden geaccepteerd. 2. Het XML-bestand voldoet aan de verplichte velden van de basisdataset SIKB0101, aangevuld met analysedatum bij de analysegegevens. 3. Eén XML-bestand per uitgevoerd bodemonderzoek.
XML-bestanden waarbij een van de volgende situaties van toepassing is, voldoen niet: – onderzoeksgegevens van één bodemonderzoek die zijn gespreid over meerdere XML-bestanden of; – onderzoeksgegevens van meerdere bodemonder zoeken die zijn samengevoegd tot één XML-bestand; 4. Gegevens zijn identiek aan de informatie zoals die in het Pdf-bestand staat vermeld (Alle meetpunten staan op dezelfde plek als op de kaart in PDF); 5. Analyses die in het veld worden uitgevoerd worden zijn onderdeel van het XML-bestand. Bijvoorbeeld XRF-analyses voor lood; 6. Het XML-bestand bevat zowel de data van het veldwerk als de basisdataset onderzoeksgegevens en is minimaal gevuld met de gegevens uit tabel B2.1.
46
|
ARVO 2024
Tabel B2.1 Tabel met minimale dataset XML-bestand Onderdeel
Gegevens per onderdeel
Rapportgegevens
• • • • • • •
rapportnaam: straat + huisnummer + plaatsnaam bijv. Dam 1, Amsterdam type onderzoek; aanleiding, conclusie en vervolg; naam adviesbureau; rapportnummer; rapportdatum; naam laboratorium.
Meetpuntgegevens
• • • • • • • •
boringnaam; boringtype; bodemlaag; einddiepte boring in meter; grondwaterstand in meter; filter: - filternaam; - filterdiepte (diepte bovenkant en diepte onderkant in meter); X en Y en Z coördinaten (in meter t.o.v. NAP).
Monstergegevens
• • • • • •
veldmonster (volledig); analysemonster (volledig); naam (meng)monster; monstertype (bodem/sediment/asfalt/verharding); (meng)monstersamenstelling; (meng)monsterdiepte (diepte bovenkant en diepte onderkant in meter).
Analysegegevens
• • • • •
component; analyseresultaat; eenheid analyseresultaat; referentiewaarde (meetwaarde, detectielimiet, etc.); analysedatum;
Eventuele opmerkingen of toelichting in een aantekeningenveld
Bijvoorbeeld over geurwaarnemingen, vervolgtraject, aanbevelingen, enz.
Koppeling mengmonsters aan geo-referentie van de meetpunten
Voor alle mengmonsters geldt dat alle analyseresultaten gekoppeld zijn aan de veldmonsters (in meter t.o.v. NAP) waaruit het mengmonster is samengesteld. Dat geldt ook voor asbest.
De contour van het onderzoeksgebied
Geografische contour van het onderzoeksgebied (met X en Y- coördinaten). Opmerking: Bij een riool- of wegtracé bestaat de contour enkel uit de grenzen van het riool- of wegtracé. Hierdoor wordt voorkomen dat naastgelegen woningen en/of terreinen onterecht bij het onderzoek worden gerekend.
47
|
ARVO 2024
Ebbehout 31 1507 EA Zaandam www.odnzkg.nl