Bijlage 4. Publiekssamenvatting NRD.pdf
Tekst van het document
Publieksversie Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor plan-MER windenergie Amsterdam
Inhoud
1. Wat is een plan-MER?
3
2. Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)
3
3. Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam
3
4. Milieueffecten
3
5. Wat wordt er onderzocht in het plan-MER?
4
6. Zoekgebieden
4
7.
4
Locaties die worden onderzocht
8. Mitigerende maatregelen
5
9. Belemmeringen
5
10. Programma Windenergie Amsterdam (PWA)
5
11. Resultaten Reflectiefase
5
12. Indienen van een zienswijze
6
13. Vervolg
6
De gemeente heeft besloten om een plan-milieueffectrapportage (plan-MER) te laten maken voor de zoekgebieden voor windmolens in Amsterdam. Op die manier krijgen we een beter beeld van welke zoekgebieden of combinaties van zoekgebieden het meest geschikt zijn om windmolens te plaatsen. Voorafgaand aan het plan-MER wordt een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. In de NRD staat wat we gaan onderzoeken en hoe. In deze samenvatting staan de belangrijkste onderwerpen die zijn opgenomen in de NRD. Wilt u meer weten over een onderwerp? Klik dan op de links in de tekst, die verwijzen door naar de meer uitgebreide tekst in de originele NRD.
1. Wat is een plan-MER? Een plan-MER is een onderzoek naar de milieueffecten van een plan, op de omgeving en de bewoners in een gebied. In het plan-MER over de windmolens wordt onder andere onderzoek gedaan naar het geluid, de effecten op de veiligheid en de ecologie. Het onderzoek geeft inzicht in de gevolgen voor bijvoorbeeld kwetsbare dieren en natuur, en de gevolgen voor het landschap. Met het plan-MER krijgen we dus een beter beeld van de geschiktheid van gebieden voor windmolens. Zo kunnen we beter beslissen welke (combinaties van) zoekgebieden het meest geschikt zijn om de windmolens te plaatsen. Het plan-MER wordt uitgevoerd door een onafhankelijke, externe partij die is gespecialiseerd in dit soort onderzoeken. Het onderzoek gebeurt in opdracht van de gemeente Amsterdam. De (onafhankelijke) commissie MER beoordeelt de kwaliteit van het plan-MER.
2. Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) De eerste stap om te komen tot een plan-MER is het opstellen van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau. De NRD beschrijft de onderzoeken voor het plan-MER (de reikwijdte) en met welke diepgang (het detailniveau) dit wordt onderzocht. De NRD wordt vastgesteld in het voorjaar van 2023. Maar eerst wordt de NRD ter inzage gelegd en kan iedereen reageren met een zienswijze. Verderop in deze samenvatting leggen we uit hoe u dit kunt doen.
PWA
NRD
Plan-MER
Programma windenergie Amsterdam
Beschrijft wat onderzocht gaat worden in de plan-MER
Onderzoek naar milieueffecten van windenergie in de zoekgebieden
Geeft aan in welke (combinatie van) zoekgebieden gestart kan worden met het plaatsen van windmolens.
3. Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam We hebben ook een conceptversie van de NRD voorgelegd aan de Stedelijke Adviesgroep Regionale Energiestrategie (RES) Amsterdam (SARA). Deze groep bestaat uit vertegenwoordigers van verschillende belangenorganisaties met verschillende standpunten. Zij geven advies op de inhoud van de concept NRD.
4. Milieueffecten In het plan-MER wordt voor alle zoekgebieden de milieueffecten in kaart gebracht en beoordeeld. Milieueffecten zijn niet alleen effecten op de natuur. Onder milieueffecten verstaan we de gevolgen van een activiteit voor de omgeving (het milieu), en wat die activiteit betekent voor mensen, dieren,
3
planten, goederen, water, bodem, lucht en de relaties daartussen. Ook effecten op hoe het landschap er uit ziet en op cultuurhistorische waarden (Wet milieubeheer) worden hieronder verstaan. Op basis van de verwachte milieueffecten, dus de uitkomsten van al deze onderzoeken, kan de Amsterdamse gemeenteraad keuzes maken tussen de verschillende locaties.
5. Wat wordt er onderzocht in het plan-MER? In de NRD worden de volgende milieueffecten genoemd (hoofdstuk 3) om te worden uitgewerkt in het plan-MER: ■ Leefomgeving: geluid en gezondheid (paragraaf 3.3) ■ Leefomgeving: slagschaduw (paragraaf 3.4) ■ Externe veiligheid (paragraaf 3.5) ■ Ecologie (paragraaf 3.6) ■ Bodem en water (paragraaf 3.7) ■ Archeologie (paragraaf 3.8) ■ Landschap en cultuurhistorie (paragraaf 3.9) ■ Recreatie (paragraaf 3.10) ■ Energieopbrengst & vermeden emissies (paragraaf 3.11) ■ Netinpassing (paragraaf 3.12)
6. Zoekgebieden In de NRD staat ook welke zoekgebieden worden onderzocht in het plan-MER. Dit zijn alle zoekgebieden uit de Regionale Energie Strategie (RES 1.0) die de Amsterdamse gemeenteraad in 2020 heeft vastgesteld. Dit zijn zowel voorkeursgebieden, reservegebieden en extra reservegebieden. In al deze zoekgebieden wordt onderzocht wat de milieueffecten kunnen zijn van eventuele windmolens. Ook na het plan-MER blijven voorkeursgebieden de gebieden waar we het eerst de mogelijkheden onderzoeken om windmolens te plaatsen. Maar het is mogelijk dat we er met de voorkeursgebieden niet uitkomen. Daarom nemen we ook de reservegebieden en de extra reservegebieden mee in het plan-MER. Zo voorkomen we dat we later misschien alsnog dezelfde onderzoeken moeten doen.
7. Locaties die worden onderzocht In de NRD worden de volgende zoekgebieden benoemd (paragraaf 2.3), die onderzocht moeten worden in het plan-MER: ■ Havengebied: beheergebied van het Havenbedrijf Amsterdam. ■ Havengebied Zuid: gebied van de Sloterdijken en de Bretten. ■ Ten noorden van de ring A10 Noord: gebied tussen de ring A10 Noord en de hoogspanningsmast. ■ Science Park: langs de A10 en het spooremplacement. ■ Zeeburgereiland: gebied aan de oostzijde van het Zeeburgereiland. ■ Strandeiland/Buiteneiland: In het IJmeer op enige afstand van (de nieuwe eilanden van) IJburg. ■ IJburg Baai: in de wateren rond IJburg. ■ IJburg Diemerpark: in het Diemerpark. ■ Diemerscheg-Amsterdam: Het gebied langs het Amsterdam-Rijnkanaal, het knooppunt Diemen, en in het Diemerbos.
4
■ Waterleidingenterrein/Gein: op en rondom het terrein van Waternet ten zuiden van de Gaasperplas. Gaasperplas: Gaasperplas en Gaasperpark. ■ Knooppunt Holendrecht: in de buurt van het AMC en het golfterrein. ■ Amstel III: Het bedrijventerrein in het gebied ten oosten van de A2. ■ Kop van de Amstelscheg: Het gebied tussen A10, A2 en de Amstel
8. Verzachtende maatregelen In de NRD wordt ook een onderzoek naar zogenaamde ‘mitigerende’ maatregelen genoemd (paragraaf 3.15). Dat zijn maatregelen die we kunnen nemen om de effecten van windmolens te verminderen of helemaal te voorkomen. Geluidshinder kan bijvoorbeeld beperkt worden door windturbines verder weg te plaatsen van woningen, of door voor stillere windturbines te kiezen. In het plan-MER zal dus worden onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om eventuele hinder te verminderen.
9. Belemmeringen Voordat we aan de onderzoeken voor het plan-MER gaan beginnen, maken we een belemmeringsanalyse. Dit is een onderzoek naar alle aspecten die het plaatsen van een windmolen onmogelijk of ongewenst maken. In deze analyse worden de volgende belemmeringen meegenomen: ■ Verblijfsobjecten met woon-, zorg- of onderwijsfunctie, waaronder ook ligplaatsen en standplaatsen ■ Overige bebouwing: panden ■ Rijks-, spoor en vaarwegen ■ Bouwhoogtebeperkingen Schiphol ■ Hoogspanningsinfrastructuur ■ Buisleidingen (zoals aardgasleidingen) ■ Bestaande windturbines ■ Water (enkelbestemming) ■ Overige wegen
10. Programma Windenergie Amsterdam (PWA) De resultaten van de onderzoeken uit dit plan-MER worden uiteindelijk opgenomen in het Programma Windenergie Amsterdam. Dit is het document waarin alle informatie die nodig is om over te gaan tot besluitvorming, is gebundeld: de informatie die is opgehaald tijdens inspraak, bewonersavonden, workshops, klankbordgroepen etcetera, en de resultaten van de verschillende onderzoeken die in de NRD worden genoemd (hoofdstuk 3). Met al deze informatie kan de Amsterdamse gemeenteraad een weloverwogen keuze maken over in welke zoekgebieden het beste windmolens kunnen worden geplaatst en onder welke voorwaarden kan worden gestart. We verwachten dat het PWA in het voorjaar van 2024 wordt vastgesteld door het college van burgemeester & wethouders.
11. Resultaten Reflectiefase Na het vaststellen van de RES 1.0 (mei 2021) heeft de gemeente een “reflectiefase” ingesteld om nog meer zorgen, wensen en adviezen op te halen. Tijdens deze reflectiefase zijn Amsterdammers, inwoners van buurgemeenten en andere belanghebbenden uitgenodigd om hun mening te geven
5
over de windturbines. Hiervoor zijn de verschillende activiteiten georganiseerd zoals workshops in de zoekgebieden over de leefomgeving, een online vragenlijst en diverse (lokale) klankbordgroepen. De reacties die we tijdens het besluitvormingsproces rondom de RES 1.0 en tijdens de reflectiefase hebben opgehaald, zijn samengebracht in het document ‘Signalen uit de stad’. Daarnaast hebben aparte expertgroepen adviezen gegeven over de thema’s gezondheid en natuur. Zij hebben deze adviezen in 2022 opgeleverd. Daarna is de reflectiefase afgerond. In ‘Signalen uit de stad’ staat belangrijke input voor het plan-MER en het Programma Wind Amsterdam. De NRD bevat een aantal pagina’s met tabellen waarin alle opgehaalde reacties in kaart zijn gebracht. In de kolom ‘reactie’ wordt per onderwerp genoemd of het: ■ een plaats heeft of krijgt in het plan-MER, of; ■ niet bij de fase of het detailniveau van een plan-MER past maar onderzocht moet worden in het vervolgtraject op individueel projectniveau (project-MER), of; ■ niet thuishoort in het plan-MER, maar wel terugkomt in het Programma Wind Amsterdam, of; ■ niet nader wordt onderzocht en waarom niet, of anders; ■ te maken heeft met het participatieproces en aldaar is of wordt opgepakt. Lees hier de uitgebreide inventarisatie van alle zorgen, wensen en behoeften die in de reflectiefase zijn opgehaald. (paragraaf 4.2)
12. Indienen van een zienswijze ‘Signalen uit de stad’ en de stedelijke adviesgroep SARA hebben al veel input geleverd op de NRD. U kunt nog steeds uw reactie op de Notitie en later op het plan-MER geven. U kunt aangeven wat we volgens u nog meer of op een andere manier moeten laten onderzoeken, door een zienswijze in te dienen. Dit kan nadat de NRD ter inzage is gelegd. Dit zal rond 21 februari 2023 gebeuren. Vanaf dat moment heeft u 6 weken de tijd om uw zienswijze in te dienen. Rond de terinzagelegging organiseren we een informatiemoment om de NRD nader toe te lichten, en uit te leggen hoe u een zienswijze kunt indienen. Meer over de informatieavond en het indienen van een zienswijze vindt u op www.amsterdam.nl/windenergie
13. Vervolg We verwachten dat we de onderzoeksresultaten van de plan-MER en het ontwerp-PWA in het najaar van 2023 openbaar kunnen maken. Als u vindt dat er dan nog belangrijke informatie ontbreekt, of dat bepaalde thema’s anders of beter onderzocht moeten worden, kun u weer een zienswijze indienen. Als de zienswijzen op het plan-MER en het ontwerp-PWA zijn verwerkt, wordt het Programma Windenergie Amsterdam voorgelegd ter besluitvorming aan het gemeentebestuur van Amsterdam.
Meer informatie www.amsterdam.nl/windenergie
6
Tijdlijn Programma Windenergie Amsterdam (PWA)
6
Plan-MER: Plan milieueffectenrapport, onderzoek naar de effecten van een plan op de omgeving en de bewoners in alle zoekgebieden. PWA: Programma Windenergie Amsterdam, hier staat in in welke zoekgebieden als eerste windmolens kunnen worden geplaatst en onder welke voorwaarden kan worden gestart. NRD: Notitie Reikwijdte en Detailniveau, een onderzoeksopzet voor het plan-MER waarin staat wat er allemaal onderzocht gaat worden en hoe.
PWA_A5folder_297x210mm.indd 3-4
27/01/2023 14:36
1
Voorjaar 2022: besluit tot plan-MER en opstellen PWA De gemeente Amsterdam gaat een groot onderzoek laten doen naar de gevolgen van windmolens op de omgeving: een plan-MER onderzoek. De gemeente gebruikt deze informatie om een Programma Windenergie Amsterdam (PWA) te maken. In het PWA staat in welke zoekgebieden het beste windmolens kunnen worden geplaatst en onder welke voorwaarden kan worden gestart.
2
Begin 2023: bekendmaking NRD De eerste stap van het plan-MER is het publiceren van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), waarin staat wat we allemaal laten onderzoeken en hoe.
3
Reacties op NRD Iedereen kan reageren op de NRD door een zienswijze op te sturen. We organiseren een informatieavond om de NRD uit te leggen en hoe u een zienswijze kunt geven.
4
Participatie over PWA Tijdens het opstellen van het Programma Windenergie Amsterdam kunt u meedenken over verschillende onderdelen. U kunt bijvoorbeeld uw mening geven over hoe de coöperatie die de windmolens gaat plaatsen, moet samenwerken met buurtbewoners, of wat de coöperatie kan doen om mogelijke overlast te verminderen.
5
Eind 2023: Bekendmaking plan-MER en ontwerp-PWA De resultaten van het plan-MER zijn afgerond. We nemen deze op in het Programma Windenergie Amsterdam (PWA).
6
Reacties op plan-MER en ontwerp-PWA Iedereen kan hierop reageren door een zienswijze op te sturen. We organiseren hiervoor weer een informatieavond.
7
7
Voorjaar 2024: vaststellen PWA en plan-MER Het college van burgemeester en wethouders stelt na bespreking met de gemeenteraad het PWA met het plan-MER vast. Met alle informatie die hier in staat, kan het college goede keuzes maken over plekken voor windenergie in Amsterdam.
8
Eind 2024: start lokale coöperaties Op de gekozen plekken kunnen coöperaties beginnen met het maken van plannen voor de bouw van windmolens. Zij moeten dit doen volgens alle regels die zijn beschreven in het PWA.
9
Lokale samenwerking De coöperaties stellen samen met buurtbewoners een plan op om samen te werken. Amsterdammers kunnen hierover inspreken bij de raadscommissie. Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of het plan akkoord is.
10 2025: aanvraag vergunning De coöperaties kunnen een vergunning aanvragen voor het plaatsen van de windmolens. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied bepaalt namens de provincie Noord Holland of zij een vergunning verlenen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam adviseert de Omgevingsdienst hierover.
8
Bosch & van Rijn
Auteurs
Opdrachtgever
Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466
Marlin ter Huurne Steven Velthuijsen
Gemeente Amsterdam
Notitie Reikwijdte en Detailniveau planMER windenergie Amsterdam
Notitie Reikwijdte en Detailniveau planMER windenergie Amsterdam
Datum
2 februari 2023
Versie
2.3
Auteur
Marlin ter Huurne
Tweede lezer
Steven Velthuijsen
Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:
030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl
© Bosch & Van Rijn 2023 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie
Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER t.b.v Windenergie Amsterdam
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11 3.12 3.13 3.14 3.15
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
BIJLAGE A A.1 A.2 A.3 A.4 A.5
INLEIDING
3
Aanleiding Doel van NRD en MER Reikwijdte van het planMER M.e.r.-procedure Leeswijzer
3 5 6 7 10
ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN
11
Inleiding Voorgenomen activiteit Zoekgebieden Referentie-windturbinetypes Belemmeringenanalyse Locatiealternatieven Beoordeling van locatiealternatieven Optimalisatiealternatieven Referentiesituatie
11 11 12 13 14 16 18 18 19
EFFECTBEOORDELING
21
Inleiding Milieuthema’s Leefomgeving: geluid & gezondheid Leefomgeving: slagschaduw Externe veiligheid Ecologie Bodem en water Archeologie Landschap en cultuurhistorie Recreatie Energieopbrengst en vermeden emissies Netinpassing Leemten in kennis Mitigerende maatregelen Monitoringsmaatregelen
21 21 22 27 28 30 36 37 38 41 42 43 43 43 44
PARTICIPATIEPROCES
45
Het proces tot nu toe Input uit document ‘Signalen uit de Stad’ Input uit expertadviezen Input uit aangenomen moties Het verdere proces
45 46 53 59 61
BELEIDSKADER
63
Inleiding Europees en rijksbeleid Regionaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
63 63 64 64 67
Inleiding 2
<< terug naar de publieksversie
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding De gemeente Amsterdam wil een bijdrage leveren aan de Nederlandse en regionale klimaatambities door in 2050 een klimaatadaptieve, klimaatneutrale en circulaire stad te zijn. Er wordt als tussendoel gestreefd naar een CO2-reductie van 55% in 2030. Onderdeel van deze ambitie is om voor 2030 ten minste 127 MW opgesteld vermogen aan windturbines te realiseren. In het tweede kwartaal van 2022 was er in Amsterdam reeds 75 MW aan opgesteld vermogen. Om deze ambitie te behalen, dient er daarom ten minste 52 MW te worden gerealiseerd als aanvulling op de bestaande windturbines. In 2020 heeft de gemeenteraad de concept-RES (Regionale Energiestrategie) Amsterdam en de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 vastgesteld. De ambities vanuit de concept-RES Amsterdam zijn onderdeel van de Routekaart. In de concept-RES heeft de gemeenteraad zeven voorkeursgebieden voor windenergie en een extra zoekgebied aangewezen waar de ambitie van ten minste 127 MW vermogen gerealiseerd moet worden. Aan de bepaling van deze zoekgebieden voor windenergie liggen technische haalbaarheidsonderzoeken, globale ruimtelijke onderzoeken in het kader van natuur, landschap en het elektriciteitssysteem en maatschappelijke acceptatie en draagvlak ten grondslag (conform het nationaal afwegingskader RES). In 2021 is de RES 1.0 van Noord-Holland Zuid (RES 1.0 NHZ) vastgesteld.
Hierin heeft de gemeente Amsterdam een bod gedaan om in 2030 ca. 0,7 TWh hernieuwbare elektriciteit op te wekken, waarvan tenminste 127 megawatt opgesteld vermogen windenergie. In de RES 1.0 NHZ zijn de zoekgebieden voor windenergie uit de concept-RES verkleind door een grens van ten minste 350 meter te hanteren vanaf geluidsgevoelige objecten zoals woningen. Daarnaast heeft in de RES 1.0 prioritering van de zoekgebieden plaatsgevonden in voorkeursgebieden, reservegebieden en extra reservegebieden (Figuur 1). Wanneer de ambitie niet kan worden gehaald in de voorkeursgebieden, kunnen de reserve- en extra reservegebieden worden ingezet. Voor de verdere afbakening is prioriteit gegeven aan de clustering van windturbines langs of bij infrastructuur en bedrijventerreinen. Dit betekent niet dat solitaire windturbines of turbines buiten infrastructuur/bedrijventerreinen zijn uitgesloten. Per zoekgebied is een belangenafweging gemaakt. Per zoekgebied - in relatie tot alle zoekgebieden -: - is een afweging gemaakt tussen natuur- en milieubelangen, gebaseerd op een eerder uitgevoerde quickscan en de inbreng van verschillende belangengroepen; - zijn de mogelijkheden voor ruimtelijke inpassing meegenomen; - zijn de zorgen en de belangen van omwonenden en belanghebbenden meegenomen;
Inleiding
3
<< terug naar de publieksversie
- zijn de adviezen van de stadsdelen en de belangen van de netbeheerder in relatie tot elkaar en de gestelde ambitie afgewogen. Figuur 1
De aangepaste kaart windzoekgebieden uit de RES 1.0 Noord-Holland Zuid. Hierin zijn de voorkeursgebieden (in groen), reservegebieden (in geel) en extra reservegebieden (in rood) weergegeven. Locaties waar reeds een concreet initiatief voor een windpark loopt (Noorder IJ-plas/Cornelis Douwesterrein en RWZI Westpoort) worden als autonome ontwikkeling beschouwd en vallen daarmee buiten de reikwijdte van het planMER.
Na de vaststelling van de RES 1.0 heeft een reflectiefase plaatsgevonden, waarin o.a. tijdens diverse omgevingssessies zorgen en behoeften zijn opgehaald rondom de realisatie van windturbines in de gemeente Amsterdam. Tijdens de reflectiefase is het document ‘Signalen uit de Stad’ opgesteld, waarin de uitkomsten, zorgen en conclusies van de maatschappelijke discussies zijn beschreven. Ook is aan de gemeenteraad toegezegd om richtlijnen voor participatie, samenwerking en sturing op te stellen. Het document ‘Signalen uit de Stad’ is vastgesteld in 2022 door de gemeenteraad van Amsterdam. Tijdens de reflectiefase zijn verschillende klankbordgroepen en de expertgroepen Natuur en Gezondheid opgezet, die hun zorgen en behoeften hebben geuit en advies hebben uitgebracht voor de vervolgfase. Naar aanleiding van de reflectiefase is besloten om een plan-milieueffectrapport (planMER) op te stellen, dat gekoppeld wordt aan een nieuw ruimtelijk besluit, zoals bedoeld in de Omgevingswet, het Programma Windenergie Amsterdam. In het planMER worden de milieueffecten van windenergie in verschillende onderzoekslocaties in kaart gebracht om verschillende onderzoekslocaties met elkaar te vergelijken. De onderzoekslocaties komen tot stand door enerzijds de zoekgebieden uit de RES te beschouwen (Figuur 1) en anderzijds een belemmeringenanalyse uit te voeren.
Bij de besluitvorming over het Programma Windenergie Amsterdam
Inleiding
4
<< terug naar de publieksversie
vindt de integrale belangenafweging plaats, waarbij de milieueffecten in het planMER, maar ook andere belangen, zoals de mogelijkheden voor deelname in een energiecoöperatie, worden meegewogen. Deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is de eerste stap in de procedure van de milieueffectrapportage.
Tabel 1
Begrippenlijst
Begrip
Toelichting
m.e.r.
De milieueffectrapportageprocedure (m.e.r.) is een instrument en hulpmiddel voor besluitvorming volgens een vastgelegde wettelijke procedure en met wettelijke vastgelegde participatie- en/of inspraakmomenten. M.e.r.-plichtige activiteiten (plannen en projecten) zijn activiteiten waarvoor het opstellen van een milieueffectrapport vanuit de wet verplicht is. Alle plannen (zoals bestemmingsplannen, structuurvisies en omgeving’programma's) die windparken mogelijk maken zijn plan-m.e.r.-plichtig. Voor wat betreft de project-m.e.r.-plicht geldt dat wettelijk gezien alleen windparken met meer dan 20 windturbines project-m.e.r.-plichtig zijn. Het milieueffectrapport (afkorting: MER) is het eindproduct van de m.e.r.-procedure. Binnen de m.e.r. wordt onderscheid gemaakt tussen een planMER en een projectMER. Een planMER betreft de onderbouwing van een plan en ondersteunt de overheid bij strategische afwegingen (bv. bestemmingsplan of structuurvisie). Een projectMER betreft de onderbouwing van een concreet project en vormt een bijlage bij de vergunningaanvraag. Het detailniveau van aan projectMER is hoger dan van een planMER, omdat er meer en concretere informatie bekend is ten tijde van het opstellen. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) betreft de eerste stap in de (plan)m.e.r..
Dit document beschrijft voorafgaand aan de procedure de inhoud van het onderzoek (reikwijdte) en met welke diepgang (detailniveau) dit wordt onderzocht. Programma Windenergie Amsterdam (PWA) is het ruimtelijke besluit van de gemeente Amsterdam dat in ontwikkeling is. Het planMER dient ter onderbouwing van het programma zoals bedoeld in de Omgevingswet voor windenergie in Amsterdam Regionale Energiestrategie
m.e.r.plichtige activiteiten
MER planMER en ProjectMER
NRD
PWA
RES
1.2
Doel van NRD en MER Het doel van het opstellen en publiceren van een notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) is betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de afbakening en diepgang (reikwijdte en detailniveau) van het op te stellen milieueffectrapport (MER) dat wordt opgesteld voor de gemeente Amsterdam. Met de terinzagelegging van de NRD wordt betrokkenen en belanghebbenden de gelegenheid geboden een reactie te geven die kan worden meegenomen bij de uitvoering van de onderzoeken in het kader van het MER. Er is ook een publiekssamenvatting beschikbaar. De NRD inclusief de binnengekomen en uitgewerkte zienswijzen vormen de definitieve basis voor de uitvoering van de onderzoeken in het kader van het MER. Formeel heeft een MER als doel om ‘het milieubelang volwaardig mee te laten wegen in de besluitvorming’. Voor de gemeente Amsterdam vertaalt dit zich in de volgende concrete doelen:
Inleiding
5
<< terug naar de publieksversie
1. Mogelijkheden voor en milieueffecten van grootschalige windenergie in verschillende zoekgebieden in Amsterdam in kaart brengen. 2. Onderbouwing bieden bij de totstandkoming en uitwerking van de uitvoeringsmaatregelen en randvoorwaarden voor het Programma Windenergie Amsterdam. 3. Aanbevelingen geven voor onderzoeksopgaven voor de uitwerking van concrete projecten in Omgevingsplannen en Omgevingsvergunningen en daarbij behorende projectMER-ren. 4. Bereiken van transparantie in besluitvorming en het creëren van een mogelijk breder maatschappelijk draagvlak.
1.3
Reikwijdte van het planMER Een programma is één van de zes kerninstrumenten onder de Omgevingswet (Ow). Een programma onder de Omgevingswet bevat: a) een uitwerking van het te voeren beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming of behoud van de leefomgeving en b) maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit (Ob) staat de procedure voor het vaststellen van een programma beschreven. De Omgevingswet is nog niet in werking,1 maar vooruitlopend daarop kan een programma vastgesteld worden (art. 4.11 Invoeringswet Omgevingswet). Deze gaat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als een programma in de zin van de Omgevingswet als deze aan de vereisten van een programma voldoet. Op basis van de Omgevingswet kan een plan-m.e.r.-plicht van toepassing zijn. Deze plan-m.e.r.-plicht is van toepassing als het programma het kader vormt voor m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten en besluiten die aangewezen zijn in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). De ontwikkeling van windenergie is genoemd in bijlage V Ob in categorie C2. Afhankelijk van de grootte van het windturbinepark geldt een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met 20 of meer windturbines geldt een directe m.e.r.-plicht. Voor oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met drie of meer windturbines geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Ook wanneer een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) benodigd is voor het programma, treedt plan-m.e.r.-plicht op. Een passende beoordeling wordt uitgevoerd wanneer voor een plan of project geldt dat significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van de activiteit beschreven en beoordeeld. Er is naar aanleiding van de reflectiefase na vaststelling van de RES besloten een planMER op te stellen, zodat een nadere afweging en prioritering van zoekgebieden binnen de gemeente Amsterdam kan plaatsvinden. Het programma is het meest geschikte type besluit om het plan-MER aan te koppelen, met name omdat daarin 1
Inleiding
De Omgevingswet treedt mogelijk op 1 juli 2023 in werking.
6
<< terug naar de publieksversie
ook diverse uitvoeringsmaatregelen kunnen worden opgenomen. Voor vervolgbesluiten voor windturbines wordt in Amsterdam de m.e.r.-beoordelingsfase overgeslagen en wordt meteen een projectMER uitgevoerd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de resultaten uit het planMER en de gemaakte keuzes in het Programma Windenergie Amsterdam. De onderzochte zoekgebieden uit de RES 1.0 worden op dezelfde manier in het MER onderzocht en beoordeeld, ongeacht hun status als voorkeursgebied, reservegebied of extra reservegebied. Tevens wordt met behulp van een belemmeringenanalyse onderzocht in hoeverre er buiten de RES-gebieden nog andere plekken binnen de gemeente zijn waar windenergie op milieutechnische gronden zou passen. Zie voor de aanpak van deze analyse paragraaf 2.5. Op deze manier helpt het MER om zeker te zijn dat er geen geschikte alternatieve locaties over het hoofd worden gezien.
1.4
M.e.r.-procedure
1.4.1
Juridische grondslag m.e.r.- procedure Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) vervalt de huidige wetgeving waarin MER en m.e.r.-(beoordelings)procedures zijn geregeld. Het huidig wettelijk kader bestaat uit de Wet milieubeheer (Wm), het Besluit milieueffectrapportage en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarvoor in de plaats komt een nieuw wetgevingsstelsel. Met de invoering van de Omgevingswet (naar alle waarschijnlijkheid) per 1 juli 2023 worden procedurele regels vereenvoudigd. In tegenstelling tot de huidige limitatieve opsomming van kaderstellende planm.e.r.-(beoordelings)plichtige plannen, kent de Ow conform de Smb2-richtlijn een algemene omschrijving. Het programma is in de Ow genoemd als een ‘in ieder geval’ plan-m.e.r.-plichtig plan (art. 16.34, tweede lid, Ow). Daarnaast bestaat en bestond een directe plan-m.e.r.-plicht voor plannen en programma’s als tevens een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor moet worden gemaakt. Het Programma Windenergie Amsterdam is een Programma dat kaderstellend is voor m.e.r-beoordelingsplichtige activiteiten (windparken) en zodoende planm.e.r-plichtig. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit bevat de regelgeving over de milieueffectrapportage.
Het doel van milieueffectrapportage (MER) is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over dergelijke activiteiten. De activiteiten waarvoor dit van toepassing is, zijn gegeven in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). De vereisten van de inhoud van een planMER staat beschreven in artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit. De aparte kennisgeving van het voornemen een MER op te stellen en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen op het voornemen tot het opstellen van een MER, zoals opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm), zijn niet opgenomen in de Omgevingswet en/of Omgevingsbesluit. Omdat voor m.e.r. geen overgangsrecht is geregeld, en de procedure nu start, wordt die kennisgeving wel gedaan. Daarnaast 2
Inleiding
Smb: strategische milieubeoordeling
7
<< terug naar de publieksversie
is de voorfase vereist vanuit het gemeentelijke participatiebeleid. Als de huidige mer-procedure doorlopen wordt, voldoet deze tevens aan de vereisten van de Omgevingswet. In het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met: a. het milieueffectrapport; en b. het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie. m.e.r.) Daarnaast bevat het programma in ieder geval (artikel 11.4 Ob/art. 7.14 Wm): c. een samenvatting van de milieuoverwegingen die zijn betrokken bij het vaststellen van het plan of programma; d. een samenvatting van de redenen om te kiezen voor het vastgestelde plan of programma, waarbij in ieder geval de in het milieueffectrapport beschreven redelijke alternatieven worden betrokken; e. de monitoringsmaatregelen; f. hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Tevens hoe invulling is gegeven aan het gemeentelijke participatiebeleid (artikel 10.8 Ob).
1.4.2
Betrokken partijen Over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie in het milieueffectrapport raadpleegt het bevoegd gezag de bestuursorganen en instanties. Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van de NRD en het milieueffectrapport stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid daarover te adviseren. Initiatiefnemer De initiatiefnemer van het planMER t.b.v. windenenergie Amsterdam is de gemeente Amsterdam. Bevoegd gezag Het college van B en W van gemeente Amsterdam is het bevoegd gezag om het beoogde Programma Windenergie Amsterdam vast te stellen. (Het PWA zal tevens aan de gemeenteraad worden voorgelegd). Dat maakt het college tevens bevoegd gezag voor het planMER. Tot 5 MW is momenteel de gemeente bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning (met bijbehorend projectMER) en tussen 5-100 MW is de provincie bevoegd gezag (Elektriciteitswet, 1998). Aangezien de verwachting is dat de meeste nieuwe windparken in Amsterdam een groter vermogen dan 5 MW hebben, is de provincie Noord-Holland bevoegd gezag voor het afgeven van omgevingsvergunning(en) bouw en exploitatie voor windparken. De vergunningverlening is hiervoor gemandateerd aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De gemeente Amsterdam wordt dan om advies gevraagd.
De inhoud van het programma wordt afgestemd met de provincie zodat de vergunningverlening hiermee in lijn is. Voor de grote wateren, zoals het Marker- en IJmeer is Rijkswaterstaat het bevoegd gezag en niet de provincie Noord-Holland. Overlegpartners
Inleiding
8
<< terug naar de publieksversie
Alle adviseurs en bestuursorganen die op grond van de Omgevingswet/Wet milieubeheer een rol hebben worden betrokken. Dit zijn in elk geval provincie Noord-Holland, Rijkswaterstaat, Liander, Gasunie, Samenwerkingspartners RES, buurgemeenten, Staatsbosbeheer, Waternet, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), GGD, Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Daarnaast wordt de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA) nauw betrokken. Conform de gemaakte werkafspraken geeft de SARA advies op de conceptversie van de NRD voorafgaand aan de ter visie legging. Figuur 2
Ligging van de buurgemeenten ten opzichte van de gemeente Amsterdam en de RES-zoekgebieden daarbinnen.
Commissie voor de milieueffectrapportage De onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie. m.e.r.) beoordeelt zowel de concept NRD als het MER na publicatie op juistheid en volledigheid. Op grond van de m.e.r.-wetgeving is toetsing van het MER door de onafhankelijke Cie. m.e.r. verplicht. De Cie. m.e.r. brengt advies uit aan het bevoegd gezag. Overige belanghebbenden In de fase van de tervisielegging van deze concept NRD heeft eenieder de mogelijkheid zienswijzen kenbaar te maken via schriftelijke reacties. Tijdens de terinzagelegging wordt ook een informatiemoment georganiseerd. In Hoofdstuk 4 staat beschreven hoe het participatieproces tot nu toe is uitgevoerd en hoe met de opgehaalde input uit het document Signalen uit de stad, de adviezen van de Expertgroepen gezondheid en natuur, de amendementen en moties wordt omgegaan in het planMER en/of het Programma Windenergie Amsterdam.
Inleiding
9
<< terug naar de publieksversie
1.5
Leeswijzer Voorliggende notitie bestaat uit vijf hoofdstukken. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen activiteit en de alternatieven. Hoofdstuk 3 gaat in op de te onderzoeken onderwerpen en de te hanteren beoordelingscriteria. In Hoofdstuk 4 wordt een overzicht gegeven van het participatieproces tot nu toe en hoe met de input uit gevraagde adviezen en vastgestelde stukken wordt omgegaan. Bijlage A bevat het beleidskader.
Inleiding
10
<< terug naar de publieksversie
Hoofdstuk 2 Activiteit en alternatieven 2.1
Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de activiteiten en alternatieven voor het planMER Windenergie Amsterdam. De ambitie is om voor 2030 tenminste 127 MW opgesteld vermogen windenergie te realiseren. In Q1 2021 staan 28 windturbines in Amsterdam met een gezamenlijk vermogen van 75 MW. De resterende opgave tot 2030 is daardoor tenminste 52 MW aan windenergie. Hiervan is reeds een deel vergund (RWZI Westpoortweg, 9,2 MW). Tevens is er een initiatief in voorbereiding (Noorder IJplas / Cornelis Douwesterrein, ca. 10-15MW). Het planMER onderzoekt de milieueffecten van de activiteit en vergelijkt de verschillende zoekgebieden met elkaar (en met de referentiesituatie). De resultaten van dit milieueffectenonderzoek zullen dienen als input voor het Programma Windenergie Amsterdam. In de volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de referentiesituatie, de voorgenomen activiteit, de totstandkoming van het basisalternatief en locatiealternatieven.
2.2
Voorgenomen activiteit De voorgenomen activiteit betreft het opwekken van elektriciteit met behulp van windturbines in de gemeente Amsterdam. Met windturbines wordt duurzame elektriciteit geproduceerd, waarbij één windturbine jaarlijks ca. 10-20 GWh elektriciteit kan produceren, wat gelijk staat aan het elektriciteitsverbruik van ca. 3.000 - 6.000 huishoudens. De specifieke productie is afhankelijk van de grootte van de windturbine en de omstandigheden op de exacte locatie. Om een realistisch beeld te krijgen van de moderne windturbines worden in het MER grote, gangbare windturbines beschouwd. De milieueffecten worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van een referentiewindturbines met een tiphoogte van 130, 145, 212 en 240 meter, afhankelijk van de bouwhoogtebeperkingen in de verschillende delen van de gemeente als gevolg van Schiphol. In het planMER worden de milieueffecten op hoofdlijnen beoordeeld, zodat een goede vergelijking tussen de gebieden kan worden gemaakt. Het feit dat in het planMER een bepaalde tiphoogte wordt onderzocht, betekent niet dat met de toekomstige ruimtelijke plannen of omgevingsvergunningen enkel windturbines van deze omvang mogelijk zijn. Het onderzoek is hierbij indicatief en representatief voor de huidige stand der techniek.
In het kader van het planMER is het niet doelmatig om per zoekgebied verschillende afmetingen windturbines te onderzoeken gezien het hier om vergelijking van gebieden gaat. Verdiepend onderzoek naar milieueffecten van verschillende mogelijke inrichtingen per gebied vindt in een later stadium plaats. Het planMER wordt gekoppeld aan het Programma Windenergie Amsterdam onder de Omgevingswet. De resultaten van de milieuonderzoeken naar de effecten van windenergie in de verschillende mogelijke zoekgebieden dienen om een afweging
Activiteit en alternatieven
11
<< terug naar de publieksversie
van zoekgebieden te kunnen maken. Het planMER dient ter onderbouwing van het Programma, waarin uitvoeringsmaatregelen en randvoorwaarden voor windenergie worden beschreven. Hier dient bij de uitwerking van concrete windenergie projecten rekening mee te worden gehouden (projectMER).
2.3
Zoekgebieden Het MER vergelijkt de milieueffecten van windturbines op verschillende onderzoekslocaties met elkaar. Deze onderzoekslocaties komen tot stand door enerzijds de zoekgebieden uit de RES te beschouwen (groene, gele en rode locaties in Figuur 3) en anderzijds een belemmeringenanalyse voor heel Amsterdam uit te voeren om deze locaties nader in te perken en zeker te stellen dat geen geschikte locaties over het hoofd worden gezien.
Figuur 3
Zoekgebieden voor zonne- en windenergie uit de RES (Bron: RES 1.0 NHZ).
Zie voor een toelichting van de werkwijze voor de uit te voeren belemmeringenanalyse paragraaf 2.5. Afstemming met buurgemeenten De zoekgebieden voor windenergie binnen de gemeente Amsterdam liggen in de nabijheid van een aantal buurgemeenten, zoals Amstelveen, Diemen, Gooise Meren, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan en Zaanstad. Dit planMER onderzoekt weliswaar enkel zoekgebieden binnen de gemeente Amsterdam onderzocht, maar kijkt voor wat betreft de milieueffecten ook buiten de gemeentegrenzen.
Activiteit en alternatieven
12
<< terug naar de publieksversie
In sommige gevallen hebben de buurgemeenten zelf ook windenergie-zoekgebieden nabij Amsterdam. De gemeente Amsterdam onderhoudt nauw contact met de buurgemeenten. Zie ook de paragraaf over autonome ontwikkelingen en stadsontwikkelingen (2.9).
2.4
Referentie-windturbinetypes De beoordeling maakt gebruik van representatieve windturbinetypes, zoals die momenteel verkrijgbaar zijn. Daarbij is gekozen om een zo groot mogelijk windturbinetype te beschouwen, om de effecten worst-case in beeld te brengen.3 De afmetingen worden vooral begrensd door de bouwhoogtebeperkingen vanuit Schiphol. Deze beperkingen zijn complex van aard, doordat sommige vlakken als hardere belemmering kunnen worden beschouwd dan andere. Daarbij gaat dit MER uit van dezelfde uitgangspunten als het onderzoek dat adviesbureau to70 uitvoerde ten behoeve van de RES zoekgebieden Noord-Holland Zuid4. Er zijn bepaalde hoogtes die over grote delen van de gemeente niet overschreden mogen worden vanwege de bouwhoogtebeperkingen. De belangrijkste zijn: 146 meter ter plaatse van obstacle limitation surfaces (OLS) en 213 meter ter plaatse van de minimumhoogte voor het geven van koersinstructies (MVA, of Minimum Vectoring Altitude). Daarom hanteert het MER afmetingen die net onder deze maximale bouwhoogtes vallen als referentiewindturbinetypes voor de betreffende gebieden. Voor die delen van de gemeente waar geen bouwhoogtebeperkingen gelden beschouwt het MER een representatieve tiphoogte van 240 meter.
Op dit moment staan er nog maar weinig windturbines van deze afmetingsklasse in Nederland, maar dergelijke afmetingen zijn wel commercieel verkrijgbaar en worden veelal toegepast in recente ruimtelijke procedures voor nieuwe windparken. Voordeel van dergelijke afmetingen is dat zulke grote windturbines efficiënter elektriciteit produceren en een groter vermogen hebben, waardoor er minder windturbines nodig zijn om aan de gemeentelijke doelstelling te voldoen.
3
4
Grote windturbines maken niet per se meer geluid dan kleine, en grotere windturbines staan verder uit elkaar. Daarom zal het MER een gevoeligheidsanalyse bevatten van de geluidseffecten van windturbines van verschillende afmetingen. Globaal onderzoek RES zoekgebieden Noord-Holland Zuid, to70 Aviation Consultants, april 2021.
Activiteit en alternatieven
13
<< terug naar de publieksversie
Figuur 4
Schematische voorbeeld van de gehanteerde referentie-afmetingen.
De afmetingen die in het Havengebied onderzocht gaan worden zijn nog niet bekend, maar worden in het MER bepaald, omdat dit maatwerk vraagt dat gebaseerd is op de belemmeringenanalyse.
2.5
Belemmeringenanalyse De mogelijkheden voor windturbines worden ruimtelijk beperkt doordat afstand tot verschillende belemmeringen moet worden aangehouden. Deze afstanden volgen uit of zijn afgeleid van wet- en regelgeving. Enkele voorbeelden hiervan zijn de afstand tussen windturbines en woningen (om te kunnen voldoen aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat), hoogspanningslijnen, spoorwegen, buisleidingen etc., en hoogtebeperkingen vanwege Schiphol. Het MER bevat een kaart met al dergelijke belemmeringen. Deze kaart laat zien waar windturbines op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten, en geeft daardoor ook inzicht in de resterende plekken. Om de onderzoekslocaties en dus de locatiealternatieven te bepalen, wordt enerzijds gekeken naar de zoekgebieden uit de RES en anderzijds de belemmeringenanalyse. De belemmeringsanalyse wordt uitgevoerd om tevens andere locaties in beeld te brengen die uit milieutechnisch oogpunt ook moeten worden meegenomen in het milieuonderzoek. Deze kaart met de ruimte voor windenergie, in combinatie met de RES-zoekgebieden, leidt tot de in het MER te onderzoeken onderzoekslocaties. Deze eerste stap zorgt ervoor dat de gemeente zeker weet dat er geen geschikte locaties over het hoofd worden gezien en dat het MER geen technisch onhaalbare locaties meeweegt.
Het MER maakt geen onderscheid in de status van de gebieden (voorkeursgebieden, reservegebieden, extra reservegebieden), maar maakt de milieueffecten van alle gebieden binnen de gemeente op dezelfde manier inzichtelijk. Welke gebieden vervolgens voor windenergie worden aangewezen is geen onderdeel van het planMER (maar van het Programma Windenergie Amsterdam).
Activiteit en alternatieven
14
<< terug naar de publieksversie
2.5.1
Aannames De belemmeringenanalyse bevat tenminste de volgende onderwerpen: Verblijfsobjecten met woon-, zorg-
of onderwijsfunctie, alsmede ligplaatsen en standplaatsen Overige bebouwing: panden Rijks-, spoor en vaarwegen Bouwhoogtebeperkingen Schiphol (zie 2.4)
Hoogspanningsinfrastructuur Buisleidingen (zoals aardgasleidingen) Bestaande windturbines Water (enkelbestemming) Overige wegen Waterkeringen
NB. Verblijfsobjecten met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie zijn woningen, zorginstellingen, scholen, e.d. die als zodanig aangemerkt staan in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).
Rondom belemmeringen die zich in of nabij de zoekgebieden voor windenergie bevinden, worden minimale afstanden (buffers) aangehouden die volgen uit of zijn afgeleid van wet- en regelgeving. Deze bufferafstanden staan beschreven in Tabel 2. De referentiewindturbines zijn schematisch weergegeven in Figuur 4. Windturbines met dergelijke afmetingen zijn op dit moment gangbaar in de markt (en planvoorbereiding). Tabel 2 Toelichting afstanden harde belemmeringen voor windenergie Belemmering Toelichting In het MER-onderzoek worden onder gevoelige objecten verstaan: objecGevoelige objecten ten met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie, alsmede lig- en standplaatsen. Er gelden wettelijk gezien geen minimale afstandseisen tot verblijfsobjecten met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie. Om aan in de toekomst te stellen normen voor geluid en slagschaduw te kunnen voldoen, wordt als vuistregel een afstand van 350 meter tot deze verblijfsobjecten gehanteerd. In hoeverre windparken op dergelijk korte afstanden aan strenge geluidnormen kunnen voldoen moet blijken uit het MER. Als onderdeel van het MER worden binnen de zoekgebieden concrete opstellingen ingetekend; hierbij wordt een zo groot mogelijke afstand tot woningen aangehouden. De 350 meter is een absolute ondergrens, die is gekozen om niet aan de voorkant gebieden af te laten vallen zonder naar de precieze aard van dat gebied te kijken.
Ook bij de totstandkoming van de RES-zoekgebieden is 350 meter tot woningen als uitgangspunt gehanteerd. Overige bebouwing: Overdraai boven panden wordt voorkomen. panden Rijkswegen Langs rijkswegen wordt op basis van een Beleidsregel van Rijkswaterstaat plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van een halve rotordiameter, met een minimum van 30 meter uit de rand van de verharding. ProRail hanteert een afstandseis van 11 meter + ½ x rotordiameter (met Spoorwegen een minimum van 30m) vanaf het hart van het buitenste spoor. Voor spoorwegen zonder bovenleiding in het Westpoortgebied is een minimumafstand van 20 meter aangehouden. Rijkswaterstaat staat windturbines toe bij een afstand van ten minste een Vaarwegen halve rotordiameter tot aan de rand van de vaarweg. Echter geldt deze afstand niet als harde eis; ook kleinere afstanden zijn soms, in overleg met Rijkswaterstaat, inpasbaar. Om niet op voorhand te veel gebieden uit te sluiten, beschouwen wij in het MER alleen de vaarweg zelf als harde belemmering.. Tot provinciale en gemeentelijke wegen gelden geen voorgeschreven miOverige wegen nimumafstanden zoals bij rijkswegen het geval is. Om genoeg ruimte voor windturbines aan te houden wordt toch een korte afstand van 20 meter tot overige wegen ingetekend.
Activiteit en alternatieven
Afstand 350
½ x rotordiameter ½ x rotordiameter
½ x rotordiameter + 11 m 0m
20m
15
<< terug naar de publieksversie
Hoogspanningsinfrastructuur
Buisleidingen
Bestaande/geplande windturbines
2.5.2
Er bestaat geen wettelijk kader voor de invloed van windturbines op hoogspanningsleidingen. Tennet heeft in het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW 2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110 kV tot en met 380 kV. Deze afstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental of indien deze groter is, de ashoogte + ½ rotordiameter. Echter geldt deze adviesafstand niet als harde eis; ook kleinere afstanden zijn soms, in overleg met Tennet, inpasbaar. Om niet op voorhand te veel gebieden uit te sluiten, hanteren wij in het belemmeringenonderzoek een harde afstandseis ter grootte van ½ x rotordiameter. Handreiking Risicozonering Windturbines 2020 houdt voor ondergrondse gasleidingen als risicoafstand de grootste waarde aan van: De tiphoogte De maximale werpafstand bij nominaal toerental Echter geldt deze risicoafstand niet als harde eis; ook kleinere afstanden zijn soms, in overleg met de leidingbeheerder, inpasbaar. Om niet op voorhand te veel gebieden uit te sluiten, hanteren wij in het belemmeringenonderzoek een harde afstandseis ter grootte van ½ x rotordiameter.. Om een verminderde elektriciteitsopbrengst ten gevolge van een verstoord windaanbod te voorkomen, wordt gerekend met een minimale onderlinge afstand tussen windturbines van 3 maal de rotordiameter.
Ook de windturbines van Westpoortweg en de plannen voor windturbines bij de Noorder IJplas / Cornelis Douwesterrein vallen onder deze categorie.
½ x rotordiameter
½ x rotordiameter
3x rotordiameter
Havengebied Westpoort Het havengebied (Westpoort) heeft een afwijkend karakter van de rest van de gemeente: er vindt veel bedrijvigheid plaats, die onverenigbaar kan zijn met windturbines. Aan de andere kant is het wenselijk om het havengebied goed te benutten voor windenergie, omdat de milieu-impact van windturbines hier minder is dan op andere plekken in de gemeente. In het MER wordt, in nauw contact met het Havenbedrijf, onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor windturbines. De belemmeringen kunnen binnen het havengebied anders zijn dan in de rest van de gemeente, derhalve worden de belemmeringen in het havengebied op basis van maatwerk bepaald. Op deze manier worden er geen potentiële locaties over het hoofd gezien in het Havengebied. Indien in de belemmeringenanalyse binnen het havengebied andere belemmering-afstanden worden gebruikt dan in bovenstaande tabel aangegeven, wordt hier in de MER nadere toelichting op gegeven. Binnen het havengebied wordt, naast de andere belemmeringen, rekening gehouden met de hoogtebeperkingen vanuit de Helihaven (Amsterdam heliport) en de helikopter-routes. Verder worden ‘panden’ niet meegenomen als harde belemmering, aangezien deze onderdeel kunnen worden van een inrichting.
2.6
Locatiealternatieven Onderstaande tabel toont alle zoekgebieden uit de RES 1.0, en de voorgenomen aanpak in het MER: Zoekgebied 1A 1B 2A 2B 3 4A
Activiteit en alternatieven
Naam Havengebied Haven Zuid Noorder IJplas Cornelis Douwes terrein Ring A10 Noord Sciencepark
Meenemen in MER Meenemen in MER Autonome ontwikkeling, apart MER Autonome ontwikkeling, apart MER Meenemen in MER Meenemen in MER
16
<< terug naar de publieksversie
4B 4C 4D 5A 5B 5C 6A 6B 7 Extra zoekgebied
Zeeburgereiland Strand/Buiten-eiland Ijburg Baai Diemerscheg Weesperkarspel/Gein Gaasperplas Knooppunt Holendrecht Amstel III Kop Amstelscheg Extra zoekgebied
Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER Meenemen in MER. Wordt naar verwachting opgesplitst in twee onderzoeksgebieden: Landelijk noord en IJmeer.
Deze lijst is niet limitatief: mocht uit de belemmeringenanalyse blijken dat er nog andere locaties zijn die niet op voorhand om milieutechnische redenen kunnen worden uitgesloten zal ook daar onderzoek gedaan worden naar de milieueffecten van windturbines. Dat betekent niet dat dergelijke gebieden automatisch in beeld komen voor daadwerkelijke plaatsing van windturbines; dat is een keuze die pas in het Programma Windenergie Amsterdam, en (mede) op basis van de resultaten van het planMER, wordt gemaakt. Omgekeerd kan uit de belemmeringenanalyse blijken dat bepaalde zoekgebieden toch geen ruimte blijken te bieden voor windturbines. In dat geval zal het MER hiervan een gedegen onderbouwing bevatten.
2.6.1
Weesp De belemmeringenanalyse beslaat het gehele grondgebied van de gemeente Amsterdam, dus ook de voormalige gemeente Weesp. Het grondgebied van de voormalige gemeente Weesp in Stadsgebied Weesp valt buiten de scope van eerder vooronderzoek. In de Omgevingsvisie Weesp 2050 (vastgesteld 14 oktober 2021) heeft de toenmalige gemeenteraad uitgesproken dat zij geen windturbines in Weesp wil. De locaties zijn ook niet opgenomen in de RES 1.0 NHZ en vallen daarmee buiten provinciaal beleid (waarin de RES’sen leidend zijn gemaakt). De milieueffecten van windturbines in dit deel van de gemeente Amsterdam worden daarom niet inzichtelijk gemaakt.
2.6.2
Locatiealternatieven en onderzoeksopstellingen Om milieueffecten te kunnen onderzoeken zal het planMER werken met indicatieve opstellingen. Binnen de zoekgebieden worden indicatieve windparken ingetekend met concrete windturbineposities. Hierbij wordt uitgegaan van een maximale realiseerbare invulling van het aantal windturbines. Elke indicatieve opstelling in een zoekgebied geldt als één locatiealternatief en wordt beoordeeld op alle milieuthema’s (zoals beschreven in Hoofdstuk 3). Alle locatiealternatieven tezamen vormen het Basisalternatief. N.B. Een aantal bestemmingen is niet meegenomen in de belemmeringenanalyse, omdat er geen wettelijke strijdigheid geldt. Denk bijvoorbeeld aan sportvelden en volkstuinencomplexen. De indicatieve opstellingen die in het MER geformuleerd worden zullen wel met deze zaken rekening houden, zodat geen indicatieve opstellingen onderzocht worden die niet realiseerbaar zijn. Daarnaast worden de
Activiteit en alternatieven
17
<< terug naar de publieksversie
effecten van windparken op (bijvoorbeeld) recreatieve functies in beeld gebracht. Zie ook de beoordelingscriteria in Hoofdstuk 3.
2.7
Beoordeling van locatiealternatieven Elk locatiealternatief wordt aan dezelfde effectbeoordeling onderworpen. Op deze manier kan een eerlijke vergelijking gemaakt worden tussen de zoekgebieden. De beoordeling volgt uit de doelen van het MER: 1). Milieueffecten en belemmeringen (en mogelijke mitigerende maatregelen) onderzoeken van windenergie in zoekgebieden in Amsterdam. 2). Onderbouwing bieden bij uitwerking van uitvoeringsmaatregelen en randvoorwaarden milieuaspecten PWA. 3). Aanbevelingen voor onderzoeksopgaven voor uitwerking van concrete projecten. Hoofdstuk 3 beschrijft in meer detail hoe de locatiealternatieven worden beoordeeld. De milieueffecten worden in kaart gebracht en beoordeeld voor alle locatiealternatieven. Op basis van de verwachte milieueffecten en de verwachte opbrengst kan de gemeente keuzes maken over de locatiealternatieven waarbij de relatie met het doelbereik (de doelstelling voor opwek van windenergie) bij de besluitvorming wordt betrokken. Locatiealternatieven worden niet beoordeeld met blik op hun sociale of economische effecten. Deze effecten kennen geen onderscheidende beoordelingscriteria voor windenergie, op basis waarvan een locatieafweging kan worden gemaakt. In het participatieproces, dat gelijktijdig loopt met de m.e.r.-procedure, is wel aandacht voor de sociale effecten van de ontwikkeling van windturbines.
Hoofdstuk 4 van de NRD gaat in op het reeds uitgevoerde deel van het participatieproces, de opgehaalde input en het verdere proces.
2.8
Optimalisatiealternatieven Na de effectbeoordeling van de locatiealternatieven (die gezamenlijk het Basisalternatief vormen) worden twee zogenaamde ‘optimalisatiealternatieven’ geformuleerd. Elk optimalisatiealternatief is een bundeling van zoekgebieden waar windturbines kunnen komen, rekening houdend met aanvullende randvoorwaarden. Deze stap is te zien als een gevoeligheidsanalyse op de thema’s Gezondheid en Natuur. Het doel is om inzicht te verkrijgen in knelpunten en mogelijke mitigerende maatregelen op deze belangrijke thema’s. Een vraag die de gemeente Amsterdam hier bijvoorbeeld mee beantwoord wil krijgen is: hoeveel MW aan windenergie is er mogelijk binnen de gemeentegrenzen, als moet worden voldaan aan de standaardwaarde van 42 dB Lden op omliggende woningen? En hoeveel past er als de grenswaarde van 45 dB Lden wordt toegepast? De precieze vorm die deze beide optimalisatiealternatieven krijgen heeft niet direct invloed op de keuzes die in het Programma Windenergie Amsterdam gemaakt worden, maar kan wel bij die keuzes helpen.
Activiteit en alternatieven
18
<< terug naar de publieksversie
Ten behoeve van het ‘Optimalisatiealternatief Gezondheid’ wordt per locatiealternatief gekeken welke maatregelen kunnen worden toegepast om de effecten op de gezondheid te verminderen. Uitgangspunt daarbij is dat de geoptimaliseerde opstelling in ieder geval moet voldoen aan de grenswaarde voor geluid van 45 dB Lden, zoals voorgesteld door de expertgroep Gezondheidseffecten windturbines5. Locatiealternatieven die niet kunnen voldoen worden in dit alternatief niet meegenomen. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre de locaties kunnen voldoen aan de standaardwaarde van 42 dB Lden. Ten behoeve van het ‘Optimalisatiealternatief Natuur’ wordt per locatiealternatief gekeken welke maatregelen kunnen worden toegepast om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de expertgroep Windturbines en natuur6. Daarbij zal ook aandacht zijn voor de cumulatieve effecten van locatiealternatieven onderling en bestaande/geplande windparken. De locatiealternatieven in deze twee optimalisatiealternatieven worden beoordeeld op alle milieuthema’s om een vergelijking met het Basisalternatief mogelijk te maken. Zo biedt het planMER inzicht in de mogelijkheid tot het toepassen van mitigerende maatregelen, en het effect dat die maatregelen hebben op de opwekpotentie binnen de gemeente.
2.9
Referentiesituatie In het planMER worden de milieueffecten van de windturbines ten opzichte van een zogenoemde ‘referentiesituatie’ beschreven: de situatie waarin de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd. Deze beschrijving is relevant voor de beoordeling van de effecten van de alternatieven, gezien er meer opgaven liggen voor de gemeente. De referentiesituatie wordt gevormd door de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. Dit zijn ontwikkelingen die nog niet gerealiseerd zijn, maar waarop concreet zicht bestaat. Dit betekent dat er sprake moet zijn van voorbereiding van een ruimtelijk plan, besluit of planologische procedure. In het MER worden de milieueffecten onderzocht ten opzichte van de referentiesituatie (de huidige situatie en de autonomie ontwikkelingen).
2.9.1
Autonome ontwikkelingen Voor de gemeente geldt dat er verschillende plannen bestaan om functies te ontwikkelen. Wanneer het gaat om voorzienbare ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor concrete informatie voorhanden is, worden deze meegenomen in de referentiesituatie. Dit betreffen zowel ontwikkelingen in de gemeente Amsterdam, als in omligggende buurgemeenten. Denk bijvoorbeeld aan een reeds vergund windpark (zoals Windpark Westpoortweg) of een vastgesteld bestemmingsplan (zoals Strandeiland IJburg). Ook wordt het initiatief voor windenergie rond de Noorder IJ-Plas en het Cornelis Douwesterrein beschouwd als een autonome ontwikkeling, aangezien de vergunningprocedure voor dit project reeds vergaand in voorbereiding is. Tevens geldt dat voor deze locatie reeds een projectMER is opgesteld, met een hoger detailniveau dan dit planMER, waardoor de milieu-informatie alsnog beschikbaar is.
5 6
Advies expertgroep gezondheidseffecten windturbines, april 2022 Advies expertgroep windturbines en natuur, april 2022
Activiteit en alternatieven
19
<< terug naar de publieksversie
2.9.2
Stadsontwikkelingen In het planMER worden milieueffecten van de locatiealternatieven vergeleken met de referentiesituatie (huidige situatie tezamen met de autonome ontwikkelingen). Binnen en nabij de gemeente Amsterdam (buurgemeenten) zijn er ook ontwikkelingen over stedelijke verdichting die formeel nog niet als autonome ontwikkeling worden aangemerkt, omdat er nog geen concrete ruimtelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden, maar die al wel globaal bekend zijn voor de lange termijn. Deze ontwikkelingen volgen uit de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. In het planMER worden deze ontwikkelingen gezien als ‘stadsontwikkelingen’. Na overleg met de gemeente Amsterdam is besloten om de effecten van windturbines op deze ontwikkelingen en de (on)verenigbaarheid van de locatiealternatieven met de stadsontwikkelingen wel in beeld te brengen (bijvoorbeeld met geluiden slagschaduwcontouren), maar niet op te nemen in de effectbeoordeling (het scoren van de locatiealternatieven op de beoordelingscriteria d.m.v. een vijfpuntsschaal). Op deze manier kan het belang van de stadsontwikkelingen volwaardig worden meegenomen in de belangenafweging voor de voorkeurslocaties in het Programma Windenergie Amsterdam.
Activiteit en alternatieven
20
<< terug naar de publieksversie
Hoofdstuk 3 Effectbeoordeling 3.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de wijze van toetsing en beoordeling op de milieuthema’s van de locatiealternatieven nader toegelicht. Per milieuthema gaat de NRD in op: - het geldende toetsingskader; - de onderzoeksmethode in het planMER; - eventuele aanvullende onderdelen relevant voor het milieuthema; - de wijze waarop de zoekgebieden worden beoordeeld voor dat thema. De milieuthema’s die worden beoordeeld in het kader van het m.e.r.-proces staan uitgewerkt in paragraaf 3.2.